Arbeid en inkomen

Trends

Wie is de flexwerker?

Flexwerken groeit. In 2016 hadden ruim 1,8 miljoen mensen – ruim één op de vijf werkenden – een flexibele arbeidsrelatie. In 2003 waren dat nog 1,1 miljoen mensen. Het aantal oproep- en invalkrachten is tussen 2003 en 2016 zelfs ruim verdubbeld. Het aantal vaste werknemers nam af van bijna 5,7 miljoen (2003) tot ruim 5,2 miljoen (2016).

Flexwerken biedt werkgevers de mogelijkheid om personeel op piekmomenten aan te nemen en zich in mindere tijden van hen te ontdoen. Ook werknemers kunnen flexwerken als positief ervaren. Zo geeft een derde van de flexwerkers aan behoefte te hebben aan flexibiliteit of geen behoefte te hebben aan zekerheid. Het merendeel van de flexwerkers zegt flexwerker te zijn uit noodzaak: ze zijn nieuw bij hun huidige werkgever (38 procent) of het lukt hen niet om een vaste baan te bemachtigen (30 procent). Nadelen van flexwerken zijn de grotere baan- en inkomensonzekerheid vergeleken met vaste werknemers. De inkomens van flexwerkers zijn gemiddeld lager dan van vaste medewerkers, en die inkomens lopen bovendien sterk uiteen, afhankelijk van het type contract. Deze inkomensverschillen hangen samen met verschillen in het aantal gewerkte uren, verschillen in leeftijd, opleiding en bedrijfstak. Deze opsomming is niet uitputtend.

Van jongeren (15 tot 25 jaar) heeft 28 procent en van ouderen (45 tot 75 jaar) heeft 68 procent vast werk. Van jongeren (15 tot 25 jaar) is 10,8 procent en van ouderen (45 tot 75 jaar) is 5,6 procent werkloos. Van jongeren (15 tot 25 jaar) vindt 51 procent en van ouderen (45 tot 75 jaar) vindt 26 procent van de werklozen een baan. Van jongeren (15 tot 25 jaar) verliest 3,5 procent en van ouderen (45 tot 75 jaar) verliest 1,9 procent van de werkenden de baan.

Flexwerker, wie is het?

Flexwerknemers hebben een contract voor een bepaalde tijd of werken niet altijd een vast aantal uren. Er kunnen zeven groepen worden onderscheiden: werknemers met een tijdelijk dienstverband met uitzicht op een vast dienstverband én vaste uren; werknemers met een tijdelijk dienstverband van 1 jaar of langer én vaste uren; werknemers met een tijdelijk dienstverband korter dan 1 jaar én vaste uren; oproep/-invalkrachten; uitzendkrachten; werknemers met een vast dienstverband zonder vaste uren; werknemers met een tijdelijk dienstverband zonder vaste uren. Er is gekozen om vier groepen uit te lichten. Deze groepen zijn goed te onderscheiden naar leeftijd, opleiding en arbeidsduur:

  1. Werknemers met een tijdelijk contract met uitzicht op vast en een vast aantal uren zijn naar verhouding vaak jong (25 tot 35 jaar) en hoogopgeleid. Zij werken het meest in voltijd.
  2. Flexwerkers met een vast contract zonder vaste uren zijn even vaak vrouw als man. Bijna de helft is jonger dan 25 jaar, meer dan de helft volgt geen regulier onderwijs meer. Zij werken relatief vaak in kleine bedrijven in de handel en de horeca. Bijna 54 procent van hen werkt minder dan 20 uur per week.
  3. Onder uitzendkrachten is het aandeel mannen (62 procent) en het aandeel werknemers met een westerse en niet-westerse achtergrond (31 procent) relatief hoog. Ze zijn vaak van middelbare leeftijd en de helft is middelbaar opgeleid. Ruim de helft heeft een voltijdbaan en 63 procent werkt bij een groot bedrijf, dikwijls in de industrie en in de bouw.
  4. De groep oproep- en invalkrachten bestaat voor 67 procent uit jongeren (15 tot 25 jaar). Zes op de tien zitten op school of studeren. Meer dan de helft heeft een baan van minder dan 12 uur per week. Ze zijn vaker dan andere flexwerkers werkzaam in de horeca en de handel, en in de zorg.

Bruto inkomen veel lager dan bij vaste werknemers

Werknemers met een tijdelijk contract die uitzicht hebben op een vast contract verdienen van alle flexwerkers het meest. Het bruto inkomen uit arbeid is 35,8 duizend euro per jaar (2015). Dit inkomen ligt bijna 30 procent onder het inkomen van werknemers met een vaste arbeidsrelatie (50,8 duizend euro). Naar de hoogte van het inkomen volgen daarna de uitzendkrachten (24,1 duizend euro) en de werknemers met een vast contract zonder vaste uren (23,4 duizend euro). Oproepkrachten verdienen veruit het minst, 9,3 duizend euro per jaar.

Leeftijd, opleiding, anciënniteit, bedrijfstak; het zijn allemaal factoren die, mede, de hoogte van het inkomen bepalen. Uiteraard is er een relatie met arbeidsduur: hoe langer de werkweek, hoe hoger doorgaans het inkomen. Van de voltijders onder de flexwerkers, hebben vaste werknemers zonder vaste uren met 64,1 duizend euro het hoogste inkomen, maar de verschillen in inkomen met de andere typen contract zijn dan veel minder groot. Het lage inkomen van oproepkrachten hangt bijvoorbeeld samen met al deze factoren: zij zijn vaak jong (de helft is scholier of student), ze werken voornamelijk in deeltijdbanen van minder dan 20 uur per week, en zij werken vaak in de horeca en de detailhandel, bedrijfstakken waar relatief weinig wordt verdiend. De flexwerkers die het meest verdienen werken vooral voltijds. Ook zijn ze gemiddeld wat ouder dan de meeste andere typen flexwerker.
De factoren die, mede, de hoogte van het jaarinkomen bepalen, zijn hiermee overigens nog niet alle genoemd. Inkomens verschillen immers ook naar beroep en niet alle flexwerkers hebben het hele jaar werk.

Weinig oproep- en invalkrachten economisch zelfstandig

Doordat flexwerkers (veel) lagere inkomens hebben dan vaste werknemers, zijn zij veel minder vaak economisch zelfstandig. Van de oproep- en invalkrachten lukt het niet meer dan 20 procent om financieel op eigen benen te staan. Onder hen zijn veel jongeren die nog op school zitten of studeren. Maar zonder deze onderwijsvolgers is nog altijd maar 35 procent van de oproep- en invalkrachten financieel zelfstandig.

Tijdelijke kracht zonder vaste uren veel risico op armoede

Iemands welvaart hangt doorgaans niet alleen af van het eigen inkomen, maar ook van dat van een eventuele partner of gezinslid. Maar ook met een tweede inkomen erbij blijven flexwerkers kwetsbaar voor armoede. Ruim 6 procent van de flexwerkers maakte deel uit van een huishouden met een laag inkomen, tegen 2 procent van de vaste werknemers. Anders gezegd, van alle werknemers die leefden van een inkomen onder de lage-inkomensgrens bestond ongeveer de helft uit flexwerkers.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Leeswijzer

Verklaring van tekens

Niets (blanco) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. Het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
* Voorlopige cijfers
** Nader voorlopige cijfers
2016-2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 Het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2014/’15-2016/’17 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2014/’15 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Erratum

Ondanks de zorgvuldigheid waarmee deze publicatie is samengesteld, is er toch achteraf een onvolkomenheid geconstateerd. Onze excuses hiervoor.

Dinsdag 16 oktober 2018

Economie – Cijfers bouwen en wonen

In de inleidende tekst zijn enkele percentages niet juist. De omzet van de burgerlijke en utiliteitsbouw is in 2016 9,4 procent en niet 9,2 procent. De omzet van de grond-, weg- en waterbouw ging 1,4 procent achteruit i.p.v. 1,0 procent. De omzet van kleine bedrijven steeg met gemiddeld 8,5 procent i.p.v. 8,6 procent.