Foto omschrijving: Studenten tijdens een hoorcollege.

Onderwijs

In vergelijking met tien jaar geleden krijgen leerlingen van buitenlandse herkomst vaker een hoger schooladvies, volgen ze vaker havo of vwo in het voortgezet onderwijs, nemen hun slagingspercentages toe en behalen zij vaker een mbo-4-, hbo- of wo-diploma. Daardoor neemt het verschil ten opzichte van andere leerlingen af. Wel is er, na een lange periode van afname, bij sommige herkomstgroepen een toename te zien van voortijdig schoolverlaten. Verder blijven er herkomstverschillen op het vlak van studierichting.

3.1Basisonderwijs: schooladvies in groep 8

In schooljaar 2022/’23 kreeg 57 procent van de groep-8‑leerlingen een havonoot1- of vwo-advies. Bij leerlingen van Nederlandse herkomst en de tweede generatie met één in het buitenland geboren ouder was dat een fractie hoger. Van de groep-8‑leerlingen van de tweede generatie met twee in het buitenland geboren ouders en van de in het buitenland geboren leerlingen kreeg ongeveer de helft dat advies.

Toename havo- of vwo-advies bij tweede generatie met twee buitenlandse ouders

Groep-8‑leerlingen van de tweede generatie van wie beide ouders in het buitenland geboren zijn, kregen jarenlang het minst vaak een havo- of vwo-advies, ook minder dan in het buiten­land geboren leerlingen. Vanaf 2017/’18 is het verschil tussen die twee groepen kleiner geworden. Dat komt vooral doordat het aandeel bij de tweede generatie met twee buiten­landse ouders is toegenomen, van 38 procent in 2011’/12 naar 49 procent in 2022/’23.

3.1.1a Havo- of vwo-advies, naar geboorteland (% van groep-8-leerlingen)
Schooljaar Totale leerlingenpopulatie Geboren in Nederland, 2 ouders geboren in Nederland Geboren in Nederland, 1 ouder geboren in buitenland Geboren in Nederland, 2 ouders geboren in buitenland Geboren in buitenland
2011/'12 54,3 56,8 56,1 37,6 46,5
2012/'13 52,8 55,2 54,3 36,6 46,3
2013/'14 51,7 53,9 54,2 36,4 45,0
2014/'15 51,3 53,5 52,9 36,2 45,9
2015/'16 53,5 55,5 55,3 39,9 46,8
2016/'17 56,5 58,6 58,4 43,2 48,6
2017/'18 56,9 58,8 59,1 45,4 48,0
2018/'19 56,4 58,5 57,8 45,2 47,2
2019/'20 53,3 55,3 54,1 42,1 44,3
2020/'21 57,2 58,9 59,4 47,7 48,6
2021/'22 57,0 58,4 59,3 48,1 50,6
2022/'23* 57,3 58,8 58,8 48,8 51,0

De kans op een havo- of vwo-advies hangt sterk samen met het huishoudensinkomen. In het buitenland geboren leerlingen en leerlingen van de tweede generatie met twee in het buitenland geboren ouders hebben een lager huishoudensinkomen dan gemiddeld. Wanneer daarmee rekening wordt gehouden, vallen de groepsverschillen weg.

Schooladvies in groep 8

Leerlingen in groep 8 van het basisonderwijs kregen tot en met het schooljaar 2013/’14 een advies voor het voortgezet onderwijs van de leerkracht nadat de eindtoets was gemaakt. Vanaf 2014/’15 krijgen leerlingen een schooladvies van de leerkracht voordat de eindtoets is afgenomen. Dat advies is onder meer gebaseerd op leerprestaties, aanleg en ontwikkeling op de basisschool. Wanneer de eindtoets beter wordt gemaakt dan verwacht, dan moet de basisschool het schooladvies heroverwegen (Rijks­overheid, 2024). Een deel van de adviezen wordt daarna herzien.

In schooljaar 2019/’20 daalde het aandeel groep-8‑leerlingen met een havo- of vwo-advies in alle herkomstgroepen. Dit komt mogelijk doordat er in dat schooljaar geen eindtoets is afgenomen vanwege de coronapandemie. Hierdoor konden schooladviezen niet naar boven worden bijgesteld. Vooral meisjes en kinderen uit gezinnen met lagere inkomens kregen hierdoor een lager advies dan in de jaren ervoor. In 2020/’21 konden er wel weer eindtoetsen afgenomen worden en steeg het aandeel havo- en vwo-adviezen weer (CBS, 2022a).

Toename havo- of vwo-advies bij tweede generatie van Turkse of Marokkaanse herkomst

Het aandeel leerlingen dat in groep 8 een havo- of vwo-advies krijgt, verschilt ook naar herkomst. Bij leerlingen die in Nederland zijn geboren, krijgen degenen van Nederlandse, Europese, Indonesische of overig Buiten-Europese herkomst het vaakst een havo- of vwo-advies. Leerlingen van Turkse of Nederlands-Caribische herkomst krijgen in de hele periode van 2011/’12 tot 2022/’23 het minst vaak een havo- of vwo-advies. Wel is het verschil tussen in Nederland geboren leerlingen van Turkse of Marokkaanse herkomst met het gemiddelde kleiner geworden.

3.1.1b Havo- of vwo-advies, geboren in Nederland, naar herkomst (% van groep-8-leerlingen)
Schooljaar Totale leerlingenpopulatie1) Europa (excl. NL) Turkije Marokko Suriname Nederlandse Cariben Indonesië Overig Buiten-Europa Nederland
2011/'12 54,3 57,7 30,9 34,1 44,0 38,3 61,5 54,4 56,8
2012/'13 52,8 56,6 29,7 34,5 41,5 37,0 61,3 51,7 55,2
2013/'14 51,7 57,4 28,0 35,1 42,5 36,2 61,3 51,5 53,9
2014/'15 51,3 56,8 28,2 35,9 40,9 33,1 57,2 50,8 53,5
2015/'16 53,5 59,2 32,7 37,5 45,5 37,7 63,4 53,4 55,5
2016/'17 56,5 62,6 37,7 41,6 45,5 39,1 64,8 57,0 58,6
2017/'18 56,9 63,7 38,3 44,0 49,4 38,5 67,0 58,4 58,8
2018/'19 56,4 63,0 38,7 45,1 45,4 35,3 67,6 57,3 58,5
2019/'20 53,3 60,1 35,7 41,0 41,1 32,5 63,2 53,8 55,3
2020/'21 57,2 64,1 40,5 49,0 49,0 35,4 64,8 58,3 58,9
2021/'22 57,0 62,5 40,9 49,3 48,1 38,2 65,2 58,9 58,4
2022/'23* 57,3 61,8 43,3 50,0 48,7 35,9 63,3 58,3 58,8
1)havo- of vwo-advies onder alle groep-8-leerlingen in Nederland

Bij leerlingen die in het buitenland zijn geboren, zijn de cijfers anders. Van die groep krijgen degenen van Europese en Turkse herkomst het vaakst een havo- of vwo-advies, en degenen van Marokkaanse, Surinaamse of Nederland-Caribische herkomst het minst vaak. Ook bij in het buitenland geboren leerlingen is de toename van havo- en vwo-adviezen in de afgelopen twaalf jaar het sterkst onder degenen van Turkse herkomst. In het afgelopen jaar is de toename in havo- of vwo-advies het hoogst onder migranten van Marokkaanse herkomst.

3.1.1c Havo- of vwo-advies, geboren in buitenland, naar herkomst (% van groep-8-leerlingen)
Schooljaar Totale leerlingenpopulatie1) Europa (excl. NL) Turkije Marokko Suriname Nederlandse Cariben Overig Buiten-Europa (incl. Indonesië)
2011/'12 54,3 54,6 30,1 24,9 26,3 32,8 46,9
2012/'13 52,8 54,5 26,9 25,1 26,2 30,2 46,5
2013/'14 51,7 52,5 25,8 25,0 20,3 29,8 44,3
2014/'15 51,3 49,4 26,7 30,5 32,6 32,5 46,1
2015/'16 53,5 51,0 41,0 27,6 31,9 38,2 45,3
2016/'17 56,5 54,7 35,1 37,7 42,2 37,5 45,3
2017/'18 56,9 54,2 45,8 41,4 31,3 37,4 44,4
2018/'19 56,4 53,7 47,8 42,3 30,1 35,9 43,5
2019/'20 53,3 50,8 48,1 35,0 28,6 29,9 41,2
2020/'21 57,2 54,3 55,9 41,5 31,1 31,9 46,2
2021/'22 57,0 56,5 65,2 28,6 35,9 29,1 48,6
2022/'23* 57,3 56,6 66,5 39,5 29,4 27,1 49,3
1)havo- of vwo-advies onder alle groep-8-leerlingen in Nederland

Minder havo- of vwo-advies bij herkomstgroepen met lagere inkomens

Wanneer wordt gecorrigeerd voor het huishoudensinkomen van de leerlingen worden de herkomstverschillen kleiner. Bij leerlingen van Marokkaanse herkomst is de beneden­gemiddelde kans op een havo- of vwo-advies volledig terug te voeren op een lager inkomen.

Rol van geslacht en huishoudensinkomen

Meisjes presteren op school gemiddeld beter dan jongens (CBS, 2022). Dat geldt ook voor leerlingen uit huishoudens met een hoger inkomen (Hartgers et al., 2021). Wanneer de verhouding jongens/meisjes of de verdeling van inkomen verschilt tussen herkomst­groepen, kan dat bijdragen aan herkomstverschillen op het gebied van onderwijs. In dit hoofdstuk is daarom rekening gehouden met de samenstelling van de herkomstgroepen. Dat is gedaan met behulp van meervoudige regressieanalyses. Voor zover onderwijs­verschillen tussen herkomstgroepen wegvallen na een correctie voor geslacht en huishoudensinkomen, wordt dat in de tekst vermeld. De correctie voor geslacht en huishoudensinkomen is alleen gedaan voor de onderwijsstadia waarin leerlingen (waarschijnlijk) nog bij een of beide ouders in huis wonen. Er is niet gecorrigeerd voor leeftijd, aangezien de meeste leerlingen in een bepaald leerjaar dezelfde leeftijd hebben.

3.2Voortgezet onderwijs

Binnen het voortgezet onderwijs bestaan verschillende onderwijssoorten. Vanaf het derde leerjaar vindt er meestal geen verandering meer plaats en volgt de leerling definitief een onderwijssoort. In schooljaar 2023/’24 was dat voor 49 procent van alle leerlingen in het derde leerjaar havo of vwo. Bij leerlingen van Nederlandse herkomst en leerlingen van de tweede generatie met één in het buitenland geboren ouder was dat ongeveer even hoog.

Het aandeel havo/vwo-leerlingen ligt lager in de groep met twee in het buitenland geboren ouders (41 procent) en bij leerlingen die zelf in het buitenland zijn geboren (46 procent). Deze groepsverschillen voeren terug op verschillen in het huishoudensinkomen. Wanneer daarmee rekening wordt gehouden, volgen in het buitenland geboren leerlingen eigenlijk iets vaker havo of vwo dan anderen met hetzelfde inkomen.

3.2.1a Havo of vwo1) in voortgezet onderwijs2), naar geboorteland (% van leerlingen in jaar 3)
Schooljaar Totale leerlingenpopulatie Geboren in Nederland, twee ouders geboren in Nederland Geboren in Nederland, één ouder geboren in buitenland Geboren in Nederland, twee ouders geboren in buitenland Geboren in buitenland
2011/'12 46,7 49,3 48,7 29,6 39,1
2012/'13 46,7 49,2 49,3 29,9 39,4
2013/'14 46,2 48,4 49,2 30,2 40,0
2014/'15 45,9 48,1 47,7 30,6 40,0
2015/'16 45,8 47,8 48,1 31,7 40,9
2016/'17 46,3 48,2 49,3 32,7 40,7
2017/'18 47,4 49,2 49,6 34,3 43,0
2018/'19 47,9 49,6 49,8 36,0 43,4
2019/'20 48,7 50,5 50,9 36,8 42,9
2020/'21 49,8 51,4 52,6 39,4 43,0
2021/'22 49,4 50,9 51,8 40,1 44,2
2022/'23 48,3 49,4 50,5 40,1 45,2
2023/'24* 49,0 50,2 50,6 40,8 46,3
1)havo of vwo inclusief algemeen leerjaar 3
2)voortgezet onderwijs exclusief praktijkonderwijs

Toename havo- of vwo-onderwijs in bijna alle herkomstgroepen

Net als het aandeel leerlingen met een havo- of vwo-advies in groep 8, is het aandeel dat in leerjaar 3 daadwerkelijk havo of vwo volgt, toegenomen. Die toename is het sterkst bij de tweede generatie met twee in het buitenland geboren ouders. In schooljaar 2011/’12 volgde 30 procent van hen havo- of vwo, in 2023/’24 is dit opgelopen tot 41 procent. Ook bij in het buitenland geboren leerlingen is het aandeel dat havo of vwo volgt, toegenomen. Bij de andere groepen was de toename minimaal.

3.2.1b Havo of vwo1) in voortgezet onderwijs2), geboren in Nederland, naar herkomst (% van leerlingen in jaar 3)
Schooljaar Totale leerlingenpopulatie3) Europa (excl. NL) Turkije Marokko Suriname Nederlandse Cariben Indonesië Overig Buiten-Europa Nederland
2011/'12 46,7 50,8 24,1 24,7 33,6 34,1 52,0 47,6 49,3
2012/'13 46,7 51,9 23,3 25,5 34,4 33,3 56,0 48,3 49,2
2013/'14 46,2 51,7 23,5 25,7 34,6 32,9 55,3 47,9 48,4
2014/'15 45,9 49,9 23,8 26,1 35,2 29,7 52,5 47,6 48,1
2015/'16 45,8 51,1 23,9 27,9 35,5 32,9 52,3 47,2 47,8
2016/'17 46,3 53,4 24,5 29,2 37,6 31,5 55,0 48,2 48,2
2017/'18 47,4 54,2 26,3 32,0 37,7 31,3 54,2 48,5 49,2
2018/'19 47,9 54,9 27,8 32,5 38,7 33,1 57,4 49,6 49,6
2019/'20 48,7 55,1 30,5 33,1 40,0 31,8 57,9 51,1 50,5
2020/'21 49,8 58,3 33,5 36,9 41,0 32,9 58,5 51,8 51,4
2021/'22 49,4 57,3 33,2 37,8 39,8 29,2 61,3 52,9 50,9
2022/'23 48,3 57,3 33,2 37,7 36,9 27,6 59,2 51,9 49,4
2023/'24* 49,0 57,2 32,5 38,5 39,4 28,5 56,2 51,7 50,2
1)havo of vwo inclusief algemeen leerjaar 3
2)voortgezet onderwijs exclusief praktijkonderwijs
3)havo of vwo onder alle leerlingen in jaar 3 van het voortgezet onderwijs in Nederland

De herkomstverschillen die zichtbaar waren bij het groep-8‑advies zijn in het voortgezet onderwijs nog prominenter. Bij leerlingen die in Nederland zijn geboren, volgen degenen van Europese en Indonesische herkomst vaker havo of vwo dan gemiddeld. Leerlingen van Turkse, Marokkaanse, Surinaamse of Nederlands-Caribische herkomst doen dat juist minder vaak. Deels heeft dat te maken met de gemiddeld lagere inkomens in de gezinnen van deze leerlingen. Toch volgen zij, ook na correctie voor het huishoudensinkomen, minder vaak havo of vwo dan gemiddeld.

Zeker de in Nederland geboren leerlingen van Nederlands-Caribische herkomst volgen minder vaak havo of vwo dan verwacht op basis van hun huishoudensinkomen. Dit is ook de enige groep waar het aandeel op havo of vwo in 2023/’24 lager was dan in 2011/’12. In de totale leerlingenpopulatie is het aandeel dat havo of vwo volgt juist iets gestegen. Bij in Nederland geboren leerlingen van Marokkaanse herkomst steeg het aandeel op havo of vwo het meest.

Ook bij in het buitenland geboren leerlingen is in alle onderzochte herkomstgroepen het aandeel op havo of vwo toegenomen. Bij de Turkse herkomstgroep is deze toename het sterkst: van 23 procent in 2011/’12 tot 50 procent in 2023/’24. Wel schommelt het aandeel havo- of vwo-leerlingen van jaar op jaar gezien de kleine populatie; er zijn weinig in het buitenland geboren kinderen die voor leerjaar 3 naar Nederland migreren.

3.2.1c Havo of vwo1) in voortgezet onderwijs2), geboren in buitenland, naar herkomst (% van leerlingen in jaar 3)
Schooljaar Totale leerlingenpopulatie3) Europa (excl. NL) Turkije Marokko Suriname Nederlandse Cariben Overig Buiten-Europa (incl. Indonesië)
2011/'12 46,7 48,7 22,6 20,0 19,3 21,5 41,2
2012/'13 46,7 48,3 19,1 17,1 18,6 23,0 41,4
2013/'14 46,2 46,9 23,2 24,4 20,2 24,7 41,9
2014/'15 45,9 46,7 21,0 19,6 16,7 27,1 41,2
2015/'16 45,8 46,3 20,7 16,6 18,8 27,8 42,3
2016/'17 46,3 46,6 20,1 22,3 15,7 26,5 40,8
2017/'18 47,4 47,2 26,4 26,3 23,7 29,3 43,0
2018/'19 47,9 49,4 34,9 20,6 28,2 32,3 41,3
2019/'20 48,7 50,2 40,4 19,9 26,5 28,2 40,1
2020/'21 49,8 50,3 45,0 32,4 24,2 29,8 39,4
2021/'22 49,4 49,6 48,4 26,8 26,0 27,6 42,3
2022/'23 48,3 49,8 54,3 29,7 21,8 30,1 43,7
2023/'24* 49,0 50,5 50,2 27,3 21,7 28,4 45,6
1)havo of vwo inclusief algemeen leerjaar 3
2)voortgezet onderwijs exclusief praktijkonderwijs
3)havo of vwo onder alle leerlingen in jaar 3 van het voortgezet onderwijs in Nederland

Weinig havo- of vwo-onderwijs bij tweede generatie Syriërs

Bij leerlingen van de tweede generatie met een herkomst uit een van de vluchtelingen­landennoot2, zijn er grote verschillen naar herkomst. Leerlingen van Afghaanse of Iraanse herkomst volgen de laatste jaren net iets vaker havo of vwo dan de gemiddelde leerling. Bij de tweede generatie van Somalische, Syrische en Irakese herkomst ligt het aandeel dat havo of vwo volgt aanzienlijk lager dan gemiddeld, in 2023/’24 ging het om respectievelijk 33 procent, 39 procent en 42 procent. Bij de meeste herkomstgroepen lijkt sprake te zijn van een positieve trend. Wel schommelen deze percentages vrij sterk, doordat het om kleine aantallen leerlingen gaat.

3.2.2a Havo of vwo1) in voortgezet onderwijs2), geboren in Nederland, vluchtelingenlanden (% van leerlingen in jaar 3)
Schooljaar Totale leerlingenpopulatie3) Afghanistan Irak Iran Somalië Syrië
2011/'12 46,7 47,4 42,2 53,2 24,0 36,7
2012/'13 46,7 47,6 39,1 53,8 24,2 38,8
2013/'14 46,2 51,5 36,4 53,9 27,6 37,4
2014/'15 45,9 44,1 40,0 55,1 27,9 37,6
2015/'16 45,8 47,6 39,2 55,7 28,9 35,6
2016/'17 46,3 49,1 40,3 51,3 32,3 34,7
2017/'18 47,4 47,5 42,6 56,3 26,0 34,3
2018/'19 47,9 48,2 40,9 52,5 28,8 42,9
2019/'20 48,7 47,1 39,9 60,0 31,7 39,6
2020/'21 49,8 53,8 43,3 58,2 26,6 41,3
2021/'22 49,4 54,8 46,7 55,1 32,9 40,5
2022/'23 48,3 53,6 44,3 57,6 31,5 34,0
2023/'24* 49,0 55,7 42,5 52,1 33,4 38,7
1)havo of vwo inclusief algemeen leerjaar 3
2)voortgezet onderwijs exclusief praktijkonderwijs
3)havo of vwo onder alle leerlingen in jaar 3 van het voortgezet onderwijs in Nederland

Het aantal leerlingen dat zelf in een vluchtelingenland is geboren, is in het derde leerjaar nog kleiner. Daarom kunnen alleen cijfers vanaf schooljaar 2018/’19 worden getoond en fluctueert het aandeel dat havo- of vwo-onderwijs volgt sterk. Bovendien verandert ieder jaar de samenstelling van deze groep leerlingen. Niettemin valt op dat leerlingen geboren in een van de onderzochte vluchtelingenlanden minder vaak havo of vwo volgen dan gemiddeld. Met name leerlingen die geboren zijn in Eritrea en Somalië volgen minder vaak havo of vwo. Het aandeel Syrische leerlingen dat havo of vwo volgt, neemt de laatste jaren toe.

3.2.2b Havo of vwo1) in voortgezet onderwijs2), geboren in buitenland, vluchtelingenlanden (% van leerlingen in jaar 3)
Schooljaar Totale leerlingenpopulatie3) Afghanistan Irak Iran4) Somalië Syrië Eritrea4)
2018/'19 47,9 35,1 33,2 . 14,3 21,3 .
2019/'20 48,7 36,8 25,6 45,9 13,1 18,8 .
2020/'21 49,8 30,2 29,1 45,9 15,8 19,4 .
2021/'22 49,4 36,4 27,9 42,2 17,0 24,9 11,5
2022/'23 48,3 39,6 30,1 40,6 18,5 30,7 9,9
2023/'24* 49,0 40,0 23,6 37,5 16,5 35,5 13,0
1)havo of vwo inclusief algemeen leerjaar 3
2)voortgezet onderwijs exclusief praktijkonderwijs
3)havo of vwo onder alle leerlingen in jaar 3 van het voortgezet onderwijs in Nederland
4)in sommige groepen is het aantal personen te klein voor publicatie

Vaak vmbo-basis of -kader bij Nederlands-Caribische herkomst

De cijfers hierboven gaan over havo en vwo. In schooljaar 2023/’24 volgde echter 51 procent van alle leerlingen in het derde leerjaar vmbo. Het gaat om 8 procent vmbo-basisberoeps­gerichte leerweg (vmbo-b), 15 procent vmbo-kaderberoepsgerichte leerweg (vmbo-k) en 28 procent vmbo-gemengde of -theoretische leerweg (vmbo-g/t). De verdeling tussen deze vmbo-leerwegen verschilt sterk naar het geboorteland van de leerling en de ouders.

Het aandeel leerlingen op vmbo-b en vmbo-k ligt rond het gemiddelde bij leerlingen van de tweede generatie met één ouder geboren in een ander Europees land, Indonesië of een overig Buiten-Europees land. Het aandeel vmbo-b/k ligt hoger bij de tweede generatie uit de andere herkomstgroepen. Vooral leerlingen met één Turkse (33 procent) of Nederlands-Caribische (34 procent) ouder volgen vaker vmbo-b/k dan gemiddeld.

Herkomstverschillen zijn het grootst bij leerlingen van de tweede generatie met twee in het buitenland geboren ouders, en bij leerlingen die zelf in het buitenland zijn geboren. Hoewel het aandeel vmbo-b/k in die groepen hoger ligt bij alle herkomstlanden, is dat vooral zo bij degenen van Nederlands-Caribische herkomst. Van hen volgt ongeveer de helft vmbo-b/k.

Deze herkomstverschillen zijn deels terug te voeren op het huishoudensinkomen. Leerlingen die opgroeien in een huishouden met een lager inkomen, hebben namelijk een grotere kans om vmbo-b/k te volgen. Na correctie voor het lagere huishoudensinkomen van leerlingen van Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Nederlands-Caribische herkomst ligt in die groepen het aandeel op vmbo-b/k iets dichter bij het gemiddelde. Leerlingen van Nederlands-Caribische herkomst volgen, ook na correctie, veel vaker vmbo-b/k dan leerlingen uit de andere herkomstgroepen.

3.2.3Leerlingen voortgezet onderwijs1), naar herkomst, 2023/’24*
Vmbo-basisberoeps Vmbo-kaderberoeps Vmbo-gemengd of theoretisch Havo2) Vwo
% van leerlingen in leerjaar 3
Totale leerlingenpopulatie 8 15 28 27 22
Geboren in Nederland, 2 ouders geboren in Nederland 7 15 28 27 23
Geboren in Nederland, 1 ouder geboren in buitenland
Totaal 8 14 28 27 24
Europa (excl. NL) 6 11 25 28 30
Turkije 14 19 31 22 14
Marokko 10 15 32 26 17
Suriname 11 16 31 26 17
Nederlandse Cariben 14 20 30 20 15
Indonesië 7 13 24 30 25
Overig Buiten-Europa 6 12 26 28 28
Geboren in Nederland, 2 ouders geboren in buitenland
Totaal 13 18 29 23 18
Europa (excl. NL) 9 13 23 30 25
Turkije 17 22 31 19 10
Marokko 13 19 32 23 13
Suriname 16 19 30 21 15
Nederlandse Cariben 24 28 29 14 5
Overig Buiten-Europa (incl. Indonesië) 10 15 27 24 24
Geboren in buitenland
Totaal 16 15 24 26 20
Europa (excl. NL) 13 13 23 28 23
Turkije 17 11 22 29 21
Marokko3) 21 23 29 . .
Suriname3) 20 20 39 . .
Nederlandse Cariben 23 24 25 20 9
Overig Buiten-Europa (incl. Indonesië) 17 15 23 26 20

1)Voortgezet onderwijs exclusief praktijkonderwijs.

2)Havo inclusief algemeen leerjaar 3.

3)In sommige groepen is het aantal personen te klein voor publicatie.

Lagere slagingspercentages na coronacrisis

In schooljaar 2022/’23 slaagde 86 procent van de havo/vwo-leerlingen, 91 procent van de vmbo-g/t-leerlingen en 95 procent van de vmbo-b/k-leerlingen voor het eindexamen. Daarmee liggen de slagingspercentages aanzienlijk lager dan in eerdere jaren. De slagings­percentages schommelen namelijk van jaar tot jaar, maar zijn vanaf 2011/’12 op alle niveaus licht gestegen. Tijdens de coronapandemie golden er soepelere regels voor het eindexamen en lagen de slagingspercentages uitzonderlijk hoog. De afname sindsdien is zo groot, dat in 2022/’23 de slagingspercentages weer rond het niveau van 2011/’12 liggen.

Slagingspercentages tijdens en na de coronacrisis

Tijdens de coronapandemie konden de centrale eindexamens in schooljaar 2019/’20 niet doorgaan. De examenuitslag werd toen bepaald door de schoolexamens, waarvoor leerlingen verbetertoetsen mochten doen. Ook in 2020/’21 golden er versoepelde eindexamennormen, waarbij leerlingen bijvoorbeeld een extra vak mochten laten vallen of een extra herkansing konden doen. Hierdoor liggen de slagingspercentages in deze jaren hoger dan daarvoor (CBS, 2021).

Leerlingen van Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Nederlands-Caribische herkomst slagen minder

In alle schooljaren slagen leerlingen van Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Nederlands-Caribische herkomst minder vaak voor hun eindexamen dan leerlingen uit de andere herkomstgroepen. Tot aan de coronacrisis namen de slagingspercentages van deze groepen toe, en veelal meer dan gemiddeld. Na de coronacrisis zijn de slagingspercentages van deze vier herkomstgroepen echter weer harder gedaald dan gemiddeld. In 2022/’23 liggen de slagingspercentages bij leerlingen van Marokkaanse, Surinaamse en Nederlands-Caribische herkomst zelfs lager dan in 2011/’12. Alleen leerlingen van Turkse herkomst slagen vaker dan voorheen; desondanks is het slagingspercentage bij die groep nog altijd een stuk lager dan het gemiddelde.

3.2.4a Slagingspercentages havo/vwo, naar herkomstland (% van examenleerlingen)
Schooljaar Totaal Europa (excl. NL) Turkije Marokko Suriname Nederlandse Cariben Indonesië Overig Buiten-Europa Nederland
2011/'12 86,9 85,6 64,7 74,1 75,6 83,7 84,0 79,8 88,6
2012/'13 89,6 88,9 70,7 78,5 81,5 86,3 87,8 83,2 91,0
2013/'14 88,7 87,9 68,6 77,9 78,9 87,0 84,4 83,4 90,0
2014/'15 89,4 88,4 74,9 77,5 80,7 87,6 86,8 83,3 90,8
2015/'16 89,6 88,6 74,2 79,1 79,6 88,3 86,2 85,0 90,9
2016/'17 88,7 88,7 74,1 76,3 78,8 82,3 84,2 82,9 90,2
2017/'18 89,2 88,6 72,5 77,4 80,3 82,1 84,1 82,9 90,8
2018/'19 89,3 89,1 76,4 76,0 79,2 82,9 85,6 83,9 90,8
2019/'20 98,1 97,7 95,4 95,4 97,3 97,5 96,9 97,2 98,4
2020/'21 92,1 91,2 78,0 78,7 85,3 87,7 86,1 86,4 93,8
2021/'22 91,5 91,0 78,1 79,7 83,4 88,0 89,2 86,2 93,2
2022/'23* 86,1 86,0 69,3 69,8 73,7 79,0 82,3 77,7 88,6
3.2.4b Slagingspercentages vmbo-g/t, naar herkomstland (% van examenleerlingen)
Schooljaar Totaal Europa (excl. NL) Turkije Marokko Suriname Nederlandse Cariben Indonesië Overig Buiten-Europa Nederland
2011/'12 90,3 89,6 74,5 80,9 84,6 89,0 89,1 87,4 91,8
2012/'13 91,4 90,9 75,6 83,6 84,0 87,3 90,4 87,0 93,1
2013/'14 93,4 92,8 83,3 86,1 87,0 90,4 92,4 90,3 94,7
2014/'15 94,3 94,5 85,2 87,3 89,1 92,9 93,5 92,2 95,4
2015/'16 94,1 93,8 84,3 89,0 90,6 90,3 91,8 91,7 95,1
2016/'17 92,8 91,5 83,4 85,7 89,5 91,2 91,1 90,4 93,9
2017/'18 92,4 93,0 82,7 85,4 86,8 86,4 90,5 89,7 93,7
2018/'19 92,9 92,5 84,8 87,1 87,4 90,5 91,0 90,3 94,0
2019/'20 99,2 98,9 98,5 98,5 98,9 98,3 99,2 98,9 99,4
2020/'21 96,4 96,6 90,3 90,7 93,5 95,1 95,7 95,0 97,3
2021/'22 95,8 96,4 90,0 90,4 91,6 94,1 93,2 94,6 96,6
2022/'23* 91,3 90,2 81,8 80,9 83,7 85,4 92,2 86,2 93,3
3.2.4c Slagingspercentages vmbo-b/k, naar herkomstland (% van examenleerlingen)
Schooljaar Totaal Europa (excl. NL) Turkije Marokko Suriname Nederlandse Cariben Indonesië Overig Buiten-Europa Nederland
2011/'12 94,5 93,8 85,7 90,7 93,1 92,5 94,7 92,9 95,8
2012/'13 94,6 93,9 86,8 92,2 93,7 94,9 95,4 92,5 95,7
2013/'14 95,7 95,2 89,8 92,5 93,0 95,4 93,7 93,9 96,8
2014/'15 96,1 95,4 91,7 93,2 94,7 95,5 97,2 94,3 97,0
2015/'16 96,5 95,6 92,7 94,5 96,0 96,1 96,6 95,3 97,2
2016/'17 96,8 96,0 93,3 95,1 96,0 95,7 96,1 95,5 97,4
2017/'18 96,2 96,1 92,4 93,4 95,1 93,7 94,0 94,6 97,0
2018/'19 96,6 96,6 92,5 94,2 95,1 95,4 95,3 95,0 97,3
2019/'20 99,5 99,3 99,2 98,9 99,6 99,1 99,4 99,1 99,6
2020/'21 99,1 99,2 98,0 97,8 99,1 99,4 98,7 98,6 99,4
2021/'22 98,9 98,7 97,8 97,4 99,3 99,2 98,3 97,9 99,3
2022/'23* 94,8 95,5 89,8 89,9 91,6 93,8 92,2 91,6 96,2

Een belangrijke factor bij het slagen is het huishoudensinkomen van de leerling. Bij iedere onderwijssoort slagen leerlingen uit huishoudens met een lager inkomen minder vaak voor hun eindexamen. Leerlingen van Turkse of Marokkaanse herkomst die eindexamen doen, wonen doorgaans in huishoudens met een lager inkomen dan andere leerlingen; vooral op de havo/vwo is dat verschil groot. Dat verklaart deels waarom zij minder vaak slagen. Toch blijft na correctie een lagere slagingskans zichtbaar voor leerlingen van Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en in mindere mate Nederlands-Caribische herkomst.

Leerlingen van Nederlandse herkomst halen hogere cijfers voor Nederlands, lagere voor Engels

Het gemiddelde eindcijfer voor het vak Nederlands ligt op de verschillende onderwijssoorten tussen de 6,4 op vmbo-g en 6,6 op vmbo-b. Over het algemeen halen leerlingen met twee in het buitenland geboren ouders een iets lager cijfer voor Nederlands dan andere leerlingen. Leerlingen van Turkse herkomst halen een iets lager, en leerlingen van Nederlandse her­komst een iets hoger eindcijfer dan gemiddeld. De verschillen zijn echter klein. Ze veranderen niet na correctie voor het geslacht van de leerling en het huishoudens­inkomen.

3.2.5a Eindcijfer voor Nederlands, naar geboorteland, 2022/'23* (gemiddelde)
Onderwijssoort Totaal Geboren in Nederland, 2 ouders geboren in Nederland Geboren in Nederland, 1 ouder geboren in buitenland Geboren in Nederland, 2 ouders geboren in buitenland Geboren in buitenland
Vmbo-b 6,62 6,70 6,57 6,48 6,34
Vmbo-k 6,47 6,51 6,42 6,37 6,27
Vmbo-g 6,44 6,48 6,35 6,21 6,15
Vmbo-t 6,46 6,50 6,39 6,29 6,29
Havo 6,48 6,51 6,42 6,32 6,34
Vwo 6,56 6,58 6,54 6,34 6,47

Het gemiddelde eindcijfer voor het vak Engels ligt tussen de 6,9 op vmbo-k en 7,1 op het vwo. Ook bij Engels varieert het gemiddelde eindcijfer nauwelijks naar onderwijssoort, naar het geboorteland van de ouders of naar dat van de leerling zelf. Leerlingen met één in het buitenland geboren ouder en leerlingen die zelf in het buitenland zijn geboren halen een iets hoger cijfer dan gemiddeld. Het cijfer van leerlingen van Turkse herkomst is iets lager, dat van leerlingen van Nederlands-Caribische herkomst iets hoger dan gemiddeld. Bij Engels valt op dat leerlingen uit huishoudens met een lager inkomen gemiddeld genomen iets hogere cijfers halen. Leerlingen van Turkse herkomst behalen lagere cijfers en leerlingen van Nederlands-Caribische iets hogere cijfers dan verwacht op basis van hun huishoudens­inkomen.

3.2.5b Eindcijfer voor Engels, naar geboorteland, 2022/'23* (gemiddelde)
Onderwijssoort Totaal Geboren in Nederland, 2 ouders geboren in Nederland Geboren in Nederland, 1 ouder geboren in buitenland Geboren in Nederland, 2 ouders geboren in buitenland Geboren in buitenland
Vmbo-b 7,05 7,04 7,17 7,10 6,93
Vmbo-k 6,88 6,85 7,05 6,92 6,92
Vmbo-g 6,89 6,85 7,15 6,98 7,08
Vmbo-t 7,07 7,04 7,20 7,08 7,17
Havo 7,02 7,00 7,18 6,97 7,19
Vwo 7,11 7,08 7,24 7,03 7,28

3.3Middelbaar beroepsonderwijs

In de afgelopen tien jaar heeft in het mbo een grote verschuiving plaatsgevonden. Steeds minder studenten volgen mbo-2 of mbo-3, terwijl het aandeel op mbo-4 van 47 naar 58 procent is toegenomen. Alleen het aandeel studenten op de entreeopleidingnoot3 ligt stabiel laag (4 procent).

Vaker mbo-4 bij alle herkomstgroepen

Bij in Nederland geboren studenten is de verschuiving richting mbo-4 duidelijk zichtbaar in alle herkomstgroepen. Vooral onder studenten van de Turkse of Marokkaanse tweede generatie nam het aandeel studenten op mbo-4‑niveau toe, van respectievelijk 42 en 42 procent in 2013/’14 naar 60 en 65 procent in 2023/’24. Hiermee komt het aandeel mbo-4‑studenten in deze groepen hoger uit dan in de totale populatie mbo-studenten. Ook studenten van de tweede generatie met een Europese, Indonesische en overig Buiten-Europese herkomst volgen vaker mbo-4 dan gemiddeld.

3.3.1a Mbo-niveau, geboren in Nederland, naar herkomst (% van mbo-studenten1))
Percentage Schooljaar Entreeopleiding Niveau 2 Niveau3 Niveau 4
Totale

studentenpopulatie²⁾
2023/'24*, Totale

studentenpopulatie²⁾
3,7 16,6 21,7 58,0
Totale

studentenpopulatie²⁾
2013/'14, Totale

studentenpopulatie²⁾
3,8 22,1 27,3 46,8
Nederland 2023/'24*, Nederland 1,9 14,2 23,9 60,0
Nederland 2013/'14, Nederland 2,5 20,5 28,0 49,1
Europa (excl. NL) 2023/'24*, Europa (excl. NL) 2,9 15,2 19,3 62,6
Europa (excl. NL) 2013/'14, Europa (excl. NL) 3,6 21,8 25,4 49,2
Turkije 2023/'24*, Turkije 3,9 20,3 15,7 60,1
Turkije 2013/'14, Turkije 4,9 27,7 25,8 41,6
Marokko 2023/'24*, Marokko 4,4 19,6 11,1 64,9
Marokko 2013/'14, Marokko 5,1 27,3 25,1 42,5
Suriname 2023/'24*, Suriname 3,4 19,6 17,8 59,2
Suriname 2013/'14, Suriname 4,4 23,6 27,1 44,9
Nederlandse Cariben 2023/'24*, Nederlandse Cariben 6,4 23,8 21,3 48,5
Nederlandse Cariben 2013/'14, Nederlandse Cariben 6,6 28,1 26,5 38,8
Indonesië 2023/'24*, Indonesië 1,8 14,0 22,6 61,5
Indonesië 2013/'14, Indonesië 3,7 20,0 26,6 49,7
Overig Buiten-Europa 2023/'24*, Overig Buiten-Europa 3,7 16,2 14,8 65,3
Overig Buiten-Europa 2013/'14, Overig Buiten-Europa 4,1 20,9 23,8 51,1
1)mbo-studenten inclusief extranei
2)mbo-niveau onder alle mbo-studenten in Nederland

Studenten die in het buitenland zijn geboren, volgen minder vaak mbo-4 dan gemiddeld. Toch is ook bij hen het aandeel dat mbo-4 volgt sterk toegenomen ten opzichte van 2013/’14. De toename is het meest uitgesproken bij studenten geboren in Europa, Turkije, of Suriname. De toename van het aandeel op mbo-4 is gespiegeld door een afname van het aandeel op mbo-2 en mbo-3.

Alleen bij in het buitenland geboren studenten van overig Buiten-Europese herkomst is het aandeel op de entreeopleiding licht toegenomen. Dit kan komen doordat deze groep een groter aandeel vluchtelingen herbergt dan voorheen. Zij zullen veelal een schakelklas met extra taallessen hebben gedaan, om vervolgens op een entreeopleiding te kunnen instromen.

3.3.1b Mbo-niveau, geboren in buitenland, naar herkomst (% van mbo-studenten1))
Percentage Schooljaar Entreeopleiding Niveau 2 Niveau3 Niveau 4
Totale

studentenpopulatie²⁾
2023/'24*, Totale

studentenpopulatie²⁾
3,7 16,6 21,7 58,0
Totale

studentenpopulatie²⁾
2013/'14, Totale

studentenpopulatie²⁾
3,8 22,1 27,3 46,8
Europa (excl. NL) 2023/'24*, Europa (excl. NL) 10,1 21,6 19,4 49,0
Europa (excl. NL) 2013/'14, Europa (excl. NL) 11,9 26,4 25,1 36,7
Turkije 2023/'24*, Turkije 13,9 29,7 21,5 34,9
Turkije 2013/'14, Turkije 17,9 31,9 25,4 24,8
Marokko 2023/'24*, Marokko 11,7 31,7 22,2 34,3
Marokko 2013/'14, Marokko 14,1 33,3 26,0 26,6
Suriname 2023/'24*, Suriname 5,1 24,7 29,0 41,2
Suriname 2013/'14, Suriname 8,3 29,9 32,0 29,8
Nederlandse Cariben 2023/'24*, Nederlandse Cariben 7,7 23,4 28,2 40,7
Nederlandse Cariben 2013/'14, Nederlandse Cariben 10,2 29,9 28,3 31,6
Overig Buiten-Europa

(incl. Indonesië)
2023/'24*, Overig Buiten-Europa

(incl. Indonesië)
16,8 30,3 16,4 36,5
Overig Buiten-Europa

(incl. Indonesië)
2013/'14, Overig Buiten-Europa

(incl. Indonesië)
14,1 30,3 22,7 33,0
1)mbo-studenten inclusief extranei
2)mbo-niveau onder alle mbo-studenten in Nederland

Mbo-studenten van Marokkaanse herkomst volgen vaak zorgopleiding

Binnen mbo-2, mbo-3 en mbo-4 worden meerdere richtingen onderscheiden (ook wel sectorkamers, onderwijsclusters of bedrijfstakgroepen genoemd). Mbo-studenten volgen het vaakst een opleiding in de richting zorg, welzijn en sport (36 procent). Deze richting wordt op afstand gevolgd door de richtingen techniek en gebouwde omgeving (15 procent), voedsel, groen en gastvrijheid (12 procent), zakelijke dienstverlening en veiligheid (10 procent), creatieve industrie en ICT (10 procent), handel (8 procent), mobiliteit, transport, logistiek en maritiem (7 procent) en overige richtingen (2 procent).

Bij in Nederland geboren mbo-studenten zijn grote herkomstverschillen te zien in de populariteit van de studierichting zorg, welzijn en sport. Studenten van Nederlandse of andere Europese herkomst volgen die richting iets minder vaak dan gemiddeld, studenten van Buiten-Europese herkomst juist vaker. Van de mbo-studenten van de Marokkaanse tweede generatie volgt zelfs 52 procent een opleiding in de richting zorg, welzijn en sport. Van hen volgt slechts 2 procent een opleiding in de richting voedsel, groen en gastvrijheid.

3.3.2Mbo-studierichting, naar herkomst, 2023/’24*
Techniek en gebouwde omgeving Mobiliteit, transport, logistiek, maritiem Zorg, welzijn en sport Handel Creatieve industrie en ICT Voedsel, groen en gastvrijheid Zakelijke dienstverlening en veiligheid Overig2)
% van mbo-studenten1)
Totale studenten­populatie 15 7 36 8 10 12 10 2
Geboren in Nederland
Nederland 17 7 34 8 10 14 8 1
Europa (excl. NL) 13 7 32 9 13 12 12 2
Turkije 13 5 39 9 10 4 19 1
Marokko 8 3 52 9 7 2 17 2
Suriname 9 6 35 11 13 7 18 2
Nederlandse Cariben 9 6 41 9 10 9 15 1
Indonesië 13 5 36 10 13 9 11 2
Overig Buiten-Europa 9 5 34 13 14 8 16 2
Geboren in buitenland
Europa (excl. NL) 13 8 31 9 14 11 14 2
Turkije3) 19 . 45 4 8 5 14 .
Marokko 13 3 57 6 3 3 12 3
Suriname 10 5 55 5 4 4 15 1
Nederlandse Cariben 13 6 44 6 7 9 13 1
Overig Buiten-Europa (incl. Indonesië) 12 6 41 9 10 7 13 3

1)Mbo-studenten inclusief extranei, exclusief entreeopleiding.

2)Omvat de specialistische vakopleiding, combinaties en opleidingen zonder gespecificeerde richting.

3)In sommige groepen is het aantal personen te klein voor publicatie.

Ook bij mbo-studenten die in het buitenland zijn geboren spelen herkomstverschillen vooral een rol bij de studierichting zorg, welzijn en sport. En ook van hen volgen studenten van Marokkaanse herkomst betrekkelijk vaak een opleiding in die richting (57 procent), evenals studenten van Surinaamse herkomst (55 procent). Bij in het buitenland geboren mbo-studenten is, in alle herkomstgroepen, de richting zakelijke dienstverlening en veiligheid populairder dan gemiddeld en de richting voedsel, groen en gastvrijheid juist minder populair.’

Voortijdig schoolverlaten en de startkwalificatie

Een diploma van havo, vwo, mbo-2, mbo-3 of mbo-4 geldt als een startkwalificatie voor de arbeidsmarkt. De startkwalificatie is van belang voor de cijfers over voortijdig schoolverlaten. Het aantal voortijdig schoolverlaters in Nederland wordt in deze paragraaf op twee manieren in beeld gebracht:

  1. Nieuwe aanwas: het aantal personen dat in een bepaald schooljaar het onderwijs verlaat zonder startkwalificatie. Aan de hand van de directe door- en uitstroom tussen twee opeenvolgende schooljaren binnen het door de overheid bekostigde onderwijs en het bezit van startkwalificerende diploma’s wordt het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters (de nieuwe aanwas) bepaald. Dit aantal is gebaseerd op onderwijsregistraties. In deze publicatie wordt alleen gekeken naar voortijdig schoolverlaten vanuit het mbo.
  2. Totale volume: het totaal aantal voortijdig schoolverlaters. Zij worden gezien als voortijdig schoolverlaters als zij geen onderwijs volgen en geen startkwalificatie bezitten. Het gaat in dit hoofdstuk om de groep 18 tot 25 jaar. Volumecijfers zijn afkomstig uit de Enquête Beroepsbevolking.

Meer nieuwe voortijdig schoolverlaters na coronacrisis

Ieder jaar verlaat een klein deel van de mbo-studenten van 22 jaar of jonger zonder startkwalificatie het onderwijs. In 2022/’23 verliet 7 procent van alle mbo-studenten voortijdig het onderwijs. Tussen 2012/’13 (6 procent) en 2016/’17 (5 procent) was er een lichte afname. Tijdens de coronajaren was het aandeel voortijdig schoolverlaters kleiner, maar daarna is het weer behoorlijk gestegen.

3.3.3a Voortijdig schoolverlaters vanuit mbo1), 22 jaar of jonger, geboren in Nederland, naar herkomst (%)
Schooljaar Totale studentenpopulatie2) Europa (excl. NL) Turkije Marokko Suriname Nederlandse Cariben Indonesië Overig Buiten-Europa Nederland
2012/'13 6 7 9 11 9 11 8 8 5
2013/'14 6 7 9 10 8 9 7 8 5
2014/'15 5 7 8 10 8 9 6 7 4
2015/'16 5 6 7 9 8 9 7 7 4
2016/'17 5 7 7 9 8 10 7 7 4
2017/'18 6 8 7 9 8 9 7 8 5
2018/'19 6 7 7 9 9 10 7 8 5
2019/'20 5 6 6 8 7 8 7 6 4
2020/'21 6 7 7 8 7 9 6 7 5
2021/'22 7 9 8 10 10 13 8 9 6
2022/'23* 7 9 8 10 10 12 10 9 6
1)mbo-studenten inclusief extranei
2)voortijdig schoolverlaters onder alle mbo-studenten in Nederland van 22 jaar of jonger

De ontwikkeling bij in Nederland geboren mbo-studenten volgt de algemene trend. In vrijwel alle herkomstgroepen was het aandeel voortijdig schoolverlaters het laagst tijdens de coronajaren en het hoogst in de jaren daarna. In 2022/’23 ligt het aandeel voortijdig schoolverlaters uit het mbo in de Nederlandse herkomstgroep (6 procent) lager en vooral in de Nederlands-Caribische herkomstgroep (12 procent) hoger dan het gemiddelde onder alle mbo-studenten (7 procent).

De ontwikkeling bij in het buitenland geboren mbo-studenten verloopt grilliger. Daarbij speelt mee dat het om een veel kleinere groep studenten gaat. Toch is ook onder in het buitenland geboren mbo-studenten duidelijk dat het aandeel voortijdig schoolverlaters in 2022/’23 (12 procent) hoger is dan gemiddeld. Wederom ligt het aandeel voortijdig schoolverlaters het hoogst bij mbo-studenten van Nederlands-Caribische herkomst (14 procent).

De kans op voortijdig schoolverlaten is groter voor leerlingen met een lager inkomen. Herkomstverschillen vallen deels weg wanneer wordt gecorrigeerd voor het huishoudens­inkomen. Toch verlaten mbo-studenten van Turkse, Marokkaanse, Surinaamse, Nederlands-Caribische en Indonesische herkomst ook na die correctie vaker voortijdig het onderwijs dan gemiddeld.

3.3.3b Voortijdig schoolverlaters vanuit mbo1), 22 jaar of jonger, geboren in buitenland, naar herkomst (%)
Schooljaar Totale studentenpopulatie2) Europa (excl. NL) Turkije Marokko Suriname Nederlandse Cariben Overig Buiten-Europa (incl. Indonesië)
2012/'13 6 10 10 12 12 12 10
2013/'14 6 11 12 11 11 12 10
2014/'15 5 10 10 12 11 10 11
2015/'16 5 10 10 10 9 11 10
2016/'17 5 11 11 12 10 11 10
2017/'18 6 10 9 12 11 11 10
2018/'19 6 10 9 11 9 12 12
2019/'20 5 9 8 9 7 9 10
2020/'21 6 10 10 13 10 10 10
2021/'22 7 12 9 12 11 14 11
2022/'23* 7 12 14 14 12 14 11
1)mbo-studenten inclusief extranei
2)voortijdig schoolverlaters onder alle mbo-studenten in Nederland van 22 jaar of jonger

Meer jongeren hebben startkwalificatie dan tien jaar geleden

Het aandeel jongvolwassenen tussen de 18 en 25 jaar die geen onderwijs volgen en geen startkwalificatie hebben, is in 2023 kleiner dan in 2013. Tot 2017 was er een daling, waarna het tot 2020 min of meer gelijk bleef. Tussen 2021 en 2023 is er een lichte toename van het aandeel voortijdig schoolverlaters (CBS StatLine, 2024a). Bij mannen daalde het aandeel voortijdig schoolverlaters van 11 naar 7 procent, bij vrouwen van 7 naar 5 procent.

Ook zijn er verschillen naar geboorteland. In 2023 zijn er onder mannen en vrouwen die in het buitenland zijn geboren meer voortijdig schoolverlaters (10 procent) dan gemiddeld. In mindere mate geldt dat ook voor mannen en vrouwen die in Nederland zijn geboren, maar van wie één of beide ouders in het buitenland zijn geboren (respectievelijk 9 en 7 procent).

3.3.4 Voortijdig schoolverlaters, 18 tot 25 jaar, naar geboorteland, 2023 (%)
Geboorteland Mannen Vrouwen
Totale bevolking 7,3 5,2
Geboren in Nederland,

2 ouders geboren in Nederland
6,4 4,0
Geboren in Nederland,

1 of 2 ouders geboren in buitenland
8,6 6,6
Geboren in buitenland 10,1 10,0

3.4Hoger onderwijs

De gemiddelde leeftijd waarop studenten in het hoger onderwijs een diploma behalen ligt op 24,7 jaar bij de hbo-bachelor, op 22,2 jaar bij de wo-bachelor en op 24,9 jaar bij de wo-master.

Indonesische herkomstgroep ouder bij afstuderen

Bij in Nederland geboren studenten zijn er nauwelijks verschillen naar herkomst. Alleen studenten van de Indonesische tweede generatie behalen hun diploma op een beduidend hogere leeftijd dan gemiddeld, zowel bij de hbo-bachelor (29,2 jaar), wo-bachelor (23,5 jaar) als de wo-master (26,8 jaar).

3.4.1a Leeftijd bij behalen diploma1) 2), geboren in Nederland, naar herkomst, 2022/'23* (gemiddelde)
Herkomst Totale studentenpopulatie3) Europa (excl. NL) Turkije Marokko Suriname Nederlandse Cariben Indonesië Overig Buiten-Europa Nederland
Hbo-bachelor 24,7 24,6 24,8 24,2 25,3 24,9 29,2 24,1 24,5
Wo-bachelor 22,2 22,1 22,6 22,3 22,4 22,5 23,4 22,2 22,1
Wo-master 24,9 24,9 25,9 25,2 25,3 25,4 26,8 24,8 24,8
1)gediplomeerden exclusief internationale studenten
2)gediplomeerden tellen vaker mee wanneer ze in een jaar meerdere hoofddiploma's behalen
3)gemiddelde leeftijd bij behalen diploma in de totale studentenpopulatie van Nederland

Herkomstverschillen zijn groter bij in het buitenland geboren studenten (exclusief internationale studenten die hun vooropleiding elders hebben gevolgd; de groep in Indonesië geboren afstudeerders is te klein om apart van de overig Buiten-Europese studenten te onderscheiden). In het buitenland geboren studenten behalen hun diploma op hogere leeftijd dan gemiddeld. Dat geldt vooral voor studenten van Turkse, Marokkaanse of Surinaamse herkomst, die bij diplomering ongeveer 4 of 5 jaar ouder zijn dan gemiddeld. Een hogere leeftijd bij afstuderen kan enerzijds ontstaan doordat een student langer over hetzelfde studietraject doet dan gemiddeld en anderzijds door het ‘stapelen’ van meerdere vervolg­opleidingen. Uit onderzoek blijkt dat kinderen met een herkomst buiten Nederland vaker stapelen in het voortgezet onderwijs dan kinderen van Nederlandse herkomst (Visser et al., 2022; CBS 2022b).

3.4.1b Leeftijd bij behalen diploma1) 2), geboren in buitenland, naar herkomst, 2022/'23* (gemiddelde)
Totale studentenpopulatie3) Europa (excl. NL) Turkije4) Marokko4) Suriname Nederlandse Cariben Overig Buiten-Europa (incl. Indonesië)
Hbo-bachelor 24,7 26,6 29,1 31,6 32,6 27,0 27,1
Wo-bachelor 22,2 22,3 . . 24,9 23,0 23,1
Wo-master 24,9 25,4 28,3 . 30,9 26,1 26,6
1)gediplomeerden exclusief internationale studenten
2)gediplomeerden tellen vaker mee wanneer ze in een jaar meerdere hoofddiploma's behalen
3)gemiddelde leeftijd bij behalen diploma in de totale studentenpopulatie van Nederland
4)voor sommige groepen is het aantal personen te klein voor publicatie

Studenten geboren in Marokko volgen vaker onderwijsopleiding

De populariteit van een studierichting hangt samen met het geboorteland van leerling en ouders. In Marokko geboren studenten (exclusief internationale studentennoot4) volgen veel vaker dan gemiddeld een opleiding in de richting onderwijs (26 procent). In het buitenland geboren studenten en de tweede generatie van Surinaamse, Turkse of Marokkaanse herkomst volgen vaker dan gemiddeld de richting recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening. Verder is de richting gezondheidszorg en welzijn betrekkelijk populairder bij de Marokkaanse herkomstgroep, bij in Nederland geboren studenten van Nederlands-Caribische herkomst met twee in het buitenland geboren ouders en bij in Suriname geboren studenten.

3.4.2Studierichting hoger onderwijs, naar herkomst, 2023/’24*
Onderwijs Journalistiek, gedrag en maatschappij Recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening Gezondheidszorg en welzijn Overig2)
% van hbo- en wo-studenten1)
Totale studentenpopulatie 11 10 26 18 34
Geboren in Nederland, 2 ouders geboren in Nederland 12 11 25 18 35
Geboren in Nederland, 1 ouder geboren in buitenland 0 0 0 0 0
Totaal 9 12 27 16 36
Europa (excl. NL) 9 12 25 15 38
Turkije 11 8 35 19 27
Marokko 10 7 35 24 24
Suriname 8 11 31 17 33
Nederlandse Cariben 9 12 26 18 34
Indonesië 12 11 23 16 38
Overig Buiten-Europa 7 13 26 16 39
Geboren in Nederland, 2 ouders geboren in buitenland
Totaal 9 7 34 23 26
Europa (excl. NL) 7 11 33 17 32
Turkije 13 6 34 23 24
Marokko 13 5 34 28 20
Suriname 8 7 37 21 26
Nederlandse Cariben 9 8 31 25 27
Indonesië 9 8 25 17 41
Overig Buiten-Europa 5 8 35 22 30
Geboren in buitenland
Totaal 8 11 28 18 36
Europa (excl. NL) 7 14 27 13 39
Turkije 14 8 28 20 29
Marokko 26 5 26 23 20
Suriname 16 5 31 25 23
Nederlandse Cariben 9 8 32 17 34
Indonesië 7 12 26 14 42
Overig Buiten-Europa 6 11 27 20 36

1)Hbo- en wo-studenten exclusief internationale studenten.

2)Omvat de richtingen techniek, industrie en bouwkunde; vormgeving, kunst, talen en geschiedenis; dienstverlening; wiskunde, natuurwetenschappen; informatica; landbouw, diergeneeskunde en -verzorging en algemeen.

Onderwijsniveau uit opleidingsniveaubestand

De cijfers in het vervolg van deze paragraaf over het onderwijsniveau zijn afkomstig uit het opleidingsniveaubestand van het CBS. In dat bestand worden opleidingsgegevens uit registers en enquêtes gecombineerd. De dekking van het opleidingsniveaubestand wordt steeds verder uitgebreid. Voor jonge mensen die hun opleiding in Nederland hebben gevolgd, is de dekkingsgraad hoog. Voor oudere mensen en mensen die hun opleiding elders hebben gevolgd, zijn opleidingsgegevens maar voor een deel bekend. Daarom gaan de cijfers hier alleen over mensen van 25 tot 45 jaar die in Nederland zijn geboren. Mensen die nog bekostigd onderwijs volgen, worden buiten beschouwing gelaten. In 2020 zijn er wijzigingen geweest in de bronnen en methode, waardoor sprake is van een kleine trendbreuk.

Hoogst behaalde onderwijsniveau verschilt sterk naar herkomst

Op 1 oktober 2022 heeft 12 procent van de in Nederland geboren mensen tussen de 25 en 45 jaar een diploma op het niveau van basisonderwijs, vmbo of mbo-1, 43 procent een diploma op het niveau van havo, vwo, mbo-2, mbo-3 of mbo-4, en 45 procent een diploma op het niveau van hbo of wo. Mensen met een Nederlandse herkomst of van de tweede generatie met één in het buitenland geboren ouder hebben ongeveer even vaak een hbo- of wo-onderwijs­niveau als gemiddeld, mensen van de tweede generatie met twee in het buitenland geboren ouders minder vaak (33 procent).

3.4.3a Onderwijsniveau, in Nederland geboren, naar herkomst, 2022* (% van bevolking 25 tot 45 jaar1))
Geboorteland ouders Herkomstland basisonderwijs, vmbo, mbo1 havo, vwo, mbo2-4 hbo, wo
Totale bevolking , Totale bevolking 12,1 43,0 44,9
2 ouders geboren in Nederland Nederland, 2 ouders geboren in Nederland 11,4 42,7 45,9
1 ouder geboren in buitenland Europa (excl. NL), 1 ouder geboren in buitenland 12,9 41,0 46,1
1 ouder geboren in buitenland Turkije, 1 ouder geboren in buitenland 21,7 49,0 29,3
1 ouder geboren in buitenland Marokko, 1 ouder geboren in buitenland 20,9 45,8 33,3
1 ouder geboren in buitenland Suriname, 1 ouder geboren in buitenland 16,1 46,1 37,8
1 ouder geboren in buitenland Nederlandse Cariben, 1 ouder geboren in buitenland 13,1 37,4 49,5
1 ouder geboren in buitenland Indonesië, 1 ouder geboren in buitenland 11,8 37,2 50,9
1 ouder geboren in buitenland Overig Buiten-Europa, 1 ouder geboren in buitenland 11,1 38,5 50,4
2 ouders geboren in buitenland Europa (excl. NL), 2 ouders geboren in buitenland 19,1 40,5 40,4
2 ouders geboren in buitenland Turkije, 2 ouders geboren in buitenland 20,3 51,9 27,7
2 ouders geboren in buitenland Marokko, 2 ouders geboren in buitenland 21,5 49,4 29,1
2 ouders geboren in buitenland Suriname, 2 ouders geboren in buitenland 16,3 50,1 33,6
2 ouders geboren in buitenland Nederlandse Cariben, 2 ouders geboren in buitenland 20,1 53,0 26,8
2 ouders geboren in buitenland Indonesië, 2 ouders geboren in buitenland 14,4 41,8 43,8
2 ouders geboren in buitenland Overig Buiten-Europa, 2 ouders geboren in buitenland 13,2 39,6 47,3
1)exclusief personen die nog onderwijs volgen

Het onderwijsniveau verschilt sterk naar herkomst. Het aandeel met een hbo- of wo-onderwijs­niveau ligt rond of boven het gemiddelde bij mensen van Europese, Indonesische of overig Buiten-Europese herkomst. Bij mensen van Turkse, Marokkaanse of Surinaamse herkomst ligt het aandeel met een hbo- of wo-onderwijsniveau juist lager dan gemiddeld. Opvallend is dat bij mensen van Nederlands-Caribische herkomst, degenen met één in het buitenland geboren ouder vaker dan gemiddeld een hbo- of wo-onderwijsniveau hebben (49 procent), maar degenen met twee in het buitenland geboren ouders minder vaak (27 procent).

Het aandeel 25- tot 45‑jarigen met een hbo- of wo-onderwijsniveau is het afgelopen decennium gestaag toegenomen, van 38 procent in 2013 naar 45 procent in 2022. Deze toename deed zich voor in vrijwel alle herkomstgroepen, maar met name bij mensen van Nederlandse, Europese en Indonesische herkomst.

3.4.3b Hbo- of wo-onderwijsniveau, in Nederland geboren, naar herkomst (% van bevolking 25 tot 45 jaar1))
Jaar Totale bevolking Europa (excl. NL) Turkije Marokko Suriname Nederlandse Cariben Indonesië Overig Buiten-Europa Nederland
2013 38,3 37,7 22,6 26,3 30,9 40,7 42,6 46,2 38,6
2014 39,3 38,9 22,9 26,9 31,5 40,5 43,8 46,6 39,7
2015 40,2 40,7 23,9 27,2 32,3 41,0 44,9 47,1 40,7
2016 40,6 40,4 24,4 26,1 32,4 39,6 44,9 46,6 41,1
2017 41,4 41,2 24,3 26,7 32,6 39,4 45,9 47,8 42,1
2018 42,7 42,2 25,2 27,5 33,1 39,8 47,3 48,0 43,5
2019 43,3 43,7 26,0 27,2 33,0 39,2 49,1 47,7 44,2
2020 44,2 44,5 27,8 28,2 34,4 40,0 49,7 48,4 45,1
2021 44,7 44,7 27,5 29,4 34,8 40,6 49,5 49,0 45,6
2022* 44,9 45,2 27,9 29,4 34,7 39,3 49,8 49,1 45,9
1)exclusief personen die nog onderwijs volgen

Vrouwen van Iraanse tweede generatie vaak hbo- of wo-onderwijsniveau

In de jaren tachtig kwamen veel asielmigranten uit Iran, Irak en Afghanistan naar Nederland. Vanuit Iran vluchtten vooral hbo- en universitair opgeleiden die het zich konden veroorloven om te vluchten; vanuit Afghanistan en Irak eerst vooral hbo- en universitair opgeleiden en later mensen met hoogstens basisonderwijs (Dourleijn & Dagevos, 2011). Hun in Nederland geboren kinderen hebben inmiddels relatief vaak een hbo- of wo-onderwijsniveau. Bij 25- tot 35‑jarigen ligt dat aandeel op 46 procent bij degenen van Afghaanse of Irakese herkomst, ongeveer even hoog als gemiddeld. Bij degenen van Iraanse herkomst ligt het aandeel op 57 procent, meer dan het gemiddelde bij hun leeftijdsgenoten.

3.4.4a Hbo- of wo-onderwijsniveau, in Nederland geboren mannen, vluchtelingenlanden (% van 25- tot 35-jarige mannen1))
Jaar Totale bevolking Totaal Buiten-Europa Afghanistan en Irak Iran
2013 36,5 30,0 43,0 58,6
2014 37,0 30,1 44,2 56,8
2015 37,4 30,7 42,6 52,8
2016 36,7 29,5 41,9 49,1
2017 37,2 29,5 44,4 48,3
2018 38,5 30,2 40,0 49,6
2019 38,9 30,0 40,1 49,0
2020 39,7 30,9 38,9 48,7
2021 40,2 31,3 38,1 48,7
2022* 40,1 30,8 37,8 48,1
1)exclusief mannen die nog onderwijs volgen
3.4.4b Hbo- of wo-onderwijsniveau, in Nederland geboren vrouwen, vluchtelingenlanden (% 25- tot 35-jarige vrouwen1))
Jaar Totale bevolking Totaal Buiten-Europa Afghanistan en Irak Iran2)
2013 45,4 39,7 40,4 .
2014 45,8 40,0 59,1 69,9
2015 46,4 40,7 59,8 71,8
2016 46,7 40,8 60,0 69,1
2017 47,5 41,2 65,9 67,1
2018 48,5 41,5 55,2 69,5
2019 49,2 41,7 57,9 66,7
2020 50,1 43,0 55,5 68,3
2021 50,6 43,1 56,3 66,8
2022* 50,9 42,9 54,2 66,4
1)exclusief vrouwen die nog onderwijs volgen
2)in sommige groepen is het aantal personen te klein voor publicatie

In Nederland geboren vrouwen hebben vaker een hbo- of wo-onderwijsniveau (51 procent) dan in Nederland geboren mannen (40 procent). Dit man/vrouw-verschil is ook zichtbaar in de Buiten-Europese herkomstgroepen, inclusief de Afghaanse, Irakese en Iraanse herkomstgroep. Van de tweede generatie van Iraanse herkomst heeft bijvoorbeeld twee derde van de vrouwen een hbo- of wo-onderwijsniveau, tegen ongeveer de helft van de mannen.

Onderwijsniveau van tweede generatie uit vluchtelingenlanden

Bij de tweede generatie van Afghaanse, Irakese of Iraanse herkomst worden alleen cijfers getoond van mensen tussen de 25 en 35 jaar, omdat veel van hun ouders pas in de jaren negentig uit die landen zijn gevlucht (CBS StatLine, 2024b). Bij de keuze van de te onderscheiden groepen naar herkomstland en geslacht is rekening gehouden met de vergelijkbaarheid tussen de groepen en met het aantal mensen van wie het onderwijsniveau bekend is. In Nederland geboren mensen van Afghaanse en Irakese herkomst hebben een vergelijkbaar onderwijsniveau en hebben alleen tezamen voldoende waarnemingen voor publicatie. Het aantal waarnemingen van in Nederland geboren mensen van Iraanse herkomst is groter, waardoor die groep afzonderlijk kan worden geanalyseerd. Er zijn ook mensen van wie de ouders uit andere vluchtelingen­landen afkomstig zijn, zoals Somalië. Deze groep is echter te klein om gegevens van te kunnen tonen en wijkt qua onderwijsniveau te sterk af om samengevoegd te kunnen worden met een andere groep.

In Nederland geboren mensen van Iraanse herkomst hebben dus vaker dan gemiddeld een hbo- of wo-onderwijsniveau. Wel is dat aandeel iets gedaald. In 2013 lag het aandeel hbo- of wo-opgeleiden op 59 procent bij mannen en op 70 procent bij vrouwen; in 2022 ging het om respectievelijk 48 procent en 66 procent. Bij mensen van Afghaanse of Irakese herkomst schommelt het onderwijsniveau, maar ook bij hen lijkt sprake van een lichte afname. Toch hebben zij nog steeds vaker een hbo- of wo-onderwijsniveau dan de gemiddelde 35- tot 45‑jarige inwoner van Nederland.

3.5Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

CBS (2021). Slagingspercentages voortgezet onderwijs in 2020 bijna 100 procent.

CBS (2022a). Meisjes in 2020/’21 opnieuw lager schooladvies.

CBS (2022b). Rapportage Integratie en Samenleven 2022.

CBS StatLine (2024a). Jongeren; voortijdig schoolverlaters, geslacht, herkomst. Geraadpleegd op 29 augustus 2024.

CBS StatLine (2024b). Asielverzoeken; nationaliteiten, vanaf 1975. Geraadpleegd op 25 juni 2024.

Dourleijn, E. & Dagevos J. (2011). Vluchtelingengroepen in Nederland. Sociaal en Cultureel Planbureau.

Hartgers, M., Traag, T. & Wielenga, L. (2021). De schooladviezen in groep 8: Verschillen tussen groepen leerlingen. Statistische Trends, april 2021.

Rijksoverheid (2024). Schooladvies toelating voortgezet onderwijs. Geraadpleegd op 25 juni 2024.

Visser, D., Lemmens, A., Magnée, C., & Dillingh, R. (2022). Stapelen in het voortgezet onderwijs. Den Haag: Centraal Planbureau.

Noten

Inclusief vmbo-(b/k)t/havo-advies.

Tot de vluchtelingenlanden worden hier Afghanistan, Eritrea, Irak, Iran, Somalië en Syrië gerekend.

De entreeopleiding wordt meestal gevolgd door studenten zonder middelbareschooldiploma en geldt niet als startkwalificatie, maar biedt de mogelijkheid om naar mbo-2 door te stromen.

Een internationale student is een student met een niet-Nederlandse nationaliteit en een niet-Nederlandse vooropleiding.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Redactie

Martine de Mooij, Dion Dieleman, Bram Hogendoorn, Kirsten van Houdt en Fijnanda van Klingeren

Eindredactie

Elma Wobma

Opmaak figuren

Bram Hogendoorn en Fijnanda van Klingeren

Monitordeel

  1. Bevolking
    Yannick Geel, Han Nicolaas, Dominique van Roon
  2. Wonen
    Aafke Heringa, Fijnanda van Klingeren, Han Nicolaas en Hans Vreeken
  3. Onderwijs
    Bram Hogendoorn, Irene Kuin, Francis van der Mooren
  4. Sociaaleconomische positie
    Frank Hoekema, Bram Hogendoorn, Paul Horikx, Sander van Schie en Eveline Vandewal
  5. Criminaliteit
    Bram Hogendoorn, Mathilde Kennis, Carlijn Verkleij en Wim Vissers
  6. Gezondheid
    Myrthe Jansen, Fijnanda van Klingeren, Floor van Oers, Carin Reep en Laura Voorrips
  7. Sociale samenhang en participatie
    Hans Schmeets

Verdiepend deel

  1. De invloed van het netwerk op taalvaardigheid van kinderen
    Marjolijn Das, Fijnanda van Klingeren en Jan van der Laan
  2. Loopbanen van afgestudeerden in hoog- en laagconjunctuur
    Karen van Hedel en Bram Hogendoorn
  3. Contact tussen buurtbewoners en opvattingen over diversiteit
    Bram Hogendoorn