Onderwijs
In vergelijking met tien jaar geleden krijgen leerlingen van buitenlandse herkomst vaker een hoger schooladvies, volgen ze vaker havo of vwo in het voortgezet onderwijs, nemen hun slagingspercentages toe en behalen zij vaker een mbo-4-, hbo- of wo-diploma. Daardoor neemt het verschil ten opzichte van andere leerlingen af. Wel is er, na een lange periode van afname, bij sommige herkomstgroepen een toename te zien van voortijdig schoolverlaten. Verder blijven er herkomstverschillen op het vlak van studierichting.
3.1Basisonderwijs: schooladvies in groep 8
In schooljaar 2022/’23 kreeg 57 procent van de groep-8‑leerlingen een havonoot1- of vwo-advies. Bij leerlingen van Nederlandse herkomst en de tweede generatie met één in het buitenland geboren ouder was dat een fractie hoger. Van de groep-8‑leerlingen van de tweede generatie met twee in het buitenland geboren ouders en van de in het buitenland geboren leerlingen kreeg ongeveer de helft dat advies.
Toename havo- of vwo-advies bij tweede generatie met twee buitenlandse ouders
Groep-8‑leerlingen van de tweede generatie van wie beide ouders in het buitenland geboren zijn, kregen jarenlang het minst vaak een havo- of vwo-advies, ook minder dan in het buitenland geboren leerlingen. Vanaf 2017/’18 is het verschil tussen die twee groepen kleiner geworden. Dat komt vooral doordat het aandeel bij de tweede generatie met twee buitenlandse ouders is toegenomen, van 38 procent in 2011’/12 naar 49 procent in 2022/’23.
| Schooljaar | Totale leerlingenpopulatie | Geboren in Nederland, 2 ouders geboren in Nederland | Geboren in Nederland, 1 ouder geboren in buitenland | Geboren in Nederland, 2 ouders geboren in buitenland | Geboren in buitenland |
|---|---|---|---|---|---|
| 2011/'12 | 54,3 | 56,8 | 56,1 | 37,6 | 46,5 |
| 2012/'13 | 52,8 | 55,2 | 54,3 | 36,6 | 46,3 |
| 2013/'14 | 51,7 | 53,9 | 54,2 | 36,4 | 45,0 |
| 2014/'15 | 51,3 | 53,5 | 52,9 | 36,2 | 45,9 |
| 2015/'16 | 53,5 | 55,5 | 55,3 | 39,9 | 46,8 |
| 2016/'17 | 56,5 | 58,6 | 58,4 | 43,2 | 48,6 |
| 2017/'18 | 56,9 | 58,8 | 59,1 | 45,4 | 48,0 |
| 2018/'19 | 56,4 | 58,5 | 57,8 | 45,2 | 47,2 |
| 2019/'20 | 53,3 | 55,3 | 54,1 | 42,1 | 44,3 |
| 2020/'21 | 57,2 | 58,9 | 59,4 | 47,7 | 48,6 |
| 2021/'22 | 57,0 | 58,4 | 59,3 | 48,1 | 50,6 |
| 2022/'23* | 57,3 | 58,8 | 58,8 | 48,8 | 51,0 |
De kans op een havo- of vwo-advies hangt sterk samen met het huishoudensinkomen. In het buitenland geboren leerlingen en leerlingen van de tweede generatie met twee in het buitenland geboren ouders hebben een lager huishoudensinkomen dan gemiddeld. Wanneer daarmee rekening wordt gehouden, vallen de groepsverschillen weg.
Schooladvies in groep 8
Leerlingen in groep 8 van het basisonderwijs kregen tot en met het schooljaar 2013/’14 een advies voor het voortgezet onderwijs van de leerkracht nadat de eindtoets was gemaakt. Vanaf 2014/’15 krijgen leerlingen een schooladvies van de leerkracht voordat de eindtoets is afgenomen. Dat advies is onder meer gebaseerd op leerprestaties, aanleg en ontwikkeling op de basisschool. Wanneer de eindtoets beter wordt gemaakt dan verwacht, dan moet de basisschool het schooladvies heroverwegen (Rijksoverheid, 2024). Een deel van de adviezen wordt daarna herzien.
In schooljaar 2019/’20 daalde het aandeel groep-8‑leerlingen met een havo- of vwo-advies in alle herkomstgroepen. Dit komt mogelijk doordat er in dat schooljaar geen eindtoets is afgenomen vanwege de coronapandemie. Hierdoor konden schooladviezen niet naar boven worden bijgesteld. Vooral meisjes en kinderen uit gezinnen met lagere inkomens kregen hierdoor een lager advies dan in de jaren ervoor. In 2020/’21 konden er wel weer eindtoetsen afgenomen worden en steeg het aandeel havo- en vwo-adviezen weer (CBS, 2022a).
Toename havo- of vwo-advies bij tweede generatie van Turkse of Marokkaanse herkomst
Het aandeel leerlingen dat in groep 8 een havo- of vwo-advies krijgt, verschilt ook naar herkomst. Bij leerlingen die in Nederland zijn geboren, krijgen degenen van Nederlandse, Europese, Indonesische of overig Buiten-Europese herkomst het vaakst een havo- of vwo-advies. Leerlingen van Turkse of Nederlands-Caribische herkomst krijgen in de hele periode van 2011/’12 tot 2022/’23 het minst vaak een havo- of vwo-advies. Wel is het verschil tussen in Nederland geboren leerlingen van Turkse of Marokkaanse herkomst met het gemiddelde kleiner geworden.
| Schooljaar | Totale leerlingenpopulatie1) | Europa (excl. NL) | Turkije | Marokko | Suriname | Nederlandse Cariben | Indonesië | Overig Buiten-Europa | Nederland |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2011/'12 | 54,3 | 57,7 | 30,9 | 34,1 | 44,0 | 38,3 | 61,5 | 54,4 | 56,8 |
| 2012/'13 | 52,8 | 56,6 | 29,7 | 34,5 | 41,5 | 37,0 | 61,3 | 51,7 | 55,2 |
| 2013/'14 | 51,7 | 57,4 | 28,0 | 35,1 | 42,5 | 36,2 | 61,3 | 51,5 | 53,9 |
| 2014/'15 | 51,3 | 56,8 | 28,2 | 35,9 | 40,9 | 33,1 | 57,2 | 50,8 | 53,5 |
| 2015/'16 | 53,5 | 59,2 | 32,7 | 37,5 | 45,5 | 37,7 | 63,4 | 53,4 | 55,5 |
| 2016/'17 | 56,5 | 62,6 | 37,7 | 41,6 | 45,5 | 39,1 | 64,8 | 57,0 | 58,6 |
| 2017/'18 | 56,9 | 63,7 | 38,3 | 44,0 | 49,4 | 38,5 | 67,0 | 58,4 | 58,8 |
| 2018/'19 | 56,4 | 63,0 | 38,7 | 45,1 | 45,4 | 35,3 | 67,6 | 57,3 | 58,5 |
| 2019/'20 | 53,3 | 60,1 | 35,7 | 41,0 | 41,1 | 32,5 | 63,2 | 53,8 | 55,3 |
| 2020/'21 | 57,2 | 64,1 | 40,5 | 49,0 | 49,0 | 35,4 | 64,8 | 58,3 | 58,9 |
| 2021/'22 | 57,0 | 62,5 | 40,9 | 49,3 | 48,1 | 38,2 | 65,2 | 58,9 | 58,4 |
| 2022/'23* | 57,3 | 61,8 | 43,3 | 50,0 | 48,7 | 35,9 | 63,3 | 58,3 | 58,8 |
| 1)havo- of vwo-advies onder alle groep-8-leerlingen in Nederland | |||||||||
Bij leerlingen die in het buitenland zijn geboren, zijn de cijfers anders. Van die groep krijgen degenen van Europese en Turkse herkomst het vaakst een havo- of vwo-advies, en degenen van Marokkaanse, Surinaamse of Nederland-Caribische herkomst het minst vaak. Ook bij in het buitenland geboren leerlingen is de toename van havo- en vwo-adviezen in de afgelopen twaalf jaar het sterkst onder degenen van Turkse herkomst. In het afgelopen jaar is de toename in havo- of vwo-advies het hoogst onder migranten van Marokkaanse herkomst.
| Schooljaar | Totale leerlingenpopulatie1) | Europa (excl. NL) | Turkije | Marokko | Suriname | Nederlandse Cariben | Overig Buiten-Europa (incl. Indonesië) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2011/'12 | 54,3 | 54,6 | 30,1 | 24,9 | 26,3 | 32,8 | 46,9 |
| 2012/'13 | 52,8 | 54,5 | 26,9 | 25,1 | 26,2 | 30,2 | 46,5 |
| 2013/'14 | 51,7 | 52,5 | 25,8 | 25,0 | 20,3 | 29,8 | 44,3 |
| 2014/'15 | 51,3 | 49,4 | 26,7 | 30,5 | 32,6 | 32,5 | 46,1 |
| 2015/'16 | 53,5 | 51,0 | 41,0 | 27,6 | 31,9 | 38,2 | 45,3 |
| 2016/'17 | 56,5 | 54,7 | 35,1 | 37,7 | 42,2 | 37,5 | 45,3 |
| 2017/'18 | 56,9 | 54,2 | 45,8 | 41,4 | 31,3 | 37,4 | 44,4 |
| 2018/'19 | 56,4 | 53,7 | 47,8 | 42,3 | 30,1 | 35,9 | 43,5 |
| 2019/'20 | 53,3 | 50,8 | 48,1 | 35,0 | 28,6 | 29,9 | 41,2 |
| 2020/'21 | 57,2 | 54,3 | 55,9 | 41,5 | 31,1 | 31,9 | 46,2 |
| 2021/'22 | 57,0 | 56,5 | 65,2 | 28,6 | 35,9 | 29,1 | 48,6 |
| 2022/'23* | 57,3 | 56,6 | 66,5 | 39,5 | 29,4 | 27,1 | 49,3 |
| 1)havo- of vwo-advies onder alle groep-8-leerlingen in Nederland | |||||||
Minder havo- of vwo-advies bij herkomstgroepen met lagere inkomens
Wanneer wordt gecorrigeerd voor het huishoudensinkomen van de leerlingen worden de herkomstverschillen kleiner. Bij leerlingen van Marokkaanse herkomst is de benedengemiddelde kans op een havo- of vwo-advies volledig terug te voeren op een lager inkomen.
Rol van geslacht en huishoudensinkomen
Meisjes presteren op school gemiddeld beter dan jongens (CBS, 2022). Dat geldt ook voor leerlingen uit huishoudens met een hoger inkomen (Hartgers et al., 2021). Wanneer de verhouding jongens/meisjes of de verdeling van inkomen verschilt tussen herkomstgroepen, kan dat bijdragen aan herkomstverschillen op het gebied van onderwijs. In dit hoofdstuk is daarom rekening gehouden met de samenstelling van de herkomstgroepen. Dat is gedaan met behulp van meervoudige regressieanalyses. Voor zover onderwijsverschillen tussen herkomstgroepen wegvallen na een correctie voor geslacht en huishoudensinkomen, wordt dat in de tekst vermeld. De correctie voor geslacht en huishoudensinkomen is alleen gedaan voor de onderwijsstadia waarin leerlingen (waarschijnlijk) nog bij een of beide ouders in huis wonen. Er is niet gecorrigeerd voor leeftijd, aangezien de meeste leerlingen in een bepaald leerjaar dezelfde leeftijd hebben.
3.2Voortgezet onderwijs
Binnen het voortgezet onderwijs bestaan verschillende onderwijssoorten. Vanaf het derde leerjaar vindt er meestal geen verandering meer plaats en volgt de leerling definitief een onderwijssoort. In schooljaar 2023/’24 was dat voor 49 procent van alle leerlingen in het derde leerjaar havo of vwo. Bij leerlingen van Nederlandse herkomst en leerlingen van de tweede generatie met één in het buitenland geboren ouder was dat ongeveer even hoog.
Het aandeel havo/vwo-leerlingen ligt lager in de groep met twee in het buitenland geboren ouders (41 procent) en bij leerlingen die zelf in het buitenland zijn geboren (46 procent). Deze groepsverschillen voeren terug op verschillen in het huishoudensinkomen. Wanneer daarmee rekening wordt gehouden, volgen in het buitenland geboren leerlingen eigenlijk iets vaker havo of vwo dan anderen met hetzelfde inkomen.
| Schooljaar | Totale leerlingenpopulatie | Geboren in Nederland, twee ouders geboren in Nederland | Geboren in Nederland, één ouder geboren in buitenland | Geboren in Nederland, twee ouders geboren in buitenland | Geboren in buitenland |
|---|---|---|---|---|---|
| 2011/'12 | 46,7 | 49,3 | 48,7 | 29,6 | 39,1 |
| 2012/'13 | 46,7 | 49,2 | 49,3 | 29,9 | 39,4 |
| 2013/'14 | 46,2 | 48,4 | 49,2 | 30,2 | 40,0 |
| 2014/'15 | 45,9 | 48,1 | 47,7 | 30,6 | 40,0 |
| 2015/'16 | 45,8 | 47,8 | 48,1 | 31,7 | 40,9 |
| 2016/'17 | 46,3 | 48,2 | 49,3 | 32,7 | 40,7 |
| 2017/'18 | 47,4 | 49,2 | 49,6 | 34,3 | 43,0 |
| 2018/'19 | 47,9 | 49,6 | 49,8 | 36,0 | 43,4 |
| 2019/'20 | 48,7 | 50,5 | 50,9 | 36,8 | 42,9 |
| 2020/'21 | 49,8 | 51,4 | 52,6 | 39,4 | 43,0 |
| 2021/'22 | 49,4 | 50,9 | 51,8 | 40,1 | 44,2 |
| 2022/'23 | 48,3 | 49,4 | 50,5 | 40,1 | 45,2 |
| 2023/'24* | 49,0 | 50,2 | 50,6 | 40,8 | 46,3 |
| 1)havo of vwo inclusief algemeen leerjaar 3 | |||||
| 2)voortgezet onderwijs exclusief praktijkonderwijs | |||||
Toename havo- of vwo-onderwijs in bijna alle herkomstgroepen
Net als het aandeel leerlingen met een havo- of vwo-advies in groep 8, is het aandeel dat in leerjaar 3 daadwerkelijk havo of vwo volgt, toegenomen. Die toename is het sterkst bij de tweede generatie met twee in het buitenland geboren ouders. In schooljaar 2011/’12 volgde 30 procent van hen havo- of vwo, in 2023/’24 is dit opgelopen tot 41 procent. Ook bij in het buitenland geboren leerlingen is het aandeel dat havo of vwo volgt, toegenomen. Bij de andere groepen was de toename minimaal.
| Schooljaar | Totale leerlingenpopulatie3) | Europa (excl. NL) | Turkije | Marokko | Suriname | Nederlandse Cariben | Indonesië | Overig Buiten-Europa | Nederland |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2011/'12 | 46,7 | 50,8 | 24,1 | 24,7 | 33,6 | 34,1 | 52,0 | 47,6 | 49,3 |
| 2012/'13 | 46,7 | 51,9 | 23,3 | 25,5 | 34,4 | 33,3 | 56,0 | 48,3 | 49,2 |
| 2013/'14 | 46,2 | 51,7 | 23,5 | 25,7 | 34,6 | 32,9 | 55,3 | 47,9 | 48,4 |
| 2014/'15 | 45,9 | 49,9 | 23,8 | 26,1 | 35,2 | 29,7 | 52,5 | 47,6 | 48,1 |
| 2015/'16 | 45,8 | 51,1 | 23,9 | 27,9 | 35,5 | 32,9 | 52,3 | 47,2 | 47,8 |
| 2016/'17 | 46,3 | 53,4 | 24,5 | 29,2 | 37,6 | 31,5 | 55,0 | 48,2 | 48,2 |
| 2017/'18 | 47,4 | 54,2 | 26,3 | 32,0 | 37,7 | 31,3 | 54,2 | 48,5 | 49,2 |
| 2018/'19 | 47,9 | 54,9 | 27,8 | 32,5 | 38,7 | 33,1 | 57,4 | 49,6 | 49,6 |
| 2019/'20 | 48,7 | 55,1 | 30,5 | 33,1 | 40,0 | 31,8 | 57,9 | 51,1 | 50,5 |
| 2020/'21 | 49,8 | 58,3 | 33,5 | 36,9 | 41,0 | 32,9 | 58,5 | 51,8 | 51,4 |
| 2021/'22 | 49,4 | 57,3 | 33,2 | 37,8 | 39,8 | 29,2 | 61,3 | 52,9 | 50,9 |
| 2022/'23 | 48,3 | 57,3 | 33,2 | 37,7 | 36,9 | 27,6 | 59,2 | 51,9 | 49,4 |
| 2023/'24* | 49,0 | 57,2 | 32,5 | 38,5 | 39,4 | 28,5 | 56,2 | 51,7 | 50,2 |
| 1)havo of vwo inclusief algemeen leerjaar 3 | |||||||||
| 2)voortgezet onderwijs exclusief praktijkonderwijs | |||||||||
| 3)havo of vwo onder alle leerlingen in jaar 3 van het voortgezet onderwijs in Nederland | |||||||||
De herkomstverschillen die zichtbaar waren bij het groep-8‑advies zijn in het voortgezet onderwijs nog prominenter. Bij leerlingen die in Nederland zijn geboren, volgen degenen van Europese en Indonesische herkomst vaker havo of vwo dan gemiddeld. Leerlingen van Turkse, Marokkaanse, Surinaamse of Nederlands-Caribische herkomst doen dat juist minder vaak. Deels heeft dat te maken met de gemiddeld lagere inkomens in de gezinnen van deze leerlingen. Toch volgen zij, ook na correctie voor het huishoudensinkomen, minder vaak havo of vwo dan gemiddeld.
Zeker de in Nederland geboren leerlingen van Nederlands-Caribische herkomst volgen minder vaak havo of vwo dan verwacht op basis van hun huishoudensinkomen. Dit is ook de enige groep waar het aandeel op havo of vwo in 2023/’24 lager was dan in 2011/’12. In de totale leerlingenpopulatie is het aandeel dat havo of vwo volgt juist iets gestegen. Bij in Nederland geboren leerlingen van Marokkaanse herkomst steeg het aandeel op havo of vwo het meest.
Ook bij in het buitenland geboren leerlingen is in alle onderzochte herkomstgroepen het aandeel op havo of vwo toegenomen. Bij de Turkse herkomstgroep is deze toename het sterkst: van 23 procent in 2011/’12 tot 50 procent in 2023/’24. Wel schommelt het aandeel havo- of vwo-leerlingen van jaar op jaar gezien de kleine populatie; er zijn weinig in het buitenland geboren kinderen die voor leerjaar 3 naar Nederland migreren.
| Schooljaar | Totale leerlingenpopulatie3) | Europa (excl. NL) | Turkije | Marokko | Suriname | Nederlandse Cariben | Overig Buiten-Europa (incl. Indonesië) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2011/'12 | 46,7 | 48,7 | 22,6 | 20,0 | 19,3 | 21,5 | 41,2 |
| 2012/'13 | 46,7 | 48,3 | 19,1 | 17,1 | 18,6 | 23,0 | 41,4 |
| 2013/'14 | 46,2 | 46,9 | 23,2 | 24,4 | 20,2 | 24,7 | 41,9 |
| 2014/'15 | 45,9 | 46,7 | 21,0 | 19,6 | 16,7 | 27,1 | 41,2 |
| 2015/'16 | 45,8 | 46,3 | 20,7 | 16,6 | 18,8 | 27,8 | 42,3 |
| 2016/'17 | 46,3 | 46,6 | 20,1 | 22,3 | 15,7 | 26,5 | 40,8 |
| 2017/'18 | 47,4 | 47,2 | 26,4 | 26,3 | 23,7 | 29,3 | 43,0 |
| 2018/'19 | 47,9 | 49,4 | 34,9 | 20,6 | 28,2 | 32,3 | 41,3 |
| 2019/'20 | 48,7 | 50,2 | 40,4 | 19,9 | 26,5 | 28,2 | 40,1 |
| 2020/'21 | 49,8 | 50,3 | 45,0 | 32,4 | 24,2 | 29,8 | 39,4 |
| 2021/'22 | 49,4 | 49,6 | 48,4 | 26,8 | 26,0 | 27,6 | 42,3 |
| 2022/'23 | 48,3 | 49,8 | 54,3 | 29,7 | 21,8 | 30,1 | 43,7 |
| 2023/'24* | 49,0 | 50,5 | 50,2 | 27,3 | 21,7 | 28,4 | 45,6 |
| 1)havo of vwo inclusief algemeen leerjaar 3 | |||||||
| 2)voortgezet onderwijs exclusief praktijkonderwijs | |||||||
| 3)havo of vwo onder alle leerlingen in jaar 3 van het voortgezet onderwijs in Nederland | |||||||
Weinig havo- of vwo-onderwijs bij tweede generatie Syriërs
Bij leerlingen van de tweede generatie met een herkomst uit een van de vluchtelingenlandennoot2, zijn er grote verschillen naar herkomst. Leerlingen van Afghaanse of Iraanse herkomst volgen de laatste jaren net iets vaker havo of vwo dan de gemiddelde leerling. Bij de tweede generatie van Somalische, Syrische en Irakese herkomst ligt het aandeel dat havo of vwo volgt aanzienlijk lager dan gemiddeld, in 2023/’24 ging het om respectievelijk 33 procent, 39 procent en 42 procent. Bij de meeste herkomstgroepen lijkt sprake te zijn van een positieve trend. Wel schommelen deze percentages vrij sterk, doordat het om kleine aantallen leerlingen gaat.
| Schooljaar | Totale leerlingenpopulatie3) | Afghanistan | Irak | Iran | Somalië | Syrië |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2011/'12 | 46,7 | 47,4 | 42,2 | 53,2 | 24,0 | 36,7 |
| 2012/'13 | 46,7 | 47,6 | 39,1 | 53,8 | 24,2 | 38,8 |
| 2013/'14 | 46,2 | 51,5 | 36,4 | 53,9 | 27,6 | 37,4 |
| 2014/'15 | 45,9 | 44,1 | 40,0 | 55,1 | 27,9 | 37,6 |
| 2015/'16 | 45,8 | 47,6 | 39,2 | 55,7 | 28,9 | 35,6 |
| 2016/'17 | 46,3 | 49,1 | 40,3 | 51,3 | 32,3 | 34,7 |
| 2017/'18 | 47,4 | 47,5 | 42,6 | 56,3 | 26,0 | 34,3 |
| 2018/'19 | 47,9 | 48,2 | 40,9 | 52,5 | 28,8 | 42,9 |
| 2019/'20 | 48,7 | 47,1 | 39,9 | 60,0 | 31,7 | 39,6 |
| 2020/'21 | 49,8 | 53,8 | 43,3 | 58,2 | 26,6 | 41,3 |
| 2021/'22 | 49,4 | 54,8 | 46,7 | 55,1 | 32,9 | 40,5 |
| 2022/'23 | 48,3 | 53,6 | 44,3 | 57,6 | 31,5 | 34,0 |
| 2023/'24* | 49,0 | 55,7 | 42,5 | 52,1 | 33,4 | 38,7 |
| 1)havo of vwo inclusief algemeen leerjaar 3 | ||||||
| 2)voortgezet onderwijs exclusief praktijkonderwijs | ||||||
| 3)havo of vwo onder alle leerlingen in jaar 3 van het voortgezet onderwijs in Nederland | ||||||
Het aantal leerlingen dat zelf in een vluchtelingenland is geboren, is in het derde leerjaar nog kleiner. Daarom kunnen alleen cijfers vanaf schooljaar 2018/’19 worden getoond en fluctueert het aandeel dat havo- of vwo-onderwijs volgt sterk. Bovendien verandert ieder jaar de samenstelling van deze groep leerlingen. Niettemin valt op dat leerlingen geboren in een van de onderzochte vluchtelingenlanden minder vaak havo of vwo volgen dan gemiddeld. Met name leerlingen die geboren zijn in Eritrea en Somalië volgen minder vaak havo of vwo. Het aandeel Syrische leerlingen dat havo of vwo volgt, neemt de laatste jaren toe.
| Schooljaar | Totale leerlingenpopulatie3) | Afghanistan | Irak | Iran4) | Somalië | Syrië | Eritrea4) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2018/'19 | 47,9 | 35,1 | 33,2 | . | 14,3 | 21,3 | . |
| 2019/'20 | 48,7 | 36,8 | 25,6 | 45,9 | 13,1 | 18,8 | . |
| 2020/'21 | 49,8 | 30,2 | 29,1 | 45,9 | 15,8 | 19,4 | . |
| 2021/'22 | 49,4 | 36,4 | 27,9 | 42,2 | 17,0 | 24,9 | 11,5 |
| 2022/'23 | 48,3 | 39,6 | 30,1 | 40,6 | 18,5 | 30,7 | 9,9 |
| 2023/'24* | 49,0 | 40,0 | 23,6 | 37,5 | 16,5 | 35,5 | 13,0 |
| 1)havo of vwo inclusief algemeen leerjaar 3 | |||||||
| 2)voortgezet onderwijs exclusief praktijkonderwijs | |||||||
| 3)havo of vwo onder alle leerlingen in jaar 3 van het voortgezet onderwijs in Nederland | |||||||
| 4)in sommige groepen is het aantal personen te klein voor publicatie | |||||||
Vaak vmbo-basis of -kader bij Nederlands-Caribische herkomst
De cijfers hierboven gaan over havo en vwo. In schooljaar 2023/’24 volgde echter 51 procent van alle leerlingen in het derde leerjaar vmbo. Het gaat om 8 procent vmbo-basisberoepsgerichte leerweg (vmbo-b), 15 procent vmbo-kaderberoepsgerichte leerweg (vmbo-k) en 28 procent vmbo-gemengde of -theoretische leerweg (vmbo-g/t). De verdeling tussen deze vmbo-leerwegen verschilt sterk naar het geboorteland van de leerling en de ouders.
Het aandeel leerlingen op vmbo-b en vmbo-k ligt rond het gemiddelde bij leerlingen van de tweede generatie met één ouder geboren in een ander Europees land, Indonesië of een overig Buiten-Europees land. Het aandeel vmbo-b/k ligt hoger bij de tweede generatie uit de andere herkomstgroepen. Vooral leerlingen met één Turkse (33 procent) of Nederlands-Caribische (34 procent) ouder volgen vaker vmbo-b/k dan gemiddeld.
Herkomstverschillen zijn het grootst bij leerlingen van de tweede generatie met twee in het buitenland geboren ouders, en bij leerlingen die zelf in het buitenland zijn geboren. Hoewel het aandeel vmbo-b/k in die groepen hoger ligt bij alle herkomstlanden, is dat vooral zo bij degenen van Nederlands-Caribische herkomst. Van hen volgt ongeveer de helft vmbo-b/k.
Deze herkomstverschillen zijn deels terug te voeren op het huishoudensinkomen. Leerlingen die opgroeien in een huishouden met een lager inkomen, hebben namelijk een grotere kans om vmbo-b/k te volgen. Na correctie voor het lagere huishoudensinkomen van leerlingen van Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Nederlands-Caribische herkomst ligt in die groepen het aandeel op vmbo-b/k iets dichter bij het gemiddelde. Leerlingen van Nederlands-Caribische herkomst volgen, ook na correctie, veel vaker vmbo-b/k dan leerlingen uit de andere herkomstgroepen.
| Vmbo-basisberoeps | Vmbo-kaderberoeps | Vmbo-gemengd of theoretisch | Havo2) | Vwo | |
|---|---|---|---|---|---|
| % van leerlingen in leerjaar 3 | |||||
| Totale leerlingenpopulatie | 8 | 15 | 28 | 27 | 22 |
| Geboren in Nederland, 2 ouders geboren in Nederland | 7 | 15 | 28 | 27 | 23 |
| Geboren in Nederland, 1 ouder geboren in buitenland | |||||
| Totaal | 8 | 14 | 28 | 27 | 24 |
| Europa (excl. NL) | 6 | 11 | 25 | 28 | 30 |
| Turkije | 14 | 19 | 31 | 22 | 14 |
| Marokko | 10 | 15 | 32 | 26 | 17 |
| Suriname | 11 | 16 | 31 | 26 | 17 |
| Nederlandse Cariben | 14 | 20 | 30 | 20 | 15 |
| Indonesië | 7 | 13 | 24 | 30 | 25 |
| Overig Buiten-Europa | 6 | 12 | 26 | 28 | 28 |
| Geboren in Nederland, 2 ouders geboren in buitenland | |||||
| Totaal | 13 | 18 | 29 | 23 | 18 |
| Europa (excl. NL) | 9 | 13 | 23 | 30 | 25 |
| Turkije | 17 | 22 | 31 | 19 | 10 |
| Marokko | 13 | 19 | 32 | 23 | 13 |
| Suriname | 16 | 19 | 30 | 21 | 15 |
| Nederlandse Cariben | 24 | 28 | 29 | 14 | 5 |
| Overig Buiten-Europa (incl. Indonesië) | 10 | 15 | 27 | 24 | 24 |
| Geboren in buitenland | |||||
| Totaal | 16 | 15 | 24 | 26 | 20 |
| Europa (excl. NL) | 13 | 13 | 23 | 28 | 23 |
| Turkije | 17 | 11 | 22 | 29 | 21 |
| Marokko3) | 21 | 23 | 29 | . | . |
| Suriname3) | 20 | 20 | 39 | . | . |
| Nederlandse Cariben | 23 | 24 | 25 | 20 | 9 |
| Overig Buiten-Europa (incl. Indonesië) | 17 | 15 | 23 | 26 | 20 |
1)Voortgezet onderwijs exclusief praktijkonderwijs.
2)Havo inclusief algemeen leerjaar 3.
3)In sommige groepen is het aantal personen te klein voor publicatie.
Lagere slagingspercentages na coronacrisis
In schooljaar 2022/’23 slaagde 86 procent van de havo/vwo-leerlingen, 91 procent van de vmbo-g/t-leerlingen en 95 procent van de vmbo-b/k-leerlingen voor het eindexamen. Daarmee liggen de slagingspercentages aanzienlijk lager dan in eerdere jaren. De slagingspercentages schommelen namelijk van jaar tot jaar, maar zijn vanaf 2011/’12 op alle niveaus licht gestegen. Tijdens de coronapandemie golden er soepelere regels voor het eindexamen en lagen de slagingspercentages uitzonderlijk hoog. De afname sindsdien is zo groot, dat in 2022/’23 de slagingspercentages weer rond het niveau van 2011/’12 liggen.
Slagingspercentages tijdens en na de coronacrisis
Tijdens de coronapandemie konden de centrale eindexamens in schooljaar 2019/’20 niet doorgaan. De examenuitslag werd toen bepaald door de schoolexamens, waarvoor leerlingen verbetertoetsen mochten doen. Ook in 2020/’21 golden er versoepelde eindexamennormen, waarbij leerlingen bijvoorbeeld een extra vak mochten laten vallen of een extra herkansing konden doen. Hierdoor liggen de slagingspercentages in deze jaren hoger dan daarvoor (CBS, 2021).
Leerlingen van Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Nederlands-Caribische herkomst slagen minder
In alle schooljaren slagen leerlingen van Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Nederlands-Caribische herkomst minder vaak voor hun eindexamen dan leerlingen uit de andere herkomstgroepen. Tot aan de coronacrisis namen de slagingspercentages van deze groepen toe, en veelal meer dan gemiddeld. Na de coronacrisis zijn de slagingspercentages van deze vier herkomstgroepen echter weer harder gedaald dan gemiddeld. In 2022/’23 liggen de slagingspercentages bij leerlingen van Marokkaanse, Surinaamse en Nederlands-Caribische herkomst zelfs lager dan in 2011/’12. Alleen leerlingen van Turkse herkomst slagen vaker dan voorheen; desondanks is het slagingspercentage bij die groep nog altijd een stuk lager dan het gemiddelde.
| Schooljaar | Totaal | Europa (excl. NL) | Turkije | Marokko | Suriname | Nederlandse Cariben | Indonesië | Overig Buiten-Europa | Nederland |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2011/'12 | 86,9 | 85,6 | 64,7 | 74,1 | 75,6 | 83,7 | 84,0 | 79,8 | 88,6 |
| 2012/'13 | 89,6 | 88,9 | 70,7 | 78,5 | 81,5 | 86,3 | 87,8 | 83,2 | 91,0 |
| 2013/'14 | 88,7 | 87,9 | 68,6 | 77,9 | 78,9 | 87,0 | 84,4 | 83,4 | 90,0 |
| 2014/'15 | 89,4 | 88,4 | 74,9 | 77,5 | 80,7 | 87,6 | 86,8 | 83,3 | 90,8 |
| 2015/'16 | 89,6 | 88,6 | 74,2 | 79,1 | 79,6 | 88,3 | 86,2 | 85,0 | 90,9 |
| 2016/'17 | 88,7 | 88,7 | 74,1 | 76,3 | 78,8 | 82,3 | 84,2 | 82,9 | 90,2 |
| 2017/'18 | 89,2 | 88,6 | 72,5 | 77,4 | 80,3 | 82,1 | 84,1 | 82,9 | 90,8 |
| 2018/'19 | 89,3 | 89,1 | 76,4 | 76,0 | 79,2 | 82,9 | 85,6 | 83,9 | 90,8 |
| 2019/'20 | 98,1 | 97,7 | 95,4 | 95,4 | 97,3 | 97,5 | 96,9 | 97,2 | 98,4 |
| 2020/'21 | 92,1 | 91,2 | 78,0 | 78,7 | 85,3 | 87,7 | 86,1 | 86,4 | 93,8 |
| 2021/'22 | 91,5 | 91,0 | 78,1 | 79,7 | 83,4 | 88,0 | 89,2 | 86,2 | 93,2 |
| 2022/'23* | 86,1 | 86,0 | 69,3 | 69,8 | 73,7 | 79,0 | 82,3 | 77,7 | 88,6 |
| Schooljaar | Totaal | Europa (excl. NL) | Turkije | Marokko | Suriname | Nederlandse Cariben | Indonesië | Overig Buiten-Europa | Nederland |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2011/'12 | 90,3 | 89,6 | 74,5 | 80,9 | 84,6 | 89,0 | 89,1 | 87,4 | 91,8 |
| 2012/'13 | 91,4 | 90,9 | 75,6 | 83,6 | 84,0 | 87,3 | 90,4 | 87,0 | 93,1 |
| 2013/'14 | 93,4 | 92,8 | 83,3 | 86,1 | 87,0 | 90,4 | 92,4 | 90,3 | 94,7 |
| 2014/'15 | 94,3 | 94,5 | 85,2 | 87,3 | 89,1 | 92,9 | 93,5 | 92,2 | 95,4 |
| 2015/'16 | 94,1 | 93,8 | 84,3 | 89,0 | 90,6 | 90,3 | 91,8 | 91,7 | 95,1 |
| 2016/'17 | 92,8 | 91,5 | 83,4 | 85,7 | 89,5 | 91,2 | 91,1 | 90,4 | 93,9 |
| 2017/'18 | 92,4 | 93,0 | 82,7 | 85,4 | 86,8 | 86,4 | 90,5 | 89,7 | 93,7 |
| 2018/'19 | 92,9 | 92,5 | 84,8 | 87,1 | 87,4 | 90,5 | 91,0 | 90,3 | 94,0 |
| 2019/'20 | 99,2 | 98,9 | 98,5 | 98,5 | 98,9 | 98,3 | 99,2 | 98,9 | 99,4 |
| 2020/'21 | 96,4 | 96,6 | 90,3 | 90,7 | 93,5 | 95,1 | 95,7 | 95,0 | 97,3 |
| 2021/'22 | 95,8 | 96,4 | 90,0 | 90,4 | 91,6 | 94,1 | 93,2 | 94,6 | 96,6 |
| 2022/'23* | 91,3 | 90,2 | 81,8 | 80,9 | 83,7 | 85,4 | 92,2 | 86,2 | 93,3 |
| Schooljaar | Totaal | Europa (excl. NL) | Turkije | Marokko | Suriname | Nederlandse Cariben | Indonesië | Overig Buiten-Europa | Nederland |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2011/'12 | 94,5 | 93,8 | 85,7 | 90,7 | 93,1 | 92,5 | 94,7 | 92,9 | 95,8 |
| 2012/'13 | 94,6 | 93,9 | 86,8 | 92,2 | 93,7 | 94,9 | 95,4 | 92,5 | 95,7 |
| 2013/'14 | 95,7 | 95,2 | 89,8 | 92,5 | 93,0 | 95,4 | 93,7 | 93,9 | 96,8 |
| 2014/'15 | 96,1 | 95,4 | 91,7 | 93,2 | 94,7 | 95,5 | 97,2 | 94,3 | 97,0 |
| 2015/'16 | 96,5 | 95,6 | 92,7 | 94,5 | 96,0 | 96,1 | 96,6 | 95,3 | 97,2 |
| 2016/'17 | 96,8 | 96,0 | 93,3 | 95,1 | 96,0 | 95,7 | 96,1 | 95,5 | 97,4 |
| 2017/'18 | 96,2 | 96,1 | 92,4 | 93,4 | 95,1 | 93,7 | 94,0 | 94,6 | 97,0 |
| 2018/'19 | 96,6 | 96,6 | 92,5 | 94,2 | 95,1 | 95,4 | 95,3 | 95,0 | 97,3 |
| 2019/'20 | 99,5 | 99,3 | 99,2 | 98,9 | 99,6 | 99,1 | 99,4 | 99,1 | 99,6 |
| 2020/'21 | 99,1 | 99,2 | 98,0 | 97,8 | 99,1 | 99,4 | 98,7 | 98,6 | 99,4 |
| 2021/'22 | 98,9 | 98,7 | 97,8 | 97,4 | 99,3 | 99,2 | 98,3 | 97,9 | 99,3 |
| 2022/'23* | 94,8 | 95,5 | 89,8 | 89,9 | 91,6 | 93,8 | 92,2 | 91,6 | 96,2 |
Een belangrijke factor bij het slagen is het huishoudensinkomen van de leerling. Bij iedere onderwijssoort slagen leerlingen uit huishoudens met een lager inkomen minder vaak voor hun eindexamen. Leerlingen van Turkse of Marokkaanse herkomst die eindexamen doen, wonen doorgaans in huishoudens met een lager inkomen dan andere leerlingen; vooral op de havo/vwo is dat verschil groot. Dat verklaart deels waarom zij minder vaak slagen. Toch blijft na correctie een lagere slagingskans zichtbaar voor leerlingen van Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en in mindere mate Nederlands-Caribische herkomst.
Leerlingen van Nederlandse herkomst halen hogere cijfers voor Nederlands, lagere voor Engels
Het gemiddelde eindcijfer voor het vak Nederlands ligt op de verschillende onderwijssoorten tussen de 6,4 op vmbo-g en 6,6 op vmbo-b. Over het algemeen halen leerlingen met twee in het buitenland geboren ouders een iets lager cijfer voor Nederlands dan andere leerlingen. Leerlingen van Turkse herkomst halen een iets lager, en leerlingen van Nederlandse herkomst een iets hoger eindcijfer dan gemiddeld. De verschillen zijn echter klein. Ze veranderen niet na correctie voor het geslacht van de leerling en het huishoudensinkomen.
| Onderwijssoort | Totaal | Geboren in Nederland, 2 ouders geboren in Nederland | Geboren in Nederland, 1 ouder geboren in buitenland | Geboren in Nederland, 2 ouders geboren in buitenland | Geboren in buitenland |
|---|---|---|---|---|---|
| Vmbo-b | 6,62 | 6,70 | 6,57 | 6,48 | 6,34 |
| Vmbo-k | 6,47 | 6,51 | 6,42 | 6,37 | 6,27 |
| Vmbo-g | 6,44 | 6,48 | 6,35 | 6,21 | 6,15 |
| Vmbo-t | 6,46 | 6,50 | 6,39 | 6,29 | 6,29 |
| Havo | 6,48 | 6,51 | 6,42 | 6,32 | 6,34 |
| Vwo | 6,56 | 6,58 | 6,54 | 6,34 | 6,47 |
Het gemiddelde eindcijfer voor het vak Engels ligt tussen de 6,9 op vmbo-k en 7,1 op het vwo. Ook bij Engels varieert het gemiddelde eindcijfer nauwelijks naar onderwijssoort, naar het geboorteland van de ouders of naar dat van de leerling zelf. Leerlingen met één in het buitenland geboren ouder en leerlingen die zelf in het buitenland zijn geboren halen een iets hoger cijfer dan gemiddeld. Het cijfer van leerlingen van Turkse herkomst is iets lager, dat van leerlingen van Nederlands-Caribische herkomst iets hoger dan gemiddeld. Bij Engels valt op dat leerlingen uit huishoudens met een lager inkomen gemiddeld genomen iets hogere cijfers halen. Leerlingen van Turkse herkomst behalen lagere cijfers en leerlingen van Nederlands-Caribische iets hogere cijfers dan verwacht op basis van hun huishoudensinkomen.
| Onderwijssoort | Totaal | Geboren in Nederland, 2 ouders geboren in Nederland | Geboren in Nederland, 1 ouder geboren in buitenland | Geboren in Nederland, 2 ouders geboren in buitenland | Geboren in buitenland |
|---|---|---|---|---|---|
| Vmbo-b | 7,05 | 7,04 | 7,17 | 7,10 | 6,93 |
| Vmbo-k | 6,88 | 6,85 | 7,05 | 6,92 | 6,92 |
| Vmbo-g | 6,89 | 6,85 | 7,15 | 6,98 | 7,08 |
| Vmbo-t | 7,07 | 7,04 | 7,20 | 7,08 | 7,17 |
| Havo | 7,02 | 7,00 | 7,18 | 6,97 | 7,19 |
| Vwo | 7,11 | 7,08 | 7,24 | 7,03 | 7,28 |
3.3Middelbaar beroepsonderwijs
In de afgelopen tien jaar heeft in het mbo een grote verschuiving plaatsgevonden. Steeds minder studenten volgen mbo-2 of mbo-3, terwijl het aandeel op mbo-4 van 47 naar 58 procent is toegenomen. Alleen het aandeel studenten op de entreeopleidingnoot3 ligt stabiel laag (4 procent).
Vaker mbo-4 bij alle herkomstgroepen
Bij in Nederland geboren studenten is de verschuiving richting mbo-4 duidelijk zichtbaar in alle herkomstgroepen. Vooral onder studenten van de Turkse of Marokkaanse tweede generatie nam het aandeel studenten op mbo-4‑niveau toe, van respectievelijk 42 en 42 procent in 2013/’14 naar 60 en 65 procent in 2023/’24. Hiermee komt het aandeel mbo-4‑studenten in deze groepen hoger uit dan in de totale populatie mbo-studenten. Ook studenten van de tweede generatie met een Europese, Indonesische en overig Buiten-Europese herkomst volgen vaker mbo-4 dan gemiddeld.
| Percentage | Schooljaar | Entreeopleiding | Niveau 2 | Niveau3 | Niveau 4 |
|---|---|---|---|---|---|
| Totale studentenpopulatie²⁾ |
2023/'24*, Totale studentenpopulatie²⁾ |
3,7 | 16,6 | 21,7 | 58,0 |
| Totale studentenpopulatie²⁾ |
2013/'14, Totale studentenpopulatie²⁾ |
3,8 | 22,1 | 27,3 | 46,8 |
| Nederland | 2023/'24*, Nederland | 1,9 | 14,2 | 23,9 | 60,0 |
| Nederland | 2013/'14, Nederland | 2,5 | 20,5 | 28,0 | 49,1 |
| Europa (excl. NL) | 2023/'24*, Europa (excl. NL) | 2,9 | 15,2 | 19,3 | 62,6 |
| Europa (excl. NL) | 2013/'14, Europa (excl. NL) | 3,6 | 21,8 | 25,4 | 49,2 |
| Turkije | 2023/'24*, Turkije | 3,9 | 20,3 | 15,7 | 60,1 |
| Turkije | 2013/'14, Turkije | 4,9 | 27,7 | 25,8 | 41,6 |
| Marokko | 2023/'24*, Marokko | 4,4 | 19,6 | 11,1 | 64,9 |
| Marokko | 2013/'14, Marokko | 5,1 | 27,3 | 25,1 | 42,5 |
| Suriname | 2023/'24*, Suriname | 3,4 | 19,6 | 17,8 | 59,2 |
| Suriname | 2013/'14, Suriname | 4,4 | 23,6 | 27,1 | 44,9 |
| Nederlandse Cariben | 2023/'24*, Nederlandse Cariben | 6,4 | 23,8 | 21,3 | 48,5 |
| Nederlandse Cariben | 2013/'14, Nederlandse Cariben | 6,6 | 28,1 | 26,5 | 38,8 |
| Indonesië | 2023/'24*, Indonesië | 1,8 | 14,0 | 22,6 | 61,5 |
| Indonesië | 2013/'14, Indonesië | 3,7 | 20,0 | 26,6 | 49,7 |
| Overig Buiten-Europa | 2023/'24*, Overig Buiten-Europa | 3,7 | 16,2 | 14,8 | 65,3 |
| Overig Buiten-Europa | 2013/'14, Overig Buiten-Europa | 4,1 | 20,9 | 23,8 | 51,1 |
| 1)mbo-studenten inclusief extranei | |||||
| 2)mbo-niveau onder alle mbo-studenten in Nederland | |||||
Studenten die in het buitenland zijn geboren, volgen minder vaak mbo-4 dan gemiddeld. Toch is ook bij hen het aandeel dat mbo-4 volgt sterk toegenomen ten opzichte van 2013/’14. De toename is het meest uitgesproken bij studenten geboren in Europa, Turkije, of Suriname. De toename van het aandeel op mbo-4 is gespiegeld door een afname van het aandeel op mbo-2 en mbo-3.
Alleen bij in het buitenland geboren studenten van overig Buiten-Europese herkomst is het aandeel op de entreeopleiding licht toegenomen. Dit kan komen doordat deze groep een groter aandeel vluchtelingen herbergt dan voorheen. Zij zullen veelal een schakelklas met extra taallessen hebben gedaan, om vervolgens op een entreeopleiding te kunnen instromen.
| Percentage | Schooljaar | Entreeopleiding | Niveau 2 | Niveau3 | Niveau 4 |
|---|---|---|---|---|---|
| Totale studentenpopulatie²⁾ |
2023/'24*, Totale studentenpopulatie²⁾ |
3,7 | 16,6 | 21,7 | 58,0 |
| Totale studentenpopulatie²⁾ |
2013/'14, Totale studentenpopulatie²⁾ |
3,8 | 22,1 | 27,3 | 46,8 |
| Europa (excl. NL) | 2023/'24*, Europa (excl. NL) | 10,1 | 21,6 | 19,4 | 49,0 |
| Europa (excl. NL) | 2013/'14, Europa (excl. NL) | 11,9 | 26,4 | 25,1 | 36,7 |
| Turkije | 2023/'24*, Turkije | 13,9 | 29,7 | 21,5 | 34,9 |
| Turkije | 2013/'14, Turkije | 17,9 | 31,9 | 25,4 | 24,8 |
| Marokko | 2023/'24*, Marokko | 11,7 | 31,7 | 22,2 | 34,3 |
| Marokko | 2013/'14, Marokko | 14,1 | 33,3 | 26,0 | 26,6 |
| Suriname | 2023/'24*, Suriname | 5,1 | 24,7 | 29,0 | 41,2 |
| Suriname | 2013/'14, Suriname | 8,3 | 29,9 | 32,0 | 29,8 |
| Nederlandse Cariben | 2023/'24*, Nederlandse Cariben | 7,7 | 23,4 | 28,2 | 40,7 |
| Nederlandse Cariben | 2013/'14, Nederlandse Cariben | 10,2 | 29,9 | 28,3 | 31,6 |
| Overig Buiten-Europa (incl. Indonesië) |
2023/'24*, Overig Buiten-Europa (incl. Indonesië) |
16,8 | 30,3 | 16,4 | 36,5 |
| Overig Buiten-Europa (incl. Indonesië) |
2013/'14, Overig Buiten-Europa (incl. Indonesië) |
14,1 | 30,3 | 22,7 | 33,0 |
| 1)mbo-studenten inclusief extranei | |||||
| 2)mbo-niveau onder alle mbo-studenten in Nederland | |||||
Mbo-studenten van Marokkaanse herkomst volgen vaak zorgopleiding
Binnen mbo-2, mbo-3 en mbo-4 worden meerdere richtingen onderscheiden (ook wel sectorkamers, onderwijsclusters of bedrijfstakgroepen genoemd). Mbo-studenten volgen het vaakst een opleiding in de richting zorg, welzijn en sport (36 procent). Deze richting wordt op afstand gevolgd door de richtingen techniek en gebouwde omgeving (15 procent), voedsel, groen en gastvrijheid (12 procent), zakelijke dienstverlening en veiligheid (10 procent), creatieve industrie en ICT (10 procent), handel (8 procent), mobiliteit, transport, logistiek en maritiem (7 procent) en overige richtingen (2 procent).
Bij in Nederland geboren mbo-studenten zijn grote herkomstverschillen te zien in de populariteit van de studierichting zorg, welzijn en sport. Studenten van Nederlandse of andere Europese herkomst volgen die richting iets minder vaak dan gemiddeld, studenten van Buiten-Europese herkomst juist vaker. Van de mbo-studenten van de Marokkaanse tweede generatie volgt zelfs 52 procent een opleiding in de richting zorg, welzijn en sport. Van hen volgt slechts 2 procent een opleiding in de richting voedsel, groen en gastvrijheid.
| Techniek en gebouwde omgeving | Mobiliteit, transport, logistiek, maritiem | Zorg, welzijn en sport | Handel | Creatieve industrie en ICT | Voedsel, groen en gastvrijheid | Zakelijke dienstverlening en veiligheid | Overig2) | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| % van mbo-studenten1) | ||||||||
| Totale studentenpopulatie | 15 | 7 | 36 | 8 | 10 | 12 | 10 | 2 |
| Geboren in Nederland | ||||||||
| Nederland | 17 | 7 | 34 | 8 | 10 | 14 | 8 | 1 |
| Europa (excl. NL) | 13 | 7 | 32 | 9 | 13 | 12 | 12 | 2 |
| Turkije | 13 | 5 | 39 | 9 | 10 | 4 | 19 | 1 |
| Marokko | 8 | 3 | 52 | 9 | 7 | 2 | 17 | 2 |
| Suriname | 9 | 6 | 35 | 11 | 13 | 7 | 18 | 2 |
| Nederlandse Cariben | 9 | 6 | 41 | 9 | 10 | 9 | 15 | 1 |
| Indonesië | 13 | 5 | 36 | 10 | 13 | 9 | 11 | 2 |
| Overig Buiten-Europa | 9 | 5 | 34 | 13 | 14 | 8 | 16 | 2 |
| Geboren in buitenland | ||||||||
| Europa (excl. NL) | 13 | 8 | 31 | 9 | 14 | 11 | 14 | 2 |
| Turkije3) | 19 | . | 45 | 4 | 8 | 5 | 14 | . |
| Marokko | 13 | 3 | 57 | 6 | 3 | 3 | 12 | 3 |
| Suriname | 10 | 5 | 55 | 5 | 4 | 4 | 15 | 1 |
| Nederlandse Cariben | 13 | 6 | 44 | 6 | 7 | 9 | 13 | 1 |
| Overig Buiten-Europa (incl. Indonesië) | 12 | 6 | 41 | 9 | 10 | 7 | 13 | 3 |
1)Mbo-studenten inclusief extranei, exclusief entreeopleiding.
2)Omvat de specialistische vakopleiding, combinaties en opleidingen zonder gespecificeerde richting.
3)In sommige groepen is het aantal personen te klein voor publicatie.
Ook bij mbo-studenten die in het buitenland zijn geboren spelen herkomstverschillen vooral een rol bij de studierichting zorg, welzijn en sport. En ook van hen volgen studenten van Marokkaanse herkomst betrekkelijk vaak een opleiding in die richting (57 procent), evenals studenten van Surinaamse herkomst (55 procent). Bij in het buitenland geboren mbo-studenten is, in alle herkomstgroepen, de richting zakelijke dienstverlening en veiligheid populairder dan gemiddeld en de richting voedsel, groen en gastvrijheid juist minder populair.’
Voortijdig schoolverlaten en de startkwalificatie
Een diploma van havo, vwo, mbo-2, mbo-3 of mbo-4 geldt als een startkwalificatie voor de arbeidsmarkt. De startkwalificatie is van belang voor de cijfers over voortijdig schoolverlaten. Het aantal voortijdig schoolverlaters in Nederland wordt in deze paragraaf op twee manieren in beeld gebracht:
- Nieuwe aanwas: het aantal personen dat in een bepaald schooljaar het onderwijs verlaat zonder startkwalificatie. Aan de hand van de directe door- en uitstroom tussen twee opeenvolgende schooljaren binnen het door de overheid bekostigde onderwijs en het bezit van startkwalificerende diploma’s wordt het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters (de nieuwe aanwas) bepaald. Dit aantal is gebaseerd op onderwijsregistraties. In deze publicatie wordt alleen gekeken naar voortijdig schoolverlaten vanuit het mbo.
- Totale volume: het totaal aantal voortijdig schoolverlaters. Zij worden gezien als voortijdig schoolverlaters als zij geen onderwijs volgen en geen startkwalificatie bezitten. Het gaat in dit hoofdstuk om de groep 18 tot 25 jaar. Volumecijfers zijn afkomstig uit de Enquête Beroepsbevolking.
Meer nieuwe voortijdig schoolverlaters na coronacrisis
Ieder jaar verlaat een klein deel van de mbo-studenten van 22 jaar of jonger zonder startkwalificatie het onderwijs. In 2022/’23 verliet 7 procent van alle mbo-studenten voortijdig het onderwijs. Tussen 2012/’13 (6 procent) en 2016/’17 (5 procent) was er een lichte afname. Tijdens de coronajaren was het aandeel voortijdig schoolverlaters kleiner, maar daarna is het weer behoorlijk gestegen.
| Schooljaar | Totale studentenpopulatie2) | Europa (excl. NL) | Turkije | Marokko | Suriname | Nederlandse Cariben | Indonesië | Overig Buiten-Europa | Nederland |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2012/'13 | 6 | 7 | 9 | 11 | 9 | 11 | 8 | 8 | 5 |
| 2013/'14 | 6 | 7 | 9 | 10 | 8 | 9 | 7 | 8 | 5 |
| 2014/'15 | 5 | 7 | 8 | 10 | 8 | 9 | 6 | 7 | 4 |
| 2015/'16 | 5 | 6 | 7 | 9 | 8 | 9 | 7 | 7 | 4 |
| 2016/'17 | 5 | 7 | 7 | 9 | 8 | 10 | 7 | 7 | 4 |
| 2017/'18 | 6 | 8 | 7 | 9 | 8 | 9 | 7 | 8 | 5 |
| 2018/'19 | 6 | 7 | 7 | 9 | 9 | 10 | 7 | 8 | 5 |
| 2019/'20 | 5 | 6 | 6 | 8 | 7 | 8 | 7 | 6 | 4 |
| 2020/'21 | 6 | 7 | 7 | 8 | 7 | 9 | 6 | 7 | 5 |
| 2021/'22 | 7 | 9 | 8 | 10 | 10 | 13 | 8 | 9 | 6 |
| 2022/'23* | 7 | 9 | 8 | 10 | 10 | 12 | 10 | 9 | 6 |
| 1)mbo-studenten inclusief extranei | |||||||||
| 2)voortijdig schoolverlaters onder alle mbo-studenten in Nederland van 22 jaar of jonger | |||||||||
De ontwikkeling bij in Nederland geboren mbo-studenten volgt de algemene trend. In vrijwel alle herkomstgroepen was het aandeel voortijdig schoolverlaters het laagst tijdens de coronajaren en het hoogst in de jaren daarna. In 2022/’23 ligt het aandeel voortijdig schoolverlaters uit het mbo in de Nederlandse herkomstgroep (6 procent) lager en vooral in de Nederlands-Caribische herkomstgroep (12 procent) hoger dan het gemiddelde onder alle mbo-studenten (7 procent).
De ontwikkeling bij in het buitenland geboren mbo-studenten verloopt grilliger. Daarbij speelt mee dat het om een veel kleinere groep studenten gaat. Toch is ook onder in het buitenland geboren mbo-studenten duidelijk dat het aandeel voortijdig schoolverlaters in 2022/’23 (12 procent) hoger is dan gemiddeld. Wederom ligt het aandeel voortijdig schoolverlaters het hoogst bij mbo-studenten van Nederlands-Caribische herkomst (14 procent).
De kans op voortijdig schoolverlaten is groter voor leerlingen met een lager inkomen. Herkomstverschillen vallen deels weg wanneer wordt gecorrigeerd voor het huishoudensinkomen. Toch verlaten mbo-studenten van Turkse, Marokkaanse, Surinaamse, Nederlands-Caribische en Indonesische herkomst ook na die correctie vaker voortijdig het onderwijs dan gemiddeld.
| Schooljaar | Totale studentenpopulatie2) | Europa (excl. NL) | Turkije | Marokko | Suriname | Nederlandse Cariben | Overig Buiten-Europa (incl. Indonesië) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2012/'13 | 6 | 10 | 10 | 12 | 12 | 12 | 10 |
| 2013/'14 | 6 | 11 | 12 | 11 | 11 | 12 | 10 |
| 2014/'15 | 5 | 10 | 10 | 12 | 11 | 10 | 11 |
| 2015/'16 | 5 | 10 | 10 | 10 | 9 | 11 | 10 |
| 2016/'17 | 5 | 11 | 11 | 12 | 10 | 11 | 10 |
| 2017/'18 | 6 | 10 | 9 | 12 | 11 | 11 | 10 |
| 2018/'19 | 6 | 10 | 9 | 11 | 9 | 12 | 12 |
| 2019/'20 | 5 | 9 | 8 | 9 | 7 | 9 | 10 |
| 2020/'21 | 6 | 10 | 10 | 13 | 10 | 10 | 10 |
| 2021/'22 | 7 | 12 | 9 | 12 | 11 | 14 | 11 |
| 2022/'23* | 7 | 12 | 14 | 14 | 12 | 14 | 11 |
| 1)mbo-studenten inclusief extranei | |||||||
| 2)voortijdig schoolverlaters onder alle mbo-studenten in Nederland van 22 jaar of jonger | |||||||
Meer jongeren hebben startkwalificatie dan tien jaar geleden
Het aandeel jongvolwassenen tussen de 18 en 25 jaar die geen onderwijs volgen en geen startkwalificatie hebben, is in 2023 kleiner dan in 2013. Tot 2017 was er een daling, waarna het tot 2020 min of meer gelijk bleef. Tussen 2021 en 2023 is er een lichte toename van het aandeel voortijdig schoolverlaters (CBS StatLine, 2024a). Bij mannen daalde het aandeel voortijdig schoolverlaters van 11 naar 7 procent, bij vrouwen van 7 naar 5 procent.
Ook zijn er verschillen naar geboorteland. In 2023 zijn er onder mannen en vrouwen die in het buitenland zijn geboren meer voortijdig schoolverlaters (10 procent) dan gemiddeld. In mindere mate geldt dat ook voor mannen en vrouwen die in Nederland zijn geboren, maar van wie één of beide ouders in het buitenland zijn geboren (respectievelijk 9 en 7 procent).
| Geboorteland | Mannen | Vrouwen |
|---|---|---|
| Totale bevolking | 7,3 | 5,2 |
| Geboren in Nederland, 2 ouders geboren in Nederland |
6,4 | 4,0 |
| Geboren in Nederland, 1 of 2 ouders geboren in buitenland |
8,6 | 6,6 |
| Geboren in buitenland | 10,1 | 10,0 |
3.4Hoger onderwijs
De gemiddelde leeftijd waarop studenten in het hoger onderwijs een diploma behalen ligt op 24,7 jaar bij de hbo-bachelor, op 22,2 jaar bij de wo-bachelor en op 24,9 jaar bij de wo-master.
Indonesische herkomstgroep ouder bij afstuderen
Bij in Nederland geboren studenten zijn er nauwelijks verschillen naar herkomst. Alleen studenten van de Indonesische tweede generatie behalen hun diploma op een beduidend hogere leeftijd dan gemiddeld, zowel bij de hbo-bachelor (29,2 jaar), wo-bachelor (23,5 jaar) als de wo-master (26,8 jaar).
| Herkomst | Totale studentenpopulatie3) | Europa (excl. NL) | Turkije | Marokko | Suriname | Nederlandse Cariben | Indonesië | Overig Buiten-Europa | Nederland |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Hbo-bachelor | 24,7 | 24,6 | 24,8 | 24,2 | 25,3 | 24,9 | 29,2 | 24,1 | 24,5 |
| Wo-bachelor | 22,2 | 22,1 | 22,6 | 22,3 | 22,4 | 22,5 | 23,4 | 22,2 | 22,1 |
| Wo-master | 24,9 | 24,9 | 25,9 | 25,2 | 25,3 | 25,4 | 26,8 | 24,8 | 24,8 |
| 1)gediplomeerden exclusief internationale studenten | |||||||||
| 2)gediplomeerden tellen vaker mee wanneer ze in een jaar meerdere hoofddiploma's behalen | |||||||||
| 3)gemiddelde leeftijd bij behalen diploma in de totale studentenpopulatie van Nederland | |||||||||
Herkomstverschillen zijn groter bij in het buitenland geboren studenten (exclusief internationale studenten die hun vooropleiding elders hebben gevolgd; de groep in Indonesië geboren afstudeerders is te klein om apart van de overig Buiten-Europese studenten te onderscheiden). In het buitenland geboren studenten behalen hun diploma op hogere leeftijd dan gemiddeld. Dat geldt vooral voor studenten van Turkse, Marokkaanse of Surinaamse herkomst, die bij diplomering ongeveer 4 of 5 jaar ouder zijn dan gemiddeld. Een hogere leeftijd bij afstuderen kan enerzijds ontstaan doordat een student langer over hetzelfde studietraject doet dan gemiddeld en anderzijds door het ‘stapelen’ van meerdere vervolgopleidingen. Uit onderzoek blijkt dat kinderen met een herkomst buiten Nederland vaker stapelen in het voortgezet onderwijs dan kinderen van Nederlandse herkomst (Visser et al., 2022; CBS 2022b).
| Totale studentenpopulatie3) | Europa (excl. NL) | Turkije4) | Marokko4) | Suriname | Nederlandse Cariben | Overig Buiten-Europa (incl. Indonesië) | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Hbo-bachelor | 24,7 | 26,6 | 29,1 | 31,6 | 32,6 | 27,0 | 27,1 |
| Wo-bachelor | 22,2 | 22,3 | . | . | 24,9 | 23,0 | 23,1 |
| Wo-master | 24,9 | 25,4 | 28,3 | . | 30,9 | 26,1 | 26,6 |
| 1)gediplomeerden exclusief internationale studenten | |||||||
| 2)gediplomeerden tellen vaker mee wanneer ze in een jaar meerdere hoofddiploma's behalen | |||||||
| 3)gemiddelde leeftijd bij behalen diploma in de totale studentenpopulatie van Nederland | |||||||
| 4)voor sommige groepen is het aantal personen te klein voor publicatie | |||||||
Studenten geboren in Marokko volgen vaker onderwijsopleiding
De populariteit van een studierichting hangt samen met het geboorteland van leerling en ouders. In Marokko geboren studenten (exclusief internationale studentennoot4) volgen veel vaker dan gemiddeld een opleiding in de richting onderwijs (26 procent). In het buitenland geboren studenten en de tweede generatie van Surinaamse, Turkse of Marokkaanse herkomst volgen vaker dan gemiddeld de richting recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening. Verder is de richting gezondheidszorg en welzijn betrekkelijk populairder bij de Marokkaanse herkomstgroep, bij in Nederland geboren studenten van Nederlands-Caribische herkomst met twee in het buitenland geboren ouders en bij in Suriname geboren studenten.
| Onderwijs | Journalistiek, gedrag en maatschappij | Recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening | Gezondheidszorg en welzijn | Overig2) | |
|---|---|---|---|---|---|
| % van hbo- en wo-studenten1) | |||||
| Totale studentenpopulatie | 11 | 10 | 26 | 18 | 34 |
| Geboren in Nederland, 2 ouders geboren in Nederland | 12 | 11 | 25 | 18 | 35 |
| Geboren in Nederland, 1 ouder geboren in buitenland | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Totaal | 9 | 12 | 27 | 16 | 36 |
| Europa (excl. NL) | 9 | 12 | 25 | 15 | 38 |
| Turkije | 11 | 8 | 35 | 19 | 27 |
| Marokko | 10 | 7 | 35 | 24 | 24 |
| Suriname | 8 | 11 | 31 | 17 | 33 |
| Nederlandse Cariben | 9 | 12 | 26 | 18 | 34 |
| Indonesië | 12 | 11 | 23 | 16 | 38 |
| Overig Buiten-Europa | 7 | 13 | 26 | 16 | 39 |
| Geboren in Nederland, 2 ouders geboren in buitenland | |||||
| Totaal | 9 | 7 | 34 | 23 | 26 |
| Europa (excl. NL) | 7 | 11 | 33 | 17 | 32 |
| Turkije | 13 | 6 | 34 | 23 | 24 |
| Marokko | 13 | 5 | 34 | 28 | 20 |
| Suriname | 8 | 7 | 37 | 21 | 26 |
| Nederlandse Cariben | 9 | 8 | 31 | 25 | 27 |
| Indonesië | 9 | 8 | 25 | 17 | 41 |
| Overig Buiten-Europa | 5 | 8 | 35 | 22 | 30 |
| Geboren in buitenland | |||||
| Totaal | 8 | 11 | 28 | 18 | 36 |
| Europa (excl. NL) | 7 | 14 | 27 | 13 | 39 |
| Turkije | 14 | 8 | 28 | 20 | 29 |
| Marokko | 26 | 5 | 26 | 23 | 20 |
| Suriname | 16 | 5 | 31 | 25 | 23 |
| Nederlandse Cariben | 9 | 8 | 32 | 17 | 34 |
| Indonesië | 7 | 12 | 26 | 14 | 42 |
| Overig Buiten-Europa | 6 | 11 | 27 | 20 | 36 |
1)Hbo- en wo-studenten exclusief internationale studenten.
2)Omvat de richtingen techniek, industrie en bouwkunde; vormgeving, kunst, talen en geschiedenis; dienstverlening; wiskunde, natuurwetenschappen; informatica; landbouw, diergeneeskunde en -verzorging en algemeen.
Onderwijsniveau uit opleidingsniveaubestand
De cijfers in het vervolg van deze paragraaf over het onderwijsniveau zijn afkomstig uit het opleidingsniveaubestand van het CBS. In dat bestand worden opleidingsgegevens uit registers en enquêtes gecombineerd. De dekking van het opleidingsniveaubestand wordt steeds verder uitgebreid. Voor jonge mensen die hun opleiding in Nederland hebben gevolgd, is de dekkingsgraad hoog. Voor oudere mensen en mensen die hun opleiding elders hebben gevolgd, zijn opleidingsgegevens maar voor een deel bekend. Daarom gaan de cijfers hier alleen over mensen van 25 tot 45 jaar die in Nederland zijn geboren. Mensen die nog bekostigd onderwijs volgen, worden buiten beschouwing gelaten. In 2020 zijn er wijzigingen geweest in de bronnen en methode, waardoor sprake is van een kleine trendbreuk.
Hoogst behaalde onderwijsniveau verschilt sterk naar herkomst
Op 1 oktober 2022 heeft 12 procent van de in Nederland geboren mensen tussen de 25 en 45 jaar een diploma op het niveau van basisonderwijs, vmbo of mbo-1, 43 procent een diploma op het niveau van havo, vwo, mbo-2, mbo-3 of mbo-4, en 45 procent een diploma op het niveau van hbo of wo. Mensen met een Nederlandse herkomst of van de tweede generatie met één in het buitenland geboren ouder hebben ongeveer even vaak een hbo- of wo-onderwijsniveau als gemiddeld, mensen van de tweede generatie met twee in het buitenland geboren ouders minder vaak (33 procent).
| Geboorteland ouders | Herkomstland | basisonderwijs, vmbo, mbo1 | havo, vwo, mbo2-4 | hbo, wo |
|---|---|---|---|---|
| Totale bevolking | , Totale bevolking | 12,1 | 43,0 | 44,9 |
| 2 ouders geboren in Nederland | Nederland, 2 ouders geboren in Nederland | 11,4 | 42,7 | 45,9 |
| 1 ouder geboren in buitenland | Europa (excl. NL), 1 ouder geboren in buitenland | 12,9 | 41,0 | 46,1 |
| 1 ouder geboren in buitenland | Turkije, 1 ouder geboren in buitenland | 21,7 | 49,0 | 29,3 |
| 1 ouder geboren in buitenland | Marokko, 1 ouder geboren in buitenland | 20,9 | 45,8 | 33,3 |
| 1 ouder geboren in buitenland | Suriname, 1 ouder geboren in buitenland | 16,1 | 46,1 | 37,8 |
| 1 ouder geboren in buitenland | Nederlandse Cariben, 1 ouder geboren in buitenland | 13,1 | 37,4 | 49,5 |
| 1 ouder geboren in buitenland | Indonesië, 1 ouder geboren in buitenland | 11,8 | 37,2 | 50,9 |
| 1 ouder geboren in buitenland | Overig Buiten-Europa, 1 ouder geboren in buitenland | 11,1 | 38,5 | 50,4 |
| 2 ouders geboren in buitenland | Europa (excl. NL), 2 ouders geboren in buitenland | 19,1 | 40,5 | 40,4 |
| 2 ouders geboren in buitenland | Turkije, 2 ouders geboren in buitenland | 20,3 | 51,9 | 27,7 |
| 2 ouders geboren in buitenland | Marokko, 2 ouders geboren in buitenland | 21,5 | 49,4 | 29,1 |
| 2 ouders geboren in buitenland | Suriname, 2 ouders geboren in buitenland | 16,3 | 50,1 | 33,6 |
| 2 ouders geboren in buitenland | Nederlandse Cariben, 2 ouders geboren in buitenland | 20,1 | 53,0 | 26,8 |
| 2 ouders geboren in buitenland | Indonesië, 2 ouders geboren in buitenland | 14,4 | 41,8 | 43,8 |
| 2 ouders geboren in buitenland | Overig Buiten-Europa, 2 ouders geboren in buitenland | 13,2 | 39,6 | 47,3 |
| 1)exclusief personen die nog onderwijs volgen | ||||
Het onderwijsniveau verschilt sterk naar herkomst. Het aandeel met een hbo- of wo-onderwijsniveau ligt rond of boven het gemiddelde bij mensen van Europese, Indonesische of overig Buiten-Europese herkomst. Bij mensen van Turkse, Marokkaanse of Surinaamse herkomst ligt het aandeel met een hbo- of wo-onderwijsniveau juist lager dan gemiddeld. Opvallend is dat bij mensen van Nederlands-Caribische herkomst, degenen met één in het buitenland geboren ouder vaker dan gemiddeld een hbo- of wo-onderwijsniveau hebben (49 procent), maar degenen met twee in het buitenland geboren ouders minder vaak (27 procent).
Het aandeel 25- tot 45‑jarigen met een hbo- of wo-onderwijsniveau is het afgelopen decennium gestaag toegenomen, van 38 procent in 2013 naar 45 procent in 2022. Deze toename deed zich voor in vrijwel alle herkomstgroepen, maar met name bij mensen van Nederlandse, Europese en Indonesische herkomst.
| Jaar | Totale bevolking | Europa (excl. NL) | Turkije | Marokko | Suriname | Nederlandse Cariben | Indonesië | Overig Buiten-Europa | Nederland |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2013 | 38,3 | 37,7 | 22,6 | 26,3 | 30,9 | 40,7 | 42,6 | 46,2 | 38,6 |
| 2014 | 39,3 | 38,9 | 22,9 | 26,9 | 31,5 | 40,5 | 43,8 | 46,6 | 39,7 |
| 2015 | 40,2 | 40,7 | 23,9 | 27,2 | 32,3 | 41,0 | 44,9 | 47,1 | 40,7 |
| 2016 | 40,6 | 40,4 | 24,4 | 26,1 | 32,4 | 39,6 | 44,9 | 46,6 | 41,1 |
| 2017 | 41,4 | 41,2 | 24,3 | 26,7 | 32,6 | 39,4 | 45,9 | 47,8 | 42,1 |
| 2018 | 42,7 | 42,2 | 25,2 | 27,5 | 33,1 | 39,8 | 47,3 | 48,0 | 43,5 |
| 2019 | 43,3 | 43,7 | 26,0 | 27,2 | 33,0 | 39,2 | 49,1 | 47,7 | 44,2 |
| 2020 | 44,2 | 44,5 | 27,8 | 28,2 | 34,4 | 40,0 | 49,7 | 48,4 | 45,1 |
| 2021 | 44,7 | 44,7 | 27,5 | 29,4 | 34,8 | 40,6 | 49,5 | 49,0 | 45,6 |
| 2022* | 44,9 | 45,2 | 27,9 | 29,4 | 34,7 | 39,3 | 49,8 | 49,1 | 45,9 |
| 1)exclusief personen die nog onderwijs volgen | |||||||||
Vrouwen van Iraanse tweede generatie vaak hbo- of wo-onderwijsniveau
In de jaren tachtig kwamen veel asielmigranten uit Iran, Irak en Afghanistan naar Nederland. Vanuit Iran vluchtten vooral hbo- en universitair opgeleiden die het zich konden veroorloven om te vluchten; vanuit Afghanistan en Irak eerst vooral hbo- en universitair opgeleiden en later mensen met hoogstens basisonderwijs (Dourleijn & Dagevos, 2011). Hun in Nederland geboren kinderen hebben inmiddels relatief vaak een hbo- of wo-onderwijsniveau. Bij 25- tot 35‑jarigen ligt dat aandeel op 46 procent bij degenen van Afghaanse of Irakese herkomst, ongeveer even hoog als gemiddeld. Bij degenen van Iraanse herkomst ligt het aandeel op 57 procent, meer dan het gemiddelde bij hun leeftijdsgenoten.
| Jaar | Totale bevolking | Totaal Buiten-Europa | Afghanistan en Irak | Iran |
|---|---|---|---|---|
| 2013 | 36,5 | 30,0 | 43,0 | 58,6 |
| 2014 | 37,0 | 30,1 | 44,2 | 56,8 |
| 2015 | 37,4 | 30,7 | 42,6 | 52,8 |
| 2016 | 36,7 | 29,5 | 41,9 | 49,1 |
| 2017 | 37,2 | 29,5 | 44,4 | 48,3 |
| 2018 | 38,5 | 30,2 | 40,0 | 49,6 |
| 2019 | 38,9 | 30,0 | 40,1 | 49,0 |
| 2020 | 39,7 | 30,9 | 38,9 | 48,7 |
| 2021 | 40,2 | 31,3 | 38,1 | 48,7 |
| 2022* | 40,1 | 30,8 | 37,8 | 48,1 |
| 1)exclusief mannen die nog onderwijs volgen | ||||
| Jaar | Totale bevolking | Totaal Buiten-Europa | Afghanistan en Irak | Iran2) |
|---|---|---|---|---|
| 2013 | 45,4 | 39,7 | 40,4 | . |
| 2014 | 45,8 | 40,0 | 59,1 | 69,9 |
| 2015 | 46,4 | 40,7 | 59,8 | 71,8 |
| 2016 | 46,7 | 40,8 | 60,0 | 69,1 |
| 2017 | 47,5 | 41,2 | 65,9 | 67,1 |
| 2018 | 48,5 | 41,5 | 55,2 | 69,5 |
| 2019 | 49,2 | 41,7 | 57,9 | 66,7 |
| 2020 | 50,1 | 43,0 | 55,5 | 68,3 |
| 2021 | 50,6 | 43,1 | 56,3 | 66,8 |
| 2022* | 50,9 | 42,9 | 54,2 | 66,4 |
| 1)exclusief vrouwen die nog onderwijs volgen | ||||
| 2)in sommige groepen is het aantal personen te klein voor publicatie | ||||
In Nederland geboren vrouwen hebben vaker een hbo- of wo-onderwijsniveau (51 procent) dan in Nederland geboren mannen (40 procent). Dit man/vrouw-verschil is ook zichtbaar in de Buiten-Europese herkomstgroepen, inclusief de Afghaanse, Irakese en Iraanse herkomstgroep. Van de tweede generatie van Iraanse herkomst heeft bijvoorbeeld twee derde van de vrouwen een hbo- of wo-onderwijsniveau, tegen ongeveer de helft van de mannen.
Onderwijsniveau van tweede generatie uit vluchtelingenlanden
Bij de tweede generatie van Afghaanse, Irakese of Iraanse herkomst worden alleen cijfers getoond van mensen tussen de 25 en 35 jaar, omdat veel van hun ouders pas in de jaren negentig uit die landen zijn gevlucht (CBS StatLine, 2024b). Bij de keuze van de te onderscheiden groepen naar herkomstland en geslacht is rekening gehouden met de vergelijkbaarheid tussen de groepen en met het aantal mensen van wie het onderwijsniveau bekend is. In Nederland geboren mensen van Afghaanse en Irakese herkomst hebben een vergelijkbaar onderwijsniveau en hebben alleen tezamen voldoende waarnemingen voor publicatie. Het aantal waarnemingen van in Nederland geboren mensen van Iraanse herkomst is groter, waardoor die groep afzonderlijk kan worden geanalyseerd. Er zijn ook mensen van wie de ouders uit andere vluchtelingenlanden afkomstig zijn, zoals Somalië. Deze groep is echter te klein om gegevens van te kunnen tonen en wijkt qua onderwijsniveau te sterk af om samengevoegd te kunnen worden met een andere groep.
In Nederland geboren mensen van Iraanse herkomst hebben dus vaker dan gemiddeld een hbo- of wo-onderwijsniveau. Wel is dat aandeel iets gedaald. In 2013 lag het aandeel hbo- of wo-opgeleiden op 59 procent bij mannen en op 70 procent bij vrouwen; in 2022 ging het om respectievelijk 48 procent en 66 procent. Bij mensen van Afghaanse of Irakese herkomst schommelt het onderwijsniveau, maar ook bij hen lijkt sprake van een lichte afname. Toch hebben zij nog steeds vaker een hbo- of wo-onderwijsniveau dan de gemiddelde 35- tot 45‑jarige inwoner van Nederland.
3.5Literatuur
Literatuur
CBS (2021). Slagingspercentages voortgezet onderwijs in 2020 bijna 100 procent.
CBS (2022a). Meisjes in 2020/’21 opnieuw lager schooladvies.
CBS (2022b). Rapportage Integratie en Samenleven 2022.
CBS StatLine (2024a). Jongeren; voortijdig schoolverlaters, geslacht, herkomst. Geraadpleegd op 29 augustus 2024.
CBS StatLine (2024b). Asielverzoeken; nationaliteiten, vanaf 1975. Geraadpleegd op 25 juni 2024.
Dourleijn, E. & Dagevos J. (2011). Vluchtelingengroepen in Nederland. Sociaal en Cultureel Planbureau.
Hartgers, M., Traag, T. & Wielenga, L. (2021). De schooladviezen in groep 8: Verschillen tussen groepen leerlingen. Statistische Trends, april 2021.
Rijksoverheid (2024). Schooladvies toelating voortgezet onderwijs. Geraadpleegd op 25 juni 2024.
Visser, D., Lemmens, A., Magnée, C., & Dillingh, R. (2022). Stapelen in het voortgezet onderwijs. Den Haag: Centraal Planbureau.
Noten
Inclusief vmbo-(b/k)t/havo-advies.
Tot de vluchtelingenlanden worden hier Afghanistan, Eritrea, Irak, Iran, Somalië en Syrië gerekend.
De entreeopleiding wordt meestal gevolgd door studenten zonder middelbareschooldiploma en geldt niet als startkwalificatie, maar biedt de mogelijkheid om naar mbo-2 door te stromen.
Een internationale student is een student met een niet-Nederlandse nationaliteit en een niet-Nederlandse vooropleiding.