Begrippen
Arbeidsongeschiktheidsuitkering
Uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Ook de wet Wajong voor arbeidsongeschikte jonggehandicapten valt onder de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Deze is met ingang van 1 januari 2021 vereenvoudigd. Oudere versies van de wetten rondom Wajong die ook zijn meegenomen in deze rapportage zijn:
- de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong),
- de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) en
- de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong).
Corporatiewoning
Huurwoningen in eigendom van ‘toegelaten instellingen volkshuisvesting’. Het betreft niet het aantal sociale huurwoningen, omdat er alleen is vastgesteld wie de eigenaar is en er niet is gekeken naar de hoogte van de huurprijs. Toegelaten instellingen zijn: woningbouwvereniging, woningstichting en woningcorporatie.
Bijstandsuitkering
Uitkering voor thuiswonenden, elderswonenden en adreslozen die niet in staat zijn te voorzien in hun eigen onderhoud. Een bijstandsuitkering is bedoeld voor mensen zonder of met een laag inkomen en geen of een laag eigen vermogen en kan aan één of twee personen in een huishouden worden verstrekt. Deze wordt uitgekeerd in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB, tot en met 2014), de Participatiewet (vanaf 2015) en de bijstandsgerelateerde uitkeringen op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz) en de Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK). Voor de rapportage zijn enkel de thuiswonende personen met een uitkering algemene bijstand meegenomen.
Diversiteit van de woonbuurt
In hoofdstuk 10 wordt de diversiteit van de woonbuurt ingedeeld als homogeen, enigszins divers of zeer divers. De mate van diversiteit is vastgesteld met de Herfindahl-Hirschman index: één minus de kwadratensom van het aandeel van iedere herkomstgroep in de totale buurtbevolking. Dit drukt de kans uit dat twee willekeurig geselecteerde buurtbewoners tot verschillende herkomstgroepen behoren. Een indexwaarde van 0 tot 0,33 betekent een homogene buurt, 0,33 tot 0,67 een enigszins diverse buurt en 0,67 tot 0,96 een zeer diverse buurt.
Eengezinswoning
Een woning (verblijfsobject) dat tevens een geheel pand vormt volgens de Basisadministratie Adressen en Gebouwen (BAG). Hieronder vallen vrijstaande woningen, aaneengebouwde woningen, zoals twee onder één kap gebouwde hele huizen en voorts alle rijenhuizen.
Ego-netwerk
In hoofdstuk 8 is het ego-netwerk het etwerk van alle personen in Nederland die vanuit een persoon (ego) via geregistreerde netwerkrelaties (huisgenoten, familie, buren, collega’s en klasgenoten) te bereiken zijn. Via een random walk procedure wordt er een gewicht toegekend aan de personen in het netwerk. Personen die in het netwerk dicht bij ego staan tellen zwaarder mee dan personen die meer stappen verwijderd zijn van ego.
Financieel onafhankelijk
Iemand wordt in hoofdstuk 9 als financieel onafhankelijk beschouwd als het individuele bruto maandinkomen uit arbeid en eigen onderneming tenminste honderd procent bedraagt van het bruto maandinkomen uit een voltijdsbaan tegen het minimumloon voor 23‑jarigen en ouder.
Flexwerk
De werkzame beroepsbevolking met flexwerk bestaat uit werknemers met een flexibele arbeidsrelatie en zelfstandigen zonder personeel (Zzp’ers).
Een werknemer met een flexibele arbeidsrelatie heeft een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd óf een flexibel aantal uren per week. Tot de werknemers met een flexibele arbeidsrelatie behoren:
- Werknemers met een tijdelijk dienstverband;
- Oproep- en invalkrachten;
- Uitzendkrachten;
- Werknemer met een vast dienstverband, zonder vaste uren.
Geregistreerde verdachten van misdrijven
Personen die door de politie worden geregistreerd als verdachte wanneer er een redelijk vermoeden van schuld aan een misdrijf bestaat.
Gestandaardiseerd besteedbaar inkomen
Het besteedbaar huishoudensinkomen is het jaarinkomen uit loon, winst, vermogen, ontvangen uitkeringen en andere toelagen van alle huishoudensleden opgeteld, verminderd met de betaalde premies en belastingen. Ook ontvangen of betaalde partneralimentatie wordt verrekend. Kinderalimentatie wordt niet meegeteld, want die wordt niet waargenomen. Om de besteedbare inkomens van verschillende typen huishoudens onderling vergelijkbaar te maken, wordt het besteedbaar huishoudensinkomen gecorrigeerd voor verschillen in grootte en samenstelling van het huishouden. Dat resulteert in het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen. Dit inkomen wordt toegekend aan ieder lid van het huishouden en weerspiegelt iemands inkomenswelvaart.
Herkomst
De indeling naar herkomst bestaat uit twee onderdelen:
- Geboren in Nederland: kenmerk dat weergeeft of een persoon en diens ouders in Nederland of het buitenland geboren zijn;
- Herkomstland: kenmerk dat weergeeft in welk land iemand geboren is of waar diens ouders geboren zijn. Daarbij wordt het herkomstland van personen die in het buitenland geboren zijn bepaald door hun eigen geboorteland. Bij personen die in Nederland geboren zijn, wordt de herkomst bepaald door het geboorteland van de ouders. Wanneer beide ouders in het buitenland zijn geboren, is het geboorteland van de moeder leidend in het bepalen van de herkomst. De geboortegegevens van de moeder zijn vaker bekend dat die van de vader. Wanneer de moeder in Nederland is geboren, of het geboorteland van de moeder onbekend is, dan wordt het geboorteland van de vader gebruikt.
Hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo)
Het havo is een onderwijssoort in het voortgezet onderwijs, die vooral bedoeld is als voorbereiding op het hoger beroepsonderwijs. Het havo heeft vijf leerjaren. In de bovenbouw (leerjaren 4 en 5) kan worden gekozen uit vier profielen dat wil zeggen onderwijsprogramma’s die een relatief vaststaand vakkenpakket hebben:
- natuur en techniek;
- natuur en gezondheid;
- economie en maatschappij;
- cultuur en maatschappij.
Leerlingen kunnen ook twee profielen combineren, bijvoorbeeld ‘natuur en techniek’ en ‘natuur en gezondheid’ of ‘economie en maatschappij’ en ‘cultuur en maatschappij’.
Hoger beroepsonderwijs (hbo)
Onderwijs verzorgd door hogescholen en particuliere instellingen dat wordt afgesloten met een associate degree, bachelor- of masterdiploma van een in Nederland erkende opleiding.
Hbo-bacheloropleidingen duren meestal vier jaar, waarvan een jaar propedeuse en drie jaar vervolgstudie. Naast overdracht van vaktheoretische kennis zijn hbo-opleidingen primair gericht op de ontwikkelingen en vaardigheden die aansluiten bij de beroepspraktijk. Om goed op een werkomgeving voorbereid te zijn, lopen de studenten tijdens hun opleiding meestal één of twee maal stage.
Vanaf 1 januari 2018 is officieel gestart met associate-degreeprogramma (vanaf studiejaar 2006/’07 liepen hier al pilots mee). Dat zijn tweejarige programma’s die worden afgesloten met een wettelijke graad.
Voor het volgen van een bachelorpoleiding of associate-degreeprogramma aan een hogeschool moet men in principe minimaal een havo- of vwo-diploma of een mbo-diploma op niveau 4 hebben. In sommige gevallen gelden er nog aanvullende eisen.
Hbo-masteropleidingen duren 1 à 2 jaar. Zij bieden een verdere specialisatie of verbreding van voorafgaande hbo-bacheloropleidingen, maar zijn veelal ook toegankelijk voor afgestudeerden met een universitaire opleiding.
Alle in Nederland erkende opleidingen in het hbo en wo zijn sinds 2023 opgenomen in RIO (Registratie Instellingen en Opleidingen). RIO vervangt CROHO (Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs) en BRIN (Basisregister Instellingen).
Informele hulp
Informele hulp wordt verleend door personen die gedurende een periode van minimaal vier weken in hun vrije tijd buiten organisaties om onbetaalde hulp geven aan anderen buiten het eigen huishouden, zoals aan zieken, buren, familie, vrienden en bekenden.
Internationale student
Een internationale student is in hoofdstuk 3 gedefinieerd als een student met een niet-Nederlandse nationaliteit en een niet-Nederlandse vooropleiding.
Isolatiescore
In hoofdstuk 8 is de isolatiescore de mate waarin een persoon blootgesteld is aan de eigen herkomstgroep in het ego-netwerk ten opzichte van de blootstelling aan andere herkomstgroepen. Een score van 0 betekent dat er geen mensen van de eigen herkomstgroep in het ego-netwerk zitten. Een score van 100 betekent dat er alleen maar mensen van de eigen herkomstgroep in het ego-netwerk zitten.
Koopwoning
Woningen die eigendom zijn van de bewoner(s) of in gebruik zijn als tweede woning. Of waarbij de officiële partner van de overleden eigenaar in de woning woont.
Meergezinswoning
Een woning (verblijfsobject met woonfunctie) die samen met andere woningen of (bedrijfs)ruimten een geheel pand vormt volgens de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG). Hieronder vallen flats, galerij-, portiek-, beneden- en bovenwoningen, appartementen, woningsplitsingen en woningen met bedrijfsruimten, voor zover deze zijn voorzien van een buiten de bedrijfsruimte gelegen toegangsdeur.
Middelbaar beroepsonderwijs (mbo)
Hiertoe behoren de beroepsopleidingen volgens de kwalificatiestructuur van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs, die door ROC’s en AOC’s en vakscholen wordt aangeboden. Tevens behoren hiertoe de vergelijkbare oudere opleidingen.
Het mbo is in zijn huidige vorm in de plaats gekomen van de vroegere korte en lange mbo-opleidingen (nu beroepsopleidende leerweg, bol) en het vroegere leerlingwezen (nu beroepsbegeleidende leerweg of bbl). Deze opleidingen zijn op 1 augustus 1997 gestart na het van kracht worden van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs. Sinds 2013 bestaat ook de derde leerweg. Het nieuwe mbo leidt op tot kwalificaties op vier niveaus.
Mbo entreeopleiding (assistent) lijkt qua inhoud op de meest eenvoudige opleidingen van het vroegere leerlingwezen. Voor de assistentopleiding gelden geen toelatingseisen. Ze kan worden gevolgd door leerlingen van het vmbo die niet in staat zijn om de normale basisberoepsgerichte leerweg van het vmbo te volgen.
Mbo niveaus 2–4 (basisberoepsbeoefenaar, zelfstandig beroepsbeoefenaar, middenkaderfunctionaris/specialist) komen overeen met de hoger gekwalificeerde opleidingen van het vroegere leerlingwezen en de vroegere korte en lange mbo-opleidingen.
Mbo-opleidingen kunnen op alle niveaus worden gevolgd via de bol of bbl en in sommige gevallen via de derde leerweg.
Migrant
In het buitenland geboren persoon.
Migratiesaldo
Immigratie minus emigratie, inclusief het saldo van administratieve correcties.
Nettoarbeidsparticipatie
Het aandeel van de werkzame beroepsbevolking in de bevolking (beroeps- en niet-beroepsbevolking).
Deze definitie heeft betrekking op personen die in Nederland wonen (exclusief de institutionele bevolking). De gegevens worden meestal gepresenteerd voor de bevolking van 15 tot 75 jaar.
Netwerk
Geheel van directe en indirecte geregistreerde relaties tussen personen. In hoofdstuk 8 vallen de volgende relaties onder het netwerk: buren, collega’s, familie, huisgenoten en klasgenoten. Het persoonsnetwerk wordt jaarlijks afgeleid en bestaat uit mensen die op 1 januari van dat jaar staan ingeschreven als inwoner van Nederland. Het gaat om administratieve relaties: het is onbekend of mensen elkaar daadwerkelijk kennen, en hoe vaak ze contact met elkaar hebben. Ook ontbreken er sociale relaties in dit persoonsnetwerk, zoals kennissen van de sportclub, gebedshuis en online contacten. De relaties in het persoonsnetwerk zijn een bron van mogelijke contacten.
Nieuwe EU
In deze publicatie gaat het om de landen die op 1 mei 2004, 1 januari 2007 en 1 juli 2013 lid zijn geworden van de EU. Het betreft Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovenië, Slowakije en Tsjechië (2004), Bulgarije en Roemenië (2007) en Kroatië (2013). Overigens kunnen personen uit deze herkomstgroepen ook al vóór het lidmaatschap van de EU naar Nederland zijn gekomen.
Obesitas
Op basis van de antwoorden van respondenten op de enquêtevragen naar hun lengte en hun gewicht, wordt de body mass index (BMI) van de respondenten bepaald. Daarbij geldt dat de BMI gelijk is aan het gewicht in kilogrammen gedeeld door het kwadraat van de lengte in meters. Een BMI van 30 of hoger staat gelijk aan obesitas (ernstig overgewicht). Voor jongeren onder de 18 jaar gelden per leeftijd en geslacht iets andere grenswaarden.
Onbenut arbeidspotentieel
Tot het onbenut arbeidspotentieel behoren:
- werklozen (zie Werkloosheid);
- personen zonder betaald werk die wel recent naar werk hebben gezocht maar niet direct beschikbaar zijn;
- personen zonder betaald werk die niet recent hebben gezocht maar wel direct beschikbaar zijn;
- deeltijdwerkers die meer uren willen werken en hiervoor op korte termijn beschikbaar zijn.
Oppervlakte woningen
Gebruikt voor dit onderzoek is de gebruiksoppervlakte van het verblijfsobject (woning) volgens de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG). De gebruiksoppervlakte is vastgelegd conform de binnenruimte in NEN2580. Deze oppervlakte bestaat uit de optelling van de gebruikersoppervlakte wonen en de gebruikersoppervlakte overige inpandige ruimtes. Dit betekent dat voor woningen met daarnaast ook andere gebruiksfuncties (bijvoorbeeld industrie) ook de oppervlakte van de overige functies wordt meegenomen. De gemeenschappelijke en algemene ruimten maken geen onderdeel uit van de oppervlakte. Dit geldt ook voor de externe bergruimte en de gebouwgebonden buitenruimte. De gebruiksoppervlakte wordt geregistreerd in vierkante meters.
Overige huur
Een huurwoning die geen eigendom is van een woningcorporatie. Het gaat om huurwoningen van onder andere bedrijven, particulieren en institutionele beleggers, evenals huurwoningen van niet-commerciële partijen die niet zijn aangemerkt als ‘toegelaten instelling volkshuisvesting’ (bijvoorbeeld gemeentelijke woonbedrijven). Huurwoningen waarvan het eigendom wel kon worden vastgesteld, maar de eigenaar niet, vallen hier ook onder. Het betreft dus niet noodzakelijk huurwoningen in de vrije sector, omdat er alleen is vastgesteld wie de eigenaar is en niet is gekeken naar de hoogte van de huurprijs.
Persoonlijk primair inkomen
Het persoonlijk primair inkomen omvat iemands bruto jaarinkomen uit arbeid en uit eigen onderneming. Inkomen uit arbeid bestaat uit het bruto loon (inclusief de werknemers- en werkgeversbijdrage in de premies voor de sociale verzekeringen), bonussen, spaarloon en de beloning van arbeid die niet in dienstbetrekking is verricht. Ook loon in natura, zoals de waarde van het privégebruik van de auto van de werkgever, is gerekend tot het bruto inkomen. Inkomen uit eigen onderneming is het fiscaal resultaat uit onderneming, vermeerderd met het bedrag van de ondernemersaftrek en de investeringsaftrek.
Referentieniveau Nederlandse taal
Niveau van beheersing van de Nederlandse taal, uitgedrukt in kennis, inzicht en vaardigheden die van belang zijn voor de doorstroming naar het vervolgonderwijs en het maatschappelijk en in voorkomende gevallen beroepsmatig functioneren, waarmee de beheersing van de Nederlandse taal door leerlingen aan het einde van een onderwijssoort kan worden vergeleken (bron: Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen).
Regressieanalyse
Een techniek om de samenhang tussen één of meerdere onafhankelijke (verklarende) variabelen en een afhankelijke variabele (uitkomst) te berekenen. In deze rapportage wordt vooral gebruik gemaakt van lineaire regressies, waarbij wordt aangenomen dat het verband tussen variabelen lineair is. De regressiecoëfficiënten geven de mate van samenhang aan, voor zover de andere variabelen gelijk zouden blijven. Wanneer een coëfficiënt statistisch significant is, wil dat zeggen dat deze waarschijnlijk niet op toeval berust. Het percentage verklaarde variantie oftewel de R2 geeft aan in hoeverre het regressiemodel de uitkomst beter voorspelt dan simpelweg het gemiddelde. De minimale waarde van R2 is nul (het model voorspelt de uitkomstwaarden niet beter dan het gemiddeld) en de maximale waarde is één (het model kan alle individuele uitkomstwaarden perfect voorspellen).
Sociaaleconomische positie
De sociaaleconomische positie is vastgesteld op basis van de voornaamste inkomstenbron. De volgende vijf sociaaleconomische categorieën worden onderscheiden:
- Werkzaam: inkomen uit arbeid of inkomen als zelfstandige is de voornaamste inkomstenbron.
- Uitkeringsontvanger: een werkloosheids-, ziekte- of arbeidsongeschiktheidsuitkering, of een uitkering uit een sociale voorziening (o.a. bijstand) is de voornaamste inkomstenbron.
- Pensioenontvanger: een pensioenuitkering is de voornaamste inkomstenbron.
- (School)kind of student: voltijdonderwijs volgen is de belangrijkste activiteit. Als een scholier of student inkomen heeft uit een bijbaan en dit meer is dan de lage-inkomensgrens (zie Laag inkomen (cbs.nl), in 2022 was de grens 1 200 euro netto per maand), dan wordt deze persoon gezien als werkzaam.
- Geen inkomen: persoon zonder eigen inkomen. Het is mogelijk dat iemand wordt betaald door een buitenlands bedrijf, waardoor mogelijk in Nederland geen inkomen wordt waargenomen. Hierdoor kan deze persoon onterecht in de categorie ‘geen inkomen’ terechtkomen.
Bij het bepalen van de sociaaleconomische positie wordt een persoon ingedeeld in de categorie waar hij of zij het meeste inkomen uit krijgt (voornaamste inkomstenbron). De sociaaleconomische positie is alleen vastgesteld voor mensen in particuliere huishoudens met inkomen.
Startkwalificatie
Een afgeronde havo- of vwo-opleiding of afgeronde mbo-opleiding op minimaal niveau 2 (basisberoepsopleiding).
Stedelijkheid
De stedelijkheid is een maat voor concentratie van menselijke activiteiten (zoals wonen, werken, schoolgaan, winkelen en uitgaan) en gebaseerd op de gemiddelde omgevingsadressendichtheid (OAD). Voor de berekening van de gemiddelde OAD wordt eerst voor ieder adres de OAD vastgesteld. Dat is het aantal adressen binnen een cirkel met een straal van één kilometer rondom een adres, gedeeld door de oppervlakte van de cirkel. De OAD wordt uitgedrukt in adressen per vierkante kilometer. Daarna is het gemiddelde berekend van de OAD van alle afzonderlijke adressen binnen het beschouwde gebied.
Er worden vijf categorieën onderscheiden:
- zeer sterk stedelijk: Gebied met een OAD groter of gelijk aan 2 500 adressen per vierkante kilometer;
- sterk stedelijk: Gebied met een OAD groter of gelijk aan 1 500 en kleiner dan 2 500 adressen per vierkante kilometer;
- matig stedelijk: Gebied met een OAD groter of gelijk aan 1 000 en kleiner dan 1 500 adressen per vierkante kilometer;
- weinig stedelijk: Gebied met een OAD groter of gelijk aan 5 00 en kleiner dan 1 000 adressen per vierkante kilometer;
- niet stedelijk: Gebied met een OAD kleiner dan 5 00 adressen per vierkante kilometer.
Tweede generatie
Personen die in Nederland geboren zijn met één of twee ouders die in het buitenland geboren zijn.
Vluchtelingengroepen
In deze publicatie gaat het om personen met als herkomstland Afghanistan, Eritrea, Irak, Iran, Somalië of Syrië. De meeste immigranten uit deze landen zijn als asielmigrant of via gezinshereniging naar Nederland gekomen. In deze publicatie worden alle personen met deze herkomstlanden tot de vluchtelingengroepen gerekend, ongeacht hun migratiemotief.
Voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs
Voortzetting vanaf augustus 1999 van het mavo en vbo. Het bereidt voor op het middelbaar beroepsonderwijs, heeft een duur van vier jaar en kent vier onderwijsprogramma’s, leerwegen genoemd, die een voorgeschreven aantal vakken en relatief vaststaand eindexamenpakket hebben: de theoretische leerweg, de gemengde leerweg, de kaderberoepsgerichte leerweg en de basisberoepsgerichte leerweg.
- De theoretische leerweg (vmbo-t) is te beschouwen als de opvolger van de mavo en geeft toegang tot de middenkaderopleiding, niveau 4 van de kwalificatiestructuur van het mbo. Het is na diplomering tevens mogelijk door te stromen naar het vierde leerjaar havo.
- De gemengde leerweg (vmbo-g) is te beschouwen als een tussenvorm van de theoretische leerweg en de beroepsgerichte leerwegen, heeft hetzelfde niveau als de theoretische leerweg, maar heeft ook een beroepsgericht vak. De gemengde leerweg geeft toegang tot de middenkaderopleiding, niveau 4 van de kwalificatiestructuur van het mbo.
- De kaderberoepsgerichte leerweg (vmbo-k) is te beschouwen als de opvolger van de hoogste niveaus van het vbo en is de minimale vooropleiding voor de vakopleiding en de middenkaderopleiding, resp. op niveau 3 en 4 van de kwalificatiestructuur van het mbo.
- De basisberoepsgerichte leerweg (vmbo-b) is te beschouwen als de opvolger van de laagste niveaus van het vbo en is bedoeld als vooropleiding voor de basisberoepsopleiding, niveau 2 van de kwalificatiestructuur van het mbo.
Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo)
Het vwo is een onderwijssoort in het voortgezet onderwijs, die vooral bedoeld is als voorbereiding op het wetenschappelijk onderwijs. Het vwo heeft zes leerjaren. In de bovenbouw (leerjaren 4, 5 en 6) kan worden gekozen uit vier profielen, dat wil zeggen onderwijsprogramma’s die een relatief vaststaand vakkenpakket hebben:
- natuur en techniek;
- natuur en gezondheid;
- economie en maatschappij;
- cultuur en maatschappij.
Leerlingen kunnen ook twee profielen combineren, bijvoorbeeld ‘natuur en techniek’ en ‘natuur en gezondheid’ of ‘economie en maatschappij’ en ‘cultuur en maatschappij’.
Het vwo kent twee onderwijssoorten: het atheneum en het gymnasium. Zij hebben bij de profielen een verschillend vakkenpakket. Dit verschil heeft betrekking op de klassieke talen (Grieks en Latijn). Op een lyceum kunnen leerlingen het atheneum of het gymnasium volgen.
Voortijdig schoolverlater (vsv)
Iemand die het (bekostigd) onderwijs heeft verlaten en niet in het bezit is van een startkwalificatie. Het bezit van een startkwalificatie houdt in dat iemand ten minste een afgeronde havo- of vwo–opleiding, een basisberoepsopleiding (mbo niveau 2) of een oude opleiding van vergelijkbaar niveau heeft.
Het aantal voortijdig schoolverlaters in Nederland kan op twee manieren worden benaderd, namelijk vanuit het totale volume of vanuit nieuwe aanwas.
Het totale volume is het totaal aantal personen zonder startkwalificatie in Nederland. Dit aantal is ontleend aan de Enquête Beroepsbevolking (EBB). De uitkomsten van de EBB zijn gebaseerd op een steekproef van ongeveer 90 000 personen onder de Nederlandse bevolking van 15 tot 65 jaar.
De nieuwe aanwas is het aantal personen dat in een bepaald schooljaar het onderwijs verlaat zonder startkwalificatie. Dit aantal is gebaseerd op onderwijsregistraties. Aan de hand van de directe door- en uitstroom tussen twee opeenvolgende schooljaren binnen het door de overheid bekostigde onderwijs en het bezit van startkwalificerende diploma’s wordt het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters (de nieuwe aanwas) bepaald.
Bij het afbakenen van de groep voortijdig schoolverlaters wordt dikwijls een leeftijdsgrens aangehouden. Bij de Europese doelstelling om het voortijdig schoolverlaters terug te dringen (met betrekking tot het totale volume) wordt uitgegaan van jongeren van 18 tot 25 jaar. Bij de Nederlandse beleidsdoelstellingen (met betrekking tot de nieuwe aanwas) wordt uitgegaan van de groep 12 tot 23 jaar.
Vrijwilligerswerk
Vrijwilligerswerk voor organisaties of verenigingen in de afgelopen 12 maanden. Het kan daarbij gaan om bestuurlijk werk of andere activiteiten.
Werkloosheid
Personen die geen betaald werk hebben, recent naar betaald werk hebben gezocht en daarvoor direct beschikbaar zijn, vormen de werkloze beroepsbevolking. De werkloze en werkzame beroepsbevolking vormen samen de beroepsbevolking. Het werkloosheidspercentage drukt uit welk aandeel van de beroepsbevolking werkloos is.
Werkloosheidsuitkering
Uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). De WW biedt werknemers een (verplichte) verzekering tegen de geldelijke gevolgen van werkloosheid. De wet voorziet in een uitkering die gerelateerd is aan het laatstverdiende inkomen uit dienstbetrekking. De duur van de uitkering is afhankelijk van het arbeidsverleden van de verzekerde. Iemand heeft recht op een werkloosheidsuitkering als hij of zij
- (onvrijwillig) is ontslagen;
- verlies heeft van minimaal 5 arbeidsuren per kalenderweek;
- ten minste 26 kalenderweken heeft gewerkt in de periode van 36 weken direct voorafgaand aan de werkloosheid;
- direct beschikbaar is voor betaald werk.
Werkzame beroepsbevolking
Het gaat hierbij om personen die in Nederland wonen (exclusief de institutionele bevolking) met betaald werk. De gegevens worden meestal gepresenteerd voor de bevolking van 15 tot 75 jaar. Bij betaald werk gaat het om werkzaamheden ongeacht de arbeidsduur.
Wetenschappelijk onderwijs (wo)
Onderwijs verzorgd door universiteiten en particuliere instellingen dat wordt afgesloten met een bachelor- of masterdiploma van een in Nederland erkende opleiding.
Wo-bacheloropleidingen duren 3 jaar, masteropleidingen tussen de 1 en 4 jaar. Voor het volgen van een bacheloropleiding moet men in principe minimaal een vwo-diploma of hbo-propedeuse hebben. In sommige gevallen gelden er nog aanvullende eisen. Om toegelaten te kunnen worden tot een masteropleiding dient men te beschikken over een wo-bachelordiploma, soms met extra eisen.
Alle in Nederland erkende opleidingen in het wo zijn sinds 2023 opgenomen in het RIO (Registratie Instellingen en Opleidingen). RIO vervangt CROHO (Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs) en BRIN (Basisregister Instellingen).
Woning
De kleinste binnen één of meer panden gelegen en voor woondoeleinden geschikte eenheid van gebruik, ontsloten via een eigen toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte. Voorbeelden zijn vrijstaande woningen, eengezinswoningen, flat- of portiekwoningen en studentenhuizen. Alle verblijfsobjecten met minimaal één woonfunctie volgens de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) en eventueel één of meer andere gebruiksfuncties worden als woning aangemerkt.
Woningcorporatie
Dit is een zogenaamde ‘toegelaten instelling’ die zich richt op het bouwen, beheren en verhuren van woonruimte met een betaalde huur, hoofdzakelijk voor mensen met een laag inkomen of die bijzondere woonvoorzieningen behoeven.