Foto omschrijving: Mensen lopen op een markt op het Afrikaanderplein in Rotterdam.

Bevolking

Van de 17,9 miljoen inwoners die Nederland op 1 januari 2024 telde, waren 2,9 miljoen in het buitenland geboren (migranten). Van de in Nederland geboren mensen hadden 2,1 miljoen ten minste één in het buitenland geboren ouder (de tweede generatie). Samen vormen deze groepen 28 procent van de bevolking. De afgelopen vijf jaar groeide de bevolking vrijwel uitsluitend door immigratie. Dit hoofdstuk beschrijft onder andere bevolkingsgroei, leeftijdsopbouw en de motieven van immigranten die naar Nederland komen. Ook de huishoudenssamenstelling, partnerkeuze en het gemiddelde kindertal komen aan bod.

1.1Bevolkingsontwikkeling

De afgelopen vijf jaar groeide de Nederlandse bevolking vooral door immigratie. Tussen 1 januari 2019 en 1 januari 2024 nam het aantal inwoners met 661 duizend toe. Van deze groei was 97 procent het gevolg van internationale migratie: het aantal immigranten was met bijna 1,5 miljoen hoger dan het aantal emigranten (836 duizend). Na een daling in 2020 vanwege de coronapandemie en een piek in 2022 vanwege de Oekraïense vluchtelingen, kwam het migratie­saldo in 2023 uit boven het niveau van 2019. Het was lager dan in 2022 vanwege het teruglopen van het aantal Oekraïense vluchtelingen.

De overige bevolkingsgroei komt voort uit natuurlijke aanwas: geboorte minus sterfte. Deze natuurlijke aanwas was in 2020 laag, vanwege een hoog aantal sterfgevallen door corona. In 2022 was de natuurlijke aanwas voor het eerst negatief, en in 2023 daalde deze verder naar –‍5 duizend door hogere sterfte en minder geboorten.

1.1.1 Bevolkingsontwikkeling (x 1 000)
Jaar Natuurlijke aanwas Migratiesaldo
1995 54,838 13,904
1996 51,96 16,804
1997 56,66 27,887
1998 61,926 43,118
1999 59,958 40,372
2000 66,092 53,873
2001 62,226 50,838
2002 59,728 24,332
2003 58,361 -0,317
2004 57,454 -16,216
2005 51,508 -27,428
2006 49,685 -31,32
2007 48,314 -5,757
2008 49,498 25,737
2009 50,68 34,481
2010 48,339 33,081
2011 44,319 29,768
2012 35,146 13,883
2013 30,096 19,103
2014 35,958 35,087
2015 23,376 55,106
2016 23,523 79,194
2017 19,622 80,665
2018 15,162 86,371
2019 17,795 108,035
2020 0,003 68,359
2021 8,469 107,198
2022 -2,608 223,798
2023 -5,034 137,366

Meeste groei bij nieuwe EU-landen, daling in 2023

Van de in dit hoofdstuk besproken groepen immigranten namen de groepen uit nieuwe EU-landennoot1 het meest toe in de afgelopen vijf jaar. Tussen 1 januari 2019 en 1 januari 2024 kwamen er per saldo 116 duizend migranten uit nieuwe EU-landen naar Nederland. Toetreding tot de EU had een duidelijk opwaarts effect op de immigratie uit deze landen: het migratiesaldo steeg sindsdien bijna elk jaar. In 2023 was er voor het eerst een daling, met bijna 8 duizend personen.

Vooral het migratiesaldo van Polen is sterk teruggelopen, van 10 duizend in 2022 naar bijna 7 duizend in 2023. Dat is het laagste aantal sinds 2007. Ook het migratiesaldo van in Bulgarije –‍31 procent) en Roemenië (–‍37 procent) geboren migranten is sterk teruggelopen. Hongarije is het enige land van de nieuwe EU-landen waarbij het migratiesaldo wel is toegenomen (15 procent).

1.1.2 Migratiesaldo naar geboorteland, nieuwe EU-landen
Jaar Polen Bulgarije Roemenië Overige nieuwe EU-landen
1995 810 48 148 202
1996 890 84 133 350
1997 824 168 286 351
1998 957 156 351 445
1999 506 167 281 193
2000 1143 212 489 434
2001 1427 261 556 520
2002 1501 357 429 386
2003 1214 345 480 265
2004 3930 274 339 669
2005 5073 234 216 592
2006 5330 216 394 319
2007 6791 4056 1767 905
2008 9023 3640 1401 1663
2009 6974 1994 927 2118
2010 8702 1676 1254 2925
2011 11782 2492 925 2837
2012 8467 698 573 2508
2013 9870 131 702 1674
2014 12107 1868 2010 1840
2015 9646 1830 1667 1955
2016 9016 1844 2196 2093
2017 9348 2762 3517 3026
2018 9938 3534 4358 3734
2019 10352 4885 4800 4391
2020 9200 4175 3449 2299
2021 9760 4874 4870 5670
2022 10025 5527 6043 6177
2023 6920 3833 3808 5246

Naast de toename van het aantal migranten uit nieuwe EU-landen is ook het aantal in Oekraïne geboren migranten toegenomen. Dat heeft alles te maken met de oorlog in Oekraïne. Met name in 2022 kwamen er per saldo veel Oekraïners door migratie naar Nederland bij (+83 duizend). In 2023 nam het aantal Oekraïners dat per saldo naar Nederland kwam weer flink af, naar 17 duizend.

Migratiesaldo uit vluchtelingenlanden toegenomen

Het migratiesaldo van de zes vluchtelingengroepennoot2 was in de afgelopen vijf jaar lager dan dat van de groepen uit nieuwe EU-landen. Door migratie nam het aantal mensen dat geboren is in Afghanistan, Eritrea, Irak, Iran, Somalië of Syrië tussen 2019 en 2024 met 90 duizend toe. De piek in deze asielmigratie lag in 2016, met name door de aanhoudende burgeroorlog in Syrië, toen bijna 28 duizend Syrische migranten zich in Nederland vestigden. Dat aantal is inmiddels sterk verminderd, maar de laatste jaren is het saldo weer opgelopen. In 2023 kwamen 18 duizend mensen die in Syrië zijn geboren naar Nederland. Ook het migratiesaldo van de andere vluchtelingengroepen stijgt. Vooral Somalië springt hierbij in het oog: nadat er zeven jaar op rij meer emigranten dan immigranten waren, is het migratiesaldo in 2022 en 2023 weer positief.

1.1.3 Migratiesaldo naar geboorteland, vluchtelingengroepen
Jaar Afghanistan Irak Iran Somalië Eritrea Syrië
1995 1445 2842 2310 2461 8 236
1996 2740 4428 2375 2837 23 213
1997 3608 5873 1224 873 53 222
1998 3827 6999 797 540 42 231
1999 5302 2626 805 382 37 549
2000 4396 3812 1415 352 76 849
2001 4206 2209 1782 -719 83 1007
2002 2435 -179 856 -1586 70 497
2003 1184 138 39 -2225 42 170
2004 210 -22 -105 -2307 52 49
2005 -376 -604 -222 -1431 32 -38
2006 -608 -507 -37 -766 44 -27
2007 -407 946 440 517 97 80
2008 -200 3135 526 1778 91 153
2009 389 2282 692 4476 189 84
2010 816 116 798 3435 220 186
2011 805 -156 1119 1504 248 164
2012 300 -126 803 6 173 422
2013 314 -3 827 1936 406 1839
2014 35 313 486 820 2042 8461
2015 39 309 557 -426 3266 20623
2016 1740 2339 1934 -669 3125 27506
2017 390 913 1124 -398 2965 16083
2018 566 960 1445 -376 2571 5010
2019 444 767 2935 -187 2382 5244
2020 596 674 1339 -43 1678 5616
2021 2214 687 1852 -17 1278 11120
2022 3278 952 2850 576 1030 16276
2023 1244 1242 3184 1451 1429 17983

Hoger migratiesaldo grootste herkomstgroepen, vooral uit Turkije

Het migratiesaldo van de vijf grootste herkomstgroepen is vanaf 2016 geleidelijk opgelopen. Vooral het aantal Turkse migranten nam toe. Na een daling in coronajaar 2020, die onder Turkse migranten groter was dan onder de andere hier genoemde landen, nam het migratiesaldo in 2021 en 2022 weer toe. In 2023 was het saldo met 11 duizend weer iets afgenomen.

1.1.4 Migratiesaldo naar geboorteland, vijf grootste herkomstgroepen
Jaar Turkije Marokko Suriname Nederlandse Cariben Indonesië
1995 1704 976 573 -612 70
1996 2020 2038 1252 557 137
1997 3654 3183 1327 1846 346
1998 3250 4069 2819 5205 929
1999 2957 3238 1575 6167 879
2000 4235 3377 2328 7724 1079
2001 4707 4132 2423 5401 1228
2002 4580 3796 1745 2220 836
2003 4555 3327 1628 -320 536
2004 1749 2050 1099 -1747 336
2005 521 375 -51 -2216 48
2006 -146 -307 -652 -1272 -17
2007 -24 -525 79 22 173
2008 1320 52 607 931 241
2009 1577 892 929 1458 143
2010 1361 830 507 1444 330
2011 744 1129 424 1057 382
2012 -141 465 -253 167 156
2013 -638 814 -332 -11 357
2014 -1601 768 -458 491 358
2015 -773 561 -180 646 400
2016 713 958 452 1009 664
2017 2224 1267 1057 2026 385
2018 3258 2183 1594 2461 549
2019 4920 2578 1920 3177 665
2020 3417 1809 1608 3285 158
2021 6446 2257 1584 3710 1084
2022 12040 3095 1847 3529 1341
2023 11069 2165 2742 2744 1116

1.2Redenen voor migratie

Migratiedoelen en migratiemotieven

De redenen waarom immigranten naar Nederland komen, worden niet geregistreerd in de Basisregistratie Personen (BRP). Voor immigranten met een niet-EU/EFTA-nationaliteit gebruikt het CBS informatie van het migratiemotief zoals dat wordt vastgelegd door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Immigranten met een nationaliteit van een van de EU/EFTA-landen hoeven zich vanwege het vrije verkeer van personen niet te melden bij de IND; er is dan ook geen motief voor hun komst naar Nederland bekend. Voor deze immigranten wordt een afgeleid migratiedoel bepaald op basis van de activiteiten die zij ná immigratie in Nederland ontplooien.

4 op 10 migranten uit nieuwe EU-landen komen om te werken

Voor immigranten uit de nieuwe EU-landen is arbeid een steeds belangrijker motief geworden om naar Nederland te komen. Nauwkeuriger geformuleerd: uit het gedrag van deze immigranten ná binnenkomst in Nederland blijkt dat de belangrijkste reden om naar Nederland te komen steeds vaker het verrichten van arbeid is. Tegelijkertijd neemt het belang van gezinsmigratie af. Het aandeel arbeidsmigratie liep in 2020 iets terug, mogelijk als gevolg van de coronapandemie. In 2021 en 2022 steeg het weer, tot bijna 40 procent van de nieuwe EU-migratie. Sinds 2019 bestaat een kwart van de immigratie uit nieuwe EU-landen uit gezinsmigratie.

Sinds 2004 zijn de motieven van de migranten uit nieuwe EU-landen verschoven van voornamelijk gezinsmigratie in de periode 2004–2013, naar arbeidsmigratie in de periode daarna. Dit heeft voor een groot deel te maken met de toetreding tot de EU in mei 2004 (vrij verkeer van personen en diensten), en de afschaffing van de verplichte tewerkstellings­vergunning voor mensen uit Polen in mei 2007 en voor mensen uit Bulgarije en Roemenië in januari 2014.

1.2.1Immigratie naar afgeleid migratiedoel, nieuwe EU-nationaliteiten
Totaal Arbeid Gezin Studie Overig/onbekend
meegekomen met arbeidsmigrant meegekomen met studiemigrant overig
x 1 000 %
Periode
Nieuwe EU
2004–2008 69,8 27,3 7,7 0,4 27,3 8,8 28,6
2009–2013 155,9 29,5 8,1 0,5 24,2 11,0 26,7
2014–2018 223,7 40,1 8,7 0,5 19,7 8,9 22,0
2019–2022 224,9 38,4 7,9 0,6 18,3 12,5 22,4

Van de nieuwe EU-landen is het aandeel arbeid onder migranten met een Roemeense nationaliteit het grootst, met 43 procent in 2021 en 2022. Migranten uit Bulgarije komen juist iets minder dan gemiddeld voor arbeid naar Nederland. Voor hen is studie in verhouding een steeds belangrijker motief geworden: 17 procent van de immigratie uit Bulgarije bestond in 2021 en 2022 uit studenten, onder de nieuwe EU-landen als geheel was dit 13 procent. Voor migranten uit Polen speelt studie daarentegen nauwelijks een rol (7 procent), en is gezins­migratie een belangrijk motief om naar Nederland te komen.

Gezinsmigranten voegen zich vaak bij arbeidsmigrant

Van de ruim 17 duizend gezinsmigranten die in 2022 uit een van de nieuwe EU-landen naar Nederland kwamen, voegden 5 duizend (29 procent) zich bij een arbeidsmigrant. Een veel kleiner deel ging bij een studiemigrant wonen (3 procent). De categorie ‘Gezin: overig’ besloeg 68 procent van de gezinsmigranten. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om gezins­migranten die gaan wonen bij iemand die in Nederland is geboren of iemand met een ander afgeleid migratiedoel dan arbeid of studie.

1.2.2 Immigratie naar afgeleid migratiedoel en nationaliteit, 2022
Afgeleid migratiedoel Arbeid Gezin: meegekomen met arbeidsmigrant Gezin: meegekomen met studiemigrant Gezin: overig Studie Overig en onbekend
Pools 10770 2090 115 5430 1500 6410
Bulgaars 4265 910 80 2160 1850 3265
Roemeens 6370 985 130 2250 1780 3280
Overige nieuwe EU-nationaliteiten 4530 980 205 1970 2750 3380

Veel vluchtelingen uit Oekraïne

Sinds de Russische invasie eind februari 2022 zijn veel Oekraïners hun land ontvlucht. Zij kunnen in Nederland bescherming krijgen onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming van de Europese Unie. Zij hoeven geen reguliere asielaanvraag in te dienen maar kunnen zich inschrijven bij een gemeente. De richtlijn biedt ook andere rechten, bijvoorbeeld het recht om meteen te werken in Nederland zonder een tewerkstellingsvergunning. De cijfers over migratiemotieven van Oekraïense immigranten betreffen voor het overgrote deel Oekraïense vluchtelingen die in Nederland zijn gearriveerd vanaf 24 februari 2022 (het begin van de oorlog in Oekraïne) en die een vergunning hebben gekregen op grond van de hierboven genoemde Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Er zijn ook mensen met een andere nationaliteit dan de Oekraïense die deze vergunning hebben gekregen. Zij waren voorheen gevestigd in Oekraïne (zogenoemde derdelanders).

In het eerste jaar van de oorlog kwamen 108 duizend vluchtelingen uit Oekraïne naar Nederland, voor een groot deel vrouwen. 102 duizend van hen hadden de Oekraïense nationaliteit. In 2023 was het aantal vluchtelingen uit Oekraïne gedaald naar 37 duizend.

Na asielmigratie volgt vaak gezinsmigratie

Immigratie uit de zes onderzochte vluchtelingenlanden bestaat logischerwijs voor het grootste deel uit asielmigratie, maar er vindt een verschuiving plaats richting andere motieven. Zo kwam iets meer dan de helft van de Iraanse immigranten in 2023 vanwege arbeid of studie naar Nederland, terwijl deze motieven onder de andere vluchtelingenlanden niet of nauwelijks een rol van betekenis spelen. Ook gezinsmigratie komt onder Iraanse immigranten steeds vaker voor, hetgeen in iets mindere mate ook geldt voor migranten uit Eritrea en Irak.

In de periode 1995–2023 zijn grofweg twee fasen van asielmigratie met hun eigen migratie­geschiedenis te onderscheiden. In het midden van de jaren negentig kwamen er veel asielmigranten naar Nederland uit onder andere Afghanistan, Irak, Iran en Somalië, maar ook uit niet in deze rapportage genoemde landen, zoals Bosnië-Herzegovina. Meer dan 80 procent van de immigratie uit de hier genoemde vluchtelingenlanden was toen asiel­migratie. In de jaren daarna daalde het aantal asielmigranten en kwamen de gezinshereniging en gezins­vorming onder deze asielmigranten op gang. In de jaren 2005–2009 was gezinsmigratie voor deze groep zelfs een belangrijker motief geworden om naar Nederland te komen dan asielmigratie.

Een tweede fase asielmigranten kwam rond 2014 op gang met vluchtelingen uit Syrië, waar al een paar jaar een oorlog woedde, en Eritrea vanwege onlusten en slechte economische omstandigheden. Sinds 2021 neemt het aantal asielmigranten uit Syrië en Eritrea, maar ook uit Iran en Somalië, weer toe. Een substantieel deel van de asielmigranten komt in het kader van de nareisregelingnoot3 naar Nederland. Ook dit gaat vaak in golven: hogere reguliere asielmigratie genereert over het algemeen een hoger aantal nareizigers. In de periode 2020–2023 bestond 30 procent van de immigratie uit de zes vluchtelingenlanden uit nareis. Ook komt bij deze groepen asielmigranten de reguliere gezinsmigratie op gang. In 2022 en 2023 kwam 30 procent van de Iraanse en Eritrese immigranten vanwege gezinshereniging naar Nederland, onder Iraakse immigranten was dat een kwart.

Turkse, Marokkaanse en Surinaamse migranten komen vaker voor arbeid of studie

Hoewel gezinsmigratie de belangrijkste reden blijft voor Turkse, Marokkaanse en Surinaamse migranten om naar Nederland te komennoot4, worden arbeid en studie steeds belangrijkere motieven. Van 1995 tot en met 2010 bestond bijna 80 procent van de totale immigratie uit deze landen uit gezinsmigratie. Sindsdien is dit aandeel geleidelijk afgenomen tot 40 procent onder Turkse immigranten, en tot 70 procent voor Marokkaanse en Surinaamse immigranten. Ongeveer 1 op de 10 kwam voor arbeid of studie.

Arbeid en studie zijn samen inmiddels voor 1 op de 3 immigranten uit Marokko en Suriname de voornaamste redenen om naar Nederland te migreren. Voor Turkse immigranten is dit bijna 40 procent, waarvan een groot deel kennismigratie is. Bij Marokkaanse en Surinaamse migranten komt dat weinig voor. Ook het aantal studenten uit Turkije neemt toe. Dat geldt ook voor Surinaamse migranten, en al veel langer voor Indonesische.

Het aantal asielmigranten uit Turkije is toegenomen. Onder Marokkaanse en Surinaamse immigranten is asielmigratie nauwelijks een factor van betekenis.

1.2.3Immigratie naar migratiemotief en nationaliteit
Totaal Asiel (excl. nareis) Asiel: nareis Gezinshereniging Gezinsvorming Kennismigratie Overige arbeidsmigratie Studie Overig
x 1 000 %
Periode
Turkije, Marokko, Suriname, Indonesië
1995–1999 67,8 5,3 37,8 45,9 0,2 2,8 4,2 3,7
2000–2004 66,6 2,4 68,9 11,1 0,3 5,0 7,7 4,6
2005–2009 35,0 1,3 32,0 30,6 4,5 5,4 15,5 10,8
2010–2014 34,3 1,0 0,1 22,3 36,1 8,7 2,6 18,9 10,4
2015–2019 43,6 5,6 0,4 22,5 29,5 11,2 1,8 22,6 6,5
2020–2023 57,5 10,4 5,6 25,9 18,6 13,7 2,9 18,8 4,0
Afghanistan, Eritrea, Irak, Iran, Somalië, Syrië
1995–1999 27,0 82,2 10,8 3,3 0,1 0,2 0,5 2,8
2000–2004 13,8 56,6 32,6 2,6 0,1 1,1 2,9 3,8
2005–2009 9,0 28,7 32,3 19,4 4,8 1,7 8,3 4,7
2010–2014 24,2 51,9 20,8 9,3 7,6 3,7 0,2 4,1 2,2
2015–2019 115,6 49,7 37,0 8,2 1,9 1,6 0,1 1,0 0,5
2020–2023 87,6 44,2 30,2 14,3 4,2 3,2 0,3 2,8 0,9

In 2023 kwamen 42 duizend gezinsmigranten uit landen van buiten de EU/EFTA naar Nederland. Drie kwart van de niet-EU/EFTA-gezinsmigranten kwam in het kader van gezinshereniging naar Nederland; zij gingen wonen bij een lid van een al voor immigratie bestaand gezin.

Een kwart was gezinsvorming, waarbij mensen zich in Nederland vestigen om te trouwen of te gaan samenwonen met een al in Nederland wonende partner. Het grootste deel van de Marokkaanse gezinsmigranten komt voor gezinsvorming, bij de overige grote migratie­landen is gezinshereniging nog steeds de belangrijkste component.

Gezinsmigratie vanuit vluchtelingenlanden bestaat voor het overgrote deel uit gezins­herenigers die zich bij de eerder in Nederland gevestigde asielmigrant voegen. Alleen onder Afghaanse immigranten overstijgt het aantal gezinsvormers inmiddels het aantal gezinsherenigers.

1.2.4 Immigratie naar motief en nationaliteit, 2023
Migratiemotief Arbeid: kennismigrant Arbeid: overig Gezin: gezinsvorming Gezin: gezinshereniging Asiel (exclusief nareis) Asiel: nareis Studie Overige migratiemotieven
Indonesisch 150 110 220 385 0 0 1260 55
Surinaams 180 145 610 835 5 0 350 30
Marokkaans 80 45 1200 680 30 5 105 75
Turks 1880 635 1010 3145 1570 1155 1755 90
. . . . . . . .
Syrisch 35 5 500 1405 10795 6750 35 25
Eritrees 0 0 115 470 1130 220 0 0
Somalisch 0 0 35 175 1125 100 20 0
Iraans 790 145 200 1160 255 45 870 25
Iraaks 10 10 200 355 470 265 20 25
Afghaans 10 5 255 185 830 195 25 5

1.3Bevolking naar herkomst

Van de 17,9 miljoen inwoners die Nederland op 1 januari 2024 telde, waren 2,9 miljoen in het buitenland geboren (migranten). Van de in Nederland geboren mensen hadden 2,1 miljoen ten minste één in het buitenland geboren ouder (de tweede generatie). Samen vormen deze groepen 27,8 procent van de bevolking. Vijf jaar eerder was dat nog 24,4 procent.

Van de mensen die zelf of van wie de ouders in het buitenland geboren zijn, zijn de belangrijkste Europese herkomstlanden Duitsland, Polen, België, Oekraïne en het Verenigd Koninkrijk. Oekraïne staat vanaf 1 januari 2023 in de top-5, door de komst van Oekraïense vluchtelingen. Buiten Europa zijn de belangrijkste herkomstlanden al jaren Turkije, Marokko, Suriname, Indonesië en de Nederlandse Cariben.

Deze infographic geeft de grootste bevolkingsgroepen naar herkomst weer. Op 1 januari 2024 telde Nederland 17,9 miljoen inwoners. Daarvan zijn 12941700 mensen in Nederland geboren en hebben twee in Nederland geboren ouders. Zij hebben een Nederlandse herkomst. 2914900 mensen zijn geboren in het buitenland. Zij zijn als migrant naar Nederland gekomen. 2086300 mensen zijn geboren in Nederland en hebben één of twee ouders die in het buitenland geboren zijn. Zij behoren tot de tweede generatie. De vijf grootste Europese herkomstlanden zijn: Duitsland met 124600 migranten en 224100 mensen van de tweede generatie. Polen met 189400 migranten en 52000 mensen van de tweede generatie. België met 66900 migranten en 71100 mensen van de tweede generatie. Oekraïne met 114700 migranten en 7100 mensen van de tweede generatie. Verenigd Koninkrijk met 61300 migranten en 42200 mensen van de tweede generatie. De vijf grootste herkomstlanden buiten Europa zijn: Turkije met 225500 migranten en 231600 mensen van de tweede generatie. Marokko met 176300 migranten en 252900 mensen van de tweede generatie. Suriname met 178700 migranten en 186600 mensen van de tweede generatie. Indonesië met 101500 migranten en 255100 mensen van de tweede generatie. Nederlandse Cariben met 107800 migranten en 86700 mensen van de tweede generatie. De 5 grootste vluchtelingenlanden zijn: Syrië met 142300 migranten en 23300 mensen van de tweede generatie. Irak met 48300 migranten en 23300 mensen van de tweede generatie. Afghanistan met 42700 migranten en 18800 mensen van de tweede generatie. Iran met 45500 migranten en 13800 mensen van de tweede generatie. Somalië met 26600 migranten en 17500 mensen van de tweede generatie. Polen 189 400 België 66 900 71 100 52 000 61 300 42 200 Geboren in buitenland Geboren in Nederland Vluchtelingenlanden Buiten-Europa Europa Legenda Duitsland 124 600 224 100 Oekraïne Verenigd Koninkrijk Geboren in het buitenland Geboren in Nederland 114 700 7 100 Marokko Suriname Nederlandse Cariben Turkije Indonesië Irak 48 300 Afghanistan 42700 Somalië 26 600 17 500 Syrië 142 300 Iran 45 500 13 800 18 800 23 300 23 300 1.3.1 Grootste bevolkingsgroepen naar herkomst Eén of twee ouders geboren in het buitenland 2 086 300 2 914 900 176 300 252 900 178 700 186 600 107 800 225 500 231 600 101 500 255 100 86 700 Op 1 januari 2024 telde Nederland 17,9 miljoen inwoners. Welke herkomst hebben de grootste niet-Nederlandse groepen? Twee ouders geboren in Nederland 12 941 700

Meer mensen van niet-Nederlandse herkomst

Tussen 1 januari 2019 en 1 januari 2024 kwamen er 616 duizend in het buitenland geboren inwoners en 159 duizend mensen van de tweede generatie bij, terwijl het aantal inwoners met een Nederlandse herkomst met 115 duizend afnam. De groei van het aantal mensen van niet-Nederlandse herkomst komt voor het grootste deel door migranten van buiten Europa: arbeidsmigratie uit landen als India en China is daar voor een belangrijk deel de oorzaak van, maar ook gezins- en asielmigratie spelen een rol. De groei in het aantal mensen met een Europese herkomst komt voor 40 procent voor rekening van de nieuwe EU-landen en voor 31 procent door mensen met een Oekraïense herkomst.

Van de hier onderscheiden niet-Nederlandse herkomstgroepen nam de bevolking in de afgelopen vijf jaar toe, met uitzondering van mensen met een Indonesische herkomst: hun aantal nam met ruim 19 duizend af. Door de veel hogere gemiddelde leeftijd (zie hieronder) vinden onder deze groep in verhouding meer overlijdens plaats dan onder de andere migranten­groepen. Bovendien komen er per saldo minder migranten uit Indonesië bij dan bij de meeste andere migrantengroepen.

Het aantal mensen met een Poolse herkomst steeg in deze periode met 55 duizend. Daarmee vormen zij iets meer dan de helft van de nieuwe EU-herkomstgroepen. Het aantal mensen met een Syrische herkomst steeg met ruim 67 duizend tot 166 duizend, waarmee zij na de Turkse, Marokkaanse, Surinaamse, Indonesische en Nederlands-Caribische herkomstgroepen de grootste herkomstgroep van buiten Europa vormen.

Groei tweede generatie vooral bij Buiten-Europese herkomstgroepen

Ruim 36 procent van de mensen met een Europese herkomst en bijna 45 procent van degenen met een Buiten-Europese herkomst is in Nederland geboren (zie bijlage B1.1). De toename van de tweede generatie komt vrijwel geheel voor rekening van herkomst­groepen van buiten Europa, de groei bij Europese herkomstgroepen komt vrijwel volledig door immigratie.

De tweede generatie is vooral vertegenwoordigd bij de vijf grootste herkomstlanden buiten Europa, waarbij de immigratiepiek in de jaren veertig en vijftig (Indonesië) of de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw lag (de andere vier groepen). Van mensen met Turkse, Marokkaanse en Surinaamse herkomst is iets meer dan de helft in Nederland geboren, over het algemeen hebben zij twee in het buitenland geboren ouders. Vanwege de langere migratie­geschiedenis tussen Nederland en Indonesië is inmiddels ruim 70 procent van de mensen met een Indonesische herkomst geboren in Nederland, vaak met één in het buitenland geboren ouder (bijlage B1.2). Van de mensen met een Nederlands-Caribische herkomst is 55 procent in het buitenland geboren.

Onder groepen die meer recent naar Nederland zijn gekomen (uit Syrië en Eritrea, maar ook uit Bulgarije en Roemenië) is het aandeel tweede generatie in de totale herkomstgroep met ongeveer 15 procent veel kleiner.

1.3.2Bevolking naar herkomst, 1 januari 2024 (x 1 000)
Aantal personen op 1 januari 2024 Toename sinds 1 januari 2019
geboren in het buitenland geboren in Nederland totaal geboren in het buitenland geboren in Nederland totaal
Totaal 2 914,9 15 028,0 17 942,9 616,0 44,8 660,8
Nederland 12 941,7 12 941,7 –114,6 –114,6
Europa (excl. NL) 1 068,7 608,4 1 677,1 315,5 19,7 335,2
waarvan
nieuwe EU 369,8 98,1 467,8 112,3 20,9 133,2
waarvan
Polen 189,4 52,0 241,4 43,9 11,0 55,0
Bulgarije 52,7 8,3 61,0 22,9 3,3 26,1
Roemenië 50,5 9,1 59,6 22,6 2,7 25,2
Oekraïne 114,7 7,1 121,8 102,5 2,2 104,7
Buiten-Europa 1 846,3 1 477,8 3 324,1 300,5 139,7 440,2
waarvan
Turkije 225,5 231,6 457,1 31,2 15,3 46,5
Marokko 176,3 252,9 429,2 5,8 20,5 26,3
Suriname 178,7 186,6 365,4 0,4 8,8 9,2
Nederlandse Cariben 107,8 86,7 194,5 13,4 11,5 24,9
Indonesië 101,5 255,1 356,6 –13,7 –4,9 –18,6
overig Buiten-Europa 1 056,5 465,0 1 521,5 263,4 88,5 351,9
waarvan
Afghanistan 42,7 18,8 61,5 7,2 5,1 12,3
Irak 48,3 23,3 71,7 3,6 5,0 8,6
Iran 45,5 13,8 59,3 11,6 3,1 14,7
Somalië 26,6 17,5 44,0 1,4 2,7 4,1
Eritrea 23,4 5,4 28,8 7,7 3,3 11,0
Syrië 142,3 23,3 165,6 55,5 11,9 67,4
overige landen 727,7 362,8 1 090,5 176,5 57,3 233,8

Mensen met niet-Nederlandse herkomst gemiddeld (veel) jonger

Mensen met een niet-Nederlandse herkomst zijn gemiddeld 6 jaar (Europese herkomst) tot 8 jaar (herkomst buiten Europa) jonger dan de gemiddelde bevolking van Nederland. Onder mensen met een Nederlandse herkomst zijn vijftigers en zestigers het sterkst vertegen­woordigd.

Van de vijf grootste Buiten-Europese herkomstlanden zijn mensen met herkomst Turkije, Marokko, Suriname of Nederlandse Cariben jonger dan gemiddeld. De leeftijdsopbouw van mensen met een Surinaamse herkomst lijkt het meest op die van de gemiddelde bevolking: de gemiddelde leeftijd ligt ongeveer 1,5 jaar lager dan die van de totale bevolking van Nederland, en deze groep telt veel veertigers en vijftigers. Onder mensen met een Surinaamse herkomst zijn in verhouding ook veel zestigers: dit zijn migranten die na de onafhankelijkheid in 1975 en in de overgangssituatie tot 1980 naar Nederland kwamen.

Indonesische herkomstgroep gemiddeld het oudst

De gemiddelde leeftijd van mensen met een Indonesische herkomst is met bijna 56 jaar veruit het hoogst van alle hier onderscheiden groepen, en ook hoger dan die van de totale Nederlandse bevolking. De migratiegeschiedenis van Indonesische migranten is hier een belangrijke verklarende factor voor. Velen kwamen na de Tweede Wereldoorlog en na de onafhankelijkheid in 1949 naar Nederland.

Ook onder mensen met een Turkse of Marokkaanse herkomst weerspiegelt hun migratie­geschiedenis zich voor een deel in de leeftijdsopbouw. Onder deze groepen bevinden zich veel migranten in de leeftijd van 45 tot 60 jaar, die als gezinshereniger of gezinsvormer in de jaren tachtig en negentig naar Nederland kwamen. De Marokkaanse herkomstgroep, vooral de tweede generatie, is jonger dan de andere herkomstgroepen in Nederland. Meer dan onder de andere vier grote Buiten-Europese herkomstgroepen zijn er veel tieners met een Marokkaanse herkomst, zij zijn vrijwel allemaal in Nederland geboren.

Herkomstgroepen uit nieuwe EU en vluchtelingenlanden veel jonger

Herkomstgroepen die meer recent naar Nederland zijn gekomen zijn gemiddeld (veel) jonger dan de eerdergenoemde groepen. Dit geldt niet alleen voor vluchtelingengroepen, maar ook voor mensen uit de nieuwe EU-landen. Van deze laatste groep migranten is een meerderheid tussen de 25 en 50 jaar: de leeftijdsgroep met de grootste arbeidsdeelname. In figuur B1.3 van de bijlage is de leeftijdsopbouw van de diverse herkomstgroepen in bevolkingspiramiden opgenomen.

1.3.3 Gemiddelde leeftijd naar herkomstland en geboorteland, 1 januari 2024 (jaar)
Herkomstland Totaal Geboren in NL, ten minste een ouder geboren in buitenland Geboren in buitenland
Totaal 42,64 30,4 42,36
Nederland 44,69 . .
. . .
Europa (excl NL) 38,78 38,49 38,94
Nieuwe EU 33,23 19,16 36,96
Oekraïne 32,61 18,88 33,46
. . .
Buiten-Europa 36,66 27,06 44,34
Turkije 35,96 24,69 47,53
Marokko 34,13 21,71 51,94
Suriname 42,07 28,69 56,04
Nederlandse Cariben 34,74 22,96 44,2
Indonesie 55,95 51,75 66,5
. . .
Overig buiten-Europa 32,01 17,72 38,3
Afghanistan 31,07 11,29 39,79
Irak 33,79 13,24 43,71
Iran 37,09 14,74 43,88
Somalië 27,3 12,42 37,07
Eritrea 20,11 5,21 23,55
Syrië 27,54 7,32 30,86

Bijna 1 miljoen mensen hebben ouders van de tweede generatie

Van de mensen met een Nederlandse herkomst tot 55 jaar heeft 12 procent begin 2024 ouders van de tweede generatie. Dat zijn bijna 1 miljoen mensen. Van hen hebben 430 duizend mensen tweedegeneratie-ouders met een Europese en 551 duizend met een Buiten-Europese herkomst. Van de 35- tot 55‑jarigen met ouders van de tweede generatie hebben de meeste ouders een Europese herkomst, bij mensen jonger dan 35 jaar een Buiten-Europese.

Mensen met ouders van de tweede generatie

Mede naar aanleiding van vragen vanuit de samenleving, berekent het CBS hoeveel mensen ouders hebben van de tweede generatie.

Mensen met een Nederlandse herkomst met ouders van de tweede generatie zijn zelf in Nederland geboren, uit ouders die beiden in Nederland zijn geboren. Zij hebben een of meer grootouders die in het buitenland zijn geboren. Zij hebben zelf een Nederlandse herkomst, maar een of beide ouders behoren tot de tweede generatie.

Omdat bij oudere mensen de herkomst van de ouders vaak niet bekend is, is alleen gekeken naar mensen jonger dan 55 jaar. Op 1 januari 2024 is van ruim 233 duizend mensen met een Nederlandse herkomst jonger dan 55 jaar niet vast te stellen of ze ouders van de tweede generatie hebben. Dit komt vrijwel altijd doordat de vader niet bekend is in het bevolkingsregister.

Mensen met een Nederlandse herkomst met ouders van de tweede generatie hebben het vaakst ouders van Indonesische (30 procent) of Duitse herkomst (25 procent).noot5 Van de kinderen jonger dan twaalf jaar met tweedegeneratie-ouders hebben de ouders vaak een Indonesische, Surinaamse, Marokkaanse of Turkse herkomst.

Van de kinderen die in 2023 in Nederland zijn geboren en een Nederlandse herkomst hebben, heeft bijna 16 procent een of twee ouders van de tweede generatie; 3 procent heeft tweede­generatie-ouders van Europese herkomst, en ruim 12 procent van Buiten-Europese herkomst. Van de groep mensen (tot 55 jaar) met ouders van de tweede generatie met Buiten-Europese herkomst is 54 procent minderjarig en 40 procent jonger dan 12 jaar.

1.3.4 Bevolking met Nederlandse herkomst naar leeftijd en herkomst ouder(s), 1 januari 20241)
Leeftijd Ouders Nederlandse herkomst Ouder(s) in Nederland geboren met Europese herkomst (excl. NL) Ouder(s) in Nederland geboren met Buiten-Europese herkomst Herkomst ouders onbekend
Totaal 6675906 430384 550837 233398
0 tot 4 jaar 376733 22140 81638 10355
4 tot 12 jaar 798415 44510 137351 17459
12 tot 18 jaar 686656 37372 80994 12725
18 tot 25 jaar 909294 48915 81287 14593
25 tot 35 jaar 1313469 67830 89375 21082
35 tot 55 jaar 2591339 209617 80192 157184
1) De herkomst van de moeder is bepalend, tenzij zij een Nederlandse of onbekende herkomst heeft. Dan wordt uitgegaan van de herkomst van de vader
1.3.5 Bevolking met Nederlandse herkomst naar leeftijd en herkomstland ouder(s), 1 januari 20241)
Herkomstland 0 tot 4 jaar 4 tot 12 jaar 12 tot 18 jaar 18 tot 25 jaar 25 tot 35 jaar 35 tot 55 jaar
Totaal
(N=7 890 525)
490866 997735 817747 1054089 1491756 3038332
. . . . . .
Nederland
(N=6 675 906)
376733 798415 686656 909294 1313469 2591339
. . . . . .
Europa (excl. NL)
(N=430 384)
22140 44510 37372 48915 67830 209617
. . . . . .
Buiten-Europa
(N=550 837)
81638 137351 80994 81287 89375 80192
Turkije
(N=43 183)
13766 19093 6589 2894 761 80
Marokko
(N=40 576)
14961 18189 5195 1799 410 22
Suriname
(N=71 215)
14654 25458 14004 9132 5043 2924
Nederlandse Cariben
(N=28 379)
6024 9903 5274 4014 2292 872
Indonesië
(N=297 442)
13883 38623 39551 57728 76998 70659
Overig Buiten-Europa
(N=70 042)
18350 26085 10381 5720 3871 5635
. . . . . .
Onbekend
(N=233 398)
10355 17459 12725 14593 21082 157184
1) De herkomst van de moeder is bepalend, tenzij zij een Nederlandse of onbekende herkomst heeft. Dan wordt uitgegaan van de herkomst van de vader

1.4Huishoudenssamenstelling

Nederland telde op 1 januari 2024 ruim 8,4 miljoen huishoudens. De herkomst van een huishouden wordt bepaald op basis van de herkomst van een referentiepersoonnoot6 en de eventuele partner.noot7 In 5,6 miljoen huishoudens is zowel de referentiepersoon als de eventuele partner in Nederland geboren, in de overige 2,8 miljoen heeft de referentie­persoon of de eventuele partner een niet-Nederlandse herkomst.

Huishoudens van Turkse en Marokkaanse herkomst vaak een paar

De verdeling naar huishoudenssamenstelling verschilt tussen herkomstgroepen. Ruim de helft van de huishoudens van Marokkaanse en bijna 60 procent van Turkse herkomst vormen een paar met of zonder kinderen, van de Indonesische huishoudens is dat bijna twee derde. Van de huis­houdens van Nederlands-Caribische en Surinaamse herkomst daarentegen is 40 procent een paar, en is een groter deel een eenouderhuishouden: 16 à 17 procent tegen 11 à 14 procent bij huishoudens van Turkse en Marokkaanse herkomst.

Paren met een Turkse of Marokkaanse herkomst bestaan voor het overgrote deel uit koppels waarbij beide partners in hetzelfde land zijn geboren. Onder paren van Surinaamse en met name Nederlands-Caribische herkomst komt dit (veel) minder vaak voor.

Relatief veel eenpersoonshuishoudens in Eritrese en Somalische herkomstgroep

Huishoudens van Eritrese herkomst bestaan voor 60 procent uit één persoon, veel meer dan de andere hier besproken vluchtelingengroepen waarbij 33 tot 48 procent een eenpersoons­huishouden is. In de afgelopen jaren is de huishoudenssamenstelling onder mensen met een Eritrese herkomst wel licht gewijzigd. Tussen 2016 en 2022 nam het aandeel paren door onder andere gezinshereniging toe van 13 naar 23 procent; de laatste twee jaar is het weer licht gedaald naar 21 procent. Ook van de huishoudens met een Syrische herkomst is een steeds groter deel een paar. Met iets meer dan 50 procent is dat inmiddels bijna net zo vaak als bij Marokkaanse huishoudens.

De huishoudenssamenstelling van mensen met een Somalische herkomst wijkt duidelijk af van die van de andere hier besproken vluchtelingengroepen. Een kwart van deze huis­houdens bestaat uit een eenouderhuishouden, terwijl dit bij de overige vluchtelingen­groepen varieert van 8 tot 18 procent. Verder bestaat nog geen kwart van de huishoudens van Somalische herkomst uit een paar (alleen onder huishoudens van Eritrese herkomst is dit aandeel lager) terwijl het aandeel eenpersoonshuishoudens met bijna 50 procent op Eritrese huishoudens na het hoogste is van alle vluchtelingengroepen.

Ook relatief veel eenpersoonshuishoudens bij nieuwe EU-landen

Huishoudens uit de nieuwe EU-landen laten over het algemeen een gevarieerd beeld zien. Aan de ene kant is het aandeel paren vergelijkbaar met dat van de meeste vluchtelingen­groepen. Aan de andere kant vormen mensen met een herkomst uit de nieuwe EU-landen relatief vaak een eenpersoonshuishouden en minder vaak een eenouder­huishouden.

1.4.1 Huishoudsamenstelling naar herkomstland, 1 januari 2024
Herkomstland Paar, partner in zelfde land geboren als referentiepersoon Paar, partner in ander land geboren dan referentiepersoon Eenpersoonshuishouden Eenouderhuishouden Overig huishouden
Totaal 3802398 566338 3340560 618056 47052
. . . . .
Nederland 2954280 . 2259005 376585 24226
. . . . .
Polen 43890 17093 59349 8924 1096
Bulgarije 8467 3212 18976 2368 390
Roemenië 7760 5976 21207 1415 303
. . . . .
Oekraïne 10741 5872 42631 9500 335
. . . . .
Turkije 80709 33657 58069 21067 2053
Marokko 65682 22757 55535 23304 3572
Suriname 54075 32060 87957 35902 1809
Nederlandse Cariben 20268 22409 47926 17229 1151
Indonesië 137136 48313 89295 17768 935
. . . . .
Afghanistan 10094 2614 7880 2427 582
Irak 10457 4324 11663 3212 638
Iran 9209 4994 15216 2551 210
Somalië 2845 991 8267 4521 520
Eritrea 1258 718 5568 1684 107
Syrië 25470 3718 21747 4969 747

1.5Trouwen en kinderen krijgen

Mensen met een Turkse of Marokkaanse herkomst trouwdennoot8 in 2023 vaker met een partner van dezelfde herkomst dan mensen met een Surinaamse of Antilliaanse herkomst. Dit geldt zowel voor migranten als voor de tweede generatie. Van de tweede generatie van Turkse en Marokkaanse herkomst had 75 procent een partner van dezelfde herkomst. Voor het overgrote deel woonde deze partner al in Nederland, en was er geen sprake van een zogenoemd migratiehuwelijk.noot9

1.5.1 Huwelijkspartners naar herkomst en geboorteland, 2023 (%)
Herkomstland Geboorteland Nederlandse herkomst Zelfde herkomst, migratiehuwelijk Zelfde herkomst, uit Nederland Overige herkomst
Nederland Nederland, Nederland 83.0 . . 17.0
Europa (excl. NL) Nederland, Europa (excl. NL) 68.1 1.2 4.0 26.8
Europa (excl. NL) Buitenland, Europa (excl. NL) 31.3 4.0 37.4 27.4
Turkije Nederland, Turkije 9.2 10.0 65.3 15.5
Turkije Buitenland, Turkije 10.2 26.4 48.2 15.2
Marokko Nederland, Marokko 9.8 11.1 64.4 14.7
Marokko Buitenland, Marokko 9.0 48.1 30.8 12.1
Suriname Nederland, Suriname 34.7 2.8 35.2 27.2
Suriname Buitenland, Suriname 23.4 16.0 41.3 19.3
Ned. Cariben Nederland, Ned. Cariben 54.9 0.8 9.4 34.9
Ned. Cariben Buitenland, Ned. Cariben 31.6 1.7 33.6 33.1
Indonesië Nederland, Indonesië 70.5 0.9 6.1 22.5
Indonesië Buitenland, Indonesië 58.8 5.1 15.2 20.8
Overig buiten-Europa Nederland, Overig buiten-Europa 42.0 6.2 13.7 38.1
Overig buiten-Europa Buitenland, Overig buiten-Europa 28.3 20.4 22.0 29.3

Steeds minder migratiehuwelijken

Het aandeel migratiehuwelijken is in de afgelopen kwarteeuw sterk gedaald. Vlak na de eeuwwisseling was ongeveer 55 procent van de huwelijken van mensen met een Turkse herkomst een migratiehuwelijk; in 2023 was dat een kwart voor Turkse migranten en 10 procent voor de Nederlands-Turkse tweede generatie. Onder de tweede generatie van Marokkaanse herkomst is het aantal migratiehuwelijken sinds 2001 ook flink gedaald. Voor Marokkaanse migranten lag het aandeel migratiehuwelijken in 2023 met 48 procent echter vrijwel weer op het niveau van 2003.

De daling van het aantal migratiehuwelijken onder mensen met een Turkse of Marokkaanse herkomst ging gepaard met een stijging van het aantal huwelijken met mensen van dezelfde herkomst die al in Nederland woonden. Dit geldt vooral voor de tweede generatie van Turkse of Marokkaanse herkomst, van wie inmiddels 65 procent met een partner trouwt die in Nederland woont.

Mensen met een Surinaamse herkomst (bijna 55 procent), maar vooral mensen met een Nederlands-Caribische herkomst (75 procent) trouwen aanzienlijk vaker met een partner van een andere herkomst dan mensen met een Turkse of Marokkaanse herkomst (20 tot 25 procent).

Van de hier onderscheiden groepen trouwen mensen met een Indonesische herkomst het vaakst met een partner van Nederlandse herkomst (60 tot 70 procent). Migratiehuwelijken komen onder deze groep niet of nauwelijks voor, dit geldt ook voor mensen met een Nederlands-Caribische herkomst en in iets mindere mate voor mensen met een Surinaamse herkomst.

Rekening houdend met de leeftijd ligt het aandeel mensen dat binnen de eigen groep trouwt iets minder hoog onder de tweede generatie met een Marokkaanse, Turkse of Surinaamse herkomst. Wanneer daarnaast met het inkomen rekening wordt gehouden, neemt het aandeel migratiehuwelijken onder Marokkaanse migranten iets af. Toch blijven de verschillen tussen herkomstlanden duidelijk zichtbaar.

In het buitenland geboren vrouwen krijgen minder kinderen dan gemiddeld

Vrouwen die in het buitenland geboren zijn, krijgen minder kinderen dan gemiddeld. Vooral het kindertalnoot10 van vrouwen met een Europese herkomst is lager dan gemiddeld. Het kindertal van vrouwen met een Buiten-Europese herkomst is vergelijkbaar met dat van vrouwen met een Nederlandse herkomst.

Het gemiddeld aantal kinderen dat vrouwen met een Turkse of een Marokkaanse herkomst krijgen, is sinds 1980 sterk gedaald. In Marokko geboren vrouwen kregen in de eerste helft van de jaren tachtig gemiddeld 7 kinderen, in Turkije geboren vrouwen bijna 5. Inmiddels is het gemiddeld kindertal gedaald tot 2,5 bij Marokkaanse migrantenvrouwen en 2,0 bij de tweede generatie van Marokkaanse herkomst. Ondanks de daling van het gemiddeld kindertal onder vrouwen met een Marokkaanse herkomst, krijgen zij van de vijf grootste herkomstgroepen nog steeds de meeste kinderen. Bij vrouwen van de tweede generatie van Turkse herkomst was het kindertal met 1,5 gelijk aan het landelijk gemiddelde. Het gemiddeld kindertal van vrouwen met een Surinaamse of Nederlands-Caribische herkomst is in deze periode veel stabieler gebleven, en ligt in 2023 zowel voor vrouwen die in het buitenland als voor die in Nederland zijn geboren rond het landelijk gemiddelde. Vrouwen met een Europese of Indonesische herkomst krijgen gemiddeld minder kinderen dan gemiddeld, vooral bij vrouwen die in het buitenland zijn geboren.

Het kindertal hangt nauw samen met het inkomen van vrouwen. Rekening houdend met inkomen blijven de verschillen tussen herkomstgroepen echter bestaan.

1.5.2 Gemiddeld kindertal naar herkomst en geboorteland, 2023
Geboorteland Totaal Geboren in Nederland Geboren in buitenland
Totaal 1,430 1,479 1,287
. . .
Nederland 1,475 1,475 .
. . .
Europa (excl. NL) 1,061 1,306 1,010
. . .
Buiten-Europa 1,520 1,549 1,527
Turkije 1,478 1,538 1,376
Marokko 2,057 1,955 2,535
Suriname 1,428 1,437 1,489
Nederlandse Cariben 1,512 1,594 1,456
Indonesië 1,255 1,331 1,002

Noten

De nieuwe EU-landen zijn Bulgarije, Cyprus, Estland, Hongarije, Kroatië, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Roemenië, Slovenië, Slowakije en Tsjechië.

Tot de vluchtelingenlanden worden hier Afghanistan, Eritrea, Irak, Iran, Somalië en Syrië gerekend.

Nareizigers zijn gezinsleden van asielmigranten die gebruikmaken van de zogenoemde nareisregeling. Deze gezinsleden ontvangen vervolgens een afgeleide asielvergunning. Zij vallen in de CBS-cijfers onder het motief ‘asiel’. Gezinsleden van asielmigranten die geen gebruikmaken van de nareisregeling, kunnen in aanmerking komen voor reguliere gezinshereniging. Zij behoren in de CBS-cijfers tot het motief ‘Gezin’/’Gezins­hereniging’.

Voor mensen die geboren zijn in de Nederlandse Cariben is geen migratiemotief bekend, zij hebben de Nederlandse nationaliteit.

De herkomst van de moeder is hierbij bepalend, tenzij zij een Nederlandse of onbekende herkomst heeft, dan wordt uitgegaan van de herkomst van de vader.

Wanneer een huishouden uit meerdere personen bestaat, wordt de referentiepersoon als volgt bepaald: als er een paar is binnen het huishouden: de man; als het paar van gelijk geslacht is: de oudste van het paar; in een éénpersoonshuishouden: de ouder; in een overig huishouden: de oudste meerderjarige man of – als deze ontbreekt – de oudste meerderjarige vrouw.

In huishoudens met een paar wordt eerst gekeken naar het herkomstland van de referentiepersoon in het huishouden. Als het herkomstland van de referentiepersoon Nederland is dan wordt gekeken naar het herkomstland van de partner. Als het herkomstland van de partner ongelijk is aan Nederland dan is het herkomstland van het huishouden het herkomstland van de partner. In alle andere gevallen is het herkomstland van het huishouden het herkomstland van de referentiepersoon.

Exclusief geregistreerde partnerschappen.

Een migratiehuwelijk is een huwelijk waarbij een van de partners zich in het jaar van huwelijkssluiting of erna in Nederland heeft gevestigd, en de andere partner zich al voor die tijd in Nederland heeft gevestigd of in Nederland is geboren.

Het gemiddeld kindertal per vrouw kan worden beschouwd als het gemiddelde kindertal dat vrouwen zouden hebben, als de vruchtbaarheidscijfers van dat jaar van hun vijftiende tot hun vijftigste zouden gelden, zie begrippenlijst.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Redactie

Martine de Mooij, Dion Dieleman, Bram Hogendoorn, Kirsten van Houdt en Fijnanda van Klingeren

Eindredactie

Elma Wobma

Opmaak figuren

Bram Hogendoorn en Fijnanda van Klingeren

Monitordeel

  1. Bevolking
    Yannick Geel, Han Nicolaas, Dominique van Roon
  2. Wonen
    Aafke Heringa, Fijnanda van Klingeren, Han Nicolaas en Hans Vreeken
  3. Onderwijs
    Bram Hogendoorn, Irene Kuin, Francis van der Mooren
  4. Sociaaleconomische positie
    Frank Hoekema, Bram Hogendoorn, Paul Horikx, Sander van Schie en Eveline Vandewal
  5. Criminaliteit
    Bram Hogendoorn, Mathilde Kennis, Carlijn Verkleij en Wim Vissers
  6. Gezondheid
    Myrthe Jansen, Fijnanda van Klingeren, Floor van Oers, Carin Reep en Laura Voorrips
  7. Sociale samenhang en participatie
    Hans Schmeets

Verdiepend deel

  1. De invloed van het netwerk op taalvaardigheid van kinderen
    Marjolijn Das, Fijnanda van Klingeren en Jan van der Laan
  2. Loopbanen van afgestudeerden in hoog- en laagconjunctuur
    Karen van Hedel en Bram Hogendoorn
  3. Contact tussen buurtbewoners en opvattingen over diversiteit
    Bram Hogendoorn