Foto omschrijving: Man en vrouw overlegen in een fabriek met tablet in de hand.

Verdienen

In dit hoofdstuk staat het inkomen dat mannen en vrouwen met betaald werk verdienen centraal. Hoe groot is het uurloonverschil tussen mannen en vrouwen? Is dit verschil kleiner geworden? Hoeveel mannen en vrouwen verdienen minimaal het bijstands­niveau en zijn daarmee economisch zelfstandig? En welke mannen en vrouwen zijn het vaakst economisch zelfstandig?

4.1Neemt het loonverschil tussen mannen en vrouwen af?

Verschil in uurloon groter in bedrijfsleven dan bij overheid

In 2022 was binnen de overheid het gemiddelde bruto-uurloon (zie Begrippen) van vrouwen 1,60 euro lager dan dat van mannen. In 2014 was dit verschil ruim een euro meer. In het bedrijfsleven ligt het bruto-uurloon van vrouwen alle onderzochte jaren ongeveer 4,50 euro lager dan dat van mannen. Wel is het loon van zowel vrouwen als mannen gestegen, waardoor het loonverschil in 2022 enkele procentpunten kleiner is dan in 2014.

4.1.1 Gemiddeld bruto-uurloon werknemers (euro)
Jaar Vrouwen bij overheid Mannen bij overheid Vrouwen in bedrijfsleven Mannen in bedrijfsleven
2014 24,32 26,89 18,88 23,36
2016 25,65 28,39 19,39 23,85
2018 26,22 28,66 20,13 24,58
2020 28,02 30,04 21,5 26,02
2022 29,73 31,33 22,9 27,4

Loonverschillen het grootst op hogere leeftijden

Tot een leeftijd van ongeveer 40 jaar stijgen de lonen van zowel mannelijke als vrouwelijke werknemers. Binnen de overheid verdienen vrouwen tot deze leeftijd gemiddeld evenveel of meer dan mannen. Boven de 40 jaar stijgt het gemiddelde loon van mannen nog en is dan hoger dan dat van vrouwen. In het bedrijfsleven is het gemiddelde loon van mannen al vanaf ongeveer 30 jaar hoger dan dat van vrouwen. Boven de 50 jaar is dit loonverschil het grootst.

4.1.2 Gemiddeld bruto-uurloon werknemers, 2022 (euro)
leeftijd Vrouwen bij overheid Mannen bij overheid Vrouwen in bedrijfsleven Mannen in bedrijfsleven
20 15,2 13,94 13,41 13,29
21 17,44 15,98 14,96 14,95
22 18,87 17,37 15,88 15,97
23 19,89 18,56 16,68 16,71
24 20,6 19,36 17,5 17,59
25 21,31 20,15 18,41 18,48
26 22,12 21,04 19,22 19,36
27 23 21,67 19,99 20,23
28 23,78 22,56 20,7 21,1
29 24,54 23,35 21,32 22
30 25,41 24,28 22 22,83
31 26,21 25,07 22,47 23,68
32 27,03 26,03 23,01 24,48
33 27,84 27 23,44 25,24
34 28,62 27,67 23,91 25,89
35 29,31 28,63 24,2 26,57
36 30,17 29,37 24,52 27,25
37 30,64 30,01 24,75 27,76
38 31,19 30,68 24,94 28,32
39 31,52 31,51 24,94 28,93
40 31,93 31,86 25,16 29,4
41 31,96 32,57 25,23 29,98
42 32,06 33,44 25,31 30,24
43 32,2 33,49 25,3 30,46
44 32,39 34,08 25,28 31,04
45 32,45 34,09 25,32 31,31
46 32,76 34,28 25,24 31,68
47 32,42 34,38 25,21 32
48 32,08 34,23 24,88 32,12
49 32,35 34,35 24,99 32,56
50 32,3 34,4 24,84 32,6
51 32,03 34,46 24,65 32,76
52 32,02 34,51 24,59 32,7
53 31,96 34,64 24,45 32,71
54 31,63 34,91 24,09 32,7
55 31,56 35,03 24,02 32,68
56 31,46 35,06 23,83 32,34
57 31,5 34,75 23,69 32,26
58 31,43 35,11 23,59 32,13
59 31,19 35,09 23,42 31,8
60 31,34 35,06 23,33 31,51
61 31,31 35,19 23,29 31,26
62 31,37 35,51 23,06 30,88
63 31,42 35,6 22,99 30,66
64 30,99 35,59 22,71 30,03
65 30,89 35,38 22,3 29,43

Methodewijziging

Deze paragraaf beschrijft uitkomsten van het onderzoek van de Monitor Loon­verschillen 2022. De methode van dit onderzoek is in 2022 gewijzigd. Daardoor wijken de uitkomsten in deze paragraaf af van de uitkomsten in de vorige editie van de Emancipatiemonitor. De trends zijn echter wel hetzelfde. De methodewijziging betrof zowel een aanpassing van de onderzoekspopulatie als verbetering van de methode om statistisch gecorrigeerde cijfers te berekenen. Meer informatie over de wijzigingen is te vinden in de publicatie Methodewijziging Monitor Loonverschillen mannen en vrouwen.

Europese richtlijn loontransparantie

In het voorjaar van 2023 hebben het Europees parlement en de Europese raad een richtlijn vastgesteld ‘ter versterking van de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannen en vrouwen voor gelijke of gelijkwaardige arbeid door middel van belonings­transparantie en handhavingsmechanismen’ (EU, 2023). Zoals ook uit deze paragraaf blijkt is er sprake van een loonverschil tussen mannen en vrouwen met vergelijkbaar werk. De Europese richtlijn loontransparantie somt maatregelen op om dit loonverschil terug te dringen. Een belangrijke ervan is dat werkgevers duidelijkheid moeten geven aan werknemers (en sollicitanten) hoe de beloning en de ontwikkeling daarvan tot stand komt. Desgevraagd moeten ze werknemers informatie geven over hun individuele beloningsniveau en het gemiddelde beloningsniveau van mannelijke en vrouwelijke collega’s met gelijk of gelijkwaardig werk. Verder moeten ze ook met regelmaat informatie geven over de loonverschillen tussen mannen en vrouwen binnen hun organisatie. Deze maatregelen moeten bijdragen aan een betere positie van werknemers doordat zij meer inzicht krijgen in (mogelijke) loonverschillen. De landen van de Europese Unie moeten de richtlijn vóór de zomer van 2026 implementeren. Toenmalig minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Van Gennip gaf in december 2023 in een Kamerbrief aan dat ze werkt aan een spoedige implementatie van deze richtlijn in Nederlandse wetgeving (SZW, 2023). In hoofdstuk 8 staat een internationale vergelijking van loonverschillen tussen mannen en vrouwen.

Loonverschil bij de overheid sterk afgenomen

Bij de overheid nemen de loonverschillen tussen vrouwen en mannen af. Lag in 2014 het loon van vrouwen gemiddeld nog 9,6 procent lager dan dat van mannen, in 2022 was dit loonverschil bijna gehalveerd tot 5,1 procent. Bij de berekening van dit gemiddelde loonverschil is geen rekening gehouden met verschillen tussen persoons- en baankenmerken van mannen en vrouwen. Verschillen in bijvoorbeeld leeftijd, ervaring of beroepsniveau kunnen een deel van de loonverschillen verklaren (zie kader ‘Feitelijke en statistisch gecorrigeerde loonverschillen’). Als met deze (en andere) achtergrondverschillen rekening gehouden wordt, zijn de loonverschillen tussen vrouwen en mannen die bij de overheid werken minder groot en zijn deze sinds 2014 ook sterker afgenomen. In 2014 was het statistisch gecorrigeerde loonverschil 6,4 procent; in 2022 was dit loonverschil afgenomen tot 1,8 procent.

Een sterk verklarende factor voor het loonverschil tussen mannen en vrouwen bij de overheid is dat vrouwen een relatief groot deel van hun arbeidsverleden in deeltijd gewerkt hebben (Van der Vliet, Bosman, Hoogendoorn, Van Wissen-Floris, en Zweerink, 2023). Zij bouwen hierdoor minder werkervaring op. Ook bekleden vrouwen bij de overheid minder vaak een leidinggevende functie dan mannen. Beide factoren vergroten het loonverschil tussen mannen en vrouwen. Hier staat tegenover dat vrouwen bij de overheid gemiddeld hoger opgeleid zijn dan mannen. Dit verkleint juist hun loonverschil met mannen.

4.1.3 Loonverschillen tussen werknemers bij de overheid (% dat vrouwen minder verdienen dan mannen)
Jaar Feitelijke loonverschil Gecorrigeerde loonverschil
2014 9,6 6,4
2016 9,6 4,8
2018 8,5 4,1
2020 6,7 2,9
2022 5,1 1,8

Feitelijke en statistisch gecorrigeerde loonverschillen

Het CBS berekent feitelijke en statistisch gecorrigeerde loonverschillen voor werknemers in het bedrijfsleven en bij de overheid. Het feitelijke loonverschil is het procentuele verschil tussen het gemiddelde bruto-uurloon van mannen en het gemiddelde bruto-uurloon van vrouwen.

Bij de berekening van het statistisch gecorrigeerde loonverschil zijn uurlonen vergeleken tussen mannen en vrouwen met vergelijkbare achtergrondkenmerken. Het statistisch gecorrigeerde loonverschil is berekend met behulp van regressieanalyse. In deze analyse is gekeken in welke mate geslacht nog een rol speelt in de verloning van werknemers wanneer er rekening wordt gehouden met diverse factoren waarvan bekend is dat ze invloed hebben op de hoogte van lonen. Denk bijvoorbeeld aan de gevolgde opleiding, het wel of niet leidinggeven en de bedrijfstak waarin werknemers werkzaam zijn. In het huidige onderzoek zijn de loonverschillen tussen mannen en vrouwen statistisch gecorrigeerd voor de volgende factoren:

  • Kenmerken van de werknemer: leeftijd, herkomst, opleidingsniveau, onderwijsrichting, aantal jaren in dienst bij huidige werkgever, loopbaanonderbrekingen, gemiddelde deeltijdfactor per maand in de afgelopen vijftien jaar, woonregio, stedelijkheid van de woongemeente;
  • Kenmerken van de werkgever: bedrijfstak, aantal werkzame personen in de organisatie;
  • Kenmerken van de baan: beroepsniveau, beroepsrichting, contract voor bepaalde/onbepaalde tijd, voltijd/deeltijd, soort arbeidsrelatie, leidinggevende functie.

Als er loonverschillen overblijven na correctie voor verschillen in achtergrondkenmerken van werknemers, betekent dit niet zonder meer dat er sprake is van belonings­discriminatie. Beloningsdiscriminatie houdt in dat er geen ‘gelijk loon voor arbeid van gelijke waarde’ wordt toegepast. Het is met de beschikbare onderzoeks­gegevens echter niet exact meetbaar wat ‘arbeid van gelijke waarde’ en wat ‘gelijke beloning’ is. Een loonverschil betekent dus niet per se dat er sprake is van beloningsdiscriminatie. Voor meer informatie zie Van der Vliet et al. (2023).

Loonverschil in het bedrijfsleven neemt langzaam af

In het bedrijfsleven neemt het procentuele loonverschil tussen vrouwen en mannen veel langzamer af dan bij de overheid. In 2014 was het gemiddelde loon van vrouwen 19,2 procent lager dan dat van de mannen; in 2022 was dat 16,4 procent. Rekening houdend met verschillen in achtergrondkenmerken, zijn de loonverschillen tussen vrouwen en mannen in het bedrijfsleven kleiner. In 2014 lag het statistische gecorrigeerde loon van vrouwen 9,6 procent lager dan dat van mannen; in 2022 was dat 6,9 procent lager. Ook het statistisch gecorrigeerde loonverschil tussen vrouwen en mannen in het bedrijfsleven nam sinds 2014 dus af, maar bleef tussen 2020 en 2022 gelijk.

Net als bij de overheid is een arbeidsverleden van deeltijdwerk een sterke verklarende factor voor het loonverschil tussen mannen en vrouwen in het bedrijfsleven. En ook in het bedrijfsleven bekleden vrouwen minder vaak een leidinggevende functie dan mannen. Dit vergroot, naast andere factoren, het loonverschil tussen mannen en vrouwen.

4.1.4 Loonverschillen tussen werknemers in het bedrijfsleven (% dat vrouwen minder verdienen dan mannen)
Jaar Feitelijke loonverschil Gecorrigeerde loonverschil
2014 19,2 9,6
2016 18,7 8,2
2018 18,1 7,9
2020 17,3 7
2022 16,4 6,9

Grootste loonverschillen binnen financiële instellingen en handel

De loonverschillen tussen mannen en vrouwen in het bedrijfsleven zijn niet in elke bedrijfstak even groot. De feitelijke loonverschillen zijn het grootst binnen de financiële instellingen en de handel. In deze bedrijfstakken ligt het gemiddelde loon van vrouwen meer dan 20 procent lager dan het gemiddelde loon van mannen. In de bouwnijverheid en de kleinere bedrijfstak van energie- en waterleidingbedrijven is het loonvoordeel van mannen ten opzichte van vrouwen het kleinst. Als rekening gehouden wordt met verschillen in achtergrondkenmerken verschuift het beeld. De loonverschillen binnen de financiële instellingen en de handel blijven tot de grootste behoren, met een 10 procent lager loon voor vrouwen, maar de verschillen met andere bedrijfstakken zijn kleiner geworden. Het statistisch gecorrigeerde loonverschil is het grootst in de kleine bedrijfstak van de delfstoffenwinning. De statistische correctie verklaart vooral veel van het loonverschil tussen vrouwen en mannen binnen de gezondheids- en welzijnszorg. Het feitelijke loonverschil is met 18,3 procent ruim vijf keer zo hoog als het statistisch gecorrigeerde loonverschil van 3,4 procent. Dit komt onder andere doordat er in de lager betaalde beroepen in de gezondheidszorg, zoals de niet-specialistische verpleging, relatief veel vrouwen werken. Bovendien werken verpleegkundigen vaak in deeltijd (CBS, 2022a).

4.1.5 Loonverschillen werknemers in het bedrijfsleven naar bedrijfstak, 2022 (% dat vrouwen minder verdienen dan mannen)
Bedrijfstak Feitelijke loonverschil Gecorrigeerde loonverschil
Financiele instellingen 24,9 10,4
Handel 22,5 10,3
Gezondheids- en welzijnszorg 18,3 3,4
Zakelijke dienstverlening 18,1 8,1
Cultuur en overige dienstverlening 17,7 7,5
Delfstoffenwinning 16,5 21,7
Industrie 15,7 6,6
Landbouw en visserij 14,8 8,5
Vervoer 13,2 4,7
Horeca 9,5 2,6
Bouwnijverheid 8,1 3,7
Energie- en waterleidingbedrijven 4,9 -2,2

4.2Neemt de economische zelfstandigheid toe?

Economische zelfstandigheid vrouwen in 2023 minder hard gegroeid

In 2023 was 69,5 procent van alle niet-onderwijsvolgende vrouwen van 15 jaar tot de AOW-leeftijd economisch zelfstandig (zie Begrippen), zo blijkt uit gegevens uit het Integraal Inkomens- en Vermogensonderzoek (IIV). Deze vrouwen verdienen netto minstens het bijstandsniveau (1 200 euro per maand in 2023). Zij verdienen dit met arbeid of een eigen onderneming. Het aandeel economische zelfstandige vrouwen groeit al jaren, wat in lijn is met één van de doelstellingen van het emancipatiebeleid (zie OCW, 2022). In coronajaar 2020 vlakte de groei bij vrouwen wel af, maar dat herstelde zich. In 2023 vlakte de groei echter opnieuw af. De lonen stegen in 2023 minder sterk dan het minimumloon (CBS, 2024a) en de daaraan gekoppelde bijstand. Het verdiende inkomen kwam daardoor minder snel boven de bijstand uit.

Gedurende de economische crisis van 2009–2013 bleef het aandeel economisch zelfstandige vrouwen min of meer gelijk. Tussen 2014 en 2019 was er een relatief sterke toename. Daarbij speelt de gestegen arbeidsduur een rol: vrouwen werken steeds vaker in een grote deeltijdbaan van 28 tot 35 uur per week (zie m/v-stat). Langer geleden, in de jaren tachtig en negentig, was het vooral de sterke toename van de arbeidsparticipatie die bijdroeg aan de stijging van het aandeel economisch zelfstandigen vrouwen (CBS, 2024b). Bij mannen volgt het aandeel economisch zelfstandigen de conjunctuur. In de economische crisis van 2009–2013 en ook in 2020 daalde het. In 2021 en 2022 steeg het aandeel weer, maar de groei stokte in 2023 en kwam uit op 82,8 procent.

Ook steeds meer vrouwen met minstens het minimumloon

De grens voor economische zelfstandigheid gaat uit van een inkomensminimum voor een alleenstaande. Om ook met kinderen te kunnen rondkomen, hanteert de overheid een tweede maat voor het meten van de vordering van het emancipatiebeleid: financiële onafhankelijkheid (zie OCW, 2022). Daarbij ligt de drempelwaarde hoger: het netto verdiende inkomen moet minstens het minimumloon (1 720 euro per maand in 2023) bedragen. Het aandeel financieel onafhankelijke vrouwen en mannen is uiteraard lager dan het aandeel economisch zelfstandigen. De financiële onafhankelijkheid liet bij vrouwen en mannen dezelfde trends zien als de economische zelfstandigheid. Mannen zijn vaker financieel onafhankelijk dan vrouwen (78 tegen 59 procent), maar het verschil is kleiner geworden. Met name moeders met een partner zijn nu vaker financieel onafhankelijk (zie m/v-stat).

4.2.1 Economische zelfstandigheid en financiële onafhankelijkheid (% van niet-onderwijsvolgenden
van 15 jaar tot AOW-leeftijd)
Economische zelfstandigheid vrouwen Economische zelfstandigheid mannen Financiele onafhankelijkheid vrouwen Financiele onafhankelijkheid mannen
'11 56,5 78,9 42,3 73,1
'12 56,8 78,2 42,6 72,3
'13 56,7 77,3 43,5 71,6
'14 57,1 77,5 44,8 72
'15 57,9 78,2 45,9 72,7
'16 59,3 79 48,5 74,1
'17 60,7 79,7 50 74,9
'18 62,5 80,8 51,6 76
'19 64 81,4 53,1 76,6
'20 64,4 80,3 53,7 75,6
'21 66,5 81,5 56 76,7
'22 69,1 83,1 58,9 78,6
'23* 69,5 82,8 59,4 78,1

Bij echtscheiding verliezen vrouwen kwart aan koopkracht

Bij de meeste vrouwen vermindert de koopkracht sterk bij een echtscheiding, terwijl die bij mannen doorgaans toeneemt. Bij vrouwen die in 2021 scheidden, was de koopkracht in het jaar na de scheiding in doorsnee 24,6 procent lager dan in het jaar voor de scheiding. Dit betekent dat de helft van de gescheiden vrouwen meer verlies had, de andere helft minder (of vooruitgang in koopkracht). Bij mannen die in 2021 scheidden, veranderde de koopkracht nauwelijks (in doorsnee 0,1 procent). Bij zowel mannen als vrouwen beweegt de koopkrachtverandering bij een scheiding mee met de ontwikkeling van de koopkracht in de bevolking. Bij een relatief gunstige koopkrachtontwikkeling (zoals in 2016, 2017, 2020 en 2021) is het koopkrachtverlies na een scheiding bij vrouwen bijvoorbeeld kleiner dan in jaren met een relatief ongunstige koopkrachtontwikkeling. Hoewel steeds meer vrouwen economisch zelfstandig zijn, neemt het koopkrachtverlies bij een echtscheiding niet af. Dat komt doordat het wegvallen van dat inkomen van de partner vooral economisch zelfstandige vrouwen hard in de portemonnee raakt. Meer economische zelfstandigheid van de vrouw gaat namelijk meestal samen met een hoger inkomen van de partner (Van den Brakel, Herbers en Arts, 2020).

Koopkrachtverandering (doorsnee %-verandering t.o.v. twee jaar eerder)
jaar na scheiding Hele bevolking Gescheiden vrouwen Gescheiden mannen
2013 -2,5 -29,3 -0,9
2014 0,7 -25,6 3,1
2015 3,2 -22 5,7
2016 4,5 -20,4 8,2
2017 3,9 -20,3 8,3
2018 0,4 -23,8 4,5
2019 1,2 -23,1 4,3
2020 4,3 -20,4 6,7
2021 4,3 -21,5 4,8
2022* 0,8 -24,6 0,1

4 op de 5 vrouwen willen economisch zelfstandig zijn

Het merendeel van de bevolking van 16 tot 65 jaar (exclusief onderwijsvolgenden) vindt het belangrijk economisch zelfstandig te zijn. Dit blijkt uit het onderzoek Emancipatie­opinies. Meer mannen dan vrouwen (91 tegen 80 procent) geven aan dat ze economisch zelfstandig willen zijn. In de praktijk zijn beide het echter minder vaak (zie figuur 4.2.1). Mannen vinden het ook vaker dan vrouwen belangrijk om zoveel te verdienen dat in het eigen levensonderhoud en dat van de (eventuele) kinderen kan worden voorzien. In de meeste relaties heeft de man het meeste inkomen (Van den Brakel, 2023) en in lijn daarmee geven mannen ook vaker aan dat zij wel moeten werken, omdat het inkomen niet gemist kan worden.

Niet alleen economische zelfstandigheid, maar ook het verdienen van geld om het financieel goed te hebben vinden relatief veel mensen belangrijk en daar liggen de cijfers van mannen en vrouwen minder ver uiteen. Desalniettemin vinden meer mannen dan vrouwen het belangrijk geld te verdienen om het financieel goed te hebben. Daarnaast geven mannen ook vaker aan door te willen groeien naar een hoger salaris dan vrouwen.

4.2.2Belang inkomen en economische zelfstandigheid1), 2024
Vrouwen Mannen
% (helemaal) eens
Ik wil in mijn werk doorgroeien naar een hoger salaris 62 71
Ik vind het belangrijk geld te verdienen zodat ik/wij het financieel goed hebben 85 91
Ik vind het belangrijk om zelf zoveel te verdienen dat ik in mijn eigen levensonderhoud en dat van mijn eventuele kinderen kan voorzien 78 90
Ik moet wel werken, mijn inkomen kan niet gemist worden 59 79
Ik vind het belangrijk dat ik economisch zelfstandig ben 80 91

Significante verschillen tussen vrouwen en mannen (p<0,05) zijn vetgedrukt.

1)Bevolking van 16 tot 65 jaar, exclusief onderwijsvolgenden.

Meer mannen dan vrouwen vinden voldoende inkomen en economische zelfstandigheid belangrijk. Dit verschil is er echter vooral tussen mannen en vrouwen met een partner (al dan niet met kinderen). Vrouwen met een partner vinden inkomen en economische zelf­standigheid minder belangrijk dan mannen in die situatie. Tussen vrouwen en mannen zonder partner en kinderen is geen statistisch significant verschil in het aandeel dat voldoende inkomen en economische zelfstandigheid belangrijk vindt. Alleenstaande ouders vinden een eigen inkomen en economische zelfstandigheid even vaak van belang als ouders met een partner (zie tabel B.4.2.1).

Van de niet-economisch zelfstandigen hebben vrouwen vaker werk

Van zowel de mannen als de vrouwen die niet-economisch zelfstandig zijn, was het merendeel afhankelijk van een uitkering. Maar vaker dan mannen hebben niet-economisch zelfstandige vrouwen wel werk. Het inkomen uit dat werk is echter te laag om economisch zelfstandig te zijn. Dat komt vooral doordat vrouwen meer in deeltijd werken (zie paragraaf 3.1) en gemiddeld een lager uurloon hebben (zie paragraaf 4.1). 6 procent van de vrouwen had geen eigen inkomen. Vaak hebben deze vrouwen een partner met inkomen.

4.2.3 Economische zelfstandigheid en sociaaleconomische positie, 2023* (% van niet-onderwijsvolgenden
van 15 jaar tot AOW-leeftijd)
Economisch zelfstandig Niet-economisch zelfstandig: werk Niet-economisch zelfstandig: uitkering Niet-economisch zelfstandig: geen inkomen
Vrouwen 69,5 9,3 14,7 6,4
Mannen 82,8 4,3 11 1,9

Werkende mannen vaker economisch zelfstandig dan werkende vrouwen

In 2022 was 93 procent van de werkende mannen economisch zelfstandig, tegenover 85 procent van de werkende vrouwen. Een vast arbeidscontract levert vrijwel altijd een inkomen boven het bijstandsniveau op. Met een flexibel contract waren bijna 8 op de 10 werkenden economisch zelfstandig, vrouwen met 74 procent minder vaak dan mannen (82 procent). Vrouwen die actief zijn als zelfstandige zonder personeel waren met 65 procent het minst vaak economisch zelfstandig. Dit heeft niet alleen te maken met de relatief korte werkweek van vrouwelijke zzp’ers (zie StatLine). Ook de doorgaans laagbetaalde beroepen waarin zij verhoudingsgewijs vaak werken, zoals kapper, schoonheidsspecialist of exploitant van een webwinkel, spelen een rol (CBS, 2020).

4.2.4 Economische zelfstandigheid werkenden, 20221) (% van niet-onderwijsvolgende werkenden
van 15 jaar tot AOW-leeftijd)
Vrouwen Mannen
Werknemer met vaste arbeidsrelatie 92,5 98,3
Werknemer met flexibele arbeidsrelatie 74,2 82,5
Zelfstandige zonder personeel 65,3 84,2
Zelfstandige met personeel 89,3 93,5
1)Meest recente cijfers over positie in de werkkring betreffen 2022.

Man-vrouwverschil economische zelfstandigheid het grootst in overige dienstverlening

Het verschil in economische zelfstandigheid tussen werkende mannen en vrouwen bedroeg 8 procentpunt in 2022. Het man-vrouwverschil was relatief klein in het openbaar bestuur en overheidsdiensten en in het onderwijs. Met 15 procentpunt was het verschil in economische zelfstandigheid tussen mannen en vrouwen het grootst in de overige dienstverlening. In die sector vallen bijvoorbeeld kappers en schoonheidsspecialisten, beroepen met een relatief laag inkomen en waarin relatief veel vrouwen werken.

Werkenden in het openbaar bestuur en overheidsdiensten en in de financiële dienstverlening zijn het vaakst economisch zelfstandig. Bijna iedereen had in deze sectoren een inkomen boven het bijstandsniveau. Werkenden in de cultuur, sport en recreatie, verhuur en overige zakelijke dienstverlening, overige dienstverlening en horeca zijn het minst vaak economisch zelfstandig. In deze sectoren was het aandeel economisch zelfstandige vrouwen minder dan 75 procent, onder mannen was het aandeel minder dan 85 procent.

4.2.5 Economische zelfstandigheid werkenden per bedrijfstak, 20221) (% van niet-onderwijsvolgende werkenden van 15 jaar tot AOW-leeftijd)
Vrouwen Mannen
Openbaar bestuur en overheidsdiensten 98,3 98,8
Onderwijs 92,3 94,5
Financiële dienstverlening 95,1 98,1
Verhuur en handel van onroerend goed 92,3 95,4
Informatie en communicatie 92,1 95,7
Specialistische zakelijke diensten 88,8 94,3
Gezondheids- en welzijnszorg 88,8 95,2
Cultuur, sport en recreatie 74,5 82,6
Vervoer en opslag 82,7 91,7
Nijverheid (geen bouw) en energie 87,9 96,9
Horeca 69,7 80,6
Bouwnijverheid 82,4 94,8
Verhuur en overige zakelijke diensten 70,4 83,3
Handel 79 92,3
Landbouw, bosbouw en visserij 76,8 90,2
Overige dienstverlening 69,9 85,1
1)Meest recente cijfers over bedrijfstak betreffen 2022.

4.3Maken onderwijsniveau en herkomst uit?

Hbo of universitair geschoolde vrouwen vaakst economisch zelfstandig

In 2023 was het aandeel economisch zelfstandigen onder vrouwen 13 procentpunt lager dan onder mannen. Ook op elk onderwijsniveau zijn mannen vaker economisch zelfstandig dan vrouwen. Het kleinst is het man-vrouwverschil bij hbo of universitair geschoolden, en het grootst bij degenen met basisonderwijs of een vmbo-diploma. In die laatste groep is het man-vrouwverschil in het aandeel economisch zelfstandigen 27 procentpunt.

Het aandeel economisch zelfstandigen was met 84 procent onder vrouwen met een afgeronde hbo- of universitaire opleiding hoger dan onder vrouwen met een havo, vwo of mbo-diploma (70 procent). Bij vrouwen met alleen basisonderwijs of een vmbo-diploma was het met 40 procent een stuk lager. Hbo of universitair geschoolden werken vaker en meer uren, en verdienen per uur meer (zie paragraaf 3.3 en Van der Vliet et al., 2023). Vrouwen met basisonderwijs of een vmbo-diploma hebben verreweg het vaakst een uitkering, meestal is dat een bijstandsuitkering. Ook hebben ze het vaakst geen eigen inkomen. Deze vrouwen werken ook relatief vaak zónder daarmee economisch zelfstandig te zijn. Onder vrouwen met een afgeronde hbo- of universitaire opleiding komt het veel minder voor dat ze werken zonder economisch zelfstandig te zijn.

4.3.1 Economische zelfstandigheid en sociaaleconomische positie, 2023* (% van niet-onderwijsvolgenden
van 15 jaar tot AOW-leeftijd)
Economisch zelfstandig Niet-economisch zelfstandig: werk Niet-economisch zelfstandig: uitkering Niet-economisch zelfstandig: geen inkomen
Basisonderwijs, vmbo, mbo1 Vrouwen, Basisonderwijs, vmbo, mbo1 39,9 13,9 32,6 13,7
Basisonderwijs, vmbo, mbo1 Mannen, Basisonderwijs, vmbo, mbo1 67,3 6 23,8 2,8
Havo, vwo, mbo2-4 Vrouwen, Havo, vwo, mbo2-4 70,3 10,3 13,3 6,1
Havo, vwo, mbo2-4 Mannen, Havo, vwo, mbo2-4 84,8 4 9,4 1,8
Hbo, wo Vrouwen, Hbo, wo 83,5 5,4 7 4,1
Hbo, wo Mannen, Hbo, wo 90,2 2,8 5,4 1,6

Vooral hbo’ers en universitair geschoolde vrouwen hechten aan economische zelfstandigheid

Vrouwen met basisonderwijs of een vmbo-diploma hechten minder belang aan inkomen en economische zelfstandigheid dan vrouwen met een ander onderwijsniveau. Dit verschil naar onderwijsniveau is voor een deel ook te zien bij mannen, maar er zijn ook stellingen over inkomen en economische zelfstandigheid waar mannen met verschillend onderwijsniveau evenveel waarde aan hechten. Vooral mannen met basisonderwijs of een vmbo-diploma vinden inkomen en economische zelfstandigheid vaker belangrijk dan vrouwen met dit onderwijsniveau (zie tabel B.4.3.1).

Tweede generatie Marokkaanse vrouwen vaker economisch zelfstandig dan mannen

Mannen zijn vaker economisch zelfstandig dan vrouwen en dat is in de verschillende herkomstgroepen niet anders. Bij degenen die in Nederland geboren zijn is het verschil in economische zelfstandigheid tussen mannen en vrouwen het grootst bij een Nederlandse herkomst (beide ouders geboren in Nederland). Binnen deze groep is 73 procent van de vrouwen economisch zelfstandig tegenover 86 procent bij de mannen. Ook in de tweede generatie, dus met minstens een ouder in het buitenland geboren (zie Begrippen), van Indonesische herkomst is het man-vrouwverschil relatief groot. In de Surinaamse en Marokkaanse tweede generatie zijn de verschillen in economische zelfstandigheid tussen mannen en vrouwen het kleinst. De Marokkaanse tweede generatie is zelfs de enige groep waarin het verschil omgekeerd is: vrouwen zijn vaker economisch zelfstandig dan mannen (67 tegen bijna 66 procent).

Tweede-generatievrouwen afkomstig uit Indonesië, Suriname, Nederlands-Cariben of de nieuwste EU-landen (zie Begrippen) zijn door hun gemiddeld hoge arbeidsparticipatie en lange werkweek relatief vaak economisch zelfstandig, ongeveer even vaak als vrouwen met een Nederlandse herkomst. Dit in tegenstelling tot de tweedegeneratie vrouwen met een Turkse of Marokkaanse herkomst: zij hebben in verhouding vaak een uitkering of geen inkomen (zie CBS, 2024c).

4.3.2 Economische zelfstandigheid bij in Nederland geborenen, 2023* (% van niet-onderwijsvolgenden van 15 jaar tot AOW-leeftijd)
Vrouwen Mannen
Beide ouders geboren in Nederland 73,4 86,2
. .
1 of 2 ouder(s) geboren in buitenland 71,6 77,5
. .
Marokko 67 65,8
Suriname 74,3 75,9
Nederlandse Cariben 74,5 77,1
Nieuwe EU 71 78,3
Turkije 67,9 75,5
Indonesië 71,3 82,4

Verschil economische zelfstandigheid mannen en vrouwen relatief groot bij migranten

Onder de in het buitenland geborenen is het verschil tussen mannen en vrouwen groter dan gemiddeld. Bij de migranten was 55 procent van de vrouwen economisch zelfstandig in 2023 en 72 procent van de mannen, een verschil van 17 procentpunt.

Bij de migranten was het man-vrouwverschil het grootst onder degenen met als herkomst Eritrea, met 48 procentpunt. Het aandeel economisch zelfstandigen onder migrantenmannen uit Eritrea is ruim 3 keer zo hoog als onder migrantenvrouwen met deze herkomst. Van de vrouwen uit de vluchtelingenlanden Syrië, Somalië en Eritrea heeft de meerderheid een uitkering, meestal een bijstandsuitkering (zie CBS, 2024c). Deze vrouwen zijn minder vaak economisch zelfstandig dan vrouwen met een Iraakse, Iraanse of Afghaanse herkomst. De man-vrouwverschillen bij migranten uit Irak, Iran en Afghanistan zijn kleiner dan die van migranten uit Syrië, Somalië en Eritrea.

Onder migranten met als herkomst Suriname of de Nederlandse Cariben zijn de verschillen in economische zelfstandigheid tussen mannen en vrouwen het kleinst (respectievelijk 6 en 8 procentpunt). Deze verschillen zijn kleiner dan die in de groep met een Nederlandse herkomst (13 procentpunt). Het man-vrouwverschil van Iraanse migranten ligt het dichtst in de buurt van degenen met een Nederlandse herkomst.

4.3.3 Economische zelfstandigheid bij in buitenland geborenen, 2023* (% van niet-onderwijsvolgenden van 15 jaar tot AOW-leeftijd)
Vrouwen Mannen
Totaal 55,1 72,2
. .
Suriname 64,6 70,7
Nederlandse Cariben 64,5 72,5
Nieuwe EU 68,3 83,1
Indonesië 58,6 77,4
Marokko 31 58
Turkije 34,7 65,1
. .
Iran 51,1 65
Irak 35,2 55,1
Afghanistan 39,4 63,6
Syrië 14,3 42,2
Somalië 26,8 57,9
Eritrea 24,6 72,4

4.4Maakt stedelijkheid uit?

Man-vrouw verschil kleinst in meest stedelijke gemeente

In zowel de meest, matig als minst stedelijke gemeenten (zie Begrippen) zijn mannen vaker economisch zelfstandig dan vrouwen. Het grootst is het man-vrouwverschil in de minst stedelijke gemeenten. Hier was 86 procent van de mannen in 2023 economische zelfstandig tegen 69 procent van de vrouwen, een verschil van 16 procentpunt. In matig stedelijke gemeenten was het verschil bijna even groot. In de meest stedelijke gebieden was het verschil 12 procentpunt.

Vrouwen in de minst stedelijke gebieden zijn overigens even vaak economisch zelfstandig als vrouwen in de meest stedelijke gebieden (69 procent). Het verschil wordt dus gemaakt door de mannen. In de meest stedelijke gemeenten hebben vrouwen het vaakst een uitkering, meestal is dat een bijstandsuitkering. In de minst stedelijke gebieden komt het juist iets vaker voor dat vrouwen werken zonder economisch zelfstandig te zijn.

4.4.1 Economische zelfstandigheid en sociaaleconomische positie, 2023* (% van niet-onderwijsvolgenden
van 15 jaar tot AOW-leeftijd)
Economisch zelfstandig Niet-economisch zelfstandig: werk Niet-economisch zelfstandig: uitkering Niet-economisch zelfstandig: geen inkomen
Minst stedelijk Vrouw, Minst stedelijk 69,3 11 12,9 6,8
Minst stedelijk Man, Minst stedelijk 85,5 3,5 9,5 1,5
Matig stedelijk Vrouw, Matig stedelijk 70,6 9,7 13,4 6,3
Matig stedelijk Man, Matig stedelijk 85,2 3,6 9,6 1,6
Meest stedelijk Vrouw, Meest stedelijk 69,3 8,4 16 6,2
Meest stedelijk Man, Meest stedelijk 80,8 4,9 12,1 2,2

Vrouwen vaakst economisch zelfstandig in Rozendaal

In alle gemeenten zijn mannen vaker economisch zelfstandig dan vrouwen. Het kleinst was het man-vrouwverschil in Groningen (5 procentpunt), het grootst op Urk. In die laatste gemeente was het aandeel economisch zelfstandigen onder mannen in 2023 bijna 31 procentpunt hoger dan onder vrouwen. Gemiddeld in Nederland was dat 13 procentpunt. In de vier grote steden was het man-vrouwverschil kleiner dan het landelijk gemiddelde: in Utrecht en Amsterdam was dit 7 procentpunt, in Rotterdam en Den Haag 11 procentpunt.

Vrouwen in Rozendaal waren met 79 procent het vaakst economisch zelfstandig. Op de tweede en derde plek stonden Zoeterwoude en Bunnik (beide 78 procent). Van de vier grote steden had Utrecht het hoogste aandeel economisch zelfstandige vrouwen (76 procent). Daarna volgden Amsterdam (71 procent) en Den Haag en Rotterdam (beide 65 procent). Onderaan de lijst staan gemeenten als Urk, Pekela, Heerlen, Vaals, en Kerkrade. In deze gemeenten was het aandeel economisch zelfstandige vrouwen kleiner dan 60 procent.

In de gemeenten Staphorst, Scherpenzeel en Molenlanden waren mannen met bijna 91 procent het vaakst economisch zelfstandig. In de vier grote steden is het aandeel economisch zelfstandige mannen lager dan gemiddeld.

4.4.2 Economisch zelfstandige vrouwen, 2023*
Economisch zelfstandige vrouwen
Aa en Hunze 70,6
Aalsmeer 76,7
Aalten 70,2
Achtkarspelen 63,4
Alblasserdam 65,2
Albrandswaard 75,2
Alkmaar 69,6
Almelo 61,7
Almere 69,6
Alphen aan den Rijn 74,3
Alphen-Chaam 75,4
Altena 67
Ameland 72,7
Amersfoort 74,2
Amstelveen 70,2
Amsterdam 70,5
Apeldoorn 69
Arnhem 67,9
Assen 70,3
Asten 71,6
Baarle-Nassau 70,5
Baarn 72,8
Barendrecht 73,6
Barneveld 66,8
Beek (L.) 66,9
Beekdaelen 68
Beesel 68,6
Berg en Dal 69,8
Bergeijk 73,1
Bergen (L.) 68,6
Bergen (NH.) 66
Bergen op Zoom 65,5
Berkelland 71,2
Bernheze 73,6
Best 71,1
Beuningen 72,5
Beverwijk 68,6
Bladel 75,1
Blaricum 69,8
Bloemendaal 71,9
Bodegraven-Reeuwijk 72,7
Boekel 74,9
Borger-Odoorn 65,1
Borne 72,7
Borsele 67,5
Boxtel 71,8
Breda 72,8
Bronckhorst 70,1
Brummen 69,2
Brunssum 61,1
Bunnik 78
Bunschoten 72,9
Buren 69,7
Capelle aan den IJssel 68,7
Castricum 73,9
Coevorden 64,5
Cranendonck 69,4
Culemborg 72
Dalfsen 73,3
Dantumadiel 62,7
De Bilt 73,2
De Fryske Marren 69
De Ronde Venen 73,4
De Wolden 71,5
Delft 70,1
Den Helder 65,2
Deurne 70,7
Deventer 69,3
Diemen 74,9
Dijk en Waard 70,7
Dinkelland 75,7
Doesburg 61,4
Doetinchem 67,6
Dongen 72,8
Dordrecht 65,5
Drechterland 70,9
Drimmelen 73,2
Dronten 69,4
Druten 71,8
Duiven 70,7
Echt-Susteren 66,3
Edam-Volendam 69,5
Ede 69,5
Eemnes 73,3
Eemsdelta 61
Eersel 74,3
Eijsden-Margraten 74,1
Eindhoven 68,7
Elburg 66,7
Emmen 61,5
Enkhuizen 67,8
Enschede 63,4
Epe 67,1
Ermelo 68,6
Etten-Leur 70
Geertruidenberg 71,3
Geldrop-Mierlo 69,1
Gemert-Bakel 70,9
Gennep 71,4
Gilze en Rijen 72,3
Goeree-Overflakkee 66,4
Goes 69,1
Goirle 74,9
Gooise Meren 74,8
Gorinchem 67,7
Gouda 69,3
Groningen (gemeente) 71,8
Gulpen-Wittem 68,7
Haaksbergen 72,4
Haarlem 73,4
Haarlemmermeer 73,9
Halderberge 66,5
Hardenberg 70,8
Harderwijk 69,9
Hardinxveld-Giessendam 65,7
Harlingen 63,9
Hattem 71,2
Heemskerk 68,7
Heemstede 74,4
Heerde 67,8
Heerenveen 69,3
Heerlen 58,9
Heeze-Leende 74,4
Heiloo 72,5
Hellendoorn 71,8
Helmond 65,2
Hendrik-Ido-Ambacht 72,3
Hengelo (O.) 68,4
Het Hogeland 65,8
Heumen 74,8
Heusden 71
Hillegom 74,1
Hilvarenbeek 76,8
Hilversum 71,4
Hoeksche Waard 70,9
Hof van Twente 72,5
Hollands Kroon 68,3
Hoogeveen 64,9
Hoorn 68,7
Horst aan de Maas 74,4
Houten 75,9
Huizen 70,5
Hulst 66,8
IJsselstein 74,6
Kaag en Braassem 75,3
Kampen 68,6
Kapelle 70,9
Katwijk 70
Kerkrade 58,3
Koggenland 73,2
Krimpen aan den IJssel 67,5
Krimpenerwaard 70,2
Laarbeek 71,5
Land van Cuijk 72,5
Landgraaf 63,5
Landsmeer 73,8
Lansingerland 76,5
Laren (NH.) 65,5
Leeuwarden 68,5
Leiden 74
Leiderdorp 74,9
Leidschendam-Voorburg 71,2
Lelystad 66,5
Leudal 71,1
Leusden 75,2
Lingewaard 74,6
Lisse 73,9
Lochem 69,2
Loon op Zand 71,7
Lopik 73
Losser 69,6
Maasdriel 69,4
Maasgouw 70,1
Maashorst 71,3
Maassluis 68,4
Maastricht 64,5
Medemblik 69,2
Meerssen 71,7
Meierijstad 71,3
Meppel 71,3
Middelburg (Z.) 67,9
Midden-Delfland 75,8
Midden-Drenthe 71
Midden-Groningen 63,4
Moerdijk 69,2
Molenlanden 67,9
Montferland 67
Montfoort 75
Mook en Middelaar 72,6
Neder-Betuwe 63,6
Nederweert 71,8
Nieuwegein 71,8
Nieuwkoop 74,3
Nijkerk 70,7
Nijmegen 71,9
Nissewaard 65,6
Noardeast-Frysl�n 64,8
Noord-Beveland 66,4
Noordenveld 70,5
Noordoostpolder 68,2
Noordwijk 72,6
Nuenen, Gerwen en Nederwetten 73,6
Nunspeet 63,7
Oegstgeest 75,9
Oirschot 72,9
Oisterwijk 73,6
Oldambt 62
Oldebroek 64,4
Oldenzaal 71,7
Olst-Wijhe 72,3
Ommen 69,4
Oost Gelre 76,2
Oosterhout 68,9
Ooststellingwerf 67
Oostzaan 75,3
Opmeer 73,3
Opsterland 69,1
Oss 67,9
Oude IJsselstreek 67,7
Ouder-Amstel 76,9
Oudewater 75,2
Overbetuwe 73,7
Papendrecht 69,8
Peel en Maas 72,1
Pekela 58,6
Pijnacker-Nootdorp 77,4
Purmerend 70,8
Putten 67,3
Raalte 73,3
Reimerswaal 62,3
Renkum 70,9
Renswoude 71,3
Reusel-De Mierden 73,5
Rheden 66,7
Rhenen 67,4
Ridderkerk 67,7
Rijssen-Holten 67,4
Rijswijk (ZH.) 69,9
Roerdalen 66
Roermond 65,9
Roosendaal 66,8
Rotterdam 65,3
Rozendaal 78,5
Rucphen 62,9
Schagen 70,9
Scherpenzeel 71
Schiedam 66,9
Schiermonnikoog 67,4
Schouwen-Duiveland 66,8
's-Gravenhage (gemeente) 64,7
's-Hertogenbosch 72,1
Simpelveld 67,8
Sint-Michielsgestel 74,5
Sittard-Geleen 63,3
Sliedrecht 65,3
Sluis 67
Smallingerland 65,3
Soest 71,7
Someren 70,7
Son en Breugel 74,9
Stadskanaal 61,4
Staphorst 67,9
Stede Broec 69,9
Steenbergen 67,2
Steenwijkerland 66,6
Stein (L.) 67,7
Stichtse Vecht 73,6
S�dwest-Frysl�n 68
Terneuzen 65,1
Terschelling 73,1
Texel 69,6
Teylingen 76,5
Tholen 63,5
Tiel 66,7
Tilburg 70,7
Tubbergen 75,9
Twenterand 66,1
Tynaarlo 74,6
Tytsjerksteradiel 69,3
Uitgeest 74,8
Uithoorn 73,7
Urk 58,9
Utrecht (gemeente) 75,9
Utrechtse Heuvelrug 72,7
Vaals 58,3
Valkenburg aan de Geul 68,5
Valkenswaard 70
Veendam 62,6
Veenendaal 67,9
Veere 65,8
Veldhoven 71,1
Velsen 69,8
Venlo 66,6
Venray 71
Vijfheerenlanden 69,7
Vlaardingen 67,5
Vlieland 73,4
Vlissingen 63,4
Voerendaal 70,4
Voorne aan Zee 66,4
Voorschoten 74,6
Voorst 72,6
Vught 75,6
Waadhoeke 67,5
Waalre 72,4
Waalwijk 70
Waddinxveen 72,5
Wageningen 71,8
Wassenaar 63,4
Waterland 72
Weert 68,6
West Betuwe 70,7
West Maas en Waal 71,4
Westerkwartier 71,1
Westerveld 65,4
Westervoort 67,5
Westerwolde 61,3
Westland 74,1
Weststellingwerf 66,4
Wierden 73,1
Wijchen 72,2
Wijdemeren 73,9
Wijk bij Duurstede 73,6
Winterswijk 67,1
Woensdrecht 64,9
Woerden 74,9
Wormerland 71,7
Woudenberg 72,2
Zaanstad 67,9
Zaltbommel 68,4
Zandvoort 66,5
Zeewolde 72,6
Zeist 72,4
Zevenaar 68
Zoetermeer 69,9
Zoeterwoude 78,4
Zuidplas 73,6
Zundert 71,4
Zutphen 65,6
Zwartewaterland 67,8
Zwijndrecht 65,1
Zwolle 73,5
4.4.3 Economisch zelfstandige mannen, 2023*
Economisch zelfstandige mannen
Aa en Hunze 82,7
Aalsmeer 87,8
Aalten 86,6
Achtkarspelen 82,7
Alblasserdam 85,8
Albrandswaard 88
Alkmaar 81,6
Almelo 78,1
Almere 82,5
Alphen aan den Rijn 87,1
Alphen-Chaam 88,1
Altena 89,1
Ameland 86,4
Amersfoort 84,6
Amstelveen 84,1
Amsterdam 77,5
Apeldoorn 82,9
Arnhem 77,6
Assen 80,5
Asten 86
Baarle-Nassau 86,9
Baarn 83,9
Barendrecht 87,2
Barneveld 90,2
Beek (L.) 81,3
Beekdaelen 81,6
Beesel 85,7
Berg en Dal 82,4
Bergeijk 87,9
Bergen (L.) 85,6
Bergen (NH.) 81,1
Bergen op Zoom 81,2
Berkelland 86,3
Bernheze 87,3
Best 86,7
Beuningen 85,9
Beverwijk 82,3
Bladel 88,3
Blaricum 85,3
Bloemendaal 84,6
Bodegraven-Reeuwijk 88,8
Boekel 89
Borger-Odoorn 81,4
Borne 87,7
Borsele 88,3
Boxtel 85,4
Breda 83,4
Bronckhorst 86,2
Brummen 85,3
Brunssum 76,2
Bunnik 88,1
Bunschoten 90
Buren 87,3
Capelle aan den IJssel 81,8
Castricum 86,1
Coevorden 81,4
Cranendonck 85,8
Culemborg 84,4
Dalfsen 88,9
Dantumadiel 82,5
De Bilt 84
De Fryske Marren 86,2
De Ronde Venen 86,6
De Wolden 86,9
Delft 81,5
Den Helder 80,1
Deurne 86,4
Deventer 81
Diemen 83,8
Dijk en Waard 85,3
Dinkelland 89,5
Doesburg 78,9
Doetinchem 82,4
Dongen 86,9
Dordrecht 80,8
Drechterland 86,5
Drimmelen 87,9
Dronten 86
Druten 85,7
Duiven 85,7
Echt-Susteren 81,5
Edam-Volendam 88,9
Ede 86,9
Eemnes 86
Eemsdelta 78,3
Eersel 88
Eijsden-Margraten 85,9
Eindhoven 82,5
Elburg 87,5
Emmen 79,1
Enkhuizen 81,7
Enschede 77,1
Epe 85,3
Ermelo 85,2
Etten-Leur 84,9
Geertruidenberg 87,2
Geldrop-Mierlo 84,9
Gemert-Bakel 86,7
Gennep 84,3
Gilze en Rijen 86,1
Goeree-Overflakkee 88,7
Goes 84,1
Goirle 87,1
Gooise Meren 84,3
Gorinchem 83
Gouda 82,7
Groningen (gemeente) 77,2
Gulpen-Wittem 81
Haaksbergen 86,9
Haarlem 82,4
Haarlemmermeer 86,1
Halderberge 85,2
Hardenberg 87,9
Harderwijk 84,4
Hardinxveld-Giessendam 90,1
Harlingen 80
Hattem 87,1
Heemskerk 84,1
Heemstede 85,6
Heerde 87,1
Heerenveen 83
Heerlen 70,6
Heeze-Leende 88
Heiloo 83,8
Hellendoorn 87,8
Helmond 81,4
Hendrik-Ido-Ambacht 89,6
Hengelo (O.) 81,8
Het Hogeland 81,5
Heumen 84,8
Heusden 86
Hillegom 86,6
Hilvarenbeek 88,4
Hilversum 82,2
Hoeksche Waard 88,6
Hof van Twente 86,7
Hollands Kroon 85,7
Hoogeveen 82,6
Hoorn 81,9
Horst aan de Maas 88,3
Houten 87,9
Huizen 82,3
Hulst 83
IJsselstein 85,8
Kaag en Braassem 88
Kampen 87
Kapelle 89,2
Katwijk 88,3
Kerkrade 72,4
Koggenland 87,7
Krimpen aan den IJssel 86,9
Krimpenerwaard 88,7
Laarbeek 87,6
Land van Cuijk 86,2
Landgraaf 76,2
Landsmeer 84,2
Lansingerland 89,2
Laren (NH.) 82,8
Leeuwarden 78
Leiden 82,3
Leiderdorp 85,9
Leidschendam-Voorburg 82,1
Lelystad 80
Leudal 85,1
Leusden 87,3
Lingewaard 87,1
Lisse 87,5
Lochem 86,1
Loon op Zand 87,1
Lopik 90
Losser 84,5
Maasdriel 85,9
Maasgouw 83,6
Maashorst 85,6
Maassluis 83,2
Maastricht 75,2
Medemblik 85
Meerssen 83,5
Meierijstad 86,9
Meppel 85,1
Middelburg (Z.) 82,9
Midden-Delfland 88,9
Midden-Drenthe 84,9
Midden-Groningen 78,6
Moerdijk 85,8
Molenlanden 90,6
Montferland 84,1
Montfoort 89,7
Mook en Middelaar 84,9
Neder-Betuwe 89,5
Nederweert 86,4
Nieuwegein 83,6
Nieuwkoop 88,8
Nijkerk 88,2
Nijmegen 79,1
Nissewaard 83,9
Noardeast-Frysl�n 82,5
Noord-Beveland 82,3
Noordenveld 83,5
Noordoostpolder 85,6
Noordwijk 85,8
Nuenen, Gerwen en Nederwetten 87,3
Nunspeet 87,8
Oegstgeest 86,1
Oirschot 88,5
Oisterwijk 86,4
Oldambt 75,5
Oldebroek 87,8
Oldenzaal 85,6
Olst-Wijhe 86,8
Ommen 86,9
Oost Gelre 89,1
Oosterhout 84,4
Ooststellingwerf 82,3
Oostzaan 85,3
Opmeer 87,3
Opsterland 85,7
Oss 83,3
Oude IJsselstreek 84,2
Ouder-Amstel 85,2
Oudewater 89,9
Overbetuwe 87,3
Papendrecht 86,1
Peel en Maas 86,7
Pekela 76,8
Pijnacker-Nootdorp 89,1
Purmerend 82,8
Putten 88,7
Raalte 88,6
Reimerswaal 89,1
Renkum 82,5
Renswoude 90,3
Reusel-De Mierden 88,7
Rheden 80,1
Rhenen 86,9
Ridderkerk 84,7
Rijssen-Holten 89,6
Rijswijk (ZH.) 81,9
Roerdalen 82,9
Roermond 78,4
Roosendaal 81,3
Rotterdam 75,8
Rozendaal 90,5
Rucphen 82,3
Schagen 85
Scherpenzeel 90,8
Schiedam 80,4
Schiermonnikoog 80,8
Schouwen-Duiveland 85,6
's-Gravenhage (gemeente) 76
's-Hertogenbosch 82,8
Simpelveld 81,9
Sint-Michielsgestel 87
Sittard-Geleen 76,6
Sliedrecht 86
Sluis 81,6
Smallingerland 80,8
Soest 84,4
Someren 87,4
Son en Breugel 88,3
Stadskanaal 78,4
Staphorst 91
Stede Broec 85,1
Steenbergen 85,2
Steenwijkerland 84,6
Stein (L.) 81,7
Stichtse Vecht 85,8
S�dwest-Frysl�n 83,4
Terneuzen 80,7
Terschelling 87,7
Texel 81,9
Teylingen 88,2
Tholen 87,5
Tiel 81,6
Tilburg 81,6
Tubbergen 89,1
Twenterand 85,5
Tynaarlo 84,2
Tytsjerksteradiel 84,8
Uitgeest 87,7
Uithoorn 85,3
Urk 89,6
Utrecht (gemeente) 82,9
Utrechtse Heuvelrug 83,7
Vaals 71,1
Valkenburg aan de Geul 80,7
Valkenswaard 86,4
Veendam 78,1
Veenendaal 86
Veere 87,6
Veldhoven 87,3
Velsen 83,1
Venlo 80,3
Venray 84,1
Vijfheerenlanden 86,8
Vlaardingen 81
Vlieland 82,4
Vlissingen 79,1
Voerendaal 83
Voorne aan Zee 85,5
Voorschoten 85,5
Voorst 87,7
Vught 87,3
Waadhoeke 83,1
Waalre 86,4
Waalwijk 85
Waddinxveen 88,4
Wageningen 82,4
Wassenaar 78,9
Waterland 84,4
Weert 82,5
West Betuwe 88,6
West Maas en Waal 87
Westerkwartier 85,4
Westerveld 83,8
Westervoort 82,8
Westerwolde 76,5
Westland 88,5
Weststellingwerf 83,5
Wierden 89,3
Wijchen 85,5
Wijdemeren 85,8
Wijk bij Duurstede 88
Winterswijk 83,4
Woensdrecht 83,3
Woerden 87,2
Wormerland 84,8
Woudenberg 90,3
Zaanstad 80,8
Zaltbommel 87,5
Zandvoort 78,5
Zeewolde 86,7
Zeist 82,4
Zevenaar 83,7
Zoetermeer 83,6
Zoeterwoude 89,7
Zuidplas 88,9
Zundert 86
Zutphen 79,7
Zwartewaterland 90,1
Zwijndrecht 83,4
Zwolle 83,6

4.5Maakt levensfase uit?

Zonder kinderen weinig man-vrouwverschil in economische zelfstandigheid

Tot de leeftijd van 45 jaar zijn alleenstaande vrouwen iets vaker economisch zelfstandig dan alleenstaande mannen als ze (nog) geen kinderen hebben. Hierbij speelt het hogere uurloon van jonge vrouwen een rol (zie paragraaf 4.1). Bij samenwonenden zonder kinderen loopt de economische zelfstandigheid van mannen en vrouwen iets meer uiteen dan bij alleen­staanden, maar de verschillen in economische zelfstandigheid zijn een stuk kleiner dan die tussen mannen en vrouwen met kinderen.

4.5.1 Economisch zelfstandig, 2023* (% van niet-onderwijsvolgenden van 15 jaar tot AOW-leeftijd)
Vrouwen Mannen
Totaal 69,5 82,8
. .
(Nog) geen minderjarige kinderen . .
Alleenstaand tot 45 jaar 79,5 78,9
Samenwonend tot 45 jaar 86,1 91,7
Minderjarige kinderen . .
Samenwonend, jongste kind tot 12 jaar 75 91,6
Samenwonend, jongste kind 12 tot 18 jaar 76,5 90,7
Eenouder, jongste kind tot 12 jaar 58,2 79
Eenouder, jongste kind 12 tot 18 jaar 68,5 81,1
Geen minderjarige kinderen (meer) . .
Alleenstaand 45 jaar of ouder 58,1 66,4
Samenwonend 45 jaar of ouder 58,8 81,6

9 van de 10 vaders met partner zijn economisch zelfstandig

Drie kwart van de samenwonende moeders met een jongste kind tot 12 jaar was in 2023 economisch zelfstandig, tegenover ruim 90 procent van de samenwonende vaders met een kind in die leeftijd. Met een jongste kind van 12 tot 18 jaar waren deze percentages vrijwel gelijk. Het man-vrouwverschil heeft vooral met arbeidsduur te maken. Vaders werken doorgaans voltijds, terwijl moeders meestal een deeltijdbaan hebben (zie paragraaf 3.6).

Vergeleken met 2021 is het verschil tussen moeders met een partner en vaders met een partner bijna 4 procentpunt kleiner geworden. Dat is zowel zo in de groep met een jongste kind tot 12 jaar als met een jongste kind van 12 tot 18 jaar (zie CBS, 2022b). Het kleinere verschil komt doordat moeders met een partner vaker een grote deeltijdbaan hebben (CBS, 2024d) en dus vaker economisch zelfstandig zijn.

Man-vrouwverschil kleiner bij alleenstaanden met ouder kind

Bijna 6 op de 10 alleenstaande moeders van wie het jongste kind jonger is dan 12 jaar waren economisch zelfstandig in 2023, tegenover bijna 8 op de 10 alleenstaande vaders met een kind in die leeftijd. Dit is minder dan gemiddeld en dat heeft te maken met de verhoudings­gewijs lage arbeidsdeelname van alleenstaande vaders en moeders met een kind tot 12 jaar (zie paragraaf 3.6). Het verschil tussen vaders en moeders is kleiner als het jongste kind 12 tot 18 jaar is. Het aandeel economisch zelfstandigen onder vaders en moeders met een kind tot 12 jaar is minder dan gemiddeld, al was er vooral in de groep alleenstaande ouders met een kind tot 4 jaar na coronajaar 2020 sprake van groei (zie m/v-stat).

Man-vrouwverschil grootst bij samenwonende 45‑plussers zonder minderjarige kinderen

In de groep samenwonenden van 45 jaar of ouder zonder minderjarige kinderen was 59 procent van de vrouwen economisch zelfstandig, tegenover 82 procent van de mannen. Dit man-vrouwverschil is groter dan dat in de jongere generaties, waar vrouwen vaker en meer uren aan het werk zijn. Onder alleenstaande 45‑plussers ontlopen mannen en vrouwen elkaar minder, maar bij beide is het aandeel economisch zelfstandigen substantieel kleiner dan bij alleenstaande 45‑minners.

4.6Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Brakel, M. van den, D. Herbers en K. Arts (2020). Financiële gevolgen van echtscheiding. Statistische Trends, juli.

Brakel, M. van den (2023). Inkomen van tweeverdieners: hoeveel beide partners (willen) bijdragen. CBS, Statistische Trends.

CBS (2020). Genderscan van ondernemerschap in Nederland.

CBS (2022a). Nederland in cijfers. Den Haag/Heerlen: CBS.

CBS (2022b). Emancipatiemonitor 2022.

CBS (2024a). Verdiende lonen in 2023 meer gestegen dan cao-lonen. CBS-nieuwsbericht, 1 mei.

CBS (2024b). Van 20 naar 70 procent economisch zelfstandige vrouwen in 45 jaar | CBS. CBS-nieuwsbericht, 29 mei.

CBS (2024c). Rapportage Integratie en Samenleven 2024.

CBS (2024d). In steeds minder gezinnen werkt alleen de vader. CBS-nieuwsbericht, 8 maart.

EU (2023). Richtlijn (EU) 2023/970 van het Europees parlement en de raad. Publicatieblad van de Europese Unie, 17 mei.

OCW (2022). Emancipatie: een opdracht voor ons allen. Emancipatienota 2022–2025. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 18 november.

SZW (2023). Brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal betreffende CBS Monitor Loonverschillen mannen en vrouwen, 2022. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 7 december.

Van der Vliet, R., F. Bosman, B. Hogendoorn, J. van Wissen-Floris en J. Zweerink (2023). Monitor loonverschillen mannen en vrouwen, 2022. Den Haag/Heerlen: CBS.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Sebastian Alejandro Perez

Karlijn Bakker

Marion van den Brakel

Mirthe Bronsveld – de Groot

Jan-Willem Bruggink

Peteke Feijten

Sofieke Kevenaar

Mathilde Kennis

Kim Knoops

Jannes Kromhout

Hendrika Lautenbach

Noortje Pouwels – Urlings

Maartje Tummers – van der Aa

Rik van der Vliet

(Eind)redactie

Marion van den Brakel

Jan-Willem Bruggink