Verdienen
In dit hoofdstuk staat het inkomen dat mannen en vrouwen met betaald werk verdienen centraal. Hoe groot is het uurloonverschil tussen mannen en vrouwen? Is dit verschil kleiner geworden? Hoeveel mannen en vrouwen verdienen minimaal het bijstandsniveau en zijn daarmee economisch zelfstandig? En welke mannen en vrouwen zijn het vaakst economisch zelfstandig?
4.1Neemt het loonverschil tussen mannen en vrouwen af?
Verschil in uurloon groter in bedrijfsleven dan bij overheid
In 2022 was binnen de overheid het gemiddelde bruto-uurloon (zie Begrippen) van vrouwen 1,60 euro lager dan dat van mannen. In 2014 was dit verschil ruim een euro meer. In het bedrijfsleven ligt het bruto-uurloon van vrouwen alle onderzochte jaren ongeveer 4,50 euro lager dan dat van mannen. Wel is het loon van zowel vrouwen als mannen gestegen, waardoor het loonverschil in 2022 enkele procentpunten kleiner is dan in 2014.
| Jaar | Vrouwen bij overheid | Mannen bij overheid | Vrouwen in bedrijfsleven | Mannen in bedrijfsleven |
|---|---|---|---|---|
| 2014 | 24,32 | 26,89 | 18,88 | 23,36 |
| 2016 | 25,65 | 28,39 | 19,39 | 23,85 |
| 2018 | 26,22 | 28,66 | 20,13 | 24,58 |
| 2020 | 28,02 | 30,04 | 21,5 | 26,02 |
| 2022 | 29,73 | 31,33 | 22,9 | 27,4 |
Loonverschillen het grootst op hogere leeftijden
Tot een leeftijd van ongeveer 40 jaar stijgen de lonen van zowel mannelijke als vrouwelijke werknemers. Binnen de overheid verdienen vrouwen tot deze leeftijd gemiddeld evenveel of meer dan mannen. Boven de 40 jaar stijgt het gemiddelde loon van mannen nog en is dan hoger dan dat van vrouwen. In het bedrijfsleven is het gemiddelde loon van mannen al vanaf ongeveer 30 jaar hoger dan dat van vrouwen. Boven de 50 jaar is dit loonverschil het grootst.
| leeftijd | Vrouwen bij overheid | Mannen bij overheid | Vrouwen in bedrijfsleven | Mannen in bedrijfsleven |
|---|---|---|---|---|
| 20 | 15,2 | 13,94 | 13,41 | 13,29 |
| 21 | 17,44 | 15,98 | 14,96 | 14,95 |
| 22 | 18,87 | 17,37 | 15,88 | 15,97 |
| 23 | 19,89 | 18,56 | 16,68 | 16,71 |
| 24 | 20,6 | 19,36 | 17,5 | 17,59 |
| 25 | 21,31 | 20,15 | 18,41 | 18,48 |
| 26 | 22,12 | 21,04 | 19,22 | 19,36 |
| 27 | 23 | 21,67 | 19,99 | 20,23 |
| 28 | 23,78 | 22,56 | 20,7 | 21,1 |
| 29 | 24,54 | 23,35 | 21,32 | 22 |
| 30 | 25,41 | 24,28 | 22 | 22,83 |
| 31 | 26,21 | 25,07 | 22,47 | 23,68 |
| 32 | 27,03 | 26,03 | 23,01 | 24,48 |
| 33 | 27,84 | 27 | 23,44 | 25,24 |
| 34 | 28,62 | 27,67 | 23,91 | 25,89 |
| 35 | 29,31 | 28,63 | 24,2 | 26,57 |
| 36 | 30,17 | 29,37 | 24,52 | 27,25 |
| 37 | 30,64 | 30,01 | 24,75 | 27,76 |
| 38 | 31,19 | 30,68 | 24,94 | 28,32 |
| 39 | 31,52 | 31,51 | 24,94 | 28,93 |
| 40 | 31,93 | 31,86 | 25,16 | 29,4 |
| 41 | 31,96 | 32,57 | 25,23 | 29,98 |
| 42 | 32,06 | 33,44 | 25,31 | 30,24 |
| 43 | 32,2 | 33,49 | 25,3 | 30,46 |
| 44 | 32,39 | 34,08 | 25,28 | 31,04 |
| 45 | 32,45 | 34,09 | 25,32 | 31,31 |
| 46 | 32,76 | 34,28 | 25,24 | 31,68 |
| 47 | 32,42 | 34,38 | 25,21 | 32 |
| 48 | 32,08 | 34,23 | 24,88 | 32,12 |
| 49 | 32,35 | 34,35 | 24,99 | 32,56 |
| 50 | 32,3 | 34,4 | 24,84 | 32,6 |
| 51 | 32,03 | 34,46 | 24,65 | 32,76 |
| 52 | 32,02 | 34,51 | 24,59 | 32,7 |
| 53 | 31,96 | 34,64 | 24,45 | 32,71 |
| 54 | 31,63 | 34,91 | 24,09 | 32,7 |
| 55 | 31,56 | 35,03 | 24,02 | 32,68 |
| 56 | 31,46 | 35,06 | 23,83 | 32,34 |
| 57 | 31,5 | 34,75 | 23,69 | 32,26 |
| 58 | 31,43 | 35,11 | 23,59 | 32,13 |
| 59 | 31,19 | 35,09 | 23,42 | 31,8 |
| 60 | 31,34 | 35,06 | 23,33 | 31,51 |
| 61 | 31,31 | 35,19 | 23,29 | 31,26 |
| 62 | 31,37 | 35,51 | 23,06 | 30,88 |
| 63 | 31,42 | 35,6 | 22,99 | 30,66 |
| 64 | 30,99 | 35,59 | 22,71 | 30,03 |
| 65 | 30,89 | 35,38 | 22,3 | 29,43 |
Methodewijziging
Deze paragraaf beschrijft uitkomsten van het onderzoek van de Monitor Loonverschillen 2022. De methode van dit onderzoek is in 2022 gewijzigd. Daardoor wijken de uitkomsten in deze paragraaf af van de uitkomsten in de vorige editie van de Emancipatiemonitor. De trends zijn echter wel hetzelfde. De methodewijziging betrof zowel een aanpassing van de onderzoekspopulatie als verbetering van de methode om statistisch gecorrigeerde cijfers te berekenen. Meer informatie over de wijzigingen is te vinden in de publicatie Methodewijziging Monitor Loonverschillen mannen en vrouwen.
Europese richtlijn loontransparantie
In het voorjaar van 2023 hebben het Europees parlement en de Europese raad een richtlijn vastgesteld ‘ter versterking van de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannen en vrouwen voor gelijke of gelijkwaardige arbeid door middel van beloningstransparantie en handhavingsmechanismen’ (EU, 2023). Zoals ook uit deze paragraaf blijkt is er sprake van een loonverschil tussen mannen en vrouwen met vergelijkbaar werk. De Europese richtlijn loontransparantie somt maatregelen op om dit loonverschil terug te dringen. Een belangrijke ervan is dat werkgevers duidelijkheid moeten geven aan werknemers (en sollicitanten) hoe de beloning en de ontwikkeling daarvan tot stand komt. Desgevraagd moeten ze werknemers informatie geven over hun individuele beloningsniveau en het gemiddelde beloningsniveau van mannelijke en vrouwelijke collega’s met gelijk of gelijkwaardig werk. Verder moeten ze ook met regelmaat informatie geven over de loonverschillen tussen mannen en vrouwen binnen hun organisatie. Deze maatregelen moeten bijdragen aan een betere positie van werknemers doordat zij meer inzicht krijgen in (mogelijke) loonverschillen. De landen van de Europese Unie moeten de richtlijn vóór de zomer van 2026 implementeren. Toenmalig minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Van Gennip gaf in december 2023 in een Kamerbrief aan dat ze werkt aan een spoedige implementatie van deze richtlijn in Nederlandse wetgeving (SZW, 2023). In hoofdstuk 8 staat een internationale vergelijking van loonverschillen tussen mannen en vrouwen.
Loonverschil bij de overheid sterk afgenomen
Bij de overheid nemen de loonverschillen tussen vrouwen en mannen af. Lag in 2014 het loon van vrouwen gemiddeld nog 9,6 procent lager dan dat van mannen, in 2022 was dit loonverschil bijna gehalveerd tot 5,1 procent. Bij de berekening van dit gemiddelde loonverschil is geen rekening gehouden met verschillen tussen persoons- en baankenmerken van mannen en vrouwen. Verschillen in bijvoorbeeld leeftijd, ervaring of beroepsniveau kunnen een deel van de loonverschillen verklaren (zie kader ‘Feitelijke en statistisch gecorrigeerde loonverschillen’). Als met deze (en andere) achtergrondverschillen rekening gehouden wordt, zijn de loonverschillen tussen vrouwen en mannen die bij de overheid werken minder groot en zijn deze sinds 2014 ook sterker afgenomen. In 2014 was het statistisch gecorrigeerde loonverschil 6,4 procent; in 2022 was dit loonverschil afgenomen tot 1,8 procent.
Een sterk verklarende factor voor het loonverschil tussen mannen en vrouwen bij de overheid is dat vrouwen een relatief groot deel van hun arbeidsverleden in deeltijd gewerkt hebben (Van der Vliet, Bosman, Hoogendoorn, Van Wissen-Floris, en Zweerink, 2023). Zij bouwen hierdoor minder werkervaring op. Ook bekleden vrouwen bij de overheid minder vaak een leidinggevende functie dan mannen. Beide factoren vergroten het loonverschil tussen mannen en vrouwen. Hier staat tegenover dat vrouwen bij de overheid gemiddeld hoger opgeleid zijn dan mannen. Dit verkleint juist hun loonverschil met mannen.
| Jaar | Feitelijke loonverschil | Gecorrigeerde loonverschil |
|---|---|---|
| 2014 | 9,6 | 6,4 |
| 2016 | 9,6 | 4,8 |
| 2018 | 8,5 | 4,1 |
| 2020 | 6,7 | 2,9 |
| 2022 | 5,1 | 1,8 |
Feitelijke en statistisch gecorrigeerde loonverschillen
Het CBS berekent feitelijke en statistisch gecorrigeerde loonverschillen voor werknemers in het bedrijfsleven en bij de overheid. Het feitelijke loonverschil is het procentuele verschil tussen het gemiddelde bruto-uurloon van mannen en het gemiddelde bruto-uurloon van vrouwen.
Bij de berekening van het statistisch gecorrigeerde loonverschil zijn uurlonen vergeleken tussen mannen en vrouwen met vergelijkbare achtergrondkenmerken. Het statistisch gecorrigeerde loonverschil is berekend met behulp van regressieanalyse. In deze analyse is gekeken in welke mate geslacht nog een rol speelt in de verloning van werknemers wanneer er rekening wordt gehouden met diverse factoren waarvan bekend is dat ze invloed hebben op de hoogte van lonen. Denk bijvoorbeeld aan de gevolgde opleiding, het wel of niet leidinggeven en de bedrijfstak waarin werknemers werkzaam zijn. In het huidige onderzoek zijn de loonverschillen tussen mannen en vrouwen statistisch gecorrigeerd voor de volgende factoren:
- Kenmerken van de werknemer: leeftijd, herkomst, opleidingsniveau, onderwijsrichting, aantal jaren in dienst bij huidige werkgever, loopbaanonderbrekingen, gemiddelde deeltijdfactor per maand in de afgelopen vijftien jaar, woonregio, stedelijkheid van de woongemeente;
- Kenmerken van de werkgever: bedrijfstak, aantal werkzame personen in de organisatie;
- Kenmerken van de baan: beroepsniveau, beroepsrichting, contract voor bepaalde/onbepaalde tijd, voltijd/deeltijd, soort arbeidsrelatie, leidinggevende functie.
Als er loonverschillen overblijven na correctie voor verschillen in achtergrondkenmerken van werknemers, betekent dit niet zonder meer dat er sprake is van beloningsdiscriminatie. Beloningsdiscriminatie houdt in dat er geen ‘gelijk loon voor arbeid van gelijke waarde’ wordt toegepast. Het is met de beschikbare onderzoeksgegevens echter niet exact meetbaar wat ‘arbeid van gelijke waarde’ en wat ‘gelijke beloning’ is. Een loonverschil betekent dus niet per se dat er sprake is van beloningsdiscriminatie. Voor meer informatie zie Van der Vliet et al. (2023).
Loonverschil in het bedrijfsleven neemt langzaam af
In het bedrijfsleven neemt het procentuele loonverschil tussen vrouwen en mannen veel langzamer af dan bij de overheid. In 2014 was het gemiddelde loon van vrouwen 19,2 procent lager dan dat van de mannen; in 2022 was dat 16,4 procent. Rekening houdend met verschillen in achtergrondkenmerken, zijn de loonverschillen tussen vrouwen en mannen in het bedrijfsleven kleiner. In 2014 lag het statistische gecorrigeerde loon van vrouwen 9,6 procent lager dan dat van mannen; in 2022 was dat 6,9 procent lager. Ook het statistisch gecorrigeerde loonverschil tussen vrouwen en mannen in het bedrijfsleven nam sinds 2014 dus af, maar bleef tussen 2020 en 2022 gelijk.
Net als bij de overheid is een arbeidsverleden van deeltijdwerk een sterke verklarende factor voor het loonverschil tussen mannen en vrouwen in het bedrijfsleven. En ook in het bedrijfsleven bekleden vrouwen minder vaak een leidinggevende functie dan mannen. Dit vergroot, naast andere factoren, het loonverschil tussen mannen en vrouwen.
| Jaar | Feitelijke loonverschil | Gecorrigeerde loonverschil |
|---|---|---|
| 2014 | 19,2 | 9,6 |
| 2016 | 18,7 | 8,2 |
| 2018 | 18,1 | 7,9 |
| 2020 | 17,3 | 7 |
| 2022 | 16,4 | 6,9 |
Grootste loonverschillen binnen financiële instellingen en handel
De loonverschillen tussen mannen en vrouwen in het bedrijfsleven zijn niet in elke bedrijfstak even groot. De feitelijke loonverschillen zijn het grootst binnen de financiële instellingen en de handel. In deze bedrijfstakken ligt het gemiddelde loon van vrouwen meer dan 20 procent lager dan het gemiddelde loon van mannen. In de bouwnijverheid en de kleinere bedrijfstak van energie- en waterleidingbedrijven is het loonvoordeel van mannen ten opzichte van vrouwen het kleinst. Als rekening gehouden wordt met verschillen in achtergrondkenmerken verschuift het beeld. De loonverschillen binnen de financiële instellingen en de handel blijven tot de grootste behoren, met een 10 procent lager loon voor vrouwen, maar de verschillen met andere bedrijfstakken zijn kleiner geworden. Het statistisch gecorrigeerde loonverschil is het grootst in de kleine bedrijfstak van de delfstoffenwinning. De statistische correctie verklaart vooral veel van het loonverschil tussen vrouwen en mannen binnen de gezondheids- en welzijnszorg. Het feitelijke loonverschil is met 18,3 procent ruim vijf keer zo hoog als het statistisch gecorrigeerde loonverschil van 3,4 procent. Dit komt onder andere doordat er in de lager betaalde beroepen in de gezondheidszorg, zoals de niet-specialistische verpleging, relatief veel vrouwen werken. Bovendien werken verpleegkundigen vaak in deeltijd (CBS, 2022a).
| Bedrijfstak | Feitelijke loonverschil | Gecorrigeerde loonverschil |
|---|---|---|
| Financiele instellingen | 24,9 | 10,4 |
| Handel | 22,5 | 10,3 |
| Gezondheids- en welzijnszorg | 18,3 | 3,4 |
| Zakelijke dienstverlening | 18,1 | 8,1 |
| Cultuur en overige dienstverlening | 17,7 | 7,5 |
| Delfstoffenwinning | 16,5 | 21,7 |
| Industrie | 15,7 | 6,6 |
| Landbouw en visserij | 14,8 | 8,5 |
| Vervoer | 13,2 | 4,7 |
| Horeca | 9,5 | 2,6 |
| Bouwnijverheid | 8,1 | 3,7 |
| Energie- en waterleidingbedrijven | 4,9 | -2,2 |
4.2Neemt de economische zelfstandigheid toe?
Economische zelfstandigheid vrouwen in 2023 minder hard gegroeid
In 2023 was 69,5 procent van alle niet-onderwijsvolgende vrouwen van 15 jaar tot de AOW-leeftijd economisch zelfstandig (zie Begrippen), zo blijkt uit gegevens uit het Integraal Inkomens- en Vermogensonderzoek (IIV). Deze vrouwen verdienen netto minstens het bijstandsniveau (1 200 euro per maand in 2023). Zij verdienen dit met arbeid of een eigen onderneming. Het aandeel economische zelfstandige vrouwen groeit al jaren, wat in lijn is met één van de doelstellingen van het emancipatiebeleid (zie OCW, 2022). In coronajaar 2020 vlakte de groei bij vrouwen wel af, maar dat herstelde zich. In 2023 vlakte de groei echter opnieuw af. De lonen stegen in 2023 minder sterk dan het minimumloon (CBS, 2024a) en de daaraan gekoppelde bijstand. Het verdiende inkomen kwam daardoor minder snel boven de bijstand uit.
Gedurende de economische crisis van 2009–2013 bleef het aandeel economisch zelfstandige vrouwen min of meer gelijk. Tussen 2014 en 2019 was er een relatief sterke toename. Daarbij speelt de gestegen arbeidsduur een rol: vrouwen werken steeds vaker in een grote deeltijdbaan van 28 tot 35 uur per week (zie m/v-stat). Langer geleden, in de jaren tachtig en negentig, was het vooral de sterke toename van de arbeidsparticipatie die bijdroeg aan de stijging van het aandeel economisch zelfstandigen vrouwen (CBS, 2024b). Bij mannen volgt het aandeel economisch zelfstandigen de conjunctuur. In de economische crisis van 2009–2013 en ook in 2020 daalde het. In 2021 en 2022 steeg het aandeel weer, maar de groei stokte in 2023 en kwam uit op 82,8 procent.
Ook steeds meer vrouwen met minstens het minimumloon
De grens voor economische zelfstandigheid gaat uit van een inkomensminimum voor een alleenstaande. Om ook met kinderen te kunnen rondkomen, hanteert de overheid een tweede maat voor het meten van de vordering van het emancipatiebeleid: financiële onafhankelijkheid (zie OCW, 2022). Daarbij ligt de drempelwaarde hoger: het netto verdiende inkomen moet minstens het minimumloon (1 720 euro per maand in 2023) bedragen. Het aandeel financieel onafhankelijke vrouwen en mannen is uiteraard lager dan het aandeel economisch zelfstandigen. De financiële onafhankelijkheid liet bij vrouwen en mannen dezelfde trends zien als de economische zelfstandigheid. Mannen zijn vaker financieel onafhankelijk dan vrouwen (78 tegen 59 procent), maar het verschil is kleiner geworden. Met name moeders met een partner zijn nu vaker financieel onafhankelijk (zie m/v-stat).
van 15 jaar tot AOW-leeftijd)Verberg tabel4.2.1 Economische zelfstandigheid en financiële onafhankelijkheid (% van niet-onderwijsvolgenden
van 15 jaar tot AOW-leeftijd)
| Economische zelfstandigheid vrouwen | Economische zelfstandigheid mannen | Financiele onafhankelijkheid vrouwen | Financiele onafhankelijkheid mannen | |
|---|---|---|---|---|
| '11 | 56,5 | 78,9 | 42,3 | 73,1 |
| '12 | 56,8 | 78,2 | 42,6 | 72,3 |
| '13 | 56,7 | 77,3 | 43,5 | 71,6 |
| '14 | 57,1 | 77,5 | 44,8 | 72 |
| '15 | 57,9 | 78,2 | 45,9 | 72,7 |
| '16 | 59,3 | 79 | 48,5 | 74,1 |
| '17 | 60,7 | 79,7 | 50 | 74,9 |
| '18 | 62,5 | 80,8 | 51,6 | 76 |
| '19 | 64 | 81,4 | 53,1 | 76,6 |
| '20 | 64,4 | 80,3 | 53,7 | 75,6 |
| '21 | 66,5 | 81,5 | 56 | 76,7 |
| '22 | 69,1 | 83,1 | 58,9 | 78,6 |
| '23* | 69,5 | 82,8 | 59,4 | 78,1 |
Bij echtscheiding verliezen vrouwen kwart aan koopkracht
Bij de meeste vrouwen vermindert de koopkracht sterk bij een echtscheiding, terwijl die bij mannen doorgaans toeneemt. Bij vrouwen die in 2021 scheidden, was de koopkracht in het jaar na de scheiding in doorsnee 24,6 procent lager dan in het jaar voor de scheiding. Dit betekent dat de helft van de gescheiden vrouwen meer verlies had, de andere helft minder (of vooruitgang in koopkracht). Bij mannen die in 2021 scheidden, veranderde de koopkracht nauwelijks (in doorsnee 0,1 procent). Bij zowel mannen als vrouwen beweegt de koopkrachtverandering bij een scheiding mee met de ontwikkeling van de koopkracht in de bevolking. Bij een relatief gunstige koopkrachtontwikkeling (zoals in 2016, 2017, 2020 en 2021) is het koopkrachtverlies na een scheiding bij vrouwen bijvoorbeeld kleiner dan in jaren met een relatief ongunstige koopkrachtontwikkeling. Hoewel steeds meer vrouwen economisch zelfstandig zijn, neemt het koopkrachtverlies bij een echtscheiding niet af. Dat komt doordat het wegvallen van dat inkomen van de partner vooral economisch zelfstandige vrouwen hard in de portemonnee raakt. Meer economische zelfstandigheid van de vrouw gaat namelijk meestal samen met een hoger inkomen van de partner (Van den Brakel, Herbers en Arts, 2020).
| jaar na scheiding | Hele bevolking | Gescheiden vrouwen | Gescheiden mannen |
|---|---|---|---|
| 2013 | -2,5 | -29,3 | -0,9 |
| 2014 | 0,7 | -25,6 | 3,1 |
| 2015 | 3,2 | -22 | 5,7 |
| 2016 | 4,5 | -20,4 | 8,2 |
| 2017 | 3,9 | -20,3 | 8,3 |
| 2018 | 0,4 | -23,8 | 4,5 |
| 2019 | 1,2 | -23,1 | 4,3 |
| 2020 | 4,3 | -20,4 | 6,7 |
| 2021 | 4,3 | -21,5 | 4,8 |
| 2022* | 0,8 | -24,6 | 0,1 |
4 op de 5 vrouwen willen economisch zelfstandig zijn
Het merendeel van de bevolking van 16 tot 65 jaar (exclusief onderwijsvolgenden) vindt het belangrijk economisch zelfstandig te zijn. Dit blijkt uit het onderzoek Emancipatieopinies. Meer mannen dan vrouwen (91 tegen 80 procent) geven aan dat ze economisch zelfstandig willen zijn. In de praktijk zijn beide het echter minder vaak (zie figuur 4.2.1). Mannen vinden het ook vaker dan vrouwen belangrijk om zoveel te verdienen dat in het eigen levensonderhoud en dat van de (eventuele) kinderen kan worden voorzien. In de meeste relaties heeft de man het meeste inkomen (Van den Brakel, 2023) en in lijn daarmee geven mannen ook vaker aan dat zij wel moeten werken, omdat het inkomen niet gemist kan worden.
Niet alleen economische zelfstandigheid, maar ook het verdienen van geld om het financieel goed te hebben vinden relatief veel mensen belangrijk en daar liggen de cijfers van mannen en vrouwen minder ver uiteen. Desalniettemin vinden meer mannen dan vrouwen het belangrijk geld te verdienen om het financieel goed te hebben. Daarnaast geven mannen ook vaker aan door te willen groeien naar een hoger salaris dan vrouwen.
| Vrouwen | Mannen | |
|---|---|---|
| % (helemaal) eens | ||
| Ik wil in mijn werk doorgroeien naar een hoger salaris | 62 | 71 |
| Ik vind het belangrijk geld te verdienen zodat ik/wij het financieel goed hebben | 85 | 91 |
| Ik vind het belangrijk om zelf zoveel te verdienen dat ik in mijn eigen levensonderhoud en dat van mijn eventuele kinderen kan voorzien | 78 | 90 |
| Ik moet wel werken, mijn inkomen kan niet gemist worden | 59 | 79 |
| Ik vind het belangrijk dat ik economisch zelfstandig ben | 80 | 91 |
Significante verschillen tussen vrouwen en mannen (p<0,05) zijn vetgedrukt.
1)Bevolking van 16 tot 65 jaar, exclusief onderwijsvolgenden.
Meer mannen dan vrouwen vinden voldoende inkomen en economische zelfstandigheid belangrijk. Dit verschil is er echter vooral tussen mannen en vrouwen met een partner (al dan niet met kinderen). Vrouwen met een partner vinden inkomen en economische zelfstandigheid minder belangrijk dan mannen in die situatie. Tussen vrouwen en mannen zonder partner en kinderen is geen statistisch significant verschil in het aandeel dat voldoende inkomen en economische zelfstandigheid belangrijk vindt. Alleenstaande ouders vinden een eigen inkomen en economische zelfstandigheid even vaak van belang als ouders met een partner (zie tabel B.4.2.1).
Van de niet-economisch zelfstandigen hebben vrouwen vaker werk
Van zowel de mannen als de vrouwen die niet-economisch zelfstandig zijn, was het merendeel afhankelijk van een uitkering. Maar vaker dan mannen hebben niet-economisch zelfstandige vrouwen wel werk. Het inkomen uit dat werk is echter te laag om economisch zelfstandig te zijn. Dat komt vooral doordat vrouwen meer in deeltijd werken (zie paragraaf 3.1) en gemiddeld een lager uurloon hebben (zie paragraaf 4.1). 6 procent van de vrouwen had geen eigen inkomen. Vaak hebben deze vrouwen een partner met inkomen.
van 15 jaar tot AOW-leeftijd)Verberg tabel4.2.3 Economische zelfstandigheid en sociaaleconomische positie, 2023* (% van niet-onderwijsvolgenden
van 15 jaar tot AOW-leeftijd)
| Economisch zelfstandig | Niet-economisch zelfstandig: werk | Niet-economisch zelfstandig: uitkering | Niet-economisch zelfstandig: geen inkomen | |
|---|---|---|---|---|
| Vrouwen | 69,5 | 9,3 | 14,7 | 6,4 |
| Mannen | 82,8 | 4,3 | 11 | 1,9 |
Werkende mannen vaker economisch zelfstandig dan werkende vrouwen
In 2022 was 93 procent van de werkende mannen economisch zelfstandig, tegenover 85 procent van de werkende vrouwen. Een vast arbeidscontract levert vrijwel altijd een inkomen boven het bijstandsniveau op. Met een flexibel contract waren bijna 8 op de 10 werkenden economisch zelfstandig, vrouwen met 74 procent minder vaak dan mannen (82 procent). Vrouwen die actief zijn als zelfstandige zonder personeel waren met 65 procent het minst vaak economisch zelfstandig. Dit heeft niet alleen te maken met de relatief korte werkweek van vrouwelijke zzp’ers (zie StatLine). Ook de doorgaans laagbetaalde beroepen waarin zij verhoudingsgewijs vaak werken, zoals kapper, schoonheidsspecialist of exploitant van een webwinkel, spelen een rol (CBS, 2020).
van 15 jaar tot AOW-leeftijd)Verberg tabel4.2.4 Economische zelfstandigheid werkenden, 20221) (% van niet-onderwijsvolgende werkenden
van 15 jaar tot AOW-leeftijd)
| Vrouwen | Mannen | |
|---|---|---|
| Werknemer met vaste arbeidsrelatie | 92,5 | 98,3 |
| Werknemer met flexibele arbeidsrelatie | 74,2 | 82,5 |
| Zelfstandige zonder personeel | 65,3 | 84,2 |
| Zelfstandige met personeel | 89,3 | 93,5 |
| 1)Meest recente cijfers over positie in de werkkring betreffen 2022. | ||
Man-vrouwverschil economische zelfstandigheid het grootst in overige dienstverlening
Het verschil in economische zelfstandigheid tussen werkende mannen en vrouwen bedroeg 8 procentpunt in 2022. Het man-vrouwverschil was relatief klein in het openbaar bestuur en overheidsdiensten en in het onderwijs. Met 15 procentpunt was het verschil in economische zelfstandigheid tussen mannen en vrouwen het grootst in de overige dienstverlening. In die sector vallen bijvoorbeeld kappers en schoonheidsspecialisten, beroepen met een relatief laag inkomen en waarin relatief veel vrouwen werken.
Werkenden in het openbaar bestuur en overheidsdiensten en in de financiële dienstverlening zijn het vaakst economisch zelfstandig. Bijna iedereen had in deze sectoren een inkomen boven het bijstandsniveau. Werkenden in de cultuur, sport en recreatie, verhuur en overige zakelijke dienstverlening, overige dienstverlening en horeca zijn het minst vaak economisch zelfstandig. In deze sectoren was het aandeel economisch zelfstandige vrouwen minder dan 75 procent, onder mannen was het aandeel minder dan 85 procent.
| Vrouwen | Mannen | |
|---|---|---|
| Openbaar bestuur en overheidsdiensten | 98,3 | 98,8 |
| Onderwijs | 92,3 | 94,5 |
| Financiële dienstverlening | 95,1 | 98,1 |
| Verhuur en handel van onroerend goed | 92,3 | 95,4 |
| Informatie en communicatie | 92,1 | 95,7 |
| Specialistische zakelijke diensten | 88,8 | 94,3 |
| Gezondheids- en welzijnszorg | 88,8 | 95,2 |
| Cultuur, sport en recreatie | 74,5 | 82,6 |
| Vervoer en opslag | 82,7 | 91,7 |
| Nijverheid (geen bouw) en energie | 87,9 | 96,9 |
| Horeca | 69,7 | 80,6 |
| Bouwnijverheid | 82,4 | 94,8 |
| Verhuur en overige zakelijke diensten | 70,4 | 83,3 |
| Handel | 79 | 92,3 |
| Landbouw, bosbouw en visserij | 76,8 | 90,2 |
| Overige dienstverlening | 69,9 | 85,1 |
| 1)Meest recente cijfers over bedrijfstak betreffen 2022. | ||
4.3Maken onderwijsniveau en herkomst uit?
Hbo of universitair geschoolde vrouwen vaakst economisch zelfstandig
In 2023 was het aandeel economisch zelfstandigen onder vrouwen 13 procentpunt lager dan onder mannen. Ook op elk onderwijsniveau zijn mannen vaker economisch zelfstandig dan vrouwen. Het kleinst is het man-vrouwverschil bij hbo of universitair geschoolden, en het grootst bij degenen met basisonderwijs of een vmbo-diploma. In die laatste groep is het man-vrouwverschil in het aandeel economisch zelfstandigen 27 procentpunt.
Het aandeel economisch zelfstandigen was met 84 procent onder vrouwen met een afgeronde hbo- of universitaire opleiding hoger dan onder vrouwen met een havo, vwo of mbo-diploma (70 procent). Bij vrouwen met alleen basisonderwijs of een vmbo-diploma was het met 40 procent een stuk lager. Hbo of universitair geschoolden werken vaker en meer uren, en verdienen per uur meer (zie paragraaf 3.3 en Van der Vliet et al., 2023). Vrouwen met basisonderwijs of een vmbo-diploma hebben verreweg het vaakst een uitkering, meestal is dat een bijstandsuitkering. Ook hebben ze het vaakst geen eigen inkomen. Deze vrouwen werken ook relatief vaak zónder daarmee economisch zelfstandig te zijn. Onder vrouwen met een afgeronde hbo- of universitaire opleiding komt het veel minder voor dat ze werken zonder economisch zelfstandig te zijn.
van 15 jaar tot AOW-leeftijd)Verberg tabel4.3.1 Economische zelfstandigheid en sociaaleconomische positie, 2023* (% van niet-onderwijsvolgenden
van 15 jaar tot AOW-leeftijd)
| Economisch zelfstandig | Niet-economisch zelfstandig: werk | Niet-economisch zelfstandig: uitkering | Niet-economisch zelfstandig: geen inkomen | ||
|---|---|---|---|---|---|
| Basisonderwijs, vmbo, mbo1 | Vrouwen, Basisonderwijs, vmbo, mbo1 | 39,9 | 13,9 | 32,6 | 13,7 |
| Basisonderwijs, vmbo, mbo1 | Mannen, Basisonderwijs, vmbo, mbo1 | 67,3 | 6 | 23,8 | 2,8 |
| Havo, vwo, mbo2-4 | Vrouwen, Havo, vwo, mbo2-4 | 70,3 | 10,3 | 13,3 | 6,1 |
| Havo, vwo, mbo2-4 | Mannen, Havo, vwo, mbo2-4 | 84,8 | 4 | 9,4 | 1,8 |
| Hbo, wo | Vrouwen, Hbo, wo | 83,5 | 5,4 | 7 | 4,1 |
| Hbo, wo | Mannen, Hbo, wo | 90,2 | 2,8 | 5,4 | 1,6 |
Vooral hbo’ers en universitair geschoolde vrouwen hechten aan economische zelfstandigheid
Vrouwen met basisonderwijs of een vmbo-diploma hechten minder belang aan inkomen en economische zelfstandigheid dan vrouwen met een ander onderwijsniveau. Dit verschil naar onderwijsniveau is voor een deel ook te zien bij mannen, maar er zijn ook stellingen over inkomen en economische zelfstandigheid waar mannen met verschillend onderwijsniveau evenveel waarde aan hechten. Vooral mannen met basisonderwijs of een vmbo-diploma vinden inkomen en economische zelfstandigheid vaker belangrijk dan vrouwen met dit onderwijsniveau (zie tabel B.4.3.1).
Tweede generatie Marokkaanse vrouwen vaker economisch zelfstandig dan mannen
Mannen zijn vaker economisch zelfstandig dan vrouwen en dat is in de verschillende herkomstgroepen niet anders. Bij degenen die in Nederland geboren zijn is het verschil in economische zelfstandigheid tussen mannen en vrouwen het grootst bij een Nederlandse herkomst (beide ouders geboren in Nederland). Binnen deze groep is 73 procent van de vrouwen economisch zelfstandig tegenover 86 procent bij de mannen. Ook in de tweede generatie, dus met minstens een ouder in het buitenland geboren (zie Begrippen), van Indonesische herkomst is het man-vrouwverschil relatief groot. In de Surinaamse en Marokkaanse tweede generatie zijn de verschillen in economische zelfstandigheid tussen mannen en vrouwen het kleinst. De Marokkaanse tweede generatie is zelfs de enige groep waarin het verschil omgekeerd is: vrouwen zijn vaker economisch zelfstandig dan mannen (67 tegen bijna 66 procent).
Tweede-generatievrouwen afkomstig uit Indonesië, Suriname, Nederlands-Cariben of de nieuwste EU-landen (zie Begrippen) zijn door hun gemiddeld hoge arbeidsparticipatie en lange werkweek relatief vaak economisch zelfstandig, ongeveer even vaak als vrouwen met een Nederlandse herkomst. Dit in tegenstelling tot de tweedegeneratie vrouwen met een Turkse of Marokkaanse herkomst: zij hebben in verhouding vaak een uitkering of geen inkomen (zie CBS, 2024c).
| Vrouwen | Mannen | |
|---|---|---|
| Beide ouders geboren in Nederland | 73,4 | 86,2 |
| . | . | |
| 1 of 2 ouder(s) geboren in buitenland | 71,6 | 77,5 |
| . | . | |
| Marokko | 67 | 65,8 |
| Suriname | 74,3 | 75,9 |
| Nederlandse Cariben | 74,5 | 77,1 |
| Nieuwe EU | 71 | 78,3 |
| Turkije | 67,9 | 75,5 |
| Indonesië | 71,3 | 82,4 |
Verschil economische zelfstandigheid mannen en vrouwen relatief groot bij migranten
Onder de in het buitenland geborenen is het verschil tussen mannen en vrouwen groter dan gemiddeld. Bij de migranten was 55 procent van de vrouwen economisch zelfstandig in 2023 en 72 procent van de mannen, een verschil van 17 procentpunt.
Bij de migranten was het man-vrouwverschil het grootst onder degenen met als herkomst Eritrea, met 48 procentpunt. Het aandeel economisch zelfstandigen onder migrantenmannen uit Eritrea is ruim 3 keer zo hoog als onder migrantenvrouwen met deze herkomst. Van de vrouwen uit de vluchtelingenlanden Syrië, Somalië en Eritrea heeft de meerderheid een uitkering, meestal een bijstandsuitkering (zie CBS, 2024c). Deze vrouwen zijn minder vaak economisch zelfstandig dan vrouwen met een Iraakse, Iraanse of Afghaanse herkomst. De man-vrouwverschillen bij migranten uit Irak, Iran en Afghanistan zijn kleiner dan die van migranten uit Syrië, Somalië en Eritrea.
Onder migranten met als herkomst Suriname of de Nederlandse Cariben zijn de verschillen in economische zelfstandigheid tussen mannen en vrouwen het kleinst (respectievelijk 6 en 8 procentpunt). Deze verschillen zijn kleiner dan die in de groep met een Nederlandse herkomst (13 procentpunt). Het man-vrouwverschil van Iraanse migranten ligt het dichtst in de buurt van degenen met een Nederlandse herkomst.
| Vrouwen | Mannen | |
|---|---|---|
| Totaal | 55,1 | 72,2 |
| . | . | |
| Suriname | 64,6 | 70,7 |
| Nederlandse Cariben | 64,5 | 72,5 |
| Nieuwe EU | 68,3 | 83,1 |
| Indonesië | 58,6 | 77,4 |
| Marokko | 31 | 58 |
| Turkije | 34,7 | 65,1 |
| . | . | |
| Iran | 51,1 | 65 |
| Irak | 35,2 | 55,1 |
| Afghanistan | 39,4 | 63,6 |
| Syrië | 14,3 | 42,2 |
| Somalië | 26,8 | 57,9 |
| Eritrea | 24,6 | 72,4 |
4.4Maakt stedelijkheid uit?
Man-vrouw verschil kleinst in meest stedelijke gemeente
In zowel de meest, matig als minst stedelijke gemeenten (zie Begrippen) zijn mannen vaker economisch zelfstandig dan vrouwen. Het grootst is het man-vrouwverschil in de minst stedelijke gemeenten. Hier was 86 procent van de mannen in 2023 economische zelfstandig tegen 69 procent van de vrouwen, een verschil van 16 procentpunt. In matig stedelijke gemeenten was het verschil bijna even groot. In de meest stedelijke gebieden was het verschil 12 procentpunt.
Vrouwen in de minst stedelijke gebieden zijn overigens even vaak economisch zelfstandig als vrouwen in de meest stedelijke gebieden (69 procent). Het verschil wordt dus gemaakt door de mannen. In de meest stedelijke gemeenten hebben vrouwen het vaakst een uitkering, meestal is dat een bijstandsuitkering. In de minst stedelijke gebieden komt het juist iets vaker voor dat vrouwen werken zonder economisch zelfstandig te zijn.
van 15 jaar tot AOW-leeftijd)Verberg tabel4.4.1 Economische zelfstandigheid en sociaaleconomische positie, 2023* (% van niet-onderwijsvolgenden
van 15 jaar tot AOW-leeftijd)
| Economisch zelfstandig | Niet-economisch zelfstandig: werk | Niet-economisch zelfstandig: uitkering | Niet-economisch zelfstandig: geen inkomen | ||
|---|---|---|---|---|---|
| Minst stedelijk | Vrouw, Minst stedelijk | 69,3 | 11 | 12,9 | 6,8 |
| Minst stedelijk | Man, Minst stedelijk | 85,5 | 3,5 | 9,5 | 1,5 |
| Matig stedelijk | Vrouw, Matig stedelijk | 70,6 | 9,7 | 13,4 | 6,3 |
| Matig stedelijk | Man, Matig stedelijk | 85,2 | 3,6 | 9,6 | 1,6 |
| Meest stedelijk | Vrouw, Meest stedelijk | 69,3 | 8,4 | 16 | 6,2 |
| Meest stedelijk | Man, Meest stedelijk | 80,8 | 4,9 | 12,1 | 2,2 |
Vrouwen vaakst economisch zelfstandig in Rozendaal
In alle gemeenten zijn mannen vaker economisch zelfstandig dan vrouwen. Het kleinst was het man-vrouwverschil in Groningen (5 procentpunt), het grootst op Urk. In die laatste gemeente was het aandeel economisch zelfstandigen onder mannen in 2023 bijna 31 procentpunt hoger dan onder vrouwen. Gemiddeld in Nederland was dat 13 procentpunt. In de vier grote steden was het man-vrouwverschil kleiner dan het landelijk gemiddelde: in Utrecht en Amsterdam was dit 7 procentpunt, in Rotterdam en Den Haag 11 procentpunt.
Vrouwen in Rozendaal waren met 79 procent het vaakst economisch zelfstandig. Op de tweede en derde plek stonden Zoeterwoude en Bunnik (beide 78 procent). Van de vier grote steden had Utrecht het hoogste aandeel economisch zelfstandige vrouwen (76 procent). Daarna volgden Amsterdam (71 procent) en Den Haag en Rotterdam (beide 65 procent). Onderaan de lijst staan gemeenten als Urk, Pekela, Heerlen, Vaals, en Kerkrade. In deze gemeenten was het aandeel economisch zelfstandige vrouwen kleiner dan 60 procent.
In de gemeenten Staphorst, Scherpenzeel en Molenlanden waren mannen met bijna 91 procent het vaakst economisch zelfstandig. In de vier grote steden is het aandeel economisch zelfstandige mannen lager dan gemiddeld.
| Economisch zelfstandige vrouwen | |
|---|---|
| Aa en Hunze | 70,6 |
| Aalsmeer | 76,7 |
| Aalten | 70,2 |
| Achtkarspelen | 63,4 |
| Alblasserdam | 65,2 |
| Albrandswaard | 75,2 |
| Alkmaar | 69,6 |
| Almelo | 61,7 |
| Almere | 69,6 |
| Alphen aan den Rijn | 74,3 |
| Alphen-Chaam | 75,4 |
| Altena | 67 |
| Ameland | 72,7 |
| Amersfoort | 74,2 |
| Amstelveen | 70,2 |
| Amsterdam | 70,5 |
| Apeldoorn | 69 |
| Arnhem | 67,9 |
| Assen | 70,3 |
| Asten | 71,6 |
| Baarle-Nassau | 70,5 |
| Baarn | 72,8 |
| Barendrecht | 73,6 |
| Barneveld | 66,8 |
| Beek (L.) | 66,9 |
| Beekdaelen | 68 |
| Beesel | 68,6 |
| Berg en Dal | 69,8 |
| Bergeijk | 73,1 |
| Bergen (L.) | 68,6 |
| Bergen (NH.) | 66 |
| Bergen op Zoom | 65,5 |
| Berkelland | 71,2 |
| Bernheze | 73,6 |
| Best | 71,1 |
| Beuningen | 72,5 |
| Beverwijk | 68,6 |
| Bladel | 75,1 |
| Blaricum | 69,8 |
| Bloemendaal | 71,9 |
| Bodegraven-Reeuwijk | 72,7 |
| Boekel | 74,9 |
| Borger-Odoorn | 65,1 |
| Borne | 72,7 |
| Borsele | 67,5 |
| Boxtel | 71,8 |
| Breda | 72,8 |
| Bronckhorst | 70,1 |
| Brummen | 69,2 |
| Brunssum | 61,1 |
| Bunnik | 78 |
| Bunschoten | 72,9 |
| Buren | 69,7 |
| Capelle aan den IJssel | 68,7 |
| Castricum | 73,9 |
| Coevorden | 64,5 |
| Cranendonck | 69,4 |
| Culemborg | 72 |
| Dalfsen | 73,3 |
| Dantumadiel | 62,7 |
| De Bilt | 73,2 |
| De Fryske Marren | 69 |
| De Ronde Venen | 73,4 |
| De Wolden | 71,5 |
| Delft | 70,1 |
| Den Helder | 65,2 |
| Deurne | 70,7 |
| Deventer | 69,3 |
| Diemen | 74,9 |
| Dijk en Waard | 70,7 |
| Dinkelland | 75,7 |
| Doesburg | 61,4 |
| Doetinchem | 67,6 |
| Dongen | 72,8 |
| Dordrecht | 65,5 |
| Drechterland | 70,9 |
| Drimmelen | 73,2 |
| Dronten | 69,4 |
| Druten | 71,8 |
| Duiven | 70,7 |
| Echt-Susteren | 66,3 |
| Edam-Volendam | 69,5 |
| Ede | 69,5 |
| Eemnes | 73,3 |
| Eemsdelta | 61 |
| Eersel | 74,3 |
| Eijsden-Margraten | 74,1 |
| Eindhoven | 68,7 |
| Elburg | 66,7 |
| Emmen | 61,5 |
| Enkhuizen | 67,8 |
| Enschede | 63,4 |
| Epe | 67,1 |
| Ermelo | 68,6 |
| Etten-Leur | 70 |
| Geertruidenberg | 71,3 |
| Geldrop-Mierlo | 69,1 |
| Gemert-Bakel | 70,9 |
| Gennep | 71,4 |
| Gilze en Rijen | 72,3 |
| Goeree-Overflakkee | 66,4 |
| Goes | 69,1 |
| Goirle | 74,9 |
| Gooise Meren | 74,8 |
| Gorinchem | 67,7 |
| Gouda | 69,3 |
| Groningen (gemeente) | 71,8 |
| Gulpen-Wittem | 68,7 |
| Haaksbergen | 72,4 |
| Haarlem | 73,4 |
| Haarlemmermeer | 73,9 |
| Halderberge | 66,5 |
| Hardenberg | 70,8 |
| Harderwijk | 69,9 |
| Hardinxveld-Giessendam | 65,7 |
| Harlingen | 63,9 |
| Hattem | 71,2 |
| Heemskerk | 68,7 |
| Heemstede | 74,4 |
| Heerde | 67,8 |
| Heerenveen | 69,3 |
| Heerlen | 58,9 |
| Heeze-Leende | 74,4 |
| Heiloo | 72,5 |
| Hellendoorn | 71,8 |
| Helmond | 65,2 |
| Hendrik-Ido-Ambacht | 72,3 |
| Hengelo (O.) | 68,4 |
| Het Hogeland | 65,8 |
| Heumen | 74,8 |
| Heusden | 71 |
| Hillegom | 74,1 |
| Hilvarenbeek | 76,8 |
| Hilversum | 71,4 |
| Hoeksche Waard | 70,9 |
| Hof van Twente | 72,5 |
| Hollands Kroon | 68,3 |
| Hoogeveen | 64,9 |
| Hoorn | 68,7 |
| Horst aan de Maas | 74,4 |
| Houten | 75,9 |
| Huizen | 70,5 |
| Hulst | 66,8 |
| IJsselstein | 74,6 |
| Kaag en Braassem | 75,3 |
| Kampen | 68,6 |
| Kapelle | 70,9 |
| Katwijk | 70 |
| Kerkrade | 58,3 |
| Koggenland | 73,2 |
| Krimpen aan den IJssel | 67,5 |
| Krimpenerwaard | 70,2 |
| Laarbeek | 71,5 |
| Land van Cuijk | 72,5 |
| Landgraaf | 63,5 |
| Landsmeer | 73,8 |
| Lansingerland | 76,5 |
| Laren (NH.) | 65,5 |
| Leeuwarden | 68,5 |
| Leiden | 74 |
| Leiderdorp | 74,9 |
| Leidschendam-Voorburg | 71,2 |
| Lelystad | 66,5 |
| Leudal | 71,1 |
| Leusden | 75,2 |
| Lingewaard | 74,6 |
| Lisse | 73,9 |
| Lochem | 69,2 |
| Loon op Zand | 71,7 |
| Lopik | 73 |
| Losser | 69,6 |
| Maasdriel | 69,4 |
| Maasgouw | 70,1 |
| Maashorst | 71,3 |
| Maassluis | 68,4 |
| Maastricht | 64,5 |
| Medemblik | 69,2 |
| Meerssen | 71,7 |
| Meierijstad | 71,3 |
| Meppel | 71,3 |
| Middelburg (Z.) | 67,9 |
| Midden-Delfland | 75,8 |
| Midden-Drenthe | 71 |
| Midden-Groningen | 63,4 |
| Moerdijk | 69,2 |
| Molenlanden | 67,9 |
| Montferland | 67 |
| Montfoort | 75 |
| Mook en Middelaar | 72,6 |
| Neder-Betuwe | 63,6 |
| Nederweert | 71,8 |
| Nieuwegein | 71,8 |
| Nieuwkoop | 74,3 |
| Nijkerk | 70,7 |
| Nijmegen | 71,9 |
| Nissewaard | 65,6 |
| Noardeast-Frysl�n | 64,8 |
| Noord-Beveland | 66,4 |
| Noordenveld | 70,5 |
| Noordoostpolder | 68,2 |
| Noordwijk | 72,6 |
| Nuenen, Gerwen en Nederwetten | 73,6 |
| Nunspeet | 63,7 |
| Oegstgeest | 75,9 |
| Oirschot | 72,9 |
| Oisterwijk | 73,6 |
| Oldambt | 62 |
| Oldebroek | 64,4 |
| Oldenzaal | 71,7 |
| Olst-Wijhe | 72,3 |
| Ommen | 69,4 |
| Oost Gelre | 76,2 |
| Oosterhout | 68,9 |
| Ooststellingwerf | 67 |
| Oostzaan | 75,3 |
| Opmeer | 73,3 |
| Opsterland | 69,1 |
| Oss | 67,9 |
| Oude IJsselstreek | 67,7 |
| Ouder-Amstel | 76,9 |
| Oudewater | 75,2 |
| Overbetuwe | 73,7 |
| Papendrecht | 69,8 |
| Peel en Maas | 72,1 |
| Pekela | 58,6 |
| Pijnacker-Nootdorp | 77,4 |
| Purmerend | 70,8 |
| Putten | 67,3 |
| Raalte | 73,3 |
| Reimerswaal | 62,3 |
| Renkum | 70,9 |
| Renswoude | 71,3 |
| Reusel-De Mierden | 73,5 |
| Rheden | 66,7 |
| Rhenen | 67,4 |
| Ridderkerk | 67,7 |
| Rijssen-Holten | 67,4 |
| Rijswijk (ZH.) | 69,9 |
| Roerdalen | 66 |
| Roermond | 65,9 |
| Roosendaal | 66,8 |
| Rotterdam | 65,3 |
| Rozendaal | 78,5 |
| Rucphen | 62,9 |
| Schagen | 70,9 |
| Scherpenzeel | 71 |
| Schiedam | 66,9 |
| Schiermonnikoog | 67,4 |
| Schouwen-Duiveland | 66,8 |
| 's-Gravenhage (gemeente) | 64,7 |
| 's-Hertogenbosch | 72,1 |
| Simpelveld | 67,8 |
| Sint-Michielsgestel | 74,5 |
| Sittard-Geleen | 63,3 |
| Sliedrecht | 65,3 |
| Sluis | 67 |
| Smallingerland | 65,3 |
| Soest | 71,7 |
| Someren | 70,7 |
| Son en Breugel | 74,9 |
| Stadskanaal | 61,4 |
| Staphorst | 67,9 |
| Stede Broec | 69,9 |
| Steenbergen | 67,2 |
| Steenwijkerland | 66,6 |
| Stein (L.) | 67,7 |
| Stichtse Vecht | 73,6 |
| S�dwest-Frysl�n | 68 |
| Terneuzen | 65,1 |
| Terschelling | 73,1 |
| Texel | 69,6 |
| Teylingen | 76,5 |
| Tholen | 63,5 |
| Tiel | 66,7 |
| Tilburg | 70,7 |
| Tubbergen | 75,9 |
| Twenterand | 66,1 |
| Tynaarlo | 74,6 |
| Tytsjerksteradiel | 69,3 |
| Uitgeest | 74,8 |
| Uithoorn | 73,7 |
| Urk | 58,9 |
| Utrecht (gemeente) | 75,9 |
| Utrechtse Heuvelrug | 72,7 |
| Vaals | 58,3 |
| Valkenburg aan de Geul | 68,5 |
| Valkenswaard | 70 |
| Veendam | 62,6 |
| Veenendaal | 67,9 |
| Veere | 65,8 |
| Veldhoven | 71,1 |
| Velsen | 69,8 |
| Venlo | 66,6 |
| Venray | 71 |
| Vijfheerenlanden | 69,7 |
| Vlaardingen | 67,5 |
| Vlieland | 73,4 |
| Vlissingen | 63,4 |
| Voerendaal | 70,4 |
| Voorne aan Zee | 66,4 |
| Voorschoten | 74,6 |
| Voorst | 72,6 |
| Vught | 75,6 |
| Waadhoeke | 67,5 |
| Waalre | 72,4 |
| Waalwijk | 70 |
| Waddinxveen | 72,5 |
| Wageningen | 71,8 |
| Wassenaar | 63,4 |
| Waterland | 72 |
| Weert | 68,6 |
| West Betuwe | 70,7 |
| West Maas en Waal | 71,4 |
| Westerkwartier | 71,1 |
| Westerveld | 65,4 |
| Westervoort | 67,5 |
| Westerwolde | 61,3 |
| Westland | 74,1 |
| Weststellingwerf | 66,4 |
| Wierden | 73,1 |
| Wijchen | 72,2 |
| Wijdemeren | 73,9 |
| Wijk bij Duurstede | 73,6 |
| Winterswijk | 67,1 |
| Woensdrecht | 64,9 |
| Woerden | 74,9 |
| Wormerland | 71,7 |
| Woudenberg | 72,2 |
| Zaanstad | 67,9 |
| Zaltbommel | 68,4 |
| Zandvoort | 66,5 |
| Zeewolde | 72,6 |
| Zeist | 72,4 |
| Zevenaar | 68 |
| Zoetermeer | 69,9 |
| Zoeterwoude | 78,4 |
| Zuidplas | 73,6 |
| Zundert | 71,4 |
| Zutphen | 65,6 |
| Zwartewaterland | 67,8 |
| Zwijndrecht | 65,1 |
| Zwolle | 73,5 |
| Economisch zelfstandige mannen | |
|---|---|
| Aa en Hunze | 82,7 |
| Aalsmeer | 87,8 |
| Aalten | 86,6 |
| Achtkarspelen | 82,7 |
| Alblasserdam | 85,8 |
| Albrandswaard | 88 |
| Alkmaar | 81,6 |
| Almelo | 78,1 |
| Almere | 82,5 |
| Alphen aan den Rijn | 87,1 |
| Alphen-Chaam | 88,1 |
| Altena | 89,1 |
| Ameland | 86,4 |
| Amersfoort | 84,6 |
| Amstelveen | 84,1 |
| Amsterdam | 77,5 |
| Apeldoorn | 82,9 |
| Arnhem | 77,6 |
| Assen | 80,5 |
| Asten | 86 |
| Baarle-Nassau | 86,9 |
| Baarn | 83,9 |
| Barendrecht | 87,2 |
| Barneveld | 90,2 |
| Beek (L.) | 81,3 |
| Beekdaelen | 81,6 |
| Beesel | 85,7 |
| Berg en Dal | 82,4 |
| Bergeijk | 87,9 |
| Bergen (L.) | 85,6 |
| Bergen (NH.) | 81,1 |
| Bergen op Zoom | 81,2 |
| Berkelland | 86,3 |
| Bernheze | 87,3 |
| Best | 86,7 |
| Beuningen | 85,9 |
| Beverwijk | 82,3 |
| Bladel | 88,3 |
| Blaricum | 85,3 |
| Bloemendaal | 84,6 |
| Bodegraven-Reeuwijk | 88,8 |
| Boekel | 89 |
| Borger-Odoorn | 81,4 |
| Borne | 87,7 |
| Borsele | 88,3 |
| Boxtel | 85,4 |
| Breda | 83,4 |
| Bronckhorst | 86,2 |
| Brummen | 85,3 |
| Brunssum | 76,2 |
| Bunnik | 88,1 |
| Bunschoten | 90 |
| Buren | 87,3 |
| Capelle aan den IJssel | 81,8 |
| Castricum | 86,1 |
| Coevorden | 81,4 |
| Cranendonck | 85,8 |
| Culemborg | 84,4 |
| Dalfsen | 88,9 |
| Dantumadiel | 82,5 |
| De Bilt | 84 |
| De Fryske Marren | 86,2 |
| De Ronde Venen | 86,6 |
| De Wolden | 86,9 |
| Delft | 81,5 |
| Den Helder | 80,1 |
| Deurne | 86,4 |
| Deventer | 81 |
| Diemen | 83,8 |
| Dijk en Waard | 85,3 |
| Dinkelland | 89,5 |
| Doesburg | 78,9 |
| Doetinchem | 82,4 |
| Dongen | 86,9 |
| Dordrecht | 80,8 |
| Drechterland | 86,5 |
| Drimmelen | 87,9 |
| Dronten | 86 |
| Druten | 85,7 |
| Duiven | 85,7 |
| Echt-Susteren | 81,5 |
| Edam-Volendam | 88,9 |
| Ede | 86,9 |
| Eemnes | 86 |
| Eemsdelta | 78,3 |
| Eersel | 88 |
| Eijsden-Margraten | 85,9 |
| Eindhoven | 82,5 |
| Elburg | 87,5 |
| Emmen | 79,1 |
| Enkhuizen | 81,7 |
| Enschede | 77,1 |
| Epe | 85,3 |
| Ermelo | 85,2 |
| Etten-Leur | 84,9 |
| Geertruidenberg | 87,2 |
| Geldrop-Mierlo | 84,9 |
| Gemert-Bakel | 86,7 |
| Gennep | 84,3 |
| Gilze en Rijen | 86,1 |
| Goeree-Overflakkee | 88,7 |
| Goes | 84,1 |
| Goirle | 87,1 |
| Gooise Meren | 84,3 |
| Gorinchem | 83 |
| Gouda | 82,7 |
| Groningen (gemeente) | 77,2 |
| Gulpen-Wittem | 81 |
| Haaksbergen | 86,9 |
| Haarlem | 82,4 |
| Haarlemmermeer | 86,1 |
| Halderberge | 85,2 |
| Hardenberg | 87,9 |
| Harderwijk | 84,4 |
| Hardinxveld-Giessendam | 90,1 |
| Harlingen | 80 |
| Hattem | 87,1 |
| Heemskerk | 84,1 |
| Heemstede | 85,6 |
| Heerde | 87,1 |
| Heerenveen | 83 |
| Heerlen | 70,6 |
| Heeze-Leende | 88 |
| Heiloo | 83,8 |
| Hellendoorn | 87,8 |
| Helmond | 81,4 |
| Hendrik-Ido-Ambacht | 89,6 |
| Hengelo (O.) | 81,8 |
| Het Hogeland | 81,5 |
| Heumen | 84,8 |
| Heusden | 86 |
| Hillegom | 86,6 |
| Hilvarenbeek | 88,4 |
| Hilversum | 82,2 |
| Hoeksche Waard | 88,6 |
| Hof van Twente | 86,7 |
| Hollands Kroon | 85,7 |
| Hoogeveen | 82,6 |
| Hoorn | 81,9 |
| Horst aan de Maas | 88,3 |
| Houten | 87,9 |
| Huizen | 82,3 |
| Hulst | 83 |
| IJsselstein | 85,8 |
| Kaag en Braassem | 88 |
| Kampen | 87 |
| Kapelle | 89,2 |
| Katwijk | 88,3 |
| Kerkrade | 72,4 |
| Koggenland | 87,7 |
| Krimpen aan den IJssel | 86,9 |
| Krimpenerwaard | 88,7 |
| Laarbeek | 87,6 |
| Land van Cuijk | 86,2 |
| Landgraaf | 76,2 |
| Landsmeer | 84,2 |
| Lansingerland | 89,2 |
| Laren (NH.) | 82,8 |
| Leeuwarden | 78 |
| Leiden | 82,3 |
| Leiderdorp | 85,9 |
| Leidschendam-Voorburg | 82,1 |
| Lelystad | 80 |
| Leudal | 85,1 |
| Leusden | 87,3 |
| Lingewaard | 87,1 |
| Lisse | 87,5 |
| Lochem | 86,1 |
| Loon op Zand | 87,1 |
| Lopik | 90 |
| Losser | 84,5 |
| Maasdriel | 85,9 |
| Maasgouw | 83,6 |
| Maashorst | 85,6 |
| Maassluis | 83,2 |
| Maastricht | 75,2 |
| Medemblik | 85 |
| Meerssen | 83,5 |
| Meierijstad | 86,9 |
| Meppel | 85,1 |
| Middelburg (Z.) | 82,9 |
| Midden-Delfland | 88,9 |
| Midden-Drenthe | 84,9 |
| Midden-Groningen | 78,6 |
| Moerdijk | 85,8 |
| Molenlanden | 90,6 |
| Montferland | 84,1 |
| Montfoort | 89,7 |
| Mook en Middelaar | 84,9 |
| Neder-Betuwe | 89,5 |
| Nederweert | 86,4 |
| Nieuwegein | 83,6 |
| Nieuwkoop | 88,8 |
| Nijkerk | 88,2 |
| Nijmegen | 79,1 |
| Nissewaard | 83,9 |
| Noardeast-Frysl�n | 82,5 |
| Noord-Beveland | 82,3 |
| Noordenveld | 83,5 |
| Noordoostpolder | 85,6 |
| Noordwijk | 85,8 |
| Nuenen, Gerwen en Nederwetten | 87,3 |
| Nunspeet | 87,8 |
| Oegstgeest | 86,1 |
| Oirschot | 88,5 |
| Oisterwijk | 86,4 |
| Oldambt | 75,5 |
| Oldebroek | 87,8 |
| Oldenzaal | 85,6 |
| Olst-Wijhe | 86,8 |
| Ommen | 86,9 |
| Oost Gelre | 89,1 |
| Oosterhout | 84,4 |
| Ooststellingwerf | 82,3 |
| Oostzaan | 85,3 |
| Opmeer | 87,3 |
| Opsterland | 85,7 |
| Oss | 83,3 |
| Oude IJsselstreek | 84,2 |
| Ouder-Amstel | 85,2 |
| Oudewater | 89,9 |
| Overbetuwe | 87,3 |
| Papendrecht | 86,1 |
| Peel en Maas | 86,7 |
| Pekela | 76,8 |
| Pijnacker-Nootdorp | 89,1 |
| Purmerend | 82,8 |
| Putten | 88,7 |
| Raalte | 88,6 |
| Reimerswaal | 89,1 |
| Renkum | 82,5 |
| Renswoude | 90,3 |
| Reusel-De Mierden | 88,7 |
| Rheden | 80,1 |
| Rhenen | 86,9 |
| Ridderkerk | 84,7 |
| Rijssen-Holten | 89,6 |
| Rijswijk (ZH.) | 81,9 |
| Roerdalen | 82,9 |
| Roermond | 78,4 |
| Roosendaal | 81,3 |
| Rotterdam | 75,8 |
| Rozendaal | 90,5 |
| Rucphen | 82,3 |
| Schagen | 85 |
| Scherpenzeel | 90,8 |
| Schiedam | 80,4 |
| Schiermonnikoog | 80,8 |
| Schouwen-Duiveland | 85,6 |
| 's-Gravenhage (gemeente) | 76 |
| 's-Hertogenbosch | 82,8 |
| Simpelveld | 81,9 |
| Sint-Michielsgestel | 87 |
| Sittard-Geleen | 76,6 |
| Sliedrecht | 86 |
| Sluis | 81,6 |
| Smallingerland | 80,8 |
| Soest | 84,4 |
| Someren | 87,4 |
| Son en Breugel | 88,3 |
| Stadskanaal | 78,4 |
| Staphorst | 91 |
| Stede Broec | 85,1 |
| Steenbergen | 85,2 |
| Steenwijkerland | 84,6 |
| Stein (L.) | 81,7 |
| Stichtse Vecht | 85,8 |
| S�dwest-Frysl�n | 83,4 |
| Terneuzen | 80,7 |
| Terschelling | 87,7 |
| Texel | 81,9 |
| Teylingen | 88,2 |
| Tholen | 87,5 |
| Tiel | 81,6 |
| Tilburg | 81,6 |
| Tubbergen | 89,1 |
| Twenterand | 85,5 |
| Tynaarlo | 84,2 |
| Tytsjerksteradiel | 84,8 |
| Uitgeest | 87,7 |
| Uithoorn | 85,3 |
| Urk | 89,6 |
| Utrecht (gemeente) | 82,9 |
| Utrechtse Heuvelrug | 83,7 |
| Vaals | 71,1 |
| Valkenburg aan de Geul | 80,7 |
| Valkenswaard | 86,4 |
| Veendam | 78,1 |
| Veenendaal | 86 |
| Veere | 87,6 |
| Veldhoven | 87,3 |
| Velsen | 83,1 |
| Venlo | 80,3 |
| Venray | 84,1 |
| Vijfheerenlanden | 86,8 |
| Vlaardingen | 81 |
| Vlieland | 82,4 |
| Vlissingen | 79,1 |
| Voerendaal | 83 |
| Voorne aan Zee | 85,5 |
| Voorschoten | 85,5 |
| Voorst | 87,7 |
| Vught | 87,3 |
| Waadhoeke | 83,1 |
| Waalre | 86,4 |
| Waalwijk | 85 |
| Waddinxveen | 88,4 |
| Wageningen | 82,4 |
| Wassenaar | 78,9 |
| Waterland | 84,4 |
| Weert | 82,5 |
| West Betuwe | 88,6 |
| West Maas en Waal | 87 |
| Westerkwartier | 85,4 |
| Westerveld | 83,8 |
| Westervoort | 82,8 |
| Westerwolde | 76,5 |
| Westland | 88,5 |
| Weststellingwerf | 83,5 |
| Wierden | 89,3 |
| Wijchen | 85,5 |
| Wijdemeren | 85,8 |
| Wijk bij Duurstede | 88 |
| Winterswijk | 83,4 |
| Woensdrecht | 83,3 |
| Woerden | 87,2 |
| Wormerland | 84,8 |
| Woudenberg | 90,3 |
| Zaanstad | 80,8 |
| Zaltbommel | 87,5 |
| Zandvoort | 78,5 |
| Zeewolde | 86,7 |
| Zeist | 82,4 |
| Zevenaar | 83,7 |
| Zoetermeer | 83,6 |
| Zoeterwoude | 89,7 |
| Zuidplas | 88,9 |
| Zundert | 86 |
| Zutphen | 79,7 |
| Zwartewaterland | 90,1 |
| Zwijndrecht | 83,4 |
| Zwolle | 83,6 |
4.5Maakt levensfase uit?
Zonder kinderen weinig man-vrouwverschil in economische zelfstandigheid
Tot de leeftijd van 45 jaar zijn alleenstaande vrouwen iets vaker economisch zelfstandig dan alleenstaande mannen als ze (nog) geen kinderen hebben. Hierbij speelt het hogere uurloon van jonge vrouwen een rol (zie paragraaf 4.1). Bij samenwonenden zonder kinderen loopt de economische zelfstandigheid van mannen en vrouwen iets meer uiteen dan bij alleenstaanden, maar de verschillen in economische zelfstandigheid zijn een stuk kleiner dan die tussen mannen en vrouwen met kinderen.
| Vrouwen | Mannen | |
|---|---|---|
| Totaal | 69,5 | 82,8 |
| . | . | |
| (Nog) geen minderjarige kinderen | . | . |
| Alleenstaand tot 45 jaar | 79,5 | 78,9 |
| Samenwonend tot 45 jaar | 86,1 | 91,7 |
| Minderjarige kinderen | . | . |
| Samenwonend, jongste kind tot 12 jaar | 75 | 91,6 |
| Samenwonend, jongste kind 12 tot 18 jaar | 76,5 | 90,7 |
| Eenouder, jongste kind tot 12 jaar | 58,2 | 79 |
| Eenouder, jongste kind 12 tot 18 jaar | 68,5 | 81,1 |
| Geen minderjarige kinderen (meer) | . | . |
| Alleenstaand 45 jaar of ouder | 58,1 | 66,4 |
| Samenwonend 45 jaar of ouder | 58,8 | 81,6 |
9 van de 10 vaders met partner zijn economisch zelfstandig
Drie kwart van de samenwonende moeders met een jongste kind tot 12 jaar was in 2023 economisch zelfstandig, tegenover ruim 90 procent van de samenwonende vaders met een kind in die leeftijd. Met een jongste kind van 12 tot 18 jaar waren deze percentages vrijwel gelijk. Het man-vrouwverschil heeft vooral met arbeidsduur te maken. Vaders werken doorgaans voltijds, terwijl moeders meestal een deeltijdbaan hebben (zie paragraaf 3.6).
Vergeleken met 2021 is het verschil tussen moeders met een partner en vaders met een partner bijna 4 procentpunt kleiner geworden. Dat is zowel zo in de groep met een jongste kind tot 12 jaar als met een jongste kind van 12 tot 18 jaar (zie CBS, 2022b). Het kleinere verschil komt doordat moeders met een partner vaker een grote deeltijdbaan hebben (CBS, 2024d) en dus vaker economisch zelfstandig zijn.
Man-vrouwverschil kleiner bij alleenstaanden met ouder kind
Bijna 6 op de 10 alleenstaande moeders van wie het jongste kind jonger is dan 12 jaar waren economisch zelfstandig in 2023, tegenover bijna 8 op de 10 alleenstaande vaders met een kind in die leeftijd. Dit is minder dan gemiddeld en dat heeft te maken met de verhoudingsgewijs lage arbeidsdeelname van alleenstaande vaders en moeders met een kind tot 12 jaar (zie paragraaf 3.6). Het verschil tussen vaders en moeders is kleiner als het jongste kind 12 tot 18 jaar is. Het aandeel economisch zelfstandigen onder vaders en moeders met een kind tot 12 jaar is minder dan gemiddeld, al was er vooral in de groep alleenstaande ouders met een kind tot 4 jaar na coronajaar 2020 sprake van groei (zie m/v-stat).
Man-vrouwverschil grootst bij samenwonende 45‑plussers zonder minderjarige kinderen
In de groep samenwonenden van 45 jaar of ouder zonder minderjarige kinderen was 59 procent van de vrouwen economisch zelfstandig, tegenover 82 procent van de mannen. Dit man-vrouwverschil is groter dan dat in de jongere generaties, waar vrouwen vaker en meer uren aan het werk zijn. Onder alleenstaande 45‑plussers ontlopen mannen en vrouwen elkaar minder, maar bij beide is het aandeel economisch zelfstandigen substantieel kleiner dan bij alleenstaande 45‑minners.
4.6Literatuur
Literatuur
Brakel, M. van den, D. Herbers en K. Arts (2020). Financiële gevolgen van echtscheiding. Statistische Trends, juli.
Brakel, M. van den (2023). Inkomen van tweeverdieners: hoeveel beide partners (willen) bijdragen. CBS, Statistische Trends.
CBS (2020). Genderscan van ondernemerschap in Nederland.
CBS (2022a). Nederland in cijfers. Den Haag/Heerlen: CBS.
CBS (2022b). Emancipatiemonitor 2022.
CBS (2024a). Verdiende lonen in 2023 meer gestegen dan cao-lonen. CBS-nieuwsbericht, 1 mei.
CBS (2024b). Van 20 naar 70 procent economisch zelfstandige vrouwen in 45 jaar | CBS. CBS-nieuwsbericht, 29 mei.
CBS (2024c). Rapportage Integratie en Samenleven 2024.
CBS (2024d). In steeds minder gezinnen werkt alleen de vader. CBS-nieuwsbericht, 8 maart.
EU (2023). Richtlijn (EU) 2023/970 van het Europees parlement en de raad. Publicatieblad van de Europese Unie, 17 mei.
OCW (2022). Emancipatie: een opdracht voor ons allen. Emancipatienota 2022–2025. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 18 november.
SZW (2023). Brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal betreffende CBS Monitor Loonverschillen mannen en vrouwen, 2022. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 7 december.
Van der Vliet, R., F. Bosman, B. Hogendoorn, J. van Wissen-Floris en J. Zweerink (2023). Monitor loonverschillen mannen en vrouwen, 2022. Den Haag/Heerlen: CBS.