Foto omschrijving: Kassa in de Albert Heijn te Zoetermeer.

Koopkrachtontwikkeling

Bij de koopkrachtontwikkeling gaat het om de jaar-op-jaar verandering in inkomen bij individuele personen. Is de koopkracht van de Nederlandse bevolking in het coronajaar 2020 gestegen of gedaald? Hoe heeft de koopkracht zich in de afgelopen decennia ontwikkeld? Welke groepen gingen erop vooruit en welke niet? Zijn er regionale verschillen?

Koopkracht groeit in coronajaar 2020

De koopkracht (zie kader ‘Dynamische koopkrachtontwikkeling’) van de Nederlandse bevolking nam in 2020 in doorsnee met 2,2 procent toe ten opzichte van 2019. Deze ontwikkeling was gunstiger dan in 2019 en 2018, toen de koopkracht in doorsnee met 1,5 procent en 0,6 procent toenam.

De doorsnee ontwikkeling in 2020 was voor het grootste deel het gevolg van de gunstige reële loonontwikkeling van 1,6 procent: tegenover de cao-loonstijging van 2,9 procent stond een inflatie van 1,3 procent. Ook overheidsbeleid had een positief effect van bijna 1 procentpunt op de koopkracht, onder andere door geplande fiscale maatregelen, waaronder verhogingen van de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, en het invoeren van een tweeschijvenstelsel in de inkomstenbelasting.

Persoonlijke veranderingen hadden in 2020 een licht drukkend effect op de koopkrachtontwikkeling van –0,3 procentpunt. Het betreft veranderingen die doorgaans gunstig zijn voor de koopkracht zoals bijvoorbeeld een nieuwe baan of een promotie. Maar ook veranderingen die de koopkracht kunnen drukken, zoals werkloos worden of minder winst boeken door het (tijdelijk) stoppen van bedrijfsactiviteiten, spelen een rol. Deze nadelige veranderingen speelden in 2020 tijdens de coronacrisis een grotere rol dan in 2019 en 2018. Om de economische gevolgen van de coronacrisis in 2020 te verzachten, riep de overheid tijdelijke steunmaatregelen in het leven. Voor 2021 is de dynamische koopkrachtontwikkeling weliswaar nog onbekend, maar de statische koopkrachtontwikkeling is geraamd op 0,1 procent (CPB, 2022). Deze is een optelsom van de reële loonontwikkeling van voorlopig –0,5 procent en overheidsbeleid van 0,6 procent, beiden veel minder dan in 2020.

4.1.1 Opbouw dynamische koopkrachtontwikkeling (%-mutatie t.o.v. een jaar eerder)
Dynamischekoopkrachtontwikkeling Reële loonontwikkeling Overheidsbeleid Persoonlijke veranderingen
2018 0,6 0,3 -0,3 0,6
2019 1,5 -0,1 1,2 0,5
2020* 2,2 1,6 0,9 -0,3
2021* . -0,5 0,6 .

Dynamische koopkrachtontwikkeling

De koopkracht van personen is gelijk aan het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen van het huishouden waartoe ze behoren, gecorrigeerd voor de prijsontwikkeling op basis van de consumentenprijsindex (CPI, zie bijlage B). De koopkracht verandert door externe invloeden en door veranderingen in het persoonlijke leven van mensen. Externe invloeden zijn onder meer de ontwikkeling van de cao-lonen, de stijging van de consumentenprijzen (inflatie) en (nieuw) beleid van de overheid. De verandering van de koopkracht als gevolg van deze externe invloeden is de statische koopkrachtontwikkeling, die het CPB regelmatig voor het actuele en het daaropvolgende jaar raamt.

De koopkracht verandert echter ook door persoonlijke omstandigheden, bijvoorbeeld als mensen gaan samenwonen of uit elkaar gaan, van baan wisselen of met pensioen gaan. In de dynamische koopkrachtontwikkeling wordt ook met deze invloeden rekening gehouden.

Voor de jaar-op-jaar koopkrachtontwikkeling van een groep is uitgegaan van de mediaan of doorsnee, de middelste waarde van de naar grootte gerangschikte koopkrachtontwikkelingen van individuele personen die in beide jaren deel uitmaken van de groep. Positieve en negatieve uitschieters hebben dan nauwelijks invloed op de uitkomst (Bos, 2007).

Grootste koopkrachtstijging van afgelopen veertig jaar in 2001

De koopkracht nam gedurende de periode 1977–2020 jaarlijks steeds toe, met uitzondering van de eerste helft van de jaren tachtig van de vorige eeuw en de economische crisis in de jaren 2009–2013. Na de tweede oliecrisis van 1979 volgden zware economische tijden. In 1981 was sprake van een koopkrachtdaling van 2 procent. Twee jaar later was de achteruitgang met 2,3 procent nog groter en werd een historisch dieptepunt bereikt. Richting de jaren ’90 herstelde de koopkracht, met een sterke impuls in 1990 toen een herziening van het belastingstelsel plaatsvond. Ook in 2001 is het Nederlandse belastingstelsel herzien, waarbij een lastenverlichting voor de bevolking resulteerde in de grootste koopkrachtstijging in ruim veertig jaar (6,3 procent).

In 2006 en 2007 trok de Nederlandse economie hard aan. De doorsnee koopkracht van de bevolking nam in beide jaren met meer dan 3 procent toe. De economische crisis die eind 2008 begon leidde ertoe dat de koopkracht na 2009 vier jaren op rij daalde. Na deze economische crisis krabbelde de Nederlandse economie vanaf 2014 langzaam uit het dal. De relatief grote koopkrachttoename in 2016 had te maken met beleidsmaatregelen om het economisch herstel te bespoedigen.

4.1.2 Dynamische koopkrachtontwikkeling1) (%-mutatie t.o.v. een jaar eerder)
Ontwikkeling
'79 2,2
'81 -2
'83 -2,3
'85 -0,5
'87 4,2
'89 2,3
'90 4,4
'91 0,4
'92 0,3
'93 1,3
'94 0,3
'95 1,2
'96 1,4
'97 1,4
'98 2,8
'99 1
'00 2,1
'01 6,3
'02 1,6
'03 0,3
'04 0,8
'05 -0,2
'06 3,1
'07 3,1
'08 1,5
'09 1,8
'10 -0,4
'11 -0,9
'12 -1,1
'13 -1,1
'14 1,9
'15 1,3
'16 3
'17 0,7
'18 0,6
'19 1,5
'20* 2,2
1)Tot 1990 gaat het om de procentuele mutatie t.o.v. twee jaar eerder, vanaf 1990 t.o.v. een jaar eerder.

Koopkrachtverandering zelfstandigen positief

Voor vrijwel alle bevolkingsgroepen steeg de koopkracht in 2020 meer dan in 2019 en 2018. Voor werknemers steeg de koopkracht in 2020 in doorsnee met 4,3 procent, 70 procent van alle werknemers ging er in koopkracht op vooruit.

De doorsnee koopkrachtgroei bij zelfstandigen was minder gunstig, maar wel positief: 1,1 procent. Voor 53 procent van de zelfstandigen steeg de koopkracht, voor 40 procent van de zelfstandigen daalde de koopkracht echter met minstens 2,6 procent. Voor 20 procent daalde de koopkracht zelfs met 16 procent of meer.

Ook pensioenontvangers hadden een koopkrachtgroei in 2020, van 1 procent in doorsnee. Bij hen is de spreiding van de koopkrachtgroei in de regel beperkt. In 2020 steeg voor meer dan de helft van de pensioenontvangers de koopkracht met 0 tot 3 procent.

4.2.1 Koopkrachtontwikkeling naar voornaamste inkomensbron (%-mutatie t.o.v. een jaar eerder)
2018 2019 2020*
Totale
bevolking
0,6 1,5 2,2
Werknemers 1,9 2,7 4,3
Zelfstandigen 2,2 2,8 1,1
Pensioen-
ontvangers
-0,4 0,7 1,0
Bijstands-
ontvangers
0,0 0,8 1,5

Koopkrachtgroei gepensioneerden lager bij hoger inkomen

In tegenstelling tot werknemers zijn gepensioneerden beperkt in hun mogelijkheden om de koopkracht te verbeteren. Die is sterk afhankelijk van de indexering van de AOW en aanvullende pensioenen en van fiscale maatregelen. De aanvullende pensioenuitkering heeft lange tijd de trend van de cao-loonontwikkeling gevolgd, maar zeker in de jaren ’10 werd deze voor een deel van de gepensioneerden niet meer geïndexeerd of gekort. Voor de gepensioneerden met relatief veel aanvullend (pensioen)inkomen naast de AOW steeg de koopkracht daardoor niet of nauwelijks. In 2020 nam de koopkracht van gepensioneerden in de hoogste inkomensgroep met 0,1 procent in doorsnee toe, terwijl de koopkracht van gepensioneerden in de laagste inkomensgroep met 1,4 procent steeg. De koopkrachtverbetering van werknemers was nagenoeg gelijk in alle inkomensgroepen.

4.2.2 Koopkrachtontwikkeling, 2020* (%-mutatie t.o.v. een jaar eerder)
Werknemers Pensioenontvangers
20%-groep inkomen
(gestandaardiseerd)
. .
1e (laagste) 4,4 1,4
2e 4,7 1,0
3e 4,3 0,8
4e 4,2 0,6
5e (hoogste) 4,2 0,1

Werknemers hebben steeds grotere koopkrachtstijging dan gepensioneerden

Sinds 1990 ontwikkelde de koopkracht van pensioenontvangers zich steeds minder gunstig dan die van werknemers. In tegenstelling tot gepensioneerden kunnen werknemers hun koopkracht zelf verbeteren door bijvoorbeeld over te stappen naar een beter betaalde baan. Ook kunnen zij profiteren van afspraken in hun cao. In de jaren 2009–2019 hadden werknemers een cumulatieve koopkrachtwinst van ruim 17 procent (zie kader ‘Cumulatieve koopkrachtontwikkeling’).

4.2.3 Koopkrachtontwikkeling per decennium (%-mutatie)
1979-1989 1989-1999 1999-2009 2009-2019
Totale
bevolking
1,6 15,4 22,2 5,5
Werknemers . 26,4 33,3 17,5
Zelfstandigen . 12,6 34,5 13,7
Pensioen-
ontvangers
. 4,2 7,4 -4,7
Bijstands-
ontvangers
. 15,1 16,9 2,7

Cumulatieve koopkrachtontwikkeling

De koopkrachtontwikkeling van (groepen in) de bevolking vanaf een bepaald startjaar is eenvoudig te berekenen door jaarlijkse mediane koopkrachtmutaties te vermenigvuldigen (vergelijkbaar met rente-op-rente berekeningen). Met een koopkrachtontwikkeling van 2,1 procent in 2000 en 6,3 procent in 2001 is de ontwikkeling vanaf startjaar 1999 gelijk aan 1,021 * 1,063 = 1,085 oftewel 8,5 procent. Kanttekening bij de cumulatieve koopkrachtontwikkeling is dat voorbij wordt gegaan aan het feit dat bevolkingsgroepen telkens van samenstelling veranderen.

Koopkrachtontwikkelingen van bevolkingsgroepen zijn vanaf 1990 beschikbaar. In de periode 1977–2020 is de koopkracht van de gehele bevolking met 58 procent gestegen.

Koopkracht zelfstandigen hardst gegroeid in 2006–2007

De koopkracht van zelfstandigen groeide in het eerste decennium van deze eeuw met 34 procent. Van 2006 op 2007 maakten zij de grootste koopkrachtvooruitgang mee van in doorsnee 8,4 procent. Naast de economische groei in die jaren speelden ook gunstige fiscale maatregelen een rol. Ook werknemers profiteerden van de economische groei in 2006 en 2007. Hun koopkracht steeg echter het meest in 2001 (8,3 procent), toen de arbeidskorting werd geïntroduceerd. Bij werknemers variëren de individuele koopkrachtontwikkelingen overigens minder dan bij zelfstandigen, van wie het inkomen van jaar op jaar sterk kan fluctueren.

4.3Regionale koopkrachtontwikkeling

In 2020 had de gemeente Urk de sterkste (mediane) koopkrachtgroei met 3,3 procent ten opzichte van 2019, en kende de gemeente Bloemendaal de minst voorspoedige ontwikkeling met een doorsnee stijging van 1 procent. In de vijf gemeenten met de grootste koopkrachttoename wonen relatief meer werknemershuishoudens en paren met kinderen en minder gepensioneerden dan het landelijk gemiddelde. In de vijf gemeenten met de minste koopkrachttoename is het beeld doorgaans andersom. Hier wonen relatief veel gepensioneerden, in voornamelijk de hogere inkomensgroepen.

4.3.1 Koopkrachtontwikkeling per gemeente, 2020*
Gemeentenaam Ontwikkeling
Groningen 2,3
Almere 2,8
Stadskanaal 2,2
Veendam 2,3
Zeewolde 2,9
Achtkarspelen 2,6
Ameland 1,8
Harlingen 1,8
Heerenveen 2,3
Leeuwarden 2,4
Ooststellingwerf 2,0
Opsterland 2,4
Schiermonnikoog 1,5
Smallingerland 2,2
Terschelling 1,4
Vlieland 2,4
Weststellingwerf 2,2
Assen 2,4
Coevorden 2,1
Emmen 2,2
Hoogeveen 2,4
Meppel 2,5
Almelo 2,4
Borne 2,4
Dalfsen 2,2
Deventer 2,5
Enschede 2,3
Haaksbergen 2,2
Hardenberg 2,9
Hellendoorn 2,4
Hengelo 2,5
Kampen 2,9
Losser 2,4
Noordoostpolder 2,4
Oldenzaal 2,3
Ommen 2,5
Raalte 2,5
Staphorst 3,2
Tubbergen 2,5
Urk 3,3
Wierden 2,5
Zwolle 2,8
Aalten 2,3
Apeldoorn 2,4
Arnhem 2,4
Barneveld 2,7
Beuningen 2,5
Brummen 2,0
Buren 2,0
Culemborg 2,4
Doesburg 1,8
Doetinchem 2,2
Druten 2,4
Duiven 2,5
Ede 2,5
Elburg 2,9
Epe 2,3
Ermelo 2,0
Harderwijk 2,5
Hattem 2,5
Heerde 2,2
Heumen 2,0
Lochem 1,7
Maasdriel 2,1
Nijkerk 2,6
Nijmegen 2,4
Oldebroek 2,9
Putten 2,2
Renkum 1,8
Rheden 2,1
Rozendaal 1,7
Scherpenzeel 2,5
Tiel 2,7
Voorst 2,1
Wageningen 2,5
Westervoort 2,2
Winterswijk 2,4
Wijchen 2,3
Zaltbommel 2,5
Zevenaar 2,1
Zutphen 2,3
Nunspeet 2,4
Dronten 2,3
Amersfoort 2,8
Baarn 1,8
De Bilt 1,8
Bunnik 2,1
Bunschoten 3,0
Eemnes 1,8
Houten 2,8
Leusden 2,1
Lopik 2,3
Montfoort 2,5
Renswoude 2,7
Rhenen 2,6
Soest 2,0
Utrecht 3,2
Veenendaal 2,6
Woudenberg 2,6
Wijk bij Duurstede 2,4
IJsselstein 2,4
Zeist 2,0
Nieuwegein 2,4
Aalsmeer 2,1
Alkmaar 2,2
Amstelveen 1,8
Amsterdam 2,2
Bergen (NH.) 1,4
Beverwijk 2,1
Blaricum 1,1
Bloemendaal 1,0
Castricum 1,7
Diemen 2,1
Edam-Volendam 2,3
Enkhuizen 1,8
Haarlem 2,1
Haarlemmermeer 2,2
Heemskerk 1,8
Heemstede 1,4
Heiloo 1,8
Den Helder 2,1
Hilversum 2,0
Hoorn 2,3
Huizen 1,8
Landsmeer 1,8
Laren 1,1
Medemblik 2,2
Oostzaan 2,0
Opmeer 2,5
Ouder-Amstel 1,7
Purmerend 2,1
Schagen 2,0
Texel 1,7
Uitgeest 2,3
Uithoorn 2,2
Velsen 2,1
Weesp 1,9
Zandvoort 1,6
Zaanstad 2,3
Alblasserdam 2,5
Alphen aan den Rijn 2,4
Barendrecht 2,5
Drechterland 2,4
Brielle 1,8
Capelle aan den IJssel 2,2
Delft 2,4
Dordrecht 2,3
Gorinchem 2,5
Gouda 2,6
's-Gravenhage 2,3
Hardinxveld-Giessendam 2,7
Hellevoetsluis 2,1
Hendrik-Ido-Ambacht 2,7
Stede Broec 2,0
Hillegom 1,8
Katwijk 2,6
Krimpen aan den IJssel 2,2
Leiden 2,7
Leiderdorp 2,2
Lisse 1,9
Maassluis 2,1
Nieuwkoop 2,1
Noordwijk 1,8
Oegstgeest 2,1
Oudewater 2,0
Papendrecht 2,1
Ridderkerk 1,9
Rotterdam 2,2
Rijswijk 2,1
Schiedam 2,4
Sliedrecht 2,3
Albrandswaard 2,6
Westvoorne 1,4
Vlaardingen 2,0
Voorschoten 2,3
Waddinxveen 2,4
Wassenaar 1,3
Woerden 2,4
Zoetermeer 2,7
Zoeterwoude 2,4
Zwijndrecht 2,1
Borsele 2,8
Goes 2,2
West Maas en Waal 2,1
Hulst 1,5
Kapelle 2,3
Middelburg 2,0
Reimerswaal 2,7
Terneuzen 1,7
Tholen 2,3
Veere 1,9
Vlissingen 1,9
De Ronde Venen 1,9
Tytsjerksteradiel 2,3
Asten 2,2
Baarle-Nassau 1,6
Bergen op Zoom 2,0
Best 2,2
Boekel 2,6
Boxtel 2,2
Breda 2,2
Deurne 2,1
Pekela 2,3
Dongen 2,1
Eersel 1,9
Eindhoven 2,4
Etten-Leur 2,2
Geertruidenberg 2,0
Gilze en Rijen 2,1
Goirle 2,2
Helmond 2,3
's-Hertogenbosch 2,3
Heusden 2,3
Hilvarenbeek 2,2
Loon op Zand 2,1
Nuenen, Gerwen en Nederwetten 1,7
Oirschot 2,2
Oisterwijk 1,8
Oosterhout 2,0
Oss 2,4
Rucphen 2,0
Sint-Michielsgestel 2,0
Someren 2,3
Son en Breugel 2,1
Steenbergen 2,0
Waterland 1,6
Tilburg 2,5
Valkenswaard 2,0
Veldhoven 2,3
Vught 1,9
Waalre 1,9
Waalwijk 2,0
Woensdrecht 1,8
Zundert 2,1
Wormerland 1,9
Landgraaf 1,9
Beek 1,9
Beesel 1,9
Bergen (L.) 2,1
Brunssum 2,0
Gennep 2,1
Heerlen 1,8
Kerkrade 1,6
Maastricht 1,9
Meerssen 2,0
Mook en Middelaar 1,7
Nederweert 2,0
Roermond 2,0
Simpelveld 1,8
Stein 1,9
Vaals 1,2
Venlo 2,0
Venray 2,1
Voerendaal 1,8
Weert 1,9
Valkenburg aan de Geul 1,7
Lelystad 2,4
Horst aan de Maas 2,3
Oude IJsselstreek 2,2
Teylingen 2,3
Utrechtse Heuvelrug 1,7
Oost Gelre 2,4
Koggenland 2,3
Lansingerland 2,7
Leudal 2,0
Maasgouw 1,9
Gemert-Bakel 2,3
Halderberge 2,2
Heeze-Leende 2,1
Laarbeek 1,9
Reusel-De Mierden 2,1
Roerdalen 1,8
Roosendaal 2,1
Schouwen-Duiveland 1,8
Aa en Hunze 2,1
Borger-Odoorn 2,2
De Wolden 2,2
Noord-Beveland 2,0
Wijdemeren 1,9
Noordenveld 2,0
Twenterand 2,8
Westerveld 1,9
Lingewaard 2,5
Cranendonck 2,2
Steenwijkerland 2,4
Moerdijk 2,0
Echt-Susteren 2,0
Sluis 1,5
Drimmelen 2,1
Bernheze 2,3
Alphen-Chaam 1,8
Bergeijk 1,9
Bladel 2,2
Gulpen-Wittem 1,9
Tynaarlo 2,2
Midden-Drenthe 2,3
Overbetuwe 2,4
Hof van Twente 2,1
Neder-Betuwe 2,7
Rijssen-Holten 3,1
Geldrop-Mierlo 2,1
Olst-Wijhe 2,7
Dinkelland 2,5
Westland 2,4
Midden-Delfland 2,3
Berkelland 2,2
Bronckhorst 2,0
Sittard-Geleen 1,9
Kaag en Braassem 1,9
Dantumadiel 2,2
Zuidplas 2,4
Peel en Maas 2,2
Oldambt 2,1
Zwartewaterland 3,1
S�dwest-Frysl�n 2,2
Bodegraven-Reeuwijk 2,1
Eijsden-Margraten 2,0
Stichtse Vecht 2,0
Hollands Kroon 2,2
Leidschendam-Voorburg 1,9
Goeree-Overflakkee 2,1
Pijnacker-Nootdorp 2,8
Nissewaard 2,1
Krimpenerwaard 2,3
De Fryske Marren 2,2
Gooise Meren 1,7
Berg en Dal 2,1
Meierijstad 2,3
Waadhoeke 2,4
Westerwolde 2,0
Midden-Groningen 2,2
Beekdaelen 2,0
Montferland 2,1
Altena 2,2
West Betuwe 2,2
Vijfheerenlanden 2,3
Hoeksche Waard 2,1
Het Hogeland 2,3
Westerkwartier 2,5
Noardeast-Frysl�n 2,5
Molenlanden 2,6
Eemsdelta 1,9
Dijk en Waard 2,3
Land van Cuijk 2,3
Maashorst 2,3
4.3.2Gemeenten met hoogste en laagste koopkrachtontwikkeling, 2020*
  Koopkrachtontwikkeling Aandeel werknemers Aandeel pensioenontvangers
Hoogste ontwikkeling %-mutatie t.o.v. een jaar eerder %
Urk 3,3 64 10
Staphorst 3,2 63 15
Utrecht 3,2 68 12
Rijssen-Holten 3,1 65 19
Zwartewaterland 3,1 65 17
Laagste ontwikkeling      
Wassenaar 1,3 51 29
Vaals 1,2 52 31
Blaricum 1,1 48 27
Laren 1,1 41 32
Bloemendaal 1,0 48 29
Totaal Nederland 2,2 60 20

4.4Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

CPB (2022). CPB Raming Maart 2022 – Centraal Economisch Plan. CPB, Den Haag.

Bos, W. (2007). Meten van koopkrachtontwikkeling. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen.

UL/CBS (2021). Inkomen verdeeld, trends 1977–2019. UnivLeiden/CBS.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Judit Arends-Tóth

Koos Arts

Marion van den Brakel

Mitchell Dost

Kai Gidding

Bart Huynen

Koen Link

Reinder Lok

Jasper Menger

Jeroen Nieuweboer

Ferdy Otten

Noortje Pouwels-Urlings

Nadine Wesselius

Eindredactie

Marion van den Brakel

Ferdy Otten