Belastingen
In dit hoofdstuk komt de druk van belastingen, volksverzekeringen en overige premies op het bruto inkomen aan bod. Hoe hoog is de druk, en hoe heeft die zich de laatste decennia ontwikkeld? En hoe groot is het belastingvoordeel dat huishoudens genieten uit heffingskortingen en uit de hypotheekrenteaftrek?
8.1Belastingdruk
Druk stabiel rond 38 procent
Huishoudens in Nederland betalen belasting over hun bruto inkomen als werknemer, de winst als zelfstandige, een uitkering en hun vermogen. De belasting bestaat uit de inkomstenbelasting (met daarop een voorheffing in de vorm van loonbelasting en dividendbelasting) en de premies voor de volksverzekeringen AOW, Anw en Wlznoot1 (voorheen AWBZ). Daarnaast drukken premies voor verzekeringen tegen werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid en pensioenpremies op het bruto inkomen, evenals premies voor zorg- en ziektekostenverzekeringen.noot2
In 2020 droegen huishoudens gemiddeld 37,6 procent van hun bruto inkomen af aan belastingen en premies. Over iedere 100 euro aan bruto inkomen was gemiddeld 37,60 euro verschuldigd aan belastingen en premies en bleef 62,40 euro over om te besteden. De inkomstenbelasting en volksverzekeringen waren samen goed voor 18,3 procent druk. De premies voor werknemersverzekeringen en pensioenpremies nog eens voor 12,3 procent. De rest kwam voor rekening van de premies voor de zorgverzekeringswet (7 procent).
De belasting- en premiedruk is sinds 1985, het jaar met de hoogste druk, trendmatig gedaald. In 1985 werd een belasting- en premiedruk van 44,0 procent waargenomen. De daling van de belasting- en premiedruk sindsdien bedraagt 6,4 procentpunt. Met name de premies voor de volksverzekeringen daalden sterk (9,1 procentpunt). Sinds 2015 ligt de totale druk rond de 38 procent en is in 2020 ongeveer op hetzelfde niveau als in 2001, het jaar waarin de druk het meest daalde bij de introductie van een nieuw belastingstelsel.
| Inkomstenbelasting | Premie volksverzekeringen (AOW, Anw, AWBZ/Wlz) |
Premie werknemersverzekeringen | Premie pensioenverzekering (excl. AOW, Anw) |
Inkomensafhankelijke Zvw premie | Kosten basisverzekering Zvw1) | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| '77 | 14 | 11,2 | 6,3 | 5,9 | 2,9 | 1,7 |
| '81 | 12,9 | 12,4 | 6,7 | 5,9 | 2,9 | 1,8 |
| '85 | 10,9 | 15,8 | 6,9 | 5,3 | 3 | 2,1 |
| '89 | 11,3 | 13,5 | 7,2 | 5,1 | 2,6 | 2,3 |
| '90 | 13,6 | 11 | 6,8 | 5,3 | 2,5 | 2,3 |
| '91 | 13,9 | 11,4 | 6,8 | 5,2 | 2,4 | 2,3 |
| '92 | 14 | 12,8 | 7 | 4,9 | 1,9 | 2,1 |
| '93 | 13,7 | 12,5 | 6,9 | 5,1 | 2 | 2,1 |
| '94 | 10,1 | 14,9 | 6,1 | 6,1 | 2 | 2,1 |
| '95 | 9,5 | 14,7 | 6,2 | 6 | 1,6 | 2,1 |
| '96 | 9,1 | 13,8 | 5,9 | 6,6 | 2,3 | 2,5 |
| '97 | 8,4 | 14,4 | 4,9 | 7,2 | 2,3 | 2,5 |
| '98 | 8,3 | 12,2 | 7,3 | 7,3 | 2,3 | 2,5 |
| '99 | 8,5 | 12,3 | 7,1 | 8 | 2,4 | 2,7 |
| '00 | 8,5 | 11,8 | 7,5 | 7,6 | 3 | 2,2 |
| '01 | 9,2 | 9,9 | 7 | 6,1 | 3 | 2,2 |
| '02 | 9,1 | 9,6 | 7,1 | 6,6 | 2,9 | 2,4 |
| '03 | 8,3 | 10 | 6,7 | 7,8 | 3,1 | 2,8 |
| '04 | 8,4 | 9,6 | 6,9 | 8,3 | 2,9 | 3 |
| '05 | 8,5 | 9,4 | 6,9 | 8,8 | 2,9 | 2,8 |
| '06 | 9,4 | 8,7 | 6,3 | 8,7 | 3,7 | 2,5 |
| '07 | 10 | 8,2 | 5,8 | 8 | 3,6 | 2,5 |
| '08 | 10 | 8,4 | 5,9 | 7,4 | 4 | 2,8 |
| '09 | 10,2 | 8,7 | 5 | 7,8 | 3,9 | 2,8 |
| '10 | 10,1 | 8,9 | 5,1 | 8,1 | 4 | 2,8 |
| '11 | 10,2 | 8,7 | 4,8 | 8,4 | 4,3 | 2,8 |
| '12 | 10,2 | 8,7 | 5,1 | 8,3 | 4,5 | 2,9 |
| '13 | 10,2 | 8,8 | 5 | 8,4 | 4,8 | 2,9 |
| '14 | 10,6 | 8,3 | 5,2 | 7,8 | 4,4 | 2,8 |
| '15 | 11,9 | 7,5 | 5,3 | 6,5 | 4,2 | 3 |
| '16 | 11,5 | 7,3 | 5,5 | 6,2 | 4,3 | 3 |
| '17 | 12,4 | 7 | 5,4 | 6,4 | 4,1 | 3,1 |
| '18 | 12,1 | 7,1 | 5,6 | 6,3 | 4,3 | 3 |
| '19 | 11,9 | 6,8 | 5,5 | 6,4 | 4,2 | 3 |
| '20* | 11,6 | 6,7 | 5,6 | 6,7 | 4 | 3 |
| 1) Incl. gebruik verplicht eigen risico en verminderd met zorgtoeslag. | ||||||
Belasting- en premiedruk meest gedaald bij zelfstandigen
Sinds het hoogtepunt in 1985 is de totale druk gedaald met 6,4 procentpunt. Voor zelfstandigen was de daling het grootste, namelijk ruim 12 procentpunt. Met name bij de invoering van het nieuwe belastingstel daalde de druk voor zelfstandigen, met bijna 5 procentpunt. Voor bijstandsontvangers daalde de druk vooral daarvoor, en is nu bijna 10 procentpunt lager dan in 1985. Dit ondanks een stijging tijdens de crisisjaren tot 2013, die daarna weer omsloeg. Voor werknemers en pensioenontvangers daalde de druk tussen 1985 en 2020 minder dan gemiddeld, respectievelijk met 5,3 en 4,6 procentpunt. Voor deze groepen geldt ook dat er sinds 2001 per saldo sprake is van een stijging, met eveneens een tijdelijke piek in 2013.noot3
Werknemers ervaren in alle jaren gemiddeld de hoogste druk, ondanks dat zelfstandigen gemiddeld hogere inkomens hebben. Bijstandsontvangers hebben de laagste druk door de progressie in de inkomstenbelasting.
| 1985 | 2000 | 2001 | 2006 | 2013 | 2020* | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Werknemers | 48,6 | 45,3 | 41,6 | 44,6 | 45,9 | 43,3 |
| Zelfstandigen | 43,3 | 39,8 | 35,0 | 35,2 | 33,0 | 31,2 |
| Pensioenontvangers | 28,2 | 22,5 | 22,6 | 22,9 | 24,5 | 23,6 |
| Bijstandsontvangers | 29,4 | 21,2 | 19,3 | 18,3 | 23,6 | 19,5 |
8.2Drukverlichting door heffingskortingen
Heffingskorting draagt fors bij aan draagkrachtprincipe
Heffing naar draagkracht is een van de principes van het belastingstelsel. Het houdt in dat iemand meer belasting moet betalen naarmate zijn inkomen of vermogen hoger is. Dit principe is in de inkomstenbelasting onder meer vormgegeven door een systeem om inkomens te splitsen in maximaal vier schijven met oplopende tarieven. Meer nog dan die tariefdifferentiatie leveren de heffingskortingen een bijdrage aan de heffing naar draagkracht.
Voor huishoudens met het laagste welvaartsniveau (zowel een laag inkomen als een laag vermogen, zie paragraaf 7.3 voor nadere uitleg) zou de druk zonder heffingskortingen 25,4 procent zijn. Voor de huishoudens met de hoogste welvaart zou deze bruto druk 30,4 procent zijn. De belastingschijven zorgen dus voor een drukverschil van 5,0 procentpunt. Door de heffingskortingen kwamen deze percentages in 2020 netto uit op 8,5 procent voor de laagste welvaartsgroep en op 27,0 procent voor de hoogste groep, een drukverschil van 18,5 procentpunt. De heffingskortingen verhogen het drukverschil dus met 13,5 procentpunt.
Sinds 2011 is het verschil in netto heffing tussen de laagste en de hoogste groep groter geworden. In 2011 bedroeg het verschil ruim 16 procentpunt. Zowel de bruto heffing als de heffingskortingen droegen hieraan bij. Zo is voor de meer vermogende huishoudens de heffing over de eigen woning en vermogen in box 3 toegenomen en zijn heffingskortingen (meer) inkomensafhankelijk geworden.
| Netto druk inkomstenbelasting enpremie volksverzekeringen | Drukverlichting door heffingskortingen |
|
|---|---|---|
| Welvaartsgroep | . | . |
| 1e (laagste) | 8,5 | -16,9 |
| 2e | 7,6 | -15,7 |
| 3e | 8,3 | -15,2 |
| 4e | 11,3 | -13,4 |
| 5e | 12,4 | -12,1 |
| 6e | 13,8 | -10,9 |
| 7e | 15,6 | -9,6 |
| 8e | 18 | -7,9 |
| 9e | 22,2 | -5,6 |
| 10e (hoogste) | 27 | -3,4 |
8.3Belastingvoordeel aftrek eigen woning
Betaalde hypotheekrente in tien jaar bijna gehalveerd
De hypotheekrente die woningeigenaren moeten betalen over hun eigenwoningschuld is voor veel eigenaren tussen 2011 en 2020 gedaald, vooral in de tweede helft van de jaren ’10. In 2020 bedroeg de betaalde rente op jaarbasis in doorsnee 2,7 procent van de eigenwoningschuld (per 1 januari). In 2011 was dit nog 4,8 procent. In 2020 betaalde een kwart van de eigenaren een percentage van maximaal 2,2 procent en driekwart betaalde maximaal 3,9 procent.
| 25e percentiel | 50e percentiel (mediaan) | 75e percentiel | |
|---|---|---|---|
| 2011 | 4,3 | 4,8 | 5,4 |
| 2012 | 4,2 | 4,8 | 5,3 |
| 2013 | 4,1 | 4,7 | 5,2 |
| 2014 | 4,0 | 4,6 | 5,1 |
| 2015 | 3,7 | 4,5 | 5,1 |
| 2016 | 3,1 | 4,2 | 5,0 |
| 2017 | 2,7 | 3,7 | 4,8 |
| 2018 | 2,4 | 3,2 | 4,5 |
| 2019 | 2,3 | 2,9 | 4,2 |
| 2020* | 2,2 | 2,7 | 3,9 |
Aftrek eigen woning daalt door lagere rente
In 2020 bedroeg de totale aftrek voor de eigen woning (zie kader) 26,5 miljard euro, waarvan 24,6 miljard hypotheekrenteaftrek en 1,9 miljard aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (Wet Hillen). Op het hoogtepunt in 2012 was dit in totaal nog ruim 34 miljard. Sindsdien is de aftrek met 7,8 miljard euro gedaald, terwijl het aantal huishoudens met aftrek toenam met 317 duizend. De gemiddelde aftrek daalde hierdoor van 680 tot 490 euro per maand. Deze daling komt grotendeels doordat steeds meer huishoudens gebruikmaken van de lage hypotheekrentetarieven, en sinds 2019 ook door de afbouw van de Hillenregeling.
Het totale eigenwoningforfait groeide sinds 2000 van 4,3 miljard euro naar bijna 8,8 miljard in 2020. Gemiddeld tellen woningeigenaren 160 euro per maand bij hun belastbare inkomen op.
| Aftrek eigen woning | Eigenwoningforfait | |
|---|---|---|
| 2000 | 16,9 | 4,3 |
| 2001 | 18,3 | 4,4 |
| 2002 | 20,8 | 4,6 |
| 2003 | 23,3 | 4,7 |
| 2004 | 23,9 | 5,1 |
| 2005 | 26,6 | 5,4 |
| 2006 | 27,3 | 5,6 |
| 2007 | 28,9 | 5,6 |
| 2008 | 31,2 | 6,1 |
| 2009 | 32,2 | 6,4 |
| 2010 | 32,6 | 6,5 |
| 2011 | 33,8 | 6,5 |
| 2012 | 34,2 | 7,0 |
| 2013 | 33,6 | 6,8 |
| 2014 | 33,2 | 7,5 |
| 2015 | 32,7 | 7,9 |
| 2016 | 31,3 | 8,2 |
| 2017 | 29,5 | 8,6 |
| 2018 | 27,8 | 8,6 |
| 2019 | 26,8 | 8,7 |
| 2020* | 26,5 | 8,8 |
Belasting(aftrek) op de eigen woning
De eigen woning valt, anders dan de meeste andere vermogenscomponenten, in box 1 van de inkomstenbelasting. Het inkomen uit de eigen woning dat in box 1 wordt belast is het zogenaamde eigenwoningforfait, een percentage van de WOZ-waarde. Kosten van de lening voor de woning mogen daarentegen van het inkomen worden afgetrokken, dit is bekend als de hypotheekrenteaftrek.
Sinds 2005 is er bovendien een aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld. Deze aftrek is een kwijtschelding van het eigenwoningforfait voor zover die groter is dan de betaalde rente. Per saldo leverde de woning daardoor geen of een verlagende bijdrage aan het belastbare inkomen. Deze zogenaamde Wet Hillen wordt vanaf 2019 in dertig jaren stapsgewijs weer afgeschaft, waardoor over (bijna) schuldenvrije eigenwoningen per saldo weer belasting moet worden betaald.
Gemiddeld 200 euro belastingvoordeel
In 2020 leverde de aftrek voor de eigen woning een gemiddeld voordeel op van 200 euro per maand, 100 euro minder dan in 2012. Het belastingvoordeel liep op van 90 euro in de decielgroep met de laagste welvaart (voor uitleg over welvaart: zie paragraaf 7.3) naar 270 euro in de tiende en hoogste groep. De heffing in de laagste groep was hierdoor 46 procent lager dan zonder aftrek. Hogere welvaartsgroepen hadden weliswaar meer voordeel in euro’s, maar dit had relatief steeds minder effect op de heffing: ruim 6 procent in de meest welvarende groep.
Het belastingvoordeel van de aftrek eigen woning is de laatste jaren sneller gedaald dan de aftrek zelf omdat het maximale aftrektarief voor de hogere inkomens stapsgewijs wordt beperkt, en ook de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld wordt afgebouwd. Ter compensatie wordt het tarief van het eigenwoningforfait voor de meeste eigenaren ook in enkele stappen verlaagd.
| Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringenna aftrek eigen woning | Voordeel aftrek eigen woning | |
|---|---|---|
| Welvaartsgroep | . | . |
| 1e (laagste) | 110 | -90 |
| 2e | 210 | -130 |
| 3e | 330 | -150 |
| 4e | 430 | -160 |
| 5e | 560 | -160 |
| 6e | 750 | -170 |
| 7e | 1020 | -180 |
| 8e | 1430 | -200 |
| 9e | 2210 | -230 |
| 10e (hoogste) | 4170 | -270 |
Meeste profijt voor grootste belastingbetalers
In totaal profiteerden in 2020 bijna 4,5 miljoen huishoudens van de aftrek eigen woning. Dit betreft bijna 57 procent van alle Nederlandse huishoudens. Sinds 2017 is dit percentage licht gedaald. Huishoudens met een hoge welvaart hebben veel vaker een eigen woning dan die met een laag welvaartsniveau. Bijna 3 procent van de huishoudens in de laagste welvaartsgroep had in 2020 voordeel van de aftrek voor de eigen woning. In de hoogste groep had meer dan 96 procent van de huishoudens voordeel van de aftrek. Door het grote aandeel huishoudens met een eigen woning en het gemiddeld hoge bedrag aan heffingsvoordeel, kwam bijna 42 procent van het totale belastingvoordeel van 10,8 miljard euro terecht bij de twee hoogste welvaartsgroepen. Ook met inachtneming van het belastingvoordeel betaalden deze huishoudens ruim 56 procent van de totale inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.
Noten
Algemene Ouderdomswet, Algemene nabestaandenwet en Wet langdurige zorg.
Indirecte belastingen en gemeentelijke heffingen leggen weliswaar ook nog beslag op het inkomen, maar gegevens over deze aanvullende druk zijn niet bekend.
In figuur 8.1.2 is gekozen voor de jaren 1985 (hoogtepunt belastingdruk), 2000 en 2001 (invoering nieuw belastingstelsel), 2006 (wijziging stelsel ziektekosten), 2013 (hoogtepunt druk in vorige economische crisis) en het meest actuele jaar 2020.