Foto omschrijving: Een groep passagiers stappen geduldig in een greedstaande trein aan het perron op station Rotterdam Centraal.

Inkomen van personen

In dit hoofdstuk staat het inkomen van personen centraal. Hoe is dit inkomen samengesteld? In welke mate is het inkomen tussen 1977 en 2020 gegroeid? Hoe zit het met de inkomensverschillen tussen mannen en vrouwen, bijvoorbeeld bij het aanvullend pensioen? Hoeveel mannen en vrouwen hebben een topinkomen en hoeveel verdienen minder dan het bijstandsniveau?

3.1Samenstelling inkomen

Ruim 3 op de 5 mensen hebben inkomen uit loon

In 2020 hadden 13,8 miljoen mensen in Nederland een eigen inkomen. Ruim 60 procent van hen ontving loon, terwijl 14 procent inkomen uit eigen onderneming had. Daarnaast ontving 37 procent een uitkering wegens werkloosheid, ziekte- en arbeidsongeschiktheid of een pensioen en was er bij ruim 13 procent sprake van bijstand of een andere uitkering sociale voorziening.

Een deel van de bevolking betrok zijn inkomen dus uit verschillende bronnen. Deze inkomsten kunnen tegelijkertijd ontvangen zijn, bijvoorbeeld bij mensen die een eigen onderneming combineren met een werknemersbaan, maar ook achtereenvolgend, bijvoorbeeld mensen die loon als werknemer ontvingen, maar in de loop van 2020 met pensioen gingen.

3.1.1Samenstelling van het inkomen van personen, 2020*
  Personen met inkomen Gemiddeld bedrag Aandeel van bruto-inkomen
  x 1 000 % 1 000 euro %
1 Inkomen als werknemer 8 438 61,2 43,4 67,1
2 Inkomen als zelfstandige 1 957 14,2 30,9 11,1
3 PERSOONLIJK PRIMAIR INKOMEN (1+2) 9 785 70,9 43,6 78,2
4 Uitkering inkomensverzekeringen 5 122 37,1 20,8 19,5
5 Uitkering sociale voorzieningen 1 865 13,5 6,4 2,2
6 Ontvangen inkomensoverdrachten 47 0,3 11,6 0,1
7 PERSOONLIJK BRUTO-INKOMEN (3+4+5+6) 13 798 100,0 39,5 100,0
8 Premie inkomensverzekeringen 9 056 65,6 8,1 13,4
9 PERSOONLIJK INKOMEN (7–8) 13 798 100,0 34,2 86,6

Persoonlijk inkomen

Bij het bepalen van het persoonlijk inkomen is een aantal bestanddelen die in het besteedbare inkomen van het huishouden wel een rol spelen (zie paragraaf 2.1), buiten beschouwing gelaten. Dat zijn alle bestanddelen waarvan bij meerpersoonshuishoudens niet eenduidig vastgesteld kan worden aan welke persoon in het huishouden deze inkomsten toegerekend moeten worden. Zo zijn inkomsten uit vermogen, de kinderbijslag, het kindgebonden budget en ontvangen gebonden overdrachten, zoals de huurtoeslag, niet bij het persoonlijk inkomen geteld, terwijl betaalde inkomensoverdrachten, premies ziektekostenverzekeringen, premies volksverzekeringen en belastingen op inkomen en vermogen hierop niet in mindering zijn gebracht.

Het bruto-inkomen bestaat voor het grootste deel uit inkomen uit werk, bij mannen meer nog dan bij vrouwen. Dat komt doordat bij mannen een bijna 2 keer zo groot deel van het bruto-inkomen afkomstig is uit een onderneming. Het aandeel werknemersinkomen is bij beide seksen gelijk. Bij vrouwen maakt inkomen uit inkomensverzekeringen meer uit van het bruto-inkomen (22 tegen 18 procent). Vooral het inkomen uit (nabestaanden)pensioen beslaat bij vrouwen een groter deel van het bruto-inkomen: 18 tegen 15 procent (zie StatLine). Dat komt doordat vrouwen gemiddeld ouder worden dan mannen en er dus relatief meer vrouwen AOW-gerechtigd zijn.

3.1.2 Samenstelling bruto-inkomen, 2020* (% van bruto-inkomen)
Inkomen als werknemer Inkomen als zelfstandige Uitkering inkomensverzekering Uitkering sociale voorziening Ontvangen partneralimentatie
Mannen 67 13,4 17,9 1,7 0
Vrouwen 67,2 7,4 22,1 3 0,3

Steeds meer vrouwen met aanvullend pensioen

In 2020 ontvingen 3 miljoen mensen het gehele jaar door een AOW-uitkering: 1,4 miljoen mannen en 1,6 miljoen vrouwen. Van de vrouwen met AOW had ruim twee derde een aanvullend pensioen, in 2000 was dat nog de helft. Het verschil met de mannelijke AOW’ers is echter nog steeds aanzienlijk: van hen ontving bijna 93 procent in 2020 een aanvullend pensioen. Vooral onder vrouwen met een partner was het aandeel met een aanvullend pensioen betrekkelijk klein. Wel is bij deze groep vrouwen het aandeel in twintig jaar tijd sterk toegenomen: van 21 procent naar 54 procent.

De stijging van het aandeel vrouwen met aanvullend pensioen komt doordat jongere generaties die in de AOW stromen, vaker een aanvullend pensioen hebben dan de oudere generaties. Dit hangt samen met de hogere arbeidsdeelname van de jongere generaties. Onder alleenstaande vrouwen steeg het percentage met een aanvullend pensioen relatief weinig. Bij deze vrouwen gaat het vaak niet alleen om het pensioen dat zij eerder in hun actieve loopbaan zelf hebben opgebouwd, maar ook om nabestaandenpensioen. Het sekseverschil in aanvullend pensioen onder alleenstaanden is dan ook duidelijk kleiner dan bij AOW’ers met een partner.

3.1.3 AOW'ers met aanvullend pensioen (%)
2000 2010 2020*
Totaal Man, Totaal 87,1 91,6 92,6
Totaal Vrouw, Totaal 50,2 58,8 68,3
Zonder partner Man, Zonder partner 81,5 87,2 89
Zonder partner Vrouw, Zonder partner 75,2 82,4 85,1
Met partner Man, Met partner 88,6 92,8 93,6
Met partner Vrouw, Met partner 20,8 35,7 54

Vrouw heeft minder aanvullend pensioen dan man

Van vrouwen met een aanvullend pensioen is het ontvangen bedrag in doorsnee substantieel lager dan van mannen. In 2020 hadden ze met 5 900 euro aan bruto aanvullend pensioen 43 procent van het mediane bedrag van mannen. Wel is de kloof gaandeweg wat kleiner geworden. Vrouwen die tegenwoordig de AOW instromen zijn zoals gezegd niet alleen vaker werkzaam geweest. Ook hadden ze een gemiddeld langere werkweek dan eerdere generaties, waardoor ze meer pensioen hebben opgebouwd. Het aanvullend pensioen groeide het sterkst onder vrouwen met een partner, maar het verschil met mannen blijft hier het grootst.

Tussen 2000 en 2010 groeide het mediane aanvullend pensioen harder dan tussen 2010 en 2020. Zo nam het bij mannen in de periode 2000–2010 met 35 procent toe en bij vrouwen met 17 procent. De toenames waren in de periode 2010–2020 respectievelijk 6 en 7 procent. Aanvullende pensioenen werden in de periode 2010–2020 ook als gevolg van de economische crisis van 2008 niet of beperkt geïndexeerd.

3.1.4 Mediaan aanvullend pensioen van AOW'ers (1 000 euro (prijspeil 2020))
2000 2010 2020*
Totaal Man, Totaal 9,5 12,8 13,6
Totaal Vrouw, Totaal 4,7 5,5 5,9
Zonder partner Man, Zonder partner 7,9 10 10,6
Zonder partner Vrouw, Zonder partner 5,3 6,5 7,5
Met partner Man, Met partner 10 13,5 14,6
Met partner Vrouw, Met partner 3,1 3,4 4,1

Aanvullend pensioen hoogst bij jongste AOW-mannen

Het mediaan aanvullend pensioen van mannen in de AOW-gerechtigde leeftijd (66 jaar en 4 maanden in 2020) tot 70 jaar is met 17,6 duizend euro bruto hoger dan dat van oudere groepen AOW’ers. Mannelijke AOW’ers in de onderscheiden leeftijdsgroepen vanaf 80 jaar ontlopen elkaar weinig in het aanvullend pensioen. Anders is het bij vrouwelijke AOW’ers. Weliswaar hebben vrouwen tot 70 jaar in doorsnee het meeste aanvullend pensioen, maar het verschil met de oudere leeftijdsgroepen is kleiner dan bij mannen. In de leeftijdsgroepen vanaf 70 jaar liggen de aanvullende pensioenen van vrouwelijke AOW’ers dicht bij elkaar. Het verschil in aanvullend pensioen tussen jongere en oudere AOW’ers komt bij mannen deels voor rekening van een groter aandeel hoog opgeleiden in de jongere generatie. Bij vrouwen speelt ook de eerder genoemde hogere arbeidsduur van jongere generaties een rol.

3.1.5 Aanvullend pensioen AOW'ers naar leeftijd, 2020* (Mediaan (1 000 euro))
Tot 70 jaar 70 tot 75 jaar 75 tot 80 jaar 80 tot 85 jaar 85 tot 90 jaar 90 jaar ouf ouder
Man 17,6 13,7 11,8 10,1 9,8 10
Vrouw 6,8 5,7 5,6 5,6 5,8 5,5

3.2Verdeling inkomen

Uitkeringen zichtbaar in inkomensverdeling

Van de bijna 13,8 miljoen mensen met een eigen inkomen in 2020 waren er 6,9 miljoen man en 6,8 miljoen vrouw. De inkomens zijn niet gelijk verdeeld en de verdeling laat drie duidelijke pieken zien. Bij de hoogste piek gaat het om 938 duizend mensen – merendeels vrouwen – met een inkomen tussen 16 duizend en 18 duizend euro. Bij deze groep gaat het enerzijds om alleenstaanden (met kinderen) met een bijstandsuitkering (in 2020 bruto 16 940 euro). Anderzijds behoren tot de groep ook alleenstaande AOW’ers (de bruto AOW bedroeg voor hen 16 010 euronoot1) die al dan niet nog een klein aanvullend pensioen ontvingen.

De op één na hoogste piek betreft 818 duizend mensen met een inkomen tussen 10 duizend en 12 duizend euro. Deze groep bestaat voor een groot deel uit gehuwde vrouwen voor wie de partner-AOW (in 2020 bruto 10 985 euro) met eventueel een klein aanvullend pensioen de enige vorm van persoonlijk inkomen vormde.

Bij de laagste piek gaat het vooral om mensen die niet het hele jaar door inkomen hadden. Dit waren er in totaal bijna 1,2 miljoen, waarvan ruim een derde minder dan 2 duizend euro aan inkomen hadden. Een deel van het jaar inkomen hebben komt onder meer voor bij scholieren met een vakantiebaantje. Ook betreft het vrouwen die in de loop van het jaar de AOW-leeftijd bereikten en daaraan voorafgaand geen inkomen hadden.

3.2.1 Verdeling persoonlijk inkomen1), 2020* (Aantal personen (x 1000))
Persoonlijk inkomen (1000 euro) Totaal Man Vrouw
0 14,1 5,7 8,4
2 530,9 244,3 286,5
4 377,2 164,8 212,5
6 332,1 139,9 192,2
8 296,4 114,6 181,8
10 311,9 114 198
12 818 186 632
14 430,8 135,1 295,8
16 464,7 168,6 296,1
18 938 348,9 589,1
20 565 211,1 353,9
22 529,7 206,9 322,8
24 525,3 220,8 304,5
26 496 213,8 282,3
28 477,5 215,4 262,1
30 457,2 217,6 239,6
32 435 218,5 216,6
34 421,4 220,1 201,3
36 411,5 223,3 188,1
38 392,1 220,8 171,3
40 370,2 217,3 152,9
42 349,4 211,9 137,4
44 325,6 202,9 122,6
46 302,2 194 108,2
48 273,2 177,8 95,5
50 247,7 162,8 84,9
52 224 149,3 74,7
54 198,1 134,7 63,4
56 182,2 124,2 58,1
58 167,3 115 52,3
60 151,5 106 45,5
62 139,2 99,2 40
64 132,5 94,5 38,1
66 117,2 85,1 32
68 103,8 76,5 27,3
70 98,7 73,9 24,8
72 91,6 68,9 22,6
74 80,8 61,4 19,4
76 71,9 54,7 17,1
78 66,4 51,1 15,3
80 62,8 48,4 14,4
82 57,1 44,3 12,8
84 51,6 40,1 11,5
86 46,1 35,9 10,3
88 41,9 32,8 9,1
90 38 29,8 8,1
92 35,9 28,3 7,6
94 32,5 25,7 6,8
96 29,6 23,4 6,1
98 27,2 21,6 5,5
100 25,4 20,1 5,3
1) Aantal personen per inkomensklasse met breedte van 2 000 euro.

Wie zit waar in de inkomensverdeling?

Tot de tien procent hoogste persoonlijke inkomens behoren overwegend mensen met voornamelijk inkomsten uit werk: werknemers en zelfstandigen. Vooral zelfstandigen zijn ten opzichte van hun aandeel in de bevolking oververtegenwoordigd in de hoogste groep. Het gaat hier veelal om zelfstandigen die grote winsten boekten in 2020. In de tiende decielgroep bedraagt iemands inkomen minimaal 66,0 duizend euro in 2020. Al vanaf de vijfde decielgroep (minstens 21,6 duizend euro) bestaat het merendeel uit werkenden, die sowieso de hoofdmoot in de bevolking met inkomen vormen.

In de tweede, derde en vierde decielgroep (inkomen tussen 6,7 en 21,6 duizend euro) zijn uitkeringsontvangers, en dan met name pensioenontvangers, sterker vertegenwoordigd. De groep pensioenontvangers maakt met bijna kwart dan ook een beduidend groter deel van de bevolking met inkomen uit dan de overige uitkeringsontvangers (9 procent). De eerste decielgroep heeft maximaal 6,7 duizend euro aan inkomen en bestaat voornamelijk uit (school)kinderen en studenten, die bijvoorbeeld inkomsten uit een bijbaantje hebben. In de groep bevinden zich ook zelfstandigen die in 2020 weinig winst hebben gemaakt of verlies hebben geleden.

3.2.2 Samenstelling decielgroepen, 2020* (%)
Werknemer Zelfstandige Uitkeringsontvanger Pensioenontvanger (School)kind of student
Totaal , Totaal 48,3 9,4 9,2 23,6 9,7
Decielgroep persoonlijk inkomen 1, Decielgroep persoonlijk inkomen 9,4 8,7 6,5 5,9 69,5
Decielgroep persoonlijk inkomen 2, Decielgroep persoonlijk inkomen 13,4 7,4 14 43,2 22
Decielgroep persoonlijk inkomen 3, Decielgroep persoonlijk inkomen 24,7 7 25,2 38,3 4,8
Decielgroep persoonlijk inkomen 4, Decielgroep persoonlijk inkomen 34,5 6,7 19,9 38,5 0,3
Decielgroep persoonlijk inkomen 5, Decielgroep persoonlijk inkomen 51,3 7,1 9,9 31,8 0
Decielgroep persoonlijk inkomen 6, Decielgroep persoonlijk inkomen 60,9 7,5 6,7 25 0
Decielgroep persoonlijk inkomen 7, Decielgroep persoonlijk inkomen 69,2 7,7 4,2 18,9 0
Decielgroep persoonlijk inkomen 8, Decielgroep persoonlijk inkomen 73,6 9,3 3,2 13,9 0
Decielgroep persoonlijk inkomen 9, Decielgroep persoonlijk inkomen 75,7 11,8 1,5 11 0
Decielgroep persoonlijk inkomen 10, Decielgroep persoonlijk inkomen 69,9 20,6 0,6 8,9 0

Mannen oververtegenwoordigd bij topinkomens

Bijna 9,8 miljoen mensen hadden in 2020 inkomsten uit werk (zie tabel 3.1.1), al was dat niet per se hun belangrijkste inkomstenbron. Meer mannen dan vrouwen hebben inkomen uit werk oftewel primair inkomen: 5,2 miljoen mannen en 4,6 miljoen vrouwen. Ook verdienden mannen gemiddeld meer: 52,3 duizend euro tegen 33,8 duizend euro. De hoogste regionen van de primaire-inkomensverdeling bestaan voornamelijk uit mannen. Zo was ruim 78 procent van groep met de tien procent hoogste primaire inkomens man. In de top 1% was dat ruim 83 procent. Iemand die tot de top 1% behoort, verdiende minimaal 178,5 duizend euro in 2020. In de top 5% en top 10% waren de minimale verdiensten respectievelijk 109,3 duizend euro en 87,6 duizend euro.

3.2.3 (Top)inkomen uit werk, 2020*
Mannen Vrouwen
Top 10% 78,4 21,6
Top 5% 80,3 20
Top 1% 83,4 16,6
Totaal 53 47

Sociaaleconomische positie mannen conjunctuurgevoelig

Het aandeel mannen dat voornamelijk inkomen uit werk heeft en het aandeel met hoofdzakelijk inkomen uit een uitkering zijn in de periode 1977–2020 communicerende vaten. In tijden van economische voorspoed, zoals de periode rond de eeuwwisseling en de jaren na de vorige economische crisis, liep het aandeel werknemers en zelfstandigen op. Tegelijkertijd kromp het aandeel uitkeringsontvangers. In economische mindere jaren, zoals de eerste helft van de jaren ’80 en de economische crisis van 2008 was dat precies omgekeerd. Door vergrijzing groeide het aandeel pensioenontvangers van 9,4 procent in 1997 naar 17,6 procent in 2020. In de periode 1977–2020 had van alle mannen steeds ongeveer 1 procent geen eigen inkomen. Uitschieter was het crisisjaar 1985, toen 2,4 procent van de mannen geen inkomen had.

3.3.1 Sociaaleconomische positie mannen (%)
Werknemer Zelfstandige Uitkeringsontvanger Pensioen (School)kind/student met inkomen (School)kind/student zonder inkomen Geen inkomen
Tot 2000 '77, Tot 2000 45,9 5,7 5,8 9,4 3,9 27,7 1,6
Tot 2000 '81, Tot 2000 44,9 5,2 8 10,2 3,6 25,6 2,4
Tot 2000 '85, Tot 2000 43,4 5,1 10,1 11 5,7 23,1 1,5
Tot 2000 '89, Tot 2000 42,9 5,7 9 11,4 8,4 21,6 0,9
Tot 2000 '90, Tot 2000 43,5 6 8,8 12,2 8 20,7 0,7
Tot 2000 '91, Tot 2000 43,4 5,9 8,9 12,3 8 20,6 0,7
Tot 2000 '92, Tot 2000 43,3 6 9,1 12,4 8 20,5 0,8
Tot 2000 '93, Tot 2000 42,6 6 9,6 12,5 7,7 20,8 0,9
Tot 2000 '94, Tot 2000 42,3 6 9,7 12,7 7,5 20,9 0,9
Tot 2000 '95, Tot 2000 42,4 6,7 9,3 12,5 7,5 20,7 0,8
Tot 2000 '96, Tot 2000 43 6,6 8,9 12,6 7,5 20,6 0,8
Tot 2000 '97, Tot 2000 43,9 6,7 8,4 12,8 7,2 20,4 0,7
Tot 2000 '98, Tot 2000 44,7 6,7 7,7 12,7 7,3 20,1 0,8
Tot 2000 '99, Tot 2000 45,2 6,7 6,8 12,9 7,3 20,2 0,9
2000-2010 '00, 2000-2010 45,9 6,7 6,6 12,8 7,2 20 0,8
2000-2010 '01, 2000-2010 45,8 6,8 6,4 13,1 7,1 20,1 0,8
2000-2010 '02, 2000-2010 45,3 6,9 6,4 13,3 7,1 20,2 0,8
2000-2010 '03, 2000-2010 44,4 6,8 6,8 13,5 7 20,4 1
2000-2010 '04, 2000-2010 43,5 6,9 7,1 13,9 7 20,6 1
2000-2010 '05, 2000-2010 42,8 7,1 7,2 14,2 7,3 20,5 0,9
2000-2010 '06, 2000-2010 43 7,3 6,5 14,7 7,4 20,3 0,8
2000-2010 '07, 2000-2010 43,3 7,7 5,9 14,9 7,5 20 0,8
2000-2010 '08, 2000-2010 43,3 8,1 5,5 15 7,5 19,8 0,8
2000-2010 '09, 2000-2010 42,4 8,2 5,9 15,3 7,5 19,8 0,9
2000-2010 '10, 2000-2010 41,5 8,2 6,3 15,8 7,8 19,7 0,8
Vanaf 2011 '11, Vanaf 2011 41,1 8,4 6,8 16,5 7,8 18,6 0,8
Vanaf 2011 '12, Vanaf 2011 40,5 8,5 7 16,8 7,8 18,5 0,9
Vanaf 2011 '13, Vanaf 2011 39,5 8,6 7,6 17 7,9 18,4 0,9
Vanaf 2011 '14, Vanaf 2011 39,1 8,8 7,7 17,2 8 18,3 1
Vanaf 2011 '15, Vanaf 2011 39,2 9 7,5 17,3 8,1 18 1
Vanaf 2011 '16, Vanaf 2011 39,4 9,2 7,3 17,4 8,1 17,8 1
Vanaf 2011 '17, Vanaf 2011 39,7 9,2 7,1 17,5 8,1 17,4 0,9
Vanaf 2011 '18, Vanaf 2011 40,3 9,5 6,7 17,4 8,1 17,1 0,9
Vanaf 2011 '19, Vanaf 2011 40,7 9,7 6,4 17,3 8 16,8 0,9
Vanaf 2011 '20*, Vanaf 2011 40,5 9,7 6,8 17,6 7,6 16,9 1

Consistente inkomensgegevens vanaf 1977

In samenwerking met de Universiteit Leiden heeft het CBS de gegevens uit ruim veertig jaar inkomensonderzoek herzien. De herziening heeft geleid tot een geharmoniseerde en meer consistente reeks van het inkomen voor de periode vanaf 1977. De herziening kon de verschillen tussen de deelreeksen echter niet volledig opheffen. Breuken in 2011 en met name 2000 bleven bestaan, maar zijn een stuk kleiner dan voorheen. De herziene uitkomsten over de ontwikkeling in het inkomen zijn, ook voor bevolkingsgroepen, verzameld in de publicatie ‘Inkomen verdeeld, trends 1977–2019’ (UL/CBS, 2021).

Vooral in jaren ’80 en ’90 sterke daling vrouwen zonder inkomen

In 1977 had bijna 32 procent van alle vrouwen geen eigen inkomen, afgezien van (school)kinderen of studenten zonder inkomen. Een deel van de vrouwen zonder inkomen was 65‑plusser, maar tot 1985 werd de partner-AOW nog uitbetaald aan het hoofd. Dat verklaart de grote toename van het aandeel pensioenontvangers in 1985. In 1990 was het aandeel vrouwen zonder inkomen gedaald tot 19 procent. Tien jaar later bedroeg het 11 procent, waarna het aandeel verder afnam tot 4 procent in 2020. De daling in de laatste twintig jaar van de vorige eeuw houdt ook verband met de sterk toegenomen arbeidsdeelname van vrouwen in die jaren. De groei van het aandeel vrouwen met inkomen uit werk zette ook in de 21e eeuw door, al was die minder sterk.

In 2020 zijn er verhoudingsgewijs meer vrouwen dan mannen zonder eigen inkomen. Het verschil komt niet voor rekening van (school)kinderen en studenten. Het gaat vooral om samenwonende vrouwen onder de AOW-leeftijd die geen eigen inkomen hebben. Ook hadden meer vrouwen dan mannen voornamelijk pensioeninkomsten, wat verband houdt met hun gemiddeld hogere leeftijd. Daarnaast kwam een andere uitkering iets meer voor bij vrouwen. Het verschil zit vooral in bijstandsuitkeringen, die onder vrouwen relatief meer voorkomen.

3.3.2 Sociaaleconomische positie vrouwen (%)
Werknemer Zelfstandige Uitkeringsontvanger Pensioen (School)kind/student met inkomen (School)kind/student zonder inkomen Geen inkomen
Tot 2000 '77, Tot 2000 20,7 4,6 3,2 10 3,4 26,4 31,7
Tot 2000 '81, Tot 2000 22,8 4,4 4,5 10,4 3,1 24,5 30,2
Tot 2000 '85, Tot 2000 23,5 3,7 6,1 15,9 4,5 22,1 24,1
Tot 2000 '89, Tot 2000 24,6 4 8,4 17,1 6,8 20,2 19
Tot 2000 '90, Tot 2000 25,8 3,8 8,1 17,2 6,8 19,7 18,6
Tot 2000 '91, Tot 2000 26,8 3,9 8,2 17,2 6,8 19,6 17,6
Tot 2000 '92, Tot 2000 27,5 4 8,3 17,2 6,8 19,5 16,7
Tot 2000 '93, Tot 2000 27,7 4 8,6 17,3 6,6 19,7 16,2
Tot 2000 '94, Tot 2000 27,7 4 8,9 17,7 6,5 19,8 15,4
Tot 2000 '95, Tot 2000 27,6 5,3 8,8 17,5 6,6 19,6 14,5
Tot 2000 '96, Tot 2000 28,8 5,1 8,6 17,5 6,8 19,4 13,9
Tot 2000 '97, Tot 2000 29,7 5,2 8,3 17,8 6,7 19,2 13,1
Tot 2000 '98, Tot 2000 30,9 5,2 7,9 17,6 6,8 19 12,6
Tot 2000 '99, Tot 2000 31,9 5,1 7,6 17,5 7,1 18,9 11,8
2000-2010 '00, 2000-2010 33,3 4,9 7,4 17,1 7,1 19 11,2
2000-2010 '01, 2000-2010 34,2 4,2 7,3 17,2 7 19,1 10,9
2000-2010 '02, 2000-2010 34,7 4,2 7,4 17,3 6,9 19,1 10,3
2000-2010 '03, 2000-2010 34,5 4,3 7,7 17,4 7 19,4 9,9
2000-2010 '04, 2000-2010 34,2 4,4 7,8 17,6 7 19,5 9,6
2000-2010 '05, 2000-2010 34,1 4,5 7,8 17,8 7,2 19,4 9,1
2000-2010 '06, 2000-2010 35 4,5 7,3 18 7,3 19,3 8,6
2000-2010 '07, 2000-2010 35,8 4,8 6,8 18,1 7,6 18,8 8
2000-2010 '08, 2000-2010 36,4 5,2 6,4 18,3 7,8 18,5 7,4
2000-2010 '09, 2000-2010 36,3 5,1 6,6 18,6 7,9 18,5 7,1
2000-2010 '10, 2000-2010 36,2 4,8 6,8 19 8,3 18,4 6,5
Vanaf 2011 '11, Vanaf 2011 36,2 5 7,3 19,8 8,1 17,3 6,2
Vanaf 2011 '12, Vanaf 2011 36 5 7,5 20,2 8,1 17,2 5,9
Vanaf 2011 '13, Vanaf 2011 35,5 5,1 8,1 20,3 8,1 17,1 5,8
Vanaf 2011 '14, Vanaf 2011 35,2 5,2 8,3 20,3 8,2 17 5,7
Vanaf 2011 '15, Vanaf 2011 35,3 5,3 8,3 20,5 8,3 16,7 5,6
Vanaf 2011 '16, Vanaf 2011 35,5 5,4 8,3 20,6 8,2 16,5 5,3
Vanaf 2011 '17, Vanaf 2011 36 5,5 8,2 20,7 8,3 16,2 5
Vanaf 2011 '18, Vanaf 2011 36,9 5,6 8 20,6 8,3 16 4,7
Vanaf 2011 '19, Vanaf 2011 37,7 5,6 7,7 20,5 8,3 15,7 4,5
Vanaf 2011 '20*, Vanaf 2011 37,8 5,5 8,1 20,6 8 15,7 4,2

Vrouwen maken inhaalslag

Niet alleen kwamen er tussen 1977 en 2020 steeds meer vrouwen met eigen inkomen. Ook is het man-vrouwverschil in het gemiddeld inkomen sterk afgenomen. In de bevolking met eigen inkomen bedroeg het inkomen van vrouwen in 1977 minder dan de helft van dat van mannen. In 2000 was dat 53 procent en twintig jaar later 63 procent. De grootste inhaalslag maakten vrouwen in de eerste tien jaar van de 21e eeuw. Maar ook na de vorige economische crisis nam het inkomen van vrouwen toe. De inkomensgroei bij vrouwen komt vooral voor rekening van degenen met inkomen uit werk en heeft grotendeels te maken met de steeds langere werkweken van vrouwen, zie CBS (2022).

Het inkomen van mannen is meer onderhevig aan conjuncturele schommelingen, omdat zij vaker dan vrouwen in conjunctuurgevoelige sectoren werken zoals de bouw en de ICT. In tijden van economische voorspoed, zoals rond de eeuwwisseling, in 2006 en 2007 en na de vorige crisis, groeide het inkomen sterk. In de economisch mindere perioden nam het af. Ondanks de coronacrisis nam het inkomen van mannen en vrouwen ook in 2020 toe, vooral door de verhoudingsgewijs grote koopkrachtverbetering voor velen (hoofdstuk 4).

3.3.3 Bevolking met eigen inkomen1) (Gemiddeld inkomen (1 000 euro, prijzen 2020))
Totaal Mannen Vrouwen
Tot 2000 '77, Tot 2000 30,7 37,6 18,1
Tot 2000 '81, Tot 2000 29,7 36,5 18,2
Tot 2000 '85, Tot 2000 25,6 32,5 15,7
Tot 2000 '89, Tot 2000 27,2 34,9 17,3
Tot 2000 '90, Tot 2000 29,1 37,2 18,7
Tot 2000 '91, Tot 2000 29 37,1 18,9
Tot 2000 '92, Tot 2000 29 37 19
Tot 2000 '93, Tot 2000 28,8 36,6 19,2
Tot 2000 '94, Tot 2000 27,8 35,4 18,5
Tot 2000 '95, Tot 2000 27,7 35,5 18,4
Tot 2000 '96, Tot 2000 27,5 35,1 18,5
Tot 2000 '97, Tot 2000 27,6 35,3 18,8
Tot 2000 '98, Tot 2000 28,1 35,9 19,2
Tot 2000 '99, Tot 2000 28,8 36,8 19,8
2000-2010 '00, 2000-2010 29,9 38,4 20,4
2000-2010 '01, 2000-2010 30,7 39,3 21,1
2000-2010 '02, 2000-2010 30,8 39,3 21,4
2000-2010 '03, 2000-2010 30,8 39,2 21,6
2000-2010 '04, 2000-2010 31,2 39,8 21,9
2000-2010 '05, 2000-2010 31,3 39,9 22
2000-2010 '06, 2000-2010 32,3 41,4 22,6
2000-2010 '07, 2000-2010 33 42,3 23,2
2000-2010 '08, 2000-2010 33,6 42,9 23,7
2000-2010 '09, 2000-2010 33,6 42,7 24,1
2000-2010 '10, 2000-2010 33,3 42,2 24,1
Vanaf 2011 '11, Vanaf 2011 33 41,9 24
Vanaf 2011 '12, Vanaf 2011 32,6 41 23,8
Vanaf 2011 '13, Vanaf 2011 32,1 40,4 23,7
Vanaf 2011 '14, Vanaf 2011 32,3 40,7 23,9
Vanaf 2011 '15, Vanaf 2011 32,7 40,9 24,2
Vanaf 2011 '16, Vanaf 2011 33,2 41,5 24,8
Vanaf 2011 '17, Vanaf 2011 33,8 42,4 25,2
Vanaf 2011 '18, Vanaf 2011 33,6 41,7 25,4
Vanaf 2011 '19, Vanaf 2011 33,8 41,8 25,7
Vanaf 2011 '20*, Vanaf 2011 34,2 42 26,4
1)Tot 1989 zijn de cijfers niet jaarlijks beschikbaar.

Steeds meer vrouwen onder topinkomens

Hoewel vrouwen in de minderheid zijn in de top 1% van bevolking met inkomen uit werk (bijna 17 procent in 2020), is hun aandeel in bijna 45 jaar gegroeid. In 1977 bedroeg het nog 2,5 procent. In 2000 was het aandeel meer dan verdrievoudigd. Tussen 2010 en 2020 groeide het aandeel relatief hard, in lijn met de toename van vrouwen in de top van grote bedrijven en organisaties (CBS/SCP, 2020).

3.3.4 Aandeel vrouwen onder topinkomens1) (%)
Top 1%
Tot 2000 '77, Tot 2000 2,5
Tot 2000 '81, Tot 2000 1,5
Tot 2000 '85, Tot 2000 1,8
Tot 2000 '89, Tot 2000 3,4
Tot 2000 '90, Tot 2000 3,3
Tot 2000 '91, Tot 2000 3,5
Tot 2000 '92, Tot 2000 3,3
Tot 2000 '93, Tot 2000 4,2
Tot 2000 '94, Tot 2000 3,9
Tot 2000 '95, Tot 2000 4,4
Tot 2000 '96, Tot 2000 4,3
Tot 2000 '97, Tot 2000 5,3
Tot 2000 '98, Tot 2000 6,4
Tot 2000 '99, Tot 2000 6,4
2000-2010 '00, 2000-2010 8,1
2000-2010 '01, 2000-2010 7,4
2000-2010 '02, 2000-2010 7,1
2000-2010 '03, 2000-2010 7,6
2000-2010 '04, 2000-2010 8,8
2000-2010 '05, 2000-2010 9,9
2000-2010 '06, 2000-2010 9,2
2000-2010 '07, 2000-2010 9,5
2000-2010 '08, 2000-2010 9,7
2000-2010 '09, 2000-2010 11,2
2000-2010 '10, 2000-2010 10,1
Vanaf 2011 '11, Vanaf 2011 10,9
Vanaf 2011 '12, Vanaf 2011 11,7
Vanaf 2011 '13, Vanaf 2011 11,8
Vanaf 2011 '14, Vanaf 2011 12,8
Vanaf 2011 '15, Vanaf 2011 13,3
Vanaf 2011 '16, Vanaf 2011 14
Vanaf 2011 '17, Vanaf 2011 14,4
Vanaf 2011 '18, Vanaf 2011 15,2
Vanaf 2011 '19, Vanaf 2011 15,9
Vanaf 2011 '20*, Vanaf 2011 16,6
1)Top 1% van het persoonlijk primair inkomen.

3.4Inkomen van bevolkingsgroepen

Vrouw ruim 15 duizend euro minder inkomen dan man

Het gemiddelde inkomen van de 13,8 miljoen mensen met persoonlijk inkomen kwam uit op ruim 34 duizend euro in 2020. Voor vrouwen was dit gemiddelde duidelijk lager dan voor mannen: bijna 26,4 duizend euro tegen 42,0 duizend euro. Het mediane inkomen is bij beide seksen lager, maar net als het gemiddelde is dat van mannen bijna 1,7 zo groot als van vrouwen. Bij personen met voornamelijk inkomen uit werk komt het inkomensverschil onder meer doordat vrouwen relatief vaak in deeltijd werken en gemiddeld een lager uurloon hebben dan mannen.

Bij het inkomensverschil tussen vrouwen en mannen die vooral rondkomen van een uitkering speelt een rol dat de hoogte van een uitkering (of pensioen) vaak afhangt van het eerder verdiende inkomen. Vrouwen hebben in het algemeen een lager inkomen uit betaald werk dan mannen en deze achterstand werkt door in de hoogte van hun uitkering later.

3.4.1Gemiddeld persoonlijk inkomen, 2020*
  Totaal Man Vrouw
  1 000 euro
Personen met inkomen 34,2 42,0 26,4
Werknemer en zelfstandige 44,8 53,5 34,7
Werknemer 44,5 53,5 35,0
Zelfstandige 46,1 53,7 32,9
Directeur-grootaandeelhouder 70,4 73,8 54,8
Zelfstandig ondernemer 43,7 48,7 34,9
Meewerkend gezinslid 11,3 11,5 11,3
Overige zelfstandige 17,5 28,1 13,1
Uitkerings- en pensioenontvanger 24,4 29,9 19,8
Uitkeringsontvanger 19,6 22,0 17,7
Ontvanger werkloosheidsuitkering 25,4 29,1 21,7
Ontvanger bijstandsuitkering 13,3 13,3 13,3
Ontvanger overige sociale voorziening 15,7 16,3 15,2
Arbeidsongeschikte 25,0 29,5 21,4
Pensioenontvanger 26,2 32,9 20,6
(School)kind of student 4,8 4,7 4,9

Man-vrouwverschil kleinst bij jong en oud

Tot de leeftijd van 25 jaar verschilt het gemiddeld inkomen van mannen en vrouwen relatief weinig. Vanaf 25 jaar hebben de meesten hun opleiding afgerond en is het man-vrouwverschil groter. Dit komt grotendeels doordat vrouwen vaker in deeltijd werken dan mannen. Vanaf de leeftijd van 30 jaar, wanneer mensen doorgaans kinderen krijgen, is deeltijdwerken onder vrouwen nog gebruikelijker en is ook de inkomensachterstand ten opzichte van mannen groter dan in de jongere groepen.

Ook onder 65‑plussers bestaat er een inkomenskloof tussen mannen en vrouwen, die kleiner is naarmate mensen ouder zijn. Zoals in paragraaf 3.1 is besproken, hebben mannen vaker dan vrouwen naast hun AOW-uitkering een aanvullend pensioen, en ontvangen zij in doorsnee een hoger bedrag dan vrouwen. Hoe ouder mannen zijn, hoe kleiner hun aanvullend pensioen is. Bij vrouwelijke AOW’ers speelt leeftijd veel minder een rol in de hoogte van het aanvullend pensioen (zie figuur 3.1.5).

3.4.2 Gemiddeld persoonlijk inkomen, 2020* (1 000 euro)
Man Vrouw
Tot 15 jaar 1 0,9
15-19 jaar 6,2 5
20-24 jaar 19,8 16,9
25-29 jaar 35,4 29,4
30-34 jaar 44,8 32,6
35-39 jaar 51,1 34,2
40-44 jaar 55,9 35,3
45-49 jaar 58,9 35,3
50-54 jaar 58,9 33,8
55-59 jaar 56,3 31,6
60-64 jaar 51,5 28,2
65-69 jaar 39,7 21,7
70-74 jaar 32,3 19,1
75-79 jaar 28,8 19,1
80-84 jaar 26,4 20,1
85 jaar of ouder 26 21,7

Inkomen hoogopgeleiden ruim 2 keer zo groot als van laagopgeleiden

Het gemiddeld inkomen van mensen met een laag opleidingsniveau bedroeg 27,7 duizend euro in 2020. Bij hoogopgeleiden is dat 56,5 euro. Middelbaar opgeleiden zitten daar met 35,6 duizend euro tussenin. Ook bij mannen en bij vrouwen afzonderlijk bedraagt het inkomen van hoogopgeleiden ruim het dubbele van laagopgeleiden, zie m/v-stat.

3.5Economische zelfstandigheid

Economische zelfstandigheid in 2020 alleen bij vrouwen licht gegroeid

In 2020 was ruim 80 procent van alle niet-onderwijsvolgende mannen van 15 jaar tot AOW-leeftijd economisch zelfstandig. Van de vrouwen verdiende ruim 64 procent met werken minimaal een inkomen op bijstandsniveau. Het verschil komt met name doordat mannen overwegend voltijds werken en vrouwen meestal in deeltijd. Gedurende de vorige crisis bleef het aandeel economisch zelfstandige vrouwen min of meer gelijk. Tussen 2014 en 2019 was er een relatief sterke toename. Daarbij speelt de toegenomen arbeidsduur een rol: vrouwen werken steeds vaker in een grote deeltijdbaan van 28 tot 35 uur per week. In corona- en crisisjaar 2020 vlakte de groei bij vrouwen af.

Bij mannen volgt het percentage economisch zelfstandigen de conjunctuur. Dit komt doordat zij vaker dan vrouwen in conjunctuurgevoelige bedrijfstakken werken, zoals bijvoorbeeld in de bouw en de ICT. In de vorige economische crisis en ook in 2020 daalde het aandeel economische zelfstandige mannen. Door gunstigere ontwikkeling bij vrouwen is het verschil in economische zelfstandigheid tussen de seksen in tien jaar tijd afgenomen, al bedraagt het nog 16 procentpunt.

3.5.1 Economische zelfstandigheid (15 jaar tot AOW-leeftijd1)) (%)
Mannen Vrouwen
'11 78,9 56,5
'12 78,2 56,8
'13 77,3 56,7
'14 77,5 57,1
'15 78,2 57,9
'16 79 59,3
'17 79,7 60,7
'18 80,8 62,5
'19 81,4 64
'20* 80,2 64,3
1)Exclusief scholieren en studenten.

Economische zelfstandigheid

Economische zelfstandigheid is een begrip dat beleidsmatig verbonden is met het bestaansminimum: iemand wordt als economisch zelfstandig beschouwd als het individuele netto inkomen uit arbeid en eigen onderneming op of boven de drempelwaarde ligt van de beleidsnorm voor het individuele inkomensminimum. Die drempelwaarde is gelijkgesteld aan 70 procent van het wettelijke netto minimumloon, oftewel de netto bijstand van een alleenstaande. In 2020 bedroeg de grens voor economische zelfstandigheid 1 020 euro per maand.

Steeds meer moeders met partner economisch zelfstandig

De stijging van het aandeel economisch zelfstandigen onder vrouwen is voor een belangrijk deel toe te schrijven aan vrouwen met een partner en minderjarige kinderen. Steeds meer moeders zijn (evenveel uren) blijven werken na de geboorte van hun eerste kind (zie CBS/SCP, 2020), waardoor hun economische zelfstandigheid toenam. Bij (gehuwd) samenwonende vaders bleef de economische zelfstandigheid op hetzelfde peil. Zij hebben vergeleken met andere mannen een lange werkweek en zijn het vaakst economisch zelfstandig.

Ook meer economische zelfstandigheid bij paren zonder kinderen

Bij mannen en vrouwen met een partner maar zonder (thuiswonende) kinderen steeg de economische zelfstandigheid eveneens. Dat was bij mannen vooral onder 55‑plussers het geval, en bij vrouwen onder de 45‑plussers (zie m/v-stat). De toename hangt samen met het overheidsbeleid om vervroegde uittreding uit het arbeidsproces tegen te gaan. Bij de vrouwen speelt daarnaast een rol dat zij in deze leeftijd steeds vaker en meer uren aan het werk zijn. Ook hebben ze door hun toegenomen opleidingsniveau vaker werk op hoog niveau.

3.5.2 Economische zelfstandigheid naar huishoudenspositie1) (% mensen van 15 jaar tot AOW-leeftijd)
2011 2020*
Mannen . .
Alleenstaande 68,4 68,9
Partner in paar zonder kind 76,4 81,6
Partner in paar met kind(eren) 88,5 88,7
Ouder in eenouderhuishouden 75,5 78,8
Thuiswonend kind 68,2 71,3
Vrouwen . .
Alleenstaande 62 63,9
Partner in paar zonder kind 53,6 61,6
Partner in paar met kind(eren) 56,8 67
Ouder in eenouderhuishouden 53,5 58,9
Thuiswonend kind 62 69,3
1)Exclusief scholieren en studenten.

Vrouwen vaker dan mannen werkzaam zonder economisch zelfstandig te zijn

In 2020 waren 967 duizend mannen en ruim 1,7 miljoen vrouwen niet economisch zelfstandig. Voor een derde van deze vrouwen en iets minder mannen was werk weliswaar de belangrijkste inkomensbron, maar was het inkomen te laag om economisch zelfstandig te zijn. Van de mannen die niet economisch zelfstandig zijn, was het merendeel afhankelijk van een uitkering. Ruim 8 procent had geen eigen inkomen. Bij niet-economische zelfstandige vrouwen waren dat er met ruim 21 procent bijna 3 keer zoveel. Vaak hebben deze vrouwen een partner met inkomen.

3.5.3 Sociaaleconomische positie, 2020* (% van niet-economisch zelfstandigen)
Werk Uitkering Geen inkomen
Mannen 28,6 63 8,3
Vrouwen 33,8 45,3 20,9

3.6Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

CBS (2022). Inkomen werkende vrouwen sinds 1977 met ruim 60 procent gestegen. CBS-nieuwsbericht, 8 maart.

CBS/SCP (2020). Emancipatiemonitor 2020. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek en Sociaal en Cultureel Planbureau.

UL/CBS (2021). Inkomen verdeeld, trends 1977–2021. UnivLeiden/CBS.

Noten

De netto AOW-uitkering valt hoger uit dan de netto bijstandsuitkering. Dat komt onder meer doordat AOW-ers geen AOW-premie betalen, en nauwelijks of geen andere premies inkomensverzekeringen.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Judit Arends-Tóth

Koos Arts

Marion van den Brakel

Mitchell Dost

Kai Gidding

Bart Huynen

Koen Link

Reinder Lok

Jasper Menger

Jeroen Nieuweboer

Ferdy Otten

Noortje Pouwels-Urlings

Nadine Wesselius

Eindredactie

Marion van den Brakel

Ferdy Otten