Foto omschrijving: Twee jongens werken achter een uienrooimachine en houden de geoogste uien die van de lopende komen in de gaten.

Werk

Jongeren op de arbeidsmarkt

In 2022 hadden meer onderwijsvolgende jongeren (15 tot 27 jaar) werk en waren ze minder vaak werkloos dan in 2021. Onder de niet-onderwijsvolgende jongeren bleven de arbeidsdeelname en de werkloosheid ongeveer hetzelfde. Scholieren en studenten werkten vooral in deeltijd, terwijl niet-onderwijsvolgenden relatief vaak een voltijdbaan hadden. Niet-onderwijsvolgende jongeren waren met de jaren steeds vaker economisch zelfstandig. Degenen die niet economisch zelfstandig zijn, hebben niet allemaal de wens om meer uren te werken.

6.1Arbeidsdeelname

Ruim drie kwart van de jongeren in Nederland heeft werk

In 2022 woonden er in Nederland ongeveer 2,6 miljoen jongeren van 15 tot 27 jaar. Daarvan waren 1,8 miljoen scholier of student en 800 duizend niet-onderwijsvolgend. Ruim driekwart (77 procent) van deze jongeren had betaald werk. De arbeidsparticipatie onder de jongeren die nog een opleiding volgen is lager dan onder degenen die geen onderwijs volgen, en hangt samen met leeftijd.

Tot 20 jaar loopt de arbeidsdeelname onder scholieren en studenten steeds verder op, daarna blijft de arbeidsdeelname met ieder leeftijdsjaar erbij ongeveer gelijk. In 2022 was dat zo rond de 77 procent. De arbeidsdeelname onder de niet-onderwijsvolgenden neemt toe met ieder jaar in leeftijd. In 2022 werkte, net als bij de scholieren en studenten, zo’n 77 procent van de 20‑jarigen, van de 26‑jarigen was dat 90 procent. Gemiddeld was de arbeidsdeelname van niet-onderwijsvolgende jongeren ongeveer gelijk aan die van 27- tot 35‑jarigen. In deze leeftijdsgroep zijn er nog weinig mensen die het merendeel van hun tijd een opleiding volgen, en gaat het daarbij veelal om na-, bij- of omscholing.

6.1.1 Arbeidsdeelname jongeren naar leeftijd, 2022 (%)
leeftijd in jaren Onderwijsvolgenden Niet-onderwijsvolgenden
15 55,1 60,5
16 67,2 73,4
17 72,4 77,0
18 76,0 74,6
19 77,3 77,5
20 76,0 84,1
21 77,4 86,8
22 76,8 88,2
23 77,4 85,8
24 74,5 89,9
25 73,1 89,3
26 77,1 89,6

Nieuwe meetmethode EBB

Naar aanleiding van een nieuwe EU-verordening is de meetmethode van de Enquête beroepsbevolking (EBB) aangepast. De aanpassing is bedoeld om de gegevens over de beroepsbevolking internationaal beter op elkaar af te stemmen. Een gevolg van deze methodewijziging is dat uitkomsten vanaf het verslagjaar 2021 niet zomaar vergeleken kunnen worden met de resultaten volgens de oude methode: vandaar dat het CBS de cijfers over de beroepsbevolking van 2013 tot en met 2020 opnieuw heeft berekend. Dat geldt voor de kernvariabelen, maar niet voor uitsplitsingen naar subgroepen of achtergrondkenmerken. Als de uitkomsten vanaf 2013 niet zomaar vergelijkbaar zijn, worden alleen 2021 en 2022 vergeleken.

Over de nieuwe meetmethode zijn meerdere publicaties verschenen. Zie bijvoorbeeld:

Hoogste arbeidsdeelname op Schiermonnikoog, Urk en in Staphorst

De arbeidsdeelname van jongeren (15 tot 27 jaar) verschilt tussen gemeenten. In 2021 was de arbeidsdeelname het hoogste op Schiermonnikoog (90 procent), gevolgd door Urk en Staphorst (beide 86 procent). In Oirschot, Reusel-De Mierden, Dinkelland, Ameland, Zwartewaterland en Boekel was de arbeidsdeelname 85 procent. Daarentegen werkte in de gemeenten Vaals, Wassenaar, Wageningen, Laren en Maastricht de helft of minder van de jongeren. Onder de gemeenten waar de arbeidsparticipatie onder jongeren relatief laag is, zijn ook meerdere grensgemeenten. Mogelijk is in deze gemeenten sprake van een onderschatting van het aantal werkende jongeren; in deze cijfers gaat het om jongeren die in Nederland werken, als zij over de grens werken tellen ze niet mee in deze cijfers. Ook in de vier grootste gemeenten van Nederland was de arbeidsdeelname van jongeren relatief laag: in Utrecht 69 procent, in Amsterdam 66 procent, in Rotterdam 65 procent en in Den Haag 61 procent.

Voor de arbeidsparticipatie per gemeente is ook onderscheid gemaakt naar onderwijsdeelname. Onder de onderwijsvolgende jongeren varieerde deze tussen de 44 en 83 procent en onder de niet-onderwijsvolgende jongeren tussen de 29 en 95 procent.

Omdat de arbeidsdeelname van onderwijsvolgenden sterk correleerde met die van niet-onderwijsvolgenden (correlatiecoëfficiënt 0,82), is alleen de arbeidsdeelname van alle jongeren in de figuur weergegeven.

6.1.2 Arbeidsdeelname jongeren (15 tot 27 jaar), 2021*
Gemeenten in Nederland Nettoarbeidsparticipatie, Totaal (15 tot 27 jaar)
Groningen 61,1
Almere 68,5
Stadskanaal 72,3
Veendam 69,8
Zeewolde 76,5
Achtkarspelen 73,7
Ameland 84,6
Harlingen 72,8
Heerenveen 71,9
Leeuwarden 68,5
Ooststellingwerf 75,7
Opsterland 74,4
Schiermonnikoog 89,6
Smallingerland 70,7
Terschelling 70,4
Vlieland 83,4
Weststellingwerf 74,8
Assen 71,1
Coevorden 74,7
Emmen 72,9
Hoogeveen 78,2
Meppel 72,4
Almelo 71,8
Borne 76,8
Dalfsen 80,8
Deventer 71,6
Enschede 61,6
Haaksbergen 82
Hardenberg 80,3
Hellendoorn 79,2
Hengelo 72,9
Kampen 80,1
Losser 77,8
Noordoostpolder 73,3
Oldenzaal 78
Ommen 78,3
Raalte 82,4
Staphorst 85,8
Tubbergen 82,7
Urk 86,1
Wierden 81,5
Zwolle 73,9
Aalten 79,2
Apeldoorn 74,3
Arnhem 66,9
Barneveld 83,2
Beuningen 77
Brummen 77,8
Buren 77,1
Culemborg 70,7
Doesburg 70,8
Doetinchem 73,6
Druten 73,1
Duiven 76,8
Ede 77,2
Elburg 80,6
Epe 78,2
Ermelo 76,1
Harderwijk 77,2
Hattem 75,9
Heerde 80
Heumen 74,4
Lochem 72,2
Maasdriel 78,6
Nijkerk 79,4
Nijmegen 67,7
Oldebroek 78,8
Putten 81,8
Renkum 66
Rheden 67,9
Rozendaal 63,8
Scherpenzeel 84
Tiel 74,3
Voorst 75,5
Wageningen 47,3
Westervoort 73
Winterswijk 77,6
Wijchen 76
Zaltbommel 79
Zevenaar 76,7
Zutphen 69,3
Nunspeet 83,7
Dronten 71,1
Amersfoort 73
Baarn 67,8
De Bilt 64,3
Bunnik 69,1
Bunschoten 81,8
Eemnes 75
Houten 70
Leusden 75,4
Lopik 81,2
Montfoort 81,6
Renswoude 83,7
Rhenen 77,5
Soest 73
Utrecht 69
Veenendaal 77,6
Woudenberg 79,5
Wijk bij Duurstede 77,2
IJsselstein 75,4
Zeist 61,8
Nieuwegein 74,8
Aalsmeer 75,2
Alkmaar 75,7
Amstelveen 59,9
Amsterdam 65,9
Bergen (NH.) 71,2
Beverwijk 76,7
Blaricum 58,8
Bloemendaal 58,5
Castricum 77
Diemen 60,8
Edam-Volendam 82,8
Enkhuizen 74,5
Haarlem 70,7
Haarlemmermeer 72,7
Heemskerk 77,6
Heemstede 59,8
Heiloo 73,4
Den Helder 75,3
Hilversum 66,6
Hoorn 74,5
Huizen 71,7
Landsmeer 70,2
Laren 48,4
Medemblik 77,7
Oostzaan 74,4
Opmeer 82,7
Ouder-Amstel 68,2
Purmerend 74,5
Schagen 78,1
Texel 80,8
Uitgeest 79,8
Uithoorn 74,6
Velsen 74,7
Weesp 73,2
Zandvoort 69,8
Zaanstad 72,6
Alblasserdam 78,2
Alphen aan den Rijn 75,7
Barendrecht 71
Drechterland 77,5
Brielle 77
Capelle aan den IJssel 69,8
Delft 53,3
Dordrecht 71,4
Gorinchem 74,2
Gouda 73,8
's-Gravenhage 60,7
Hardinxveld-Giessendam 81
Hellevoetsluis 74,4
Hendrik-Ido-Ambacht 76,1
Stede Broec 78,4
Hillegom 78,1
Katwijk 80,8
Krimpen aan den IJssel 73,8
Leiden 64,7
Leiderdorp 69,8
Lisse 79,5
Maassluis 75,6
Nieuwkoop 79,7
Noordwijk 75,2
Oegstgeest 57,4
Oudewater 80,8
Papendrecht 75,9
Ridderkerk 76,4
Rotterdam 65,2
Rijswijk 65
Schiedam 69,6
Sliedrecht 77,3
Albrandswaard 70,2
Westvoorne 72,8
Vlaardingen 72,2
Voorschoten 62,7
Waddinxveen 79,9
Wassenaar 46,9
Woerden 76,2
Zoetermeer 71,5
Zoeterwoude 72,2
Zwijndrecht 73,6
Borsele 80,5
Goes 79,5
West Maas en Waal 79,2
Hulst 70,5
Kapelle 80,7
Middelburg 70,2
Reimerswaal 83,1
Terneuzen 72,7
Tholen 80,4
Veere 83,4
Vlissingen 74,3
De Ronde Venen 74,7
Tytsjerksteradiel 72,2
Asten 81,9
Baarle-Nassau 77,7
Bergen op Zoom 72,9
Best 77,7
Boekel 84,5
Boxtel 76,1
Breda 72,8
Deurne 80,3
Pekela 75,2
Dongen 80,5
Eersel 78,9
Eindhoven 66,9
Etten-Leur 74,9
Geertruidenberg 79,4
Gilze en Rijen 77,1
Goirle 78,1
Helmond 74,2
's-Hertogenbosch 75,6
Heusden 78,7
Hilvarenbeek 84,4
Loon op Zand 82,4
Nuenen, Gerwen en Nederwetten 73,9
Oirschot 85
Oisterwijk 77,1
Oosterhout 77,4
Oss 77,3
Rucphen 77,7
Sint-Michielsgestel 76,4
Someren 82,8
Son en Breugel 74,6
Steenbergen 78,1
Waterland 71
Tilburg 72,4
Valkenswaard 78,4
Veldhoven 76,3
Vught 71,5
Waalre 68,9
Waalwijk 79,9
Woensdrecht 72,5
Zundert 82,1
Wormerland 73,9
Landgraaf 71,4
Beek 74,6
Beesel 79,6
Bergen (L.) 80,4
Brunssum 71,7
Gennep 77,7
Heerlen 69,2
Kerkrade 69,5
Maastricht 49,5
Meerssen 72,4
Mook en Middelaar 70,8
Nederweert 82,6
Roermond 74,1
Simpelveld 74,7
Stein 72,9
Vaals 38
Venlo 75,2
Venray 80,3
Voerendaal 74,6
Weert 75,4
Valkenburg aan de Geul 72,2
Lelystad 69,6
Horst aan de Maas 83,6
Oude IJsselstreek 75,6
Teylingen 74,2
Utrechtse Heuvelrug 65,4
Oost Gelre 81,8
Koggenland 81,8
Lansingerland 70,8
Leudal 76,4
Maasgouw 73,4
Gemert-Bakel 79,5
Halderberge 76,9
Heeze-Leende 78,6
Laarbeek 80,7
Reusel-De Mierden 85
Roerdalen 78,9
Roosendaal 74,2
Schouwen-Duiveland 81,9
Aa en Hunze 71,3
Borger-Odoorn 75,1
De Wolden 79,3
Noord-Beveland 79,6
Wijdemeren 71,8
Noordenveld 72,3
Twenterand 77,6
Westerveld 73,7
Lingewaard 76,6
Cranendonck 73,9
Steenwijkerland 76,8
Moerdijk 77,8
Echt-Susteren 70,6
Sluis 77,1
Drimmelen 79,4
Bernheze 81,6
Alphen-Chaam 80
Bergeijk 83,1
Bladel 84,2
Gulpen-Wittem 75,2
Tynaarlo 67
Midden-Drenthe 77
Overbetuwe 73,3
Hof van Twente 81,3
Neder-Betuwe 83,2
Rijssen-Holten 84,3
Geldrop-Mierlo 75,6
Olst-Wijhe 79,4
Dinkelland 84,9
Westland 81,6
Midden-Delfland 75,9
Berkelland 80
Bronckhorst 76,8
Sittard-Geleen 69,8
Kaag en Braassem 78,9
Dantumadiel 75,5
Zuidplas 76,2
Peel en Maas 82,9
Oldambt 69,5
Zwartewaterland 84,6
S�dwest-Frysl�n 74,1
Bodegraven-Reeuwijk 78,8
Eijsden-Margraten 72,7
Stichtse Vecht 71,5
Hollands Kroon 79,5
Leidschendam-Voorburg 64,6
Goeree-Overflakkee 79,7
Pijnacker-Nootdorp 69,2
Nissewaard 73,8
Krimpenerwaard 77,3
De Fryske Marren 77,6
Gooise Meren 61,1
Berg en Dal 72,9
Meierijstad 81,2
Waadhoeke 73,3
Westerwolde 59,7
Midden-Groningen 70,3
Beekdaelen 74
Montferland 77,7
Altena 79,9
West Betuwe 77,6
Vijfheerenlanden 78,2
Hoeksche Waard 76,5
Het Hogeland 69,5
Westerkwartier 71,9
Noardeast-Frysl�n 75,1
Molenlanden 81,7
Eemsdelta 68,5
Dijk en Waard 76,6
Land van Cuijk 78,2
Maashorst 80,2

Arbeidsparticipatie op basis van registerinformatie

De cijfers voor de arbeidsdeelname per gemeente zijn afkomstig van registraties uit het Stelsel van Sociaal-statistische Bestanden (SSB) van het CBS, zoals de Polisadministratie en bestanden van de Belastingdienst. Zij gaan over oktober 2021 en hebben een voorlopig karakter. Voor de uitsplitsing naar gemeenten is de gemeentelijke indeling van 1 januari 2022 gebruikt.

De populatie betreft alle jongeren (15 tot 27 jaar) die op 1 oktober 2021 geregistreerd stonden in de Basisregistratie Personen. Werkzaam is iedereen die in Nederland werkt. Jongeren die woonachtig zijn in Nederland, maar werken in het buitenland, telt men (voor Nederland) als niet-werkzaam. De feitelijke arbeidsdeelname kan hierdoor onderschat worden, vooral in gemeenten die aan de grens met Duitsland of België liggen.

266 duizend jongeren gerekend tot onbenut arbeidspotentieel zonder werk

Van de 2,6 miljoen jongeren in de leeftijd 15 tot 27 jaar zijn er 592 duizend jongeren die geen werk hadden. Van hen zochten 266 duizend jongeren (45 procent) wel werk, en/of waren hiervoor op korte termijn beschikbaar. Deze groep wordt aangeduid als onbenut arbeidspotentieel zonder werk, en bestaat uit werklozen en semiwerklozen. Het aandeel onbenut arbeidspotentieel zonder werk was onder de onderwijsvolgenden (43 procent) kleiner dan onder de niet-onderwijsvolgenden (53 procent). Het CBS beschouwt jongeren die werk zochten én daar ook beschikbaar voor waren als werkloos volgens de richtlijnen van de International Labour Organization (ILO). Onder de onderwijsvolgenden zonder werk was dit 24 procent, onder de niet-onderwijsvolgenden was dit 36 procent. Het CBS beschouwt jongeren als semiwerkloos als zij ofwel gezocht hadden, ofwel beschikbaar waren, omdat er van uitgegaan wordt dat zij een lagere binding met de arbeidsmarkt hebben dan werklozen. Van zowel de onderwijsvolgende- als van de niet-onderwijsvolgende jongeren was ongeveer een op de vijf semiwerkloos.

Naast het onbenut arbeidspotentieel zonder werk is er een groep zonder werk die niet zoekt en niet beschikbaar is. 57 procent van de onderwijsvolgende en 47 procent van de niet-onderwijsvolgende jongeren behoorden tot deze groep niet-werkzame jongeren. Zij hebben de laagste binding met de arbeidsmarkt.

Binding met de arbeidsmarkt van jongeren Niet-werkzaam: overig (niet gezocht en niet beschikbaar voor werk) Niet-werkzaam: semiwerkloos Niet werkzaam: werkloos = onderbenutte deeltijders =onbenut arbeidspotentieel zonder werk =onbenut arbeidspotentieel Onderwijsvolgenden Niet-onderwijsvolgenden 194 47 Werkzaam: wil niet meer uren werken 1 103 654 93 276 116 37 19 49 6.1.3 Binding arbeidsmarkt jongeren (15 tot 27 jaar) (x 1 000) Werkzaam: wil meer uren werken

6.2(Gewenste) arbeidsduur

Scholieren en studenten werken vooral in deeltijd; niet-onderwijsvolgenden voltijd

Onder de scholieren en studenten werkte de meerderheid (66 procent) deeltijd tot 20 uur per week, terwijl onder niet-onderwijsvolgenden de meerderheid (63 procent) voltijd (35 uur of meer per week) werkte. Scholieren en studenten werkten in 2022 gemiddeld 17 uur. Onder niet-onderwijsvolgende jongeren was dat met 35 uur twee keer zoveel. De gebruikelijke wekelijkse arbeidsduur was voor beide groepen in 2022 gelijk aan die in 2021.

Het aantal uren dat jongeren (15 tot 27 jaar) per week werken, is ook sterk leeftijdsafhankelijk. Dit overlapt deels met onderwijsdeelname, omdat tieners en begin-twintigers vaak nog onderwijs volgen. Van de onderwijsvolgende tieners werkte bijna 100 procent (bij 15 jaar) tot 70 procent (bij 19 jaar) tot 20 uur per week, vanaf 23 jaar was dat van iets meer dan 45 procent tot iets minder dan 25 procent oplopend met ieder levensjaar. Van de niet-onderwijsvolgende tieners werkte 40 procent (bij 18 jaar) tot bijna 55 procent (bij 19 jaar) 28 uur en meer per week, vanaf 23 jaar ongeveer 90 procent bij ieder levensjaar.

6.2.1a Arbeidsduur in gebruikelijke werkweek, onderwijsvolgende 15- tot 27-jarigen, 2022 (%)
leeftijd 0 tot 12 uur 12 tot 20 uur 20 tot 28 uur 28 tot 35 uur 35 en meer uren
15 83,9 12,4 1,5 0,6 1,6
16 66,1 21,2 6,8 3,1 2,8
17 55,9 24,3 8,4 4,7 6,7
18 48,7 23,7 11,2 6,4 10,1
19 43,9 25,3 12,6 8,5 9,8
20 38,1 24,1 14,3 9,3 14,2
21 36,0 24,8 12,7 11,0 15,5
22 32,8 24,1 15,4 10,1 17,5
23 26,3 19,9 16,7 12,8 24,2
24 24,3 17,3 16,7 11,4 30,3
25 22,8 13,9 14,0 17,3 32,0
26 13,4 9,4 13,2 19,8 44,3
6.2.1b Arbeidsduur in gebruikelijke werkweek, niet-onderwijsvolgende 18- tot 27-jarigen1), 2022 (%)
leeftijd 0 tot 12 uur 12 tot 20 uur 20 tot 28 uur 28 tot 35 uur 35 en meer uren
18 22,9 17,5 20,5 13,3 25,9
19 10,9 11,3 21,4 18,8 37,7
20 6,4 8,2 14,5 19,3 51,6
21 5,9 9,0 10,3 21,4 53,5
22 3,3 4,9 8,2 25,2 58,4
23 1,9 4,6 6,0 21,8 65,6
24 2,0 2,9 6,7 18,9 69,5
25 1,4 2,2 5,9 16,4 74,1
26 1,7 2,4 6,2 18,4 71,3
1)Aantallen voor de niet-onderwijsvolgende werkzame jongeren van 15 tot 18 jaar zijn te klein om te presenteren.

390 duizend werkende jongeren belangstelling om meer uren te werken

Aan werkende 15- tot 27‑jarige jongeren is in 2022 gevraagd of ze ook meer uren zouden willen werken dan ze nu doen. Voor 390 duizend (20 procent) van hen was dat het geval: dit zijn de onderbenutte deeltijders. Van de onderwijsvolgende werkende jongeren wilde 23 procent meer uren werken, van de niet-onderwijsvolgende jongeren 14 procent.

14% van de niet-onderwijsvolgende werkende jongeren zou meer uren willen werken

Naar gewerkte urenklassen kunnen de verschillen tussen onderwijsvolgende en niet-onderwijsvolgenden werkende jongeren nog groter zijn. Vanwege te kleine aantallen is het daarbij niet mogelijk de gedetailleerde klassen te gebruiken zoals eerder is gedaan. Ongeveer 33 procent van de onderwijsvolgende jongeren die tot 20 uur per week werkten, wilde meer dan 20 uur werken. Bij de niet-onderwijsvolgenden was dat ongeveer 80 procent.

6.2.2 Onderbenutte deeltijdwerkers (15 tot 27 jaar) naar gebruikelijke en gewenste arbeidsduur per week, 2022 (%)
categorie uren Gewenst: 0 tot 20 uur Gewenst: 20 tot 28 uur Gewenst: 28 en meer uren Gewenst: Uren onbekend
Onderwijsvolgenden
Gebruikelijke arbeidsuur
0 tot 20 uur, Onderwijsvolgenden
Gebruikelijke arbeidsuur
60,9 18,7 14,5 5,9
Onderwijsvolgenden
Gebruikelijke arbeidsuur
20 tot 28 uur, Onderwijsvolgenden
Gebruikelijke arbeidsuur
0,0 11,4 75,7 12,9
Onderwijsvolgenden
Gebruikelijke arbeidsuur
28 en meer uur, Onderwijsvolgenden
Gebruikelijke arbeidsuur
0,0 0,0 74,9 25,1
Niet-onderwijsvolgenden
Gebruikelijke arbeidsduur
0 tot 20 uur, Niet-onderwijsvolgenden
Gebruikelijke arbeidsduur
16,6 32,6 46,8 4,0
Niet-onderwijsvolgenden
Gebruikelijke arbeidsduur
20 tot 28 uur, Niet-onderwijsvolgenden
Gebruikelijke arbeidsduur
0,0 6,1 88,6 5,3
Niet-onderwijsvolgenden
Gebruikelijke arbeidsduur
28 en meer uur, Niet-onderwijsvolgenden
Gebruikelijke arbeidsduur
0,0 0,0 88,9 11,1

De meeste 15- tot 27‑jarige werkzame jongeren wilden niet meer uren per week werken dan zij nu al deden. 69 procent gaf aan dat ze in de gewenste situatie evenveel uren wilden werken en 6 procent dat ze minder uren zouden willen werken.

(Semi)werkloze scholieren en studenten vooral op zoek naar kleine baan

Van de jongeren die in 2022 niet werkten, hoorde 45 procent tot het onbenut potentieel zonder werk. Zij waren werkloos of semiwerkloos. Voor onderwijsvolgenden was dit 43 procent, voor niet-onderwijsvolgenden 53 procent. Ook aan deze (semi)werkloze jongeren is gevraagd hoeveel uren zij per week zouden willen werken. Onderwijsvolgenden waren vooral op zoek naar werk tot 12 uur (63 procent), de niet-onderwijsvolgenden zochten juist een baan van 35 uur of meer per week (56 procent).

6.2.3 (Semi)werklozen (15 tot 27 jaar) naar gewenste arbeidsduur per week, 2022 (%)
uren Onderwijsvolgenden Niet-onderwijsvolgenden
20 uur en minder 63,4 13,5
20 tot 28 uur 9,2 19,3
28 uur en meer 14,3 56,5
Uren onbekend 13,1 10,7
80% van de niet-onderwijsvolgende, werkende jongeren was in 2021 economisch zelfstandig

6.3Economisch zelfstandig

Meer jongeren economisch zelfstandig

Als scholieren en studenten werken, is dat meestal in een bijbaan. Voor degenen die geen onderwijs meer volgen is het relevant om naast de wekelijkse arbeidsduur ook in beeld te brengen of ze economisch zelfstandig zijn. Mensen zijn economisch zelfstandig als ze een persoonlijk inkomen uit arbeid of onderneming hebben dat op of boven de drempelwaarde ligt van de beleidsnorm voor het individuele inkomensminimum. Deze drempelwaarde is gelijk aan 70 procent van het wettelijke netto minimumloon, ofwel de netto bijstand van een alleenstaande.

De recentste cijfers over economische zelfstandigheid op het moment van schrijven van dit rapport gaan over 2021. Toen was ongeveer 80 procent van de niet-onderwijsvolgende, werkzame jongeren economisch zelfstandig. Sinds 2013 is dit aandeel ruim 6 procentpunten toegenomen.

6.3.1 Economisch zelfstandigheid, niet-onderwijsvolgende werkende jongeren (15 tot 27 jaar) (%)
jaar economisch zelfstandig
2013 73,1
2014 74,1
2015 72,7
2016 75,0
2017 75,8
2018 76,9
2019 78,5
2020 78,0
2021¹⁾ 79,5
1)De breuklijn in de trend tussen 2020 en 2021 valt samen met het herontwerp van de methode in de EBB.

Economisch zelfstandige jongeren vaak voltijd werk

In 2021 werkten economisch zelfstandige jongeren relatief vaak voltijd (69 procent). Bij jongeren die niet economisch zelfstandig waren was dat veel minder gebruikelijk (22 procent).

6.3.2 Niet-onderwijsvolgende, werkende jongeren (15 tot 27 jaar) naar gebruikelijke arbeidsduur per week en economische zelfstandigheid, 2021 (%)
uren Economisch zelfstandig Niet economisch zelfstandig
12 uur en minder 1,4 21,8
12 tot 20 uur 1,8 15,5
20 tot 28 uur 8,8 25,3
28 tot 35 uur 18,6 15,7
35 uur en meer 69,4 21,7

Dat jongeren die economisch zelfstandig zijn, aangeven graag meer uren per week te willen werken, komt naar verhouding niet zo vaak voor (16 procent). Juist de niet economische zelfstandige jongeren gaven aan meer uren te willen werken (44 procent). Als jongeren niet economisch zelfstandig zijn, betekent dat niet automatisch dat ze ook meer uren willen werken.

6.4Kerncijfers arbeidsmarkt jongeren

6.4.1Kerncijfers arbeidsmarkt jongeren
Eenheid 2013 2020 2021 2022   Verandering 2021–2022
Bevolking 15 tot 27 jaar1)
Onderwijsvolgenden2) x 1 000 1598 1717 1789 1783     -
w.v. werkzaam x 1 000 1026 1140 1217 1297   +  
niet-werkzaam x 1 000 572 577 571 486     -
w.v. werkloos x 1 000 173 142 138 116     -
semi-werkloos x 1 000 111 96 118 93     -
Werknemers x 1 000 991 1104 1172 1240   +  
w.v. met een flexibele arbeidsrelatie3) % . . 87 85     -
Arbeidsdeelname % 64 66 68 73   =  
Werkloosheidspercentage % 14,4 11,1 10,2 8,2     -
Arbeidsduur in normale of gemiddelde week Uren 14 15 17 17   =  
Wil meer uren werken per week4) % . . 17 15     -
Werkt per week:                
tot 12 uur % . . 44 44   =  
12 tot 19 uur % . . 21 21   =  
20 tot 27 uur % . . 11 12   +  
28 tot 35 uur % . . 9 8     -
35 uur en meer (voltijd) % . . 14 14   =  
Economisch zelfstandig5) % 11 13 13 n.b.      
Niet-onderwijsvolgenden x 1 000 861 852 768 807   +  
w.v. werkzaam x 1 000 701 715 668 701   +  
niet-werkzaam x 1 000 160 137 99 105   +  
w.v. werkloos x 1 000 87 57 37 37   =  
semi-werkloos x 1 000 24 21 18 19   +  
Werknemers x 1 000 660 668 622 651   +  
w.v. met een flexibele arbeidsrelatie3) % . . 56 54     -
Arbeidsdeelname % 81 84 87 87   =  
Werkloosheidspercentage % 11,0 7,4 5,2 5,1     -
Arbeidsduur in normale of gemiddelde week Uren 32 33 35 35   =  
Wil meer uren werken per week4) % 19 12 8 7     -
Werkt per week:                
tot 12 uur % . . 5 4     -
12 tot 19 uur % . . 5 5   =  
20 tot 27 uur % . . 9 9   =  
28 tot 35 uur % . . 19 19   =  
35 uur en meer (voltijd) % . . 63 63   =  
Economisch zelfstandig5)   60 66 70 n.b.      

1)Bron: Enquete beroepsbevolking (EBB). Definitieve cijfers na herontwerp van de EBB in 2021. Cijfers over 2021 gepubliceerd in het Jaarrapport Landelijk Jeugdmonitor 2022 kunnen afwijken.

2)Volgt een opleiding in het reguliere onderwijs.

3)"." = cijfers kunnen niet betrouwbaar genoeg vergeleken worden met die van 2021 en 2022. n.b.= niet beschikbaar.

4)Onderbenutte deeltijdwerkers.

5)Cijfers over economische zelfstandigheid waren voor 2022 op moment van publicatie niet beschikbaar.

6.5Begrippen

Arbeidsdeelname

Het aandeel van de werkzame beroepsbevolking in de bevolking (beroeps- en niet-beroepsbevolking). Deze definitie heeft betrekking op personen die in Nederland wonen (exclusief de institutionele bevolking). Een ander veelgebruikt woord voor arbeidsdeelname is nettoarbeidsparticipatie.

Beroepsbevolking

Personen die betaald werk hebben (werkzame beroepsbevolking) of die geen betaald werk hebben, recent naar betaald werk hebben gezocht en daarvoor direct beschikbaar zijn (werkloze beroepsbevolking). Deze definitie heeft betrekking op personen die in Nederland wonen (exclusief de institutionele bevolking).

Economisch zelfstandig

Economische zelfstandigheid is een begrip dat beleidsmatig verbonden is met het bestaansminimum: iemand wordt als economisch zelfstandig beschouwd als het individuele netto jaarinkomen uit arbeid en eigen onderneming op of boven de drempelwaarde ligt van de beleidsnorm voor het individuele inkomensminimum. Die drempelwaarde is gelijkgesteld aan 70 procent van het wettelijke netto minimumloon, oftewel de netto bijstand van een alleenstaande in het verslagjaar.

Economische zelfstandigheid is vastgesteld op basis van het Integraal inkomens- en vermogensonderzoek van het CBS. Gegevens van de Belastingdienst, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) en de Basisregistratie Personen zijn hierin gecombineerd.

Onderwijsvolgenden

Iedereen die formeel onderwijs volgt. Tot het formele onderwijs wordt gerekend alle onderwijs dat door de overheid wordt bekostigd, alsmede particulier onderwijs voor zover dit leidt tot een in Nederland erkend diploma.

Persoonlijk inkomen

Het persoonlijk inkomen omvat het totaal van inkomen uit arbeid, inkomen uit eigen onderneming, uitkeringen, inkomensverzekeringen en uitkering sociale voorzieningen. Premies inkomensvoorziening zijn hierop in mindering gebracht.

Semiwerklozen

Personen zonder betaald werk die recent naar werk hebben gezocht maar hiervoor niet op korte termijn beschikbaar zijn en personen zonder betaald werk die op korte termijn beschikbaar zijn voor werk maar hiernaar niet recent hebben gezocht. Semiwerklozen behoren niet tot de werkloze beroepsbevolking.

Wekelijkse arbeidsduur

Het aantal uren dat een persoon in een gebruikelijke werkweek werkt, overwerkuren en onbetaalde uren niet meegerekend.

Werkloosheidspercentage

De werkloze beroepsbevolking als percentage van de (werkzame en werkloze) beroepsbevolking.

Werkloze beroepsbevolking

Personen zonder betaald werk, die recent naar werk hebben gezocht en daarvoor direct beschikbaar zijn (overeenkomstig de internationale definitie van de ILO). Deze definitie heeft betrekking op personen die in Nederland wonen (exclusief de institutionele bevolking). Bij betaald werk gaat het om werkzaamheden ongeacht de arbeidsduur.

Werknemer

Een persoon die in een arbeidsovereenkomst afspraken met een economische eenheid maakt om arbeid te verrichten waar een financiële beloning tegenover staat.

Werkzame beroepsbevolking

Personen die betaald werk hebben. Deze definitie heeft betrekking op personen die in Nederland wonen (exclusief de institutionele bevolking). Bij betaald werk gaat het om werkzaamheden ongeacht de arbeidsduur.

6.6Meer informatie en literatuur

Meer informatie

Cijfers over arbeidsdeelname en werkloosheid onder jongeren (15 tot 27 jaar) in Nederland zijn te vinden op Jeugdmonitor StatLine.

Cijfers over het percentage werkzame jongeren van 15 tot 27 jaar naar regio zijn te vinden op Jeugdmonitor StatLine.

Literatuur

CBS (2022, 17 maart) Vooral jongeren wilden meer uren werken in 2021. CBS nieuwsbericht.

CBS (2022,15 juni) Inhaalslag arbeidsdeelname jonge mannen. CBS nieuwbericht Jeugdmonitor.

CBS (2022, 21 juli) Werkloosheid in juni toegenomen. CBS nieuwsbericht.

CBS (2022) Vroege loopbaan van jongeren op een nieuwe manier in kaart gebracht. CBS longread.

CBS (2022) Jaarrapport 2022 Landelijke Jeugdmonitor. CBS boek.

CBS (2023, 30 maart) Inkomen van jongeren toegenomen in 2021. CBS nieuwsbericht.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016-2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/'17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/'05-2016/'17 oogstjaar enz., 2004/'05 tot en met 2016/'17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

1. Inleiding

Ruud van Herk (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)

2. Jongeren in Nederland

Sevda Ulusoy-Sönmez

3. Trends in jeugdzorggebruik

Rudi Bakker

4. Opgroeien in ongelijke omstandigheden

Noortje Pouwels-Urlings

5. School

Karlijn Bakker, Bertina Ransijn

6. Werk

Harry Bierings

7. Middelengebruik en psychische gezondheid bij jongeren

Kim Knoops

8. Criminaliteit

Rob Kessels, Math Akkermans, Elianne Derksen

9. Jongeren in Caribisch Nederland

Carel Harmsen, Susanne Loozen, Corina Huisman, Mark Ramaekers

10. Welzijn van jongvolwassenen

Moniek Coumans

11. Voortijdig schoolverlaters

Linda Fernandez Beiro

Redactie

Linda Fernandez Beiro

Francis van der Mooren

Robert de Vries

Eindredactie

Karolien van Wijk