95 procent van export heeft te maken met technische handelsbarrières

Foto omschrijving: Directeur-generaal Tjark Tjin-A-Tsoi van het CBS ondertekent samen Commissaris Gyeongjoon Yoo van Kostat een MoU, in het bijzijn van minister-president Mark Rutte en de Koreaanse president Park Geun-hye.

Handelspolitiek: barrières en verdragen

Auteurs: Loe Franssen, Tom Notten, Janneke Rooyakkers

Door globalisering kunnen bedrijven concurrentie ondervinden van bedrijven van over de hele wereld. Overheden gebruiken verschillende instrumenten bij hun handelsbeleid, enerzijds om hun bedrijven te beschermen tegen buitenlandse concurrentie en anderzijds om de toegang tot het buitenland juist te vereenvoudigen. Dit hoofdstuk beschrijft de werking en de aanwezigheid van tarieven en niet-tarifaire maatregelen, alsmede de handelsverdragen die de handel juist stimuleren. Zo zal duidelijk worden dat ondanks de actualiteit over wereldwijde tariefverhogingen, niet-tarifaire maatregelen minstens zo belangrijk zijn. Handelsverdragen kunnen die mogelijke barrières wegnemen, maar kunnen daarbij op publiek verzet stuiten wanneer ze zich bijvoorbeeld teveel bemoeien met binnenlandse aangelegenheden.

3.1Inleiding

De afgelopen jaren namen de spanningen op het gebied van internationale handelspolitiek toe. Zo hebben met name de Verenigde Staten en China meerdere malen hun onderlinge handelstarieven verhoogd. Het doel hiervan is om de binnenlandse productie te promoten en minder afhankelijk te worden van buitenlandse goederen, een verschijnsel dat bekend staat als import-substitutie.

Alhoewel een dergelijke bescherming van de binnenlandse markt ten goede kan komen aan binnenlandse bedrijven, kan het ook nadelen hebben voor consumenten en bedrijven. Tarieven kunnen immers doorberekend worden. Uit recente studies op basis van cijfers uit 2018 blijkt dat Chinese exporteurs hun prijzen niet hebben verlaagd, maar de importheffingen volledig hebben doorberekend aan de Amerikaanse consument (Amiti et al., 2019; Fajgelbaum et al., 2019). Dit betekent dat Amerikaanse consumenten meer zullen moeten betalen voor hun producten. Aan de andere kant worden ook Amerikaanse bedrijven getroffen door deze importheffingen omdat zij een hogere prijs moeten betalen voor ingevoerde halffabricaten uit China. Bovendien heeft China als vergelding importheffingen op Amerikaanse goederen ingesteld of verhoogd. Daardoor zijn Amerikaanse boeren bijvoorbeeld niet langer concurrerend en verliezen zij een belangrijke afzetmarkt (Frankel, 2019).

Ook Nederland voelt de directe en indirecte effecten van deze mondiale spanningen. De Nederlandsche Bank becijferde dat de handelsoorlog Nederland zo’n 10 miljard aan economische groei kan kosten (RTL Z (2018) op basis van De Nederlandsche Bank, 2018). De directe gevolgen uiten zich bijvoorbeeld in de handelsbelemmeringen die de VS oplegt aan de Europese Unie. Deze handelsbelemmeringen hebben betrekking op onder andere staal en aluminium, auto’s en auto-onderdelen, en vliegtuigonderdelen. Naast deze directe effecten spelen ook indirecte effecten een rol. Doordat Nederland verweven is in internationale waardeketens kunnen tarieven tussen twee andere landen een effect hebben op de prijs van goederen voor Nederlandse bedrijven en consumenten. Als er meerdere heffingen plaatsvinden op verschillende plaatsen binnen een productieketen waarin Nederland betrokken is, wordt de prijs van de halffabricaten opgedreven en daarmee ook de prijs van het eindproduct. En hogere prijzen leiden in veel gevallen tot een lagere vraag.

De recente toename van handelstarieven is opmerkelijk, aangezien de gemiddelde tarieven in de wereld sinds 1995 juist sterk zijn afgenomen. Door inspanningen van instituties zoals de Wereldhandelsorganisatie en andere regionale initiatieven zoals die van de Europese Unie en de Noord-Amerikaanse Vrijhandelszone (NAFTA) zijn steeds meer afspraken gemaakt om de internationale handel en investeringen verder te liberaliseren.

Tegenover de gemiddelde afname in handelstarieven staat een aanzienlijke toename van niet-tarifaire maatregelen, ofwel NTM’s. Bij NTM’s gaat het om beleidsmaatregelen zoals quota of prijscontroles, evenals regelgevende en technische maatregelen met betrekking tot gezondheid en milieubescherming, zoals sanitaire en fytosanitaire (SPS) maatregelen en technische handelsbelemmeringen (TBT). Dergelijke NTM’s hebben mogelijk een effect op de internationale handel met betrekking tot handelsvolumes en handelsprijzen (de Melo & Nicita, 2018). Terwijl het gebruik van deze maatregelen gerechtvaardigd is op basis van productveiligheid en kwaliteit, bestaat er ook een vermoeden dat NTM’s een verborgen vorm van protectionisme kunnen zijn (Niu et al. 2018; Ronen, 2017; Beverelli et al. 2014; Ballegeer, 2019).

Een goed voorbeeld hiervan is toen Rusland in 2015 dreigde met een importboycot van tulpen. De Russische waakhond voor veterinaire en fytosanitaire zaken had namelijk verdenkingen dat de Nederlandse tulpen vliegjes bevatten die de Russische landbouw schade kon berokkenen door ziektes over te brengen. Daar werden vraagtekens bij geplaatst, vooral vanwege het tijdstip van de aankondiging. Deze vond namelijk plaats in een periode van oplopende politieke spanningen tussen Nederland en Rusland (Medetsky, 2015).

In tegenstelling tot tarieven en niet-tarifaire maatregelen zijn internationale handels- en investeringsverdragen erop gericht om handelsbarrières te verminderen. Ook voor het aantal verdragen is er een explosieve toename (Baier et al., 2019). Maar niet alleen het aantal verdragen en het aantal landen dat hieraan deelnemen, is gegroeid. Ook de diepte, dat wil zeggen het detailniveau waarop deze verdragen toepassingen hebben, is toegenomen. Zo gingen traditionele verdragen doorgaans alleen over tarieven. Door de toename van NTM’s hebben internationale verdragen tegenwoordig ook steeds meer toepassing op bijvoorbeeld het gebied van regelgeving, sanitaire en fytosanitaire zaken en intellectuele eigendomsrechten (Baccini et al., 2015). De diepte van handels- en investeringsverdragen staat de laatste tijd wel steeds meer ter discussie. Zo staat de ratificatie door het Nederlandse parlement van het vrijhandelsverdrag met Canada (CETA) op losse schroeven. Er worden namelijk vraagtekens gezet bij de Canadese regelgeving wat betreft de intensieve veehouderij die nadelig zou kunnen uitpakken voor de concurrentiepositie van Nederlandse boeren en bij de manier waarop het verdrag conflictbescherming regelt (Het Financiële Dagblad, 2019).

In dit hoofdstuk komen al deze aspecten van de internationale handelspolitiek aan bod. Er wordt gekeken naar de verschillende soorten handelstarieven waarmee Nederlandse exporteurs te maken krijgen wanneer ze bepaalde goederen willen exporteren, alsook de niet-tarifaire maatregelen waaraan ze moeten voldoen. Daarnaast wordt de aanwezigheid en inhoud van verschillende handelsverdragen die de handel juist makkelijker maken, onderzocht. Specifiek komen de volgende vragen aan bod:

  1. Wat zijn de gemiddelde handelstarieven in het buitenland? Hoe heeft zich dit door de tijd heen ontwikkeld?
  2. Hoe kunnen we de aanwezigheid van niet-tarifaire maatregelen kwantificeren?
    1. Welk percentage van de Nederlandse export is onderhevig aan een NTM?
    2. Wat is het verschil in regelgeving tussen het buitenland en Nederland?
  3. Met welke landen heeft Nederland een internationaal handelsverdrag afgesloten en hoe verschillen die in diepte?
95% van de Nederlandse export is onderhevig aan een technische handelsbarrière
37% van de Nederlandse export is onderhevig aan een sanitaire en fytosanitaire maatregel

3.2Handelstarieven

Regeringen hebben verschillende beleidsinstrumenten ter beschikking om buitenlandse handel te bemoeilijken. Het eenvoudigste beleidsinstrument is het douanerecht. Een douanerecht is een heffing op een goed dat een nationale grens passeert. Binnen douanerechten wordt er een onderscheid gemaakt tussen invoer- en uitvoerrechten. De meest klassieke vorm van protectionisme zijn invoerrechten, waarbij aan ingevoerde producten een heffing wordt opgelegd.

Een specifiek tarief is daarbij een vast bedrag dat geheven wordt voor iedere ingevoerde eenheid van een bepaald product. Een ad valorem heffing bestaat uit een percentage van de invoerwaarde van een bepaald product, terwijl een samengesteld tarief een combinatie is van een specifiek tarief en een ad valorem heffing. Minder gebruikelijk zijn uitvoerrechten, waarin een belasting wordt geheven op geëxporteerde producten. Een klassiek voorbeeld is de Organisatie van olie-exporterende landen (Engels: OPEC) die uitvoerrechten gebruikt om schaarste te creëren in de wereldmarkt voor olie om daarmee de olieprijs op te drijven.

Invoerrechten verhogen de prijs van ingevoerde goederen. Hoe hoger de invoerrechten op een product, hoe groter het voordeel is voor binnenlandse producenten die eenzelfde of vergelijkbaar product fabriceren. Invoerrechten kunnen ook nadelig uitpakken voor binnenlandse producenten. Indien de invoerrechten worden geheven op grondstoffen en halffabricaten die worden gebruikt in productieprocessen, nemen de marges immers af en moeten de prijzen eventueel verhoogd worden.

De Nederlandse regering heeft echter geen directe invloed op douanerechten, doordat Nederland lid is van de Europese Unie en daarmee van de Europese interne markt. Lidstaten van de Europese interne markt hebben extern dezelfde invoerrechten en niet-tarifaire maatregelen voor alle goederen die worden ingevoerd, ongeacht in welke lidstaat de goederen worden ingevoerd. Voor de lidstaten onderling geldt vrijhandel in goederen zonder invoerrechten en geharmoniseerde niet-tarifaire maatregelen.

Handelstarieven en de Wereldhandelsorganisatie

Na de Tweede Wereldoorlog besloten ontwikkelde landen om handelsbarrières te verlagen. Dat gebeurde enerzijds door economische integratie zoals de Europese interne markt en anderzijds door het liberaliseren van de wereldhandel door middel van multilaterale handelsverdragen. In 1947 werd de General Agreement on Tariffs and Trade (GATT) overeengekomen, een handelsverdrag waarin een groep ontwikkelde landen – waaronder Nederland – zich committeerde aan het verlagen en vereenvoudigen van onderlinge douanerechten. Na verschillende onderhandelingsronden werd de GATT in 1995 verder uitgebreid en geïnstitutionaliseerd door de oprichting van de Wereldhandelsorganisatie. De Wereldhandelsorganisatie beperkt zich niet alleen tot douanerechten, maar bekommert zich ook om niet-tarifaire maatregelen, de dienstenhandel en intellectuele eigendomsrechten. Bovendien kent de Wereldhandelsorganisatie een geschillencommissie, waarin lidstaten nieuw opgeworpen handelsbarrières door andere lidstaten kunnen aanvechten (Carbaugh, 2015). Ruim 98 procent van de huidige wereldhandel valt onder het toezicht van de Wereldhandelsorganisatie. Op dit moment zijn bij de WTO 164 landen aangesloten (WTO, 2019b).

Na de oprichting van de Wereldhandelsorganisatie volgde een sterke daling van traditionele invoerheffingen (World Bank, 2020). Figuur 3.2.1 geeft weer hoe de gemiddelde wereldwijde invoerheffingen zijn gedaald sinds de jaren negentig. De recent doorgevoerde verhogingen van de invoertarieven in het handelsconflict tussen de Verenigde Staten en China zijn nog niet volledig in de cijfers verwerkt.

Onder de Wereldhandelsorganisatie gelden er drie soorten tarieven of invoerheffingen, de zogenaamde gebonden tarieven, Most-Favoured Nation (MFN) tarieven en preferentiële tarieven. De drie verschillende soorten tarieven worden verder uiteengezet in tekstkader 3.2.2.

3.2.2  De verschillende soorten tarieven uitgelicht

Gebonden tarieven

Een gebonden tarief is het maximale tarief voor een bepaalde goederengroep. Tijdens onderhandelingsronden tussen lidstaten van de Wereldhandelsorganisatie worden er afspraken gemaakt over gebonden tarieven en niet over werkelijk te heffen tarieven. In de praktijk zijn gebonden tarieven niet noodzakelijkerwijs de tarieven die lidstaten van de Wereldhandelsorganisatie aan andere lidstaten opleggen. Lidstaten hebben de flexibiliteit om tarieven te verhogen en te verlagen (daarbij niet discriminerend tussen partners) zo lang ze niet hoger zijn dan het gebonden tarief. Als een lidstaat van de Wereldhandelsorganisatie heffingen oplegt die hoger zijn dan de gebonden tarieven, kunnen andere lidstaten naar de geschillencommissie stappen. Als de verhoogde tarieven onder de gebonden tarieven blijven, kunnen andere lidstaten daarvoor compenseren door zelf hun tarieven te verhogen. De werkelijke tarieven zijn in de praktijk dus lager of gelijk aan de gebonden tarieven van een bepaald product, zoals visueel weergegeven wordt in figuur 3.2.3.

Most-Favoured Nation (MFN) tarieven

MFN-tarieven zijn importtarieven die landen beloven te heffen op andere leden van de Wereldhandelsorganisatie, behalve als met de handelspartner een preferentieel handelsakkoord overeengekomen is zoals in een vrijhandelsverdrag of een douane-unie.

Preferentiële tarieven

Vrijwel alle landen in de wereld zijn op zijn minst lid van één preferentieel handelsakkoord. In zo’n handelsakkoord beloven de leden elkaar lagere tarieven op te leggen dan MFN-tarieven. In een douane-unie (zoals die van de Europese Unie) of een vrijhandelsverdrag (zoals die tussen de Europese Unie en Zuid-Korea), gelden er nultarieven op vrijwel alle goederen. Deze overeenkomsten zijn wederzijds, wat betekent dat alle deelnemende landen elkaar het voordeel geven van lage of nultarieven. In sommige handelsakkoorden is vastgelegd dat leden elkaar een vermindering van het MFN-tarief in rekening brengen in plaats van nultarieven. De onderlinge tarieven tussen landen kunnen daarom verschillen.

030203 3.2.3 Soorten tarieven voor een bepaald product Plafond Gebonden Preferentieel MFN toegepast Bron: World Bank (2010)

Bron:Carbaugh (2015); World Bank (2010)

3.3Niet-tarifaire maatregelen

Zoals beschreven is het gebruik van handelstarieven in de afgelopen jaren aanzienlijk afgenomen, de recente spanningen tussen de VS en China daargelaten. Daar staat tegenover dat het aantal niet-tarifaire maatregelen aanzienlijk zijn toegenomen, zie figuur 3.3.1. Figuur 3.3.1 geeft een overzicht van geïnitieerde product-specifieke niet-tarifaire maatregelen. Lidstaten van de Wereldhandelsorganisatie zijn verplicht om te melden als zij een niet-tarifaire maatregel introduceren (WTO, 2019a).

Niet-tarifaire maatregelen worden door de handelsafdeling van de Verenigde Naties gedefinieerd als “andere beleidsmaatregelen dan douanetarieven, die mogelijk een economisch effect kunnen hebben op de internationale handel in goederen, veranderende hoeveelheden of prijzen, of beide” (UNCTAD, 2010). Dit is uiteraard een erg breed begrip. NTM’s komen dan ook in vele soorten en maten voor en worden geclassificeerd in 16 hoofdstukken (A-P) conform de UNCTAD-indeling (UNCTAD, 2017). De eerste twee hoofdstukken (A-B) verwijzen naar product-specifieke eigenschappen zoals kenmerken, technische specificaties en het productieproces van een product. Ze omvatten ook methoden om te beoordelen of een product voldoet aan een bepaalde eis. Deze technische voorschriften zijn in het algemeen gericht op het waarborgen van kwaliteit en voedselveiligheid, milieubescherming en nationale veiligheid, en het beschermen van de gezondheid van dieren en planten. De niet product-specifieke maatregelen (hoofdstukken C tot en met O) verwijzen naar algemene maatregelen zoals verzendvereisten, douaneformaliteiten, handelsregels, belastingbeleid, etc. Hoofdstuk P bevat exportgerichte maatregelen. Tabel 3.3.2 geeft een kort overzicht van de verschillende niet-tarifaire maatregelen.

3.3.2De classificatie van niet-tarifaire maatregelen

Handelsstroom Type maatregel Hoofdstuk Omschrijving hoofdstuk
Import Product-specifieke maatregelen A Sanitaire en fytosanitaire maatregelen (SPS)
B Technische handelsbarrières (TBT)
 
Niet product-specifieke maatregelen C Inspectie vóór verzending en andere formaliteiten
D Voorwaardelijke handelsbeschermende maatregelen
E Niet-automatisch verleende vergunningen, importquota en andere kwantitatieve belemmeringen anders dan voor SPS- of TBT-redenen
F Prijscontrolemaatregelen, inclusief extra belastingen en toeslagen
G Financiële maatregelen
H Maatregelen die de mededinging beïnvloeden
I Handels-gerelateerde investeringsmaatregelen, waaronder lokale inhoudsvereisten
J Distributiebeperkingen op geïmporteerde goederen
K Beperkingen op after-sales diensten
L Subsidies
M Beperkende maatregelen op publieke aanbestedingen voor buitenlandse bedrijven
N Intellectueel eigendom
O Regels van oorsprong
Export P Export-gerelateerde maatregelen

Bron:UNCTAD (2017)

Verantwoording voor NTM’s

Alhoewel niet-tarifaire maatregelen vaak als substituut worden gezien voor handelstarieven, is dat niet altijd juist. NTM’s kunnen gerechtvaardigd zijn wanneer er zorgen bestaan over de technische kwaliteiten van een product. Ze kunnen zelfs een positief effect hebben op de handel wanneer ze de kwaliteit ten goede komen en daarmee het consumentenvertrouwen in het product vergroten (Timini & Conesa, 2019). Hoofdstuk 4 zal hier dieper op in gaan. Het is dus belangrijk om in brede zin over NTM’s te praten en niet over de specifieke maatregelen die negatieve effecten op de handel hebben. Deze handelsbelemmerende maatregelen staan bekend als niet-tarifaire barrières, ofwel NTB’s.

Wanneer exporterende landen van mening zijn dat een NTM in het land van bestemming ongerechtvaardigd is, hebben zij de mogelijkheid om bij de Wereldhandelsorganisatie een zogenaamde Specific Trade Concern (STC) te activeren. Die informatie wordt opgeslagen in de I-TIP database (WTO, 2019a). Met deze cijfers laten Beverelli et al. (2014) en Orefice (2015) zien dat wanneer tarieven omlaag gaan, het aantal NTM’s omhoog gaat. Dit kan erop duiden dat NTM's als substituut voor importtarieven gebruiken kunnen worden.

Het meten van NTM’s

Het meten van specifieke regelgeving op het niveau van individuele producten zodat het gebruikt kan worden in handelsanalyses, is lastig. Van origine gaat het namelijk om juridische bepalingen die opgenomen zijn in nationale wetgeving of internationale verdragen. Internationale instituten zoals de Verenigde Naties, de Wereldbank, de Wereldhandelsorganisatie, maar ook denktanks zoals de Centre for Economic Policy Research (CEPR) hebben dit soort bepalingen daarom gecodeerd in een simpele ja of nee variabele die aangeeft of een specifieke bepaling mogelijk een effect heeft op de internationale handel of niet. De manier waarop NTM’s worden gecodeerd, verschilt echter sterk tussen deze instituten, zie paragraaf 3.6 voor een overzicht. Zo houdt de Global Trade Alert (GTA) database van CEPR alleen NTM’s bij die per definitie een handels-verstorend effect kunnen hebben. De database van de Verenigde Naties (TRAINS) maakt die voorselectie niet en is bovendien uitgebreider dan de database van de WTO (I-TIP). Daarom gebruiken we in dit hoofdstuk, met uitzondering van het stukje over lokale inhoudsvereisten, alsook in de volgende twee hoofdstukken de data uit het TRAINS-project van de Verenigde Naties (UNCTAD, 2017).

Om de aanwezigheid van NTM’s te meten bestaan er zowel absolute als relatieve indicatoren. De absolute methode berekent hoe zwaar de regelgeving is in het land van bestemming. Daarvoor bestaan er drie algemeen gebruikte meetmethodes, zie tekstkader 3.3.3. De relatieve indicator is gebaseerd op het verschil tussen de regelgeving in Nederland en de regelgeving in het land van de exportbestemming. Wanneer Nederland namelijk dezelfde regels heeft als de exportpartner, en een Nederlands bedrijf zich dus al aan die Nederlandse regelgeving moet conformeren, betreft de buitenlandse NTM geen probleem meer. Ook deze maat wordt kort beschreven in tekstkader 3.3.3.

3.3.3  Verschillende indicatoren voor het meten van NTM’s

Absolute indicatoren

  • Frequency ratio
    De frequency ratio berekent het percentage van de verhandelde producten die aan een NTM onderhevig zijn.
  • Prevalence ratio
    De prevalence ratio berekent het gemiddelde aantal NTM’s per product.
  • Coverage ratio
    De coverage ratio berekent het percentage van de totale handel dat aan een NTM onderhevig is.

Relatieve indicator

  • Regulatory distance
    De regulatory distance berekent het percentage van de totale handel waarbij de regelgeving in het land van herkomst anders is dan de regelgeving in het land van bestemming.

Bron:Cadot et al. (2015)

De aanwezigheid van NTM’s

Om een overzicht te geven van de aanwezige NTM’s bij de Nederlandse handelspartners kijken we in eerste instantie alleen naar hoofdstukken A (sanitaire en fytosanitaire maatregelen) en B (technische handelsbarrières). Dit is gedaan omdat alleen deze hoofdstukken voor alle landen consistent gemeten worden in de TRAINS-database (UNCTAD, 2017). Tegelijkertijd zijn dit ook de twee belangrijkste en de enige product-specifieke hoofdstukken. Voor deze categorieën berekenen we zowel een absolute als een relatieve indicator. Voor de absolute indicator laten we de coverage ratio zien vanwege zijn relatie met handelsvolumes terwijl de regulatory distance de enige relatieve indicator is.

Na aggregatie van de gekoppelde product-specifieke NTM-informatie met de CBS-handelscijfers zien we dat gemiddeld 37 procent van alle Nederlandse export onderhevig is aan een sanitaire en fytosanitaire maatregel (SPS), terwijl maar liefst 95 procent van de export te maken heeft met een technische handelsbarrière (TBT). Verder verschillen de SPS regels in 70 procent van de gevallen tussen Nederland en die van het buitenland terwijl dit maar in 5 procent van de gevallen bij de TBT’s is. In de rest van dit stukje wordt dit uitgesplitst naar productcategorieën (GN-afdelingen) en handelspartners en worden ook de achterliggende redenen verder besproken.

In figuur 3.3.4 worden de percentages van de Nederlandse export per productcategorie (GN-afdeling) weergegeven die onderhevig zijn aan een sanitaire en fytosanitaire maatregel (SPS) of een technische handelsbarrière (TBT). Daarbij valt direct op dat landbouwproducten, elektrische machines en wapens sterk gereguleerd zijn vanwege consumentenbescherming en ecologische overwegingen. Daarnaast komen de SPS met name voor in de land- en tuinbouwsector en bij producten gemaakt van dierlijke origine. Dat is nodig om de gezondheid en het welzijn van de consument alsook de bescherming van de natuur te waarborgen. In deze sectoren is meer dan 95 procent van alle export onderhevig aan zo’n NTM.

De technische handelsbarrières zijn veel meer verdeeld over de verschillende categorieën. Bij nagenoeg alle productcategorieën is meer dan 75 procent van alle handel onderhevig aan een TBT. Deze bevindingen worden bevestigd voor andere landen door Gourdon (2014).

96% van de Nederlandse agrarische export is onderhevig aan sanitaire en fytosanitaire voorschriften Buitenvorm Binnenvorm

Om een beeld te krijgen van welke handelspartners de meeste importmaatregelen treffen, kunnen we de uitsplitsing van figuur 3.3.4 ook naar handelspartners maken. Zo zien we in figuur 3.3.5 dat meer dan 80 procent van de handel met Australië, Algerije, Ecuador, Venezuela en de Verenigde Staten onderhevig is aan een sanitaire en fytosanitaire maatregel. Figuur 3.3.6 laat zien dat voor veel landen meer dan 80 procent van de Nederlandse export naar dat land onderhevig is aan een technische handelsbarrière. China is één van de weinige exportpartners waar dit minder dan 80 procent van de uitvoer betreft.

030305 3.3.5 Percentage van Nederlandse export onderhevig aan sanitaire en fytosanitaire maatregelen (NTM hoofdstuk A) Percentage van de export onderhevig aan SPS 0 tot 20 20 tot 40 40 tot 60 60 tot 80 80 tot 100 geen beschikbare data Bron: CBS en Dür, Baccini & Elsig (2014)
030306 3.3.6 Percentage van Nederlandse export onderhevig aan technische handelsbarrières (NTM hoofdstuk B ) Percentage van de export onderhevig aan een TBT 0 tot 20 20 tot 40 40 tot 60 60 tot 80 80 tot 100 geen beschikbare data Bron: CBS en Dür, Baccini & Elsig (2014)

Naast deze absolute metingen van NTM’s kunnen we ook kijken naar het verschil in regelgeving tussen Nederland en die van het bestemmingsland. Figuur 3.3.7 kijkt hierbij simpelweg naar het percentage van de export waarbij er in Nederland geen sprake is van een import NTM maar bij de exportpartner wel, of juist andersom. Wat als eerste opvalt is dat deze afstand in regelgeving nul is voor exportbestemmingen binnen de Europese Unie, omdat deze regels gestroomlijnd zijn. Het feit dat de Europese Unie dus wel degelijk veel regels oplegt, zou geen effect moeten hebben op Nederlandse bedrijven die binnen de EU willen exporteren, omdat ze voor de Nederlandse markt aan die regelgeving moeten voldoen.

Buiten de EU zien we dat er significante verschillen zijn in de regelgeving. Gemiddeld blijkt voor zo’n 70 procent van alle geëxporteerde producten een andere regelgeving op het gebied van SPS te gelden dan in Nederland. Terwijl er gemiddeld dus zo’n 37 procent van alle Nederlandse export onderhevig is aan een SPS-maatregel, is het percentage van de export waarbij de regelgeving anders is met 70 procent veel hoger. Dit komt wederom met name omdat er in de EU simpelweg relatief veel SPS-maatregelen gelden.

Bij technische handelsbarrières in figuur 3.3.8 valt als eerste op dat er veel minder verschillen tussen de EU en niet-EU-regels zijn. Gemiddeld is er namelijk maar voor 5 procent van alle Nederlandse export een andere wetgeving in het buitenland dan in Nederland. Dit in vergelijking met de 95 procent van alle Nederlandse export die onderhevig is aan een NTM. Dus terwijl Nederlandse exporteurs wel degelijk rekening moeten houden met veel TBT-maatregelen, moet men in Nederland vaak al met diezelfde regels rekening houden, waardoor dergelijke maatregelen geen significante belemmering voor de export zouden moeten vormen.

Ten slotte is het belangrijk om te herinneren dat veel van deze regels wel degelijk een legitieme achtergrond hebben. Daarom is het niet altijd juist om van landen te eisen dat ze deze regels volledig afschaffen. Steeds vaker ligt de nadruk bij internationale onderhandelingen op het harmoniseren van regels, in plaats van op het afschaffen ervan. Op die manier hoeven bedrijven maar één keer te conformeren aan bepaalde regelgeving, zodat buitenlandse regels geen verdere handelsbarrières hoeven te zijn.

030307 3.3.7 Percentage van de Nederlandse export waarbij de regelgeving omtrent sanitaire en fytosanitaire maatregelen (SPS) anders is in de exportbestemming dan in Nederland Percentage 0 tot 20 20 tot 40 40 tot 60 60 tot 80 80 tot 100 geen beschikbare data