Bijna 9 miljoen werkenden in 2020

Foto omschrijving: Studenten krijgen hun diploma in het Utrechts voetbal stadion Galgenwaard.

Het aanbod van arbeid

Om te bepalen hoe groot het aanbod van arbeidskrachten is, wordt allereerst gekeken naar de Nederlandse bevolking van 15 tot 75 jaar. Tussen 1 januari 2020 en 1 januari 2021 groeide dit deel van de bevolking met 54 duizend personen tot 13,3 miljoen.

Deze toename is het saldo van omvangrijke stromen. Zo werden in de loop van het jaar 193 duizend personen 15 jaar. Ongeveer net zoveel mensen  werden 75 jaar (141 duizend) of overleden voor hun 75ste levensjaar (54 duizend). Dat de omvang van de bevolking van 15 tot 75 jaar toch toenam, komt doordat de immigratie de emigratie overtrof. Ook daarbij gaat het om grote stromen. In 2020 vestigden zich 194 duizend mensen van 15 tot 75 jaar in Nederland, terwijl er 137 duizend vertrokken.

3.1 Bevolking van 15 tot 75 jaar (mln)
Jaar Bevolking Bevolking, prognose
1950 6,857 .
1951 6,95 .
1952 7,015 .
1953 7,061 .
1954 7,122 .
1955 7,193 .
1956 7,277 .
1957 7,353 .
1958 7,434 .
1959 7,55 .
1960 7,646 .
1961 7,732 .
1962 7,905 .
1963 8,07 .
1964 8,204 .
1965 8,34 .
1966 8,472 .
1967 8,599 .
1968 8,702 .
1969 8,813 .
1970 8,936 .
1971 9,068 .
1972 9,199 .
1973 9,317 .
1974 9,44 .
1975 9,576 .
1976 9,736 .
1977 9,864 .
1978 9,991 .
1979 10,127 .
1980 10,275 .
1981 10,423 .
1982 10,542 .
1983 10,651 .
1984 10,759 .
1985 10,878 .
1986 11 .
1987 11,115 .
1988 11,222 .
1989 11,302 .
1990 11,369 .
1991 11,451 .
1992 11,532 .
1993 11,604 .
1994 11,678 .
1995 11,728 .
1996 11,766 .
1997 11,805 .
1998 11,851 .
1999 11,904 .
2000 11,961 .
2001 12,037 .
2002 12,12 .
2003 12,184 .
2004 12,228 .
2005 12,264 .
2006 12,294 .
2007 12,323 .
2008 12,369 .
2009 12,442 .
2010 12,518 .
2011 12,582 .
2012 12,641 .
2013 12,687 .
2014 12,735 .
2015 12,796 .
2016 12,87 .
2017 12,964 .
2018 13,051 .
2019 13,135 .
2020 13,226 .
2021* . 13,28
2022 . 13,275
2023 . 13,306
2024 . 13,351
2025 . 13,394
2026 . 13,437
2027 . 13,472
2028 . 13,495
2029 . 13,512
2030 . 13,528
2031 . 13,536
2032 . 13,539
2033 . 13,535
2034 . 13,526
2035 . 13,512
2036 . 13,497
2037 . 13,469
2038 . 13,443
2039 . 13,42
2040 . 13,402
2041 . 13,393
2042 . 13,39
2043 . 13,392
2044 . 13,396
2045 . 13,395
2046 . 13,4
2047 . 13,415
2048 . 13,44
2049 . 13,48
2050 . 13,527
2051 . 13,579
2052 . 13,632
2053 . 13,685
2054 . 13,734
2055 . 13,781
2056 . 13,821
2057 . 13,861
2058 . 13,904
2059 . 13,945
2060 . 13,981
2061 . 14,012
2062 . 14,037
2063 . 14,06
2064 . 14,082
2065 . 14,1
2066 . 14,112
2067 . 14,123
2068 . 14,135
2069 . 14,150
2070 . 14,164

StatLine: Bevolking 1950–2020, Bevolking 2021, Bevolkingsprognose tot 2070.

Cijfers over het aanbod op de arbeidsmarkt worden samengesteld op basis van gegevens uit de Enquête beroepsbevolking (EBB). Het CBS voert deze enquête uit onder personen van 15 jaar en ouder die in een particulier huishouden in Nederland wonen. De uitkomsten worden meestal gepresenteerd voor de bevolking van 15 tot 75 jaar. Daarmee sluit het CBS aan bij internationale afspraken over statistieken met betrekking tot de beroepsbevolking.

In 2020 waren er volgens de definities van de EBB gemiddeld 13,1 miljoen mensen van 15 tot 75 jaar. Doordat de EBB niet wordt uitgevoerd onder de bevolking in inrichtingen, instellingen en tehuizen (de institutionele bevolking), is dit aantal lager dan het eerder genoemde aantal van 13,3 miljoen volgens de Bevolkingsstatistiek.

Beroepsbevolking groeit minder sterk

De beroepsbevolking bestaat uit alle mensen van 15 tot 75 jaar die betaald werk hebben (de werkzame beroepsbevolking) en degenen die geen betaald werk hebben, maar wel recent naar werk hebben gezocht en daarvoor direct beschikbaar zijn (de werkloze beroepsbevolking). In 2020 groeide de beroepsbevolking met slechts 41 duizend personen. De sterke groei van het aantal werkenden, tussen de 80 en de ruim 190 duizend per jaar, kwam na vijf jaar tot stilstand. Het aantal werklozen nam voor het eerst sinds vijf jaar weer toe.

Het uitbreken van de coronapandemie en de maatregelen die daarmee gepaard gingen (zie hoofdstuk 1) hebben hun weerslag gehad op de arbeidsmarkt. Gedurende het jaar waren er uitzonderlijk grote veranderingen in het aantal werkenden en werklozen, maar gemiddeld over het hele jaar was de ontwikkeling van het aantal werkenden en werklozen in 2020 vergelijkbaar met die aan het begin van de vorige crisis. Ook in 2009, het jaar na het begin van de financiële crisis in september 2008, steeg het aantal werkenden niet meer en liep de werkloosheid op. In vergelijking met de crisis in 2009 bleef de toename van de werkloosheid beperkt. Dat hangt onder meer samen met de steunmaatregelen van de overheid om zoveel mogelijk mensen aan werk te houden.

3.2 Beroepsbevolking, verandering t.o.v. een jaar eerder, 2009-2020 (x 1 000)
Jaar Verandering
Werkzame beroepsbevolking '09, Werkzame beroepsbevolking 3
Werkzame beroepsbevolking '10, Werkzame beroepsbevolking -83
Werkzame beroepsbevolking '11, Werkzame beroepsbevolking 2
Werkzame beroepsbevolking '12, Werkzame beroepsbevolking 50
Werkzame beroepsbevolking '13, Werkzame beroepsbevolking -64
Werkzame beroepsbevolking '14, Werkzame beroepsbevolking -52
Werkzame beroepsbevolking '15, Werkzame beroepsbevolking 80
Werkzame beroepsbevolking '16, Werkzame beroepsbevolking 109
Werkzame beroepsbevolking '17, Werkzame beroepsbevolking 176
Werkzame beroepsbevolking '18, Werkzame beroepsbevolking 195
Werkzame beroepsbevolking '19, Werkzame beroepsbevolking 179
Werkzame beroepsbevolking '20, Werkzame beroepsbevolking -2
Werkzame beroepsbevolking , Werkzame beroepsbevolking .
Werkloze beroepsbevolking '09, Werkloze beroepsbevolking 63
Werkloze beroepsbevolking '10, Werkloze beroepsbevolking 54
Werkloze beroepsbevolking '11, Werkloze beroepsbevolking -1
Werkloze beroepsbevolking '12, Werkloze beroepsbevolking 82
Werkloze beroepsbevolking '13, Werkloze beroepsbevolking 131
Werkloze beroepsbevolking '14, Werkloze beroepsbevolking 13
Werkloze beroepsbevolking '15, Werkloze beroepsbevolking -46
Werkloze beroepsbevolking '16, Werkloze beroepsbevolking -76
Werkloze beroepsbevolking '17, Werkloze beroepsbevolking -100
Werkloze beroepsbevolking '18, Werkloze beroepsbevolking -88
Werkloze beroepsbevolking '19, Werkloze beroepsbevolking -36
Werkloze beroepsbevolking '20, Werkloze beroepsbevolking 43
Werkloze beroepsbevolking , Werkloze beroepsbevolking .
Niet-beroepsbevolking '09, Niet-beroepsbevolking -9
Niet-beroepsbevolking '10, Niet-beroepsbevolking 69
Niet-beroepsbevolking '11, Niet-beroepsbevolking 39
Niet-beroepsbevolking '12, Niet-beroepsbevolking -43
Niet-beroepsbevolking '13, Niet-beroepsbevolking 29
Niet-beroepsbevolking '14, Niet-beroepsbevolking 67
Niet-beroepsbevolking '15, Niet-beroepsbevolking -13
Niet-beroepsbevolking '16, Niet-beroepsbevolking 48
Niet-beroepsbevolking '17, Niet-beroepsbevolking 27
Niet-beroepsbevolking '18, Niet-beroepsbevolking -41
Niet-beroepsbevolking '19, Niet-beroepsbevolking -63
Niet-beroepsbevolking '20, Niet-beroepsbevolking 37

StatLine: Arbeidsdeelname.

In 2020 bedroeg de brutoarbeidsparticipatie 71,1 procent en was daarmee nauwelijks lager dan in het recordjaar 2019. De brutoarbeidsparticipatie geeft aan hoeveel procent van de bevolking (15 tot 75 jaar) tot de beroepsbevolking behoort. De lichte daling van de participatiegraad betekent dat de bevolking in 2020 een iets kleinere binding met de arbeidsmarkt had dan in 2019. Een iets groter deel had immers geen betaald werk, zocht daar niet naar en/of was daarvoor niet op korte termijn beschikbaar.

De participatie nam bij de jongeren (15 tot 25 jaar) af en ook bij de 35- tot 45‑jarigen, al was dat in geringere mate. Bij de 25- tot 35‑jarigen, die van alle leeftijdsgroepen al vele jaren het meest participeren, was sprake van een toename naar 89,1 procent. Bij de 55- tot 65‑jarigen was ook sprake van een toename, deze was echter niet zo sterk als in 2009. In de leeftijdsgroepen 45 tot 55 jaar en 65 tot 75 jaar bleef de participatie onveranderd ten opzichte van 2019.

3.3 Ontwikkeling brutoarbeidsparticipatie (%-punt verandering t.o.v. een jaar eerder)
Jaar 15 tot 25 jaar 25 tot 35 jaar 35 tot 45 jaar 45 tot 55 jaar 55 tot 65 jaar 65 tot 75 jaar
2020 -1,3 0,7 -0,3 0 1 0
2009 -0,3 0,1 0,3 0,4 1,7 1,4

StatLine: Arbeidsdeelname.

Werkzame beroepsbevolking bijna 9,0 miljoen

In 2020 handhaafde de werkzame beroepsbevolking zich vrijwel op het hoge niveau van bijna 9,0 miljoen (2 duizend lager dan in 2019). Dat aantal is overigens niet gelijk aan het aantal werkzame personen dat in hoofdstuk 2 van deze publicatie is vermeld. De werkzame beroepsbevolking omvat namelijk personen van 15 tot 75 jaar in een particulier huishouden die in Nederland wonen en betaald werk hebben, ongeacht in welk land ze werken. Bij de werkzame personen in hoofdstuk 2 wordt iedereen meegeteld die bijdraagt aan de productie in Nederland, ongeacht leeftijd en woonland. Bijlage 2 licht deze verschillen nader toe.

Van de werkzame beroepsbevolking werkte in 2020 vrijwel de helft voltijds. Bij jongeren tot 25 jaar en 65‑plussers was het aandeel voltijders relatief klein. Onder mannen was het aandeel voltijders veel groter (72 procent) dan onder vrouwen (26 procent). Ten opzichte van 2019 is het aandeel voltijdwerkende vrouwen licht gedaald (van 27 naar 26 procent), bij mannen is het aandeel onveranderd gebleven.

3.4 Bevolking, verdeling werkzaam en niet-werkzaam, 2020 (x 1 000)
leeftijd in jaren Werkzaam 35 uur per week of meer (voltijd) Werkzaam 12 tot 35 uur per week Werkzaam < 12 uur per week Niet werkzaam
0 0 0 0 153
1 0 0 0 158
2 0 0 0 167
3 0 0 0 172
4 0 0 0 174
5 0 0 0 183
6 0 0 0 175
7 0 0 0 176
8 0 0 0 180
9 0 0 0 194
10 0 0 0 201
11 0 0 0 195
12 0 0 0 204
13 0 0 0 191
14 0 0 0 197
15 0 7 65 123
16 2 21 91 88
17 4 34 88 80
18 11 45 78 76
19 17 52 64 84
20 27 58 57 80
21 42 61 46 74
22 47 60 39 73
23 63 62 28 63
24 77 60 22 58
25 98 65 16 42
26 112 63 10 38
27 119 66 7 33
28 121 70 7 29
29 125 70 4 29
30 115 70 6 33
31 110 66 4 27
32 115 64 4 28
33 123 75 5 25
34 115 73 6 28
35 100 69 5 27
36 99 73 5 26
37 96 77 4 29
38 99 73 4 31
39 98 77 5 32
40 97 72 5 36
41 95 70 4 29
42 96 73 5 32
43 96 66 5 31
44 97 67 5 33
45 101 70 5 27
46 99 75 6 32
47 113 78 7 33
48 122 82 7 37
49 122 84 7 39
50 126 83 7 44
51 126 88 8 37
52 116 84 7 43
53 117 82 9 42
54 120 78 8 45
55 117 77 8 52
56 118 79 9 48
57 109 80 9 52
58 99 80 8 58
59 93 76 12 59
60 89 66 10 69
61 79 70 9 71
62 64 68 11 80
63 55 58 11 94
64 44 55 11 101
65 36 38 10 122
66 13 18 12 159
67 5 12 12 170
68 4 9 12 169
69 3 7 8 171
70 3 7 10 157
71 2 6 9 170
72 1 3 9 196
73 2 2 6 192
74 0 4 8 158
75 1 2 4 139
76 1 2 2 129
77 1 2 1 127
78 0 1 1 109
79 0 1 3 112
80 0 0 0 96
81 0 1 0 107
82 0 0 0 94
83 0 0 0 71
84 0 0 0 60
85 0 1 0 61
86 0 2 0 53
87 0 0 0 45
88 0 0 0 33
89 0 0 0 25
90 0 0 0 23
91 0 0 0 20
92 0 0 0 10
93 0 0 0 8
94 0 0 0 4
95 0 0 0 7
96 0 0 0 3
97 0 0 0 1
98 0 0 0 1
99 0 0 0 2
100 0 0 0 1

StatLine: Werkzame beroepsbevolking, arbeidsduur, Arbeidsdeelname, jongeren, Arbeidsdeelname, ouderen.

Het deel van de bevolking van 15 tot 75 jaar dat betaald werk heeft, wordt de nettoarbeidsparticipatie genoemd. In 2020 had 68,4 procent van alle 15- tot 75‑jarigen een betaalde baan. Dit is iets lager dan in 2019, toen het percentage nog 68,8 was.

Bij mannen nam de arbeidsdeelname meer af dan bij vrouwen (0,8 tegenover 0,2 procentpunt ten opzichte van 2019). Zowel bij mannen als vrouwen nam de arbeidsdeelname het meest af bij de jongeren. Daarna volgen voor beide geslachten de 35- tot 45‑jarigen. Alleen is in deze leeftijdsgroep bij mannen de daling beduidend groter dan bij vrouwen (–‍1,3 versus 0,3 procentpunt). Een stijging van ruim 1 procentpunt deed zich voor bij zowel mannen als vrouwen in de leeftijd van 55 tot 65 jaar.

3.5 Nettoarbeidsparticipatie, 1970-2020 (%)
Jaar 15 tot 75 jaar 15 tot 25 jaar 25 tot 45 jaar 45 tot 75 jaar
1970 59,1 71,8 67,4 42,6
1971 58,8 70,5 67,8 42,3
1972 58,1 68,9 68,7 40,7
1973 57,9 67,8 69,4 40,0
1974 57,8 66,7 70,3 39,3
1975 57,3 65,6 71,1 37,8
1976 56,9 64,5 71,4 37,1
1977 56,8 64,2 72,0 36,3
1978 56,6 63,8 72,8 35,0
1979 56,8 63,5 73,2 34,9
1980 56,7 63,5 74,0 33,6
1981 56,0 62,3 73,6 32,7
1982 54,9 59,4 72,4 32,5
1983 54,1 58,1 71,5 32,3
1984 53,8 57,5 71,9 31,3
1985 54,1 57,6 72,6 31,0
1986 54,6 58,5 73,4 30,8
1987 55,7 60,0 74,8 30,9
1988 55,8 59,7 74,3 31,8
1989 56,8 60,4 75,7 32,6
1990 57,9 60,9 77,4 33,6
1991 58,3 60,3 77,6 34,7
1992 58,7 60,6 78,5 35,5
1993 58,4 59,0 78,6 35,9
1994 58,5 58,7 78,9 36,4
1995 59,4 58,1 79,9 38,0
1996 60,8 59,6 81,8 38,9
1997 62,0 61,6 82,3 41,0
1998 63,5 61,8 84,3 42,7
1999 64,5 64,3 84,6 44,2
2000 65,3 64,9 85,0 45,8
2001 65,6 65,7 84,8 46,9
2002 65,2 64,3 83,5 48,2
2003 64,2 62,2 82,4 48,3
2004 63,8 59,7 82,5 48,8
2005 64,1 59,3 82,9 49,7
2006 65,0 60,5 84,4 50,3
2007 66,6 63,1 85,9 52,3
2008 67,9 64,3 87,3 53,9
2009 67,6 62,9 86,7 54,7
2010 66,7 60,7 85,7 54,7
2011 66,5 61,3 85,0 55,0
2012 66,4 61,1 84,5 55,6
2013 65,4 60,1 82,9 55,2
2014 64,9 58,8 82,6 55,0
2015 65,4 60,8 83,1 55,4
2016 65,8 60,8 83,5 56,1
2017 66,7 62,3 84,0 57,1
2018 67,8 63,9 85,2 58,1
2019 68,8 65,3 85,7 59,2
2020 68,4 62,5 85,5 59,4

StatLine: Arbeidsdeelname, vanaf 1969.

Oudere vrouwen werken tegenwoordig aanzienlijk vaker dan vroeger

Cijfers over de arbeidsparticipatie per geboortecohort geven een ander perspectief op de ontwikkelingen in arbeidsparticipatie. Tegenwoordig hebben ouderen veel vaker betaald werk dan de ouderen dertig jaar geleden (zie ook StatLine: Nettoarbeidsparticipatie per geboortegeneratie). Dat geldt voor zowel mannen als vrouwen. Bij de jongeren van 25, 35 of 45 jaar ligt de arbeidsdeelname alleen bij vrouwen tegenwoordig hoger. Bij de jongere mannen is deze nagenoeg constant gebleven.

Bij vrouwen van 55 jaar is de stijging naar verhouding erg groot. Van vrouwen van die leeftijd die in de jaren dertig zijn geboren had in de jaren 1985 tot 1990 gemiddeld 27 procent betaald werk, in de jaren 2015 tot 2020 was dat voor 55‑jarige vrouwen die dertig jaar later zijn geboren 72 procent. Ook mannen van 55 jaar hadden, vergeleken met hun leeftijdgenoten van dertig jaar eerder, een hogere arbeidsdeelname (73 tegenover 85 procent). Het verschil was echter niet zo groot als bij de vrouwen.

Arbeidsdeelname naar gemeente

In Limburg behoorden Vaals (54 procent), Kerkrade (58,6 procent), Maastricht (60,1 procent) en Heerlen (60,7 procent) tot de gemeenten met de laagste nettoarbeidsparticipatie in 2020. In de provincie Utrecht, in het bijzonder de gemeenten Utrecht (73,2 procent), Bunschoten (73,4 procent) en Houten (73,9 procent) kwamen hoge cijfers voor, net zoals in Zuid-Holland in de gemeenten Hendrik-Ido-Ambacht (73,3 procent), Zoeterwoude (73,3 procent), Westland (73,6 procent), Pijnacker (73,9 procent) en Lansingerland (75,3 procent. De hoogste arbeidsdeelname in Nederland had de gemeente Urk (in Flevoland) met 76,6 procent.

3.6 Nettoarbeidsparticipatie, naar gemeente, 2020
Gemeentenaam Netto arbeidsparticipatie
Kapelle 71,6
Rozendaal 70,5
Veere 68,1
Borsele 71,4
Bunschoten 73,4
Haaren 71,7
Hilvarenbeek 71,8
Renswoude 74,2
Schouwen-Duiveland 68,1
Tubbergen 72,7
Urk 76,6
Aalten 70,1
Alphen-Chaam 70,1
Altena 71,7
Barneveld 72,9
Bladel 72,2
Buren 71,3
Dalfsen 71,6
Edam-Volendam 70,1
Eersel 71,3
Hardinxveld-Giessendam 72,1
Heerde 69,4
Midden-Delfland 73
Nieuwkoop 71,8
Nunspeet 71,7
Oudewater 71,6
Raalte 72,3
Reusel-De Mierden 70,4
Rijssen-Holten 72
Scherpenzeel 72,3
Staphorst 73,2
Voorst 70,1
Westland 73,6
Westvoorne 68,3
Woudenberg 73,1
Zoeterwoude 73,3
Boekel 73
Bronckhorst 69,1
Bunnik 71,8
Dinkelland 71,1
Drechterland 70,2
Drimmelen 70,8
Goeree-Overflakkee 69,9
Heeze-Leende 69,3
Hellendoorn 70,6
Katwijk 71,9
Koggenland 72,2
Mill en Sint Hubert 70,6
Molenlanden 71,7
Montfoort 72,8
Nederweert 70,8
Oldebroek 70,5
Oost Gelre 71,3
Opmeer 71,5
Putten 71,2
Sint-Michielsgestel 72
Wierden 72
Baarle-Nassau 65,5
Beemster 69,8
Bergeijk 70,5
Castricum 70,2
Eijsden-Margraten 67,8
Elburg 70,6
Gulpen-Wittem 65
Hattem 70,9
Kaag en Braassem 72,7
Landerd 71,3
Langedijk 70,1
Leudal 69
Lopik 71,8
Mook en Middelaar 67,8
Nijkerk 71,7
Noord-Beveland 66,1
Oirschot 70,6
Olst-Wijhe 69,8
Overbetuwe 71,8
Sint Anthonis 71,8
Sluis 64,1
Terschelling 69,3
Tholen 69,3
West Betuwe 71,8
Wijk bij Duurstede 69,9
Zundert 69,9
Zwartewaterland 72,5
Bergen (NH.) 64
Berkelland 69,3
Bernheze 71
Beuningen 70,8
Bodegraven-Reeuwijk 71,6
Borne 70,1
Brielle 70,6
De Ronde Venen 72
De Wolden 69,8
Dongen 71,4
Ermelo 70
Geertruidenberg 71,4
Gemert-Bakel 70,6
Goirle 68,6
Grave 69,7
Haaksbergen 68,9
Hendrik-Ido-Ambacht 73,3
Hoeksche Waard 69,4
Hof van Twente 69,8
Hollands Kroon 70,2
Houten 73,9
Hulst 63,8
Laarbeek 70,3
Lansingerland 75,3
Leusden 70,6
Lingewaard 70,3
Maasdriel 70,8
Meierijstad 71,8
Neder-Betuwe 71,7
Oisterwijk 69,1
Oostzaan 71,2
Peel en Maas 72,4
Reimerswaal 71,2
Rhenen 69,6
Rucphen 66,8
Schagen 69,2
Texel 66,4
Teylingen 72,9
Twenterand 67,9
Uitgeest 73,9
Vijfheerenlanden 70,5
Vught 71,3
West Maas en Waal 69,8
Bergen (L.) 68,1
Blaricum 67,1
Bloemendaal 67,7
Boxmeer 70,7
Druten 71
Eemnes 70,3
Goes 69,3
Heiloo 68,5
Heumen 69,5
Heusden 71,1
Horst aan de Maas 72,7
Krimpenerwaard 68,9
Laren (NH.) 65,4
Lisse 71,5
Lochem 66,9
Loon op Zand 70,9
Medemblik 68,4
Meerssen 65,8
Midden-Drenthe 69
Moerdijk 70
Noordwijk 69,8
Oude IJsselstreek 67
Pijnacker-Nootdorp 73,9
Someren 72
Son en Breugel 71,6
Terneuzen 65,2
Utrechtse Heuvelrug 69,2
Vlieland 71,4
Voerendaal 67,8
Waddinxveen 71,6
Waterland 67,6
Westerveld 65,5
Wijdemeren 68,8
Woerden 71,3
Wormerland 69,3
Zaltbommel 71,9
Aa en Hunze 65,8
Aalsmeer 73,4
Ameland 69,6
Asten 70,3
Beekdaelen 65,7
Best 71,6
Brummen 68,2
Cranendonck 67
De Fryske Marren 70,1
Deurne 70,1
Dronten 71,1
Epe 66,6
Gilze en Rijen 70,8
Halderberge 68,3
Heemstede 68,5
Landsmeer 68,4
Losser 66,7
Maasgouw 65,7
Montferland 67
Nuenen, Gerwen en Nederwetten 68,4
Oegstgeest 70,7
Ommen 68,6
Opsterland 67,9
Papendrecht 69,5
Simpelveld 64,7
Steenbergen 69,9
Steenwijkerland 69,1
Stein (L.) 64,7
Stichtse Vecht 70,3
Tynaarlo 68,5
Veldhoven 71,5
Voorschoten 69,4
Waalre 69,8
Westerkwartier 69,6
Winterswijk 67,6
Zeewolde 73,9
Zuidplas 73
Albrandswaard 71,5
Baarn 67,4
Beek (L.) 66,8
De Bilt 68,1
Enkhuizen 68,5
Harderwijk 70
Het Hogeland 65,8
Hillegom 71,3
Kampen 71,6
Leiderdorp 69
Loppersum 66,1
Middelburg (Z.) 67,9
Noordenveld 67
Noordoostpolder 71,4
Oss 70,7
Renkum 65,7
Roerdalen 64,7
Sliedrecht 69,2
Soest 68,3
Stede Broec 68,1
Veenendaal 70,3
Waalwijk 69
Wijchen 69,1
Barendrecht 71,1
Berg en Dal 66,7
Borger-Odoorn 65,8
Boxtel 69,7
Cuijk 70,1
Duiven 70,7
Echt-Susteren 65,3
Ede 70,2
Gennep 68
Hardenberg 69,5
Heemskerk 68,7
Hellevoetsluis 67,2
Krimpen aan den IJssel 68,5
Noardeast-Fryslân 68,3
Oldenzaal 69,5
Tytsjerksteradiel 68,5
Valkenburg aan de Geul 65,3
Valkenswaard 68,2
Woensdrecht 66,1
Alblasserdam 70,6
Amersfoort 72,6
Beesel 68,1
Coevorden 65,2
Culemborg 70,1
Doetinchem 67,7
Etten-Leur 69,3
Geldrop-Mierlo 69,2
Heerhugowaard 70,4
Huizen 66,3
IJsselstein 70,7
Uden 69,8
Velsen 69,4
Venray 70,1
Alkmaar 68,6
Alphen aan den Rijn 70,4
Beverwijk 69,7
Dantumadiel 66,7
Gooise Meren 68,6
Oosterhout 68,8
Ooststellingwerf 67,7
Ridderkerk 68,3
Schiermonnikoog 65,7
Uithoorn 71,7
Waadhoeke 67,6
Weesp 69,5
Westervoort 68,3
Weststellingwerf 68
Zevenaar 66,8
Achtkarspelen 67,7
Apeldoorn 68,5
Den Helder 64,8
Gorinchem 69,4
Hoogeveen 67,7
Hoorn 68,2
Ouder-Amstel 69,6
's-Hertogenbosch 71,2
Súdwest-Fryslân 67,4
Wassenaar 65
Weert 68,3
Zeist 67,8
Zwolle 71,1
Assen 67,7
Brunssum 62,8
Gouda 68,7
Haarlemmermeer 71,2
Heerenveen 68,8
Hilversum 68,9
Landgraaf 61,5
Meppel 69,9
Nieuwegein 68
Sittard-Geleen 63,9
Westerwolde 60,6
Zandvoort 64,9
Doesburg 62,1
Maassluis 66,9
Stadskanaal 63,5
Vlissingen 65,6
Appingedam 63,6
Breda 69,2
Haarlem 70,1
Harlingen 64,6
Pekela 63,6
Purmerend 67,8
Rheden 65,2
Roosendaal 65,8
Utrecht (gemeente) 73,2
Veendam 64
Zaanstad 67,1
Zutphen 66
Zwijndrecht 67,1
Bergen op Zoom 66,2
Delfzijl 61,7
Deventer 68,4
Leidschendam-Voorburg 67,3
Nissewaard 67,1
Smallingerland 66,7
Tiel 67,5
Amstelveen 69,2
Rijswijk (ZH.) 66,4
Tilburg 69,8
Vlaardingen 66,6
Zoetermeer 66,9
Capelle aan den IJssel 65,7
Hengelo (O.) 66,4
Lelystad 65,6
Oldambt 62,3
Roermond 66,3
Venlo 65,9
Wageningen 67,2
Almelo 64,1
Eindhoven 69
Kerkrade 58,6
Midden-Groningen 63,9
Arnhem 67,7
Dordrecht 65,7
Heerlen 60,7
Leiden 68,1
Almere 69,5
Nijmegen 68,2
Delft 64,3
Diemen 68,7
Emmen 62,4
Helmond 67,9
Schiedam 68,2
Leeuwarden 65,8
Maastricht 60,1
Enschede 63,1
Vaals 54
Amsterdam 68,4
's-Gravenhage (gemeente) 64
Groningen (gemeente) 65,4
Rotterdam 63,3

StatLine: Arbeidsdeelname regionaal.

Mannen- en vrouwenberoepen

Per beroep kan het aandeel mannen of vrouwen dat daarin werkt aanzienlijk verschillen. Technische beroepen zijn typische mannenberoepen: onder elektriciens en elektronicamonteurs en bouwarbeiders en metaalarbeiders, machinemonteurs en vakspecialisten natuur en techniek en productiemachinebedieners (incl. assemblagemedewerkers) lag het aandeel mannen in 2020 niet onder de 80 procent.

Ook waren managers aanzienlijk vaker man. Onder de managersberoepen vallen algemeen directeuren, managers productie en gespecialiseerde dienstverlening, managers met onbekende specialisatie, managers op administratief en commercieel gebied en managers horeca, detailhandel en overige diensten. In deze beroepen varieerde het aandeel mannen tussen de 80 en net onder de 70 procent.

Zorg- en welzijnsberoepen zijn typische vrouwenberoepen. Verzorgenden, leidsters kinderopvang en onderwijsassistenten, vakspecialisten gezondheidszorg en specialisten op maatschappelijk gebied, telden een vrouwenaandeel in 2020 vanaf net iets onder de 80 procent en hoger. Bij schoonmakers en keukenhulpen; artsen, therapeuten en gespecialiseerd verpleegkundigen; en sociaal werkers, groeps- en woonbegeleiders was dat tussen de 80 en net onder de 70 procent.

3.7 Beroepsgroepen met grootste aandeel mannen, 2020 (%)
Beroepsgoepen Aandeel mannen
Elektriciens en elektronicamonteurs 97,8
Bouwarbeiders 97,6
Metaalarbeiders, machinemonteurs 97,1
Bestuurders voertuigen 91,5
Vakspecialisten natuur en techniek 87,2
Vakspecialisten ICT 84,3
Specialisten ICT 83,8
Algemeen directeuren 83,3
Productiemachinebedieners 81,7
Tuiners, akkerbouwers en veetelers 81,4
3.8 Beroepsgroepen met grootste aandeel vrouwen, 2020 (%)
Beroepsgroep Aandeel vrouwen
Verzorgenden 92,4
Leidsters kinderopvang
en onderwijsassistenten
90,8
Vakspecialisten gezondheidszorg 78,5
Specialisten op
maatschappelijk gebied
77,8
Sociaal werkers,
groeps- en woonbegeleiders
76,6
Artsten, therapeuten en
gespecialiseerd verpleegkundigen
72,6
Schoonmakers en
keukenhulpen
67,5
Docenten 65,6
Verkopers 62,0
Medewerkers persoonlijke
dienstverlening
60,5

StatLine: Werkzame beroepsbevolking, beroep.

Steeds meer ouderen aan het werk

In tien jaar is het aantal werkende zestigers gestegen van ruim 490 duizend in 2010 naar iets meer dan 900 duizend in 2020. Deze toename is voor een deel toe te schrijven aan demografische ontwikkelingen: het aantal mensen in deze leeftijdsgroep is groter geworden. Maar ook de toegenomen participatie van ouderen in de afgelopen jaren heeft hieraan bijgedragen. Steeds meer ouderen werken door en tot op een hogere leeftijd.

Het totaal aantal zestigers is de laatste tien jaar toegenomen van bijna 1,9 miljoen naar 2,1 miljoen. Terwijl in 2010 bijna 27 procent van de zestigers betaald werk had, was dat in 2020 bijna 43 procent. Van de 60- tot 65‑jarigen werkte bijna 63 procent, terwijl dat tien jaar eerder 37 procent was. Van de 65- tot 70‑jarigen had 20 procent betaald werk in 2020.

Niet alleen nam de arbeidsdeelname toe, werkende zestigers hadden ook vaker een voltijdbaan. In 2010 had 42 procent van de 60- tot 65‑jarigen met betaald werk een voltijdbaan van 35 uur of meer per week, in 2020 was dat 47 procent. Bij de 65- tot 70‑jarigen bedroeg het aandeel met een voltijdbaan 20 procent in 2010 en 31 procent in 2020.

De gemiddelde pensioenleeftijd van werknemers is in 2020 verder gestegen naar 65 jaar en 6 maanden, dat is 5 maanden meer dan een jaar eerder. Tien jaar eerder gingen werknemers gemiddeld met 62 jaar en 8 maanden met pensioen. Zie ook: Meer werknemers met pensioen gegaan in 2020.

3.9 Zestigers met betaald werk (x 1 000)
Jaar Leeftijd Minder dan 12 uur per week 12 tot 20 uur per week 20 tot 35 uur per week 35 uur per week of meer (voltijd)
2010 60 tot 65 jaar, 2010 66 44 119 169
2010 65 tot 70 jaar, 2010 37 15 22 19
2020 60 tot 65 jaar, 2020 53 64 253 332
2020 65 tot 70 jaar, 2020 54 22 61 62

StatLine: Arbeidsdeelname, ouderen.

Meer vaste werknemers

In 2020 waren er 7,4 miljoen werknemers. De meeste, 5,7 miljoen, hadden een vaste arbeidsrelatie, dat wil zeggen een contract voor onbepaalde tijd en een vast aantal uren per week. De stijgende trend in het aantal vaste werknemers sinds 2016 werd ook in 2020 voortgezet.

De daling van het aantal werknemers met een flexibele arbeidsrelatie, die in 2019 begon, zette zich in 2020 sterker voort. Deze ontwikkeling volgt op een jarenlange periode van ononderbroken stijging. In 2020 hadden 1,7 miljoen werknemers een flexibele arbeidsrelatie, 206 duizend minder dan een jaar eerder. De rest van de werkenden, ruim 1,5 miljoen, verrichtte geen arbeid in loondienst, maar werkte voor eigen rekening of risico. De meesten van hen waren zzp’er.

3.10 Werkzame beroepsbevolking1) (15 tot 75 jaar) (x 1 000)
Jaar Zelfstandigen met personeel Zelfstandigen zonder personeel Werknemers flexibele arbeidsrelatie Werknemers vaste arbeidsrelatie
2009 341 843 1431 5703
2010 331 865 1450 5585
2011 322 875 1471 5560
2012 321 906 1556 5501
2013 320 957 1639 5309
2014 325 988 1688 5172
2015 316 1022 1767 5143
2016 338 1028 1841 5158
2017 342 1055 1948 5206
2018 349 1074 1970 5352
2019 344 1101 1923 5552
2020 348 1148 1717 5704
1)Exclusief meewerkende gezinsleden.

StatLine: Werkzame beroepsbevolking, positie in de werkkring.

Vast en flexibel werk: verschillen in uitkomsten

De gegevens over de arbeidsrelatie van werknemers zijn gebaseerd op de Enquête beroepsbevolking (EBB). Daarnaast publiceert het CBS op basis van de Statistiek werkgelegenheid en lonen (SWL) over banen van werknemers, waarbij eveneens onderscheid wordt gemaakt tussen vast en flex. Tot de flexibele banen van werknemers worden gerekend alle banen met een contract voor bepaalde tijd en bovendien alle stagiairs, uitzendkrachten en oproepkrachten. De overige banen zijn ‘vast’.

Vanaf 2018 tot en met de eerste helft van 2019 liepen de schattingen van de ontwikkelingen van het aantal en aandeel vaste en flexibele werknemers op basis van de twee verschillende bronnen uiteen. Anders dan de EBB laat de SWL tot medio 2019 geen toename van het percentage vaste banen zien. Tot 2019 nam het percentage vaste banen volgens de SWL af en gedurende de eerste helft van 2019 bleef het vrijwel stabiel. Sinds de tweede helft van 2019 laten zowel EBB als SWL een toename zien.

Het CBS is bezig de verschillen tussen EBB en SWL te onderzoeken. Uit de voorlopige resultaten voor de 25- tot 55‑jarigen van 2016–2018 blijkt dat de verschillen tussen de meting van het soort arbeidsrelatie verklaard kunnen worden door onnauwkeurigheden in zowel de EBB als de SWL. In beide bronnen wordt het grootste aantal onnauwkeurigheden gevonden bij de werknemers die volgens het in het onderzoek gebruikte model een flexibele arbeidsrelatie hebben.

De komende periode wordt onderzocht in hoeverre de voorlopige resultaten worden bevestigd als ook de omvang van de onnauwkeurigheden voor 15- tot 25‑jarigen en 55 tot 75‑jarigen wordt geschat. Voor meer informatie, zie de publicatie Verschillen tussen schattingen van flexibele en vaste arbeidsrelaties.

3.11 Verandering samenstelling werkzame beroepsbevolking, 2020 t.o.v. 2019 (x 1 000)
Verandering
Totaal -2
.
Geslacht .
Mannen -11
Vrouwen 9
Leeftijd .
15 tot 25 jaar -53
25 tot 35 jaar 27
35 tot 45 jaar -4
45 tot 55 jaar -35
55 tot 65 jaar 56
65 tot 75 jaar 7
Positie werkkring .
Werknemer -54
Zelfstandige 53
Arbeidsduur .
< 12 uur 13
12 tot 20 uur -27
20 tot 35 uur 53
>= 35 uur -41

StatLine: Werkzame beroepsbevolking, positie in de werkkring.

2,7 miljoen flexwerkers

In 2020 waren er 2,7 miljoen flexwerkers (15 tot 75 jaar) in Nederland. Het aantal flexwerknemers is sinds 2003 toegenomen van 1,1 miljoen naar 1,7 miljoen. Ten opzichte van 2019, toen er nog 1,9 miljoen flexwerknemers waren, is sprake van een daling. Het aantal flexibele werknemers daalde ongeveer 11 procent in het coronacrisisjaar, terwijl het totale aantal werknemers nog geen procent daalde.

Het aantal zzp’ers groeide van ruim 630 duizend in 2003 naar ruim 1,1 miljoen in 2020. De meeste (933 duizend) bieden eigen arbeid of diensten aan. De rest van de zzp’ers verkoopt producten. Daarmee is zzp-eigen arbeid de meest voorkomende flexvorm, gevolgd door de oproepkracht (509 duizend). De flexvormen die tussen 2003 en 2020 naar verhouding het meest zijn toegenomen, zijn de oproepkrachten, werknemers met een vast contract zonder vaste uren en de tijdelijke werknemers zonder vaste uren.

Deze infographic toont de verschillende arbeidsrelaties die het CBS hanteert bij het maken van statistieken. Tot degenen met een vaste arbeidsrelaties worden gerekend werknemers met een vast contract, zelfstandigen met personeel en meewerkende gezinsleden. Tot degenen met een flexibele arbeidsrelatie (flexwerkers) worden gerekend flexibele werknemers en zelfstandigen zonder personeel. Bij flexibele werknemers, of flexwerknemers, wordt onderscheid gemaakt tussen werknemers met een vast contract, zonder vaste uren; werknemers met uitzicht op vast; werknemers die korter dan een jaar in dienst zijn; werknemers die een jaar of langer in dienst zijn; uitzendkrachten; oproep/invalkrachten en werknemers met een tijdelijk contract zonder vaste uren. Flexibel 3.12 Overzicht van arbeidsrelaties Vast - geen vaste uren Uitzicht op vast Jaar of langer Vast Korter dan een jaar Uitzendkracht Tijdelijk - geen vaste uren Oproep-/invalkracht Werknemer Zonder personeel (zzp) Met personeel Zzp-eigen arbeid Zelfstandige Flexibel Meewerkend gezinslid Zzp-producten
3.13 Ontwikkeling flexwerkers (x 1 000)
2020 2003
Werknemer
tijdelijk >= 1 jaar
151 102
Werknemer vast,
geen vaste uren
120 67
Werknemer
tijdelijk < 1 jaar
166 162
Werknemer tijdelijk,
geen vaste uren
211 118
Uitzendkracht 211 185
Werknemer tijdelijk,
uitzicht op vast
349 200
Oproep/-invalkracht 509 258
Zelfstandige zonder
personeel (zzp)
1148 634

StatLine: Werkzame beroepsbevolking, positie in de werkkring.

Het Dossier flexwerk geeft een actueel beeld van flexwerk in Nederland.

Toename zelfstandigen zonder personeel

In 2020 nam, net als in de voorafgaande jaren, het aantal zelfstandigen zonder personeel toe. Dat jaar telde Nederland ruim 1,1 miljoen zelfstandigen zonder personeel, drie kwart van alle mensen die in hun voornaamste werkkring als zelfstandige werkten. Een zelfstandige zonder personeel is iemand die arbeid verricht voor eigen rekening of risico en geen mensen in dienst heeft. Dat kan in een eigen bedrijf of praktijk zijn, of als directeur-grootaandeelhouder. Overige zelfstandigen, zoals freelancers, worden ook tot de zelfstandigen zonder personeel gerekend. Van de zelfstandigen zonder personeel bood 81 procent vooral eigen arbeid of diensten aan, terwijl 19 procent vooral producten verkocht of grondstoffen aanbood.

In 2020 was van de zelfstandigen zonder personeel 60 procent man. Dit is minder dan in 2003, toen nog 65 procent man was. Zelfstandigen zonder personeel waren gemiddeld ouder dan werknemers: 59 procent was 45 tot 75 jaar, tegen 41 procent van de werknemers. In 2003 lagen deze percentages een stuk lager, toch was ook toen het verschil 18 procentpunt (49 tegen 31 procent). Ook waren hoogopgeleiden oververtegenwoordigd. Van de zelfstandigen zonder personeel was 48 procent hoogopgeleid, tegen 40 procent van de werknemers (in 2003: 32 en 26 procent).

StatLine: Werkzame beroepsbevolking, positie in de werkkring, Werkzame beroepsbevolking, bedrijf.

Vanuit de Inkomensstatistiek worden eveneens uitkomsten gepubliceerd over het aantal zzp’ers en over hun inkomen en vermogen, zie StatLine: Zelfstandigen; inkomen, vermogen, kenmerken.

Het Dossier zzp geeft een actueel beeld van zzp’ers in Nederland.

Meer ‘grote’, minder ‘kleine’ anderhalfverdieners

In 2020 waren er 3,3 miljoen paren waarvan één of beide partners werkten. Anderhalfverdieners, waarbij de ene partner voltijds (35 uur of meer) en de andere in deeltijd werkt, is het verdienerstype dat bij deze stellen het meest voorkomt. Van de paren met een of twee werkende partners was 36 procent een ‘grote’ anderhalfverdiener. In 2003 lag dit percentage nog op 27. Steeds vaker gaat het om ‘grote’ anderhalfverdieners, waarbij de deeltijder 20 tot 35 uur per week werkt. Tegelijkertijd daalde het aandeel ‘kleine’ anderhalfverdieners, met een partner in een deeltijdbaan van minder dan 20 uur per week, van 20 naar 11 procent. Ook het percentage eenverdieners was in 2020 (26 procent) aanzienlijk lager dan in 2003 (34 procent).

StatLine: Arbeidsdeelname, paren.

Lichte toename thuiswerkers; beeld naar beroep divers

De mate van thuiswerken in het coronacrisisjaar ten opzichte van 2019 laat duidelijk verschillen per beroep zien. Uit cijfers van het CBS over het tweede kwartaal van 2020, de periode van de eerste lockdown, blijkt dat het aandeel thuiswerkers onder werknemers met een ICT-beroep was verdubbeld naar ruim 40 procent bij vergelijking met hetzelfde kwartaal een jaar eerder. Werknemers met een ICT-beroep werkten hiermee van alle beroepsklassen het vaakst (deels) vanuit huis.

Managers, werknemers met een creatief of taalkundig beroep, en werknemers met een pedagogisch beroep verrichten ook relatief vaak werk vanuit huis. Maar bij managers en werknemers met een pedagogisch beroep is het niveau in vergelijking met hetzelfde kwartaal een jaar eerder vrijwel gelijk gebleven. In de creatieve en taalkundige beroepen is wel een groter deel van de werknemers (ook) thuis gaan werken in het tweede kwartaal.

Daartegenover staan werknemers in beroepen die zich minder lenen voor thuiswerk, zoals dienstverlening, transport en logistiek, of agrarische beroepen. Zowel voor als tijdens de coronacrisis werkten zij relatief weinig vanuit huis. Zie ook: ICT’ers werken vaakst vanuit huis tijdens coronacrisis.

Bovengenoemde cijfers zijn gebaseerd op de antwoorden op de vraag aan werknemers of ze de voorafgaande week werk mee naar huis hebben genomen. Behalve naar het thuiswerken in een specifieke week, wordt ook gevraagd of werknemers gewoonlijk of incidenteel thuiswerken. In 2020 nam vooral het incidenteel thuiswerken toe.

StatLine: Werkzame beroepsbevolking, thuiswerken.

Jongeren zonder startkwalificatie zonder werk

Van de 167 duizend jongeren van 15 tot 27 jaar die zonder startkwalificatie het onderwijs hebben verlaten, hadden 67 duizend geen werk in 2020. Dat is 40 procent. Dat zijn er relatief veel, vergeleken met de jongeren die wel een startkwalificatie hebben. Van de 635 duizend jongeren die geen onderwijs meer volgden en een startkwalificatie hadden, hadden 77 duizend jongeren vorig jaar geen werk (12 procent).

StatLine: Arbeidsdeelname, jongeren (15 tot 27 jaar).

Werkloosheid in 2020 voor het eerst weer toegenomen

In 2020 steeg het werkloosheidspercentage voor het eerst (met 0,4 procentpunt) weer na vijf jaren continu te zijn gedaald. In 2015 daalde de werkloosheid met 0,5 procentpunt, in de jaren daarna tot 2019 jaarlijks ongeveer 1 procentpunt en in 2019 0,4 procentpunt. Het beeld is enigszins vergelijkbaar met 2009, toen de werkloosheid ook steeg (0,7 procentpunt), na een periode jaar op jaar te zijn gedaald (in 2006: –‍0,9 procentpunt; in 2007: –‍0,8 procentpunt en in 2008: –‍0,5 procentpunt). Het werkloosheidspercentage was in 2020 met 3,8 procent wel lager dan in 2009, toen 4,4 procent van de beroepsbevolking werkloos was.

Met 357 duizend lag het aantal werklozen in 2020 43 duizend hoger dan in 2019, maar bleef nog 24 duizend onder het niveau van 2009. Het aantal werkloze mannen bevond zich in 2020 op hetzelfde niveau als in 2009, zodat het lagere cijfer in 2020 alleen voor vrouwen van toepassing was. Voor de tienjaarsleeftijdsgroepen met uitzondering van de 25- tot 35‑jarigen, de 55- tot 65‑jarigen en de 65- tot 75‑jarigen was het aantal werklozen lager. Dat gold ook voor het aantal werklozen met een lage en middelbare opleiding, het aantal hoogopgeleide werklozen lag echter in 2020 maar liefst 26 duizend hoger.

Werkloosheid naar gemeente

In de top vier van gemeenten met de hoogste werkloosheidspercentages kwamen drie van de vier grootste steden van Nederland voor. In Amsterdam was 5,3 procent van de beroepsbevolking werkloos, in Rotterdam 5,8 procent en in Den Haag 5,4 procent. In Utrecht –‍ de vierde grootste stad van Nederland – lag het percentage op 4,0. De gemeenten Vaals en Maastricht vertoonden naast een lage nettoarbeidsparticipatie ook een hoge werkloosheid, namelijk 5,1 en 4,8 procent.

In Zeeland, de provincie met het laagste werkloosheidspercentage, hadden de gemeenten Kapelle (2,5 procent), Veere (2,5 procent) en Borsele (2,6 procent) de laagste werkloosheidspercentages.

3.14 Werkloosheidspercentage naar gemeente, 2020
Gemeentenaam Beroepsbevolking|Werkloosheidspercentage
Aa en Hunze 3,2
Aalsmeer 3,2
Aalten 2,7
Achtkarspelen 3,7
Alblasserdam 3,5
Albrandswaard 3,3
Alkmaar 3,6
Almelo 4,4
Almere 4,6
Alphen aan den Rijn 3,6
Alphen-Chaam 2,7
Altena 2,7
Ameland 3,2
Amersfoort 3,5
Amstelveen 4,2
Amsterdam 5,3
Apeldoorn 3,7
Appingedam 4,0
Arnhem 4,5
Assen 3,8
Asten 3,2
Baarle-Nassau 2,9
Baarn 3,3
Barendrecht 3,4
Barneveld 2,7
Beek (L.) 3,3
Beekdaelen 3,2
Beemster 2,9
Beesel 3,5
Berg en Dal 3,4
Bergeijk 2,9
Bergen (L.) 3,1
Bergen (NH.) 3,0
Bergen op Zoom 4,1
Berkelland 3,0
Bernheze 3,0
Best 3,2
Beuningen 3,0
Beverwijk 3,6
Bladel 2,7
Blaricum 3,1
Bloemendaal 3,1
Bodegraven-Reeuwijk 3,0
Boekel 2,8
Borger-Odoorn 3,4
Borne 3,0
Borsele 2,6
Boxmeer 3,1
Boxtel 3,4
Breda 4,0
Brielle 3,0
Bronckhorst 2,8
Brummen 3,2
Brunssum 3,8
Bunnik 2,8
Bunschoten 2,6
Buren 2,7
Capelle aan den IJssel 4,3
Castricum 2,9
Coevorden 3,5
Cranendonck 3,2
Cuijk 3,4
Culemborg 3,5
Dalfsen 2,7
Dantumadiel 3,6
De Bilt 3,3
De Fryske Marren 3,2
De Ronde Venen 3,0
De Wolden 3,0
Delft 4,7
Delfzijl 4,1
Den Helder 3,7
Deurne 3,2
Deventer 4,1
Diemen 4,7
Dinkelland 2,8
Doesburg 3,9
Doetinchem 3,5
Dongen 3,0
Dordrecht 4,5
Drechterland 2,8
Drimmelen 2,8
Dronten 3,2
Druten 3,1
Duiven 3,4
Echt-Susteren 3,4
Edam-Volendam 2,7
Ede 3,4
Eemnes 3,1
Eersel 2,7
Eijsden-Margraten 2,9
Eindhoven 4,4
Elburg 2,9
Emmen 4,7
Enkhuizen 3,3
Enschede 4,9
Epe 3,2
Ermelo 3,0
Etten-Leur 3,5
Geertruidenberg 3,0
Geldrop-Mierlo 3,5
Gemert-Bakel 3,0
Gennep 3,4
Gilze en Rijen 3,2
Goeree-Overflakkee 2,8
Goes 3,1
Goirle 3,0
Gooise Meren 3,6
Gorinchem 3,7
Gouda 3,8
Grave 3,0
Groningen (gemeente) 5,5
Gulpen-Wittem 2,9
Haaksbergen 3,0
Haaren 2,6
Haarlem 4,0
Haarlemmermeer 3,8
Halderberge 3,2
Hardenberg 3,4
Harderwijk 3,3
Hardinxveld-Giessendam 2,7
Harlingen 4,0
Hattem 2,9
Heemskerk 3,4
Heemstede 3,2
Heerde 2,7
Heerenveen 3,8
Heerhugowaard 3,5
Heerlen 4,5
Heeze-Leende 2,8
Heiloo 3,1
Hellendoorn 2,8
Hellevoetsluis 3,4
Helmond 4,7
Hendrik-Ido-Ambacht 3,0
Hengelo (O.) 4,3
Het Hogeland 3,3
Heumen 3,1
Heusden 3,1
Hillegom 3,3
Hilvarenbeek 2,6
Hilversum 3,8
Hoeksche Waard 3,0
Hof van Twente 3,0
Hollands Kroon 3,0
Hoogeveen 3,7
Hoorn 3,7
Horst aan de Maas 3,1
Houten 3,0
Huizen 3,5
Hulst 3,0
IJsselstein 3,5
Kaag en Braassem 2,9
Kampen 3,3
Kapelle 2,5
Katwijk 2,8
Kerkrade 4,4
Koggenland 2,8
Krimpen aan den IJssel 3,4
Krimpenerwaard 3,1
Laarbeek 3,0
Landerd 2,9
Landgraaf 3,8
Landsmeer 3,2
Langedijk 2,9
Lansingerland 3,0
Laren (NH.) 3,1
Leeuwarden 4,8
Leiden 4,5
Leiderdorp 3,3
Leidschendam-Voorburg 4,1
Lelystad 4,3
Leudal 2,9
Leusden 3,0
Lingewaard 3,0
Lisse 3,1
Lochem 3,1
Loon op Zand 3,1
Lopik 2,9
Loppersum 3,3
Losser 3,2
Maasdriel 3,0
Maasgouw 3,2
Maassluis 3,9
Maastricht 4,8
Medemblik 3,1
Meerssen 3,1
Meierijstad 3,0
Meppel 3,8
Middelburg (Z.) 3,3
Midden-Delfland 2,7
Midden-Drenthe 3,1
Midden-Groningen 4,4
Mill en Sint Hubert 2,8
Moerdijk 3,1
Molenlanden 2,8
Montferland 3,2
Montfoort 2,8
Mook en Middelaar 2,9
Neder-Betuwe 3,0
Nederweert 2,8
Nieuwegein 3,8
Nieuwkoop 2,7
Nijkerk 2,9
Nijmegen 4,6
Nissewaard 4,1
Noardeast-Fryslân 3,4
Noord-Beveland 2,9
Noordenveld 3,3
Noordoostpolder 3,3
Noordwijk 3,1
Nuenen, Gerwen en Nederwetten 3,2
Nunspeet 2,7
Oegstgeest 3,2
Oirschot 2,9
Oisterwijk 3,0
Oldambt 4,3
Oldebroek 2,8
Oldenzaal 3,4
Olst-Wijhe 2,9
Ommen 3,2
Oost Gelre 2,8
Oosterhout 3,6
Ooststellingwerf 3,6
Oostzaan 3,0
Opmeer 2,8
Opsterland 3,2
Oss 3,3
Oude IJsselstreek 3,1
Ouder-Amstel 3,7
Oudewater 2,7
Overbetuwe 2,9
Papendrecht 3,2
Peel en Maas 3,0
Pekela 4,0
Pijnacker-Nootdorp 3,1
Purmerend 4,0
Putten 2,8
Raalte 2,7
Reimerswaal 3,0
Renkum 3,3
Renswoude 2,6
Reusel-De Mierden 2,7
Rheden 4,0
Rhenen 3,0
Ridderkerk 3,6
Rijssen-Holten 2,7
Rijswijk (ZH.) 4,2
Roerdalen 3,3
Roermond 4,3
Roosendaal 4,0
Rotterdam 5,8
Rozendaal 2,5
Rucphen 3,0
Schagen 3,0
Scherpenzeel 2,7
Schiedam 4,7
Schiermonnikoog 3,6
Schouwen-Duiveland 2,6
's-Gravenhage (gemeente) 5,4
's-Hertogenbosch 3,7
Simpelveld 3,2
Sint Anthonis 2,9
Sint-Michielsgestel 2,8
Sittard-Geleen 3,8
Sliedrecht 3,3
Sluis 2,9
Smallingerland 4,1
Soest 3,3
Someren 3,1
Son en Breugel 3,1
Stadskanaal 3,9
Staphorst 2,7
Stede Broec 3,3
Steenbergen 3,2
Steenwijkerland 3,2
Stein (L.) 3,2
Stichtse Vecht 3,2
Súdwest-Fryslân 3,7
Terneuzen 3,1
Terschelling 2,9
Texel 3,0
Teylingen 3,0
Tholen 2,9
Tiel 4,1
Tilburg 4,2
Tubbergen 2,6
Twenterand 3,0
Tynaarlo 3,2
Tytsjerksteradiel 3,4
Uden 3,5
Uitgeest 3,0
Uithoorn 3,6
Urk 2,6
Utrecht (gemeente) 4,0
Utrechtse Heuvelrug 3,1
Vaals 5,1
Valkenburg aan de Geul 3,4
Valkenswaard 3,4
Veendam 4,0
Veenendaal 3,3
Veere 2,5
Veldhoven 3,2
Velsen 3,5
Venlo 4,3
Venray 3,5
Vijfheerenlanden 3,0
Vlaardingen 4,2
Vlieland 3,1
Vlissingen 3,9
Voerendaal 3,1
Voorschoten 3,2
Voorst 2,7
Vught 3,0
Waadhoeke 3,6
Waalre 3,2
Waalwijk 3,3
Waddinxveen 3,1
Wageningen 4,3
Wassenaar 3,7
Waterland 3,1
Weert 3,7
Weesp 3,6
West Betuwe 2,9
West Maas en Waal 3,0
Westerkwartier 3,2
Westerveld 3,1
Westervoort 3,6
Westerwolde 3,8
Westland 2,7
Weststellingwerf 3,6
Westvoorne 2,7
Wierden 2,8
Wijchen 3,3
Wijdemeren 3,1
Wijk bij Duurstede 2,9
Winterswijk 3,2
Woensdrecht 3,4
Woerden 3,1
Wormerland 3,1
Woudenberg 2,7
Zaanstad 4,0
Zaltbommel 3,1
Zandvoort 3,8
Zeewolde 3,2
Zeist 3,7
Zevenaar 3,6
Zoetermeer 4,2
Zoeterwoude 2,7
Zuidplas 3,2
Zundert 2,9
Zutphen 4,0
Zwartewaterland 2,9
Zwijndrecht 4,0
Zwolle 3,7

StatLine: Arbeidsdeelname regionaal.

Een op de vier langdurig werkloos in 2020

In 2020 waren 84 duizend werklozen 12 maanden of meer werkloos. Dat is ongeveer een kwart van alle werklozen in 2020. Sinds 2011 is het aandeel langdurig werklozen nog niet zo laag geweest. Tot en met 2019 lag het aandeel langdurig werklozen jaarlijks tussen de 30 en ruim 40 procent.

Oudere werklozen zijn vaker langdurig werkloos dan jongere. Bij jongeren van 15 tot 25 jaar was 8 procent langdurig werkloos in 2020. In iedere opeenvolgende tienjaarsleeftijdsklasse lag het aandeel grofweg zo’n 10 procentpunt hoger. In de leeftijdsklasse 65 tot 75 jaar was bijna 60 procent langdurig werkloos. Onder hoogopgeleide werklozen was het aandeel dat langdurig werkloos was hoger dan bij middelbaar en laagopgeleide werklozen (27, 23 en 20 procent).

StatLine: Werkloze beroepsbevolking, werkloosheidsduur.

3.15 Samenstelling werkloze beroepsbevolking (x 1 000)
2020 2010
Geslacht . .
Mannen 184 213
Vrouwen 173 222
. .
Leeftijd . .
15 tot 25 jaar 133 152
25 tot 35 jaar 71 72
35 tot 45 jaar 54 78
45 tot 55 jaar 45 78
55 tot 65 jaar 47 52
65 tot 75 jaar 7 3
. .
Onderwijsniveau . .
Laag 120 182
Middelbaar 135 165
Hoog 97 83

StatLine: Arbeidsdeelname.

Conjunctuurgecorrigeerde werkloosheid

Vergelijkbaar met de seizoengecorrigeerde werkloosheid heeft het CBS een tijdreeks van de conjunctuurgecorrigeerde werkloosheid samengesteld. In deze reeks is de werkloosheid gecorrigeerd voor schommelingen die het gevolg zijn van de conjunctuur. De cijfers zijn schattingen, gebaseerd op de reeks 1800–2020. De resultaten worden getoond voor de periode 1970–2020. 

De conjunctuurgecorrigeerde werkloosheid bestaat uit een trend en een langcyclische component. Op basis van de reeks 1800–2020 is de trend geschat. Deze is constant en ligt op 4,2 procent van de beroepsbevolking. De langcyclische component heeft een lengte van ongeveer 17,5 jaar.

Het verloop van de conjunctuurgecorrigeerde werkloosheid in de afgelopen halve eeuw wordt gekenmerkt door perioden met afwisselend een stijging (1970–1985), een daling (1986–2002), opnieuw een stijging (2003–2014) en weer een daling (2015–2020). De conjunctuurgecorrigeerde werkloosheid is vanaf 1977 gelijk of groter dan de trend van 4,2 procent. In 2020 was de conjunctuurgecorrigeerde werkloosheid gelijk aan de trend.

De uitkomsten van de conjunctuurgecorrigeerde werkloosheid dragen een voorlopig karakter. Zij zijn onderdeel van een lopend onderzoeksproject. Na afronding van het project wordt besloten of en zo ja, in welke vorm het CBS regulier gaat publiceren over de componenten van werkloosheid.

3.16 Werkloosheid (% van beroepsbevolking)
Jaar Werkloosheid Conjunctuurgecorrigeerde werkloosheid Trend Lange cyclus
1970 1,6 2,2 4,2 -2,0
1971 2,0 2,4 4,2 -1,9
1972 2,9 2,7 4,2 -1,5
1973 2,9 2,9 4,2 -1,4
1974 3,3 3,2 4,2 -1,0
1975 4,2 3,6 4,2 -0,7
1976 4,6 3,9 4,2 -0,3
1977 4,3 4,3 4,2 0,0
1978 4,4 4,7 4,2 0,5
1979 4,6 5,2 4,2 1,0
1980 4,5 5,6 4,2 1,3
1981 5,6 6,2 4,2 2,0
1982 7,4 6,9 4,2 2,7
1983 9,0 7,4 4,2 3,2
1984 8,8 7,6 4,2 3,4
1985 8,2 7,7 4,2 3,4
1986 7,5 7,6 4,2 3,3
1987 7,2 7,4 4,2 3,1
1988 7,3 7,2 4,2 2,9
1989 6,7 6,8 4,2 2,6
1990 6,1 6,6 4,2 2,4
1991 5,8 6,5 4,2 2,3
1992 5,8 6,4 4,2 2,2
1993 6,6 6,4 4,2 2,2
1994 7,3 6,4 4,2 2,1
1995 7,0 6,1 4,2 1,8
1996 6,5 5,7 4,2 1,5
1997 5,9 5,4 4,2 1,1
1998 4,7 4,9 4,2 0,7
1999 4,1 4,7 4,2 0,4
2000 3,6 4,4 4,2 0,2
2001 3,3 4,2 4,2 0,0
2002 3,9 4,2 4,2 0,0
2003 4,8 4,3 4,2 0,1
2004 5,7 4,4 4,2 0,1
2005 5,9 4,5 4,2 0,2
2006 5,0 4,5 4,2 0,3
2007 4,2 4,6 4,2 0,4
2008 3,7 4,6 4,2 0,4
2009 4,4 5,0 4,2 0,8
2010 5,0 5,3 4,2 1,1
2011 5,0 5,5 4,2 1,3
2012 5,8 5,8 4,2 1,6
2013 7,3 6,1 4,2 1,9
2014 7,4 6,1 4,2 1,9
2015 6,9 5,9 4,2 1,7
2016 6,0 5,6 4,2 1,4
2017 5,1 5,2 4,2 1,0
2018 3,8 4,7 4,2 0,5
2019 3,4 4,4 4,2 0,1
2020 3,8 4,2 4,2 0,0

Zie ook Statische Trends: Componenten van werkloosheid.

Kwalitatieve en kwantitatieve werkloosheid

Als resultaat van het nog lopende onderzoeksproject heeft het CBS ook cijfers samengesteld van de zogenaamde kwantitatieve en kwalitatieve werkloosheid. Voor de schattingen zijn ook hier de jaarcijfers in de periode 1800–2020 gebruikt.

De kwantitatieve werkloosheid betreft de werkloosheid vanwege een tekort aan banen. De kwalitatieve werkloosheid houdt verband met een gebrekkige aansluiting van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Beide componenten tellen op tot de totale werkloosheid.

De kwantitatieve werkloosheid wordt gemeten als het verschil tussen het aantal werklozen en het aantal openstaande vacatures, of anders gezegd: dat gedeelte van de werkloosheid dat overblijft als alle openstaande vacatures zouden zijn vervuld.

Stel: er zijn 100 werklozen en 60 vacatures. Dan is strikt genomen voor 60 werklozen een arbeidsplaats beschikbaar. Maar door een gebrekkige aansluiting tussen de gevraagde en aangeboden kwalificaties kunnen deze 60 vacatures niet worden opgevuld. De vacatures zijn door de werklozen die beschikbaar zijn niet te vervullen, bijvoorbeeld omdat zij hiervoor niet de kennis en vaardigheden hebben. Daarom wordt gezegd dat voor 60 van de 100 werklozen kwalitatieve werkloosheid geldt. Voor de overige 40 werklozen schiet het aantal beschikbare banen tekort en is helemaal geen arbeidsplaats beschikbaar. Zij zijn kwantitatief werkloos. De kwalitatieve werkloosheid wordt dus gemeten als het aantal openstaande vacatures. De kwantitatieve werkloosheid wordt gemeten aan het verschil tussen het aantal werklozen en het aantal vacatures.

Uit het verloop van de kwantitatieve werkloosheid (conjunctuurgecorrigeerd) valt het belang van het tekort aan banen in de loop van de tijd af te leiden. De ontwikkeling volgt nagenoeg die van de totale conjunctuurgecorrigeerde werkloosheid. De periode 1970–1984 wordt gekenmerkt door een voortdurende stijging van kwantitatieve werkloosheid, hetzelfde geldt voor de periode 2005–2013. In de tussenliggende periode en over het tijdvak tot 2020 was sprake van een daling. In 2020 veranderde de kwantitatieve werkloosheid niet. Het tekort aan banen van de afgelopen jaren daalde dus niet meer verder in het coronacrisisjaar.

De ontwikkeling van de kwalitatieve werkloosheid (conjunctuurgecorrigeerd) verloopt in de meeste jaren tegengesteld aan die van de conjunctuurgecorrigeerde werkloosheid. In de jaren dat de conjunctuurgecorrigeerde werkloosheid steeg, daalde de kwalitatieve component meestal.

Bij een voortdurende afname van de werkloosheid wordt de krapte op de arbeidsmarkt steeds groter. Het wordt dan steeds lastiger om geschikte mensen te vinden voor het stijgend aantal vacatures: de kwantitatieve conjunctuurgecorrigeerde werkloosheid neemt af, maar de kwalitatieve conjunctuurgecorrigeerde werkloosheid neemt toe. Bij een stijging van de werkloosheid geldt het omgekeerde. Terwijl de kwantitatieve conjunctuurgecorrigeerde werkloosheid groeit, wordt het tegelijkertijd gemakkelijker om geschikte mensen te vinden voor een vacature, waardoor de kwalitatieve conjunctuurgecorrigeerde werkloosheid juist kleiner wordt.

In het coronacrisisjaar 2020 daalde de werkloosheid en daalde de kwalitatieve werkloosheid. Deze daling was gelijk aan die van de totale werkloosheid. De kwantitatieve werkloosheid veranderde niet.

3.17 Werkloosheid, conjunctuurgecorrigeerd (% van beroepsbevolking)
Jaar Werkloosheid Kwalitatieve werkloosheid Kwantitatieve werkloosheid
1970 2,2 2,0 0,2
1971 2,4 2,2 0,2
1972 2,7 1,6 1,1
1973 2,9 1,7 1,2
1974 3,2 1,8 1,4
1975 3,6 1,2 2,4
1976 3,9 1,1 2,8
1977 4,3 1,1 3,2
1978 4,7 0,9 3,8
1979 5,2 0,8 4,4
1980 5,6 0,7 4,8
1981 6,2 0,7 5,5
1982 6,9 0,7 6,2
1983 7,4 0,7 6,8
1984 7,6 0,7 6,9
1985 7,7 0,8 6,9
1986 7,6 0,9 6,7
1987 7,4 0,9 6,4
1988 7,2 1,0 6,1
1989 6,8 1,1 5,8
1990 6,6 1,1 5,5
1991 6,5 1,1 5,4
1992 6,4 1,1 5,4
1993 6,4 1,0 5,4
1994 6,4 1,0 5,4
1995 6,1 1,0 5,1
1996 5,7 1,0 4,7
1997 5,4 1,1 4,3
1998 4,9 1,2 3,7
1999 4,7 1,4 3,2
2000 4,4 1,7 2,8
2001 4,2 1,9 2,3
2002 4,2 2,2 2,1
2003 4,3 2,3 2,0
2004 4,4 2,4 2,0
2005 4,5 2,4 2,1
2006 4,5 2,3 2,2
2007 4,6 2,1 2,5
2008 4,6 2,0 2,6
2009 5,0 1,2 3,8
2010 5,3 1,2 4,1
2011 5,5 1,3 4,2
2012 5,8 1,4 4,4
2013 6,1 1,5 4,6
2014 6,1 1,7 4,4
2015 5,9 1,9 4,1
2016 5,6 2,0 3,6
2017 5,2 2,1 3,1
2018 4,7 2,1 2,6
2019 4,4 2,1 2,3
2020 4,2 1,9 2,3

Zie ook Statistische Trends: Componenten van werkloosheid.

Aantal werklozen toegenomen met 43 duizend

Voortdurend komen er mensen bij op de arbeidsmarkt, anderen trekken zich terug. Tegenover degenen die hun werk kwijtraken, staan werklozen die betaald werk vinden. Mensen kunnen werkloos raken doordat ze hun werk verliezen. Maar ook mensen die de arbeidsmarkt op komen en op zoek gaan naar werk, zoals schoolverlaters en herintreders, worden tot de werklozen gerekend.

In 2020 waren gemiddeld 357 duizend mensen werkloos. Een jaar eerder waren dat er 314 duizend. In die periode is het aantal werklozen dus met 43 duizend toegenomen. Dit betekent dat 43 duizend meer mensen instroomden in werkloosheid (ruim 290 duizend) dan er uitstroomden (250 duizend). De nieuwkomers in werkloosheid (instroom) bestaan uit mensen die in 2019 niet tot de beroepsbevolking behoorden (ongeveer 125 duizend) of tot de werkzame beroepsbevolking (ongeveer 167 duizend); de ex-werklozen (uitstroom) bestaan uit werklozen die in de niet-beroepsbevolking (106 duizend) of de werkzame beroepsbevolking (144 duizend) instroomden.

Het aantal werklozen in een jaar is gelijk aan het aantal werklozen die een jaar eerder niet werkloos waren (nieuwkomers) en het aantal werklozen die dit wel waren (blijvers). Het aantal blijvers nam meerdere jaren sterk af, in 2020 werd deze daling kleiner. Bij het aantal nieuwkomers werd de dalende trend in 2020 doorbroken door een toename.

167 duizend nieuwkomers onder de werklozen in 2020 hadden een jaar eerder (in 2019) betaald werk. Dit aantal is voor het eerst sinds 2016 gestegen. Het aantal nieuwkomers in 2020 die een jaar eerder niet tot de beroepsbevolking behoorden (125 duizend) daalde sinds 2016 elk jaar. Deze mensen gingen op zoek naar werk, maar vonden dat niet direct.

De verandering in het aantal werklozen wordt behalve door de instroom ook bepaald door de uitstroom van werklozen. In 2020 stroomden in totaal 250 duizend werklozen uit, van wie 106 duizend naar de niet-beroepsbevolking en 144 duizend naar werk. Sinds 2016 daalde de uitstroom naar de niet-beroepsbevolking, wat betreft de uitstroom naar werk zette de jaarlijkse daling in 2018 in.

3.19 Werklozen (x 1 000)
Jaar Werklozen die het voorgaande jaar ook werkloos waren (blijvers) Werklozen die het voorgaande jaar niet werkloos waren (instroom) Werklozen
2004 127 339 466
2005 158 330 488
2006 152 267 419
2007 117 238 355
2008 91 227 318
2009 98 284 382
2010 111 324 435
2011 118 316 434
2012 136 379 515
2013 193 454 647
2014 218 442 660
2015 227 387 614
2016 201 337 538
2017