Omslag op de arbeidsmarkt na jaren van toenemende spanning

Foto omschrijving: Thuisbezorgd koeriers op het St. Janskerkhof in de Utrechtse binnenstad

De vraag naar arbeid

Fors minder vacatures

Het aantal openstaande vacatures daalde in 2020 met 60 duizend tot gemiddeld 221 duizend. Deze daling volgt op zes jaren waarin het aantal vacatures steeds verder opliep. In 2013 werd nog de laagste stand in twintig jaar tijd gemeten met gemiddeld 95 duizend vacatures. Sindsdien verdrievoudigde het aantal openstaande vacatures tot een recordstand van gemiddeld 281 duizend vacatures in 2019. Het aantal vacatures is sterk afhankelijk van de stand van de conjunctuur.

De forse afname in 2020 is geen recorddaling. In 2009, na het begin van de financiële crisis, viel het jaarcijfer met 97 duizend terug. Het gemiddelde aantal vacatures lag in 2020 nog steeds een derde hoger dan het langjarig gemiddelde.

Voor de financiële crisis werd de hoogste stand van het aantal openstaande vacatures eind 2007 bereikt (249 duizend, gecorrigeerd voor seizoeninvloeden). Door de crisis was dat aantal anderhalf jaar later gehalveerd. Sinds de tweede helft van 2013 liep het weer op. Eind 2019 werd een recordstand van 291 duizend openstaande vacatures bereikt. In het eerste kwartaal van 2020 liep het aantal vacatures terug met 60 duizend. Daarmee kwam een einde aan een reeks van 26 kwartalen waarin het aantal openstaande vacatures voortdurend verder opliep. In het tweede kwartaal verminderde het aantal openstaande vacatures met nog eens 26 duizend. In het derde kwartaal werden coronamaatregelen verruimd, waarna het aantal vacatures opliep met 16 duizend en vervolgens, met de harde lockdown aan het einde van het vierde kwartaal, weer iets terugliep. Eind 2020 waren er 210 duizend openstaande vacatures, een kwart minder dan een jaar eerder.

2.1 Openstaande vacatures, seizoengecorrigeerd (x 1 000)
Jaar Kwartaal Openstaande vacatures
'00 1e kwartaal, '00 209,3
'00 2e kwartaal, '00 201,0
'00 3e kwartaal, '00 201,2
'00 4e kwartaal, '00 213,9
'01 1e kwartaal, '01 209,7
'01 2e kwartaal, '01 202,4
'01 3e kwartaal, '01 187,8
'01 4e kwartaal, '01 173,7
'02 1e kwartaal, '02 172,3
'02 2e kwartaal, '02 148,0
'02 3e kwartaal, '02 129,8
'02 4e kwartaal, '02 129,8
'03 1e kwartaal, '03 117,9
'03 2e kwartaal, '03 112,1
'03 3e kwartaal, '03 94,0
'03 4e kwartaal, '03 102,4
'04 1e kwartaal, '04 115,8
'04 2e kwartaal, '04 122,9
'04 3e kwartaal, '04 120,9
'04 4e kwartaal, '04 128,4
'05 1e kwartaal, '05 148,8
'05 2e kwartaal, '05 141,3
'05 3e kwartaal, '05 163,7
'05 4e kwartaal, '05 165,3
'06 1e kwartaal, '06 187,3
'06 2e kwartaal, '06 209,7
'06 3e kwartaal, '06 230,1
'06 4e kwartaal, '06 230,3
'07 1e kwartaal, '07 234,9
'07 2e kwartaal, '07 238,3
'07 3e kwartaal, '07 246,8
'07 4e kwartaal, '07 249,3
'08 1e kwartaal, '08 247,0
'08 2e kwartaal, '08 244,9
'08 3e kwartaal, '08 246,7
'08 4e kwartaal, '08 197,4
'09 1e kwartaal, '09 153,9
'09 2e kwartaal, '09 128,4
'09 3e kwartaal, '09 130,7
'09 4e kwartaal, '09 125,4
'10 1e kwartaal, '10 115,6
'10 2e kwartaal, '10 117,5
'10 3e kwartaal, '10 125,3
'10 4e kwartaal, '10 128,3
'11 1e kwartaal, '11 135,1
'11 2e kwartaal, '11 134,7
'11 3e kwartaal, '11 134,1
'11 4e kwartaal, '11 122,7
'12 1e kwartaal, '12 117,4
'12 2e kwartaal, '12 109,3
'12 3e kwartaal, '12 106,6
'12 4e kwartaal, '12 101,7
'13 1e kwartaal, '13 96,3
'13 2e kwartaal, '13 91,3
'13 3e kwartaal, '13 95,1
'13 4e kwartaal, '13 96,5
'14 1e kwartaal, '14 104,1
'14 2e kwartaal, '14 107,5
'14 3e kwartaal, '14 113,4
'14 4e kwartaal, '14 118,8
'15 1e kwartaal, '15 124,9
'15 2e kwartaal, '15 130,3
'15 3e kwartaal, '15 132,9
'15 4e kwartaal, '15 142,7
'16 1e kwartaal, '16 149,5
'16 2e kwartaal, '16 154,8
'16 3e kwartaal, '16 162,0
'16 4e kwartaal, '16 171,2
'17 1e kwartaal, '17 185,7
'17 2e kwartaal, '17 204,7
'17 3e kwartaal, '17 213,7
'17 4e kwartaal, '17 226,5
'18 1e kwartaal, '18 236,3
'18 2e kwartaal, '18 250,8
'18 3e kwartaal, '18 260,8
'18 4e kwartaal, '18 264,0
'19 1e kwartaal, '19 280,9
'19 2e kwartaal, '19 282,3
'19 3e kwartaal, '19 284,4
'19 4e kwartaal, '19 285,7
'20 1e kwartaal, '20 225,6
'20 2e kwartaal, '20 199,7
'20 3e kwartaal, '20 215,7
'20 4e kwartaal, '20 210,0

StatLine: Vacatures, seizoengecorrigeerd.

Van 2019 op 2020 nam het aantal vacatures af in bijna alle bedrijfstakken. Het grootst was de daling in de handel (–‍14 duizend), de horeca (–‍12 duizend) en de zakelijke dienstverlening (–‍10 duizend). Voor de horeca betekende dit een halvering. Alleen bij het openbaar bestuur steeg het aantal openstaande vacatures vorig jaar iets.

2.2 Ontwikkeling vacatures, 2020 t.o.v. 2019 (x 1 000)
Bedrijfstak Verandering
Openbaar bestuur 0,6
Landbouw en visserij -0,5
Verhuur/handel onroerend goed -0,6
Zorg -0,8
Onderwijs -1,3
Financiële dienstverlening -1,5
Cultuur, recreatie, overige diensten -2,5
Bouwnijverheid -3,7
Informatie en communicatie -3,8
Vervoer en opslag -4,8
Industrie -5,4
Zakelijke dienstverlening -10,0
Horeca -11,8
Handel -13,7

StatLine: Vacatures.

Het aantal vacatures is het grootst in de handel, de zorg en de zakelijke dienstverlening. Met respectievelijk 42 duizend, 37 duizend en 36 duizend vacatures waren deze drie bedrijfstakken samen goed voor de helft van alle openstaande vacatures in 2020.

Naast het werkelijke aantal vacatures publiceert het CBS ook maandelijks een vacature-indicator. Deze geeft aan in welke richting de vacatures zich naar verwachting van de ondernemers zullen ontwikkelen. Vanaf februari 2020 is deze indicator negatief. Wel waren ondernemers in 2020 aanmerkelijk minder negatief dan in 2009. In maart 2021 is de indicator voor het eerst weer positief (zie ook StatLine: Vacature-indicator).

Het aantal vacatures dat in de loop van een jaar ontstaat of vervuld wordt, ligt veel hoger dan het gemiddeld aantal openstaande vacatures. In de periode 2006–2008 ontstonden per jaar meer dan 1 miljoen vacatures en werden er ongeveer evenzoveel vervuld. Hierna zijn deze aantallen teruggelopen tot 622 duizend ontstane en 624 duizend vervulde vacatures in 2013. In 2017 werden voor het eerst weer de aantallen uit de jaren van het economische hoogtij van tien jaar eerder bereikt, waarna de aantallen opliepen tot nieuwe recordcijfers: in 2019 ontstonden 1 258 duizend vacatures en werden er 1 232 duizend vervuld. In 2020 viel het aantal ontstane vacatures met een vijfde terug tot 1 017 duizend en werden er 1 085 duizend vervuld (inclusief vervallen vacatures). Het aantal vervallen vacatures was met ongeveer 140 duizend ruim het dubbele van wat gebruikelijk is.

In 2020 werden er bijna vijf keer zoveel vacatures vervuld als er gemiddeld genomen open stonden. Tot en met 2019 werd dit verhoudingsgetal steeds kleiner, wat betekent dat vacatures minder snel vervuld werden. Dit verhoudingscijfer was met een factor 6,6 het hoogst in 2013 en bereikte in 2019 met 4,4 het laagste niveau van de afgelopen twee decennia. In 2020 werden vacatures echter weer sneller vervuld en liep het verhoudingsgetal op tot 4,9. In het onderwijs worden de vacatures het snelst vervuld; de vacatures in de bouwnijverheid staan het langst open.

Als gevolg van de coronacrisis nam het aantal bedrijven dat een personeelstekort ervaart snel af. Begin 2020 gaf nog 22 procent van de bedrijven aan dat een tekort aan arbeidskrachten de productie of activiteiten belemmerde. Aan het begin van het tweede kwartaal van 2020 was dat teruggevallen naar 9 procent. Ook de rest van het jaar gaf een tiende van de bedrijven aan een personeelstekort te ervaren. Deze cijfers betreffen bedrijven met vijf of meer werkzame personen, met uitzondering van financiële instellingen en de overheid. Aan het begin van 2021 was de nood het hoogst in de bedrijfstakken informatie en communicatie en de zakelijke dienstverlening. In de cultuur, recreatie, overige diensten en de horeca werden toen het minst vaak personeelstekorten ervaren (zie ook StatLine: Conjunctuurenquête Nederland).

2.3 Vacatures en werklozen (x 1 000)
Jaar Kwartaal Vacatures Vacatures, seizoengecorrigeerd Werkloze beroepsbevolking Werkloze beroepsbevolking, seizoengecorrigeerd
2003 1e kwartaal, 2003 124,1 117,9 389 357
2003 2e kwartaal, 2003 125,7 112,1 385 387
2003 3e kwartaal, 2003 81,8 94,0 389 408
2003 4e kwartaal, 2003 94,8 102,4 418 430
2004 1e kwartaal, 2004 121,5 115,8 480 448
2004 2e kwartaal, 2004 136,3 122,9 474 475
2004 3e kwartaal, 2004 109,6 120,9 444 465
2004 4e kwartaal, 2004 120,7 128,4 466 477
2005 1e kwartaal, 2005 154,1 148,8 528 495
2005 2e kwartaal, 2005 154,4 141,3 497 497
2005 3e kwartaal, 2005 153,3 163,7 463 486
2005 4e kwartaal, 2005 157,3 165,3 466 480
2006 1e kwartaal, 2006 192,1 187,3 483 453
2006 2e kwartaal, 2006 223,0 209,7 425 425
2006 3e kwartaal, 2006 220,6 230,1 383 404
2006 4e kwartaal, 2006 221,7 230,3 386 394
2007 1e kwartaal, 2007 239,2 234,9 408 375
2007 2e kwartaal, 2007 251,2 238,3 352 353
2007 3e kwartaal, 2007 238,3 246,8 329 351
2007 4e kwartaal, 2007 240,6 249,3 330 339
2008 1e kwartaal, 2008 250,3 247,0 351 319
2008 2e kwartaal, 2008 256,7 244,9 320 319
2008 3e kwartaal, 2008 239,2 246,7 292 313
2008 4e kwartaal, 2008 189,9 197,4 309 317
2009 1e kwartaal, 2009 155,9 153,9 364 334
2009 2e kwartaal, 2009 138,4 128,4 368 367
2009 3e kwartaal, 2009 124,7 130,7 378 399
2009 4e kwartaal, 2009 119,4 125,4 414 423
2010 1e kwartaal, 2010 116,0 115,6 471 442
2010 2e kwartaal, 2010 124,9 117,5 434 433
2010 3e kwartaal, 2010 123,4 125,3 415 436
2010 4e kwartaal, 2010 124,4 128,3 421 431
2011 1e kwartaal, 2011 135,5 135,1 451 423
2011 2e kwartaal, 2011 143,6 134,7 412 412
2011 3e kwartaal, 2011 130,6 134,1 414 431
2011 4e kwartaal, 2011 116,6 122,7 460 468
2012 1e kwartaal, 2012 118,2 117,4 512 485
2012 2e kwartaal, 2012 116,1 109,3 500 502
2012 3e kwartaal, 2012 106,0 106,6 504 522
2012 4e kwartaal, 2012 94,9 101,7 547 555
2013 1e kwartaal, 2013 97,1 96,3 631 603
2013 2e kwartaal, 2013 96,8 91,3 633 635
2013 3e kwartaal, 2013 93,7 95,1 651 670
2013 4e kwartaal, 2013 91,0 96,5 672 681
2014 1e kwartaal, 2014 105,7 104,1 721 694
2014 2e kwartaal, 2014 112,9 107,5 668 671
2014 3e kwartaal, 2014 112,1 113,4 620 638
2014 4e kwartaal, 2014 112,9 118,8 630 637
2015 1e kwartaal, 2015 127,0 124,9 664 635
2015 2e kwartaal, 2015 136,5 130,3 615 617
2015 3e kwartaal, 2015 130,9 132,9 586 605
2015 4e kwartaal, 2015 136,3 142,7 591 600
2016 1e kwartaal, 2016 153,0 149,5 604 576
2016 2e kwartaal, 2016 161,8 154,8 557 561
2016 3e kwartaal, 2016 159,1 162,0 505 524
2016 4e kwartaal, 2016 163,4 171,2 487 495
2017 1e kwartaal, 2017 188,5 185,7 500 472
2017 2e kwartaal, 2017 212,8 204,7 451 452
2017 3e kwartaal, 2017 210,1 213,7 408 428
2017 4e kwartaal, 2017 218,6 226,5 391 398
2018 1e kwartaal, 2018 237,8 236,3 396 368
2018 2e kwartaal, 2018 260,6 250,8 354 354
2018 3e kwartaal, 2018 258,3 260,8 329 348
2018 4e kwartaal, 2018 254,9 264,0 323 330
2019 1e kwartaal, 2019 278,9 280,9 343 316
2019 2e kwartaal, 2019 293,8 282,3 305 305
2019 3e kwartaal, 2019 283,8 284,4 301 319
2019 4e kwartaal, 2019 281,2 285,7 308 316
2020 1e kwartaal, 2020 221,7 225,6 303 277
2020 2e kwartaal, 2020 200,4 199,7 349 349
2020 3e kwartaal, 2020 215,6 215,7 400 419
2020 4e kwartaal, 2020 213,7 210,0 374 384

StatLine: Vacatures, Vacatures, seizoengecorrigeerd en Werkloze beroepsbevolking.

Nog steeds krapte op de arbeidsmarkt

Veranderingen in de situatie op de arbeidsmarkt komen scherp tot uiting in de verhouding tussen het aantal vacatures en het aantal werklozen. Halverwege 2008 waren het aantal vacatures en het aantal werklozen bijna met elkaar in evenwicht: er was sprake van een gespannen arbeidsmarkt. Door de financiële crisis daalde het aantal vacatures daarna snel, terwijl het aantal werklozen opliep. Eind 2013 waren er uiteindelijk ruim zevenmaal zoveel werklozen als vacatures.

Vervolgens daalde het aantal werklozen per vacature sterk. Hierdoor waren er in 2019 gemiddeld 1,1 werklozen per vacature beschikbaar. Dit betekent dat de arbeidsmarkt in 2019 nog meer gespannen was dan in 2000–2001 en 2008. Op basis van de beschikbare cijfers lijkt het erop dat 1971 het laatste jaar was dat de arbeidsmarkt krapper was dan in 2019.

In het eerste kwartaal van 2020 bereikte het aantal werklozen de laagste stand in de cijferreeks vanaf 2003. In maart 2020 was het aantal werklozen teruggelopen tot 273 duizend. Eind maart 2020 was het aantal openstaande vacatures echter met recordsnelheid teruggelopen, zodat het aantal werklozen per vacature verder opliep. Gemiddeld over 2020 kwam de verhouding werklozen/vacatures uit op 1,6, waarmee de arbeidsmarkt minder krap was dan in 2018 en 2019. Sinds eind 2017 heeft de verhouding werklozen/vacatures onder de 2,0 gelegen. Eind 2020 waren er 1,8 werklozen per vacature, oftewel 55 vacatures per 100 werklozen.

2.4 Werklozen per vacature 1)
Jaar Werklozen per vacature
'00 1,4
'01 1,4
'02 2,1
'03 3,6
'04 3,9
'05 3,3
'06 2,0
'07 1,5
'08 1,3
'09 2,7
'10 3,6
'11 3,3
'12 4,6
'13 6,8
'14 6,1
'15 4,7
'16 3,5
'17 2,2
'18 1,4
'19 1,1
'20 1,6
1)Gemiddeld aantal werklozen in een jaar gedeeld door het gemiddeld aantal openstaande vacatures in dat jaar.

Sinds het vierde kwartaal van 2017 was de Nederlandse arbeidsmarkt gespannen. Dit betekent dat de vraag naar arbeid bovengemiddeld is en het beschikbare aanbod van arbeid relatief laag. Bij deze cijfers moet wel worden aangetekend dat dit een totaalcijfer is. Per bedrijfstak, beroepsgroep of regio kan de verhouding werklozen/vacatures variëren. Mede hierdoor kunnen er naast elkaar toch nog omvangrijke groepen werkloos zijn, terwijl bedrijven en instellingen nog steeds veel vacatures hebben uitstaan.

In deze werkloosheidscijfers tellen alleen de personen mee die geen betaald werk hebben maar daar wel direct voor beschikbaar zijn en er ook recent naar gezocht hebben (definitie van de International Labour Organization, ILO). Dat zijn niet alle personen zonder werk die zouden willen werken. Daarnaast zijn er ook mensen met deeltijdwerk, die meer uren zouden willen werken. Ook de omvang van dit overige onbenut arbeidspotentieel is in 2020 toegenomen. Hoofdstuk 3 gaat verder in op de verschillende groepen die tezamen het onbenut arbeidspotentieel vormen.

In Europa behoren Nederland en Duitsland tot de groep landen met een relatief gespannen arbeidsmarkt. In 2020 waren er alleen in Tsjechië minder werklozen per vacature. Griekenland en Spanje hebben veel werklozen en relatief weinig openstaande vacatures, zodat daar de arbeidsmarkt veel ruimer is dan in Nederland (zie ook Eurostat: Werkloze beroepsbevolking EU en Vacatures EU; niet voor alle EU-landen zijn vacaturecijfers beschikbaar).

Krappe arbeidsmarkt in Utrecht

In de provincie Groningen stonden in 2020 tegenover elke vacature de meeste werklozen, in Utrecht de minste. Dat wil zeggen dat de arbeidsmarkt relatief het krapst was in Utrecht, met 1,2 werklozen per openstaande vacature. Voor Nederland als geheel waren dat er 1,6. De arbeidsmarkt was het ruimst in Groningen. Daar waren gemiddeld 2,4 werklozen per openstaande vacature.

In 2020 waren er in alle provincies minder vacatures dan in 2019. Ook steeg het aantal werklozen in alle provincies. Hierdoor nam overal het aantal werklozen per vacature toe, wat wil zeggen dat de spanning op de arbeidsmarkt in alle provincies verminderde. Daarmee kwam een einde aan de voortdurende toename van de spanning op de arbeidsmarkt in de voorgaande jaren. In 2019 waren er zelfs nog drie provincies met gemiddeld meer vacatures dan er werklozen woonden: Utrecht, Zeeland en Noord-Holland.

De meeste vacatures waren in 2020 te vinden in Zuid-Holland (47 duizend) en Noord-Holland (42 duizend). Dat is tien keer zoveel als in Flevoland of Zeeland; in deze beide provincies stonden in 2020 gemiddeld 4 duizend vacatures open. In Zuid-Holland en Noord-Holland wonen ook de meeste werklozen, respectievelijk 83 duizend en 64 duizend. Zeeland telde slechts 6 duizend werklozen. Ook het werkloosheidspercentage was het laagst in Zeeland, terwijl Groningen relatief de meeste werklozen telde.

2.5 Werklozen per vacature, 2020
Provincie Werklozen per vacature
Groningen 2,35
Fryslân 2,12
Flevoland 2,12
Drenthe 1,8
Zuid-Holland 1,76
Limburg 1,69
Gelderland 1,58
Overijssel 1,57
Noord-Holland 1,54
Noord-Brabant 1,48
Zeeland 1,33
Utrecht 1,20

StatLine: Vacatures per provincie en Werklozen per provincie.

In een schematische voorstelling is te zien hoe de spanning op de arbeidsmarkt zich vanaf het vierde kwartaal van 2012 heeft ontwikkeld. De figuur is een grafische weergave van de spanning tussen de vraag naar extra arbeid en het beschikbare aanbod hiervan, per kwartaal gemeten. In het laatste kwartaal van 2017 bereikte de spanning voor het eerst het kwadrant van de ‘gespannen arbeidsmarkt’. Daarna is de krapte op de arbeidsmarkt verder toegenomen, tot eind 2019. In de loop van 2020 veranderen de aantallen vacatures en werklozen per kwartaal sterk, waardoor de lijn in de grafiek steeds van richting verandert. Vanwege de bijzondere omstandigheden in 2020 zijn de marges op deze cijfers groter dan anders. Per saldo lijkt de arbeidsmarkt op grond van deze indicator nog heel 2020 als ‘gespannen’ getypeerd te kunnen worden, al werden de grenzen van de andere kwadranten dicht genaderd.

Deze spanningsmeter toont de ontwikkeling van de spanning op de arbeidsmarkt in een matrix met vier kwadranten. De beschikbaarheid van arbeid wordt afgezet tegen de vraag naar extra arbeid. Vanaf het vierde kwartaal van 2012 bevindt de spanning zich in het onderste linkerkwadrant, ‘niet gespannen’. Vanaf het eerste kwartaal van 2014 begint de spanning op te lopen. In het eerste kwartaal van 2017 wordt het bovenste linkerkwadrant bereikt, ‘toenemende spanning’. In het vierde kwartaal van 2017 wordt het bovenste rechterkwadrant bereikt, ‘gespannen’. Vanaf het eerste kwartaal van 2020 neemt de spanning af, maar blijft in het bovenste rechterkwadrant. Toenemende spanning Afnemende spanning Gespannen Niet gespannen Spanning 4e kwartaal 2012 Spanning 4e kwartaal 2020 2.6 Spanningsmeter arbeidsmarkt Beschikbaar aanbod van arbeid Ruimer Krapper Vraag naar extra arbied Zwakker Sterker

Een andere manier om de spanning op de arbeidsmarkt weer te geven, is de verhouding tussen het aantal vacatures en het aantal banen van werknemers: de vacaturegraad. Volgens deze indicator bereikte de spanning op de arbeidsmarkt halverwege 2019 zijn hoogtepunt. De vacaturegraad, het aantal openstaande vacatures per duizend banen van werknemers, kwam toen uit op 34. Daarmee kwam ook deze graadmeter uit boven de hoogste stand die eerder in 2007 en 2008 werd genoteerd. In de tussenliggende jaren was de vacaturegraad gezakt tot 12.

Eind 2020 waren er gemiddeld 25 vacatures per duizend banen van werknemers, 8 minder dan een jaar eerder. In alle bedrijfstakken liep de vacaturegraad terug. De sterkste afname was voor de twee bedrijfstakken horeca en cultuur, sport en recreatie. De spanning was eind 2020 relatief het hoogst in de bedrijfstakken informatie en communicatie (54 openstaande vacatures per duizend banen) en de bouwnijverheid (46). Het onderwijs kent de laagste vacaturegraad (11) (zie ook StatLine: Vacaturegraad).

Nederland telt 1,9 miljoen bedrijven

De afgelopen tien jaar is het aantal bedrijven in Nederland met de helft toegenomen. Hierdoor telt Nederland per begin 2021 al 1 919 duizend bedrijven. In drie kwart van de gevallen gaat het om natuurlijke personen (zoals eenmanszaken en maatschappen), een kwart zijn rechtspersonen (zoals bv’s, nv’s, verenigingen, stichtingen en publiekrechtelijke rechtspersonen). In 2020 zijn 209 duizend bedrijven opgericht en 140 duizend bedrijven opgeheven. Niet eerder werden in een jaar zoveel bedrijven opgericht of opgeheven. Per saldo kwamen er in de loop van 2020 bijna 70 duizend bedrijven bij.

Bij 4 op de 5 bedrijven is slechts één persoon werkzaam. Bij slechts 8 duizend bedrijven werken minstens honderd mensen, uitgedrukt in voltijdbanen (vte’s). Maar bij deze grote bedrijven is wel 62 procent van alle banen van werknemers te vinden.

De bedrijven zijn bij het CBS ingedeeld naar hun belangrijkste economische activiteit. De zakelijke dienstverlening telt de meeste bedrijven, namelijk 457 duizend. Andere grote bedrijfstakken zijn de handel (251 duizend bedrijven), de cultuur, recreatie en overige diensten (229 duizend), de bouwnijverheid (206 duizend) en de zorg (180 duizend). Daarentegen telt het openbaar bestuur slechts 800 instellingen.

2.7 Bedrijven naar aantal werkzame personen, 1 januari 2021
1 tot 10 werkzame personen 10 tot 100 werkzame personen 100 werkzame personen of meer
Bedrijven 1850 61 8
2.8 Banen van werknemers naar bedrijfsgrootte, 2020
Bedrijfsgrootte: 0 tot 10 werkzame personen Bedrijfsgrootte: 10 tot 100 werkzame personen Bedrijfsgrootte: 100 of meer werkzame personen
Banen van
werknemers
1201 1977 5214

StatLine: Aantal bedrijven en Banen van werknemers naar bedrijfsgrootte.

Na zes jaar groei nu minder banen

Het aantal banen van werkzame personen daalde in 2020 met 48 duizend (–‍0,4 procent). Hiermee kwam het gemiddelde aantal banen in 2020 uit op 10,7 miljoen. Dit baanverlies volgt op een periode van zes jaar waarin er in het totaal 1 017 duizend banen bijkwamen. Sinds 1995 zijn er vier jaren waarin het baanverlies groter was dan in 2020; het meest in 2013 (–‍134 duizend banen).

Het verlies aan banen betrof alleen de werknemers. Het aantal banen van werknemers nam in 2020 af met 104 duizend tot 8,4 miljoen. Bij de zelfstandigen liep het aantal banen verder op met 56 duizend tot 2,3 miljoen.

Het aantal banen van werknemers piekte eerst in 2008 met ruim 8 miljoen. Uit de cijfers die voor seizoeninvloeden zijn gecorrigeerd blijkt dat er vervolgens in anderhalf jaar tijd in totaal bijna 200 duizend werknemersbanen verloren gingen. In 2010 keerde de groei terug. Tot medio 2011 nam het aantal werknemersbanen weer toe met bijna 140 duizend, maar het bleef onder de 8 miljoen. Daarna volgden drie jaren van krimp, waarbij meer banen verloren gingen dan direct na het begin van de financiële crisis.

In het eerste kwartaal van 2014 bereikte het aantal werknemersbanen een dieptepunt, met 319 duizend minder dan op het hoogtepunt in 2008 (oftewel –‍4,0 procent). Vervolgens brak een periode aan waarin het aantal werknemersbanen fors groeide. Die duurde voort tot en met het eerste kwartaal van 2020. In de 24 kwartalen tot en met het eerste kwartaal van 2020 kwamen er in totaal 865 duizend werknemersbanen bij. Vervolgens gingen in het tweede kwartaal 305 duizend banen verloren (–‍3,6 procent), waarna er in het derde kwartaal weer 159 duizend banen bijkwamen. Niet eerder werden uitkomsten met een dergelijke omvang gemeten. In de cijferreeks over de afgelopen 25 jaar was de afname van kwartaal op kwartaal tot en met 2019 nooit groter dan 70 duizend banen (eerste kwartaal 2020) en de toename nooit groter dan 93 duizend (vierde kwartaal 2006).

Ook in het vierde kwartaal van 2020 daalde het aantal banen nog met 5 duizend. Hierdoor waren er in het vierde kwartaal van 2020 144 duizend werknemersbanen minder dan een jaar eerder (–‍1,7 procent). Daarmee is het verlies aan werknemersbanen ten opzichte van een jaar eerder minder groot dan in 2009 en 2013: tussen het vierde kwartaal van 2008 en het vierde kwartaal van 2009 gingen 175 duizend werknemersbanen verloren en tussen het derde kwartaal van 2012 en het derde kwartaal van 2013 155 duizend werknemersbanen.

Zoals hierboven al is gemeld, bleef het aantal banen van zelfstandigen in 2020 stijgen. Rond de eeuwwisseling gingen veel banen van zelfstandigen verloren. In de periode 1997–2003 liep het aantal banen van zelfstandigen terug met 130 duizend (–‍8 procent). Vanaf 2004 stijgt het aantal zelfstandigenbanen elk jaar. In 2020 zette de banengroei elk kwartaal door. Hierdoor komt het gemiddeld aantal zelfstandigenbanen in 2020 ruim 700 duizend hoger uit dan in 2003 (+44 procent). Daarmee is het aandeel zelfstandigen in het totaal aantal banen opgelopen tot 21,5 procent, net iets meer dan de 21,3 procent uit 1995.

Bij optelling van de banen van werknemers en zelfstandigen blijkt eerst in 2011 het aantal banen van 2008 overtroffen te worden. Daarna daalt het aantal stevig tot begin 2014 en gaat vervolgens weer groeien. In het eerste kwartaal van 2020 waren er 10 861 duizend banen. Dat zijn er 970 duizend meer dan in het derde kwartaal van 2008, aan het begin van de economische crisis. In de laatste drie kwartalen van 2020 loopt het totaal aantal banen per saldo terug met 122 duizend.

2.9 Banen van werkzame personen (mln)
Jaar Kwartaal Banen Banen seizoengecorrigeerd
'00 1e kwartaal, '00 8,846 8,955
'00 2e kwartaal, '00 9,046 9,007
'00 3e kwartaal, '00 9,135 9,053
'00 4e kwartaal, '00 9,078 9,09
'01 1e kwartaal, '01 9,007 9,115
'01 2e kwartaal, '01 9,178 9,14
'01 3e kwartaal, '01 9,25 9,17
'01 4e kwartaal, '01 9,169 9,188
'02 1e kwartaal, '02 9,103 9,202
'02 2e kwartaal, '02 9,252 9,208
'02 3e kwartaal, '02 9,279 9,211
'02 4e kwartaal, '02 9,182 9,211
'03 1e kwartaal, '03 9,103 9,176
'03 2e kwartaal, '03 9,181 9,147
'03 3e kwartaal, '03 9,188 9,122
'03 4e kwartaal, '03 9,09 9,12
'04 1e kwartaal, '04 9,006 9,082
'04 2e kwartaal, '04 9,127 9,09
'04 3e kwartaal, '04 9,163 9,103
'04 4e kwartaal, '04 9,061 9,098
'05 1e kwartaal, '05 9,084 9,139
'05 2e kwartaal, '05 9,208 9,168
'05 3e kwartaal, '05 9,244 9,193
'05 4e kwartaal, '05 9,164 9,21
'06 1e kwartaal, '06 9,248 9,298
'06 2e kwartaal, '06 9,379 9,339
'06 3e kwartaal, '06 9,457 9,41
'06 4e kwartaal, '06 9,493 9,531
'07 1e kwartaal, '07 9,536 9,581
'07 2e kwartaal, '07 9,705 9,672
'07 3e kwartaal, '07 9,785 9,737
'07 4e kwartaal, '07 9,755 9,783
'08 1e kwartaal, '08 9,792 9,84
'08 2e kwartaal, '08 9,901 9,869
'08 3e kwartaal, '08 9,933 9,892
'08 4e kwartaal, '08 9,877 9,89
'09 1e kwartaal, '09 9,823 9,874
'09 2e kwartaal, '09 9,843 9,807
'09 3e kwartaal, '09 9,815 9,783
'09 4e kwartaal, '09 9,777 9,786
'10 1e kwartaal, '10 9,672 9,726
'10 2e kwartaal, '10 9,824 9,785
'10 3e kwartaal, '10 9,827 9,797
'10 4e kwartaal, '10 9,804 9,817
'11 1e kwartaal, '11 9,834 9,871
'11 2e kwartaal, '11 9,947 9,917
'11 3e kwartaal, '11 9,959 9,928
'11 4e kwartaal, '11 9,929 9,925
'12 1e kwartaal, '12 9,844 9,921
'12 2e kwartaal, '12 9,955 9,905
'12 3e kwartaal, '12 9,894 9,874
'12 4e kwartaal, '12 9,865 9,836
'13 1e kwartaal, '13 9,697 9,783
'13 2e kwartaal, '13 9,799 9,761
'13 3e kwartaal, '13 9,789 9,75
'13 4e kwartaal, '13 9,737 9,739
'14 1e kwartaal, '14 9,639 9,726
'14 2e kwartaal, '14 9,799 9,744
'14 3e kwartaal, '14 9,769 9,767
'14 4e kwartaal, '14 9,819 9,796
'15 1e kwartaal, '15 9,736 9,832
'15 2e kwartaal, '15 9,912 9,865
'15 3e kwartaal, '15 9,934 9,901
'15 4e kwartaal, '15 9,938 9,943
'16 1e kwartaal, '16 9,893 9,956
'16 2e kwartaal, '16 10,054 10,01
'16 3e kwartaal, '16 10,07 10,057
'16 4e kwartaal, '16 10,125 10,111
'17 1e kwartaal, '17 10,097 10,174
'17 2e kwartaal, '17 10,295 10,24
'17 3e kwartaal, '17 10,328 10,318
'17 4e kwartaal, '17 10,403 10,393
'18 1e kwartaal, '18 10,404 10,473
'18 2e kwartaal, '18 10,569 10,539
'18 3e kwartaal, '18 10,634 10,606
'18 4e kwartaal, '18 10,655 10,653
'19 1e kwartaal, '19 10,647 10,708
'19 2e kwartaal, '19 10,791 10,747
'19 3e kwartaal, '19 10,773 10,781
'19 4e kwartaal, '19 10,878 10,837
'20 1e kwartaal, '20 10,787 10,861
'20 2e kwartaal, '20 10,614 10,565
'20 3e kwartaal, '20 10,728 10,734
'20 4e kwartaal, '20 10,77 10,739

StatLine: Banen van werkzame personen.

2.10 Ontwikkeling banen van werknemers en zelfstandigen (x 1 000)
Jaar Banen van werknemers Banen van zelfstandigen
'00 185 -46
'01 161 -36
'02 52 1
'03 -46 -18
'04 -79 27
'05 42 44
'06 147 73
'07 225 75
'08 143 37
'09 -77 15
'10 -57 25
'11 72 63
'12 -54 26
'13 -139 5
'14 -40 41
'15 77 46
'16 113 43
'17 206 40
'18 230 55
'19 175 31
'20 -104 56

StatLine: Banen van werkzame personen.

Hoewel het gemiddeld aantal banen in 2020 met 48 duizend afnam, was in het merendeel van de bedrijfstakken nog sprake van banengroei. Het aantal banen nam het meest toe in de zorg, waar er 45 duizend banen bij kwamen (2,7 procent). Nog iets hogere groeicijfers waren er voor de informatie en communicatie (4,7 procent) en het openbaar bestuur (2,8 procent). Ook in de financiële dienstverlening kwamen er 4 duizend banen bij, dat is voor het eerst na 2007. Aan de andere kant gingen echter veel banen verloren bij de uitzendbureaus (–‍126 duizend), de horeca (–‍42 duizend) en vervoer en opslag (–‍8 duizend).

2.11 Banengroei 1), 2020 (x 1 000)
Bedrijfstak Banengroei
Zorg 45
Informatie en
communicatie
16
Openbaar bestuur 15
Zakelijke dienstverlening
(excl. uitzendbureaus)
14
Cultuur, recreatie,
overige diensten
12
Handel 12
Onderwijs 11
Financiële dienstverlening 4
Bouwnijverheid 2
Verhuur/handel
onroerend goed
1
Landbouw
en visserij
-2
Industrie -4
Vervoer en opslag -8
Horeca -42
Uitzendbureaus -126
1)Jaargemiddelde t.o.v. een jaar eerder.

StatLine: Banen van werkzame personen.

Veel minder banen in de uitzendbranche

De uitzendkrachten behoren tot de groepen die in 2020 het hardst geraakt zijn door de coronacrisis. Het gemiddeld aantal werknemersbanen in de bedrijfsklasse uitzendbureaus kwam in 2020 uit op 696 duizend, 15 procent minder dan in 2019.

Al in 2019 komt een einde aan de onafgebroken banengroei bij uitzendbureaus. Ruim zes jaar was het aantal werknemersbanen bij uitzendbureaus elk kwartaal verder gestegen, bij elkaar +274 duizend, een stijging van 49 procent.

Vanaf het tweede kwartaal van 2019 neemt het aantal banen bij uitzendbureaus af. Hierdoor waren er bij de uitzendbureaus in het eerste kwartaal van 2020 ruim 60 duizend banen van werknemers minder dan een jaar eerder. In het tweede kwartaal van 2020 volgt de grote klap voor de uitzendbureaus: 120 duizend banen minder dan in het eerste kwartaal. In de tweede helft van 2020 komen er weer ruim 30 duizend banen bij. Ook in de voorgaande perioden van economische crisis liep het aantal banen bij uitzendbureaus fors terug.

2.12 Banen van werknemers bij uitzendbureaus, seizoengecorrigeerd (x 1 000)
Jaar Kwartaal Werknemersbanen bij uitzendbureaus
'00 1e kwartaal, '00 535
'00 2e kwartaal, '00 537
'00 3e kwartaal, '00 537
'00 4e kwartaal, '00 528
'01 1e kwartaal, '01 527
'01 2e kwartaal, '01 521
'01 3e kwartaal, '01 512
'01 4e kwartaal, '01 499
'02 1e kwartaal, '02 491
'02 2e kwartaal, '02 484
'02 3e kwartaal, '02 479
'02 4e kwartaal, '02 472
'03 1e kwartaal, '03 458
'03 2e kwartaal, '03 449
'03 3e kwartaal, '03 439
'03 4e kwartaal, '03 444
'04 1e kwartaal, '04 429
'04 2e kwartaal, '04 444
'04 3e kwartaal, '04 457
'04 4e kwartaal, '04 466
'05 1e kwartaal, '05 492
'05 2e kwartaal, '05 507
'05 3e kwartaal, '05 514
'05 4e kwartaal, '05 521
'06 1e kwartaal, '06 541
'06 2e kwartaal, '06 564
'06 3e kwartaal, '06 590
'06 4e kwartaal, '06 623
'07 1e kwartaal, '07 619
'07 2e kwartaal, '07 643
'07 3e kwartaal, '07 657
'07 4e kwartaal, '07 672
'08 1e kwartaal, '08 666
'08 2e kwartaal, '08 668
'08 3e kwartaal, '08 666
'08 4e kwartaal, '08 646
'09 1e kwartaal, '09 624
'09 2e kwartaal, '09 594
'09 3e kwartaal, '09 579
'09 4e kwartaal, '09 576
'10 1e kwartaal, '10 536
'10 2e kwartaal, '10 560
'10 3e kwartaal, '10 567
'10 4e kwartaal, '10 574
'11 1e kwartaal, '11 580
'11 2e kwartaal, '11 592
'11 3e kwartaal, '11 585
'11 4e kwartaal, '11 565
'12 1e kwartaal, '12 577
'12 2e kwartaal, '12 577
'12 3e kwartaal, '12 570
'12 4e kwartaal, '12 561
'13 1e kwartaal, '13 570
'13 2e kwartaal, '13 570
'13 3e kwartaal, '13 572
'13 4e kwartaal, '13 579
'14 1e kwartaal, '14 579
'14 2e kwartaal, '14 589
'14 3e kwartaal, '14 603
'14 4e kwartaal, '14 617
'15 1e kwartaal, '15 635
'15 2e kwartaal, '15 655
'15 3e kwartaal, '15 668
'15 4e kwartaal, '15 682
'16 1e kwartaal, '16 685
'16 2e kwartaal, '16 710
'16 3e kwartaal, '16 724
'16 4e kwartaal, '16 733
'17 1e kwartaal, '17 755
'17 2e kwartaal, '17 774
'17 3e kwartaal, '17 792
'17 4e kwartaal, '17 807
'18 1e kwartaal, '18 817
'18 2e kwartaal, '18 824
'18 3e kwartaal, '18 829
'18 4e kwartaal, '18 833
'19 1e kwartaal, '19 835
'19 2e kwartaal, '19 830
'19 3e kwartaal, '19 818
'19 4e kwartaal, '19 804
'20 1e kwartaal, '20 775
'20 2e kwartaal, '20 655
'20 3e kwartaal, '20 669
'20 4e kwartaal, '20 686

StatLine: Werkgelegenheid bij uitzendbureaus (jaarcijfers) en Werkgelegenheid bij uitzendbureaus (kwartaalcijfers).

In 2020 is 8,3 procent van de werknemersbanen een baan bij een uitzendbureau. Twee jaar eerder was dat nog 9,9 procent. Van de uitzendbanen is 61 procent een deeltijdbaan en eveneens 61 procent is voor mannen. Dat mannen vaker uitzendkracht zijn, komt voor een deel doordat er meer uitzendwerk wordt verricht in bedrijfstakken waar veel mannen werken, zoals in de industrie en de bouwnijverheid.

In de meeste CBS-statistieken worden uitzendkrachten geteld in de bedrijfsklasse uitzendbureaus (sbi 78), die deel uitmaakt van de bedrijfstak zakelijke dienstverlening. In 2018 waren de uitzendbureaus goed voor de helft van alle werknemersbanen binnen de zakelijke dienstverlening. Omdat de uitzendkrachten een grote invloed hebben op de werkgelegenheidsontwikkeling, wordt de bedrijfstak zakelijke dienstverlening in publicaties soms opgeknipt in twee delen: uitzendbureaus enerzijds en zakelijke dienstverlening (exclusief uitzendbureaus) anderzijds. Deze publicatiegroep uitzendbureaus omvat naast uitzendkrachten en het baliepersoneel van de uitzendbureaus ook uitleenbureaus, de arbeidsbemiddeling en payrollbedrijven. Kortheidshalve wordt gesproken over uitzendbureaus.

Voor een deel van de uitzendkrachten is bekend waar zij daadwerkelijk werken; met name in de industrie, vervoer en opslag en de zakelijke dienstverlening (zie ook StatLine: Waar werken uitzendkrachten).

In vergelijking met 2010 lag het gemiddeld aantal banen van werknemers en zelfstandigen in 2020 per saldo 943 duizend boven dat van 2010 (+9,6 procent). In bijna alle bedrijfstakken groeide de werkgelegenheid, het meest in de zakelijke dienstverlening (exclusief uitzendbureaus), de zorg, de handel en de uitzendbureaus. In de informatie en communicatie was de banengroei relatief het grootst (+32 procent). Alleen in de financiële dienstverlening (–‍49 duizend) en de verhuur en handel van onroerend goed (–‍4 duizend) gingen banen verloren.

2.13 Ontwikkeling banen van werkzame personen, 2020 t.o.v. 2010 (x 1 000)
Bedrijfstak Verandering
Zakelijke dienstverlening
(excl. uitzendbureaus)
201
Zorg 157
Handel 152
Uitzendbureaus 138
Informatie en
communicatie
89
Horeca 85
Cultuur, recreatie,
overige diensten
74
Onderwijs 60
Vervoer en opslag 21
Industrie 10
Bouwnijverheid 3
Landbouw en visserij 1
Openbaar bestuur 0
Verhuur/handel
onroerend goed
-2
Financiële dienstverlening -49

StatLine: Banen van werkzame personen.

Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW)

In 2020 werd de NOW (Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid) van kracht. Deze regeling is bedoeld om werkgevers tegemoet te komen die door de coronacrisis te maken hebben met omzetverlies, zodat zij hun werknemers kunnen blijven doorbetalen. Daarmee wordt beoogd faillissementen en het daarmee gepaard gaande baanverlies te voorkomen, zodat de werkloosheid niet te sterk oploopt.

In 2020 kende de NOW drie aanvraagperioden, waarin bedrijven die te kampen hadden met een (verwacht) omzetverlies van ten minste 20 procent aanspraak konden maken op een vergoeding voor de loonkosten. Voor bedrijven waarvan de omzet volledig wegviel was deze tegemoetkoming gelijk aan 90 procent van de loonkosten. Voor bedrijven met minder omzetverlies werd de tegemoetkoming naar rato verlaagd. Bij NOW-3 ging de tegemoetkoming naar maximaal 80 procent van de loonkosten. De NOW telt in de loonkostencijfers van het CBS mee als loonkostensubsidie (zie hoofdstuk 5).

Vooral horecabedrijven kregen vaak een vergoeding voor loonkosten, in iedere aanvraagperiode was het percentage bedrijven met een NOW-regeling het hoogst in de horeca.

In februari 2020 waren er 2,6 miljoen werknemersbanen bij bedrijven die gebruikmaakten van de NOW-1. De eerste aanvraagperiode van de vergoeding voor loonkosten liep van 6 april tot en met 5 juni 2020. In totaal waren er in februari 8,5 miljoen banen van werknemers. In december 2020 waren dat er 8,4 miljoen, waarvan 1,4 miljoen banen bij bedrijven die gebruikmaakten van NOW-3.1. In de derde aanvraagperiode (16 november tot en met 27 december 2020) maakten minder bedrijven met 2 of meer werkzame personen gebruik van de regeling voor loonkostenvergoeding (15 procent) dan in de eerste aanvraagperiode (26 procent).

Het aantal werknemersbanen bij bedrijven met een loonkostenvergoeding was in december 2020 het grootst in de zakelijke dienstverlening (inclusief de uitzendbureaus). Ook in de handel en de horeca werden veel banen ondersteund met de NOW-regeling. Relatief gezien was de steun het grootst in de horeca. In december 2020 viel 71 procent van de horecabanen onder bedrijven die NOW-steun ontvingen. In de cultuur, recreatie en overige diensten, zoals kappers en schoonheidssalons, ging het om 45 procent van de werknemersbanen.

2.14 Werknemersbanen bij bedrijven met of zonder NOW-3.1-regeling, december 2020 (x 1 000)
Bedrijfstak Met NOW-3.1-regeling Zonder NOW-3.1-regeling
Zakelijke dienstverlening 362 1159
Zorg 47 1417
Handel 278 1160
Nijverheid (geen bouw)
en energie
110 730
Onderwijs 25 529
Openbaar bestuur 1) 0 548
Vervoer en opslag 116 268
Bouwnijverheid 33 306
Horeca 234 95
Informatie en communicatie 41 251
Financiële dienstverlening 4 272
Cultuur, recreatie,
overige diensten
116 140
Landbouw en visserij 15 92
Verhuur/handel
onroerend goed
5 64
1) Voor december 2020 is het onderscheid met/zonder NOW-regeling voor deze bedrijfstak niet gepubliceerd; in februari ging het om 1 duizend banen met NOW-regeling.

Zie ook: 2,6 miljoen werknemersbanen bij bedrijven onder NOW-regeling en Gebruik door bedrijven van financiële steunmaatregelen coronacrisis t/m 28 februari 2021.

In december 2020 zijn er, gecorrigeerd voor seizoeninvloeden, 154 duizend banen van werknemers minder dan in februari (–‍1,8 procent). Twee derde hiervan kwam voor rekening van mannen. Jongeren, vooral tot 20 jaar, zijn oververtegenwoordigd in deze cijfers. Daar staat tegenover dat het aantal banen voor 55‑plussers toenam. Verder daalde het aantal flexibele banen sterk (uitzendkrachten, oproepkrachten en andere banen met een contract voor bepaalde tijd), terwijl er meer vaste banen bijkwamen. De bedrijfstakken met het grootste verlies aan banen van werknemers zijn de horeca en de zakelijke dienstverlening (waaronder de uitzendbureaus). In de zorg, het openbaar bestuur, de handel en het onderwijs nam het aantal banen toe (zie ook StatLine: Banen van werknemers).

Gewerkte uren dalen sterker

In de cijfers over de baanontwikkeling komt niet tot uiting dat een deel van de werkenden als gevolg van de coronamaatregelen niet volledig aan het werk is of gedwongen thuiszit. Zij hebben nog steeds werk, de werknemers krijgen ook hun loon uitbetaald en de zelfstandigen hebben misschien recht op een uitkering, maar zij zijn niet daadwerkelijk aan het werk. Daarom is het zinvol om ook te kijken naar de cijfers over het volume aan gewerkte uren. In die cijfers zijn de niet-gewerkte uren als gevolg van coronamaatregelen op het totaal in mindering gebracht. Uit de ontwikkeling van het aantal gewerkte uren blijkt zowel de verandering in het aantal banen als het effect van de coronamaatregelen.

Het totaal aantal gewerkte uren lag, gecorrigeerd voor seizoenseffecten, al in het eerste kwartaal van 2020 2,1 procent onder dat van het vierde kwartaal van 2019. In het tweede kwartaal daalde het aantal gewerkte uren nog eens met 5,4 procent. In het derde kwartaal was er weliswaar fors herstel (+4,9 procent), maar ook in het vierde kwartaal was er weer een daling van 1,2 procent. In 2020 werd in totaal 470 miljoen uur minder gewerkt dan in 2019. Dat is een afname van 3,4 procent.

Deze cijfers over het aantal gewerkte uren wijzen op een grotere afname van economische activiteit dan op grond van de banencijfers het geval lijkt te zijn. De banenkrimp was beperkt tot 0,4 procent, hetgeen het saldo was van 1,2 procent minder werknemersbanen en een groei van 2,5 procent bij de banen van zelfstandigen. Het totale volume aan gewerkte uren nam zowel bij de werknemers als bij de zelfstandigen met 3,4 procent af. Hierdoor bereikte ook het aantal gewerkte uren per werkende een nieuwe laagste stand: 1 399 uren per werkende. Vooral zelfstandigen werkten minder uren: gemiddeld 97 uur per werkende minder dan in 2019 (–‍5,4 procent). Bij de werknemers was dat gemiddeld –‍31 uur per werkende (–‍2,3 procent).

In de horeca liep in 2020 het totaal aantal gewerkte uren het meest terug, namelijk met 21 procent. Daarmee was deze bedrijfstak goed voor een kwart van de totale teruggang in het totaal aantal gewerkte uren. Het verlies aan gewerkte uren bij de uitzendbureaus was bijna net zo groot.

2.15 Ontwikkeling gewerkte uren, 2020 t.o.v. 2019 (%)
Bedrijfstak Verandering gewerkte uren
Informatie en
communicatie
4,1
Openbaar bestuur 3,3
Financiële dienstverlening 1,9
Verhuur/handel
onroerend goed
0,7
Zorg 0,3
Onderwijs -1,0
Landbouw
en visserij
-1,4
Zakelijke dienstverlening
(excl. uitzendbureaus)
-2,2
Handel -3,2
Bouwnijverheid -3,4
Industrie -4,3
Cultuur, recreatie,
overige diensten
-5,7
Vervoer en opslag -6,7
Uitzendbureaus -11,6
Horeca -21,0

StatLine: Gewerkte uren.

Wat zijn gewerkte uren?

In 2020 werd gemiddeld 1 258 uur per jaar gewerkt in een werknemersbaan. Maar daarvoor krijgt de werknemer 1 547 uur betaald. Hoe zit dat?

De contractuele arbeidsduur voor een voltijdbaan van werknemers bedroeg in 2020 gemiddeld 39 uur per week. Bij deeltijdbanen was dat gemiddeld de helft. Op deze arbeidsduur is de eventuele arbeidsduurverkorting al in mindering gebracht, ook als het gaat om adv-dagen. Adv-uren zijn immers niet-betaalde uren. Hieruit volgt dat de arbeidsduur van werknemers op jaarbasis gemiddeld 1 529 uur bedraagt, voor voltijders en deeltijders tezamen. Daarboven op wordt gemiddeld 19 uur per baan betaald overgewerkt. De betaalde arbeidsduur bedraagt daardoor 1 547 uur per jaar.

Maar werknemers hebben ook recht op doorbetaalde vakantie en feestdagen. Dat zijn gemiddeld 190 uren per jaar. Daarnaast zijn werknemers om diverse andere redenen afwezig, maar krijgen wel doorbetaald: bij elkaar gaat dat om 77 uur per jaar, waarvan ziekte het grootste deel uitmaakt. Tevens werd er in 2020 als gevolg van de coronamaatregelen gemiddeld 35 uur per baan minder gewerkt (46 uur voor een voltijdbaan). Ook die uren werden doorbetaald, waarvoor de bedrijven via de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW) grotendeels gecompenseerd werden.

Anderzijds zijn er ook werknemers die onbetaald overwerken, gemiddeld 12 uur per jaar voor alle werknemers.

Als de betaalde arbeidsduur wordt verminderd met de doorbetaalde niet-gewerkte uren, en de onbetaalde overwerkuren daar weer bij worden opgeteld, resulteert het gemiddeld aantal gewerkte uren per werknemersbaan: 1 258 uur per jaar, oftewel 24 uur per week. Niet bekend is welk deel hiervan productieve arbeidstijd is (denk aan doorbetaalde koffiepauzes, privégesprekken tijdens werktijd e.d.).

2.16Jaarlijkse arbeidsduur van werknemers per baan, 2020

    Mannen Vrouwen Totaal W.v. voltijd
uren
Betaalde arbeidsuren 1 758 1 320 1 547 2 076
 
Contracturen + 1 728 1 313 1 529 2 044
Overwerk (betaald) + 30 7 19 32
 
Vakantie-uren 166 131 149 194
Feestdagen (in uren) 46 35 41 55
Ziekteverzuim 65 53 59 79
Kort verzuim (doktersbezoek e.d.) 9 7 8 10
Moederschap 0 14 7 6
Vaderschap/geboorte kind 3 0 2 3
Betaald ouderschapsverlof 0 0 0 0
Weerverlet 1 0 0 1
Shorttime/werktijdverkorting 42 28 35 46
Stakingsuren 0 0 0 0
Opname levensloop 1 0 1 1
 
Overwerk (onbetaald) + 19 5 12 21
 
Gewerkte uren = 1 444 1 056 1 258 1 703

StatLine: Arbeidsduur van werknemers en Arbeidsduur van werknemers naar geslacht.

2.17 Gewerkte uren per werkende in de Europese Unie, 2020 (uren)
Land Gewerkte uren
Polen 1981
Kroatië 1834
Malta 1827
Griekenland 1822
Litouwen 1806
Letland 1803
Roemenië 1795
Portugal 1750
Ierland 1745
Estland 1738
Tsjechië 1705
Cyprus 1698
Hongarije 1660
Bulgarije 1605
Zweden¹⁾ 1605
Finland 1582
Spanje 1577
België¹⁾ 1576
Slowakije 1572
Italië 1559
EU-27 1545
Slovenië 1515
Oostenrijk 1503
Luxemburg 1427
Frankrijk 1402
Nederland 1399
Denemarken 1346
Duitsland 1332
1) Cijfer van 2019.

Eurostat: Gewerkte uren en werkzame personen, EU.

Doordat in Nederland veel in deeltijd wordt gewerkt, is het aantal gewerkte uren per werkende lager dan in veel andere landen van de Europese Unie. Alleen in Duitsland en Denemarken was het gemiddeld aantal gewerkte uren in 2020 nog iets lager dan in Nederland. In vergelijking met 2019 is het aantal gewerkte uren per werkende flink afgenomen; het gemiddelde in de Europese Unie komt 4,9 procent lager uit.

In de Europese Unie is de bedrijfstak nijverheid (exclusief bouw) en energie goed voor 17 procent van alle gewerkte uren van werknemers en zelfstandigen. Dit loopt uiteen van 9 procent in Letland tot 28 procent in Bulgarije. In Nederland omvat deze bedrijfstak 16 procent van de gewerkte uren. Nederland is relatief goed vertegenwoordigd in de financiële dienstverlening, terwijl het aandeel van de bouwnijverheid relatief laag is.

2.18 Samenstelling werkgelegenheid 1) naar bedrijfstak in de Europese Unie, 2019 (%)
Landbouw en visserij Nijverheid (geen bouw) en energie Bouwnijverheid Handel, vervoer en horeca Informatie en communicatie Financiële dienstverlening Verhuur en handel van onroerend goed Zakelijke dienstverlening Overheid en zorg Cultuur, recreatie, overige diensten
Roemenië 18,1 22,4 9,0 24,7 2,1 1,3 0,4 5,0 13,9 3,1
België 15,2 20,5 5,9 26,6 3,1 1,9 0,7 6,9 16,1 3,2
Polen 9,4 24,5 8,1 23,1 2,6 2,4 0,9 6,2 19,5 3,3
Bulgarije 3,3 27,6 8,1 24,0 3,1 1,7 2,0 8,8 17,9 3,6
Estland 11,5 9,3 4,1 37,6 2,0 1,9 0,4 8,9 19,4 4,7
Duitsland 6,5 20,6 8,0 27,3 3,5 2,2 0,3 6,9 20,7 4,0
Slovenië 3,2 23,8 8,5 26,4 3,1 1,9 1,1 10,6 18,3 3,1
Italië 6,8 18,6 8,1 27,7 2,7 1,5 0,9 8,1 21,6 4,1
Slowakije 8,8 22,8 6,9 21,1 3,1 1,9 0,6 12,6 18,2 3,8
Ierland 8,1 16,3 8,0 27,1 4,1 1,6 2,4 8,8 19,7 4,1
Litouwen 5,8 20,7 7,7 23,6 3,4 1,8 1,6 10,8 20,3 4,3
Tsjechië 3,3 21,0 7,8 25,2 5,0 1,9 1,5 8,3 21,2 4,8
Griekenland 5,6 17,1 6,5 27,8 2,6 2,5 0,9 12,3 15,3 9,4
Portugal 6,3 16,1 6,4 27,9 2,3 1,7 1,3 12,3 20,3 5,3
Hongarije 5,6 9,6 8,2 32,2 3,0 4,1 0,6 10,1 16,6 10,0
Nederland 5,2 15,8 7,1 26,7 3,1 2,7 1,5 12,5 21,3 4,2
EU-27 5,4 16,7 7,1 25,3 3,1 2,3 1,1 12,2 21,3 5,4
Finland 4,4 11,5 7,5 31,0 2,8 1,7 1,2 12,5 19,8 7,7
Denemarken 6,4 12,5 7,9 26,4 4,4 4,2 0,5 11,4 22,8 3,5
Cyprus 1,6 19,4 6,4 22,1 3,3 2,6 1,0 13,6 24,6 5,4
Spanje 4,3 13,8 9,8 20,6 4,2 1,7 1,0 12,0 27,6 4,9
Luxemburg 3,1 9,8 5,7 27,5 3,6 4,5 1,5 16,6 19,9 7,7
Kroatië 2,4 12,0 7,4 24,0 3,9 2,8 1,6 11,6 29,5 4,6
Frankrijk 3,9 10,5 7,2 23,9 3,5 2,9 1,4 16,2 25,7 4,9
Zweden 2,6 13,1 7,8 21,0 3,9 1,6 1,8 11,1 32,6 4,4
Malta 2,9 10,5 6,7 23,9 3,9 2,4 0,8 20,7 23,4 4,7
Letland 0,4 8,6 11,4 22,8 4,8 10,9 1,0 16,8 19,3 4,1
Oostenrijk 2,0 11,6 6,4 21,0 2,9 2,2 0,6 22,6 26,5 4,2
1)Op basis van het aantal gewerkte uren.

Eurostat: Gewerkte uren per bedrijfstak, EU

Zorg telt de meeste banen

Met 1 725 duizend banen was de zorg in 2020 de grootste bedrijfstak (op basis van de indeling die in deze publicatie wordt gehanteerd). Daarmee is 16 procent van alle banen van werknemers en zelfstandigen te vinden in deze bedrijfstak. De zorg omvat niet alleen gezondheidszorg, maar ook verzorging en welzijn. De bedrijfstakken handel en zakelijke dienstverlening (exclusief uitzendbureaus) volgen op de voet met elk 1,6 miljoen banen. Tot en met 2008 was de handel de grootste bedrijfstak, terwijl de industrie in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw de koploper was. Tegenwoordig telt de zorg tweemaal zoveel banen als de industrie. Doordat in de zorg veelal in deeltijdbanen wordt gewerkt, is de handel de grootste bedrijfstak als met andere werkgelegenheidsmaatstaven wordt gemeten dan het aantal banen.

2.19 Banen van werknemers en zelfstandigen, 2020 (x 1 000)
Bedrijfstak Banen van werknemers Banen van zelfstandigen
Zorg 1398 327
Handel 1405 238
Zakelijke dienstverlening
(excl. uitzendbureaus)
889 716
Industrie 767 65
Uitzendbureaus 696 10
Onderwijs 538 94
Bouwnijverheid 335 227
Cultuur, recreatie,
overige diensten
316 241
Openbaar bestuur 532 0
Horeca 395 102
Vervoer en opslag 385 50
Informatie en
communicatie
290 78
Landbouw en visserij 119 130
Financiële dienstverlening 211 8
Verhuur/handel
onroerend goed
69 19

StatLine: Banen van werkzame personen.

De afname van het aantal banen van werknemers en zelfstandigen in 2020 kwam volledig voor rekening van mannen. Het totaal aantal banen waarin mannen werken daalde met 55 duizend, dat van vrouwen nam toe met 7 duizend. Nog steeds zijn de meeste banen in handen van mannen (52 procent), maar het verschil wordt geleidelijk kleiner. In 1995 was het mannenaandeel nog 57 procent (zie ook StatLine: Banen en Banen (jaarcijfers).

In 2010–2020 steeg het aantal banen van mannen met 396 duizend, terwijl het aantal banen van vrouwen toenam met 547 duizend. Deze ontwikkeling hangt voor een deel samen met de banengroei per bedrijfstak: vrouwen zijn sterk vertegenwoordigd in de zorg, waar het aantal banen jarenlang toenam. Ook in het onderwijs, het openbaar bestuur en de overige dienstverlening kwamen er vooral vrouwen bij. Mannen profiteerden van de banengroei bij uitzendbureaus en de informatie en communicatie.

In de zorg is inmiddels 84 procent van de werknemersbanen in handen van vrouwen, bij het onderwijs is dat 65 procent. Ook in de cultuur, recreatie en overige diensten zijn vrouwen in de meerderheid. In de horeca zijn de banen van werknemers gelijk verdeeld over beide seksen. Bij de overige bedrijfstakken zijn mannen in de meerderheid, het sterkst in de bouwnijverheid, waar maar 1 op de 8 werknemersbanen voor vrouwen is.

2.20 Aandeel vrouwen in het aantal werknemersbanen, 2020 (% van het aantal werknemersbanen per bedrijfstak)
Bedrijfstak Werknemersbanen vrouwen
Zorg 84,3
Onderwijs 65,1
Cultuur, recreatie,
overige diensten
61,9
Horeca 50,3
Verhuur/handel
onroerend goed
48,9
Handel 46,6
Financiële dienstverlening 43,9
Zakelijke dienstverlening
(excl. uitzendbureaus)
43,4
Openbaar bestuur 42,9
Uitzendbureaus 39,2
Landbouw en visserij 34,9
Informatie en
communicatie
27,7
Vervoer en opslag 24,7
Industrie 22,8
Bouwnijverheid 12,5

StatLine: Banen van werknemers.

Flexwerk voor 1 op de 3 werknemers

Bij 1 op de 3 werknemersbanen is sprake van een contract voor bepaalde tijd of gaat het om stagiairs, uitzendkrachten of oproepkrachten. De overige banen zijn ‘vast’. In 2020 telde op deze manier 34 procent van de werknemersbanen als een flexbaan en 66 procent als een vaste baan.

Bij uitzendbureaus en de horeca is het aandeel flexbanen het grootst. In de bedrijfstakken financiële dienstverlening en het openbaar bestuur zijn er vooral vaste banen.

Het gemiddeld uurloon in de flexbanen ligt 39 procent onder dat in de vaste banen. Voor een deel komt dit doordat jongeren een groot aandeel hebben in het aantal flexbanen. Van de werknemers jonger dan 30 jaar heeft in totaal slechts een derde een vaste baan, terwijl dat bij de werknemers van 60 tot 65 jaar 89 procent is.

Als gevolg van de invoering van de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) in 2020 zijn deze nieuwe voorlopige cijfers niet goed vergelijkbaar met eerder gepubliceerde uitkomsten. In de periode 2008–2019 daalde het aandeel werknemersbanen met een vast contract van 73 procent naar 64 procent.

Uit een ander CBS-onderzoek, de Enquête beroepsbevolking, blijkt dat bij de werknemers het aandeel personen met als voornaamste werkkring een flexibele arbeidsrelatie van 2004 tot en met 2017 sterk toe nam, van 16 procent naar 27 procent. In 2020 is dit aandeel teruggevallen naar 23 procent (zie verder hoofdstuk 3).

2.21 Flexwerk van werknemers, per bedrijfstak, 2020 (% van het aantal werknemersbanen per bedrijfstak)
Bedrijfstak Flexbaan
Uitzendbureaus 86,6
Horeca 64,7
Handel 42,0
Landbouw en visserij 41,8
Cultuur, recreatie,
overige diensten
40,8
Zorg 28,7
Onderwijs 26,5
Zakelijke dienstverlening
(excl. uitzendbureaus)
26,2
Vervoer en opslag 23,8
Informatie en communicatie 23,1
Verhuur/handel
onroerend goed
21,5
Bouwnijverheid 17,0
Industrie 15,6
Openbaar bestuur 14,2
Financiële dienstverlening 11,0
2.22 Flexwerk van werknemers, naar leeftijd, 2020 (% van het aantal werknemersbanen per leeftijdsgroep)
Leeftijd Flexbaan
15 tot 20 jaar 90,7
20 tot 25 jaar 73,0
25 tot 30 jaar 46,4
30 tot 35 jaar 31,2
35 tot 40 jaar 24,3
40 tot 45 jaar 20,8
45 tot 50 jaar 18,4
50 tot 55 jaar 16,1
55 tot 60 jaar 13,5
60 tot 65 jaar 10,9
65 tot 70 jaar 27,3
70 tot 75 jaar 51,5

StatLine: Banen van werknemers naar soort baan en contractsoort.

Nederland handelsland

In bijna de helft van de Nederlandse gemeenten is de handel de bedrijfstak met de meeste banen voor werknemers. Dit geldt voor 167 van de 355 gemeenten (47 procent), gemeten per december 2019. Op de tweede plaats staat de zorg, die in 108 gemeenten de grootste werkgever is (30 procent). De industrie is in 36 gemeenten het grootst (10 procent). Opvallend is dat de zorg vooral belangrijk is in de oostelijke helft van Nederland. De horeca scoort het hoogst langs de kust.

In verschillende gemeenten wordt de werkgelegenheid sterk bepaald door een enkele bedrijfstak. Dit geldt bijvoorbeeld voor Berg en Dal, waar de zorg veruit de grootste bedrijfstak is, gemeten in aantallen werknemersbanen. In Veldhoven is de industrie het sterkst vertegenwoordigd, terwijl op Vlieland de horeca het belangrijkst is. De gemeente waar relatief de meeste werknemersbanen in de bedrijfstak informatie en communicatie zijn te vinden is natuurlijk Hilversum.

Wat betreft de absolute aantallen werknemersbanen, scoort Amsterdam bij tien van de vijftien onderscheiden bedrijfstakken het hoogst, het meest in de zakelijke dienstverlening. Rotterdam telt absoluut gezien de meeste banen in de industrie en de bouwnijverheid. Haarlemmermeer is de gemeente met de meeste banen in de bedrijfstak vervoer en opslag. ’s-Gravenhage telt de meeste banen in het openbaar bestuur. Voor de landbouw en visserij is dat het Westland.

Ook in de landelijke cijfers over banen van werknemers was de bedrijfstak handel in december 2019 de grootste, met een aandeel van 16,6 procent. De zorg volgt met vrijwel net zoveel werknemersbanen op de tweede plaats.

2.23 Grootste bedrijfstak per werkgemeente, o.b.v. banen van werknemers, december 2019
Gemeente Bedrijfstak
Aa en Hunze Zorg
Aalsmeer Handel
Aalten Handel
Achtkarspelen Handel
Alblasserdam Handel
Albrandswaard Vervoer en opslag
Alkmaar Zorg
Almelo Zorg
Almere Handel
Alphen aan den Rijn Handel
Alphen-Chaam Handel
Altena Handel
Ameland Horeca
Amersfoort Zorg
Amstelveen Zakelijke dienstverlening
Amsterdam Zakelijke dienstverlening
Apeldoorn Zorg
Appingedam Zorg
Arnhem Zorg
Assen Zorg
Asten Handel
Baarle-Nassau Handel
Baarn Zorg
Barendrecht Handel
Barneveld Handel
Beek (L.) Handel
Beekdaelen Handel
Beemster Zorg
Beesel Industrie
Berg en Dal Zorg
Bergeijk Industrie
Bergen (L.) Handel
Bergen (NH.) Zorg
Bergen op Zoom Zorg
Berkelland Handel
Bernheze Handel
Best Industrie
Beuningen Handel
Beverwijk Zorg
Bladel Industrie
Blaricum Zorg
Bloemendaal Zorg
Bodegraven-Reeuwijk Handel
Boekel Zorg
Borger-Odoorn Zorg
Borne Handel
Borsele Industrie
Boxmeer Industrie
Boxtel Industrie
Breda Handel
Brielle Handel
Bronckhorst Handel
Brummen Industrie
Brunssum Zorg
Bunnik Bouwnijverheid
Bunschoten Industrie
Buren Handel
Capelle aan den IJssel Zorg
Castricum Handel
Coevorden Handel
Cranendonck Handel
Cuijk Industrie
Culemborg Handel
Dalfsen Handel
Dantumadiel Zorg
De Bilt Zorg
De Fryske Marren Zorg
De Ronde Venen Handel
De Wolden Handel
Delft Onderwijs
Delfzijl Industrie
Den Helder Openbaar bestuur
Deurne Handel
Deventer Uitzendbureaus
Diemen Uitzendbureaus
Dinkelland Handel
Doesburg Handel
Doetinchem Zorg
Dongen Industrie
Dordrecht Zorg
Drechterland Handel
Drimmelen Handel
Dronten Handel
Druten Zorg
Duiven Handel
Echt-Susteren Handel
Edam-Volendam Handel
Ede Handel
Eemnes Handel
Eersel Zorg
Eijsden-Margraten Handel
Eindhoven Zakelijke dienstverlening
Elburg Openbaar bestuur
Emmen Zorg
Enkhuizen Handel
Enschede Zorg
Epe Zorg
Ermelo Zorg
Etten-Leur Industrie
Geertruidenberg Handel
Geldrop-Mierlo Zorg
Gemert-Bakel Handel
Gennep Zorg
Gilze en Rijen Handel
Goeree-Overflakkee Zorg
Goes Zorg
Goirle Handel
Gooise Meren Handel
Gorinchem Uitzendbureaus
Gouda Zorg
Grave Zorg
Groningen (gemeente) Zorg
Gulpen-Wittem Zorg
Haaksbergen Handel
Haaren Zorg
Haarlem Zorg
Haarlemmermeer Vervoer en opslag
Halderberge Handel
Hardenberg Zorg
Harderwijk Zorg
Hardinxveld-Giessendam Industrie
Harlingen Handel
Hattem Handel
Heemskerk Handel
Heemstede Zorg
Heerde Industrie
Heerenveen Zorg
Heerhugowaard Handel
Heerlen Zorg
Heeze-Leende Zorg
Heiloo Handel
Hellendoorn Handel
Hellevoetsluis Handel
Helmond Uitzendbureaus
Hendrik-Ido-Ambacht Handel
Hengelo (O.) Handel
Het Hogeland Zorg
Heumen Handel
Heusden Industrie
Hillegom Handel
Hilvarenbeek Handel
Hilversum Informatie en communicatie
Hoeksche Waard Handel
Hof van Twente Industrie
Hollands Kroon Handel
Hoogeveen Uitzendbureaus
Hoorn Zorg
Horst aan de Maas Handel
Houten Handel
Huizen Handel
Hulst Handel
IJsselstein Handel
Kaag en Braassem Handel
Kampen Handel
Kapelle Handel
Katwijk Handel
Kerkrade Handel
Koggenland Bouwnijverheid
Krimpen aan den IJssel Handel
Krimpenerwaard Handel
Laarbeek Industrie
Landerd Zorg
Landgraaf Zorg
Landsmeer Handel
Langedijk Handel
Lansingerland Handel
Laren (NH.) Zorg
Leeuwarden Zorg
Leiden Zorg
Leiderdorp Zorg
Leidschendam-Voorburg Zorg
Lelystad Handel
Leudal Zorg
Leusden Handel
Lingewaard Handel
Lisse Handel
Lochem Zorg
Loon op Zand Cultuur,recreatieoverigediensten
Lopik Industrie
Loppersum Zorg
Losser Zorg
Maasdriel Handel
Maasgouw Zorg
Maassluis Handel
Maastricht Zorg
Medemblik Handel
Meerssen Zorg
Meierijstad Handel
Meppel Zorg
Middelburg (Z.) Zorg
Midden-Delfland Handel
Midden-Drenthe Zorg
Midden-Groningen Zorg
Mill en Sint Hubert Handel
Moerdijk Handel
Molenlanden Industrie
Montferland Uitzendbureaus
Montfoort Handel
Mook en Middelaar Horeca
Neder-Betuwe Handel
Nederweert Handel
Nieuwegein Zorg
Nieuwkoop Handel
Nijkerk Handel
Nijmegen Zorg
Nissewaard Handel
Noardeast-Fryslân Zorg
Noord-Beveland Horeca
Noordenveld Handel
Noordoostpolder Handel
Noordwijk Zorg
Nuenen, Gerwen en Nederwetten Handel
Nunspeet Handel
Oegstgeest Zorg
Oirschot Openbaar bestuur
Oisterwijk Handel
Oldambt Zorg
Oldebroek Openbaar bestuur
Oldenzaal Handel
Olst-Wijhe Zorg
Ommen Zorg
Oost Gelre Industrie
Oosterhout Handel
Ooststellingwerf Zorg
Oostzaan Handel
Opmeer Handel
Opsterland Zorg
Oss Industrie
Oude IJsselstreek Industrie
Ouder-Amstel Uitzendbureaus
Oudewater Handel
Overbetuwe Handel
Papendrecht Bouwnijverheid
Peel en Maas Industrie
Pekela Zorg
Pijnacker-Nootdorp Handel
Purmerend Zorg
Putten Handel
Raalte Handel
Reimerswaal Handel
Renkum Zorg
Renswoude Handel
Reusel-De Mierden Handel
Rheden Zorg
Rhenen Handel
Ridderkerk Handel
Rijssen-Holten Handel
Rijswijk (ZH.) Zorg
Roerdalen Handel
Roermond Handel
Roosendaal Zorg
Rotterdam Zorg
Rozendaal Onderwijs
Rucphen Handel
Schagen Industrie
Scherpenzeel Industrie
Schiedam Zorg
Schiermonnikoog Horeca
Schouwen-Duiveland Handel
's-Gravenhage (gemeente) Openbaar bestuur
's-Hertogenbosch Handel
Simpelveld Zorg
Sint Anthonis Zorg
Sint-Michielsgestel Zorg
Sittard-Geleen Industrie
Sliedrecht Zorg
Sluis Handel
Smallingerland Zorg
Soest Handel
Someren Handel
Son en Breugel Industrie
Stadskanaal Zorg
Staphorst Industrie
Stede Broec Handel
Steenbergen Handel
Steenwijkerland Zorg
Stein (L.) Handel
Stichtse Vecht Handel
Súdwest-Fryslân Zorg
Terneuzen Industrie
Terschelling Horeca
Texel Horeca
Teylingen Handel
Tholen Handel
Tiel Zorg
Tilburg Uitzendbureaus
Tubbergen Handel
Twenterand Handel
Tynaarlo Zorg
Tytsjerksteradiel Zorg
Uden Zorg
Uitgeest Handel
Uithoorn Handel
Urk Handel
Utrecht (gemeente) Zorg
Utrechtse Heuvelrug Openbaar bestuur
Vaals Horeca
Valkenburg aan de Geul Horeca
Valkenswaard Handel
Veendam Industrie
Veenendaal Handel
Veere Horeca
Veldhoven Industrie
Velsen Industrie
Venlo Handel
Venray Uitzendbureaus
Vijfheerenlanden Handel
Vlaardingen Handel
Vlieland Horeca
Vlissingen Zorg
Voerendaal Zorg
Voorschoten Handel
Voorst Zorg
Vught Zorg
Waadhoeke Handel
Waalre Handel
Waalwijk Handel
Waddinxveen Handel
Wageningen Zakelijke dienstverlening
Wassenaar Handel
Waterland Horeca
Weert Handel
Weesp Handel
West Betuwe Handel
West Maas en Waal Handel
Westerkwartier Zorg
Westerveld Openbaar bestuur
Westervoort Handel
Westerwolde Zorg
Westland Uitzendbureaus
Weststellingwerf Handel
Westvoorne Handel
Wierden Handel
Wijchen Handel
Wijdemeren Handel
Wijk bij Duurstede Handel
Winterswijk Zorg
Woensdrecht Openbaar bestuur
Woerden Handel
Wormerland Industrie
Woudenberg Handel
Zaanstad Handel
Zaltbommel Uitzendbureaus
Zandvoort Horeca
Zeewolde Handel
Zeist Zorg
Zevenaar Handel
Zoetermeer Handel
Zoeterwoude Industrie
Zuidplas Handel
Zundert Handel
Zutphen Zorg
Zwartewaterland Industrie
Zwijndrecht Handel
Zwolle Zorg

StatLine: Banen van werknemers naar gemeente waar men werkt.

4 op de 10 werknemers werken in eigen woongemeente

In december 2019 werkte 38 procent van de werknemers in de eigen woongemeente. Dat percentage verschilt sterk per gemeente. Op Texel en Ameland worden 8 op de 10 banen van werknemers vervuld door inwoners van de gemeente. Ook bij de andere Waddeneilanden, de gemeente Groningen en Amsterdam is dit aandeel groot. Daartegenover staan typische forensengemeenten zoals Leidschendam-Voorburg en Rijswijk, waar slechts 1 op de 10 inwoners met een werknemersbaan werkt in de eigen gemeente. In Westervoort is dit aandeel het kleinst; deze gemeente is qua grondoppervlak de kleinste van Nederland.

Amsterdam is een werkgelegenheidsmagneet; 8 procent van de werknemersbanen in Nederland is te vinden in deze gemeente. Ruim 350 duizend werknemers werken in Amsterdam, maar wonen elders, vooral in Zaanstad, Almere, Utrecht, Haarlem, Amstelveen, Haarlemmermeer en Purmerend. Andersom geldt dat ruim 130 duizend Amsterdammers elders werken, het meest in Haarlemmermeer (26 duizend werknemersbanen). Hierdoor staat Amsterdam acht keer in de top 10 van grootste woon-werkstromen.

Rotterdam trekt vooral werknemers uit Nissewaard, Schiedam en Capelle aan den IJssel. Andersom werken ruim 15 duizend Rotterdammers in ’s-Gravenhage. ’s-Gravenhage trekt ook veel werknemers uit Zoetermeer en Leidschendam-Voorburg.

In de interactieve kaart van Nederland is per woongemeente aangegeven voor welk deel van de werknemersbanen geldt dat men in de eigen gemeente werkzaam is. Dat is het grijze deel van de donuts; voor de vier grote steden zijn afwijkende kleuren gebruikt.

Daarnaast is per werkgemeente met lijnen weergegeven vanuit welke woongemeente men komt. Om de kaart overzichtelijk te houden beginnen deze lijnen halverwege tussen de woongemeente en de werkgemeente, en eindigen in de werkgemeente. Hoe dikker de lijn, des te groter het aantal werknemersbanen waar het om gaat. Stromen van minder dan vijfhonderd banen worden niet weergegeven. De woon-werkstromen naar de vier grote gemeenten hebben elk een afwijkende kleur gekregen.

Deze figuur toont de woon-werkbewegingen tussen gemeenten. 2.24 Woon-werkstromen op basis van werknemersbanen, december 2019

StatLine: Banen van werknemers naar woon- en werkregio.

Zie ook: Meer inzicht in mobiliteit met de donutkaart.

Deeltijdwerk in ruim de helft van alle werknemersbanen

De afgelopen decennia is het aantal deeltijdbanen in Nederland sterk gestegen. Hierdoor zijn er sinds ongeveer 2007 meer deeltijdbanen dan voltijdbanen voor werknemers. In 2020 was het aandeel deeltijdbanen voor werknemers opgelopen tot 55 procent. In deeltijdbanen ligt de overeengekomen arbeidsduur onder het aantal uren dat hoort bij een volledige dag- en weektaak.

De percentages verschillen sterk bij mannen en vrouwen. Van de werknemersbanen die door vrouwen worden vervuld, is ruim drie kwart een deeltijdbaan. Het aandeel deeltijdbanen van mannen is met 33 procent aanzienlijk kleiner.

Het aandeel deeltijders varieert ook sterk per bedrijfstak. In de zorg is 82 procent van de werknemersbanen een deeltijdbaan. Ook de werknemers in de horeca en de cultuur, recreatie en overige diensten hebben vooral deeltijdbanen. Onderaan de ranglijst staat de bouwnijverheid met 21 procent deeltijdbanen. In alle bedrijfstakken zijn de banen van vrouwen voor het merendeel deeltijdbanen, zelfs in de bouwnijverheid heeft drie kwart van de vrouwen een deeltijdbaan. Dit in tegenstelling tot de banen in handen van mannen, die in de meeste bedrijfstakken voor het merendeel door voltijders worden bezet. Alleen in de bedrijfstakken horeca, cultuur, recreatie en overige diensten, de zorg en de uitzendbureaus werkt ook het merendeel van de mannen in deeltijd (zie ook StatLine: Banen van werknemers).

Mensen met meerdere banen

Er zijn meer banen in Nederland dan werkzame personen. In 2020 waren er gemiddeld 10 725 duizend banen voor 9 519 duizend personen. Per 100 werkzame personen zijn dat 113 banen (zie ook StatLine: Werkgelegenheid). Vooral zelfstandigen hebben vaak een tweede baan: terwijl 17 procent van de werkzame personen zelfstandige is, bestaat 22 procent van alle banen uit zelfstandigenbanen.

Het aantal werknemers met een tweede baan schommelt sinds 2013 rond de 525 duizend. De meest voorkomende combinaties zijn werknemers met een vaste arbeidsrelatie en een tweede werkkring als zelfstandige zonder personeel en werknemers met meerdere flexibele arbeidsrelaties tegelijkertijd. Samen zijn ze goed voor de helft van alle werknemers met een tweede baan (zie ook: StatLine: Werknemers: combibanen).

Minder mensen aan het werk

In 2020 waren er 56 duizend mensen minder aan het werk dan een jaar eerder. In de vijf jaar daarvoor was het aantal mensen met betaald werk juist elk jaar verder opgelopen. Gemiddeld 9,5 miljoen mensen hadden in 2020 betaald werk in Nederland. Dat zijn er 741 duizend meer dan in 2010. In 2020 daalde het aantal werknemers met 91 duizend, terwijl het aantal zelfstandigen toenam met 35 duizend. Deze ontwikkelingen komen in grote lijnen overeen met die van het aantal banen.

Tot de werkzame personen wordt iedereen gerekend die betaald werk doet bij een bedrijf, instelling of particulier huishouden in Nederland, ongeacht het aantal uren dat daarmee gemoeid is. Overigens is het aantal mensen dat in de loop van het jaar gewerkt heeft veel groter dan het aantal mensen dat gemiddeld in het jaar gewerkt heeft. Iemand die maar een half jaar gewerkt heeft, telt voor het gemiddelde namelijk als een halve werkzame persoon. Veel mensen werken maar een deel van het jaar. Denk bijvoorbeeld aan schoolverlaters of mensen die met pensioen gaan. Ook mensen die ontslagen worden of van wie het contract niet verlengd wordt, moeten op zoek naar ander werk, wat vaak enige tijd kost.

De 9,5 miljoen werkzame personen die Nederland in 2020 telde, bezetten gemiddeld 10,7 miljoen banen. Zowel voltijdbanen als deeltijdbanen tellen mee. Gemiddeld heeft een baan een arbeidsduur die gelijk is aan 72 procent van een voltijdbaan. Anders gezegd: de gemiddelde baan is een baan van 0,72 vte. Hierdoor komt het arbeidsvolume uit op circa 7,8 miljoen arbeidsjaren.

De vierde maatstaf om de werkgelegenheid te meten, is het aantal feitelijk gewerkte uren. Niet-gewerkte uren als gevolg van vakantie, arbeidsduurverkorting, ziekte en dergelijke tellen hierbij niet mee, overwerkuren wel. In totaal werd vorig jaar ruim 13 miljard uur gewerkt. Dat is gemiddeld 1 242 uur per baan. Doordat een aanzienlijke groep mensen in twee of meer banen werkzaam is, zijn werkenden gemiddeld 1 399 uur per jaar aan het werk. Mannen met betaald werk werken gemiddeld 1 619 uur per jaar, vrouwen 28 procent minder. En omdat er ook nog steeds meer mannen dan vrouwen betaald werk hebben, wordt uiteindelijk 60 procent van het totaal aantal gewerkte uren gemaakt door mannen en 40 procent door vrouwen (zie ook StatLine: Gewerkte uren).

2.25 Werkgelegenheid sinds 1970
Jaar Gewerkte uren (mld) Gewerkte uren, nieuwe reeks Banen (mln) Banen, nieuwe reeks Werkzame personen (mln) Werkzame personen, nieuwe reeks Arbeidsjaren (mln) Arbeidsjaren, nieuwe reeks
1970 9,964 . 5,936 . 5,447 . 4,939 .
1971 9,932 . 6,015 . 5,515 . 4,984 .
1972 9,833 . 6,014 . 5,505 . 4,962 .
1973 9,828 . 6,106 . 5,576 . 5,01 .
1974 9,625 . 6,172 . 5,629 . 5,041 .
1975 9,343 . 6,183 . 5,636 . 5,024 .
1976 9,45 . 6,268 . 5,705 . 5,052 .
1977 9,359 . 6,29 . 5,734 . 5,078 .
1978 9,283 . 6,363 . 5,8 . 5,124 .
1979 9,368 . 6,509 . 5,931 . 5,215 .
1980 9,514 . 6,633 . 6,033 . 5,28 .
1981 9,499 . 6,62 . 6,011 . 5,23 .
1982 9,311 . 6,545 . 5,931 . 5,118 .
1983 9,109 . 6,491 . 5,876 . 5,035 .
1984 9,142 . 6,559 . 5,932 . 5,05 .
1985 9,186 . 6,684 . 6,046 . 5,141 .
1986 9,341 . 6,878 . 6,214 . 5,258 .
1987 9,43 . 7,027 . 6,35 . 5,345 .
1988 9,585 . 7,157 . 6,465 . 5,428 .
1989 9,789 . 7,345 . 6,64 . 5,55 .
1990 10,046 . 7,55 . 6,829 . 5,695 .
1991 10,176 . 7,671 . 6,945 . 5,77 .
1992 10,427 . 7,79 . 7,035 . 5,845 .
1993 10,408 . 7,838 . 7,072 . 5,852 .
1994 10,515 . 7,907 . 7,127 . 5,853 .
1995 10,763 10,768 8,066 8,021 7,276 7,268 5,959 5,935
1996 . 11,104 . 8,206 . 7,42 . 6,073
1997 . 11,334 . 8,421 . 7,648 . 6,259
1998 . 11,578 . 8,645 . 7,83 . 6,44
1999 . 11,899 . 8,888 . 8,055 . 6,602
2000 . 12,01 . 9,027 . 8,203 . 6,703
2001 . 12,166 . 9,152 . 8,367 . 6,809
2002 . 12,104 . 9,204 . 8,427 . 6,797
2003 . 11,965 . 9,141 . 8,38 . 6,717
2004 . 11,996 . 9,089 . 8,285 . 6,668
2005 . 11,956 . 9,175 . 8,34 . 6,685
2006 . 12,189 . 9,395 . 8,521 . 6,833
2007 . 12,537 . 9,696 . 8,772 . 7,022
2008 . 12,736 . 9,876 . 8,915 . 7,148
2009 . 12,552 . 9,814 . 8,839 . 7,066
2010 . 12,463 . 9,782 . 8,779 . 7,025
2011 . 12,576 . 9,918 . 8,855 . 7,066
2012 . 12,465 . 9,889 . 8,837 . 7,023
2013 . 12,355 . 9,756 . 8,733 . 6,937
2014 . 12,438 . 9,757 . 8,725 . 6,927
2015 . 12,559 . 9,881 . 8,808 . 7,015
2016 . 12,854 . 10,036 . 8,943 . 7,159
2017 . 13,156 . 10,282 . 9,157 . 7,34
2018 . 13,496 . 10,566 . 9,396 . 7,563
2019 . 13,787 . 10,773 . 9,576 . 7,736
2020 . 13,317 . 10,725 . 9,519 . .

StatLine: Werkgelegenheid (vanaf 1995) en Werkgelegenheid (oude reeks).

In vergelijking met 1970 is het aantal banen met ongeveer 82 procent toegenomen en zijn er 75 procent meer mensen aan het werk. Doordat deeltijdwerk een hoge vlucht heeft genomen, de voltijdwerkweek is verkort en werkenden tegenwoordig meer vakantiedagen hebben, is het totaal aantal gewerkte uren in Nederland echter beduidend minder toegenomen, namelijk met 34 procent. Terwijl werkenden in 1970 nog gemiddeld 1 829 uur per jaar werkten, was dat in 2020 bijna een kwart minder.

Werkstakingen

In 2020 waren er 9 werkstakingen. Sinds 1901 zijn er alleen in 1967 minder stakingen geweest; toen waren het er 8. Met deze stakingen waren vorig jaar 211 duizend arbeidsdagen gemoeid. Dat zijn er minder dan in 2017–2019 maar wel beduidend meer dan in de jaren daarvoor. Het relatief hoge aantal stakingsdagen in 2020 betreft vooral de algemene staking in het onderwijs aan het begin van het jaar. Buiten het onderwijs was het aantal stakingsdagen in 2020 gering.

Bij de stakingen in 2020 waren 105 duizend werknemers betrokken. Deeltijdwerknemers zijn hierbij naar rato van hun arbeidsduur meegeteld. Ondanks het kleine aantal stakingen, behoorde het aantal stakende werknemers tot de hoogste sinds 1901; alleen in 2017 en 2019 waren het er meer. Het effect op het totaal aantal gewerkte uren van werknemers was gering: 0,01 procent van het totale volume aan contracturen werd gestaakt.

StatLine: Werkstakingen.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Samenstelling

Han van den Berg

Linda Fernandez Beiro

Harry Bierings

met hulp van vele anderen

Redactie

Kees Groenenboom