Tariefkosten in de Nederlandse toeleveringsketen
Invoertarieven op ingevoerde (intermediaire) goederen kunnen een aanzienlijke kostenpost vormen voor Nederlandse bedrijven. Naast directe tarieven op de invoer uit niet-EU-landen zijn er vaak al eerder in de Nederlandse toeleveringsketen tariefkosten betaald voordat de goederen de Nederlandse grens passeren: de zogenaamde indirecte tarieven. Invoertarieven in iedere stap van het productieproces maken deel uit van de productiekosten en worden veelal doorgegeven naar de volgende stap in de keten, resulterend in een hogere handelswaarde van het verwerkte product. Dit heeft gevolgen voor de eindprijs van producten, en uiteindelijk ook voor de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven. In dit hoofdstuk brengen we de tariefkosten in de Nederlandse toeleveringsketen in kaart, waarbij we voor het eerst zowel de directe tarieven op de Nederlandse goedereninvoer als de indirecte tarieven in de toeleveringsketen onderzoeken.
5.1Inleiding
Invoerheffingen zijn de laatste jaren steeds vaker onderwerp van discussie. Zo introduceerde de Amerikaanse regering in 2018 onder toenmalig president Trump heffingen op geïmporteerd staal en aluminium, waarop de Europese Unie reageerde met invoerheffingen op Amerikaanse producten zoals spijkerbroeken, motorfietsen en whisky. Daarnaast startte de Trump-regering in datzelfde jaar een handelsoorlog gericht op China, waarbij over een brede linie tarieven ingesteld werden op Chinese import (Bown & Kolb, 2023). Ook de Europese Unie heeft recentelijk invoerheffingen ingesteld op Chinese elektrische personenauto’s met de intentie de Europese auto-industrie te beschermen tegen Chinese autoproducenten die in China staatssteun genieten (Bounds et al., 2024). Daar staat tegenover dat de Europese Unie de laatste jaren ook stappen heeft gezet in het verder reduceren van handelstarieven door middel van het aangaan van vrijhandelsverdragen, zoals met Canada en Japan (Franssen & Notten, 2021). Wereldwijd gaan de gemiddelde handelstarieven dan ook al decennia omlaag (Snoussi-Mimouni & Drevinskas, 2023).
Regeringen beschikken over diverse beleidsinstrumenten om de binnenlandse productie te beschermen. Het eenvoudigste beleidsinstrument is het invoerrecht of (invoer)tarief, waarbij aan ingevoerde producten een heffing wordt opgelegd, die betaald wordt door de invoerende partij. Invoerrechten, ook wel douanerechten genoemd, zorgen er daarmee voor dat de prijzen van ingevoerde goederen stijgen. Hoe hoger de invoerrechten op een product, hoe groter het concurrentievoordeel voor binnenlandse producenten die een soortgelijk product maken. De buitenlandse concurrentie wordt namelijk duurder. Invoerrechten kunnen echter ook nadelig zijn voor binnenlandse producenten. Wanneer invoerrechten worden geheven op grondstoffen en halffabricaten die in productieprocessen worden gebruikt, kunnen de winstmarges dalen en moeten de prijzen mogelijk worden verhoogd. Invoertarieven zorgen in de regel dus voor hogere prijzen voor consumenten (Amiti et al., 2019).
In de aanloop naar de Amerikaanse verkiezingen van dit jaar lag de focus opnieuw op invoertarieven, waarbij president-elect Donald Trump tijdens zijn campagne herhaaldelijk heeft aangegeven een algemeen invoertarief van 10 procent te willen instellen op buitenlandse goederen, met tarieven tot 60 procent op Chinese producten (Diaz, 2024). Ook de regering onder leiding van president Joe Biden heeft de meeste tarieven op diverse Chinese producten uit de eerste Trump-periode gehandhaafd, waaronder zonnepanelen, halfgeleiders en batterijen. In mei 2024 verhoogde Biden het tarief zelfs op elektrische auto’s uit China van 25 procent naar 100 procent, en handhaafde of verhoogde hij ook de tarieven op Chinese staal-, en aluminiumproducten en medische goederen (Bown & Kolb, 2023). Met de herverkiezing van Donald Trump wijzen alle signalen erop dat protectionisme en handelsconflicten de komende jaren een prominente rol zullen blijven spelen op het internationale speelveld (Swanson, 2024).
In 2020 hebben we in een hoofdstuk voor de Internationaliseringsmonitor de tariefkosten op de Nederlandse goedereninvoer in kaart gebracht. Daarbij zijn de kosten die voortkomen uit invoerheffingen geanalyseerd op productniveau met aggregaties op bedrijfstak en herkomstland (Franssen & Notten, 2020). In dat onderzoek richtten we ons enkel op de directe handelskosten. Dat is echter maar één kant van de medaille.
De afgelopen decennia is de productie van goederen, die georganiseerd is in internationale productienetwerken, sterk toegenomen. Productieprocessen zijn ‘opgeknipt’ en verspreid over de hele wereld. Processen worden veelal daar uitgevoerd waar de productie het goedkoopst of het meest efficiënt is. Dat betekent ook dat handelskosten in iedere stap van het productieproces deel uitmaken van de productiekosten en worden doorgegeven naar de volgende stap door middel van een hogere handelswaarde van het verwerkte product. Handelskosten werken dus door in de productieketen en worden verder in de keten (deels) doorberekend aan de eindconsument. Omdat invoertarieven doorgaans een percentage vormen van een product en geen vast bedrag vormen, is er geen sprake van een optelsom van invoertarieven, maar van een vermenigvuldiging van invoertarieven. Bij iedere stap in de keten worden er weer tariefkosten in de prijs verwerkt waar vervolgens weer een invoertarief overheen gaat.
Recentelijk hebben Lemmers et al. (2023) een methode ontwikkeld waarmee ook schattingen gemaakt kunnen worden van de indirecte goedereninvoer op productniveau: handelsstromen eerder in de keten voordat deze Nederland binnenkomen. Deze methode is toegepast om de indirecte invoer op productniveau van de toeleveringsketen van vijf strategische bedrijfstakken in kaart te brengen. Dezelfde methode is ook gebruikt om de indirecte invoer van kritieke grondstoffen in kaart te brengen (Bohn et al., 2023). Deze methode stelt ons nu in staat om het eerdere onderzoek naar tariefkosten verbonden aan de Nederlandse invoerketen (Franssen & Notten, 2020) uit te breiden met de tariefkosten van de indirecte invoer eerder in de toeleveringsketen. Daarmee geven we een volledig beeld van de tariefkosten bij de Nederlandse goedereninvoer.
Dit onderzoek is relevant voor beleidsmakers, omdat het de kostenverhogende tarieven voor de bedrijven in Nederland over de gehele toeleveringsketen in kaart brengt. Het onderzoek biedt aanknopingspunten door ook de indirecte import via andere EU-landen in kaart te brengen en de tariefkosten te identificeren die buiten de Europese Unie geheven zijn. Want we identificeren ook de handelsstromen en tariefkosten die zich buiten de EU voordoen. Dat geeft mogelijk ook aanknopingspunten voor Nederlandse en Europese beleidsmakers om het verlagen van wereldwijde invoerheffingen op specifieke goederen die hoge kosten opleveren in de Nederlandse productieketens te bepleiten. Immers, de Nederlandse regering stelt niet zelf de douanerechten aan de Nederlandse grens vast, aangezien Nederland onderdeel is van de Europese Unie en de Europese interne markt. De Nederlandse regering kan wel invloed hebben op het handelsbeleid van de Europese Unie en kan er daarbij voor pleiten om tarieven te reduceren op producten die Nederland indirect uit niet-EU-landen importeert via andere EU-landen.
Specifiek staan de volgende drie hoofdvragen centraal, ondersteund door enkele deelvragen:
- Wat zijn tariefkosten?
- Wat bedoelen we met de directe en indirecte goedereninvoer?
- Wat bedoelen we met directe en indirecte tariefkosten?
- Wat zijn de gemiddelde handelstarieven op niet-EU-goederen die Nederland rechtstreeks
binnenkomen?
- Op welke goederen bestaan de hoogste tarieven?
- Voor de goederen uit welke landen bestaan de hoogste tarieven?
- Wat zijn de kosten door invoertarieven verder stroomopwaarts in de Nederlandse toeleveringsketen
op de indirecte goedereninvoer?
- Op welke goederen zijn de kosten als gevolg van indirecte invoertarieven het hoogst?
- En tussen welke landen in de toeleveringsketen doen deze tariefkosten zich voor?
- Wat zijn de indirecte tariefkosten die optreden als goederen van buiten de EU via een ander EU-land vervolgens door Nederland geïmporteerd worden?
- Welke Nederlandse bedrijfstakken hebben te maken met directe en indirecte tariefkosten?
- Hoe werken de tariefkosten door in de Nederlandse economie?
- Welk deel van de tariefkosten wordt gedragen door de binnenlandse afzet?
- En welk deel komt ten laste van de Nederlandse export?
Leeswijzer
Het hoofdstuk volgt de hierboven vermelde onderzoeksvragen en begint met een verduidelijking van de toeleveringsketen van Nederland en directe en indirecte tariefkosten in paragraaf 5.2. In paragraaf 5.3 analyseren we de directe tariefkosten en in paragraaf 5.4 gaan we dieper in op de indirecte tariefkosten. In paragraaf 5.5 lichten we toe hoe directe en indirecte tariefkosten in de Nederlandse economie doorwerken. Paragraaf 5.6 bevat de samenvatting en conclusie. Paragraaf 5.7 beschrijft de databronnen en geeft een beknopte beschrijving van de gebruikte methoden.
5.2Wat zijn directe en indirecte tariefkosten?
In dit hoofdstuk maken we een onderscheid tussen directe en indirecte goedereninvoer en de eventuele invoertarieven die daarbij geheven worden.
Directe goedereninvoer en directe tariefkosten
Directe invoer betekent dat goederen rechtstreeks door een bedrijf in Nederland worden ingekocht bij een buitenlandse toeleverancier, zonder tussenkomst van andere landen. De goederen worden dan meestal in het invoerende land geconsumeerd of verwerkt. Het maakt bij directe invoer niet uit of het land waar de goederen vandaan komen een EU- of een niet-EU-land is, voor de tariefkosten is dat wel van belang. Een fictief voorbeeld van directe goedereninvoer is een Nederlandse fashion retailer die rechtstreeks kleding importeert uit Duitsland. Een ander voorbeeld van directe goedereninvoer is een Nederlandse auto-importeur die auto’s koopt van een fabrikant in de Verenigde Staten. De auto’s worden rechtstreeks vanuit de Verenigde Staten naar de haven van Rotterdam verscheept en geïmporteerd. Voor kleding uit Duitsland (of andere EU-landen) betaalt Nederland geen invoertarieven, maar wel voor auto’s uit de Verenigde Staten. Er geldt namelijk een invoertarief van 10 procent op personenauto’s uit de Verenigde Staten. Deze invoertarieven noemen we ‘directe tariefkosten’; Nederland importeert de auto’s rechtstreeks uit de Verenigde Staten en betaalt daar tarieven over, zie figuur 5.2.1.
Indirecte goedereninvoer en indirecte tariefkosten
Bij indirecte invoer komen de goederen eerst een ander land binnen, waar ze verwerkt worden tot halffabricaten of eindproducten, voordat ze naar hun uiteindelijke bestemming worden verzonden. Het fenomeen van indirecte goedereninvoer is een belangrijk kenmerk van mondiale waardeketens, waarbij meerdere landen betrokken zijn in verschillende stadia van productie en verwerking van goederen.
Het eerder aangehaalde fictieve voorbeeld van de Nederlandse fashion retailer die kleding importeert uit Duitsland kan worden uitgebreid door verder terug te gaan in de toeleveringsketen van de Duitse kledingproducent, zie figuur 5.2.2. Voor de productie van kleding heeft Duitsland onder andere katoen uit China en ritsen uit Italië nodig. Duitsland betaalt geen invoertarieven op ritsen uit Italië – of een ander EU-land – maar wel een invoertarief van 8 procent op katoenweefsel uit China. Deze tarieven zijn onderdeel van ‘indirecte invoertarieven’. Nederland betaalt in dit geval via Duitsland invoertarieven op producten uit niet-EU-landen. Binnen de Europese interne markt, zoals in het fictieve voorbeeld tussen Italië en Duitsland, zijn er geen directe noch indirecte tariefkosten voor Nederland.
Een andere vorm van indirecte tariefkosten zien we in de toeleveringsketen van de Amerikaanse auto-industrie. Op de handel tussen niet-EU-landen onderling wordt vaak een invoertarief geheven. Zo betaalt een Amerikaanse autofabrikant die carrosserieën uit China importeert daarop een tarief van 2,5 procent. Niet-EU-landen kunnen ook invoertarieven opleggen op producten uit de EU. Zo betaalt een Amerikaanse autobouwer bijvoorbeeld een invoertarief van 1,6 procent op luxe Italiaanse lederen (stoel)bekleding, zie figuur 5.2.2. Beide invoertarieven worden doorgaans doorgerekend in de prijs van de auto, waar ook nog eens een tarief van 10 procent invoerrechten over gerekend wordt.
Indirecte invoer vertelt het complete verhaal
De indirecte invoer is een completere manier om naar de invoer en daarmee naar de toeleveringsketen te kijken. Bij de indirecte invoer wordt eigenlijk de directe invoer afgepeld naar waar het uiteindelijk vandaan komt. Het verschil tussen directe en indirecte invoer betreft welke stappen in de waardeketen bekeken worden. Directe invoer heeft dus betrekking op het land waarvandaan het goed ingevoerd wordt, terwijl bij indirecte invoer ook de eerdere stappen meegenomen worden.
Vele landen kunnen bijdragen aan het stapel- en vergrotingseffect
Vanwege de versplintering van productieprocessen hebben veel landen in de toeleveringsketen met hun handelspolitiek invloed op de uiteindelijke kosten en beschikbaarheid van producten in Nederland. Hogere tarieven tussen de VS en China kunnen bijvoorbeeld doorwerken in producten die bedoeld zijn voor de Nederlandse markt. Indirecte invoer kan hogere kosten met zich meebrengen, omdat goederen door meerdere douanestelsels gaan voordat ze hun eindbestemming bereiken. Daarbij worden niet alleen de betaalde tariefkosten (deels) opgeteld bij de prijs van de goederen, maar wanneer daar in de volgende stap van de keten ook weer een percentage aan tarieven over betaald wordt, worden de eerder betaalde tarieven dus vermenigvuldigd: het zogenaamde stapel- en vergrotingseffect van handelskosten (Rouzet & Miroudot, 2013; Koopman et al., 2014; Diakantoni et al., 2017).
Het CPB heeft ook onderzoek gedaan naar indirecte tariefkosten die zich elders voordoen in waardeketens waar Nederland deel van uitmaakt. De resultaten van het CPB geven naast landentotalen ook informatie over de blootstelling van Nederlandse bedrijfstakken aan indirecte tariefkosten. Het onderzoek kijkt zowel naar tariefkosten op de invoer als de uiteindelijke kosten die betaald worden bij het land van eindbestemming (Teulings et al., 2023). Dit hoofdstuk geeft ook inzicht in de directe en indirecte handelstarieven voor landen en bedrijfstakken, maar daarnaast ook schattingen van de indirecte tariefkosten op productniveau.
5.3Tarieven op goederen die Nederland rechtstreeks binnenkomen
In 2022 hief Nederland ter waarde van ruim 3,7 miljard euro aan invoerheffingen. Afgezet tegen de totale invoer van goederen komt dit neer op een gemiddeld tarief (in ad valorem equivalenten)noot1 van 0,6 procent (CBS, 2023). Aangezien er geen tarieven worden betaald op invoer uit de interne markt is het informatiever om deze kosten af te zetten tegen enkel de goedereninvoer uit niet-EU-landen. Dan bedraagt het heffingspercentage 1,1 procent. In de periode tussen 2015 en 2022 is dit percentage geleidelijk afgenomen, zie figuur 5.3.1. Die afname is in lijn met de wereldwijde afname van de gemiddelde tariefdruk in de afgelopen decennia (Snoussi-Mimouni & Drevinskas, 2023).
| Jaar | Gemiddeld tariefpercentage (AVE) |
|---|---|
| 2015 | 1,42 |
| 2016 | 1,46 |
| 2017 | 1,37 |
| 2018 | 1,33 |
| 2019 | 1,36 |
| 2020 | 1,27 |
| 2021 | 1,20 |
| 2022 | 1,08 |
Hoogste tariefkosten in absolute zin bij wederuitvoer, in relatieve zin bij eindgebruik huishoudens en overheid
Het grootste deel van de tariefkosten wordt betaald voor de goederen die bestemd zijn voor wederuitvoer: goed voor meer dan 2,1 miljard euro. Goederen voor intermediair verbruik leverden 992 miljoen euro aan tariefkosten op, goederen voor consumptieve bestedingen 450 miljoen euro en goederen bestemd voor investeringen 124 miljoen euro.
De gemiddelde invoerheffingen zijn het hoogst voor eindproducten die bestemd zijn voor rechtstreekse huishoudelijke consumptie en overheidsbestedingen, met een gemiddeld tarief van 2 procent in 2022. De tarieven op invoer voor wederuitvoer bedroegen gemiddeld 1,2 procent en die op invoer bestemd voor investeringen 1 procent. Goederen die als input voor productieprocessen van bedrijven in Nederland dienen, hebben dus relatief de laagste invoertarieven. Deze verschillen worden gedreven door verschillen in tarief per type product: over grond- en brandstoffen en intermediaire goederen worden doorgaans lagere tarieven geheven dan over finale goederen.
Goederengroepen met de hoogste gemiddelde invoertarieven zijn voornamelijk goederen die bestemd zijn voor consumptie. Dit wordt ook zichtbaar wanneer de gemiddelde invoertarieven worden ingedeeld op basis van goederengroep, zoals weergegeven in tabel 5.3.2. De top 10 van goederencategorieën met de hoogste gemiddelde invoertarieven bestaat vooral uit consumptiegoederen, met aanzienlijk hogere tarieven voor vlees en suiker(producten). Daarnaast komen textiel, kleding en schoeisel ook voor in de top 10 van goederengroepen met de hoogste gemiddelde invoertarieven. Dit is in lijn met eerdere bevindingen (Franssen & Notten, 2020). Goederengroepen waarop geen of nauwelijks tarieven geheven worden zijn aardolie, aardgas, hout en papier. Het tariefprofiel van de EU, en dus van Nederland, komt hiermee in grote lijnen overeen met dat van andere landen wereldwijd: lage invoertarieven voor grondstoffen en halffabricaten, terwijl de tarieven toenemen naarmate goederen verder bewerkt worden (Eurostat, 2024).
| SITC | Beschrijving | Gemiddeld invoertarief in % |
|---|---|---|
| 01 | Vlees en vleesproducten | 21,7 |
| 06 | Suiker en suikerwerken, honing | 19,4 |
| 02 | Zuivelproducten en eieren | 7,4 |
| 85 | Schoeisel | 5,2 |
| 65 | Garens, weefsels e.d. | 4,3 |
| 03 | Vis, schaal- en weekdieren en bereidingen daarvan | 3,9 |
| 84 | Kleding en toebehoren | 3,8 |
| 66 | Fabricaten van niet-metaalhoudende mineralen, n.a.g. | 3,3 |
| 81 | Geprefabriceerde bouwwerken, sanitaire artikelen, installaties voor centrale verwarming en verlichtingstoestellen, n.a.g. | 3,1 |
| 04 | Granen en graanproducten | 3,1 |
Bron:CBS, International Trade Center (2024); eigen berekeningen
Meeste invoertarieven betaald op goederen uit China
Naast producten is het ook interessant om te kijken naar de herkomstlanden van de Nederlandse invoer met de hoogste invoertarieven. Tabel 5.3.3 toont de top 15 landen waarvan de totale goedereninvoer en de invoer voor intermediair verbruik het meest belast werden door invoertarieven. De verschillen in gemiddelde tarieven op de invoer van herkomstlanden worden verklaard door een verschil in importcompositie tussen de landen. Ten opzichte van de vorige studie naar directe invoertarieven zijn er weinig verschuivingen te zien in de top 15 (Franssen & Notten, 2020). Voor bedrijven die actief zijn in mondiale waardeketens zijn de invoertarieven op intermediaire invoer van groot belang. Meestal zijn de gemiddelde invoertarieven voor geïmporteerde goederen bestemd voor intermediair verbruik lager dan het gemiddelde tarief voor de totale invoer uit de meeste landen.
De meeste invoertarieven betaalden bedrijven in Nederland op goederen uit China, met een totaal van meer dan 1,6 miljard euro in 2022. Het merendeel van deze betaalde tarieven bestond uit heffingen op invoer voor wederuitvoer met ruim 1 miljard euro, waarbij kleding en schoeisel de grootste categorieën vormden waarop heffingen zaten. Ook waren er aanzienlijke heffingen op invoer voor wederuitvoer uit China van biodiesel en lithium-ion accu’s. Opvallend genoeg waren de gemiddelde invoertarieven op de intermediaire invoer uit China hoger dan de totale invoer uit China. Dat kan worden verklaard door het hoge aandeel van halffabricaten in de invoer uit China bestemd voor wederuitvoer. De tariefkosten op de intermediaire invoer uit China bedroegen 374 miljoen euro, met metaalwaren, organische chemicaliën, elektrische apparaten (o.a. lithium-ion accu’s) en garen en weefsel als belangrijkste categorieën. Voor invoer uit China bestemd voor consumptie werden door de Nederlandse douane 198 miljoen euro aan invoerrechten geïnd, waarbij kleding, garen en weefsel de belangrijkste categorieën waren. Gemiddeld genomen bedroegen de tarieven op ingevoerde goederen uit China bestemd voor consumptie 3,9 procent.
Na China werden de meeste invoerrechten betaald voor goederen afkomstig uit de Verenigde Staten, met een totaalbedrag van 546 miljoen euro. De meeste invoerrechten werden geheven op invoer voor wederuitvoer, ter waarde van 306 miljoen euro. Voor intermediair verbruik werd invoer uit de Verenigde Staten belast met 154 miljoen euro. Zowel bij de invoer voor wederuitvoer als bij het intermediaire gebruik spelen chemicaliën, vlees en vleesproducten (rundvlees) en kunststoffen een voorname rol. Invoer uit de Verenigde Staten voor investeringen werd belast met 59 miljoen euro, waarbij vliegtuigen en onderdelen daarvan en diverse machines (o.a. vorkheftrucks) de belangrijkste productcategorieën waren.
Op ingevoerde goederen uit Brazilië en Thailand werd respectievelijk 252 en 169 miljoen euro aan invoerrechten betaald. De invoerrechten op goederen bestemd voor wederuitvoer uit Brazilië bedroegen 120 miljoen euro, met fruit (vruchtensap en citroenen) en vlees en vlees(producten) (rundvlees en bereide producten van pluimvee) als grootste productcategorieën. Intermediaire invoer uit Brazilië werd belast met 96 miljoen euro, voornamelijk voor organische chemische producten (o.a. industriële alcohol), vlees en vleesproducten (voornamelijk rundvlees) en fruit.
Het gemiddelde invoertarief op goederen voor intermediair verbruik is voor de meeste landen lager dan het gemiddelde invoertarief op de totale invoer. Bij Thailand is dit echter niet het geval, vanwege de hoge invoertarieven op intermediaire invoer van slachtafval en verwerkt pluimvee. Een groot deel van de totale invoer uit dit land bestaat uit deze productgroepen. Wat verder opvalt in de top 15 van importpartners met de hoogste opbrengsten uit invoerrechten, zijn de hoge gemiddelde tarieven voor Nieuw-Zeeland. Dit komt door het hoge aandeel van lams- en schapenvlees in de invoer uit Nieuw-Zeeland, dat gekenmerkt wordt door hoge invoertarieven. Bij Uruguay zijn de hoge gemiddelde invoerheffingen te verklaren door het grote aandeel van rundvlees in de invoer uit dat land. Op de invoer van rundvlees zitten hoge invoerheffingen.
| Invoertarieven op totale invoer | Gemiddeld invoertarief (ad valorem equivalent) | Invoertarieven op intermediaire invoer | Gemiddeld invoertarief op intermediaire invoer (ad valorem equivalent) | |
|---|---|---|---|---|
| mln euro | % | mln euro | % | |
| Partner | ||||
| Totaal | 3 712 | 1,08 | 672 | 1,00 |
| China | 1 630 | 2,90 | 374 | 3,32 |
| VS | 546 | 1,20 | 154 | 0,87 |
| Brazilië | 252 | 3,79 | 96 | 2,66 |
| Thailand | 169 | 4,61 | 50 | 10,26 |
| Argentinië | 125 | 6,16 | 35 | 4,60 |
| Taiwan | 122 | 2,19 | 30 | 1,88 |
| Maleisië | 120 | 2,40 | 56 | 3,84 |
| India | 114 | 2,06 | 19 | 1,22 |
| Nieuw-Zeeland | 96 | 18,56 | 24 | 18,75 |
| Uruguay | 74 | 13,09 | 26 | 14,27 |
| Hongkong | 58 | 1,10 | 11 | 1,53 |
| Vietnam | 58 | 0,98 | 4 | 0,49 |
| Australië | 56 | 2,07 | 19 | 1,40 |
| Indonesië | 51 | 1,43 | 12 | 1,03 |
| Rusland | 42 | 0,25 | 17 | 0,20 |
Bron:CBS, International Trade Center (2024); eigen berekeningen
5.4Tarieven op goederen eerder in de keten
In de vorige paragraaf zijn de tariefkosten voor de directe of rechtstreekse Nederlandse goedereninvoer beschreven. Zoals in paragraaf 5.2 is uiteengezet, worden er in de Nederlandse toeleveringsketen echter nog meer tariefkosten gemaakt: indirecte tariefkosten die eerder in de keten worden geheven. Voor de indirecte tariefkosten is het laatste verslagjaar 2020. In deze paragraaf worden de indirecte tariefkosten ook geregeld afgezet tegen de directe tariefkosten die in de vorige paragraaf beschreven zijn. Om deze vergelijking te maken zijn voor de directe tariefkosten ook de cijfers voor verslagjaar 2020 gebruikt.
De (onderdelen van) goederen die in Nederland ingevoerd worden, zijn vaak al in meerdere landen geweest voor productie en bewerking. In deze paragraaf belichten we de tariefkosten die voor eerdere stappen in de keten betaald zijn, en (deels) verwerkt zijn in de prijs van de producten die in Nederland ingevoerd worden. De ingevoerde goederen worden de Nederlandse toeleveringsketen ingebracht voor directe consumptie in ons land of als intermediair product verder verwerkt en vervolgens in Nederland geconsumeerd, of weer uitgevoerd naar het buitenland. De indirecte invoer voor wederuitvoer laten we hier dus buiten beschouwing.
Meer dan de helft van de totale tariefkosten vanwege indirecte tarieven
In 2020 bedroegen de totale tariefkosten binnen de Nederlandse toeleveringsketen ruim 2,2 miljard euro.noot2 Hiervan was 48,5 procent (1,1 miljard euro) directe tarieven, die direct door Nederlandse importeurs worden betaald, en 51,5 procent (1,2 miljard euro) indirecte tarieven die (deels) verwerkt zitten in de ingevoerde goederen. Dit laat zien dat de totale tariefkosten voor Nederland aanzienlijk hoger zijn – ruim twee keer zoveel – dan eerder werd gesuggereerd op basis van alleen directe tarieven.
Figuur 5.4.1 laat zien dat de totale directe en indirecte tariefkosten tussen 2015 en 2019 geleidelijk zijn gestegen, van 2,2 miljard euro naar 2,5 miljard euro, gevolgd door een scherpe daling in 2020 door de coronapandemie. Deze daling, die sterker zichtbaar was in de indirecte tarieven, hangt samen met verstoringen in mondiale waardeketens en een lager handelsvolume tussen landen. De toename in tariefkosten tussen 2015 en 2019 hangt samen met de toename in invoerwaarde.
| Jaar | Directe tariefkosten | Indirecte tariefkosten |
|---|---|---|
| 2015 | 1050 | 1204,4 |
| 2016 | 1050 | 1205,7 |
| 2017 | 1064 | 1273,4 |
| 2018 | 1083 | 1286,1 |
| 2019 | 1165 | 1306,4 |
| 2020 | 1085 | 1154,0 |
| Bron: CBS, Gaulier & Zignago (2010), International Trade Center (2024), OESO (2023), Remond-Tiedrez & Rueda-Cantuche (2019) | ||
Figuur 5.4.2 geeft vervolgens het gemiddelde tarief op de directe en indirecte invoer (exclusief handel tussen EU-landen) weer. In 2020 bedroeg het gemiddelde invoertarief in Nederland voor directe en indirecte invoer 1,57 procent. Hoewel de totale tariefkosten voor Nederland in de periode 2015–2019 stegen, daalde het gemiddelde tarief juist van 1,71 procent in 2015 naar 1,63 procent in 2019 en verder tot 1,57 procent in 2020. In figuur 5.4.2 zien we bovendien dat de gemiddelde tarieven op de indirecte import met 2,29 procent veel hoger zijn dan op de directe import, waar het tarief in 2020 ‘slechts’ 1,17 procent bedroeg. Daarmee is het gemiddelde indirecte invoertarief hoger dan het directe invoertarief, wat we op basis van eerder onderzoek ook zouden verwachten (Duan et al., 2021). Door de jaren heen daalden beide tarieven geleidelijk, waarbij de directe tarieven iets meer lijken af te nemen dan de indirecte, waar vanaf 2018 in de figuur een lichte stijging zichtbaar is. De ontwikkelingen in gemiddelde tarieven zijn grotendeels terug te voeren op veranderingen in invoerportefeuille en invoerwaarde.
| jaar | Gemiddelde tarief op directe en indirecte invoer | Gemiddelde tarief op directe invoer | Gemiddelde tarief op indirecte invoer |
|---|---|---|---|
| 2015 | 1,71 | 1,31 | 2,32 |
| 2016 | 1,79 | 1,36 | 2,47 |
| 2017 | 1,67 | 1,26 | 2,31 |
| 2018 | 1,59 | 1,2 | 2,19 |
| 2019 | 1,63 | 1,23 | 2,28 |
| 2020 | 1,57 | 1,17 | 2,29 |
| Bron: CBS, Gaulier & Zignago (2010), International Trade Center (2024), OESO (2023), Remond-Tiedrez & Rueda-Cantuche (2019) | |||
Fabricaten verreweg hoogste tariefkosten
In 2020 werd er binnen de Nederlandse toeleveringsketen voor zo’n 50,4 miljard euro aan goederen via andere landen ingevoerd. Daarbij laten we de handel tussen EU-landen die plaatsvindt binnen deze keten buiten beschouwing omdat daar per definitie geen tarieven over geheven worden. Ook de invoer voor wederuitvoer nemen we hier niet mee, omdat die kosten doorgaans niet in de Nederlandse economie terechtkomen. Over die 50,4 miljard euro aan invoerwaarde werden eerder in de keten zo’n 1,2 miljard euro aan indirecte tariefkosten betaald. Dat komt neer op een gemiddeld indirect invoertarief van 2,29 procent.
In figuur 5.4.3 splitsen we de tariefkosten uit per productcategorie. De meeste indirecte tariefkosten werden betaald voor ingevoerde producten binnen de categorie fabricaten, zo’n 446 miljoen euro. Het gaat dan met name om textiel, benodigdheden voor fotografie en optiek (voornamelijk onderdelen voor chipmachines zoals lenzen), metaalproducten, ijzer en staal, producten van rubber, en papier en karton. Op enige afstand volgen chemische producten, machines en apparaten (met name elektrische apparaten en telefoons), en voeding en dranken. Naast de hoogte van de importtarieven speelt de lengte van de keten en het aantal bijbehorende grensovergangen ook mee in de hoogte van de tariefkosten (Muradov, 2017). Goederen als fabricaten en machines hebben een relatief langere keten en bevatten vaak al veel intermediaire input uit verschillende landen; minerale brandstoffen en grondstoffen ondergaan vaak weinig bewerking en dienen vaak als input voor ketens. Op grondstoffen en minerale brandstoffen worden bovendien doorgaans relatief lage tarieven geheven (UNCTAD, 2024).
Doordat de meeste tarieven als percentage van de invoerwaarde worden berekend, hangen de totale tariefkosten sterk samen met de totale handelswaarde. We zien dat ook terug in figuur 5.4.3: in coronajaar 2020 lagen de tariefkosten voor de Nederlandse toeleveringsketen lager dan een jaar eerder, enkel bij voeding en dranken was dat niet het geval. Opvallend zijn ook de hoge tariefkosten voor machines en apparaten in 2015. Dat komt met name doordat er in 2019 en 2020 minder elektrische apparaten de Nederlandse keten ingevoerd werden, terwijl het tarief juist afnam ten opzichte van 2015.
| categorie | 2020 | 2019 | 2015 |
|---|---|---|---|
| Fabricaten | 446 | 483 | 430 |
| Chemische producten | 170 | 193 | 157 |
| Machines en apparaten | 153 | 161 | 239 |
| Voeding en dranken | 133 | 152 | 155 |
| Minerale brandstoffen | 100 | 131 | 90 |
| Vervoermaterieel | 99 | 117 | 81 |
| Grondstoffen en natuurproducten | 53 | 69 | 53 |
| Bron: CBS, Gaulier & Zignago (2010), International Trade Center (2024), OESO (2023), Remond-Tiedrez & Rueda-Cantuche (2019) | |||
Figuur 5.4.4 laat de totale waarde van de import, gesorteerd op importwaarde zien. Daarbij valt op dat machines en apparaten, en voeding en dranken hoger gerangschikt staan bij de tariefkosten dan je zou verwachten op basis van importwaarde. Dat betekent dat er relatief hoge tarieven gelden in deze productcategorieën. Naast machines is voedingsmiddelen ook een productcategorie met relatief hoge tarieven omdat veel landen hun landbouw- en voedselsector beschermen (UNCTAD, 2024).
| categorie | 2020 | 2019 | 2015 |
|---|---|---|---|
| Fabricaten | 18,2 | 19,6 | 17,9 |
| Machines en apparaten | 11,4 | 12,0 | 13,0 |
| Minerale brandstoffen | 8,0 | 11,5 | 9,1 |
| Chemische producten | 5,5 | 6,0 | 5,1 |
| Grondstoffen en natuurproducten | 3,3 | 3,7 | 3,2 |
| Vervoermaterieel | 2,5 | 2,9 | 2,1 |
| Voeding en dranken | 1,6 | 1,8 | 1,5 |
| Bron: CBS, Gaulier & Zignago (2010), International Trade Center (2024), OESO (2023), Remond-Tiedrez & Rueda-Cantuche (2019) | |||
Gemiddeld de hoogste tarieven op voeding en dranken
In figuur 5.4.5 staan voor diezelfde productgroepen de gemiddelde indirecte tarieven voor de jaren 2015, 2019 en 2020. De ontwikkeling door de tijd heen, zoals getoond in de figuur, kan het resultaat zijn van veranderingen van indirecte tarieven, maar ook van veranderingen in importportefeuille.
De indirecte tarieven van voeding en dranken zijn de afgelopen jaren gemiddeld afgenomen. Dat is terug te zien in alle belangrijke producten binnen die categorie (bereide voedingsmiddelen; suiker; graan(producten) en veevoer). Bij de andere productgroepen zijn de tarieven gemiddeld gezien ongeveer gelijk gebleven of toegenomen (minerale brandstoffen en vervoermaterieel).
| categorie | 2020 | 2019 | 2015 |
|---|---|---|---|
| Voeding en dranken | 8,4 | 8,6 | 10,0 |
| Vervoermaterieel | 4,0 | 4,0 | 3,8 |
| Chemische producten | 3,1 | 3,2 | 3,1 |
| Fabricaten | 2,4 | 2,5 | 2,4 |
| Grondstoffen en natuurproducten | 1,6 | 1,9 | 1,6 |
| Machines en apparaten | 1,3 | 1,3 | 1,8 |
| Minerale brandstoffen | 1,3 | 1,1 | 1,0 |
| Bron: Gaulier & Zignago (2010), International Trade Center (2024), OESO (2023), Remond-Tiedrez & Rueda-Cantuche (2019) | |||
Motor- en vrachtwagen(onderdelen) leveren hoogste indirecte tariefkosten op voor Nederlandse keten
In tabel 5.4.6 staan de tien productennoot3 in de Nederlandse toeleveringsketen met de hoogste indirecte tariefkosten. De totale tariefkosten voor de ingevoerde voertuigen voor wegvervoer (o.a. auto’s, vrachtwagens en onderdelen daarvan) zijn het hoogst. Hoewel er goederencategorieën zijn met hogere invoerwaarden (o.a. aardolie en elektrische apparaten), is het gemiddeld tarief (4,7 procent) van de voertuigen hoger. Dat komt met name door hoge tariefkosten in de keten van motors en vrachtwagens. De belangrijkste landen van herkomst van de voertuigen(onderdelen) zijn Japan, Duitsland, de VS en China. Aardolieproducten zijn in 2020 met name afkomstig uit Rusland en overige landen en hebben met 1,3 procent gemiddeld een relatief laag indirect tarief.
Diverse fabricaten en elektrische apparaten worden de Nederlandse keten ook ingevoerd met hoge tariefkosten, maar dat komt met name door de hoge invoerwaarde. Met respectievelijk 2,0 en 1,1 procent aan tariefkosten is het gemiddelde tarief niet bijzonder hoog. De productgroep garens en weefsels (textiel) daarentegen, kent met gemiddeld 5,0 procent hoge indirecte tariefkosten. China is daarbij het belangrijkste land van herkomst. Die tariefkosten komen zowel door artikelen van textiel (consumptiegoederen) als door stoffen, die vaker als intermediaire input dienen. Wereldwijd zijn de importtarieven op kleding en textiel relatief hoog (UNCTAD, 2024). Ook bereide voedingsmiddelen kennen een relatief hoog gemiddeld tarief met 6,8 procent, en Japan is hierbij het belangrijkste land van herkomst.
| Indirecte invoer | Totale tariefkosten | Gemiddeld tarief | |
|---|---|---|---|
| mln euro | % | ||
| Voertuigen voor wegvervoer | 2 024 | 94 | 4,7 |
| Aardolie(producten) | 6 257 | 81 | 1,3 |
| Diverse fabricaten, n.a.g. | 3 885 | 80 | 2,0 |
| Garens, weefsels e.d. | 1 481 | 73 | 5,0 |
| Elektrische apparaten, n.a.g. | 5 657 | 62 | 1,1 |
| Apparaten en benodigdheden voor fotografie, optiek e.d.; uurwerken | 3 140 | 62 | 2,0 |
| Metaalwaren, n.a.g. | 1 776 | 60 | 3,4 |
| Organische chemische producten | 1 265 | 42 | 3,3 |
| IJzer en staal | 1 693 | 41 | 2,4 |
| Bereide voedingsmiddelen n.a.g. | 565 | 38 | 6,8 |
Bron:CBS, Gaulier & Zignago (2010), International Trade Center (2024), OESO (2023), Remond-Tiedrez & Rueda-Cantuche (2019); eigen berekeningen
De hoogste indirecte tarieven van de goederen die in de Nederlandse tariefketen terechtkomen, waren in 2020 zuivel(producten) en eieren met bijna 26 procent en suiker(producten) met ruim 24 procent. Productgroepen met relatief lage indirecte tarieven zijn computers en laptops met een gemiddeld indirect tarief van circa 0,5 procent.
Vergelijken we de tariefkosten door de indirecte invoer met de tariefkosten door de directe invoer (paragraaf 5.3), dan zien we dezelfde producten met relatief hoge tarieven (o.a. suiker, zuivel, textiel, vlees).
Hoogste indirecte kosten door goederen afkomstig uit China
Veel van de producten die in de Nederlandse toeleveringsketen gebruikt worden, zijn (deels) buiten de EU vervaardigd en komen via één of meerdere landen in de keten in Nederland terecht. In tabel 5.4.7 staan de belangrijkste landen van herkomst voor de producten waar tariefkosten aan verbonden zijn. In de Nederlandse keten worden verreweg de meeste indirecte tariefkosten betaald voor goederen die uit China en de VS afkomstig zijn, net zoals bij de directe tariefkosten. Daarna komen overige landen, Japan en Duitsland.noot4
Goederen uit China betreffen vooral textiel (gemiddeld importtarief van 6,7 procent in 2020), telefoons (1,6 procent), metaalproducten (3,9 procent), fabricaten (4,3 procent) en elektrische apparaten (1,1 procent). Op metaalproducten na, namen van al deze producten de tariefkosten (licht) toe in 2020 ten opzichte van 2019, met name als gevolg van een toegenomen handelswaarde.
Goederen uit de VS die veel tariefkosten opleveren zijn onderdelen voor fotografie en uurwerken (o.a. onderdelen voor chipmachines), fabricaten, voertuigen en zuivel. De eerste drie productgroepen hebben een gemiddeld importtarief van respectievelijk 2,5, 1,2 en 6,3 procent in 2020. Zuivelproducten en eieren afkomstig uit de VS hebben een gemiddeld importtarief van bijna 35 procent. Dat komt met name door melk(producten). De algehele daling van tariefkosten door goederen afkomstig uit de VS in 2020 ten opzichte van 2019 komt vooral door een lagere importwaarde bij alle grote importproducten; de gemiddelde tarieven zijn over de tijd vergelijkbaar.
De tariefkosten van producten die uit Rusland en uit overige landen komen, zijn er vooral door aardolie(producten); bij Duitsland betreft het (onderdelen voor) voertuigen. Bij Japan gaat het met name om voertuigen en bereide voedingsmiddelen, waarvan zowel de importwaarde als het importtarief in 2020 lager was dan in 2019. Bovendien ging in 2019 een handelsverdrag in tussen de EU en Japan waarbij de tarieven geleidelijk omlaag gebracht worden (Europese Commissie, 2018), waarvan we in 2020 het resultaat zien in de vorm van lagere tariefkosten. Niet alleen de directe tariefkosten daalden, ook de indirecte tariefkosten van goederen uit Japan zijn fors lager geworden.
| Totale tariefkosten 2015 | Gemiddeld tarief 2015 | Totale tariefkosten 2019 | Gemiddeld tarief 2019 | Totale tariefkosten 2020 | Gemiddeld tarief 2020 | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| mln euro | % | mln euro | % | mln euro | % | |
| China | 205,1 | 3,0 | 205,6 | 2,9 | 214,6 | 2,9 |
| VS | 188,1 | 2,9 | 213,3 | 2,8 | 181,2 | 2,7 |
| Overige landen1) | 93,2 | 1,9 | 116,3 | 2,0 | 105,4 | 2,4 |
| Japan | 114,4 | 4,3 | 128,6 | 4,0 | 81,7 | 2,9 |
| Duitsland | 52,7 | 2,6 | 58,8 | 3,2 | 55,7 | 3,4 |
| Rusland | 47,0 | 1,7 | 50,8 | 1,6 | 40,0 | 1,6 |
| Zuid-Korea | 57,4 | 2,4 | 38,0 | 1,6 | 34,1 | 1,6 |
| Taiwan | 35,4 | 2,2 | 34,0 | 2,2 | 32,7 | 2,2 |
| India | 28,2 | 3,5 | 33,0 | 3,4 | 27,9 | 3,3 |
| Italië | 23,2 | 3,1 | 25,6 | 3,6 | 24,0 | 3,8 |
Bron:CBS, Gaulier & Zignago (2010), International Trade Center (2024), OESO (2023), Remond-Tiedrez & Rueda-Cantuche (2019); eigen berekeningen
1)Overige landen zijn de landen die niet zijn opgenomen in de multiregionale IO-tabellen van de OESO die 76 landen bevat (OESO, 2023). De tarieven van deze overige landen per HS-6 productgroep zijn de mediaan van de invoertarieven van de landen die wel in de OESO-dataset aanwezig zijn (met de EU als 1 handelsblok).
Vergeleken met de top 15 landen met de hoogste directe tariefkosten – tabel 5.3.3 in paragraaf 5.3 – zien we in tabel 5.4.7 landen terug die als leverancier van goederen indirecte tariefkosten met zich meebrengen, terwijl er bij de directe stroom geen sprake is van tariefkosten. Bijvoorbeeld doordat ze in de EU zitten (Duitsland, Italië) of omdat we er een handelsverdrag mee hebben (Japan, Zuid-Korea). Bij de indirecte invoer kunnen er wel tariefkosten op producten uit EU-landen komen, doordat ze buiten de EU verwerkt worden voordat ze de EU (in dit geval specifiek Nederland) weer binnenkomen, waarbij we geen rekening kunnen houden met het aantonen van het land van oorsprong.
Driekwart van tariefkosten door tarieven niet-EU-landen
In tabel 5.4.8 staan nogmaals de herkomstlanden met de hoogste tariefkosten, maar dan uitgesplitst naar land van tariefheffing (EU en niet-EU) in de keten. Deze verdeling geeft onder andere inzicht in de mate waarin EU-tarieven verantwoordelijk zijn voor tariefkosten in de Nederlandse economie, oftewel in welke mate die tarieven de kosten in de Nederlandse toeleveringsketen verhogen door inputs uit niet-EU-landen te belasten. We zien daarbij dat het grootste aandeel van de tariefkosten in de keten van producten afkomstig uit China wordt betaald door niet-EU-landen (met name overige landen). De tariefkosten van elektrische apparaten en met name die van telefoons worden amper in de EU afgedragen. Producten die ook voor hoge tariefkosten in de keten zorgen zijn textiel en fabricaten, waarbij de meeste kosten juist wel in de EU gemaakt worden. Dat wil zeggen dat de keten vanuit China veelal naar andere EU-landen loopt, voordat de goederen in Nederland aankomen. De tarieven die de EU bij binnenkomst op textiel en fabricaten heft, bepalen het grootste deel van de totale tariefkosten hiervan.
Bij goederen met de Verenigde Staten als herkomstland vormen de EU-tarieven het grootste deel van de tariefkosten. Het belangrijkste land van heffing zijn de overige landen (niet verder uit te splitsen), daarna Ierland, Duitsland en België. Vooral de tariefkosten van onderdelen voor chips worden in Europa gemaakt. Bij zowel China als de VS als herkomstland in de keten zien we dat het aandeel van tariefkosten door de EU sinds 2015 gegroeid is.
Bij de landen in de EU zien we dat de volledige tariefkosten komen door niet-EU-schakels in de keten. Dat is logisch, EU-landen heffen onderling immers geen invoerrechten door het vrije verkeer van goederen dat hier geldt. Het feit dat de tariefkosten van producten uit Zuid-Korea (m.n. elektrische apparaten en voertuigen voor wegvervoer) en Japan (voertuigen en bereide voedingsmiddelen) in de Nederlandse toeleveringsketen volledig of grotendeels uit niet-EU-kosten bestaat, komt doordat we met die landen een handelsverdrag hebben (met Japan sinds 2019).
Voor alle landen gezamenlijk geldt dat EU-tarieven voor iets meer dan een kwart (26 procent) van de totale indirecte tariefkosten zorgen.noot5 Het EU-aandeel in de totale indirecte tariefkosten neemt gemiddeld gezien af; in 2015 was dat nog 28 procent. De afname komt onder andere door het ingaan van enkele handelsverdragen, waaronder dat met Japan.
| 2020 | 2019 | 2015 | ||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| aandeel EU | aandeel niet-EU | aandeel EU | aandeel niet-EU | aandeel EU | aandeel niet-EU | |
| % | ||||||
| China | 38,5 | 61,5 | 37,0 | 63,0 | 32,3 | 67,7 |
| VS | 52,3 | 47,7 | 51,4 | 48,6 | 47,8 | 52,2 |
| Overige landen | 38,1 | 61,9 | 36,4 | 63,6 | 42,0 | 58,0 |
| Japan | 10,2 | 89,8 | 42,8 | 57,2 | 39,7 | 60,3 |
| Duitsland | 0 | 100 | 0 | 100 | 0 | 100 |
| Rusland | 51,9 | 48,1 | 51,2 | 48,8 | 61,3 | 38,7 |
| Zuid-Korea | 0 | 100 | 0 | 100 | 0,6 | 99,4 |
| Taiwan | 18,0 | 82,0 | 18,9 | 81,1 | 17,9 | 82,1 |
| India | 24,3 | 75,7 | 26,2 | 73,8 | 27,0 | 73,0 |
| Italië | 0 | 100 | 0 | 100 | 0 | 100 |
Bron:CBS, Gaulier & Zignago (2010), International Trade Center (2024), OESO (2023), Remond-Tiedrez & Rueda-Cantuche (2019); eigen berekeningen
Welke bedrijfstakken in Nederland betalen de tariefkosten?
Tabel 5.4.9 geeft weer hoeveel invoerheffingen elke bedrijfstak in Nederland in 2020 heeft betaald voor zowel directe als indirecte import. Het laat ook de gemiddelde heffingsdruk op de directe en indirecte import zien voor iedere bedrijfstak. Nederlandse importeurs lopen met 791 miljoen euro aanzienlijk hogere indirecte tariefkosten op dan door directe kosten die bijna 648 miljoen euro bedroegen. Het overgrote deel van de kosten van de importerende bedrijfstakken komt dus tot stand door invoertarieven die eerder door andere landen betaald worden. Dit is vooral het geval bij dienstverlenende sectoren (waaronder de zakelijke dienstverlening, IT- en informatiedienstverlening, groothandel en financiële instellingen), de elektrotechnische industrie, aardolie-industrie en de energievoorziening. Dienstverlenende bedrijfstakken worden met name getroffen door indirecte tariefkosten op minerale brandstoffen en halfgeleidermaterialen, die onmisbaar zijn voor IT-apparatuur en datacenters die deze diensten ondersteunen.
Bedrijfstakken waarin directe kosten zwaarder wegen dan indirecte, zijn onder meer de voedings- en genotmiddelenindustrie (door de import van consumptiegoederen met hoge tarieven zoals vlees, suiker, eieren en zuivel), de textiel-, kleding- en lederindustrie (directe import van kleding, schoenen, garens en textiel), horeca (vooral consumptiegoederen), chemische industrie (vooral door directe import van organische chemicaliën, zoals industriële alcoholen, vetzuren en ethers), machine-industrie (o.a. lithium-ion accu’s, werken van ijzer en staal, en lenzen, prisma’s en spiegels), en bedrijfstakken zoals openbaar bestuur, onderwijs en gezondheidszorg (munitie, kleding, biodiesel).
Als we kijken naar de gemiddelde heffingsdruk op de directe en indirecte import, dan zien we dat de horeca de hoogste gemiddelde heffingsdruk heeft op de directe en indirecte import, met een totaal van 4,4 procent. Dit betekent dat de gemiddelde heffingsdruk op de volledige aanvoerketen van de horeca ruim 4,4 procent bedroeg. Andere bedrijfstakken met een hoge heffingsdruk zijn de textiel-, kleding- en lederindustrie (3,1 procent), voedings- en genotmiddelenindustrie (2,0 procent), delfstoffenwinning (2,0 procent) en chemische industrie (1,9 procent). Opvallend is dat in de voedingsmiddelenindustrie de directe tariefkosten hoger zijn dan de indirecte, hoewel de gemiddelde heffingsdruk op indirecte import juist hoger ligt. In de toeleveringsketen van de voedingsmiddelenindustrie is vooral sprake van handel in consumptiegoederen waarvoor relatief hoge tarieven gelden (UNCTAD, 2024).
Bedrijfstakken met de laagste heffingsdruk importeren doorgaans homogene goederen, zoals grondstoffen en halffabricaten met lage importtarieven die vaak ook nog eens vooraan in de keten zitten waardoor er geen sprake is van het stapelingseffect van tarieven (UNCTAD, 2024). Dit patroon is duidelijk zichtbaar bij bedrijfstakken zoals de aardolie-industrie, energievoorziening, basismetaalindustrie, elektrotechnische industrie, landbouw, bosbouw, visserij en de farmaceutische industrie, met een gemiddelde tariefdruk van minder dan 1 procent.
| Directe tariefkosten | Indirecte tariefkosten | Totale tariefkosten | Gemiddelde directe tariefdruk | Gemiddelde indirecte tariefdruk | Gemiddelde tariefdruk totaal | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| mln euro | % | |||||
| Landbouw, bosbouw, visserij | 3 | 6,4 | 9 | 0,4 | 2,2 | 0,8 |
| Delfstoffenwinning | 1 | 3,3 | 4 | 1,4 | 2,5 | 2,0 |
| Voedings-, genotmiddelenindustrie | 145 | 70,1 | 215 | 1,7 | 3,1 | 2,0 |
| Textiel-, kleding-, lederindustrie | 20 | 5,7 | 26 | 3,0 | 3,1 | 3,1 |
| Hout-, papier- en grafische industrie | 10 | 11,9 | 22 | 1,1 | 2,1 | 1,5 |
| Aardolie-industrie | 10 | 41,7 | 52 | 0,1 | 2,8 | 0,3 |
| Chemische industrie | 102 | 55,6 | 158 | 1,7 | 2,2 | 1,9 |
| Farmaceutische industrie | 5 | 5,7 | 11 | 0,5 | 2,4 | 0,8 |
| Rubber- en kunststofproductindustrie | 9 | 8,8 | 18 | 1,4 | 2,5 | 1,9 |
| Bouwmaterialenindustrie | 3 | 3,3 | 6 | 0,9 | 2,1 | 1,5 |
| Basismetaalindustrie | 6 | 7,9 | 14 | 0,4 | 1,9 | 0,8 |
| Metaalproductenindustrie | 17 | 11,1 | 28 | 1,5 | 1,8 | 1,6 |
| Elektrotechnische industrie | 10 | 192,2 | 202 | 0,3 | 1,3 | 0,8 |
| Elektrische apparatenindustrie | 8 | 6,9 | 15 | 1,1 | 1,7 | 1,3 |
| Machine-industrie | 38 | 26,1 | 64 | 1,0 | 1,9 | 1,3 |
| Auto- en aanhangwagenindustrie | 14 | 18,2 | 32 | 0,8 | 2,2 | 1,3 |
| Overige transportmiddelenindustrie | 11 | 9,1 | 20 | 1,3 | 2,1 | 1,6 |
| Meubelindustrie | 6 | 3,5 | 10 | 1,5 | 2,4 | 1,8 |
| Overige industrie en reparatie | 11 | 8,6 | 20 | 1,4 | 2,2 | 1,7 |
| Energievoorziening | 2 | 5,7 | 8 | 0,1 | 1,9 | 0,3 |
| Waterbedrijven en afvalbeheer | 4 | 3,0 | 7 | 1,2 | 2,2 | 1,6 |
| Bouw | 56 | 45,4 | 101 | 1,3 | 2,1 | 1,6 |
| Autohandel en -reparatie | 9 | 10,4 | 19 | 1,0 | 2,7 | 1,6 |
| Groothandel en handelsbemiddeling | 9 | 33,0 | 42 | 0,9 | 1,8 | 1,5 |
| Detailhandel (niet in auto’s) | 1 | 3,2 | 4 | 0,6 | 1,8 | 1,2 |
| Vervoer en opslag | 11 | 51,7 | 63 | 1,2 | 2,2 | 1,8 |
| Horeca | 44 | 12,0 | 56 | 4,7 | 3,5 | 4,4 |
| Uitgeverijen | 0 | 1,4 | 1 | 0,0 | 2,2 | 1,0 |
| Film, TV en radio | 1 | 4,5 | 6 | 4,5 | 1,6 | 1,7 |
| Telecommunicatie | 6 | 11,8 | 18 | 0,9 | 1,6 | 1,2 |
| IT- en informatiedienstverlening | 6 | 13,9 | 20 | 0,8 | 1,8 | 1,4 |
| Financiële instellingen | 1 | 14,4 | 15 | 0,9 | 1,6 | 1,5 |
| Verhuur en handel in onroerend goed | 3 | 4,1 | 7 | 1,1 | 2,1 | 1,5 |
| Zakelijke dienstverlening | 16 | 45,9 | 62 | 1,1 | 2,0 | 1,7 |
| Openbaar bestuur, onderwijs en gezondheidszorg | 46 | 27,2 | 73 | 1,3 | 2,5 | 1,6 |
| Cultuur, recreatie, overige diensten | 4 | 7,2 | 11 | 0,8 | 2,5 | 1,4 |
| Totaal | 648 | 791,0 | 1 439 | 1,0 | 2,1 | 1,4 |
Bron:CBS, Gaulier & Zignago (2010), International Trade Center (2024), OESO (2023), Remond-Tiedrez & Rueda-Cantuche (2019); eigen berekeningen
5.5Hoe werken de tariefkosten door in de Nederlandse economie?
Tarieven kunnen binnenlandse bedrijven beschermen en werkgelegenheid stimuleren, maar ze leiden vaak ook tot hogere prijzen voor consumenten, zowel binnen als buiten het land. Wanneer tarieven worden opgelegd, betalen consumenten uiteindelijk vaak meer, omdat bedrijven de tariefkosten doorberekenen in hun prijzen. Deze kosten komen terecht bij consumenten, die hogere prijzen betalen; bij importeurs, die de kosten soms zelf dragen door hun winstmarges te verlagen; of bij exporteurs, die genoegen nemen met lagere prijzen voor hun producten om concurrerend te blijven.
Toen de Trump-regering in 2018 tarieven oplegde op een breed scala aan importgoederen, was het doel om Amerikaanse producenten te stimuleren en buitenlandse exporteurs die zich schuldig zouden maken aan ‘oneerlijke handel’ te ‘straffen’ (Bown & Kolb, 2023). Maar in plaats van dat buitenlandse exporteurs getroffen werden, tonen diverse studies, zoals Amiti et al. (2019), Cavallo et al. (2019) en Fajgelbaum et al. (2020), aan dat Amerikaanse bedrijven en consumenten het zwaarst getroffen werden door de ‘Trump-tarieven’. Franssen et al. (2020) laten bovendien zien dat bedrijven in Nederland hun exportprijzen niet verlaagden toen de Amerikaanse overheid tijdelijke importtarieven op deze producten instelde. Dit tarief zal dan betaald moeten worden door de Amerikaanse importeur.
Eerder bleek uit figuur 5.4.1 dat de totale tariefkosten voor Nederland in 2020 op 2,2 miljard euro uitkwamen. Figuur 5.5.1 laat nu zien hoe deze kosten binnen Nederland zijn verdeeld: welk deel van de tariefkosten wordt gedragen door de binnenlandse afzet en welk deel komt ten laste van de export. Dit laatste kan potentieel nadelig zijn voor de Nederlandse concurrentiekracht en/of volledig doorberekend worden aan buitenlandse consumenten of andere afnemers. Binnen deze stromen kan er ook onderscheid worden gemaakt tussen directe en indirecte tariefkosten.
In deze paragraaf geven we dus geen informatie over wie uiteindelijk voor de tariefkosten opdraait (exporteur, importeur en/of consument), maar laten we zien in welke stromen (binnenlandse afzet of export) deze kosten terechtkomen. Zo blijkt dat van de 2,2 miljard euro aan totale tariefkosten 864 miljoen euro aan tarieven – ofwel 38,6 procent – verbonden is aan de Nederlandse export. In het geval dat deze kosten volledig doorberekend worden aan buitenlandse importeurs, betekent dit dat de Nederlandse economie ‘slechts’ 1,4 miljard euro aan tariefkosten draagt (61,4 procent van de totale tariefkosten), die vervolgens ten laste komen van de binnenlandse afzet (bedrijven of consumenten in Nederland).
| Jaar | Directe tariefkosten voor binnenlandse afzet | Indirecte tariefkosten voor binnenlandse afzet | Directe tariefkosten voor export | Indirecte tariefkosten voor export |
|---|---|---|---|---|
| 2015 | 681,2 | 648,0 | 368,8 | 556,4 |
| 2016 | 697,9 | 680,5 | 352,1 | 525,1 |
| 2017 | 685,5 | 696,9 | 378,5 | 576,5 |
| 2018 | 690,4 | 697,8 | 392,6 | 588,3 |
| 2019 | 746,2 | 754,5 | 418,8 | 551,9 |
| 2020 | 693,4 | 681,3 | 391,6 | 472,7 |
| Bron: CBS, Gaulier & Zignago (2010), International Trade Center (2024), OESO (2023), Remond-Tiedrez & Rueda-Cantuche (2019) | ||||
Tariefkosten steeds meer betaald door de consument
Uit figuur 5.5.1 blijkt dat het grootste deel van de betaalde invoertarieven bestemd is voor binnenlandse afzet, met een waarde van ongeveer 1,4 miljard euro. Tussen 2015 en 2019 namen deze kosten geleidelijk toe, maar in 2020 daalden ze door de coronapandemie. De Nederlandse consumenten lijken volgens de figuur de afgelopen jaren steeds meer de tariefkosten in de Nederlandse toeleveringsketen te dragen: in 2020 was 61,4 procent van de totale tariefkosten bestemd voor afzet in Nederland, tegenover 58,9 procent in 2015.
In tabel 5.5.2 staan de vijftien producten met de hoogste indirecte tariefkosten binnen de keten van de binnenlandse afzet. De totale tariefkosten voor ingevoerde voertuigen voor wegvervoer (zoals auto’s, vrachtwagens en onderdelen daarvan) zijn het hoogst. In paragraaf 5.4 is besproken dat dit met name komt door hoge tariefkosten in de keten van motoren en vrachtwagens. Ook producten zoals garens, textiel, kleding en diverse voedingsmiddelen worden in de Nederlandse keten van binnenlandse afzet ingevoerd met hoge tariefkosten. In eerdere paragrafen werd al aangegeven dat garens, textiel en consumptiegoederen, zoals vlees en zuivel, relatief hoge tarieven kennen. Daarnaast komen ijzer, staal, metaalwaren en diverse fabricaten voor in tabel 5.5.2. Deze goederen bereiken vaak als grondstof of halffabricaat via de Nederlandse import op verschillende manieren de consument, bijvoorbeeld verwerkt in bouwmaterialen voor woningen, in auto’s die door consumenten worden gekocht, of in machines voor de voedingsmiddelenindustrie die voedsel verwerken voor de consument.
De tariefkosten zijn over het algemeen gelijk verdeeld over directe en indirecte tarieven. Wat opvalt, is dat aanvankelijk de directe tariefkosten iets hoger waren dan de indirecte, maar dat de indirecte tariefkosten geleidelijk zijn gestegen tot boven de directe tarieven. De toename van indirecte tarieven bij binnenlandse afzet komt voornamelijk door toegenomen handel en bijbehorende tarieven op producten als garens, textiel, voedingsmiddelen, ijzer en staal, voertuigen voor wegvervoer en metaalproducten binnen de Nederlandse toeleveringsketen. Meer handel in deze producten tussen landen binnen de Nederlandse toeleveringsketen leidt tot hogere tariefkosten die uiteindelijk doorsijpelen naar de Nederlandse consument.
| Totale tariefkosten | Directe tariefkosten | Indirecte tariefkosten | |
|---|---|---|---|
| mln euro | |||
| Voertuigen voor wegvervoer | 158,7 | 89,7 | 68,9 |
| Garens, weefsels e.d. | 135,0 | 81,3 | 53,7 |
| Kleding en toebehoren | 121,2 | 118,7 | 2,4 |
| Diverse fabricaten, n.a.g. | 90,5 | 48,5 | 42,0 |
| Metaalwaren, n.a.g. | 68,6 | 34,9 | 33,7 |
| Groenten en fruit | 66,5 | 64,3 | 2,2 |
| Bereide voedingsmiddelen n.a.g. | 63,1 | 41,4 | 21,7 |
| Elektrische apparaten, n.a.g. | 59,9 | 24,5 | 35,4 |
| Ruwe aardolie en aardolieproducten | 40,0 | 0 | 40,0 |
| Apparaten en benodigdheden voor fotografie, optiek e.d.; uurwerken | 39,2 | 6,1 | 33,2 |
| Vis, schaal- en weekdieren en bereidingen daarvan | 36,7 | 36,7 | 0 |
| Diverse machines, n.a.g. | 36,5 | 18,1 | 18,4 |
| IJzer en staal | 28,8 | 1,8 | 27,1 |
| Toestellen voor telecommunicatie en voor opnemen en weergeven van geluid | 25,8 | 1,1 | 24,7 |
| Andere chemische producten, n.a.g. | 25,2 | 6,4 | 18,8 |
Bron:CBS, Gaulier & Zignago (2010), International Trade Center (2024), OESO (2023), Remond-Tiedrez & Rueda-Cantuche (2019); eigen berekeningen
Indirecte tariefkosten op de keten van de Nederlandse export veel hoger dan op basis van de directe import
De tarieven op invoer die bestemd zijn voor de Nederlandse export zijn aanzienlijk lager dan die voor de binnenlandse afzet, met een bedrag van 864 miljoen euro in 2020. De tariefkosten voor export stegen licht tussen 2015 en 2019, maar daalden in 2020 door de coronapandemie. Tabel 5.5.3 toont de vijftien producten met de hoogste indirecte tariefkosten binnen de keten van de Nederlandse export. In tegenstelling tot tabel 5.5.2 vallen hier veel chemische producten op, zoals organische chemische producten, overige chemische producten en kunststoffen. Dit suggereert dat de chemische keten aanzienlijk hoge tariefkosten ervaart.
Naast chemische producten blijken de tariefkosten voor export vooral samen te hangen met minerale brandstoffen (met name ruwe aardolie en aardolieproducten), diverse fabricaten, materialen voor halfgeleiders (zoals microchips en lithografieplaten) en metaalproducten – allemaal producten die voorkomen in de toeleveringsketen van de Nederlandse industrie, die doorgaans sterk gericht is op de export. Minerale brandstoffen en materialen voor halfgeleiders zijn ook verbonden aan de dienstverlening, bijvoorbeeld de ICT-sector in Nederland, of sectoren die ICT-diensten importeren. Halfgeleiders vormen namelijk de basis van microprocessors, geheugenmodules en andere essentiële chips. Deze componenten zitten in computers, smartphones, servers en vele andere IT-apparaten, en bepalen de rekenkracht en snelheid van systemen. Minerale brandstoffen zijn nodig om de IT-apparaten en servers te produceren of operationeel te houden.
Terwijl de directe en indirecte tarieven op invoer voor binnenlandse afzet vrijwel gelijk verdeeld zijn, zijn de indirecte tariefkosten bij export betrekkelijk hoger dan de directe. Deze kloof lijkt echter geleidelijk kleiner te worden; in 2015 lagen de indirecte tariefkosten nog 50 procent hoger dan de directe, terwijl dit verschil in 2020 was afgenomen tot 20 procent. Deze daling komt deels door ontwikkelingen in de elektrotechnische industrie, waar het handelsconflict tussen China en de VS onder de Trump-regering een rol speelde. De productie en handel van de Nederlandse elektrotechnische industrie werden hierdoor geraakt, met lagere tariefkosten als gevolg.
| Totale tariefkosten | Directe tariefkosten | Indirecte tariefkosten | |
|---|---|---|---|
| mln euro | |||
| Organische chemische producten | 101,8 | 79,2 | 22,6 |
| Diverse fabricaten, n.a.g. | 57,7 | 20,1 | 37,6 |
| Metaalwaren, n.a.g. | 51,5 | 25,1 | 26,4 |
| Voertuigen voor wegvervoer | 42,9 | 17,3 | 25,5 |
| Garens, weefsels e.d. | 41,6 | 21,9 | 19,7 |
| Ruwe aardolie en aardolieproducten | 41,1 | 0 | 41,1 |
| Elektrische apparaten, n.a.g. | 39,6 | 13,2 | 26,4 |
| Bereide voedingsmiddelen n.a.g. | 38,0 | 21,2 | 16,8 |
| Andere chemische producten, n.a.g. | 32,4 | 16,4 | 15,9 |
| Apparaten en benodigdheden voor fotografie, optiek e.d.; uurwerken | 31,7 | 3,1 | 28,6 |
| Plantaardige oliën en vetten | 31,6 | 24,4 | 7,2 |
| Kunststof in primaire vormen | 29,2 | 13,3 | 15,9 |
| Groenten en fruit | 24,4 | 22,5 | 1,8 |
| Diverse machines, n.a.g. | 19,5 | 7,9 | 11,6 |
| Suiker en suikerwerken, honing | 19,5 | 8,5 | 10,9 |
Bron:CBS, Gaulier & Zignago (2010), International Trade Center (2024), OESO (2023), Remond-Tiedrez & Rueda-Cantuche (2019); eigen berekeningen
De gemiddelde heffingsdruk in de Nederlandse aanvoerketen is wel dalende
Figuur 5.5.4 toont het gemiddelde tarief op zowel directe als indirecte invoer (exclusief de bilaterale handel tussen EU-landen), waarbij ook een onderscheid wordt gemaakt tussen de binnenlandse afzet en export. Uit figuur 5.4.2 was al bekend dat in 2020 het gemiddelde invoertarief in Nederland voor zowel directe als indirecte invoer 1,57 procent was. Hoewel de totale invoerkosten voor Nederland in de periode 2015–2019 toenamen, daalde het gemiddelde tarief juist van 1,71 procent in 2015 naar 1,63 procent in 2019, en vervolgens naar 1,57 procent in 2020. Deze neerwaartse trend geldt ook voor het invoertarief gerelateerd aan de binnenlandse afzet, dat afnam van 1,97 procent in 2015 tot 1,81 procent in 2020. Dit komt vooral doordat de gemiddelde heffing op de directe import sterk daalde, van 1,67 procent in 2015 naar 1,56 procent in 2019 en vervolgens naar 1,43 procent in 2020, terwijl het gemiddelde tarief op indirecte import licht steeg van 2,38 procent in 2015 naar 2,47 procent in 2019 en 2020.
Het gemiddelde tarief op invoer gerelateerd aan export ligt lager dan dat voor de binnenlandse afzet. Verschillen in tariefdruk per importstroom komen door verschillen in importportefeuille: op veel producten die direct gebruikt worden voor de binnenlandse afzet (met name consumptiegoederen) zitten relatief hoge tarieven, zoals op kleding en textiel, en op zuivel en vlees. Goederen die ingevoerd worden ten behoeve van de export betreffen veel grond- en brandstoffen en intermediaire goederen waar relatief lage tarieven op zitten. Opvallend is dat het gemiddelde tarief op indirecte import aanzienlijk hoger is dan op directe import – bijna twee keer zo hoog. Dit laat eens te meer zien dat de tariefkosten in de toeleveringsketen van de Nederlandse export veel hoger zijn dan de directe invoertarieven suggereren. Zonder zicht op de indirecte import zou er sprake zijn van een grote onderschatting, ook bij de binnenlandse afzet, waar het gemiddelde tarief op indirecte import eveneens fors hoger is dan op directe import. Verder is het gemiddelde tarief op invoer voor Nederlandse export in de periode 2015–2020 sneller gedaald dan dat voor de binnenlandse afzet. Dit is hoofdzakelijk het gevolg van een afname in het gemiddelde indirecte importtarief: in 2020 bedroeg dit tarief gemiddeld 2,07 procent, terwijl het in 2015 nog 2,25 procent was. Na enkele jaren van opeenvolgende dalingen is er vanaf 2018 echter wel een lichte stijging in de indirecte tarieven te zien.
| jaar | Gemiddelde tarief op invoer voor binnenlandse afzet | Gemiddelde tarief op directe invoer voor binnenlandse afzet | Gemiddelde tarief op indirecte invoer voor binnenlandse afzet | Gemiddelde tarief op invoer voor Nederlandse export | Gemiddelde tarief op directe invoer voor Nederlandse export | Gemiddelde tarief op indirecte invoer voor Nederlandse export |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2015 | 1,97 | 1,69 | 2,38 | 1,43 | 0,92 | 2,25 |
| 2016 | 2,07 | 1,68 | 2,7 | 1,47 | 0,98 | 2,22 |
| 2017 | 1,98 | 1,62 | 2,53 | 1,37 | 0,9 | 2,1 |
| 2018 | 1,92 | 1,59 | 2,4 | 1,28 | 0,84 | 1,98 |
| 2019 | 1,91 | 1,56 | 2,47 | 1,32 | 0,9 | 2,06 |
| 2020 | 1,81 | 1,43 | 2,47 | 1,29 | 0,89 | 2,07 |
| Bron: CBS, Gaulier & Zignago (2010), International Trade Center (2024), OESO (2023), Remond-Tiedrez & Rueda-Cantuche (2019) | ||||||
EU steeds meer verantwoordelijk voor tariefkosten op de keten van de Nederlandse export
Net zoals in paragraaf 5.4 belichten we de invloed van de EU op de indirecte tariefkosten voor Nederland, maar dan voor de keten van de Nederlandse export en de binnenlandse afzet afzonderlijk. De EU blijkt een steeds grotere rol te spelen in de toeleveringsketen van de Nederlandse export; in 2020 kwam zo’n 27,2 procent van de tariefkosten in deze keten door importtarieven van EU-landen, een stijging ten opzichte van 25,6 procent in 2015. Dit wijst erop dat de Nederlandse export steeds meer beïnvloed wordt door Europese importheffingen die eerder in de keten zijn betaald op producten van buiten de EU. Dit kan het verdienvermogen van de Nederlandse economie en de internationale concurrentiepositie van Nederland aantasten. Toekomstig EU-handelsbeleid zou hierop kunnen inspelen door bij toekomstige wetgeving rekening te houden met importproducten die essentieel zijn voor de Nederlandse export. Tegelijkertijd neemt de rol van de EU geleidelijk af bij invoertarieven in de keten voor binnenlandse afzet. In 2020 kwam zo’n 25,2 procent van de tariefkosten in deze keten door EU-tarieven, een daling ten opzichte van 30,5 procent in 2015. Met andere woorden, de binnenlandse consumptie wordt steeds meer beïnvloed door tariefkosten die door niet-EU-landen worden opgelegd. Dat komt mogelijk door een toename van finale goederen die uit niet-EU-landen afkomstig zijn.
5.6Samenvatting en conclusie
In dit hoofdstuk is gekeken naar de tariefkosten in de Nederlandse toeleveringsketen. Naast directe tariefkosten op producten die door Nederland geïmporteerd worden, treden er ook tariefkosten op in de waardeketen voordat deze Nederland bereikt: zogenaamde indirecte tariefkosten. In 2020 bedroegen de totale invoertarieven binnen de Nederlandse toeleveringsketen ruim 2,2 miljard euro. Hiervan was 48,5 procent (1,1 miljard euro) directe tarieven, die direct door Nederlandse importeurs worden betaald, en 51,5 procent (1,2 miljard euro) indirecte tarieven. Dit laat zien dat de totale tariefkosten voor Nederland aanzienlijk hoger zijn – ruim twee keer zoveel – dan eerder werd gesuggereerd op basis van alleen directe tarieven.
In 2020 bedroeg het gemiddelde invoertarief in Nederland voor directe en indirecte invoer 1,57 procent. Hoewel de totale tariefkosten voor Nederland in de periode 2015–2019 stegen, daalde het gemiddelde tarief juist van 1,71 procent in 2015 naar 1,63 procent in 2019 en verder tot 1,57 procent in 2020. De meeste tariefkosten op de directe invoer worden betaald op goederen uit China en de VS. Veel van de producten die in de Nederlandse toeleveringsketen gebruikt worden, zijn buiten de EU vervaardigd en komen via één of meerdere landen in de keten in Nederland terecht. In de Nederlandse keten worden verreweg de meeste indirecte tariefkosten betaald voor goederen die uit China en de VS afkomstig zijn. Goederen waarvoor de hoogste directe tarieven gelden, zijn vlees, suiker, zuivel, textiel en schoenen. Goederen met de hoogste indirecte tarieven zijn ook suiker en zuivel. De hoogste indirecte tariefkosten komen door import van voertuigen, aardolie(producten), fabricaten, textiel en elektrische apparaten.
Het grootste deel van de betaalde invoertarieven blijkt bestemd voor binnenlandse afzet, met een totale waarde van ongeveer 1,4 miljard euro. De tariefkosten zijn vrijwel gelijk verdeeld over directe en indirecte tarieven. Van 2015 tot 2019 namen de kosten geleidelijk toe, maar in 2020 daalden ze door de coronapandemie. Nederlandse consumenten lijken in toenemende mate de tariefkosten binnen de Nederlandse toeleveringsketen te dragen: in 2020 was 61,4 procent van de totale tariefkosten voor de binnenlandse afzet bestemd, ten opzichte van 58,9 procent in 2015. Bij deze tariefkosten gaat het vooral om tarieven op ingevoerde voertuigen voor wegvervoer, gevolgd door garens, textiel, kleding, diverse voedingsmiddelen, ijzer, staal, metaalwaren en diverse fabricaten.
De tarieven op invoer bestemd voor de Nederlandse export liggen aanzienlijk lager dan die voor de binnenlandse markt, met een bedrag van 864 miljoen euro in 2020. De meeste tariefkosten werden gedragen door chemische producten, waaronder organische chemische producten, overige chemische producten en kunststoffen, wat suggereert dat de chemische keten aanzienlijke tariefkosten ervaart. Naast chemische producten hangen de tariefkosten voor export vooral samen met minerale brandstoffen (met name ruwe aardolie en aardolieproducten), diverse fabricaten, halfgeleidercomponenten (zoals microchips en lithografieplaten) en metaalproducten – allemaal producten die belangrijk zijn in de toeleveringsketen van de Nederlandse industrie. Minerale brandstoffen en halfgeleidercomponenten zijn ook gerelateerd aan de dienstensector, zoals de ICT-sector in Nederland, of sectoren die ICT-diensten importeren. Terwijl de directe en indirecte tarieven op de invoer voor binnenlandse afzet vrijwel gelijk verdeeld zijn, zijn de indirecte tariefkosten voor export relatief hoger dan de directe kosten – bijna twee keer zo hoog. Dit laat eens te meer zien dat de tariefkosten in de toeleveringsketen van de Nederlandse export aanzienlijk hoger zijn dan de directe invoertarieven op het eerste gezicht suggereren.
De EU blijkt een steeds grotere rol te spelen in de toeleveringsketen van de Nederlandse export; in 2020 was zo’n 27,2 procent van de tariefkosten in deze keten afkomstig van EU-tarieven. In 2015 was dat nog 25,6 procent. Dit wijst erop dat de Nederlandse export steeds meer beïnvloed wordt door EU-tarieven op importproducten van buiten de EU. Invoertarieven kunnen het verdienvermogen van de Nederlandse economie en de internationale concurrentiepositie van Nederland aantasten. Toekomstig EU-handelsbeleid zou hierop kunnen inspelen door bij toekomstige wetgeving rekening te houden met importproducten die essentieel zijn voor de Nederlandse export. Tegelijkertijd neemt de rol van de EU geleidelijk af bij invoertarieven in de keten voor binnenlandse afzet: van 30,5 procent in 2015 tot 25,2 procent in 2020. De binnenlandse consumptie wordt steeds meer beïnvloed door tariefkosten die door niet-EU-landen worden opgelegd, wat leidt tot prijsstijgingen die mogelijk bijna volledig ten laste komen van de Nederlandse consument.
Als we kijken naar de gemiddelde heffingsdruk op de directe en indirecte import, dan zien we dat de horeca de bedrijfstak is met de hoogste gemiddelde heffingsdruk op de directe en indirecte import, gevolgd door de textiel-, kleding- en lederindustrie en de voedings- en genotmiddelenindustrie.
5.7Data en methoden
Door de statistiek Internationale Handel in Goederen (IHG) te koppelen aan IO-tabellen afkomstig van de Nationale Rekeningen (NR) van het CBS, berekenen we in dit onderzoek hoeveel en uit welke landen geïmporteerde goederen worden gebruikt door verschillende Nederlandse bedrijfstakken en welke bestemd zijn voor directe consumptie, investeringen en voor wederuitvoer. De gebruikte methoden om de koppeling tussen handelscijfers en IO-tabellen tot stand te brengen zijn gebaseerd op methoden ontwikkeld door Lemmers (2015), Lemmers & Wong (2019) en Aerts et al. (2022).
De geschatte heffingen voor Nederland (directe tariefkosten) zijn berekend door invoercijfers van de IHG te combineren met informatie over invoerheffingen naar land en goederengroep, verkregen van de Market Access Map van het International Trade Centre van de Verenigde Naties in Genève (International Trade Center, 2024). De Market Access Map geeft informatie over importtarieven voor 239 landen en 5 387 productgroepen (HS-6 digit) voor 2015 tot 2020. De gegevens van Macmap zijn geclassificeerd volgens de Harmonised Standard (HS), die 1‑op-1 koppelt met IHG-data over de invoercijfers en de herwogen BACI-cijfers. De gegevens in ITC Macmap zijn uitgedrukt in zogenaamde Ad Valorem Equivalenten (AVE). Een ad valorem heffing is een schatting van een percentage van de invoerwaarde van een bepaald product. Voor de jaren 2021 en 2022 zijn voor de Nederlandse tarieven cijfers (in ad valorem equivalenten) gebruikt van de World Integrated Trade Solution (WITS) (Wereldbank, 2024). De cijfers voor de jaren 2015–2020 van WITS komen overeen met die van Market Access Map. Voor het schatten van betaalde tarieven zijn de ad valorem tarieven vermenigvuldigd met de handelscijfers van IHG. Deze geschatte tariefbetalingen zijn vervolgens geijkt aan de invoerrechten in de nationale input-output tabellen (CBS, 2023).
Om productinformatie in het buitenlandse deel van de toeleveringsketen van Nederland – dat wil zeggen, de indirecte import van Nederland via andere landen – af te leiden, maken we gebruik van de methode ontwikkeld door Lemmers et al. (2023), waarbij de geïmporteerde goederen worden toegewezen aan bedrijfstakken in herkomstlanden. Daarna wordt met behulp van IO-analyse (Miller & Blair, 2009) geschat hoeveel buitenlandse bedrijfstakken met elkaar handelen met behulp van een MRIO van de OESO. De MRIO van de OESO bevat informatie voor 76 landen en de rest van de wereld als één blok voor 45 bedrijfstakken (OESO, 2023).
Gebruikmakend van de aanbod- en gebruik tabellen van FIGARO is op grof productniveau bekend welke producten er geproduceerd en gebruikt worden door buitenlandse bedrijfstakken (Remond-Tiedrez & Rueda-Cantuche, 2019). Omdat het detailniveau van de FIGARO-cijfers beperkt is, wordt gebruik gemaakt van de Nederlandse gebruikstabel met de aanname, dat de verhoudingen waarin buitenlandse bedrijfstakken een specifiek product gebruiken hetzelfde zijn als in Nederland. Deze grove productinformatie wordt verfijnd met de BACI-dataset die gecorrigeerd is voor handelsasymmetrieën (Gaulier & Zignago, 2010). De BACI-data bevat geen bedrijfstakinformatie en de totalen wijken af van die uit de eerdere stap. De totalen in de BACI-data worden herwogen naar de totalen uit de vorige stap, waarbij ook gezorgd wordt dat de uiteindelijke gegevens optellen naar de randtotalen van de MRIO. Ten slotte worden de aan NR geijkte IHG-statistieken en de herwogen BACI-cijfers verrijkt met gegevens van ITC Macmap. Bij een aantal landen ontbreekt informatie over een bepaald jaar. In het geval van missende jaren zijn de tariefprofielen van het voorgaande jaar gebruikt.
5.8Literatuur
Literatuur
Amiti, M., Redding, S. J., & Weinstein, D. E. (2019). The Impact of the 2018 Tariffs on Prices and Welfare. Journal of Economic Perspectives, 33(4), 187–210.
Aerts, N., Bohn, T., Lemmers, O., & Wong, K. F. (2022). Linking micro-data to national input-output tables: by whom and from whom are products imported and to what end? 28th IIOA Conference. Langkawi Island, Maleisië: International Input Output Association.
Bohn, T., Notten, T., Ramaekers, P., & Wong, K. F. (2023, 28 november). Kritieke materialen in de Nederlandse toeleveringsketen. Centraal Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd op 23 september 2024.
Bown, C. P., & Kolb, M. (2023). Trump’s Trade War Timeline: An Up-to-Date Guide. Peterson Institute for International Economics.
Bounds, A., Hancock, A., & Li, G. (2024, 12 juni). EU to hit Chinese electric cars with tariffs of up to 48%. Financial Times. Geraadpleegd op 12 november 2024.
Cavallo, A., Gopinath, G., Neiman, B., & Tang, J. (2021). Tariff pass-through at the border and at the store: Evidence from us trade policy. American Economic Review: Insights, 3(1), 19–34.
CBS (2023). Tabellensets Nationale Rekeningen 2022. [Dataset]. Centraal Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd op 24 juli 2024.
Diakantoni, A., Escaith, H., Roberts, M., & Verbeet, T. (2017). Accumulating trade costs and competitiveness in global value chains. WTO Staff Working Paper, No. ERSD-2017-02.
Diaz, A. (2024, 4 februari). Trump Floats Chinese Goods Tariff of More Than 60% If Elected. Bloomberg. Geraadpleegd op 12 november 2024.
Duan, Y., Ji, T., & Mei, D. (2021). Tariff costs embodied in product prices: a dynamic analysis from global value chain perspective. Economic systems research, 33(1), 88–113.
Europese Commissie (2018). Key elements of the EU-Japan Economic Partnership Agreement.
Eurostat (2024). International trade in goods tariffs. Geraadpleegd op 12 november 2024.
Fajgelbaum, P. D., Goldberg, P. K., Kennedy, P. J., & Khandelwal, A. K. (2020). The return to protectionism. The Quarterly Journal of Economics, 135(1), 1–55.
Franssen, L., & Notten, T. (2020). Handelstarieven en productieketens. In M. Jaarsma & A. Lammertsma (Reds.), Internationaliseringsmonitor 2020, vierde kwartaal: Handelsbeleid: Tarieven & verdragen. Centraal Bureau voor de Statistiek.
Franssen, L., Rud, I., & van den Berg, M. (2020). Amerikaanse importtarieven en de gevolgen hiervan voor Nederlandse exporteurs. In M. Jaarsma & A. Lammertsma (Reds.), Internationaliseringsmonitor 2020, vierde kwartaal: Handelsbeleid: Tarieven & verdragen. Centraal Bureau voor de Statistiek.
Franssen, L., & Notten, T. (2021). Bilaterale handelspolitiek kent tekortkomingen. ESB 106(4801), 415–415.
Gaulier, G., & Zignago, S. (2010). International Trade Database at the Product-Level. [Dataset]. Geraadpleegd op 12 juni 2024.
International Trade Center (2024). Market Access map. Geraadpleegd op 12 juni 2024.
Koopman, R., Wang, Z., & Wei, S. J. (2014). Tracing value-added and double counting in gross exports. American Economic Review, 104(2) (online appendix), 459–94.
Lemmers, O. (2015). Who needs MRIOs anyway? An alternative assignment of value added of trade. Centraal Bureau voor de Statistiek.
Lemmers, O., & Wong, K. F. (2019). Distinguishing Between Imports for Domestic Use and for Re-Exports: A Novel Method Illustrated for the Netherlands. National Institute Economic Review, 249(1), R59‑R67.
Lemmers, O., Notten, T., Wong, K. F., Dahlmans, D., & Prenen, L. (2023). De toeleveringsketens van vijf bedrijfstakken: welke landen van zeggenschap, welke producten. Centraal Bureau voor de Statistiek.
Miller, R. E., & Blair, P. D. (2009). Input-Output Analysis: Foundations and Extensions (2e ed.). Cambridge University Press.
Muradov, K. (2017). Trade costs and borders in global value chains. Review of World Economics, 153, 487–509.
OESO (2023). OECD Inter-Country Input-Output Tables. Geraadpleegd op 12 juni 2024.
Rouzet, D., & S. Miroudot (2013). ‘The Cumulative Impact of Trade Barriers Along the Value Chain: An Empirical Assessment Using the OECD Inter-Country Input–Output Model’. GTAP Resources. No. 4184.
Snoussi-Mimouni, M., & Drevinskas, E. (2023, 13 april). Tariffs applied by WTO members have almost halved since 1996. Wereldhandelsorganisatie. Geraadpleegd op 2 september 2024.
Swanson, A. (2024, 27 augustus). Harris and Trump Embrace Tariffs, Though Their Approaches Differ. The New York Times. Geraadpleegd op 30 oktober 2024.
Teulings, R., Boeters, S., Freeman, D., van Heuvelen, G. H., Meijerink, G., & van ’t Riet, M. (2023). Tariefkosten in waardeketens: Nederland er uitgelicht. Centraal Planbureau.
UNCTAD (2024). Key statistics and trends in trade policy 2023. The importance of unilateral trade preferences.
Wereldbank (2024). World Integrated Trade Solution [Dataset]. Geraadpleegd op 12 juni 2014.
Noten
Ad valorem equivalent: een ad valorem tarief is een handelstarief uitgedrukt als een percentage van de invoerwaarde. Bij een ad valorem equivalent wordt een handelstarief dat niet uitgedrukt is als een percentage (bijvoorbeeld euro per kg) geschat als percentage van de prijs. De gegevens van het International Trade Center (2024) die wij gebruiken zijn zogenaamde Ad Valorem Equivalenten (AVE).
Betreft enkel de invoer voor directe consumptie en de invoer voor verwerking voor de export.
In de tweecijferige SITC-indeling.
Voor goederen in een waardeketen (bijvoorbeeld Duitsland → Verenigde Staten → Nederland) geldt dat er niet altijd bij iedere grensovergang invoertarieven betaald hoeven te worden. Wanneer de goederen die in Duitsland gemaakt zijn nauwelijks bewerkt worden in de VS, kan er aangetoond worden dat het land van oorsprong alsnog Duitsland is, ook al wordt het op dat moment ingevoerd vanuit de VS. Informatie over uitzonderingen op invoertarieven door land van oorsprong aan te tonen hebben we niet beschikbaar en dit zit dus ook niet verwerkt in de cijfers. De hier getoonde cijfers kunnen dan ook beschouwd worden als een bovengrens voor de indirecte tariefkosten.
Waarbij we geen rekening houden met een vrijstelling van tarieven wanneer het land van oorsprong aangetoond wordt.