Toegang tot financiering, handel en groene investeringen
Het is voor bedrijven van groot belang om winstgevend en competitief te blijven. Bedrijven kunnen dit bewerkstelligen door bijvoorbeeld ook internationaal actief te worden en te gaan exporteren, of bijvoorbeeld te investeren in het binnenland en/of het buitenland. Verduurzaming wordt daarbij een steeds belangrijker onderdeel van de bedrijfsstrategie. Internationaliseren of investeren in onder andere verduurzaming kunnen echter flinke kosten met zich meebrengen, waardoor bedrijven afhankelijk kunnen zijn van externe financiering. Dit hoofdstuk bouwt voort op hoofdstuk 3 van deze publicatie en onderzoekt het verband tussen toegang tot financiering aan de ene kant en internationalisering in de vorm van handel en/of buitenlandse en groene investeringen aan de andere kant. Belemmert een beperkte toegang tot financiering de stap naar internationalisering of het doen van investeringen? Kan internationalisering zelf gevolgen hebben voor het risico dat een bedrijf te maken krijgt met financieringsbeperkingen? Zien we verschillen tussen de verschillende groepen internationale handelaren in termen van de mate van financieringsbeperkingen?
4.1Inleiding
Ongeveer 35 procent van de bedrijven in Nederland overleeft de eerste vijf jaar niet. Dit betekent dat van alle bedrijven die opgericht zijn in 2015, nog slechts twee derde vijf jaar later bestaat (CBS, 2022). Bedrijven krijgen niet alleen te maken met operationele uitdagingen, maar ook met veranderingen in de binnenlandse en buitenlandse markten. Bedrijven zijn daarom voortdurend bezig om winstgevend en competitief te blijven. Een mogelijkheid om de winstgevendheid of competitiviteit van een bedrijf te vergroten is door niet alleen op de binnenlandse markt te focussen, maar het werkveld ook internationaal te verbreden, bijvoorbeeld door te starten met exporteren. De export is daarnaast niet alleen belangrijk voor de individuele bedrijven, maar indirect ook voor de Nederlandse economie. In 2022 droeg de export van goederen en diensten bij aan ruim een derde van het Nederlandse bbp (Prenen et al., 2024).
Een eerste stap tot internationalisering door een bedrijf brengt echter de nodige risico’s met zich mee en gaat gepaard met aanzienlijke vaste en verzonken kosten. Bedrijven die de eerste keer de sprong over de grens willen wagen, kunnen dan ook een grotere nood aan financiering hebben om deze kosten te overbruggen. In hoofdstuk 3 van deze Internationaliseringsmonitor is reeds beschreven dat de toegang tot financiering – access to finance – niet voor ieder bedrijf gelijk is. Kleinere, jongere of minder productieve bedrijven ervaren meer beperkingen bij het verkrijgen van externe financiering. Opvallend is ook de relatie met internationalisering, want volgens de literatuur is ook de stap tot internationalisering vaak alleen weggelegd voor de grotere, productievere bedrijven, die de bijkomende investering kunnen dragen (Creusen et al., 2011; Wagner, 2007).
Een bedrijf kan ook groeien of zijn concurrentiepositie verbeteren door buitenlandse investeringen. Er kan dan bijvoorbeeld gedacht worden aan het uitbreiden van de productiecapaciteit. Een buitenlandse dochter of deelneming kan bijvoorbeeld een manier zijn om handelsbelemmeringen of importtarieven aan de grens te omzeilen (Berkenbos, 2023), maar bedrijven kunnen ook kiezen voor een dochter in het buitenland vanwege bijvoorbeeld de expertise op locatie of lagere lonen. Ook duurzaamheid wordt steeds belangrijker. Negen op de tien Nederlanders geeft aan het milieu belangrijk te vinden, en een meerderheid van de Nederlandse bevolking is zich bewust van de klimaatverandering en maakt zich zorgen om toekomstige generaties (CBS, 2021; De Witt & Schmeets, 2018). Bedrijven hebben dus ook te maken met steeds bewuster wordende consumenten. Met de Corporate Sustainability Reporting Directive richtlijn (CSRD) die geldt vanaf 2024, wordt de duurzaamheid van bedrijven ook steeds transparanter (NBA, 2024). Het doen van groene investeringen wordt dus steeds interessanter voor bedrijven. Net als voor exporteren, geldt dat er voor investeren kapitaal nodig is. Kapitaal dat niet voor ieder bedrijf even makkelijk beschikbaar is.
Dit leidt dan ook tot de centrale vraag over de aard van het verband tussen access to finance, internationalisering en investeringen, waarbij de volgende deelvragen centraal staan:
- Vergroot toegang tot financiering de kans dat een bedrijf importeert, exporteert, of begint met importeren of exporteren? Zien we daar een verschil tussen de handel in goederen en diensten?
- En stoppen bedrijven sneller met exporteren als zij financieel beperkt zijn?
- Exporteren bedrijven met een betere toegang tot financiering hogere waardes, meer producten of naar meer bestemmingslanden dan bedrijven die financieringsbeperkingen ervaren?
- Heeft het succesvolle exporteren van goederen en/of diensten gevolgen voor de toekomstige toegang tot financiering van exporteurs?
- Stimuleert een betere toegang tot financiering het bedrijf om in de toekomst in het buitenland te investeren? Ziet het verband er anders uit als we naar een andere vorm van investeringen kijken die niet per se gerelateerd is aan internationalisering, namelijk investeringen in groene technologieën?
Leeswijzer
Paragraaf 4.2 start met een overzicht van de wetenschappelijke literatuur omtrent de rol van toegang tot financiering, oftewel access to finance, in de internationalisering en verduurzaming van bedrijven. Paragraaf 4.3 geeft een beschrijvende analyse van toegang tot financiering in relatie tot internationalisering, en licht hierbij verschillen tussen diverse soorten handelaren uit. Verder kijken we in de beschrijvende analyse ook naar de rol van toegang tot financiering in het besluit om in het buitenland of in verduurzaming te investeren. Paragraaf 4.4 beschrijft de econometrische analyse die is uitgevoerd om de relatie tussen de toegang tot financiering aan de ene kant en het internationaliserings- en investeringsgedrag van bedrijven aan de andere kant te meten, aan de hand van de in hoofdstuk 3 ontwikkelde access to finance indicator. Paragraaf 4.5 vat samen en concludeert en de paragraaf 4.6 bespreekt de gebruikte data en methoden.
4.2De rol van toegang tot financiering in internationalisering en verduurzaming
We kunnen de literatuur omtrent de samenhang tussen access to finance en het exportgedrag van bedrijven opdelen in grofweg twee categorieën. Enerzijds is er een breed palet aan onderzoek dat zich richt op de zogenaamde extensieve marge; de invloed van access to finance op de kans dat bedrijven wel of niet (gaan) exporteren. De focus ligt dan op het starten met exporteren. Andere vormen van de extensieve marge die wat minder belicht zijn in de access to finance literatuur zijn het exporteren van nieuwe producten en/of naar nieuwe bestemmingen. Anderzijds, zijn er ook diverse studies die zich richten op de samenhang tussen access to finance en de omvang van de export, de zogenaamde intensieve marge. Deze paragraaf kijkt ook naar het bestaande onderzoek naar de samenhang tussen access to finance en het doen van duurzame investeringen, al staat deze literatuur nog relatief in de kinderschoenen.
Extensieve marge: kans op (beginnen met) exporteren
De meest onderzochte dimensie van het verband tussen toegang tot financiering en het exportgedrag is de vraag of financieel beperkte bedrijven minder vaak actief zijn als exporteur. Beginnen met exporteren is immers een kostbare aangelegenheid (Wagner, 2014a). Denk bijvoorbeeld aan het opbouwen van een netwerk van klanten in het bestemmingsland, het aanpassen van producten aan de lokale regelgeving en de voorkeuren van consumenten, het afwikkelen van de eerste markttoegang, bijvoorbeeld door aan te tonen dat producten aan de regels voldoen, etc. Over het algemeen verstrijkt er bij export doorgaans ook veel meer tijd tussen productleverantie en betaling, bijvoorbeeld omdat producten veel langer onderweg zijn naar de afnemer. Om deze mismatch in de tijd tussen het maken van kosten voor productie en het ontvangen van de opbrengst te overbruggen heeft een bedrijf voldoende werkkapitaal nodig. Ook andere zaken, zoals valutarisico’s en het feit dat het afdwingen van contractafspraken met buitenlandse afnemers complexer is, brengen extra kosten met zich mee. Het bestaande onderzoek is unaniem in de vaststelling dat financieel beperkte bedrijven minder vaak actief zijn als exporteur (o.a. Bellone et al., 2010; Greenaway et al., 2007; Máñez & Vicente-Chirivella, 2021; Minetti & Zhu, 2011; Muûls, 2015; en Wagner, 2019). We merken daarbij op dat alle hier aangehaalde onderzoeken zich specifiek beperken tot bedrijven in industriële bedrijfstakken.
Waar financieel beperkte bedrijven aantoonbaar minder vaak actief zijn als exporteur, is het natuurlijk de vraag of een goede access to finance dan ook vaker leidt tot de keuze om te starten met exporteren of dat exporteren juist tot betere toegang tot financiering leidt? De bestaande literatuur geeft geen eenduidig antwoord op deze vraag. Zo concluderen Bellone et al. (2010), Berman & Hericourt (2010) en Manez & Vicente-Chirivella (2021) dat bedrijven met betere toegang tot financiering eerder gaan exporteren. Kritische klanken komen van Greenaway et al. (2007) en Wagner (2014b) die geen overtuigend bewijs vinden dat financieel gezondere bedrijven eerder geneigd zijn te beginnen met exporteren. Hierbij is het bij de interpretatie van deze uiteenlopende resultaten wel van belang op te merken dat de eerstgenoemde onderzoeken een meer rigoureuze operationalisering van toegang tot financiering toepassen en/of meer kleinere (mogelijke exportstarters) bedrijven in de onderliggende data hebben. Al met al wijst de literatuur dus op een positief effect van de mate van toegang tot financiering op de kans dat een bedrijf in de toekomst start met exporteren.
Of exporteren op termijn ook tot betere toegang tot financiering kan leiden is een stuk minder onderzocht in de literatuur. Zo zien Greenaway et al. (2007) wel een positief effect van exporteren op toegang tot financiering, terwijl Bellone et al. (2010) en Contessi & Nicola (2012) niet echt bewijs zien voor deze omgekeerde richting van causaliteit.
Intensieve marge: omvang van de export
Voor bedrijven die exporteren, is een andere belangrijke vraag, of de mate van access to finance van invloed is op de omvang van de export van een bedrijf. Zo kan de eerder besproken mismatch in de tijd tussen productleverantie en betaling bij export bijvoorbeeld tot gevolg hebben dat exporteurs met een mindere toegang tot financiering ook minder exporteren. Immers, het werkkapitaal dat nodig is om dit ‘gat’ te overbruggen moet gefinancierd worden. Deze intensieve marge wordt doorgaans gemeten door middel van de waarde van de export of door de exportintensiteit, oftewel het aandeel van de export in de totale omzet van een bedrijf.
Ook voor dit vraagstuk is er in de bestaande literatuur geen eenduidig antwoord. Bellone et al. (2010) en Máñez & Vicente-Chirivella (2021) vinden geen overtuigend bewijs dat de exportintensiteit hoger is bij exporteurs die geen financieringsbeperkingen hebben. Wagner (2014b) ziet daarentegen wel dat bedrijven met een betere kredietscore een hogere exportintensiteit realiseren. Als we naar de waarde van de export kijken, dan vindt Muûls (2015) een positieve relatie tussen de toegang tot financiering aan de ene kant en de waarde van de export van het bedrijf en het aantal producten en bestemmingslanden waar het bedrijf actief in is aan de andere kant. Minetti & Zhu (2011) vinden ook een positief verband tussen toegang tot financiering en de intensieve marge. Zij komen via een indirecte route tot dit resultaat; namelijk doordat zij laten zien dat financieringsbeperkingen een minder negatieve uitwerking hebben op binnenlandse omzet dan op buitenlandse omzet. Al met al lijkt het verband van toegang tot financiering met de waarde van de export en de intensiteit in termen van aantallen producten en bestemmingen eenduidiger te zijn dan het verband met het aandeel van de export in de totale omzet van een bedrijf.
Financieringsbeperkingen en investeringen in verduurzaming
De literatuur omtrent de mate van access to finance en het doen van investeringen in verduurzaming is aanzienlijk minder omvangrijk. Dit is ook niet zo vreemd, omdat dit thema pas in relatief recente jaren echt in het centrum van de aandacht is komen te staan en er ook tijd nodig is om gedetailleerde statistieken met betrekking tot investeringen in verduurzaming te ontwikkelen. Er is wat dat betreft daarom ook allerminst sprake van consensus in de literatuur ten aanzien van de relatie tussen toegang tot financiering en investeringen in groene technologie.
Het verband tussen toegang tot financiering en investeringen in verduurzaming is niet evident. Groene investeringen hebben tot doel om de schade die de activiteiten van een bedrijf aan het milieu toebrengen te verminderen. Deze milieuschade is echter voor het bedrijf een externaliteit, aangezien ze zelf vaak geen directe hinder hiervan ervaren. Een groene investering gaat, zoals iedere investering, echter wel gepaard met bijkomende kosten en is hiermee strijdig met het principe van winstmaximalisatie van veel bedrijven. Maatschappelijk verantwoord ondernemen (corporate social responsibility) zorgt er echter steeds vaker voor dat winstmaximalisatie een minder prominent uitgangspunt wordt voor de besluitvormingsprocessen van bedrijven (Accetturo et al., 2022). Doordat consumenten ook steeds milieubewuster worden, zou er daarnaast gesuggereerd kunnen worden dat groene investeringen op termijn ook kunnen leiden tot hogere winsten door een verbeterde afzetpositie.
Costa et al. (2024a, 2024b) laten zien dat financieringsbeperkingen de kans dat een bedrijf groene investeringen doet, verlaagt met 2,5 procent. Daarnaast laten ze zien dat dit effect verkleind kan worden door de inzet van markt-gebaseerde beleidsinstrumenten zoals emissiehandelssystemen. Ook De Haas et al. (2024) vinden bewijs voor een samenhang tussen financieringsbeperkingen en het doen van groene investeringen. Accetturo et al. (2022) kijken naar gedeponeerde financiële stukken bij de Italiaanse Kamer van Koophandel met informatie over individuele leningen aan bedrijven door banken. De resultaten wijzen uit dat meer kredietverstrekking de kans dat bedrijven investeren in groene technologie substantieel vergroot. Dit geldt in het bijzonder voor bedrijven die al een goede financiële positie hebben en voor bedrijven in regio’s met een groter milieubewustzijn.
4.3Beschrijvende analyse toegang tot financiering en internationalisering
In deze paragraaf lichten we, op een beschrijvende wijze, een aantal aspecten van het verband tussen toegang tot financiering en internationalisering toe. Met internationalisering bedoelen we niet alleen het internationaal handelen in goederen of diensten, maar ook het investeren in het buitenland. Naast internationalisering kijken we ook naar het verschil in toegang tot financiering tussen bedrijven die wel in verduurzaming investeren en bedrijven die dat niet doen. Om toegang tot financiering van bedrijven te meten maken we gebruik van de indicator ontwikkeld in hoofdstuk 3 van deze publicatie; deze geeft per bedrijf een kansberekening dat het betreffende bedrijf te maken heeft met financieringsbeperkingen. Hoe hoger de waarde van deze indicator hoe groter het risico op financieringsproblematiek voor het bedrijf in kwestie. Zoals besproken in hoofdstuk 3, zeggen we dat bedrijven met een lager (hoger) risico op financieringsbeperkingen een betere (slechtere) mate van toegang tot financiering hebben.
Internationale handelaren vaker minder financieel beperkt
Figuur 4.3.1 toont het mediane risico dat een bedrijf te maken heeft met financiële beperkingen naar handelsstatus. Het betreft hier zowel de handel in goederen als de handel in diensten. Doorgaans lopen bedrijven die zowel exporteren als importeren, oftewel two-way traders, een kleiner risico dat ze te maken krijgen met beperkte toegang tot financiering. Daarna volgen de bedrijven die alleen exporteren maar niet importeren. Het risico van een importeur – die daarnaast niets exporteert – en een bedrijf dat zich alleen op de binnenlandse markt richt, ligt vaak erg dichtbij elkaar. Bij alle groepen zien we in het jaar 2020, de start van de coronacrisis, een toename in het risico op financieringsbeperkingen. Dit neemt voor alle groepen vervolgens weer af in de jaren 2021 en 2022.
| Jaar | Two-way trader | Alleen exporteur | Alleen importeur | Niet-handelaar |
|---|---|---|---|---|
| 2018 | 5 | 6 | 6 | 6 |
| 2019 | 5 | 6 | 7 | 7 |
| 2020 | 6 | 7 | 8 | 9 |
| 2021 | 4 | 5 | 6 | 6 |
| 2022 | 4 | 4 | 5 | 5 |
Dit beeld wordt verder bevestigd als we naar de volledige verdeling kijken en niet alleen naar het mediane risico op beperkingen. Als we bedrijven in de populatie, gesorteerd op hun risico op financieringsbeperkingen, in vijf gelijke groepen (kwintielen) opdelen, dan zien we dat handelaren relatief vaker in de minder beperkte groepen vallen. Figuur 4.3.2 toont de verdeling van de 20 procent minst financieel beperkte en de 20 procent meest beperkte bedrijven naar handelsstatus. Met de minst financieringsbeperkt bedoelen we de 20 procent van de bedrijven met het laagste risico op financieringsbeperkingen in een bepaald jaar, en vice versa. Zo bestaat de minst beperkte groep voor een derde uit two-way traders, ten opzichte van 18 procent van de meest beperkte groep. De meest beperkte groep bestaat voor bijna 80 procent uit bedrijven die niet exporteren.
| Financiële beperkingen | Two-way trader | Alleen exporteur | Alleen importeur | Niet-handelaar |
|---|---|---|---|---|
| 20% minst beperkte bedrijven | 66,820 | 7,280 | 64,183 | 62,308 |
| 20% meest beperkte bedrijven | 36,021 | 8,383 | 78,447 | 77,692 |
De grootste exporteurs (in termen van exportwaarde) vaker minder beperkt
Bedrijven die met het buitenland handelen, met name in de vorm van export, hebben minder vaak te maken met financiële beperkingen. Als we verder kijken naar de waarde van de export, dan zien we dat bedrijven die meer exporteren meestal tot de financieel relatief minder beperkte groepen behoren. Figuur 4.3.3 toont de verdeling van het aantal exporteurs (goederen en diensten) naar de decielen van de waarde van export en de decielen van het risico op financieringsbeperkingen. Hoe donkerder de kleur hoe groter het aantal onderliggende bedrijven in die cel. Met andere woorden, als we exporteurs sorteren op de waarde van hun geëxporteerde goederen en diensten dan zien we dat de grote exporteurs in termen van exportwaarde zich vooral in de groep met de minste financieringsbeperkingen bevinden. Als we figuur 4.3.3 repliceren voor de waarde van de import van goederen en diensten, in plaats van de exportwaarde, dan ziet het beeld er identiek uit. De grote importeurs in termen van importwaarde bevinden zich vooral in de minst financieringsbeperkte groep. In beide gevallen gaat het om vrijwel dezelfde groep bedrijven, namelijk de two-way handelaren.
| Export goederen & diensten (decielen) | 1 Minst beperkt (Waarschijnlijkheid financieringsbeperkingen (decielen)) | 2 (Waarschijnlijkheid financieringsbeperkingen (decielen)) | 3 (Waarschijnlijkheid financieringsbeperkingen (decielen)) | 4 (Waarschijnlijkheid financieringsbeperkingen (decielen)) | 5 (Waarschijnlijkheid financieringsbeperkingen (decielen)) | 6 (Waarschijnlijkheid financieringsbeperkingen (decielen)) | 7 (Waarschijnlijkheid financieringsbeperkingen (decielen)) | 8 (Waarschijnlijkheid financieringsbeperkingen (decielen)) | 9 (Waarschijnlijkheid financieringsbeperkingen (decielen)) | 10 Meest beperkt (Waarschijnlijkheid financieringsbeperkingen (decielen)) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 1 Minste export | 2168 | 2555 | 2741 | 2637 | 2783 | 2692 | 2846 | 2825 | 272 | 2576 |
| 2 | 2193 | 2626 | 2704 | 2844 | 2927 | 2929 | 2933 | 2988 | 2965 | 2677 |
| 3 | 2324 | 2692 | 2802 | 2945 | 2949 | 314 | 3202 | 3175 | 2875 | 2662 |
| 4 | 2587 | 2635 | 2887 | 2922 | 3011 | 3046 | 3325 | 3093 | 2929 | 2652 |
| 5 | 2721 | 2706 | 2862 | 293 | 3063 | 3294 | 3308 | 3219 | 2907 | 2704 |
| 6 | 3157 | 2905 | 3067 | 3178 | 3286 | 3399 | 3297 | 2973 | 2868 | 2391 |
| 7 | 3759 | 3226 | 3313 | 335 | 3269 | 3397 | 3197 | 2886 | 2526 | 2161 |
| 8 | 4918 | 36 | 35 | 3544 | 3387 | 3222 | 3059 | 2685 | 2059 | 162 |
| 9 | 6676 | 4068 | 388 | 3758 | 3512 | 315 | 2509 | 2039 | 1364 | 092 |
| 10 Meeste export | 11757 | 4827 | 356 | 3082 | 2407 | 1925 | 1264 | 0847 | 0472 | 0356 |
| Hoe donkerder de kleur, hoe meer bedrijven er zijn waargenomen in de desbetreffende cel | ||||||||||
Goederenexporteurs actief in meer bestemmingen vaak minder financieringsbeperkt
Exporteurs verschillen niet alleen in termen van hun exportwaarde, maar ook in termen van het aantal producten dat ze exporteren en het aantal bestemmingen dat ze bedienen. Figuur 4.3.4 toont het mediane risico op financieringsbeperkingen naar het aantal bestemmingslanden van goederenexporteurs in de jaren 2019 en 2022. Zo zien we een duidelijke dalende trend in het risico op financieringsproblematiek naarmate het bedrijf naar meer bestemmingen exporteert. Exporteurs die op meerdere markten actief zijn, zijn vaker productiever en groter in termen van balanstotaal en werkzame personen: allemaal kenmerken die samenhangen met een betere toegang tot financiering. Figuur 4.3.4 gaat alleen over goederenexporteurs omdat de informatie over het aantal bestemmingen wereldwijd en het aantal geëxporteerde dienstensoorten slechts voor een beperkte groep bedrijven bekend is.
| Aantal landen | 2019 | 2022 |
|---|---|---|
| 1 land | 6 | 4 |
| 2-3 landen | 6 | 4 |
| 4-10 landen | 5 | 4 |
| meer dan 10 landen | 3 | 2 |
Structurele exporteurs minder vaak financieel beperkt dan incidentele exporteurs
Exporteurs verschillen onderling ook in termen van de exportlevensfase waar ze zich in bevinden. Zo kunnen exporteurs grofweg verdeeld worden in structurele en incidentele exporteurs. Deze afbakening kijkt naast het betreffende jaar ook naar de exportstatus van bedrijven in de drie voorafgaande jaren. Zo heeft een structurele exporteur in het jaar 2022 in minstens drie van de vier jaar in de periode 2019–2022 geëxporteerd. Incidentele exporteurs zijn als groep veel meer divers. Zo bevat deze groep zowel de startende exporteurs als de stoppende exporteurs. In het algemeen zijn incidentele exporteurs dus bedrijven die in de betreffende vier jaar minstens één en maximaal twee jaar hebben geëxporteerd. Figuur 4.3.5 laat zien dat structurele exporteurs van goederen en/of diensten doorgaans een lager risico op onvoldane financieringsbehoeftes lopen dan zowel de incidentele exporteurs als de bedrijven die zich volledig op de binnenlandse markt richten. Structurele exporteurs zijn ook vaker productiever en groter zowel in termen van werkzame personen als in termen van balanstotaal. Het laatste hangt samen met de kans op financieringsbeperkingen zoals aangetoond in hoofdstuk 3.
| Jaar | Structurele exporteurs | Incidentele exporteurs | Niet-exporteurs |
|---|---|---|---|
| 2018 | 4 | 6 | 6 |
| 2019 | 5 | 7 | 7 |
| 2020 | 6 | 8 | 8 |
| 2021 | 4 | 6 | 6 |
| 2022 | 3 | 5 | 5 |
Als we de exporteurs van goederen en van diensten los van elkaar bekijken, dan zien we in beide groepen hetzelfde beeld als dat van figuur 4.3.5. In beide gevallen zien we dat de incidentele exporteurs zich positioneren tussen de structurele en de niet-exporteurs in termen van de statistische kans dat ze te maken krijgen met financieringsbeperkingen. Het enige verschil tussen de goederen- en de dienstenexport is dat we bij de dienstenexporteurs een duidelijker verschil zien tussen de incidentele exporteurs en de bedrijven die geen diensten exporteren.
Vooral (duurzame) exportstarters gevoeliger voor financieringsbeperkingen
De groep incidentele exporteurs bestaat voor bijna een kwart uit beginnende exporteurs. Dit zijn bedrijven die, voor zover bekend, voor het eerst starten met exporteren. In de praktijk wordt een bedrijf als beginnend gekenmerkt als het in een periode van vier jaar drie jaar niet exporteert en dan in het vierde jaar wel goederen/diensten uitvoert. Een andere belangrijke groep starters zijn de jongvolwassenexporteurs, oftewel de duurzame beginnende exporteurs. Dit zijn bedrijven die in een periode van vier jaar twee jaar niet en vervolgens twee jaar wel exporteren. Deze groep is doorgaans goed voor ongeveer 15 procent van de incidentele exporteurs. Ongeveer 5 procent van de incidentele exporteurs bestaat uit herbeginnende exporteurs, dit zijn bedrijven die in een periode van vier jaar meer dan één poging doen om de buitenlandse markten te betreden.
Naast de starters bestaat de groep incidentele exporteurs ook uit stoppers, namelijk de uittredende en voormalige exporteurs. De uittredende handelaren in een bepaald jaar – ongeveer een vijfde van de incidentele groep – zijn bedrijven die in dat jaar niks hebben geëxporteerd, terwijl ze dat daarvoor wel deden. De voormalige exporteurs zijn wat langer inactief op de buitenlandse markten dan de uittredende exporteurs, namelijk twee à drie jaar, en zijn goed voor ongeveer 35 procent van de groep incidentele exporteurs. Deze stoppers krijgen in een bepaald jaar het label incidentele exporteur, terwijl ze in het betreffende jaar – en soms langer – helemaal niks hebben uitgevoerd. De wetenschappelijke literatuur laat namelijk zien dat stoppers pas vanaf jaar drie nadat zij gestopt zijn met exporteren niet meer te onderscheiden zijn van bedrijven die nooit geëxporteerd hebben (Roberts & Tybout, 1997). De verdeling van incidentele exporteurs naar de eerdergenoemde subgroepen starters en stoppers is vrijwel gelijk voor de goederen- en de dienstenexporteurs. Voor meer informatie over de afbakening incidentele en structurele exporteurs, zowel de geaggregeerde als de hiergenoemde gedetailleerde, zie Boutorat et al. (2019).
Figuur 4.3.6 toont het mediane risico dat een bedrijf financieringsbeperkt is voor de verschillende groepen goederenexportstarters en stoppers, de volwassen ofwel structurele goederenexporteurs en de bedrijven die in de periode 2019–2022 geen goederen hebben geëxporteerd. Zo blijken starters, met name jongvolwassenexporteurs, relatief gevoeliger te zijn voor financieringsbeperkingen dan vrijwel alle andere groepen. Volwassenexporteurs lopen aanzienlijk minder risico op financieringsbeperkingen dan alle typen incidentele en niet-exporteurs. Zowel het verschil tussen de jongvolwassenexporteurs en de niet-exporteurs als het verschil tussen de volwassenexporteurs en de rest wordt bevestigd door middel van een statistische test.
| Exportstatus | Mediaan |
|---|---|
| Volwassen | 3 |
| Beginnend | 5 |
| Jongvolwassen | 5 |
| Uittredend | 4 |
| Voormalig | 4 |
| Niet-exporteur | 5 |
Het beeld dat uit figuur 4.3.6 ontstaat over de incidentele goederenexporteurs, zien we ook terug bij de incidentele dienstenexporteurs – hier niet getoond – alleen is het verschil tussen de starters en de rest kleiner ten opzichte van de goederenexport. In wat volgt gaan we verder in op de ontwikkeling van de geschatte toegang tot financiering van de startende goederenexporteurs en indien van toepassing worden de verschillen met de dienstenexport besproken.
Exportstarters tot vier jaar voor de start minder beperkt dan niet-exporteurs
Figuur 4.3.7 vergelijkt enerzijds de beginnende en jongvolwassenexporteurs van 2022 in de jaren voorafgaand aan de werkelijke exportstart met anderzijds de groep volwassenexporteurs die gedurende de hele periode heeft geëxporteerd en de groep bedrijven die tussen 2018–2022 geen goederen hebben uitgevoerd. Zo blijken startende exporteurs een kleinere kans op financieringsbeperkingen, oftewel betere toegang tot financiering, te hebben ten opzichte van de niet-exporteurs tot vier jaar voor de werkelijke exportstart. Dit verschil wordt verder bevestigd door simpele statistische toetsing. Rond het jaar waarin de exportstarters beginnen op de buitenlandse markten, zien we de kans op financieringsbeperkingen in die groep omhoog gaan. Ze naderen – of passeren zelfs – de niet-exporteurs in termen van het risico op financieringstekorten zoals in figuur 4.3.6 te zien is. Dit zou het gevolg kunnen zijn van de hogere kosten die gepaard gaan met deze stap.
Een lager risico op financieringsbeperkingen hangt dus samen met een toekomstige start als goederenexporteur op de buitenlandse markten. Betekent dit dat het verbeteren van de toegang tot financiering van bedrijven tot meer exportstarters kan leiden? Dit kan inderdaad betekenen dat een goede financieringstoegang tot gevolg heeft dat bedrijven in de toekomst de stap over de grens kunnen zetten. Echter, het kan ook zijn dat de bepalende factoren voor het besluit van een bedrijf om te gaan exporteren sterk samenhangen met minder financieringsbeperkingen, zonder dat de toegang tot financiering op zich de exportstart veroorzaakt. Deze vraag is alleen te beantwoorden door middel van een econometrisch model waarin rekening wordt gehouden met alle andere factoren die bepalend kunnen zijn voor het starten met exporteren. Dit gebeurt in paragraaf 4.4.
| Jaar | Beginnend | Jongvolwassen | Volwassen | Niet-exporteur |
|---|---|---|---|---|
| 2018 (t-4) |
5,6 | 5,2 | 4,5 | 6,0 |
| 2019 (t-3) |
6,2 | 5,8 | 4,9 | 6,6 |
| 2020 (t-2) |
7,3 | 6,7 | 5,6 | 8,0 |
| 2021 (t-1) |
5,5 | 5,4 | 4,2 | 5,7 |
| 2022 (t) |
4,6 | 4,9 | 3,4 | 4,6 |
Figuur 4.3.7 betreft de goederenexporteurs van 2022. Voor de dienstenexporteurs is het beeld vrijwel identiek. Als we in plaats van de export naar de import kijken, dan zien we vergelijkbare patronen zowel bij de goederen- als bij de dienstenimport. Verschillen tussen de groepen aan de importzijde zijn echter kleiner dan bij de export en daardoor lastiger om grafisch weer te geven. Het econometrisch model van paragraaf 4.4 wordt ook op de goederenimport en de dienstenimport en -export toegepast om te bepalen of er sprake is van een causaal verband tussen toegang tot financiering en een toekomstige start met de betreffende vorm van internationale handel.
Exporteurs lijken dus al betere toegang tot financiering te hebben dan de niet-exporteurs alvorens ze de stap naar het buitenland hebben gezet. Zien we in de periode na de start een wijziging in de toegang tot financiering van deze groep ten opzichte van de periode vóór de start? Figuur 4.3.8 toont het mediane risico dat de startende exporteurs te maken krijgen met financieringstekorten in de vier jaar na de start. Deze figuur volgt de beginnende en jongvolwassen goederenexporteurs van 2018. Ook daar zien we dat het risico op financieringsbeperkingen onder goederenexportstarters rond het startjaar iets hoger uitvalt dan de groep niet-exporteurs. In de jaren na de start is het beeld erg onduidelijk. De groep startende exporteurs lijkt op sommige momenten minder last te hebben van financieringsbeperkingen dan niet-exporteurs, terwijl de twee groepen op andere momenten niet te onderscheiden zijn. Statistische toetsing van het verschil in toegang tot financiering tussen deze twee groepen na de start is ook verre van eenduidig.
| Jaar | Beginnend | Jongvolwassen | Volwassen | Niet-exporteur |
|---|---|---|---|---|
| 2018 (t) |
6,4 | 6,5 | 4,4 | 6,2 |
| 2019 (t+1) |
6,8 | 6,8 | 4,8 | 6,7 |
| 2020 (t+2) |
7,4 | 7,3 | 5,3 | 7,8 |
| 2021 (t+3) |
5,3 | 5,3 | 3,9 | 5,4 |
| 2022 (t+4) |
4,0 | 4,0 | 3,0 | 4,1 |
Hebben startende exporteurs in de jaren na de start tijd nodig om te herstellen van de hoge startkosten op de buitenlandse markt? Is het beeld vertekend doordat de groep starters niet altijd uitgroeit tot structurele exporteurs? Hoelang duurt het voordat de starters van 2018 die structureel blijven exporteren, financieel niet meer te onderscheiden zijn van de groep volwassenexporteurs? En hoelang duurt het voordat de starters die kort na de start stoppen met exporteren niet meer te onderscheiden zijn van de bedrijven die nooit hebben geëxporteerd? Om deze vragen met zekerheid te kunnen beantwoorden hebben we een langere tijdreeks nodig. Op basis van de huidige dataset (2018–2022) blijft het beeld onduidelijk. Dit wordt ook bevestigd in paragraaf 4.4 door een econometrisch model waar rekening wordt gehouden met andere factoren die van invloed zijn op de ontwikkeling van de toegang tot financiering van bedrijven.
Hoewel het met de beschikbare data niet mogelijk is om de starters van 2018 lang genoeg te volgen om een duidelijk beeld te vormen van de ontwikkeling van hun toegang tot financiering na de stap naar de buitenlandse markt, kunnen we met de beschikbare informatie wel een beeld vormen van de samenhang tussen toegang tot financieringen en het aantal jaar dat een bedrijf actief is geweest als structurele goederenexporteur. Figuur 4.3.9 toont het verband tussen het mediane risico op financieringsbeperkingen en het aantal jaar dat een bedrijf actief is geweest als structurele exporteur. Zo zien we een duidelijke daling in de kans dat een bedrijf te maken krijgt met beperkte toegang tot financiering naarmate het langer actief is als structurele exporteur. Met andere woorden, hoe langer een bedrijf actief is als structurele exporteur hoe beter gemiddeld genomen de toegang tot financiering is.
| Aantal jaar als structurele exporteur | 2022 |
|---|---|
| 1 | 4,9 |
| 2 | 4,8 |
| 3 | 4,6 |
| 4 | 4,3 |
| 5 | 4,5 |
| 6 | 4,2 |
| 7 | 3,9 |
| 8 | 4 |
| 9 | 3,7 |
| 10 of meer | 2,6 |
Bedrijven met buitenlandse dochters minder vaak financieel beperkt
Zoals eerder aangehaald kent internationalisering meerdere vormen. De beschrijvende analyse heeft zich tot nu toe alleen gericht op één vorm, namelijk internationaal handelen in goederen en/of diensten. Bedrijven kunnen er ook voor kiezen om naast – of in plaats van – internationaal te handelen in het buitenland te investeren. Investeren in het buitenland vergt aanzienlijke financiële middelen om de stap in eerste instantie te zetten. Het is daarom waarschijnlijker dat deze stap voornamelijk door de financieel gezondere bedrijven met betere toegang tot financiering gezet wordt. Zodra het bedrijf een investering in het buitenland heeft, kunnen de internationale contacten de zoektocht naar benodigde toekomstige financiering ook faciliteren. Figuur 4.3.10 toont het mediane risico dat een bedrijf met buitenlandse dochters te maken krijgt met financieringsproblematiek ten opzichte van een bedrijf zonder buitenlandse dochters. Zo is het risico op financieringsbeperkingen onder bedrijven zonder buitenlandse dochter ruim 2,5 keer zo hoog in vergelijking met bedrijven met buitenlandse dochters.
| Jaar | Geen buitenlandse dochters | Wel buitenlandse dochters |
|---|---|---|
| 2018 | 6 | 2 |
| 2019 | 7 | 3 |
| 2020 | 8 | 3 |
| 2021 | 6 | 2 |
Minder financieringsbeperkte bedrijven investeren vaker in verduurzaming
Niet alleen investeren in het buitenland, maar ook investeren in verduurzaming is vaker een stap voor de bedrijven met betere toegang tot financiering. Figuur 4.3.11 toont het mediane risico op financieringsproblematiek van de groep bedrijven die wel in verduurzaming investeert en zet deze af tegen het respectievelijke risico onder bedrijven die niet aan groene investeringen doen.
| Jaar | Geen groene investeringen | Wel groene investeringen |
|---|---|---|
| 2018 | 3,7 | 2,5 |
| 2019 | 4,1 | 2,5 |
| 2020 | 4,7 | 3,1 |
| 2021 | 3,9 | 2,2 |
| 2022 | 3,2 | 1,9 |
4.4Toegang tot financiering en internationalisering: een verdiepende analyse
In deze paragraaf wordt het verband tussen toegang tot financiering en de internationalisering en investeringen, zowel in het buitenland als in verduurzaming, van bedrijven verder onderzocht. Paragraaf 4.3 toont een duidelijk positief verband tussen de mate van toegang tot financiering en internationalisering. Bedrijven met betere toegang tot financiering, oftewel een lagere risico op financieringsbeperkingen, importeren en exporteren vaker, exporteren meer producten naar meer landen, groeien vaker uit tot structurele exporteur en blijven dat ook langer doen. De aangetoonde verbanden in paragraaf 4.3 hielden echter geen rekening met andere factoren die van invloed op het verband tussen de access to finance en internationalisering kunnen zijn. Denk aan verschillen tussen bedrijven in termen van productiviteit, buitenlandse zeggenschap, omvang in termen van werkzame personen en bedrijfstak.
In deze paragraaf bekijken we dezelfde verbanden van paragraaf 4.3 aan de hand van een econometrisch model waarin rekening gehouden wordt met de bovengenoemde overige relevante factoren. Zo’n econometrisch model kan ook antwoord geven op de vraag of het verband tussen toegang tot financiering en internationalisering causaal van aard is. Paragraaf 4.3 laat bijvoorbeeld zien dat beginnende en jongvolwassenexporteurs tot vier jaar voor de exportstart financieel gezonder zijn dan bedrijven die in de betreffende periode nooit geëxporteerd hebben. Ook startende importeurs blijken gemiddeld een betere toegang tot financiering te genieten alvorens ze starten met importeren. Op basis van een beschrijvende analyse alleen is niet aan te tonen of dit ook betekent dat een betere toegang tot financiering een export- of importstart in de toekomst stimuleert. Een econometrisch model – zoals hierna besproken – kan deze vraag wel beantwoorden.
Exporteurs en importeurs minder financieringsbeperkt
Het model laat een duidelijk negatief verband zien tussen de export- en importstatus van het bedrijf in een bepaald jaar en de mate van toegang tot financiering in hetzelfde jaar. Een toename van 1 procentpunt van het risico op financieringsbeperkingen gaat gepaard met een afname van 0,04 en 0,1 procentpunt van de kans dat het betreffende bedrijf in hetzelfde jaar actief is als exporteur en importeur respectievelijk. Het betreft hier de export en import van zowel goederen als diensten gecombineerd. In dit model houden we rekening met verschillende bedrijfskenmerken die van invloed zijn op de keuze om internationaal te gaan handelen, namelijk arbeidsproductiviteit, leeftijd van het bedrijf, of het bedrijf tot het zelfstandig mkb behoort en of het bedrijf in buitenlandse handen is. Ook houdt het model rekening met verschillen tussen bedrijfstakken en jaren. De selectie bedrijfskenmerken is gebaseerd op een breed scala aan wetenschappelijke onderzoeken naar de bepalende factoren van import- en exportstatus.
Merk op dat het model in deze vorm nog niks kan zeggen over een causaal verband tussen toegang tot financiering en het exporteren en importeren van goederen en/of diensten. Om de aanwezigheid van een causaal verband tussen de twee in kaart te brengen, kijken we niet alleen of een bedrijf in een bepaald jaar internationaal actief is, maar ook in welke exportlevensfase het bedrijf zich bevindt. Ook kijken we naar het risico op financieringsbeperkingen in de jaren voor de werkelijke start met exporteren en/of importeren.
Mate van toegang tot financiering niet direct van invloed op exportstart
Om te beoordelen of een betere toegang tot financiering een toekomstige exportstart stimuleert, kijken we naar het risico op financieringsbeperkingen in de drie jaar voorafgaand aan de exportstart van alle beginnende en jongvolwassenexporteurs in de jaren 2021 en 2022. Dit doen we voor de goederen en de diensten apart. Voor de goederen richten we ons dan op de bovengenoemde twee goederenexportstarters die tegelijkertijd geen diensten exporteren, en vice versa. Dit doen we om de groep starters zowel voor de goederen als voor de diensten zo zuiver mogelijk te houden. Binnen het econometrisch model zetten we deze afgebakende startersgroepen doorgaans af tegen de groep bedrijven die in de jaren 2018–2022 nooit goederen of diensten geëxporteerd hebben.
In eerste instantie lijken de resultaten te wijzen op een significant causaal verband tussen toegang tot financiering en een succesvolle exportstart, met name bij de goederenexport. Echter, dit effect verdwijnt zodra we rekening houden met de importstatus van bedrijven in de jaren voorafgaand aan de exportstart. Starten met exporteren van goederen of diensten wordt dus niet direct beïnvloed door de mate van financieringsbeperkingen in de jaren vooraf aan de exportstart. Factoren die starten met exporteren wel direct bepalen zijn, onder andere, productiviteit, of het bedrijf wel of niet tot het zelfstandig mkb behoort en of het bedrijf wel of niet goederen en/of diensten importeert. Goederenimporteurs die in een gegeven jaar niks exporteren starten 3 procent vaker als goederenexporteur in de drie daaropvolgende jaren dan vergelijkbare bedrijven die niet importeren. Bedrijven die op enig moment tot het zelfstandig mkb behoren starten in de drie daaropvolgende jaren 5–6 procent minder vaak als goederenexporteur dan bedrijven die tot het grootbedrijf behoren.
Toegang tot financiering duidelijk van directe invloed op importstart
Aan de importkant toont het model een duidelijk causaal verband tussen de mate van financieringsbeperkingen van een bedrijf op een bepaald moment en of dat bedrijf één tot drie jaar later start als importeur van goederen of diensten. Net zoals de exportstarters, bekijken we hier de goederen en de diensten apart en proberen we de groep starters zo zuiver mogelijk af te bakenen. Een goederenimportstarter in een bepaald jaar is een beginnende of jongvolwassenimporteur van goederen die daarnaast in het betreffende jaar geen diensten importeert. Zo leidt een toename van 1 procentpunt van het risico op financieringsbeperkingen in een bepaald jaar tot een afname van 0,02–0,03 procentpunt in de kans dat het betreffende bedrijf in de drie volgende jaren een start maakt als importeur van goederen of diensten.
Is toegang tot financiering helemaal niet van invloed op de exportzijde?
Een lager risico op financieringsbeperkingen lijkt dus geen direct effect te hebben op de kans dat een bedrijf in de komende drie jaar met het exporteren van goederen of diensten begint. Als er nog een effect van toegang tot financiering op het starten met exporteren is, dan is dat slechts een indirect effect dat via de import loopt. Of zo’n indirect effect ook via andere factoren kan lopen, is binnen het huidige model niet getest. Verder vergt het bevestigen of uitsluiten van een dergelijk indirect effect via de import een langere tijdreeks om importstarters die eventueel starten met exporteren door de tijd te kunnen volgen.
Dat het model geen bewijs toont voor een causaal verband tussen het risico op financieringsbeperkingen en exportstart wil niet zeggen dat toegang tot financiering helemaal niet van invloed is op het levensverloop van exporteurs. Om dit verder uit te zoeken hebben we de groep startende goederenexporteurs – zoals eerder afgebakend – opgesplitst in twee groepen: (1) de groep starters die binnen de drie jaar na de start uitgroeit tot structurele exporteurs en (2) de groep starters die binnen drie jaar weer stopt of slechts incidenteel blijft exporteren. Het model laat dan zien dat een betere toegang tot financiering twee jaar voor de exportstart positief bijdraagt aan de kans dat de betreffende starter uitgroeit tot een structurele exporteur. Met andere woorden, startende exporteurs die op de internationale markten weten te overleven zijn al financieel gezonder alvorens ze starten met exporteren. Dit resultaat lijkt erop te wijzen dat de beschikbaarheid van voldoende financiële middelen van directer belang is voor het overleven op exportmarkten dan voor het starten met exporteren an sich. Bij het laatste zijn andere factoren juist van direct belang, zoals productiviteit en of het bedrijf al ervaring heeft op de buitenlandse markten in de vorm van importervaring. Gezien de relatief beperkte tijdreeks is enige voorzichtigheid geboden bij het interpreteren van deze resultaten. Toekomstige controles op basis van een langere tijdreeks zijn nodig om de huidige conclusies robuuster te maken.
Financieringsbeperkingen van directe invloed op het besluit om te stoppen met exporteren
Verder kijken we naar het effect van financieringsbeperkingen op de kans dat een bestaande goederenexporteur binnen de drie daaropvolgende jaren stopt met exporteren. Met exportstoppers bedoelen we hier de uittredende en voormalige goederenexporteurs in de jaren 2021 en 2022. Zie paragraaf 4.3 en Boutorat et al. (2019) voor verdere toelichting van deze groepen. In dit geval wijst het model op een direct significant effect van de mate van toegang tot financiering op de kans dat een bedrijf in de toekomst stopt met het exporteren van goederen. Zo zien we dat een toename van het risico dat een exporteur loopt op financieringsbeperkingen de kans vergroot dat het bedrijf binnen een periode van drie jaar stopt met exporteren. Deze bevinding biedt, vanuit een andere invalshoek, een verdere bevestiging van het belang van toegang tot financiering voor het overleven van bedrijven op exportmarkten. Nogmaals is het bewijs op dat vlak nog niet sluitend en is verder onderzoek op basis van een langere tijdreeks nodig om deze bevindingen te bevestigen en aan elkaar te relateren om een coherent beeld te vormen van het effect van toegang tot financiering op het levensverloop van de exporteur.
Beperkte toegang tot financiering heeft duidelijk negatief effect op handelswaardes
Naast starten en overleven op internationale markten, is groei van de export bij bestaande handelaren ook een belangrijke dimensie van de internationale prestaties van bedrijven. In de volgende stap wordt niet alleen gekeken of een bedrijf in een bepaald jaar importeert of exporteert, maar ook hoeveel er wordt verhandeld qua waarde. Paragraaf 4.3 laat duidelijk zien dat de grootste goederen- en dienstenhandelaren, zowel de exporteurs als de importeurs, in termen van handelswaarde, voornamelijk tot de groep minst financieringsbeperkte bedrijven behoren. Dit verband is ook terug te zien in de resultaten van het econometrisch model. Zo hangt een afname van het risico op financieringsbeperkingen sterk samen met een toename van de toekomstige waarde – tot drie jaar later – van de import en export van zowel goederen als diensten. Dit effect houdt rekening met andere factoren die van invloed zijn op de ontwikkeling van de waarde van de handel, zoals productiviteit, leeftijd, omvang in termen van werkzame personen en bedrijfstak.
Bedrijven die in een gegeven jaar tot de 10 procent minst financieringsbeperkte bedrijven behoren, hebben een jaar later gemiddeld 2,5 keer zoveel goederenimport en 3 keer zoveel goederenexport als het gemiddelde bedrijf in de hele populatie. Bedrijven in de 10 procent meest financieringsbeperkte groep exporteren bijna 65 procent minder diensten, in termen van waarde, dan het gemiddelde bedrijf in de populatie. Deze resultaten komen overeen met Muûls (2015), die voor bedrijven in België ook bewijs vindt voor een negatieve samenhang tussen financieringsbeperkingen en handelswaarden.
Minder beperkte bedrijven exporteren meer producten naar meer landen
Een andere vorm van groei op internationale markten betreft het aantal geëxporteerde producten en het aantal bediende markten. Ook daar wijst het model op een positief effect van betere toegang tot financiering op het aantal geëxporteerde goederen en het aantal exportbestemmingen per bedrijf. Deze bevindingen houden natuurlijk rekening met andere factoren die van invloed zijn op dit verband, zoals bijvoorbeeld bedrijfstak, bedrijfsleeftijd en de omvang van het bedrijf in termen van werkzame personen. Zo laat figuur 4.4.1 zien dat de 10 procent minst financieringsbeperkte bedrijven gemiddeld rond de 30 goederensoorten exporteren. Dat terwijl de 10 procent meest beperkte bedrijven gemiddeld slechts 12 goederensoorten uitvoeren. Het gemiddelde aantal geëxporteerde goederen in de onderzoekspopulatie ligt rond de 21. Ook deze resultaten zijn in lijn met eerdere bevindingen in de literatuur voor België (Muûls, 2015) en Duitsland (Wagner, 2014b).
| Deciel van de geschatte kans op financiële beperkingen | Gemiddelde aantal | Geschatte aantal |
|---|---|---|
| 1 | 21,4 | 31,3 |
| 2 | 21,4 | 22,9 |
| 3 | 21,4 | 21,9 |
| 4 | 21,4 | 19,1 |
| 5 | 21,4 | 18,5 |
| 6 | 21,4 | 17,3 |
| 7 | 21,4 | 16,8 |
| 8 | 21,4 | 14,8 |
| 9 | 21,4 | 12,9 |
| 10 | 21,4 | 11,9 |
Net zoals het aantal geëxporteerde goederensoorten, hangt een beperkte toegang tot financiering negatief samen met het aantal bestemmingslanden waar het bedrijf een jaar later naar exporteert. Zo exporteren de 10 procent minst beperkte bedrijven naar gemiddeld 11 landen, terwijl de 10 procent meest beperkte bedrijven gemiddeld op ongeveer 6 markten actief zijn.
Internationalisering kan ook van invloed zijn op ervaren financieringsbeperkingen
Bij alle besproken toepassingen van het econometrisch model kijken we naar een specifieke richting van causaliteit, namelijk het effect van toegang tot financiering op het internationaliseringsgedrag van bedrijven. Zo vergroot een goede toegang tot financiering de kans dat een bedrijf in de toekomst – vaak tot drie jaar later – start met importeren, uitgroeit tot structurele exporteur, meer gaat importeren en exporteren en meer producten naar meer bestemmingslanden uit gaat voeren. Niettemin, is het ook van belang om de omgekeerde richting van causaliteit te onderzoeken.
In dit laatste gedeelte van de econometrische analyse kijken we naar het effect van internationalisering op het toekomstige risico op financieringsbeperkingen van een bedrijf. Kan internationalisering zelf tot financieringsbeperkingen leiden bij bedrijven, vooral in de beginfase van buitenlandse expansie? Bedrijven die net de stap over de grens hebben gezet ervaren mogelijk financiële stress door de aanzienlijke kosten die gepaard gaan met het betreden van nieuwe markten. Deze kosten kunnen onder andere bestaan uit het opzetten van distributiekanalen, het aanpassen van producten aan buitenlandse regelgeving en het beheren van verhoogde logistieke uitgaven. Hebben exporteurs, mogelijk door internationale connecties en/of door groeiende winsten, juist betere toegang tot financiering als ze eenmaal voorbij de opstartfase zijn?
Op de eerste vraag is in het kader van dit onderzoek helaas geen eenduidig antwoord mogelijk. De huidige dataset betreft een relatief beperkte periode van 5 jaar. Dat – in combinatie met de complexe effecten van de coronajaren – maakt het lastig om de effecten van internationalisering op toegang tot financiering in kaart te brengen. De beschrijvende analyse in paragraaf 4.3 (figuur 4.3.8) suggereert namelijk dat deze effecten, indien aanwezig, in ieder geval niet direct in de 2 à 3 jaar na de exportstart te zien zijn. Hoewel de huidige data en econometrische analyse niks kunnen zeggen over de mogelijke aanwezigheid en aard van een financiële herstelperiode na het starten met exporteren, wijst het model wel op een effect van structureel exporteren op de mate van toegang tot financiering. Structureel exporteren hangt namelijk samen met een lager toekomstig risico op financieringsbeperkingen, oftewel een betere toekomstige toegang tot financiering.
Minder financieringsbeperkte bedrijven investeren vaker in het buitenland
Een andere manier om te internationaliseren is door in het buitenland te investeren. Ongeveer 5 procent van de bedrijven in onze populatie investeert in het buitenland, oftewel heeft één of meer deelnemingen in het buitenland, in de periode 2018–2022. Wanneer bedrijven verder onderverdeeld worden op basis van de mate van toegang tot financiering, is te zien dat ongeveer 7 procent van de groep minst beperkte bedrijven (deciel 1) één of meer deelnemingen in het buitenland heeft. Onder de meest financieringsbeperkte bedrijven (deciel 10) investeert slechts 3 procent in het buitenland. Figuur 4.4.3 toont aan dat het verband tussen de mate waarin een bedrijf te maken heeft met financieringsbeperkingen en of het bedrijf wel of niet in het buitenland investeert in het algemeen negatief is.
Als we alleen naar buitenlandse investeringen in de vorm van buitenlandse dochterondernemingen kijken, dan ontstaat een vergelijkbaar beeld. Een bedrijf heeft een dochter in het buitenland als het een belang van meer dan 50 procent heeft in een buitenlandse deelneming. Zo heeft ongeveer 4,5 procent van de bedrijven in de populatie een dochterbedrijf in het buitenland. De minst beperkte bedrijven hebben gemiddeld in 6 procent van de gevallen een dochterbedrijf in het buitenland, ten opzichte van 2,5 procent onder de meest financieringsbeperkte bedrijven. Deze bevindingen over het verband tussen toegang tot financiering en buitenlandse investeringen volgen uit een econometrisch model, waarin rekening wordt gehouden met andere factoren die van invloed zijn op deze relatie.
| Deciel van de geschatte kans op financiële beperkingen | Gemiddelde kans | Geschatte kans |
|---|---|---|
| 1 | 5,1 | 6,7 |
| 2 | 5,1 | 5,1 |
| 3 | 5,1 | 5,1 |
| 4 | 5,1 | 5,2 |
| 5 | 5,1 | 5,1 |
| 6 | 5,1 | 4,7 |
| 7 | 5,1 | 4,4 |
| 8 | 5,1 | 4,0 |
| 9 | 5,1 | 3,5 |
| 10 | 5,1 | 3,3 |
Verbeterde toegang tot financiering stimuleert groene investeringen
Een andere belangrijke dimensie van investeren zijn investeringen in groene technologieën. Voor een steekproef van ongeveer 14 000 bedrijven is het mogelijk om het verband tussen toegang tot financiering en groene investeringen in kaart te brengen. Figuur 4.3.11 in de beschrijvende analyse wijst al op een negatief verband tussen financieringsbeperkingen en het investeren in verduurzaming. Dit negatieve verband wordt in een econometrisch model, waarin rekening wordt gehouden met andere relevante bedrijfskenmerken, ook bevestigd. Het model wijst bovendien ook op een causaal verband. Bedrijven met betere toegang tot financiering in een bepaald jaar investeren een jaar later vaker in groene technologieën.
Dit is een heel logisch resultaat, groene investeringen zijn – net zoals iedere vorm van investering – alleen mogelijk als bedrijven daar de financiële ruimte voor hebben. Zo is de kans ongeveer een derde dat een bedrijf in de minst financieringsbeperkte groep in verduurzaming investeert, in vergelijking met een kans van 17 procent bij de meest financieringsbeperkte bedrijven. Ook in andere landen wordt een negatieve samenhang tussen financieringsbeperkingen en groene investeringen gevonden. Voor bedrijven in Italië laten Accetturo et al. (2022) zien dat hoe beter het aanbod van financiering, hoe meer groene investeringen door ondernemingen. Costa et al. (2024) bevestigen deze resultaten voor een bredere groep bedrijven in verschillende grootteklassen en sectoren verdeeld over 33 landen.
4.5Samenvatting en conclusie
Dit hoofdstuk onderzoekt de relatie tussen toegang tot financiering, internationalisering en investeringen zowel in het buitenland als in groene technologieën. Het verband tussen toegang tot financiering en internationalisering is complex en gelaagd. Zo kan de causaliteit beide richtingen op gaan. Een betere toegang tot financiering kan internationalisering stimuleren, maar internationalisering kan ook van invloed zijn op het risico dat het bedrijf loopt op financieringsbeperkingen. Verder is het effect van toegang tot financiering op internationalisering gelaagd. Zo kan toegang tot financiering van invloed zijn op het besluit om te starten met exporteren of importeren, op de overlevingskans van bedrijven op exportmarkten en op hoeveel goederen en diensten het bedrijf verhandelt.
Hoewel de beschrijvende analyse op een belangrijke rol duidt van toegang tot financiering bij het stimuleren van bedrijven om te starten met exporteren en importeren, toont het econometrische model geen bewijs voor zo’n effect in het geval van de export. Starten met exporteren – van zowel goederen als diensten – hangt samen met factoren zoals productiviteit, bedrijfsomvang, bedrijfsleeftijd en of het bedrijf actief was als importeur van goederen en/of diensten in de jaren voorafgaand aan de exportstart. Een betere toegang tot financiering stimuleert bedrijven om te starten met het importeren van goederen en/of diensten tot drie jaar later. Aangezien importeren op zijn beurt de kans op een exportstart in de toekomst vergroot, is toegang tot financiering mogelijk indirect van invloed op het besluit om te starten met exporteren. Gezien de beperkte tijdreeks, is de huidige dataset echter niet geschikt om startende importeurs door de tijd te volgen voor en na de importstart. Verder onderzoek op basis van een langere tijdreeks is nodig om dit verder uit te zoeken.
Hoewel toegang tot financiering geen invloed heeft op de kans dat een bedrijf een exportstart maakt, wijst het model op een belangrijke rol van toegang tot financiering bij de groep exportstarters die later uitgroeit tot structurele exporteurs. Met andere woorden, exportstarters die overleven op internationale markten hebben betere toegang tot financiering alvorens ze starten met exporteren. Hoewel deze bevinding een robuustheidscheck verdient op basis van een langere tijdreeks, wordt het belang van toegang tot financiering voor de overleving van bedrijven op exportmarkten door een ander resultaat bevestigd. Zo draagt een hoger risico op financieringsbeperkingen op enig moment structureel bij aan de kans dat een bestaande goederenexporteur binnen de drie daaropvolgende jaren stopt met exporteren.
Bedrijven met betere toegang tot financiering exporteren niet alleen voor grotere bedragen, maar ook een grotere diversiteit aan producten naar meer bestemmingslanden. Daarnaast blijkt dat structurele exporteurs, die jaar-op-jaar actief blijven op buitenlandse markten, over het algemeen minder (toekomstige) financieringsbeperkingen ondervinden dan incidentele exporteurs. Verder wijst de beschrijvende analyse op een dalend risico op financieringsbeperkingen hoe langer het bedrijf actief is als structurele goederenexporteur. Dit suggereert dat consistente internationale activiteit samenhangt met een stabielere financiële basis en dat succesvolle exportbedrijven vaak minder sterk financieel beperkt zijn.
Naast handel in goederen en diensten, is investeren in het buitenland een belangrijke vorm van internationalisering. Net als iedere vorm van investeren, zijn buitenlandse investeringen alleen mogelijk als bedrijven daar de financiële ruimte voor hebben. Zo laat de analyse zien dat betere toegang tot financiering toekomstige investeringen in het buitenland stimuleert. Een andere bevinding van dit hoofdstuk is de impact van financieringsbeperkingen op groene investeringen. Hoewel groene investeringen in toenemende mate een aandachtspunt zijn voor consumenten, bedrijven en beleidsmakers, vormen financieringsbeperkingen een aanzienlijke barrière voor bedrijven. De kans dat een bedrijf in verduurzaming investeert, neemt toe hoe beter de toegang tot financiering voor bedrijven. Zo kan toegang tot financiering directe positieve effecten hebben op de adoptie van duurzame bedrijfspraktijken en investeringen in technologieën die de ecologische impact verminderen.
Hoewel dit hoofdstuk eerste resultaten toont voor de twee richtingen van het causaliteitsverband tussen toegang tot financiering en internationalisering, moet dit worden gezien als een startpunt voor verdere analyses. Het relatief korte tijdsbestek van de analyseperiode staat robuuste conclusies in veel gevallen nog niet toe. Dit geldt vooral voor het effect van internationalisering op de toekomstige toegang tot financiering van bedrijven, maar ook voor verschillende aspecten van de omgekeerde richting van causaliteit. Verder maakt het beperkte aantal jaren het moeilijk om volledig voor het effect van de coronaperiode te controleren. Toekomstig onderzoek, gebaseerd op extra jaren, maakt het trekken van robuustere conclusies mogelijk.
Het verbeteren van toegang tot financiering kan een belangrijke hefboom zijn voor bedrijven om hun internationale positie te versterken en hun investeringen in groene technologieën te vergroten. Door het beperken van het risico op financieringsproblematiek kunnen bedrijven beter inspelen op kansen op internationale markten en bijdragen aan een duurzamere toekomst. Naast het stimuleren van mogelijke toekomstige importeurs om een internationale start te maken, speelt toegang tot financiering een bepalende rol in de overleving en groei van bestaande exporteurs en importeurs op internationale markten. Hierdoor kan Nederland zijn concurrentievermogen vergroten en de duurzaamheid van zijn bedrijfsleven vergroten. Aangezien internationalisering belangrijk is voor de Nederlandse economie, zijn gerichte beleidsinitiatieven om kapitaalstromen en financieringsmogelijkheden te versterken voor zowel mogelijke starters op de internationale markt als bestaande internationale handelaren en investeerders essentieel.
4.6Data en methoden
De relatie tussen toegang tot financiering en internationalisering wordt op basis van het volgende regressiemodel geschat:
Hierbij staat voor de afhankelijke variabele die internationalisering meet, zoals importeur/exporteurstatus, de waarde van goederen- en dienstenhandel, het aantal exportgoederen en bestemmingen of investeringen in het buitenland of in groene technologieën. De variabele meet het risico dat bedrijf in het jaar te maken heeft met financieringsbeperkingen. In sommige modellen, zoals deze onderliggend aan figuren 4.4.1 en 4.4.2, worden bedrijven per jaar ingedeeld in 10 groepen, oftewel decielen.
Naast toegang tot financiering, controleren we voor andere factoren die van invloed zijn op het verband tussen toegang tot kapitaal en internationalisering. In lijn met een aantal empirische studies (Greenaway et al. (2007), Bellone et al. (2010), Minetti & Zhu (2011), Wagner (2014b), Muûls (2015), Máñez & Vicente-Chirivella (2021)) controleren we voor bedrijfskenmerken die belangrijk zijn voor zowel internationalisering als investeringen in het buitenland en/of in groene technologieën. Specifiek gaat het hier om de productiviteit van het bedrijf, de leeftijdsklasse en of het bedrijf tot een internationaal concern behoort. Om rekening te houden met niet-waarneembare verschillen tussen bedrijfstakken en jaren bevat het model ook jaar ( en bedrijfstak fixed effects ( .
Voor binaire afhankelijke variabelen zoals import- of exportstatus, wordt een probit model geschat. Voor een continue variabele wordt een standard OLS-model geschat en voor een categorische afhankelijke variabele, een multinomiale logit. De analyseresultaten zijn ontleend aan een brede set regressiemodellen van uiteenlopende opzet. Vanwege de veelheid aan resultaten worden deze hier niet getoond, maar deze zijn op verzoek beschikbaar.
Om een inschatting te maken van de causaliteit die van internationalisering/investeringen naar financieringsbeperkingen loopt, wordt het volgende regressiemodel geschat:
Hierbij staat voor de mate van toegang tot financiering. De variabele omvat de eerder genoemde variabelen die betrekking hebben op internationalisering of investeringen. De controlevariabelen en fixed effects zijn hetzelfde als in het eerste regressiemodel.
4.7Literatuur
Literatuur
Accetturo, A., Barboni, G., Cascarano, M., Garcia-Appendini, E., & Tomasi, M. (2022). Credit supply and green Investments. CAGE Online Working Paper Series 615, Competitive Advantage in the Global Economy (CAGE).
Bellone, F., Musso, P., Nesta, L., & Schiavo, S. (2010). Financial Constraints and Firm Export Behaviour. World Economy, 33, 347–373.
Berkenbos, A., Creemers, S., Stienstra, A. M., & Weusten, M. (2023). Buitenlandse investeringen en multinationals. In S. Creemers & D. Herbers (Reds.), Nederland Handelsland 2023: export, import en investeringen. Centraal Bureau voor de Statistiek.
Berman, N., & Héricourt, J. (2010). Financial factors and the margins of trade: Evidence from cross-country firm-level data. Journal of Development Economics, 93(2), 206–217.
Boutorat, A., Franssen, L., Mounir, A., & Van den Berg, M. (2019). Incidentele handelaren: wie zijn ze en wat onderscheidt ze? In M. Jaarsma, A. Lammertsma & R. Voncken (Reds.), Internationaliseringsmonitor 2022, vierde kwartaal: Patronen in handelsgedrag. Centraal Bureau voor de Statistiek.
CBS (2022, 29 november). 5-jarig overlevingspercentage van nieuwe bedrijven neemt toe. Centraal Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd op 31 oktober 2024.
CBS (2021). Nederland in cijfers 2021. Centraal Bureau voor de Statistiek.
Costa, H., Demmou, L., Franco, G., & Lamp, S. (2024a). Making the grass greener: The role of firm’s financial and managerial capacity in paving the way for the green transition. OECD Economics Department Working Papers, No. 1791. Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling.
Costa, H., Demmou, L., Franco, G., & Lamp, S. (2024b). The role of financing constraints and environmental policy on green investment. Economics Letters, 239, 111741.
Creusen, H., Kox, H., Lejour, A., & Smeets, R. (2011). Exploring the margins of Dutch exports: A firm-level analysis. De Economist, 159(4), 413.
De Haas, R., Martin, R., Muûls, M., & Schweiger, H. (2024). Managerial and financial barriers during the green transition. Te verschijnen in Management Science.
De Witt, S., & Schmeets, H. (2018). Milieu en duurzame energie. Centraal Bureau voor de Statistiek.
Greenaway, D., Guariglia, A., & Kneller, R. (2007). Financial factors and exporting decisions. Journal of International Economics, 73(2), 377–395.
Máñez, J. A., & Vicente-Chirivella, Ó. (2021). Exports of Spanish manufacturing firms and financial constraints. BRQ Business Research Quarterly, 24(1), 53–90.
Minetti, R., & Zhu, S. C. (2011). Credit constraints and firm export: Microeconomic evidence from Italy. Journal of International Economics, 83(2), 109–125.
Muûls, M. (2015). Exporters, importers and credit constraints. Journal of International Economics, 95(2), 333–343.
NBA (2024, 7 maart). Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD). Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants. Geraadpleegd op 25 oktober 2024.
Prenen, L., Rooyakkers, J., & Notten, T. (2024). Nederlandse verdiensten aan de export. In S. Creemers, M. Houben-van Herten & R. Voncken (Reds.), Nederland Handelsland 2024: Export, import & investeringen. Centraal Bureau voor de Statistiek.
Wagner, J. (2007). Exports and productivity: A survey of the evidence from firm-level data. World Economy, 30(1), 60–82.
Wagner, J. (2014a). Credit constraints and exports: a survey of empirical studies using firm-level data. Industrial and Corporate Change, 23(6), 1477–1492.
Wagner, J. (2014b). Credit constraints and exports: evidence for German manufacturing enterprises. Applied Economics, 46(3), 294–302.
Wagner, J. (2019). Access to finance and exports–comparable evidence for small and medium enterprises from industry and services in 25 European countries. Open Economies Review, 30(4), 739–757.