Foto omschrijving: Vietnam. Hanoi. Women and men working in Heineken breweries distribution centre.

Buitenlandse investeringen en multinationals

Auteurs: Arjen Berkenbos (DNB), Sarah Creemers (CBS), Anne Maaike Stienstra (DNB), Manon Weusten (CBS)

Investeringspositie van de vier landen die het meest in Nederland investeerden en van de vier landen waar Nederland het meest in investeerde in 2022, exclusief investeringen van BFI’s. In 2022 was 553 miljard euro van de inkomende investeringen afkomstig uit de VS. 460 miljard euro van de uitgaande investeringen ging in 2022 naar het VK, wat daarmee het belangrijkste ontvangende land is. Landen waarin Nederland het meest investeert = 10 mld Zwitserland €309 mld Verenigd Koninkrijk Verenigde Staten Duitsland €460 mld €353 mld €230 mld Landen die het meest investeren in Nederland Verenigde Staten €553 mld = 10 mld Duitsland €280 mld Verenigd Koninkrijk €519 mld Luxemburg €186 mld Bron: DNB

Internationalisering levert een positieve bijdrage aan de productiviteit en uiteindelijk de welvaart van een land. Directe buitenlandse investeringen zijn een belangrijk instrument in internationale economische integratie omdat hiermee kapitaal wordt ingebracht vanuit de ene economie in de andere economie. Nederland behoort wereldwijd tot de landen met de grootste buitenlandse directe investeringen, zowel ingaand als uitgaand. Multinationals zijn belangrijke actoren in directe buitenlandse investeringen en zijn derhalve interessant om in dit hoofdstuk nader te bestuderen. In dit hoofdstuk komen eerst de inkomende en uitgaande directe investeringen in en door Nederland aan bod. Daarna wordt ingezoomd op de multinationals, waarbij onderscheid gemaakt wordt naar multinationals onder buitenlandse of onder Nederlandse zeggenschap. Tot slot wordt er gekeken op welke manier Nederlandse multinationals investeren in het buitenland.

5.1Belangrijkste bevindingen

Directe buitenlandse investeringen (exclusief BFI's)

  • Net als afgelopen jaren behoort Nederland in 2022 tot de landen met de grootste directe buitenlandse investeringen wereldwijd. Dit geldt zowel voor de investeringen van het buitenland in Nederland (inkomende investeringen) als voor investeringen van Nederland in het buitenland (uitgaande investeringen).
  • Net als in 2021 waren de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk in 2022 de belangrijkste partners voor inkomende investeringen in Nederland. Beide landen waren tussen 2018 en 2022 ook de belangrijkste bestemmingslanden voor uitgaande investeringen. Vanaf 2020 is het VK ten koste van de VS de belangrijkste bestemming voor Nederlandse investeringen.
  • De totale inkomende investeringspositie van Nederland is in 2022 met 3 procent gestegen t.o.v. 2021. De totale uitgaande investeringspositie van Nederland is met 1 procent gedaald. De investeringspositie ligt daarmee nog onder het pre-coronaniveau van 2019.

Multinationals in Nederland

  • Het Nederlandse bedrijfsleven telde in 2021 ongeveer 25,1 duizend multinationals, waarvan 64 procent onder buitenlandse zeggenschap en 36 procent onder Nederlands bewind. Dit komt neer op 1,8 procent van het totale Nederlandse bedrijfsleven.
  • Multinationals boden in totaal werk aan bijna 2,3 miljoen mensen in Nederland, goed voor 35 procent van de totale werkgelegenheid in het Nederlandse bedrijfsleven in 2021. De werkgelegenheid bij niet-multinationals steeg nog verder na 2018, terwijl het bij de multinationals juist daalde. In vergelijking met 2019 telden in 2021 multinationals netto 26 duizend werkzame personen minder.
  • Van alle multinationals is 35 procent actief in de bedrijfstak groot- en detailhandel. Multinationals zorgen, met 666 duizend werkzame personen, voor bijna 40 procent van de werkgelegenheid in deze bedrijfstak.
  • Eén op de vijf buitenlandse multinationals in Nederland stond in 2021 onder Amerikaanse zeggenschap (bijna 3 duizend bedrijven), gevolgd door Duitsland (bijna 2,4 duizend bedrijven). De VS was in 2021, met circa 250 duizend werknemers, ook de grootste buitenlandse werkgever in het Nederlandse bedrijfsleven.
  • Multinationals waren in 2021 verantwoordelijk voor 78 procent van de goedereninvoer en 83 procent van de uitvoerwaarde van goederen. Bij de diensteninvoer en -uitvoer stond 91 procent van de waarde op conto van de multinationals.
  • Buitenlandse multinationals waren in 2020 gemiddeld 23 procent productiever dan niet-multinationals. Voor Nederlandse multinationals zagen we een productiviteitswinst van 17 procent.

Nederlandse multinationals in het buitenland

  • Nederlandse multinationals hebben de meeste dochterondernemingen in Duitsland en dat aantal is van 2018 tot 2019 enkel toegenomen.
  • De sectoren industrie en landbouw hebben relatief gezien het grootste aandeel verticale investeringen, in tegenstelling tot de sectoren handel en dienstverlening waar het aandeel verticale investeringen beduidend kleiner is.
  • Van de ondernemingen die horizontaal investeren, is een relatief groot deel niet-exporteur. De industrie wijkt hiervan af, waarbij investeren en exporteren hand-in-hand lijken te gaan. Er zijn derhalve aanwijzingen dat de investeringskeuze sterk afhankelijk is van de sector van de moederonderneming.

Leeswijzer

In dit hoofdstuk wordt stilgestaan bij de directe buitenlandse investeringen in en door Nederland. Zo zal er in paragraaf 5.2 ingegaan worden op de directe investeringspositie van Nederland, gebaseerd op macro-cijfers van De Nederlandsche Bank (DNB) en OESO. Multinationals zijn belangrijke actoren in de internationale investeringsstromen van en naar Nederland. De buitenlandse multinationals in Nederland worden besproken in paragraaf 5.3 en de Nederlandse multinationals met dochters in het buitenland staan centraal in paragraaf 5.4. CBS cijfers over de Inward en Outward Foreign Affiliates Statistics worden hiervoor gebruikt. In paragraaf 5.4 wordt ook de relatie tussen internationaal handelen en investeren verder onderzocht. Daarbij zal een onderscheid gemaakt worden tussen horizontale en verticale investeringen, wat een groot deel van het vraagstuk omtrent de complementariteit van handel en investeringen kan verklaren.

5.2Macro-overzicht directe buitenlandse investeringen

In deze paragraaf wordt ingegaan op de directe investeringspositie van Nederland. Een onderneming met directe investeringen uit het buitenland is een onderneming waarin een investeerder uit een ander land tenminste 10 procent bezit van het gewone aandelenkapitaal of van de stemrechten of het equivalent daarvan. Het gaat hierbij om een blijvend belang en om verkrijging van substantiële invloed in het management van de onderneming door bijvoorbeeld een fusie, overname, bouw van nieuwe faciliteiten, herinvestering van winsten uit buitenlandse activiteiten of leningen tussen onderdelen van de onderneming.

In tegenstelling tot de voorgaande edities van Nederland Handelsland, hebben de cijfers en rangordes in deze paragraaf dit jaar betrekking op directionele cijfers. Dit betekent dat investeringen van de dochter naar de moeder gesaldeerd worden met de investeringen van de moeder naar de dochter (‘reverse investments’). In eerdere edities van Nederland Handelsland zijn cijfers gepubliceerd op basis van activa/passiva. Omdat bij deze methode niet wordt gesaldeerd kunnen de posities artificieel worden opgeblazen. Daarom adviseren internationale instanties om de directionele benadering te gebruiken voor het analyseren van directe investeringsrelaties.

Nederland behoort wereldwijd tot de grootste investeringslanden

Net als afgelopen jaren behoort Nederland in 2022 wereldwijd tot de landen met de grootste directe buitenlandse investeringen. Dit geldt zowel voor de investeringen van het buitenland in Nederland (inkomende investeringen) als voor investeringen van Nederland in het buitenland (uitgaande investeringen). Wanneer bijzondere financiële instellingen (BFI’s) buiten beschouwing worden gelaten, staat Nederland wat inkomende investeringspositie betreft op plek vier na de VS, China en het VK (zie figuur 5.2.1). Uitgaand staat Nederland zonder BFI’s op plaats twee, na de VS (OESO, 2023).noot1

De omvang van inkomende en uitgaande directe investeringen in 2022 uitgesplitst naar land, exclusief BFI’s. De VS, China, het VK en Nederland zijn de belangrijkste investeerders en ontvangen de meeste directe investeringen. O m v ang uitgaande di r ecte i n v esteringen naar land ( e x clusief BFI’s) V e r enigde S taten O v erige landen O v erige landen China NL VK VK V e r enigde S taten Nederland China C anada Ierland Lu x embu r g Duitsland Z witserland F r ankrijk China Japan B r on: OESO

Wereldwijd daalden de buitenlandse investeringstransacties in 2022 met 24 procent ten opzichte van 2021. Deze daling volgt op een jaar met uitzonderlijke groei: na een afname van de directe investeringsactiviteit tijdens het eerste coronajaar verdubbelde de waarde van de wereldwijde stromen in 2021 bijna ten opzichte van 2020. Net als in 2021 waren de VS en China in 2022 de belangrijkste bestemmingen voor wereldwijde nieuwe directe buitenlandse investeringen. Samen zijn zij verantwoordelijk voor ongeveer 40 procent van de nieuwe investeringen. De VS was tevens de bron van ruim 30 procent van de nieuwe investeringen in het buitenland, op grote afstand gevolgd door Japan, China en Duitsland (OESO, 2023). In Nederland waren de inkomende en uitgaande investeringstransacties in 2022 net als in 2021 negatief. Naast kapitaalonttrekkingen (verkoop van bestaande belangen) kan bijvoorbeeld ook het terugbetalen van een lening door een dochteronderneming aan de moederonderneming zorgen voor negatieve stromen. De stijging van de inkomende investeringspositie van Nederland in 2022 hangt voor een aanzienlijk deel samen met koersontwikkelingen en herwaarderingen. De investeringspositie wordt namelijk niet alleen door transacties, maar ook door herwaarderingen, wisselkoersmutaties en overige volumemutaties beïnvloed.

Over de jaren heen is er sprake van grote schommelingen in wereldwijde directe investeringstransacties. Het beeld wordt sterk beïnvloed door specifieke gebeurtenissen zoals grote herstructureringen van multinationals en kan zelfs grotendeels bepaald worden door een handvol bedrijven. Zo wordt de wereldwijde daling in 2022 ten opzichte van 2021 voor een groot deel veroorzaakt door kapitaalonttrekkingen van één in Luxemburg gevestigde multinational. Als Luxemburg buiten beschouwing wordt gelaten daalden de wereldwijde stromen in 2022 met 5 procent (OESO, 2023).

De directe investeringspositie van Nederland

De totale inkomende investeringspositie van Nederland is in 2022 t.o.v. 2021 met 3 procent gestegen tot 3 930 miljard euro. De totale uitgaande investeringspositie van Nederland is met 1 procent gedaald ten opzichte van een jaar eerder en bedroeg 4 818 miljard euro in 2022. De investeringspositie lag daarmee nog onder het pre-coronaniveau van 2019; de inkomende positie lag 3 procent lager dan eind 2019 en de uitgaande positie 6 procent lager.

De investeringen van Nederland zijn geconcentreerd in drie statistische sectoren, zie figuur 5.2.2. Bijzondere financiële instellingen (BFI’s) waren in 2022 verantwoordelijk voor circa een derde van de inkomende en uitgaande directe investeringspositie van Nederland. BFI’s zijn in Nederland gevestigde dochtermaatschappijen van buitenlandse ondernemingen die dienen als tussenschakel voor internationale geldstromen in voornamelijk dividenden en renten. De inkomende investeringspositie van BFI’s is in 2022 nagenoeg gelijk gebleven en bedroeg aan het einde van het jaar 1 327 miljard euro. De uitgaande investeringspositie is met 1 procent afgenomen tot 1 635 miljard euro. Ook houdstermaatschappijen (holdings), wiens activiteit voornamelijk bestaat uit financiële dienstverlening binnen de eigen ondernemingengroep, waren in 2022 verantwoordelijk voor ongeveer een derde van de directe investeringspositie. De overige directe investeringen komen bijna geheel voor rekening van niet-financiële vennootschappen. Zij waren in 2022 verantwoordelijk voor circa 30 procent van de investeringen. Slechts 4 procent van de uitgaande en 2 procent van de inkomende investeringspositie komt voor rekening van de resterende sectoren, zoals banken, andere financiële dienstverleners, de overheid en huishoudens.

5.2.2 Investeringspositie Nederland naar sector1) (mld euro)
Jaar BFI's Holdings Niet-financiële vennootschappen Overig
Inkomend . . . .
2022 1327 1361 1167 75
2021 1322 1344 1097 68
2020 1378 1344 873 73
2019 2739 296 950 59
2018 2712 168 1082 44
Uitgaand . . . .
2022 1635 1544 1459 180
2021 1649 1657 1367 179
2020 1722 1573 1255 167
2019 3081 523 1360 165
2018 3059 319 1456 158
Bron: CBS, DNB
1)Er is een verschuiving tussen BFI’s en holdings zichtbaar tussen 2019 en 2020. Dit komt doordat in 2020 de gehanteerde definitie voor BFI’s in lijn is gebracht met de definitie die het IMF hanteert. Deze definitie schrijft o.a. voor dat een BFI maximaal vijf medewerkers mag hebben, als dochter onder directe of indirecte controle valt van een buitenlandse partij, vrijwel geen fysieke aanwezigheid of productie in het land van vestiging heeft en daar vooral gevestigd is om specifieke (bijvoorbeeld fiscale) voordelen te behalen.

VS en VK blijven de grootste investeringspartners

De Verenigde Staten voeren consequent de Nederlandse ranglijst met inkomende investeringspartners aan. Wanneer geldstromen via in Nederland gevestigde BFI’s buiten beschouwing worden gelaten, bestaat de top 4 verder uit het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Luxemburg, zie figuur 5.2.3. Samen waren deze vier landen eind 2022 verantwoordelijk voor circa 60 procent van de totale investeringen in Nederland. De ranglijst van landen waar Nederland in investeert, exclusief BFI’s, bestond de afgelopen drie jaar consequent uit het VK, de VS, Zwitserland en Duitsland, zie figuur 5.2.4. De top 4 was in 2022 verantwoordelijk voor ruim 40 procent van de Nederlandse uitgaande directe investeringspositie.

De mutaties in de rangorde over de tijd worden gedreven door gebeurtenissen bij individuele bedrijven. Zo wordt de daling van de inkomende investeringspositie met Luxemburg in 2022 voor een groot deel veroorzaakt door de herstructurering van een in Luxemburg gevestigde multinational en is de stijging van het VK in 2021 in belangrijke mate veroorzaakt door de verhuizing van Shell van Nederland naar het VK. Overigens dankt Luxemburg, net als Nederland, haar positie mede aan haar rol als doorstroomland (DNB, 2022). De getoonde rangordes hebben namelijk betrekking op het land waar de investering direct vandaan komt. Vaak bestaat er een verschil tussen waar de investering direct vandaan komt en het oorspronkelijke land waar de directe investering daadwerkelijk van afkomstig is.

5.2.3 Top 4 inkomende investeringspartners, exclusief BFI’s
Verenigde Staten Verenigd Koninkrijk Duitsland Luxemburg
2018 2 3 4 1
2019 2 4 3 1
2020 1 3 4 2
2021 1 2 4 3
2022 1 2 3 4
5.2.4 Top 4 uitgaande investeringspartners, exclusief BFI’s
Verenigde Koninkrijk Verenigd Staten Zwitserland Duitsland
2018 2 1 3 5
2019 2 1 4 5
2020 1 2 3 4
2021 1 2 3 4
2022 1 2 3 4

5.3Multinationals in Nederland

In deze paragraaf wordt er specifiek gekeken naar de bedrijven die investeringen doen, oftewel de multinationals. Hoeveel multinationals telt het Nederlandse bedrijfsleven? Voor welk deel van de werkgelegenheid in het Nederlandse bedrijfsleven zijn multinationale bedrijven verantwoordelijk? In welke bedrijfstakken zijn ze actief? Onder zeggenschap van welk land vallen de buitenlandse multinationals? En hoe belangrijk zijn multinationals voor de Nederlandse goederen- en dienstenhandel?

Wat is een multinational?

Een multinational is een onderneming die de uiteindelijke zeggenschap heeft over bedrijven in twee of meer landen. Een Nederlandse multinational is een bedrijf onder (ultieme) Nederlandse zeggenschap met ten minste één dochter (meerderheids­deelneming) in het buitenland. Een buitenlandse multinational is een in Nederland gevestigde dochteronderneming, waarover de uiteindelijke zeggenschap in het buitenland ligt. De landbouw, bosbouw en visserij worden niet meegeteld in de populatie van het niet-financiële Nederlandse bedrijfsleven, evenmin als de financiële instellingen, openbaar bestuur, onderwijs, gezondheidszorg, cultuur, sport en recreatie, levensbeschouwelijke en politieke organisaties, wellness en uitvaartbranche, huishoudens en extraterritoriale organisaties en lichamen.

Buitenlandse investeringen leiden tot kapitaalinstroom in het land van bestemming. Voor de meeste multinationals hebben buitenlandse investeringen één of meerdere van de volgende motieven: het uitbreiden van de markt, toegang krijgen tot efficiëntere of goedkopere productiefactoren, en het kopen van kennis en merknamen (Freeman et al., 2022). Multinationals creëren werkgelegenheid en brengen zelf ook kennis mee wanneer ze zich middels buitenlandse investeringen in een nieuw land vestigen. Er gaan bij de multinationale bedrijven relatief veel middelen naar onderzoek en ontwikkeling, en technologische innovatie. Multinationals worden dan ook gezien als een belangrijke toegangspoort tot internationale markten. Zij verbinden de binnenlandse waardeketen met de wereldwijde waardeketen (Cadestin et al., 2019).

Aantal multinationals gegroeid maar niet zo hard als niet-multinationals

Figuur 5.3.1 toont dat Nederland steeds meer multinationals telt. In 2021, het laatste jaar met beschikbare gegevens, waren er 25,1 duizend multinationals actief in het Nederlandse bedrijfsleven. Dit komt neer op 1,8 procent van het totale Nederlandse bedrijfsleven. We zien dat er in 2021 zo’n 5 procent meer multinationals waren ten opzichte van 2019. Ondanks dat het aantal multinationals groeide, is het aandeel in het bedrijfsleven in diezelfde periode licht gedaald. Dat komt doordat het aantal niet-multinationals (vooral zzp-ers) sterker groeide, namelijk met ruim 10 procent.

Het CBS kan onderscheid maken tussen Nederlandse en buitenlandse multinationals. Binnen de groep multinationals stond in 2021 64 procent onder buitenlandse zeggenschap en was 36 procent in Nederlandse handen. Nederland behoort tot de top van de meest dynamische en concurrerende kenniseconomieën in de wereld. In 2021 stond Nederland in de ranglijst van het International Institute for Management Development op de vierde plek en is daarbij een van de meest concurrerende economieën wereldwijd (IMD, 2021). In vergelijking met andere EU-landen is het aandeel buitenlandse multinationals in het totale niet-financiële bedrijfsleven voor Nederland vergelijkbaar met dat voor Duitsland (Eurostat, 2023a en 2023b). Voor landen zoals Frankrijk, België en Italië ligt dit aandeel een stuk lager: de Nederlandse positie als stabiele economische hub is aantrekkelijk voor buitenlandse bedrijven. Buitenlandse bedrijven kunnen op hun beurt bijdragen aan de versterking van de Nederlandse innovatie-ecosystemen en de verduurzaming en digitalisering van de Nederlandse economie (Wiebes, 2020). De investeringen van multinationals kunnen daarnaast ook een keerzijde hebben. Hierbij kan o.a. gedacht worden aan het verplaatsen van hun vervuilende activiteiten naar landen met zwakkere milieuregels om de nalevingskosten van hun thuisland te vermijden (Narula & Pineli, 2019; Cuervo-Cazurra et al., 2021).

5.3.1 Multinationals in Nederlandse bedrijfsleven (x 1 000)
Jaar Multinationals
2011 21,09
2012 20,83
2013 21,625
2014 22,165
2015 22,36
2016 22,96
2017 23,67
2018 23,69
2019 23,945
2020* 24,53
2021* 25,12

35 op de 100 werkt bij een multinational, maar multinationale banenmotor stokte in 2018

In figuur 5.3.2 zien we dat Nederlandse en buitenlandse multinationals gezamenlijk aan bijna 2,3 miljoen mensen in Nederland werk boden in 2021. Dit is goed voor 35 procent van de totale werkgelegenheid in het Nederlandse bedrijfsleven. In vergelijking met twee jaar eerder telden in 2021 multinationals netto 26 duizend werkzame personen minder; een daling van 1,1 procent. Ondanks dat multinationals dus een zeer klein aandeel vormen in de Nederlandse bedrijvenpopulatie (circa 2 procent), zijn ze verantwoordelijk voor een groot deel van de werkgelegenheid in ons land.

De werkgelegenheid nam in de periode 2010–2018 met 19 procent toe bij de multinationals. Bij niet-multinationals steeg het aantal werkzame personen in diezelfde periode met 15 procent. Vanaf 2018 is het beeld van beide groepen tegengesteld. De werkgelegenheid bij niet-multinationals steeg nog verder na 2018, terwijl het bij de multinationals juist daalde. Bij multinationals nam de afgelopen jaren (2018–2021) het aantal werkzame personen af met in totaal 128 duizend. De niet-multinationals boden in diezelfde periode werk aan 106 duizend extra personen. Vooral bij de Nederlandse multinationals nam het aantal banen af sinds 2018. Dat heeft te maken met de internationale economische concurrentie waar Nederlandse bedrijven zich steeds meer focussen en specialiseren op de meer hoogwaardige activiteiten in de waardeketen (Wiebes, 2020).

5.3.2 Werkgelegenheid Nederlandse bedrijfsleven (x 1 000 werkzame personen)
Jaar Multinationals Niet-multinationals
2011 2050 3555
2012 2054 3551
2013 2038 3490
2014 2048 3496
2015 2096 3575
2016 2155 3684
2017 2245 3782
2018 2383 4046
2019 2281 4092
2020* 2222 4044
2021* 2255 4152

1 op de 3 multinationals in groothandel versus 1 op de 5 in Nederlandse bedrijfsleven

In figuur 5.3.3 is te zien dat de verdeling van multinationals naar bedrijfstak sterk verschilt van het totale Nederlandse bedrijfsleven. Ongeveer 35 procent van de multinationals was actief in de groot- en detailhandel. Deze bedrijfstak heeft in het totale Nederlandse bedrijfsleven ook een behoorlijk aandeel, weliswaar in mindere mate (21 procent). Daarnaast waren multinationals in Nederland in 2021 vooral vertegenwoordigd in de specialistische zakelijke dienstverlening en de industrie. Deze samenstelling is vergelijkbaar met die in 2020 en vergelijkbaar voor buitenlandse en Nederlandse multinationals.

5.3.3 Verdeling bedrijven naar bedrijfstak, 2021* (%)
Type bedrijf Industrie Groot-en detailhandel Vervoer en opslag Informatie en communicatie Specialistische zakelijke diensten Verhuur en overige zakelijke diensten Overige bedrijfstakken
Buitenlandse multinationals 13 37 6 12 17 5 9
Nederlandse multinationals 16 30 6 10 19 6 12
NL bedrijfsleven 6 21 4 8 30 7 25

Nederlandse multinationals gemiddeld genomen grootste werkgever

Figuur 5.3.4 toont voor 2021 het gemiddeld aantal werkzame personen voor verschillende typen bedrijven. Een niet-multinational bood in 2021 werk aan gemiddeld 4 personen. Voor multinationals is dit cijfer aanzienlijk hoger. Zo werkten er gemiddeld 71 personen bij een buitenlandse multinational. Bij een Nederlandse multinational stonden er gemiddeld 123 personen op de loonlijst. De grote verschillen in werkgelegenheid tussen multinationals en niet-multinationals worden met name gedreven door de grote aanwezigheid van zzp’ers in de groep niet-multinationals. De Nederlandse multinationals en buitenlandse multinationals bevatten veel minder bedrijven. Maar deze groepen dragen ook veel bij aan de Nederlandse materiële welvaart en werkgelegenheid omdat ze meestal groot zijn voor wat betreft omzet en aantal werkzame personen.

5.3.4 Gemiddelde werkgelegenheid1), 2021* (werkzame personen)
Type bedrijf Gemiddelde werkgelegenheid
Buitenlandse multinationals 71
Nederlandse multinationals 123
Niet-multinationals 3
1)Is berekend door het totaal aantal werkzame personen per type bedrijf te delen door het aantal bedrijven per type.

Helft werkgelegenheid bij multinationals gerealiseerd door groot- en detailhandel en industrie

Uit figuur 5.3.5 blijkt dat de bedrijfstakken groot- en detailhandel en industrie de grootste werkgevers zijn onder de in Nederland gevestigde multinationals. Ongeveer de helft van alle werkzame personen in loondienst bij een multinational was actief in een van deze bedrijfstakken. Voor het totale bedrijfsleven waren beide bedrijfstakken verantwoordelijk voor net geen 40 procent van de werkgelegenheid. De verdeling van werkgelegenheid naar bedrijfstak is vergelijkbaar met die in 2020. We zien in 2021 dezelfde bedrijfstakken terugkomen in de top 3 werkgelegenheid voor Nederlandse en buitenlandse multinationals, weliswaar in een andere volgorde dan een jaar eerder.

5.3.5 Verdeling werkgelegenheid naar bedrijfstak, 2021* (%)
Type bedrijf Industrie Groot-en detailhandel Vervoer en opslag Informatie en communicatie Specialistische zakelijke diensten Verhuur en overige zakelijke diensten Overige bedrijfstakken
Buitenlandse multinationals 21 29 11 9 8 14 8
Nederlandse multinationals 16 30 9 5 9 22 9
NL bedrijfsleven 13 26 7 6 13 17 18

19 procent van de buitenlandse multinationals in Amerikaanse handen

De meeste buitenlandse multinationals in het Nederlandse bedrijfsleven staan onder Amerikaanse, Duitse, Britse, Belgische of Franse zeggenschap, zie figuur 5.3.6.

De VS is nog steeds onze belangrijkste investeringspartner als het gaat om het aantal multinationals dat actief is in Nederland. In 2021 telde Nederland bijna 3 duizend bedrijven onder Amerikaanse zeggenschap. Dat komt neer op 19 procent van alle bedrijven onder buitenlandse zeggenschap. Duitsland volgt met bijna 2,4 duizend bedrijven. Er zijn verschillende redenen waarom buitenlandse bedrijven zich in Nederland vestigen. Zo heeft de gunstige ligging in Europa, de sterk ontwikkelde logistieke en data-infrastructuur, de relatief hoog opgeleide Nederlandse bevolking en het gunstige vestigingsklimaat een grote aantrekkingskracht op buitenlandse investeerders.

Door de tijd heen is er weinig veranderd in de lijst van tien landen met zeggenschap over de meeste buitenlandse multinationals in Nederland. Voor alle landen uit de top 10 zien we dat het aantal bedrijven onder hun zeggenschap gestegen is ten opzichte van 2015. Opvallend aan de cijfers: het aantal bedrijven onder Zweedse zeggenschap groeide in 2021 met 130 ten opzichte van 2015, naar 480 bedrijven. Zweden passeert daarmee China als achtste land van herkomst. Ook het aantal bedrijven onder Chinese zeggenschap nam toe, weliswaar minder hard dan de Zweedse bedrijven.

5.3.6 Top 10 buitenlandse multinationals in Nederland naar herkomst, 2021* (bedrijven)
Herkomst 2021*
VS 2990
Duitsland 2375
VK 1735
België 1730
Frankrijk 955
Japan 630
Zwitserland 555
Zweden 480
China 450
Denemarken 350

De Verenigde Staten waren in 2021, net zoals in de voorbije zes jaar, ook de grootste buitenlandse werkgever in het Nederlandse bedrijfsleven. In 2021 werkten zo’n 250 duizend mensen voor bedrijven met een Amerikaans moederbedrijf. De 955 Franse multinationals gevestigd in Nederland waren in 2021 verantwoordelijk voor 150 duizend banen. Daarmee hebben Franse multinationals gemiddeld 157 personen in dienst. Voor Amerikaanse en Duitse multinationals is dat gemiddeld respectievelijk 84 en 75 werkzame personen. Bij Japanse multinationals zien we een toename van de werkgelegenheid met 53 duizend extra werkzame personen.

Er werden in 2021 zo’n 104 duizend banen aangeboden door Britse multinationals. Dat zijn 33 duizend banen minder in vergelijking met 2015. Ondanks het afnemende aantal werkzame personen, nam het aantal Britse multinationals in Nederland wel toe. Ook nu er een Brexit-deal is gesloten blijft Nederland in trek bij Britse bedrijven. Veel bedrijven in het VK ondervinden namelijk problemen door extra administratie, procedures, aanlevertijden en een vertraagd bereik van de Europese afzetmarkt (Rijksoverheid, 2021). Vooral Britse mkb-bedrijven kijken naar Nederland vanwege de goede infrastructuur, snelle digitale verbindingen, en hoogopgeleide en goed Engelssprekende beroepsbevolking (De Wit, 2021; Ebbers, 2020). Dat kan mogelijk verklaren waarom de werkgelegenheid in Nederland door Britse multinationals afnam terwijl het aantal Britse bedrijven wél toenam.

Multinationals en internationale handel: een goed huwelijk?

Nederland is een echt handelsland, waarbij buitenlandse handel en investeringen van belang zijn voor onze economie. Een goed functionerende wereldeconomie is dus in ons belang. Voor een klein land als Nederland speelt de export naar het buitenland een grote rol voor bedrijven, want de binnenlandse afzetmarkt is klein. Multinationale bedrijven zijn de grootste spelers in de internationale handel. Zij kunnen hun buitenlandse filialen gebruiken als exportplatforms (Wang, 2021) en zijn gemiddeld groter, kapitaalintensiever, productiever en investeren meer in R&D (De Backer et al., 2019).

De groep internationale handelaren is bij de multinationals beduidend groter dan bij de niet-multinationals. Bij het afbakenen van de multinationals wordt enkel gekeken naar het hebben van een dochteronderneming. Multinationals hoeven dus niet per se ook goederen en/of diensten te exporteren of te importeren. Waar bij niet-multinationals in 2021 bijna 1 op de 3 zakendeed met het buitenland, was dit bij multinationals 90 procent. Dit aandeel is sectorgebonden: bij de industrie handelt 4 procent van de multinationals niet; bij de verhuur van onroerend goed is dat 35 procent. De wetenschappelijke literatuur toonde eerder al aan dat de sector van een onderneming bepalend is voor de investeringskeuze. Het verband tussen investeren en internationale handel komt aan bod in paragraaf 5.4. Bij de multinationale bedrijven zien we dat 68 procent zowel exporteert als importeert.noot2

83% van exportwaarde goederen op conto van multinationals

Naast de relatief grote rol van multinationals in de Nederlandse werkgelegenheid, nemen zij ook een groot deel van de internationale handel voor hun rekening. Terwijl de multinationals namelijk maar zo’n 1,8 procent van het totale Nederlandse bedrijfsleven vormden, waren zij in 2021 wel verantwoordelijk voor 78 procent van de goedereninvoer en 83 procent van de uitvoer van goederen, zie figuur 5.3.7. Daarvan nemen de buitenlandse multinationals het merendeel voor hun rekening. De rol van niet-multinationals in de Nederlandse goederenhandel was in 2021 iets groter dan in 2019. Bij de internationale handel in diensten namen multinationals in totaal 91 procent van de invoer- en uitvoerwaarde voor hun rekening in 2021. Het merendeel komt wederom op rekening van de buitenlandse multinationals.

5.3.7 Verdeling internationale handel in het Nederlandse bedrijfsleven, 2021* (mld euro)
Handelsstroom Buitenlandse multinationals Nederlandse multinationals Niet-multinationals
Goederen . . .
Import 201,2 88,9 80,2
Export 235,0 113,0 72,9
Diensten . . .
Import 133,2 26,3 15,0
Export 130,5 31,9 17,2

Multinationals, met name buitenlandse, productiever dan de rest

Om in een buitenlandse markt te kunnen overleven moeten multinationals hun ‘liability of foreignness’ ten opzichte van de lokale ondernemingen compenseren via extra concurrentie­vermogen (Zaheer, 1995). Deze nadelen van het ‘buitenlands zijn’ liggen vooral in de kosten die buitenlandse ondernemingen moeten maken om o.a. de Nederlandse taal, regelgeving, cultuur en markt te leren kennen. Buitenlandse ondernemingen zullen alleen in Nederland investeren als zij die kosten kunnen compenseren met bijvoorbeeld betere of goedkopere producten of productieprocessen dan Nederlandse ondernemingen (Fortanier, 2008; De Vaal et al., 2009).

Hoe productiever bedrijven zijn, hoe meer waarde ze kunnen toevoegen aan de economie van een land. Productiviteit is een van de belangrijkste factoren voor economisch succes en welvaart. Productiviteit wordt hier gemeten aan de hand van multifactorproductiviteit (mfp). Mfp is het deel van de volumeontwikkeling van de output dat niet wordt veroorzaakt door de veranderingen in het gebruik van inputs. Het geeft weer hoe efficiënt de verschillende productiefactoren worden gecombineerd. In de CBS Internationaliseringsmonitor van het vierde kwartaal van 2022 hebben we nieuwe productiviteitsschattingen in verband gebracht met internationalisering, innovatie en bedrijvendynamiek (CBS, 2022).

Multinationals in het Nederlandse bedrijfsleven zijn gemiddeld productiever dan bedrijven die niet tot een internationaal concern behoren, zie figuur 5.3.8. Dit is ook herhaaldelijk aangetoond in de literatuur (zie bijv. Greenaway en Kneller, 2007). Ook binnen de groep multinationals zien we verschillen in gemiddelde productiviteit. Zo is de gemiddelde productiviteit van Nederlandse multinationals bijna 17 procent hoger dan die van bedrijven die niet tot een internationaal concern behoren. Voor buitenlandse multinationals loopt deze productiviteitswinst zelfs op tot 23 procent.

5.3.8 Productiviteitspremium t.o.v. niet-multinationals in Nederlandse bedrijfsleven1) (% verandering t.o.v. niet-multinationals)
Type multinational Productiviteitspremium t.o.v. niet-multinationals
Buitenlandse multinationals 23
Nederlandse multinationals 17
1)Bij de berekening van de productiviteitsverschillen werd rekening gehouden met verschillen in sectorsamenstelling tussen multinationals (buitenlandse en Nederlandse) en niet-multinationals.

Bedrijfsomvang, multinationalstatus, handelsstatus en innovatie spelen allemaal een belangrijke rol als verklarende factoren voor productiviteitsverschillen tussen bedrijven. Er bestaan tussen bedrijven, zelfs binnen smal afgebakende bedrijfstakken waarin bedrijven redelijk homogeen zijn qua activiteiten, grote productiviteitsverschillen (Syverson, 2011). De productiviteitspremium van buitenlandse multinationals (t.o.v. niet-multinationals) is bijvoorbeeld in Nederland aanzienlijk hoger voor bedrijven actief in de voedings- en genotmiddelenindustrie.

5.4Activiteiten van Nederlandse multinationals in het buitenland

Deze paragraaf beschrijft Nederlandse multinationals in het buitenland: in welke landen zijn ze actief en hoeveel werkgelegenheid wordt er middels buitenlandse dochterondernemingen gecreëerd? De paragraaf geeft daarnaast een beschrijving van de trends in de activiteiten van Nederlandse multinationals in het buitenland. Ook wordt er gekeken naar de typen investeringen van Nederlandse multinationals met dochterondernemingen in het buitenland. Ten slotte wordt onderzocht welke invloed de inkomensontwikkeling van een land heeft op het type investering van de Nederlandse multinational.

Aantal dochterondernemingen in Mexico neemt in 2019 met kwart toe

Figuur 5.4.1 geeft het aantal buitenlandse dochterondernemingen onder Nederlandse zeggenschap weer. Nederlandse multinationals hebben de meeste dochterondernemingen in Duitsland en dat aantal is tussen 2018 en 2019 toegenomen van 2 585 tot 2 915 dochter­ondernemingen. Ook in de VS waren Nederlandse multinationals in 2019, met 1 890 dochter­ondernemingen, goed vertegenwoordigd.

Amerikaans onderzoeksbureau Kearney maakt sinds 1998 jaarlijks de FDI Confidence Index, een ranglijst van landen die in de komende drie jaar waarschijnlijk de meeste investeringen zullen gaan aantrekken (Peterson & Toland, 2023). In 2023 is voor het eerst een ranking van de FDI Confidence Index specifiek voor ontwikkelingslanden gemaakt. China, India en de Verenigde Arabische Emiraten voeren deze lijst aan van in de toekomst aantrekkelijke ontwikkelingslanden voor wat betreft investeringen. China is al jaren een belangrijke partner voor het Nederlandse bedrijfsleven. Het aantal dochters van Nederlandse multinationals in dat land nam in 2019 toe tot 695, een stijging van 5 procent ten opzichte van het jaar ervoor. Nederlandse multinationals wisten in 2019 ook steeds vaker India en de Verenigde Arabische Emiraten te vinden. Hoewel investeringen van Nederlandse multinationals in deze landen relatief klein zijn ten opzichte van grote investeringspartners als Duitsland, zien we in deze landen wel een toename van het aantal dochterondernemingen in 2019 ten opzichte van 2018 (van respectievelijk 8 en 10 procent). Mexico staat op de achtste plek van de FDI Confidence Index van ontwikkelingslanden en ondanks de relatief kleine omvang van aantal dochterondernemingen, laat dit land bij bedrijven onder Nederlandse zeggenschap wel een sterke groei van het aantal dochterondernemingen zien. Het aantal dochters nam in 2019 met 25 procent toe ten opzichte van 2018.

5.4.1 Buitenlandse dochterondernemingen onder Nederlandse zeggenschap
Bestemmingen 2019 2018
Top 5 bestemmingen
dochterondernemingen
. .
Duitsland 2913 2584
VS 1890 1865
Frankrijk 1049 973
Roemenië 939 1059
Spanje 921 873
Investeringsbestemmingen
volgens FDI Confidence Index
voor ontwikkelingslanden
. .
China 695 660
India 260 240
Brazilië 245 245
Verenigde Arabische
Emiraten
225 205
Mexico 175 140
Bron: CBS, Eurostat

Werkzame personen bij Duitse dochterondernemingen onder Nederlandse zeggenschap neemt toe

Naast het aantal dochterondernemingen, nam ook het aantal werkzame personen bij dochterondernemingen in Duitsland in 2019 toe ten opzichte van 2018, zie figuur 5.4.2. Waren er in 2018 nog 327 duizend werkzame personen, in 2019 liep dat aantal op tot bijna 350 duizend. Het aantal werkzame personen bij dochterondernemingen van Nederlandse multinationals in China en India groeide ook met respectievelijk 7 en 14 procent tussen 2018 en 2019.

Het aantal werkzame personen bij dochterondernemingen van Nederlandse multinationals in Mexico bleef in 2018 en 2019 gelijk (37 duizend werkzame personen). Relatief gezien bieden dochters in Mexico gemiddeld wel meer werkgelegenheid per dochteronderneming dan China en Duitsland. Waren er in 2019 gemiddeld 111 werkzame personen per Nederlandse dochteronderneming in China en gemiddeld 120 in Duitsland, voor Mexico waren dat er gemiddeld 211. Gezien de toename van het aantal dochterondernemingen in 2019 en het gelijkblijvend aantal werknemers, is de gemiddelde werkgelegenheid per Mexicaanse dochteronderneming wel gedaald ten aanzien van het jaar ervoor.

5.4.2 Aantal werkzame personen bij Nederlandse multinationals in het buitenland ( dzd werkzame personen)
Bestemmingen 2019 2018
Top 5 bestemmingen
dochterondernemingen
. .
Duitsland 349 327
VS 299 293
Frankrijk 166 193
Roemenië 84 89
Spanje 94 142
Investeringsbestemmingen
volgens FDI Confidence Index
. .
China 77 71
India 39 34
Brazilië 47 48
Verenigde Arabische
Emiraten
12 11
Mexico 37 37
Bron: CBS, Eurostat

Wat is de relatie tussen de inkomensontwikkeling van een land en het type investering van bedrijven?

Om de relatie tussen de inkomensontwikkeling van een land en de keuze voor de typen investeringen van bedrijven te kunnen bepalen is het van belang om eerst nader in te gaan op de verschillende typen van investering. We kunnen investeringen van moeders in dochterondernemingen in het buitenland verdelen in ruwweg twee categorieën: horizontale en verticale investeringen. Figuur 5.4.3 laat schematisch de waardeketen van een Nederlandse moederonderneming met een buitenlandse dochteronderneming zien. Ondernemingen­groepen (moederonderneming) met bijbehorende dochterondernemingen zijn bepaald op basis van de OFATS 2019, waarbij we enkel de extra-EU directe buitenlandse investeringen analyseren.noot3

We spreken van een horizontale investering als de buitenlandse dochteronderneming dezelfde activiteit uitvoert als de Nederlandse moederonderneming. Een voorbeeld van een horizontale investering is wanneer zowel de Nederlandse moederonderneming als de buitenlandse dochteronderneming auto’s fabriceren. De vergelijking van activiteiten vindt plaats op basis van 2‑digit SBI-codes.noot4 Indien de SBI-codes van de moeder- en dochteronderneming overeenkomen classificeren we de investering als een horizontale investering.noot5

Wanneer de buitenlandse dochteronderneming een andere activiteit uitvoert dan de Nederlandse moeder spreken we van een verticale investering. De SBI-codes van de moeder- en dochteronderneming wijken dan af. Bij een verticale investering kunnen we nog verder onderscheid maken naar een verticale stroomopwaartse investering en een verticale stroomafwaartse investering. Een verticale stroomopwaartse investering is wanneer de buitenlandse dochteronderneming van de eerdergenoemde Nederlandse autofabrikant bijvoorbeeld onderdelen fabriceert voor de fabricage van auto’s van de Nederlandse moederonderneming. Een voorbeeld van een verticale stroomafwaartse investering is wanneer de buitenlandse dochteronderneming een distributeur zou zijn van auto’s van de moederonderneming. We zullen ons in deze paragraaf echter beperken tot de algemene splitsing tussen horizontale en verticale investeringen.

Opbouw van de horizontale en verticale directe buitenlandse investeringen. Er wordt verder onderscheid getoond tussen verticale stroomafwaartse investeringen en verticale stroomopwaartse investeringen. 5.4.3 H o ri z o n t a l e e n v ert i c a l e di r e c t e b u i t e n l a n d s e i n v e s t er i n g e n W a a r d e k e t e n a c t i v i t e i t e n i n N e d e r l a n d W a a r d e k e t e n a c t i v i t e i t e n i n h e t b u i t e n l a n d R&D Ontwerp In k oop P r oductie Distributie Marketing A fter sales Horizontale i n v estering Output R&D Ontwerp In k oop P r oductie Distributie Marketing A fter sales Input Output Input

Er is een breed scala aan motieven om voor een horizontale of verticale investering te kiezen. Zaken als handelsbarrières en importtarieven aan de grens kunnen de handel van een onderneming bemoeilijken en kunnen een reden zijn voor een horizontale investering. De markt kan dan bediend worden met in het land geproduceerde goederen, in plaats van ingevoerde goederen van elders die mogelijk handelsbelemmeringen en invoerrechten tegenkomen. Hoewel de initiële kosten van een investering hoger zijn dan die van export, zijn de variabele kosten juist een stuk lager, hetgeen bekend staat als de proximity-concentration trade off (Brainard, 1997). Een onderneming maakt volgens deze theorie een afweging tussen variabele kosten als handelsbarrières en transportkosten enerzijds en investeringsbarrières anderzijds. Er is een grote verscheidenheid aan motieven voor zowel een horizontale als een verticale investering. Een veelbesproken reden voor een (stroomopwaartse) verticale investering is het verlagen van de productiekosten. Ook het verplaatsen van een deel van de waardeketen naar een regio met veel kennis en expertise kan een reden zijn voor een verticale investering. Dit betreft slechts een greep uit de motieven. Controle op een groter deel van de waardeketen kan een andere motivatie zijn voor een verticale investering, waarbij wel getracht wordt om de variabele kosten zo laag mogelijk te houden door lokaal te investeren.

Eerst zullen we onderzoeken wat de invloed van de sector op de investeringskeuze van een onderneming is. Investeren sectoren als landbouw en industrie bijvoorbeeld meer verticaal dan de dienstverlenende sector? Vervolgens onderzoeken we of Nederlandse multinationals meer verticaal investeren in landen met een lagere inkomensontwikkeling om bijvoorbeeld de loonkosten (onderdeel van de productiekosten) te minimaliseren of juist in landen met een hogere inkomensontwikkeling om bijvoorbeeld de productiviteit te verbeteren.

Relatief veel verticale investeringen in de landbouw en industrie

Figuur 5.4.4 geeft het aantal dochterondernemingen van Nederlandse multinationals in niet-EU-landen weer naar het type investering en de sector in 2019.noot6 Moederbedrijven actief binnen de dienstensector telden in 2019 zo’n 3 080 buitenlandse dochterondernemingen, waarbij zij voornamelijk horizontaal investeerden (2 555). Ook voor moederbedrijven actief in de sector handel waren de buitenlandse investeringen hoofdzakelijk van horizontale aard. De industrie had 2 080 buitenlandse dochterondernemingen. De verdeling horizontaal en verticaal was hierbij ongeveer 50-50. Het grote aantal horizontale investeringen in figuur 5.4.4 sluit aan bij het wereldwijde beeld waarbij er meer horizontale dan verticale directe buitenlandse investeringen zijn (Phung, 2021).

5.4.4 Overzicht van type investering naar sector extra-EU, 2019
Sector Type Aantal
Landbouw e.d. Horizontale FDI, Landbouw e.d. 100
Landbouw e.d. Verticale FDI, Landbouw e.d. 45
Industrie Horizontale FDI, Industrie 1010
Industrie Verticale FDI, Industrie 1070
Elektriciteit,
water en
constructie
Horizontale FDI, Elektriciteit,
water en
constructie
180
Elektriciteit,
water en
constructie
Verticale FDI, Elektriciteit,
water en
constructie
80
Handel Horizontale FDI, Handel 1390
Handel Verticale FDI, Handel 300
Diensten e.d. Horizontale FDI, Diensten e.d. 2555
Diensten e.d. Verticale FDI, Diensten e.d. 525

Procentueel gezien hebben de sectoren industrie en landbouw het hoogste aandeel verticale investeringen in vergelijking met het aantal horizontale investeringen. Met een aandeel van respectievelijk 51 en 32 procent binnen de totale investeringen van de betreffende sector, lijkt dit erop te duiden dat er binnen deze sectoren relatief veel verticaal wordt geïnvesteerd.

Binnen de sectoren handel en diensten is het aandeel verticale investeringen (respectievelijk 18 en 17 procent) beduidend lager. Bij de industrie en de landbouw lijken zaken als het verlagen van productiekosten centraal te staan bij de keuze voor een verticale investering. Ook het houden van controle binnen de keten kan een mogelijke reden zijn voor het verticaal investeren in plaats van het uitbesteden van een deel van de werkzaamheden. Mogelijkerwijs worden onderdelen van de keten ook ondergebracht in regio’s met specifieke kennis benodigd voor de productie. Bij de sectoren handel en diensten lijken andere zaken als bijvoorbeeld het minimaliseren van handelsbarrières of het bereiken van een andere markt centraal te staan, wat motieven kunnen zijn voor het relatief hoge aandeel horizontale investeringen in deze sectoren. Een andere mogelijke oorzaak voor het relatief lage aandeel verticale investeringen in de handel en diensten is dat de waardeketen van een productieonderneming mogelijkerwijs makkelijker op te delen is in segmenten dan de waardeketen van een dienst.

Weinig verticale investeringen in landen met een laag inkomen

Figuur 5.4.5 laat het aandeel horizontale en verticale investeringen naar inkomensgroep zien van het land waar de dochteronderneming gevestigd is en naar sector van de moedermaatschappij. Deze classificatie komt van de Wereldbank. De Wereldbank classificeert economieën in vier inkomensgroepen: hoog, bovengemiddeld, ondergemiddeld en laag. Deze indeling is gebaseerd op het bruto nationaal inkomen per hoofd van de bevolking, berekend volgens de atlasmethode (Wereldbank, 2019).

Hoewel er verwacht zou kunnen worden dat het aandeel verticale investeringen in landen met een laag inkomen relatief hoog zou zijn om zo productiekosten te minimaliseren door bijvoorbeeld lagere loonkosten, laat figuur 5.4.5 gemiddeld voor de sectoren zien dat het aandeel verticale investeringen toeneemt naarmate het inkomen van het land van de dochteronderneming toeneemt. De hoge inkomenscategorie heeft gemiddeld voor alle sectoren een iets lager aandeel verticale investeringen dan het bovengemiddeld en ondergemiddeld inkomen. Hoewel het verlagen van productiekosten als een belangrijke motivatie voor verticale investeringen in de wetenschappelijke literatuur staat omschreven, is er ook een breed palet aan motieven om juist verticaal te investeren in landen met een hoog inkomen.

Mogelijk zijn er activiteiten binnen de waardeketen van een onderneming waarbij specifieke kennis of een hoog opleidingsniveau nodig zijn (Jinji et al., 2022). Een onderneming zou er derhalve voor kunnen kiezen om een dochteronderneming onder te brengen in een land met een hoger ontwikkelingsniveau. Landen met een laag inkomens- of ontwikkelingsniveau brengen ook meer onzekerheid met zich mee. Een onderneming zou er derhalve ook voor kunnen kiezen om verticaal te investeren in een meer ontwikkeld land om een hogere mate van zekerheid binnen de keten te verkrijgen (Aizenman & Marion, 2001). Ook geopolitieke druk kan een mogelijke reden zijn om in de toekomst onderdelen van de keten dichter bij huis of bij relatief meer betrouwbare landen onder te brengen (Ahn et al., 2023). Het verplaatsen van de productie naar een land dat dichterbij ligt wordt ook wel reshoring of nearshoring genoemd. Een voorbeeld van reshoring is Tesla, die in 2022 een fabriek in Duitsland opende als aanvulling op de productielocaties in de VS en China (Niewold, 2023). Mogelijkerwijs kunnen delen van de waardeketen ook juist productiever plaatsvinden in landen met een hoger inkomen.

Het zwaartekrachtmodel van Jan Tinbergen, een veelgebruikt model om handel te analyseren, stelt dat naarmate de afstand tot een land groter wordt de handel afneemt. Deze afstand kan multidisciplinair geïnterpreteerd worden waardoor naarmate cultuur- en taalverschillen met een land toenemen, handel met het betreffende land afneemt. Hoewel het zwaartekrachtmodel breed wordt toegepast op de handel, zouden cultuur- en taalverschillen ook kunnen bijdragen aan het relatief lage aandeel verticale investeringen in lage inkomenslanden.

Het al dan niet horizontaal of verticaal investeren in de verschillende typen landen zal in grote mate bepaald worden door de sector waarin de moedermaatschappij actief is. Naast het gemiddelde voor alle sectoren, laat figuur 5.4.5 ook specifiek de type investeringen voor de industrie en dienstensector zien. Het aandeel verticale investeringen is in de industrie relatief hoog, waarbij het aandeel in landen met een laag en hoog inkomen het hoogst zijn. Dit lijkt erop te duiden dat voor de industrie zaken als het verlagen van productiekosten, het behouden van controle in de keten, maar ook het verkrijgen van bijvoorbeeld expertise relatief belangrijkere drijfveren zijn dan bijvoorbeeld het verkrijgen van markttoegang, wat juist een belangrijke drijfveer lijkt voor de dienstensector. In de dienstensector wordt relatief veel horizontaal geïnvesteerd, waarbij de meeste horizontale investeringen in hoge inkomenslanden zijn. Tot slot dient er te worden opgemerkt dat de keuze voor een verticale investering ook zal afhangen van het type verticale investering, stroomopwaarts of stroomafwaarts. We gaan hier echter niet dieper in op het type verticale investering. Extra onderzoek is nodig om meer inzicht te krijgen in de motieven voor verticale stroomopwaartse en stroomafwaartse investeringen.

5.4.5 Type investering naar inkomensgroep en sector extra-EU, 2019 (%)
Inkomensgroep Horizontale FDI Verticale FDI
Hoog
inkomen
. .
Alle sectoren 73 27
Industrie 43 57
Diensten e.d. 87 13
Bovengemiddeld
inkomen
. .
Alle sectoren 70 30
Industrie 53 47
Diensten e.d. 79 21
Ondergemiddeld
inkomen
. .
Alle sectoren 71 29
Industrie 56 44
Diensten e.d. 74 26
Laag
inkomen
. .
Alle sectoren 77 23
Industrie 52 48
Diensten e.d. 78 22

Welke landen zijn het aantrekkelijkst voor Nederlandse multinationals per inkomensgroep?

Tabel 5.4.6 laat per inkomensgroep zien welk niet-EU-land de meeste inkomende Nederlandse investeringen heeft, gemeten in aantallen dochterondernemingen. Dit betreft het totaal aan horizontale en verticale investeringen. De meeste dochterondernemingen binnen de categorie van landen met een hoog inkomen en bovengemiddeld inkomen worden gevonden in respectievelijk de VS en China. De meeste investeringen in de groepen ondergemiddeld en laag inkomen worden gevonden in respectievelijk India en Ethiopië. Verticale en horizontale investeringen laten hierbij een vergelijkbaar beeld zien, met uitzondering van de lage inkomensgroep. Bij de lage inkomensgroep worden de meeste horizontale investeringen in Ethiopië gevonden en de meeste verticale investeringen in Tanzania.noot7

5.4.6Ranking investeringslanden Nederlandse multinationals extra-EU naar inkomensgroep, 2019
Inkomensgroep Land
Hoog inkomen Verenigde Staten
Boven gemiddeld inkomen China
Onder gemiddeld inkomen India
Laag inkomen Ethiopië

De wereldmarkt wordt steeds competitiever en directe investeringen zijn sinds de jaren tachtig sterk gegroeid. Ontwikkelingslanden proberen op allerlei manieren buitenlandse bedrijven aan te trekken om te investeren in hun land. Fiscaal aantrekkelijke wet- en regelgeving en het verbeteren van de infrastructuur zijn slechts enkele voorbeelden om meer buitenlandse investeringen aan te kunnen trekken.

India is voor Nederland het meest aantrekkelijke investeringsland binnen de inkomensgroep ondergemiddeld inkomen. India is na hervormingen van de regering onder leiding van Premier Modi in 2014 aantrekkelijker geworden voor buitenlandse investeringen en laat vooral het laatste decennium een toename aan buitenlandse investeringen zien (Dohmen, 2023). Binnen de categorie laag inkomen worden de meeste investeringen in Ethiopië gevonden. Ook premier Abiy Ahmed van Ethiopië heeft talrijke hervormingsplannen aangekondigd. Zo zijn er plannen om de dominantie van de staat in bepaalde sectoren te verminderen in een poging om zo aantrekkelijker te worden voor buitenlandse investeerders. Ethiopië is ondanks de economisch relatief kleine omvang, een van de sterkst groeiende economieën ter wereld en het is het op één na dichtstbevolkte land in Afrika. Naar verwachting zal de beroepsbevolking in Ethiopië in de toekomst een groot deel uitmaken van de totale bevolking, waardoor het land enkel aantrekkelijker zal worden voor buitenlandse investeerders (Deloitte, 2019).

De investeringen in Ethiopië waren in 2019 echter nog zeer minimaal. Hoewel de investeringen in Ethiopië ongeveer 3 maal hoger liggen dan de gemiddelde investeringen in landen met een laag inkomen, bedraagt dit nog geen 1 procent van de investeringen die Nederlandse multinationals hebben in bijvoorbeeld Duitsland. Gezien de zeer beperkte omvang van investeringen in Ethiopië nemen we deze niet mee in de volgende analyses.

Industrie relatief veel verticale investeringen in landen met zowel een hoog als laag inkomen

Figuur 5.4.7 laat de verdeling naar horizontale en verticale investeringen van de grootste investeringslanden per inkomensgroep in 2019 zien, gemiddeld voor alle sectoren en voor de industrie en de dienstverlenende sector specifiek. We zien hierbij dat deze drie het algemene beeld volgen van de geschetste verdeling per inkomensgroep in figuur 5.4.5: in figuur 5.4.7 zien we voor alle sectoren gemiddeld wederom overwegend horizontale investeringen terug. De industrie heeft een relatief hoog aandeel verticale investeringen, terwijl de dienstverlenende sector juist relatief veel horizontale investeringen heeft.

5.4.7 Type investering naar land en sector, 2019 (%)
Sector Horizontale FDI Verticale FDI
Verenigde Staten . .
Alle sectoren 77 23
Industrie 50 50
Diensten e.d. 91 9
China . .
Alle sectoren 75 25
Industrie 59 41
Diensten e.d. 86 14
India . .
Alle sectoren 74 26
Industrie 52 48
Diensten e.d. 88 12

Bij de industrie is wederom, conform figuur 5.4.5, het aandeel verticale investeringen het hoogst in zowel het land met het laagste inkomen, als het land met het hoogste inkomen. Dit lijkt er wederom op te wijzen dat het type investering sterk afhankelijk is van de sector van de moedermaatschappij. Daarnaast lijken specifiek voor de sector industrie een diversiteit aan zaken van belang te zijn voor de keuze van het investeringsland. Enerzijds lijkt het verlagen van productiekosten en het verkrijgen van meer controle in de keten centraal te staan, anderzijds lijken zaken zoals het vergaren van kennis en expertise ook een belangrijke rol te spelen voor bijvoorbeeld investeringen in landen met een hoog inkomen.

Investeringen en handel: complementair of substitueerbaar?

Het grote aandeel horizontale investeringen, waarbij de moederonderneming dezelfde activiteit uitvoert als de Nederlandse dochteronderneming roept de veelbesproken vraag binnen de literatuur op of investeringen en handel complementair aan elkaar zijn of juist substituten. Figuur 5.4.8 geeft per type investering de exportstatus van Nederlandse multinationals in 2019 weer. Het betreft hier ondernemingen die niet alleen een dochter in het buitenland hebben, maar ook goederen exporteren naar het buitenland, ongeacht of deze export naar het land van de dochter gaat. Bij de exportstatus wordt onderscheid gemaakt tussen structurele, incidentele en niet-exporteurs. Een onderneming is een structurele exporteur wanneer deze in een periode van vier jaar, minstens drie jaar goederenexport rapporteerde. Een onderneming is een incidentele exporteur wanneer deze in een periode van vier jaar minstens één en maximaal twee jaar exporteerde. Ondernemingen die niet exporteerden worden vanzelfsprekend als niet-exporteur aangemerkt.

40% van multinationals die horizontaal investeren geen exporteur

Onder de ondernemingen die horizontaal investeren valt het relatief grote aandeel niet-exporteurs op (40 procent). Bij de verticale investeringen zien we juist dat het grootste deel van de ondernemingen op structurele basis goederen exporteerden (88 procent). Bij beide investeringstypen zien we dat het aandeel incidentele exporteurs het laagst is.

Hoewel grote ondernemingen vaak zowel in internationale handel als in investeringen zullen deelnemen, zou het relatief hoge aandeel niet-exporteurs onder de horizontale investeringen een aanwijzing kunnen zijn dat horizontaal investeren mogelijk een substituut is voor de export. Bij de verticale investeringen lijken export en investeringen juist eerder hand-in-hand te gaan, waarbij intermediaire goederen tussen verschillende landen in de waardeketen verhandeld worden. Een kanttekening is dat deze paragraaf zich richt op de goederenexport en niet op de export van diensten. Een onderneming die geen goederen exporteert kan mogelijkerwijs wel diensten exporteren.

5.4.8 Type investering naar exportstatus extra-EU, 2019 (%)
Type Incidenteel Niet-exporteur Structureel
Horizontale FDI 16 40 43
Verticale FDI 6 6 88

Specifiek voor de VS, China en India vinden we voor alle sectoren gemiddeld een relatief vergelijkbaar beeld met dat getoond in figuur 5.4.8. Het grootste deel van de ondernemingen die verticaal investeren in deze landen zijn ook structureel exporteur.

Als we nader ingaan op de sector industrie, zien we dat bedrijven die verticaal investeren in deze landen ook volledig structureel exporteur zijn. Bedrijven in de industrie die horizontaal investeren in deze landen zijn voor het grootste deel ook structureel exporteur, dit in afwijking van het gemiddelde van alle sectoren. Wederom is dit een aanwijzing, in lijn met de wetenschappelijke literatuur, dat de bedrijfstak van de moederonderneming een invloed heeft op de investeringskeuze van een onderneming (Demir & Sayek, 2008) en op het al dan niet handelen complementair aan investeren. Om de vraag of investeren een substituut voor of complementair is aan de handel met meer zekerheid te beantwoorden zullen derhalve verdiepende analyses noodzakelijk zijn.

5.5Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Ahn, J., Habib, A., Malacrino, D. & Presbitero, A. (2023). Fragmenting Foreign Direct Investment Hits Emerging Economies Hardest. IMF BLOG.

Backer, de, K., Miroudot, S. & Rigo, D. (2019). Multinational enterprises in the global economy: Heavily discussed, hardly measured. Centre for Economic Policy Research.

Brainard, S. (1997). An Empirical Assessment of Proximity-Concentration Trade-off between Multinational Sales and tradeAmerican Economics Review, 87(4), 520–544.

Cadestin, C., Backer, De, K., Miroudot, S., Moussiegt, L., Rigo, D. & Ye, M. (2019). Multinational enterprises in domestic value chains. OECD Science, Technology and Industry Policy Papers, No. 63.

CBS (2022). Internationaliseringsmonitor 2022, vierde kwartaal: Productiviteit. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Cuervo-Cazurra, A., Dieleman, M., Hirsch, P., Rodrigues, S. B. & Zyglidopoulos, S. (2021). Multinationals’ misbehavior. Journal of World Business, 56 (5), 101244.

Demir B. & Sayek, S. (2008). Is it vertical or is it horizontal? The type of FDI across Sectors.

DNB (2022). Fors minder doorstroom via Nederland naar belastingparadijzen. Amsterdam: De Nederlandsche Bank.

Dohmen, J. (2023, 27 januari). India is nog lang niet het nieuwe China. Het Financieele Dagblad.

Ebbers, R. (2020). 100ste bedrijf binnen: Brits mkb komt nu ook naar Nederland. Den Haag: VNO-NCW.

Eurostat (2023a). Foreign control of enterprises by economic activity and a selection of controlling countries (from 2008 onwards). [Dataset].

Eurostat (2023b). Number of enterprises in the non-financial business economy by size class of employment. [Dataset].

Fortanier, F. (2008). Productiviteitsverschillen tussen Nederlandse en buitenlandse ondernemingen in Nederland. In CBS Internationaliseringsmonitor 2008. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Freeman, D., Meijerink, G. & Teulings, R. (2022). Handelsbaten van de EU en de interne markt. CPB Notitie. Den Haag: Centraal Planbureau.

Greenaway, D. & Kneller, R. (2007). Firm heterogeneity, exporting and foreign direct investment. The Economic Journal117(517), F134–F161.

IMD (2021). Europe dominates, China rises, and the US remains stable in 2021 World Competitiveness Ranking. Lausanne: International Institute for Management Development.

Narula, R. & Pineli, A. (2019). Improving the developmental impact of multinational enterprises: policy and research challenges. Journal of Industrial and Business Economics, 46, 1–24.

Niewold, M. (2023, 22 maart). Fabrieken terughalen naar Nederland? Dat blijkt erg lastig. RTL Nieuws.

OESO (2023). FDI in Figures April 2023: Global FDI flows slowed down in 2022, but new investment showed modest growth. Parijs: Organisation for Economic Co-operation and Development.

Peterson, E. & Toland, T. (2023). Cautious optimism: 2023 FDI Confidence Index. Chicago: Kearney.

Phung, A. (2021). Why Would a Corporation Conduct Vertical Foreign Direct Investment (FDI)? Investopedia.

Rijksoverheid (2021). Corona, Brexit en vestigingsklimaat sturen komst buitenlandse bedrijven.

Syverson, C. (2011). What determines productivity? Journal of Economic literature49(2), 326–65.

Vaal, de, A., Smeets, R. & Jong, de, E. (2009). Productiviteitseffecten van heterogene multinationals. Economisch Statistische Berichten, 94(4559).

Wang, Z. (2021). Headquarters gravity: How multinationals shape international trade. Journal of International Economics, 131, 103477.

Wereldbank (2019). Classifying countries by income. Washington: The World Bank.

Wiebes, E. D. (2020, 18 februari). Aanhangsel van de Handelingen. [Kamervraag, nr. 2163].

Wit, de, T. (2021, 2 februari). Honderden Britse bedrijven overwegen door brexit naar Nederland te komen. NOS Nieuws.

Zaheer, S. (1995). Overcoming the Liability of Foreignness. Academy of Management Journal, 38(2), 341–363.

Noten

Aangezien geldstromen die via BFI’s een land instromen een land ook weer uitstromen zonder waarde toe te voegen aan de reële economie, worden BFI’s in de wereldwijde cijfers van de OESO buiten beschouwing gelaten. Overigens vindt ook via holdings en niet-financiële vennootschappen doorstroom plaats, waardoor ook niet al deze investeringen waarde toevoegen aan de reële economie.

Internationaal handelende bedrijven worden hier onderverdeeld in bedrijven die uitsluitend importeren, uitsluitend exporteren en two-way traders. Bij deze typering is er geen ondergrens gehanteerd om te filteren voor kleine handelaren. Importeurs (exporteurs) verhandelen goederen en/of diensten; een two-way trader heeft zowel import als export van goederen en/of diensten.

De OFATS betrof t/m verslagjaar 2019 enkel de uitvraag van directe buitenlandse investeringen buiten de EU.

Standaard Bedrijfsindeling (SBI) is de Nederlandse hiërarchische indeling van economische activiteiten die vanaf 2008 door het CBS wordt gebruikt om bedrijfseenheden in te delen naar hun hoofdactiviteit.

Van enkele ondernemingengroepen kan de SBI niet bepaald worden, waardoor ongeveer 15 procent van de dochterondernemingen bij de splitsing naar type investering niet wordt meegenomen in de analyses.

De sectoren Elektriciteit, water en constructie en Diensten e.d. omvatten respectievelijk een samenvoeging van secties D t/m F en H t/m T van de Standaard Bedrijfsindeling.

In 2019 viel Tanzania onder de status laag inkomen. Op 1 juli 2020 heeft de Wereldbank bekendgemaakt dat Tanzania van inkomensgroep gewijzigd is van de status laag inkomen naar ondergemiddeld inkomen.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Nieke Aerts

Arjen Berkenbos (DNB)

Timon Bohn

Sarah Creemers

Daniël Herbers

Bas Kerckhoffs

Dio Limpens

Tom Notten

Davey Poulissen

Leen Prenen

Pascal Ramaekers

Janneke Rooyakkers

Anne Maaike Stienstra (DNB)

Manon Weusten

Redactie

Sarah Creemers

Daniël Herbers

Janneke Rooyakkers

Manon Weusten

Eindredactie

Sarah Creemers

Daniël Herbers

Dankwoord

We danken de volgende personen voor hun constructieve bijdrage aan deze editie

van Nederland Handelsland:

Fintan van Berkel

Dennis Cremers

Anniek Erkens

Bert Eykelenkamp

Loe Franssen

Marjolijn Jaarsma

Kasper Leufkens

Bart Loog

Angie Mounir

Tim Peeters

Hans Ponsteen

Roos Smit

Adam Walker

Khee Fung Wong

CBS CCN Logistiek

CBS CCN Redactie en Visualisatie

CBS Vertaalbureau

We danken ook de volgende medewerkers van het ministerie van Buitenlandse Zaken voor hun feedback op een eerdere versie van Nederland Handelsland:

Jan Pieter Barendse

Vasant Bhoendie

Jeroen Jacobs

Harry Oldersma