Foto omschrijving: Melkmachine in de stal van de familie Keijsers

Europese Green Deal: CBAM, ontbossing en veehouderijketen nader bekeken

Auteurs: Timon Bohn, Pascal Ramaekers, Khee Fung Wong, Dennis Dahlmans, Christiaan Visser

De Europese Green Deal, gelanceerd door de Europese Commissie in december 2019, is een omvangrijk beleidspakket dat is ontworpen om de EU te sturen in de richting van een groene en duurzame transitie, met als ultieme doel klimaatneutraliteit te bereiken tegen 2050. Dit hoofdstuk besteedt specifieke aandacht aan drie elementen van de Europese Green Deal: CBAM, de aanpak van ontbossing en de ‘van boer tot bord’-strategie. Binnen het kader van CBAM en ontbossing wordt de nadruk gelegd op de verwevenheid van de Nederlandse economie met geïmporteerde producten die verband houden met deze twee initiatieven. Bijvoorbeeld, hoeveel hout wordt door Nederland geïmporteerd en voor welke doeleinden? In het geval van de ‘van boer tot bord’-strategie wordt in dit hoofdstuk de Nederlandse veehouderijketen vanuit zowel een economische als een ecologische invalshoek bestudeerd.

2.1Inleiding

In een tijd waarin Europa, samen met de rest van de wereld, geconfronteerd wordt met de economische en maatschappelijke gevolgen van klimaatverandering, de aantasting van ecosystemen en de overconsumptie van natuurlijke hulpbronnen, is duurzaamheid gestaag opgeklommen tot een centrale pijler van de EU-handelsstrategie. Een belangrijk initiatief van de EU is de Europese Green Deal. Deze omvangrijke strategie bevat diverse beleidsmaatregelen en doelstellingen om de EU tegen 2050 klimaatneutraal te maken en de biodiversiteit te beschermen. Binnen de Green Deal zijn er specifieke maatregelen die direct invloed hebben op de internationale handel en we zullen ons in dit hoofdstuk vooral richten op deze specifieke handelsgerelateerde initiatieven. Een voorbeeld hiervan is het mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (CBAM), een maatregel die is ontworpen om de koolstofuitstoot geleidelijk te verminderen door bepaalde importproducten te belasten op basis van hun uitstootniveaus. Een ander aspect van de Europese Green Deal heeft betrekking op het aanpakken van ontbossing. De EU heeft zich ten doel gesteld om importproducten die verband houden met ontbossing te reguleren, om zo de druk op kwetsbare ecosystemen te verminderen (Europese Commissie, 2023a). Daarbij zijn regels en normen gesteld voor producten die in verband worden gebracht met ontbossing, zoals palmolie, soja en houtproducten. Daarnaast is er de ‘van boer tot bord’-strategie, die onder andere gericht is op het bevorderen van duurzame voedselproductie en consumptie (Europese Commissie, 2023b). Aangezien voedselsystemen verantwoordelijk zijn voor een derde van de wereldwijde broeikasgasuitstoot, vormt de ‘van-boer tot bord’-strategie een integraal onderdeel van de Europese Green Deal (Europese Commissie, 2023b).

We zullen eerst de rol van Nederland onderzoeken met betrekking tot de invoer van producten die onderhevig zijn aan CBAM en ontbossing. We analyseren welk deel van deze producten bestemd is voor Nederland zelf, en welk deel rechtstreeks bestemd is voor het buitenland. In het geval van producten bestemd voor Nederland, zullen we analyseren wie precies deze producten importeert en waarvoor ze worden gebruikt.

Vervolgens zullen we de Nederlandse veehouderijketen bestuderen, die een sterke band heeft met ontbossing (via veevoergrondstoffen; zie hoofdstuk 1 van deze publicatie) en de ‘van boer tot bord’-strategie. De veehouderijketen omvat de gehele waardeketen van het Nederlandse veehouderijcomplexnoot1; van toeleveranciers in binnen- en buitenland tot aan afnemers van het veehouderijcomplex. We zullen beginnen met onderzoek naar het belang van de veehouderijketen voor de Nederlandse economie. Bijvoorbeeld, hoeveel draagt het veehouderijcomplex en toeleveranciers bij aan het Nederlandse bbp en de werkgelegenheid? Om te produceren hebben de sectoren binnen de veehouderijketen ook grondstoffen en diensten uit het buitenland nodig. We zullen daarom ook kijken naar de invoer die nodig is voor de veehouderijketen. Daarna zullen we de uitstoot van broeikasgassen door de gehele veehouderijketen in Nederland en in het buitenland (via de import) in kaart brengen.

Leeswijzer

Paragrafen 2.2 en 2.3 geven een beschrijving van de manier waarop geïmporteerde goederen, die respectievelijk onder CBAM vallen en die geassocieerd worden met ontbossing in het buitenland, in de Nederlandse economie worden ingezet. In paragraaf 2.4 wordt een analyse uitgevoerd van de Nederlandse veehouderijketen vanuit meerdere perspectieven. Paragraaf 2.5 vat samen en concludeert. Paragraaf 2.6 geeft een beschrijving van de gebruikte bronnen en onderzoeksmethoden.

2,44 kg CO2-eq. aan broeikasgasuitstoot per euro import CBAM-goederen uit niet-EU-landen in 2021, ruim 2x zoveel als bij de import uit EU-landen
6,3 miljard euro gebruikte de voedings- en genotmiddelen­industrie in 2021 aan import van ontbossings­gerelateerde goederen, met afstand het meeste van alle bedrijfstakken

2.2Het mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (CBAM)

Het mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (Carbon border adjustment mechanism; CBAM) wordt ingevoerd om een gelijk speelveld te creëren tussen specifieke koolstofintensieve goederen die onder het Emissiehandelssysteem (ETS) vallen, en goederen die buiten de EUnoot2 geproduceerd worden. In hoofdstuk 1 is getoond dat Nederland in EU perspectief een groot importeur is van goederen die onder CBAM-wetgeving vallen. Ook wordt het grote belang van ijzer en staal en aluminium in de Nederlandse invoer van CBAM-goederen in hoofdstuk 1 van deze publicatie en eerder in Bohn et al. (2022) benadrukt. Net zoals in Bohn et al. (2022) zal in deze paragraaf de invoerbestemming van ingevoerde goederen die aan de CBAM-regelgeving onderhevig zijn, centraal staan. Met andere woorden, er wordt gekeken naar de manier waarop deze goederen in de Nederlandse economie gebruikt worden.noot3 Zo wordt bijvoorbeeld onderzocht in welke mate geïmporteerde CBAM-goederen worden verwerkt in de Nederlandse productie bestemd voor de export. Dit aspect is relevant omdat een van de kritiekpunten met betrekking tot de CBAM-maatregel te maken heeft met de mogelijke schadelijke gevolgen ervan voor EU-producenten die afhankelijk zijn van geïmporteerde CBAM-goederen (Jousseaume et al., 2021). Als een aanzienlijk deel van de CBAM-goederen die Nederland invoert, wordt verwerkt in exportproducten, is het niet uit te sluiten dat Nederlandse bedrijven een competitief nadeel zouden kunnen ervaren op de wereldmarkt ten opzichte van bedrijven buiten de EU.

We gaan in dit hoofdstuk net zoals hoofdstuk 1 van deze publicatie uit van de oorspronkelijke definitie van CBAM-goederen: aluminium, cement, ijzer en staal, en meststoffen. Elektrische energie en waterstof laten we in dit hoofdstuk buiten beeld, aangezien die producten niet of nauwelijks worden ingevoerd uit niet-EU-landen (elektriciteit komt veel uit Noorwegen, maar die invoer valt niet onder CBAM). Inmiddels wil het Europees Parlement nog meer goederen toevoegen aan de lijst, zoals chemicaliën, polymeren, bouten en moeren (Raad van de EU, 2022). De focus ligt op CBAM-goederen die vanuit buiten de EU worden ingevoerd, maar ook de relatieve afhankelijkheid van EU- en niet-EU-landen in de invoer zal belicht worden. Daarnaast wordt onderzocht in hoeverre landen buiten de EU afhankelijk zijn van hun export van CBAM-goederen naar Nederland.

IJzer/staal en aluminium de belangrijkste CBAM-goederen

De importwaarde van CBAM-goederen uit niet-EU-landen bedroeg 4,1 miljard euro in 2021; goed voor een kwart van de totale invoer van CBAM-goederen exclusief quasi-doorvoer (17,5 miljard euro). IJzer en staal (2,6 miljard euro) en aluminium (1,2 miljard euro) waren met afstand de belangrijkste CBAM-goederen geïmporteerd door bedrijven in Nederland uit niet-EU-landen. Daarnaast had de invoer van meststoffen een waarde van 310 miljoen euro en die van cement 4 miljoen euro. Om de nieuwe regelgeving te rechtvaardigen kan beargumenteerd worden dat de import uit EU-landen relatief minder vervuilend is dan de invoer uit niet-EU-landen, aangezien deze productie moet voldoen aan strenge milieuregels van de EU. Op basis van de broeikasgasvoetafdruk vindt deze gedachte steun: terwijl de wereldwijde uitstoot per euro aan ingevoerde CBAM-goederen vanuit de EU 1,18 kg CO2-equivalentnoot4 bedraagt, is de gemiddelde uitstoot bij import uit niet-EU-landen twee keer zo groot met 2,44 kg CO2-equivalent per euro invoer, zie tabel 2.2.1. In de cijfers over de voetafdrukken is rekening gehouden met de gehele productieketen van de geïmporteerde CBAM-producten. Er is dus rekening gehouden dat ook de EU-import van CBAM-goederen emissies kunnen bevatten die eerder in de keten in niet-EU-landen neerslaan. De uitstoot per euro import uit niet-EU-landen is het hoogst in het geval van cement (4,44 kg CO2-eq.), gevolgd door ijzer en staal (2,79 kg CO2-eq.), meststoffen (2,38 kg CO2-eq.) en aluminium (1,65 kg CO2-eq.).

2.2.1Wereldwijde uitstoot per euro import van CBAM-goederen, 2021*
Totaal CBAM Aluminium Cement IJzer en staal Meststoffen
kg CO2-eq.
Totale import 1,47 1,29 1,45 1,58 1,37
Import uit EU 1,18 1,17 1,42 1,20 0,69
Import uit niet-EU 2,44 1,65 4,44 2,79 2,38

Bron:CBS en GLORIA

Invoer van aluminium vooral bestemd voor wederuitvoer

Een gedeelte van de import van CBAM-goederen is gericht op finale afzet in Nederland, waarbij het verder onderverdeeld kan worden in invoer rechtstreeks bestemd voor afzet in Nederland en invoer die eerst in Nederland verwerkt wordt voor de binnenlandse afzet. Uit tabel 2.2.2 blijkt dat dit binnenlandse deel relatief bescheiden is en goed is voor 20 procent van de totale import van CBAM-producten uit niet-EU-landen. Dit betreft hoofdzakelijk import die verwerkt wordt door Nederlandse bedrijven voor binnenlandse consumptie (18 procent). Slechts een klein percentage (2 procent) van de import is direct bestemd voor binnenlandse bestedingen. Dit deel betreft vooral constructiewerken en andere materialen gemaakt van ijzer en staal.

Het overgrote deel van de Nederlandse import van CBAM-goederen (80 procent) komt weer in het buitenland terecht. Hier gaat het vooral om invoer voor wederuitvoer, met 67 procent van de invoer die uiteindelijk naar het buitenland gaat. De invoer voor wederuitvoer is goed voor meer dan de helft van de totale invoer van CBAM-producten uit niet-EU-landen. De resterende 33 procent van de invoer die niet in Nederland blijft, wordt door bedrijven in Nederland voor productie van goederen ingezet die later weer geëxporteerd worden.

Aangezien ijzer, staal en aluminium de goederen zijn met verreweg het grootste aandeel in de invoer van CBAM-goederen buiten de EU (namelijk ruim 92 procent), is het niet verrassend dat de invoerverdeling van deze producten het patroon van de totale CBAM-invoer volgt. De invoer voor wederuitvoer is relatief belangrijk in het geval van aluminiumimport (64 procent), terwijl afzet in het buitenland na verwerking in Nederland relatief belangrijk is voor ijzer en staal (32 procent). Ten opzichte van de andere CBAM-producten blijft de import van cement vaker achter in Nederland (47 procent), deels voor directe afzet maar vooral verwerkt in de afzet voor binnenlandse consumptie. Aan de andere kant is de invoer van meststoffen bijna volledig gericht op het buitenland (97 procent), en met name in de vorm van wederuitvoer.

2.2.2Bestemming van de Nederlandse niet-EU-import van CBAM-goederen, 2021*
Totaal CBAM Aluminium Cement IJzer en staal Meststoffen
%
Invoer voor directe afzet 2 0 14 2 0
Afzet in Nederland na verwerking in Nederland 18 19 33 21 3
Totaal import voor consumptie Nederland 20 20 47 23 3
Invoer voor wederuitvoer 53 64 44 45 81
Afzet in buitenland na verwerking in Nederland 26 16 9 32 16
Totaal import voor consumptie buitenland 80 80 53 77 97

Qua emissies is de gemiddelde uitstoot gerelateerd aan de per euro import uit niet-EU-landen voor wederuitvoer het hoogst (2,64 kg CO2-eq.). Invoer voor intermediair verbruik heeft een gemiddelde per euro uitstoot van 2,23 kg CO2-equivalent en invoer voor directe afzet in Nederland is het laagst met 1,59 kg CO2-equivalent per euro.

De variaties in emissie-intensiteiten tussen verschillende invoerstromen worden vooral bepaald door de kenmerken, samenstelling en herkomst van de geïmporteerde goederen. Zo is de hoge emissie-intensiteit van geïmporteerde goederen die bestemd zijn voor wederuitvoer, voornamelijk toe te schrijven aan de aanzienlijke CO2-uitstoot van ijzer en staal, het belangrijkste CBAM-product qua waarde. De gemiddelde CO2-uitstoot per euro voor geïmporteerd ijzer en staal uit niet-EU-landen bedraagt 3,29 kg CO2-equivalent, wat aanzienlijk hoger is dan de uitstoot voor intermediair verbruik, namelijk 2,4 kg CO2-equivalent. Bij de import van ijzer en staal voor wederuitvoer speelt Rusland een relatief grotere rol, terwijl bij de import voor intermediair verbruik het VK een prominentere positie inneemt. Het VK hanteert doorgaans strengere milieustandaarden dan Rusland en dat heeft waarschijnlijk bijgedragen aan de lagere emissie-intensiteit in deze categorie. De redenen achter de lagere gemiddelde CO2-uitstoot per euro voor directe afzet in Nederland vereisen verder onderzoek, maar het is eveneens aannemelijk dat deze variatie te maken heeft met onder meer verschillen in herkomstlanden en productkenmerken.

Herkomst van CBAM-goederen en verwerking in afzetproducten onder de loep

De invoer van ijzer en staal is verspreid over diverse herkomstlanden. In 2021 waren de belangrijkste niet-EU-landen voor intermediair verbruik in Nederland het VK (26 procent), China (13 procent), Turkije (10 procent), Rusland (8 procent) en de VS (4 procent). Volgens tabel 2.2.2 werd in 2021 21 procent van het ingevoerde ijzer en staal in Nederland verwerkt voor binnenlandse afzet. Na verwerking zijn de voornaamste afzetproducten in Nederland de bouw van gebouwen en woningen, wegenbouw, metaalproducten en machines. Verder betreffen de belangrijkste exportproducten na verwerking (32 procent van de invoer) gespecialiseerde machines, evenals producten in de categorie ijzer en staal, metaalwaren en voertuigen voor wegvervoer.

De import van aluminium uit niet-EU-landen is iets meer geconcentreerd en komt voornamelijk uit het VK (24 procent), Turkije (15 procent), Zuid-Afrika (10 procent), Canada (9 procent) en Mozambique (8 procent). Ook de invoer van cement en meststoffen uit niet-EU-landen is geconcentreerd: 87 procent van de cementinvoer komt uit Japan, Egypte en Zuid-Afrika, terwijl 69 procent van de import van meststoffen afkomstig is uit Rusland, Algerije en Egypte.

De producten die worden vervaardigd met ingevoerd aluminium en cement voor de Nederlandse markt zijn vergelijkbaar met die van ijzer en staal en hangen vooral samen met de bouwsector. Bij de invoer van meststoffen zijn de afzetproducten in Nederland naast kunstmest vooral gerelateerd aan de afzet van de landbouwsector die de meststoffen in zijn productieproces heeft ingezet, bijvoorbeeld zuivel en groenten en knollen. De belangrijkste exportproducten na verwerking van aluminiuminvoer zijn gespecialiseerde machines, ijzer- en staalproducten, elektrische apparaten en chemische producten. Geïmporteerde meststoffen worden bijvoorbeeld ingezet in de exportproductie van kunstmest, bloemen en planten, zuivelproducten en vlees.

VK belangrijk herkomstland voor de import van ijzer en staal en van aluminium

Het belang van het VK voor de import van ijzer/staal en aluminium, met afstand de meest ingevoerde CBAM-producten qua waarde, is niet klein. Aangezien het VK de EU-ETS heeft vervangen door een vergelijkbaar ETS-systeem, kunnen Nederlandse bedrijven mogelijk minder worden belast voor import uit het VK dan voor import uit andere niet-EU-landen. Uiteindelijk hangt de toekomstige belasting af van de ontwikkeling van beide systemen, waarover nog veel onzekerheid bestaat, zoals prijsniveaus en geleidelijke afschaffing van gratis rechten in de EU tot 2034 (Kardish et al., 2021). Dit aspect werpt ook licht op huidige beleidsdiscussies waarin overwogen wordt om mogelijk te streven naar een volledige harmonisatie van de twee ETS-systemen, waardoor import uit het VK mogelijk niet langer onder CBAM-regelgeving valt en het land wellicht in aanmerking komt voor een speciale uitzondering, zoals al het geval is met Zwitserland. Op dit moment heeft het VK nog geen formele uitzondering verkregen, en eventuele verschillen in de ontwikkeling van beide ETS-systemen kunnen leiden tot verhoogde tarieven. Dit kan aanzienlijke gevolgen hebben, vooral gezien de belangrijke rol van het VK, en dit effect kan nog groter worden als CBAM in de toekomst wordt uitgebreid met nieuwe producten.

Aluminium belangrijk in de intermediaire import door de bouwsector

Welke Nederlandse bedrijfstakken importeren CBAM-goederen uit niet-EU-landen en kunnen mogelijk worden geraakt door de nieuwe CBAM-regelgeving? Invoer voor intermediair verbruik, ter waarde van 1,9 miljard euro, vertegenwoordigde 45 procent van de totale invoer van CBAM-goederen uit niet-EU-landen in 2021 (zie tabel 2.2.2). Uit figuur 2.2.3, die de top 13 importerende bedrijfstakken van CBAM-goederen weergeeft, blijkt dat de metaalproducten-, de basismetaal- en de machine-industrie de drie grootste gebruikers zijn van deze invoer uit niet-EU-landen, zowel voor de productie voor binnenlands verbruik als voor productie voor buitenlandse afzet. Deze drie bedrijfstakken zijn samen verantwoordelijk voor meer dan de helft van de totale intermediaire CBAM-import uit niet-EU-landen.

IJzer en staal domineren de import in 9 van de top 13 bedrijfstakken, waaronder de bovengenoemde top drie. Aluminium is het voornaamste product in de import van de gespecialiseerde bouw, grond-, water- en wegenbouw, chemische en elektrische apparatenindustrie. Geen enkele bedrijfstak is sterk afhankelijk van de import van meststoffen, behalve de chemische industrie en de landbouwsector (laatstgenoemde is ondergebracht bij de categorie ‘Overig’ in figuur 2.2.3).

2.2.3 Gebruik van de niet-EU import van CBAM-goederen door Nederlandse bedrijfstakken, 2021* (mln euro)
Bedrijfstak Aluminium Cement IJzer en staal Meststoffen
Metaalproductenindustrie 36,46 0,00 415,65 0,09
Basismetaalindustrie 57,93 0,00 204,36 0,05
Machine-industrie 28,81 0,00 224,69 0,00
Gespecialiseerde bouw 92,17 0,24 54,61 0,06
Algemene bouw en projectontwikkeling 46,68 0,20 60,25 0,00
Grond-, water- en wegenbouw 58,84 0,09 29,71 0,00
Chemische industrie 49,53 0,01 6,35 24,95
Auto- en aanhangwagenindustrie 4,63 0,00 69,33 0,00
Reparatie en installatie van machines 0,68 0,01 67,38 0,00
Rubber- en kunststofproductindustrie 0,00 0,00 52,16 0,23
Architecten-, ingenieursbureaus e.d. 0,00 0,00 40,09 0,00
Elektrische apparatenindustrie 28,40 0,00 8,89 0,00
Groothandel en handelsbemiddeling 9,35 0,00 22,89 0,41
Overig 18,51 0,94 124,32 31,81

Bedrijfstakken importeren gemiddeld 82 procent van hun CBAM-invoer uit de EU

We kijken vervolgens naar de relatieve afhankelijkheid van Nederlandse bedrijfstakken van de invoer van CBAM-goederen uit niet-EU-landen, omdat in tabel 2.2.1 aangetoond werd dat de invoer uit EU-landen per euro gemiddeld genomen minder wereldwijde uitstoot met zich meebrengt. Daarnaast zijn het vooral de bedrijfstakken die sterk afhankelijk zijn van niet-EU-landen die de meeste impact van de CBAM-regelgeving kunnen ondervinden (aangezien de importheffing aan de importeur wordt doorberekend). Figuur 2.2.4 toont de invoer van CBAM-goederen van dezelfde 13 bedrijfstakken als in figuur 2.2.3, uitgesplitst naar invoer uit niet-EU-landen (in lichtblauw) en invoer uit de EU (in donkerblauw).

Bij de grootste importerende bedrijfstakken van CBAM-goederen is de relatieve afhankelijkheid van niet-EU-landen niet significant verschillend. Zo importeren de metaalproducten- en de basismetaalindustrie elk 17 procent van hun CBAM-goederen uit niet-EU-landen. De verschillen zijn wel zichtbaar bij de bedrijfstakken die zich onderin figuur 2.2.3 bevinden. De bedrijfstakken architecten- en ingenieursbureaus, de rubber- en kunststofproductindustrie en de chemische industrie importeren bijvoorbeeld relatief meer van hun CBAM-goederen uit niet-EU-landen, namelijk respectievelijk 62 procent, 49 procent en 30 procent. Dit zou kunnen leiden tot een grotere impact van de CBAM-regelgeving voor hen. Alle andere bedrijfstakken in figuur 2.2.3 importeren tussen de 16 en 25 procent van hun CBAM-goederen uit niet-EU-landen.

Een andere opvallende observatie betreft het relatief lage aandeel van 11 procent voor overige bedrijfstakken. Desondanks vertegenwoordigt deze categorie ‘overige bedrijfstakken’ nog steeds 16 procent van de gehele CBAM-invoer en is dus niet onbelangrijk. Dit lage niet-EU aandeel is onder andere toe te schrijven aan de bouwmaterialenindustrie en de tabaksindustrie, die respectievelijk voor 94 procent en bijna 100 procent uit de EU importeerden. Daarbij gaat het uitsluitend om de invoer van cement en elektriciteit. Cement en elektriciteit worden vrijwel volledig uit de EU geïmporteerd, terwijl de gemiddelde import van de andere drie CBAM-goederen uit niet-EU-landen varieert tussen de 17 en 22 procent.

2.2.4 Gebruik van import van CBAM-goederen uit EU en niet-EU door Nederlandse bedrijfstakken, 2021* (%)
Bedrijfstak Niet-EU EU
Metaalproductenindustrie 0,452 2,161
Basismetaalindustrie 0,262 1,241
Machine-industrie 0,253 1,075
Gespecialiseerde bouw 0,147 0,523
Algemene bouw en projectontwikkeling 0,107 0,415
Grond-, water- en wegenbouw 0,089 0,264
Chemische industrie 0,081 0,185
Auto- en aanhangwagenindustrie 0,074 0,343
Reparatie en installatie van machines 0,068 0,275
Rubber- en kunststofproductindustrie 0,052 0,054
Architecten-, ingenieursbureaus e.d. 0,04 0,025
Elektrische apparatenindustrie 0,037 0,139
Groothandel en handelsbemiddeling 0,033 0,17
Overig 0,176 1,402

Mozambique en Armenië zijn in hoge mate afhankelijk van de export van CBAM-goederen naar Nederland

CBAM is een maatregel waarbij een tarief wordt geheven op de import van producten van buiten de EU om een gelijk speelveld te creëren tussen goederen die onder het ETS vallen, en goederen die buiten de EU geproduceerd worden. Deze maatregel heeft niet alleen impact op de importerende Nederlandse partij die een heffing betaalt, maar ook gevolgen voor landen die sterk afhankelijk zijn van de export van deze producten naar Nederland. Het is belangrijk om te begrijpen welke landen in het algemeen leunen op de export van deze producten naar Nederland en daardoor geconfronteerd kunnen worden met een lagere vraag van Nederland door de CBAM-maatregel. Volgens meerdere studies zijn het vooral landen met lage inkomens die bovengemiddeld getroffen kunnen worden (Pauw et al., 2022; Beaufils et al., 2023). Wat betreft bijvoorbeeld ontwikkelingslanden zijn er oproepen om ze op een manier te compenseren voor de consequenties van de extra tarieven, bijvoorbeeld in de vorm van een herverdeling van CBAM-inkomsten om de groene transitie in ontwikkelingslanden te faciliteren (Gore et al., 2021; Pauw et al., 2022).

Tabel 2.2.5 laat de tien landen buiten de EU zien waarvan het aandeel van CBAM-goederen in hun totale export naar Nederland het hoogst is. Hierbij wordt naar de gehele import gekeken, omdat de import voor wederuitvoer vaak de EU als bestemming heeft en dus ook gevolgen kan hebben voor de herkomstlanden van deze invoer (Franssen et al., 2020). De invoer voor wederuitvoer wordt afzonderlijk getoond in tabel 2.2.5. Om te kijken in hoeverre deze import ook verbonden is aan de Nederlandse economie, wordt de invoer voor directe afzet en invoer voor intermediaire verbruik in tabel 2.2.5 weergegeven. Mozambique blijkt sterk op de export van CBAM-goederen te leunen, maar vanwege geheimhouding is het helaas niet mogelijk om voor dat land die cijfers te geven. Deze uitvoer van CBAM-goederen naar Nederland is wel goed voor een groot deel van hun totale goederenexport naar Nederland en dit blijkt vooral samen te hangen met de Nederlandse invoer voor wederuitvoer. De export van Armenië naar Nederland bestaat ook voor een aanzienlijk deel uit CBAM-goederen; ruim 65 procent, ook vanwege aluminium maar met een relatief kleine exportwaarde. Verder exporteren Wit-Rusland (18 procent) en Macedonië (13 procent) aanzienlijke hoeveelheden ijzer en staal, wat een grotere impact heeft op de Nederlandse economie omdat het voornamelijk invoer voor intermediair verbruik betreft. De export van meststoffen is vooral groot in het exportpakket van Chili. Ook belangrijk om op te merken is de mogelijke impact van CBAM op Canada. Canada blijkt namelijk een belangrijk herkomstland van CBAM-producten (vooral aluminium), gezien de omvangrijke importwaarde van 340 miljoen euro uit dat land in 2021 en een aanzienlijke relatieve exportafhankelijkheid van CBAM-producten naar Nederland (met een aandeel van 10 procent).

2.2.5Exportafhankelijkheid van niet-EU-landen van CBAM-uitvoer naar Nederland, 2021*
Aandeel CBAM in uitvoer naar NL CBAM export waarvan bestemmingsverdeling in Nederland
intermediair verbruik wederuitvoer directe afzet
% mln euro %
Mozambique . . 15,9 . .
Armenië 65,0 4 40,0 60,0 0,0
Wit-Rusland 18,0 50 84,0 16,0 0,0
Bahrein 14,0 19 85,0 15,0 0,0
Macedonië 13,0 13 92,3 7,7 0,0
Algerije . . 33,9 . .
Oman 11,0 13 0,0 100,0 0,0
Canada 10,0 340 17,6 82,1 0,3
Bosnië-Herzegovina . . 97,6 . .
Chili 8,0 97 1,0 99,0 0,0

2.3Import van producten geassocieerd met ontbossing

Hoge mate van ontbossing leidt, vooral in tropische gebieden, tot internationale zorgen gezien de grote impact op het wereldwijde klimaat en het grote verlies aan biodiversiteit (Europese Parlement, 2020; FAO/UNEP, 2020). Tussen 1990 en 2002 is er wereldwijd een gebied groter dan India verloren gegaan door ontbossing, bijvoorbeeld om ruimte te maken voor landbouwactiviteiten (FAO/UNEP, 2020). De Europese Commissie heeft wetgeving voorgesteld die de wereldwijde ontbossing dient tegen te gaan. De Raad van de EU heeft op 16 mei 2023 groen licht gegeven voor een verordening die het risico op ontbossing en bosdegradatie, dat uitgaat van producten die op de EU-markt worden gebracht of uit de EU worden geëxporteerd, moet beperken (Raad van de EU, 2023). De nieuwe regels moeten ervoor zorgen dat de consumptie en handel in de EU niet bijdragen aan ontbossing en verdere aantasting van bos­ecosystemen. Concrete voorbeelden van geïmporteerde producten die worden gerelateerd aan ontbossing zijn soja, runderen, palmolie, hout, cacao en koffie en alle afgeleiden daarvan. Voorbeelden van producten waarin de genoemde grondstoffen verwerkt zijn zijn leer, chocolade en meubels. Nederland is één van de grotere importeurs in de wereld van met name soja, cacao en palmolie en speelt daarbij ook een grote rol als verwerker van deze producten, zie CBS (2019) en ook hoofdstuk 1 van deze publicatie.

Bestemming van de import

In hoofdstuk 1 werd al besproken dat de Nederlandse import van ontbossingsgerelateerde goederen aanzienlijk is toegenomen in de afgelopen decennia. Tevens is aangetoond dat Nederland de grootste EU-importeur is van deze goederen uit niet-EU-landen. Voornamelijk quasi-doorvoer en wederuitvoer werden genoemd als redenen voor de prominente positie van Nederland. In deze paragraaf zullen we gedetailleerder kijken naar de bestemming van de Nederlandse import van ontbossingsgerelateerde goederen. Tabel 2.3.1 verdeelt de zes ontbossingsgerelateerde goederen in twee categorieën, waarbij het onderscheid in eindbestemming (Nederland of buitenland) gemaakt wordt.

Geïmporteerde cacao(producten), palmolie en soja zijn vooral gericht op de export. Slechts 19 procent van de cacao-import blijft in Nederland, waarvan het grootste deel direct wordt geconsumeerd na import (zoals chocolade), en een kleinere hoeveelheid pas na verwerking tot eindproducten in Nederland geconsumeerd wordt. De meeste cacao-import is bestemd voor wederuitvoer en afzet in het buitenland na verwerking in Nederland. Van de palmolie-import blijft 19 procent in Nederland, vrijwel geheel na verwerking in Nederland tot nieuwe producten. Ruim 64 procent van de palmolie-import wordt naar het buitenland geëxporteerd na verwerking in Nederland. Er is ook 17 procent invoer voor wederuitvoer, maar geen quasi-doorvoer. Voor soja-import geldt dat ruim 84 procent niet in Nederland blijft. Van alle ontbossingsgerelateerde producten is invoer van soja het meest gericht op het buitenland. De uiteindelijke bestemming hiervan betreft voornamelijk de invoer van soja die Nederlandse bedrijven gebruiken om buitenlandse markten te bedienen (58 procent), maar invoer voor wederuitvoer (24 procent) is eveneens aanzienlijk.

Hout(producten), koffie en rund(producten) zijn zowel op Nederland als het buitenland gericht. Ongeveer 48 procent van de totale import van hout(producten) blijft in Nederland, waarvan twee derde bestemd is voor Nederlandse consumptie na verwerking en een derde voor directe afzet na import.noot5 Voor de import van koffie geldt dat 45 procent in Nederland blijft, voornamelijk voor directe consumptie. Nederland behoort niet tot de zes grootste Europese importeurs van koffie uit productielanden (CBI, 2022), en leunt voornamelijk op de invoer uit EU-landen die de koffie uit landen zoals Brazilië of Colombia halen en wellicht verwerken.noot6 Daarom is koffie bij aankomst in Nederland vaak al klaar voor consumptie. Nederland verwerkt echter ook koffie voor de export. Bij rund(producten) blijft 48 procent van de import in Nederland, waarvan meer dan de helft direct wordt geconsumeerd na import. Dit omvat bijvoorbeeld Iers rundvlees dat direct in supermarkten terechtkomt. Een aanzienlijk deel wordt ook verwerkt voor zowel de Nederlandse als de buitenlandse markt.

2.3.1Bestemming van de Nederlandse import van ontbossingsgerelateerde goederen, 2021*
Eenheid Cacao Hout Koffie Palmolie Rund Soja
Invoer voor directe afzet % 12 15 35 0 27 0
Afzet in Nederland na verwerking in Nederland % 7 33 10 18 21 17
Totaal import voor Nederland % 19 48 45 19 48 17
Invoer voor wederuitvoer % 56 26 27 17 25 24
Afzet in buitenland na verwerking in Nederland % 25 26 28 64 27 58
Totaal import voor buitenland % 81 52 55 81 52 83
Op basis van import zonder quasi-doorvoer mld euro 2,5 12,9 1,2 2,3 2,1 1,9
Import met quasi-doorvoer mld euro 4,2 14,2 1,2 2,3 2,3 3,4

Figuur 2.3.2 toont dat hout en houtproducten verreweg de grootste ontbossings­gerelateerde goederengroep zijn, met een totale importwaarde van ruim 12,9 miljard euro in 2021. Cacao en cacaoproducten volgen op afstand met ruim 2,5 miljard euro, gevolgd door palmolie, rund(producten) en soja, elk met een importwaarde tussen de 1 en 2 miljard euro. Koffie heeft de laagste importwaarde, met iets meer dan 1 miljard euro in 2021.

Hout is ook bij alle typen importbestemmingen in absolute zin de grootste categorie. Cacao staat op de tweede plaats bij de invoer voor wederuitvoer, terwijl rund(producten) de tweede plek innemen bij zowel de directe als de indirecte consumptie in Nederland. Bij de indirecte export (export na verwerking in Nederland) is palmolie juist de op één na grootste categorie. Dit zijn de posities voor de invoer in 2021, maar een analyse van de cijfers van 2015 leert dat de onderlinge verhoudingen destijds ook al hetzelfde waren.

2.3.2 Importwaarde van ontbossingsgerelateerde goederen, 2021* (mld euro)
Product Invoer voor directe afzet Invoer voor wederuitvoer Afzet in Nederland na verwerking in Nederland Afzet in buitenland na verwerking in Nederland
Hout(producten) 1,92 3,29 4,24 3,40
Cacao(producten) 0,30 1,41 0,16 0,63
Palmolie(producten) 0,01 0,40 0,43 1,48
Rund(producten) 0,57 0,52 0,45 0,56
Soja(producten) 0,01 0,45 0,32 1,09
Koffie 0,39 0,30 0,11 0,32

Gebruik door Nederlandse bedrijfstakken

Vervolgens zullen we ons richten op de invoer van ontbossingsgerelateerde goederen die verbonden zijn met het Nederlands bedrijfsleven voor intermediair verbruik. We maken inzichtelijk in hoeverre Nederlandse bedrijven in 2021 van deze importen gebruikmaakten, en hoe deze ingevoerde producten in de Nederlandse ketens worden ingezet. Nederlandse bedrijfstakken zijn eindgebruiker of verwerker van ontbossingsgerelateerde producten die ons land binnenkomen. Net zoals voor CBAM-producten in paragraaf 2.2 is deze invalshoek relevant omdat het ons iets vertelt over het daadwerkelijke gebruik van deze materialen in onze economie.

Uit figuur 2.3.3 blijkt dat er één sector is die alle zes genoemde goederen verwerkt. Niet heel verrassend worden koffie, palmolie, cacao(producten), rund(producten) en soja allemaal verwerkt door de voedingsmiddelenindustrie, zowel voor verdere verwerking van het product als voor gebruik als ingrediënt voor nieuwe voedingsproducten. In alle andere sectoren die veel afhankelijk zijn van de import van ontbossingsgerelateerde goederen, behalve voor de horecasector, is hout de voornaamste grondstof. In de horecasector zijn runderen en producten van runderen de voornaamste geïmporteerde grondstof.

2.3.3 Gebruik van de import van ontbossingsgerelateerde goederen door Nederlandse bedrijfstakken, 2021* (mld euro)
Bedrijfstak Hout(producten) Koffie Palmolie Cacao(producten) Rund(producten) Soja
Voedings- en genot-
middelenindustrie
0,60 0,59 1,75 1,26 0,60 1,50
Hout-, papier-
en grafische industrie
2,94 0 0 0 0 0
Bouw 1,18 0 0 0 0 0
Meubelindustrie 0,54 0 0 0 0 0
Zakelijke dienstverlening 0,43 0 0 0 0 0
Onderwijs, overheid en zorg 0,36 0,02 0 0,01 0,03 0
Energievoorziening 0,33 0 0,04 0 0 0,02
Horeca 0,04 0,03 0 0,06 0,25 0
Groothandel en
handelsbemiddeling
0,25 0,01 0,02 0,02 0 0,01
Overig 1,42 0,01 0,11 0,01 0,12 0,08

Hout en houtproducten

De belangrijkste herkomstlanden van hout en houtproducten die door Nederland ingevoerd zijn voor intermediair verbruik, zijn Duitsland (27 procent), België (14 procent), Zweden (7 procent), Frankrijk (5 procent) en Polen (4 procent). Daarbij is de import uit Polen het hardste toegenomen en is tussen 2015 en 2021 meer dan verdubbeld. Daarbij gaat het met name om de invoer van hout en pellets. Ook de Nederlandse import uit de Baltische Staten blijkt gedurende dezelfde periode sterk te zijn gestegen, waarbij het ook met name gaat om hout en pellets.

Een bedrijfstak die als afnemer van hout een flinke groei heeft doorgemaakt is de energievoorziening. Tussen 2018 en 2021 is de inkoop van hout (met name pellets) door die bedrijfstak explosief toegenomen van 9 miljoen euro naar 320 miljoen euro. In 2021 heeft de Europese Commissie aangegeven dat de EU jaarlijks ongeveer 16 miljard euro aan belastinggeld besteedt aan de ondersteuning van bio-energie, een vorm van hernieuwbare energie (Stockmans, 2022). Subsidies vanuit de EU voor biomassacentrales hebben geleid tot het verbranden van bomen en bossen in honderden fabrieken in heel Europa, wat de voornaamste oorzaak van ontbossing binnen de EU is geworden (Simon, 2023). In een nieuw voorstel van het Europees Parlement wordt echter voorgesteld om de kap van (primair) hout voor biomassa beperkt te houden (Göss, 2023). Het merendeel van de import van hout door de energievoorziening (ruim 60 procent) wordt gebruikt voor het opwekken van energie voor de finale consumptie in Nederland, bijvoorbeeld voor het verwarmen van huizen of het voorzien van energie voor de industrie die voor het binnenland produceert. De overige 40 procent is gericht op de productie van exportproducten, bijvoorbeeld bij het vervaardigen van staal(producten) die naar Duitsland geëxporteerd worden.

In 2021 werd 3,4 miljard euro aan ingevoerd hout in Nederland verwerkt voor de export en 4,2 miljard euro ingevoerd voor binnenlandse bestedingen. De belangrijkste exportproducten na verwerking zijn papier en karton. De meest voorkomende verwerkingsstroom is hout dat uit Duitsland komt en na verwerking door de hout- en papierindustrie in Nederland weer teruggaat naar Duitsland, bijvoorbeeld als papier of karton. Papier of karton naar Duitsland betreft de meest voorkomende land-goed-combinatie aan de exportkant bij de verwerking van hout in Nederland. Bij binnenlandse bestedingen spelen vooral producten van de bouwsector een grote rol waarvoor de import van hout nodig is. Bijna de gehele import van hout door de bouwsector wordt ingezet in de productie voor de Nederlandse markt.

Cacao(producten) en koffie

Voor cacao en cacaoproducten importeerden Nederlandse bedrijven in 2021 vooral uit Ivoorkust (26,3 procent), Kameroen (17 procent), Nigeria (11), België (11) en Duitsland (7 procent). België en Duitsland zijn de belangrijkste herkomstlanden als het gaat om directe consumptie na import in Nederland (vooral chocolade). Ivoorkust neemt daarentegen de leiding bij alle andere importstromen.

In 2021 werd voor 0,6 miljard euro aan ingevoerde cacao in Nederland verwerkt voor de export en 0,2 miljard euro ingevoerd voor binnenlandse bestedingen. De voornaamste exportproducten na verwerking zijn – niet erg verrassend – cacaoproducten en suikerwerk. De meest voorkomende verwerkingsroute omvat cacaobonen uit Ivoorkust die na bewerking in Nederland naar Duitsland gaan, bijvoorbeeld als cacaoboter, een essentieel ingrediënt voor chocoladeproductie (Bakker, 2021).

Wat betreft de Nederlandse invoer van koffie zijn de belangrijkste herkomstlanden België (49 procent), Duitsland (14 procent), Brazilië (11 procent) en Frankrijk (5 procent). Dit zijn bijna allemaal EU-landen die zelf of via andere EU-landen de koffie uit de productielanden halen zoals Brazilië of Colombia. De keten van geïmporteerde koffie vertoont sterke overeenkomsten met die van cacao(producten): de Nederlandse voedingsmiddelenindustrie importeert koffie en verwerkt deze verder tot bewerkte koffie en suikerwerk, die vervolgens in binnen- of buitenland worden geconsumeerd.

Soja en palmolie

Import van soja voor intermediair verbruik spitst zich toe op Brazilië (50 procent), de VS (16 procent), Canada (8 procent) en Argentinië (7 procent). De voedingsmiddelenindustrie is met afstand de belangrijkste afnemer van geïmporteerde soja, waarbij het vooral gaat om industrieën die oliën en vetten en veevoer vervaardigen. Eerder zagen we in figuren 2.3.1 en 2.3.2 dat de invoer van soja grotendeels gebruikt wordt om producten te maken die met name in het buitenland afgezet worden. In 2021 werd 1,1 miljard euro ingevoerde soja in Nederland verwerkt voor de export. De belangrijkste exportproducten na verwerking zijn plantaardige oliën en vetten (27 procent), veevoer (20 procent) en bereide voedingsmiddelen (10 procent). Uiteindelijk zijn ook zuivel, eieren en vlees exportproducten van soja, omdat soja in het veevoer terechtkomt en deze uiteindelijk resulteert in de aanmaak van dierlijke producten. De meest voorkomende verwerkingsstroom is dat sojabonen uit Brazilië komen en na verwerking in Nederland naar Duitsland gaan, bijvoorbeeld als veevoer of vlees.

De invoer van palmolie is eerder in Aerts et al. (2021 en 2022) uitvoerig onderzocht. Palmolie wordt vrijwel op dezelfde manier als soja in de Nederlandse keten ingezet. De belangrijkste herkomstlanden van palmolie zijn Maleisië (33 procent), Papoea-Nieuw-Guinea (17 procent), Indonesië (14 procent), Honduras (12 procent), Guatemala (7 procent) en Colombia (6 procent). Deze landen hebben gezamenlijk een aandeel van 88 procent in de totale Nederlandse import. Net zoals soja wordt palmolie vooral geïmporteerd door industrieën die oliën en vetten en veevoer vervaardigen, en verder verwerkt in bovengenoemde drie producten, en vervolgens ook op een indirecte wijze terechtkomen in diverse dierlijke producten zoals melk, vlees en kaas. Terwijl palmolie uit Maleisië vooral gebruikt wordt in producten voor menselijke consumptie, wordt de import uit Indonesië daarentegen relatief een stuk meer ingezet in de productie van diervoeding (Aerts et al., 2022).

Runderen en producten van runderen

De import van rund(producten) is hoofdzakelijk afkomstig van Duitsland (27 procent), België (21 procent) en Ierland (9 procent). De import uit Ierland, met name Iers rundvlees, is aanzienlijk toegenomen met 36 procent tussen 2015 en 2021. De voornaamste niet-EU herkomstlanden zijn Uruguay, Argentinië, de VS en Brazilië (elk met een aandeel van 2 procent). De keten van import van rund en rundproducten in Nederland ligt vrij voor de hand. Runderen worden bijvoorbeeld ingevoerd door de landbouwsector voor de zuivelproductie of de vleesproductie. Ook de voedingsmiddelenindustrie kan runderen of vlees invoeren en verder verwerken tot vleesproducten voor Nederlandse consumptie of export. Daarnaast kan vlees worden geïmporteerd, bijvoorbeeld uit Ierland, door de horeca en vervolgens geconsumeerd worden door de Nederlandse consument.

2.4De veehouderijketen

In mei 2020 heeft de Europese Commissie de ‘van boer tot bord’-strategie gepubliceerd. Deze strategie heeft als doel de volledige voedselketen, van boer tot bord, te verduurzamen en zo de impact van voedselproductie op het milieu en klimaat te verminderen. Volgens de Europese Commissie (2023b) is het bestaande voedselsysteem verantwoordelijk voor bijna een derde van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen, het verlies van biodiversiteit en een aanzienlijk verbruik van natuurlijke hulpbronnen.

In deze paragraaf richten we ons op de keten van het zogenaamde veehouderijcomplex, dat een sterk verband heeft met ontbossing (o.a. via veevoergrondstoffen) en de ‘van boer tot bord’-strategie. Het veehouderijcomplex omvat de veehouderijsector, slachterijen, vleesverwerkingsbedrijven en de zuivelindustrie. De volledige keten van dit complex, inclusief de toeleveranciers (zoals de veevoederindustrie; zie figuur 2.4.2 voor andere voorbeelden van toeleveranciers) die aan het veehouderijcomplex leveren, wordt hier aangeduid als de veehouderijketen.

Bijdrage aan de Nederlandse economie

In 2021 was de gehele veehouderijketen goed voor 12,9 miljard euro aan toegevoegde waarde (1,5 procent van het bbp) en bijna 134 duizend voltijdbanen (1,7 procent van de totale werkgelegenheid in Nederland). De ontwikkeling van de bijdrage van de veehouderijketen aan het bbp wordt weergegeven in figuur 2.4.1, waaruit blijkt dat deze bijdrage gedurende de jaren in het algemeen stabiel is gebleven, variërend tussen 1,6 en 1,7 procent van het bbp van 2015 tot 2020. Echter, in 2021 zien we een aanzienlijke afname van deze bijdrage. Deze daling wordt veroorzaakt door verschillende factoren, waaronder een verminderde vraag naar varkensvlees uit China als gevolg van een snel herstellende varkensproductie in dat land (CBS, 2021). Ook opvallend is dat de toegevoegde waarde van de toeleverende bedrijfstakken in 2021 stabiel is gebleven ten opzichte van voorgaande jaren, in tegenstelling tot die van het veehouderijcomplex zelf, waar sprake is van een aanzienlijke daling. Zo heeft de veehouderij onder andere last gehad van toegenomen kosten voor geïmporteerd veevoer (Creemers et al., 2023).

De toegevoegde waarde van de veehouderijketen kan tot stand komen door export of door binnenlandse afzet. Uit figuur 2.4.1 kunnen we afleiden dat voor de veehouderijketen, het merendeel (ruim driekwart) van de toegevoegde waarde wordt gegenereerd door de export. Dit komt hoofdzakelijk door de export van producten van het veehouderijcomplex, zoals vlees, melk en eieren. Een veel kleiner deel van de afzet komt voort uit verwerking door de voedingsmiddelenindustrie (waaronder babymelkpoeder) en de farmaceutische industrie (farmaceutische producten waarvoor zuivel nodig is). Binnenlandse afzet vertoont een vergelijkbaar patroon, maar hier spelen naast de sectoren die deel van het veehouderijcomplex uitmaken ook sectoren als horeca en logiesverstrekking, en overheid, zorg en onderwijs een rol als afnemers van dierlijke voedingsmiddelen.

In 2021 bedroegen de toegevoegde waarde en werkgelegenheid die toe te schrijven zijn aan het veehouderijcomplex respectievelijk 5,6 miljard euro en 54,4 duizend voltijdbanen. Deze cijfers vertegenwoordigen respectievelijk 43,7 procent en 40,7 procent van de totale toegevoegde waarde en werkgelegenheid binnen de hele veehouderijketen. Het veehouderijcomplex genereert dus relatief meer toegevoegde waarde en banen bij andere toeleverende sectoren dan in de sector zelf. In 2021 ging het om 7,3 miljard euro aan indirecte toegevoegde waarde en 79,2 duizend voltijdbanen bij toeleveranciers van het veehouderijcomplex.

2.4.1 Bijdrage veehouderijcomplex en toeleveranciers aan bbp (%)
Jaar Exportverdiensten(veehouderijcomplex zelf) Verdiensten aan binnenlandse afzet
(veehouderijcomplex zelf)
Exportverdiensten
(toeleveranciers)
Verdiensten aan binnenlandse afzet
(toeleveranciers)
2015 0,60 0,24 0,66 0,21
2016 0,59 0,22 0,69 0,20
2017 0,70 0,23 0,69 0,18
2018 0,59 0,21 0,66 0,19
2019 0,63 0,22 0,65 0,18
2020 0,59 0,25 0,66 0,23
2021* 0,47 0,19 0,65 0,20

Maar wie draagt dan vooral bij aan de veehouderijketen als toeleverancier en verdient zodoende daaraan? Figuur 2.4.2 laat de top 10 bedrijfstakken zien die de grootste bijdrage leveren als toeleveranciers aan het veehouderijcomplex, gemeten in termen van toegevoegde waarde. Deze tien bedrijfstakken zijn samen verantwoordelijk voor bijna twee derde van de totale toegevoegde waarde die wordt gegenereerd door toeleverende sectoren. Binnen de categorie overige landbouw komt vooral de agrarische dienstverlening naar voren, terwijl in de sector van de overige voedingsmiddelenindustrie met name veevoerbedrijven een cruciale rol vervullen als leveranciers aan het veehouderijcomplex. Een opvallende trend die we uit figuur 2.4.2 kunnen halen, is dat vrijwel alle toeleverende bedrijfstakken in 2021 meer toegevoegde waarde hebben gegenereerd dan in 2019. Met name de groothandel, energiebedrijven en de sector van riolering, afvalbeheer en sanering zijn meer gaan verdienen in 2021 dankzij de veehouderijketen. Er zijn echter enkele uitzonderingen op dit patroon. Zo zijn uitzendbureaus vrijwel onveranderd gebleven in hun toegevoegde waarde, terwijl de overige voedingsmiddelenindustrie juist minder heeft verdiend. Ook in het bankwezen zien we een afname in hun toegevoegde waarde.

2.4.2 Top 10 bedrijfstakken die het meest bijdragen aan de veehouderijketen (mln euro)
Sector Jaar Export Binnenlandse afzet
Groothandel en
handelsbemiddeling
2021*, Groothandel en
handelsbemiddeling
824,0 263,5
Groothandel en
handelsbemiddeling
2019, Groothandel en
handelsbemiddeling
725,7 210,0
Overige landbouw 2021*, Overige landbouw 676,4 184,1
Overige landbouw 2019, Overige landbouw 651,7 161,7
Uitzendbureaus en
arbeidsbemiddeling
2021*, Uitzendbureaus en
arbeidsbemiddeling
580,3 206,7
Uitzendbureaus en
arbeidsbemiddeling
2019, Uitzendbureaus en
arbeidsbemiddeling
605,5 184,2
Overige voedings-
middelenindustrie
2021*, Overige voedings-
middelenindustrie
546,4 149,3
Overige voedings-
middelenindustrie
2019, Overige voedings-
middelenindustrie
581,9 144,7
Holdings en
management-
adviesbureaus
2021*, Holdings en
management-
adviesbureaus
283,1 90,7
Holdings en
management-
adviesbureaus
2019, Holdings en
management-
adviesbureaus
268,1 81,3
Juridische diensten
en administratie
2021*, Juridische diensten
en administratie
190,0 58,1
Juridische diensten
en administratie
2019, Juridische diensten
en administratie
170,5 47,5
Bankwezen 2021*, Bankwezen 173,4 53,9
Bankwezen 2019, Bankwezen 192,9 55,0
Energiebedrijven 2021*, Energiebedrijven 162,7 46,6
Energiebedrijven 2019, Energiebedrijven 114,1 30,2
Riolering,
afvalbeheer
en sanering
2021*, Riolering,
afvalbeheer
en sanering
153,4 43,3
Riolering,
afvalbeheer
en sanering
2019, Riolering,
afvalbeheer
en sanering
120,1 30,4
Veterinaire
dienstverlening
2021*, Veterinaire
dienstverlening
145,8 39,2
Veterinaire
dienstverlening
2019, Veterinaire
dienstverlening
132,4 31,8

Import door de veehouderijketen

De laatste jaren zijn veel visies en bijdragen verschenen die pleiten voor een meer circulair voedselsysteem in Europa, door het sluiten van kringlopen en het gebruiken van meer regionale grondstoffen in (kracht)voeders (WUR, 2020). Het idee van kringlooplandbouw is om van een voortdurende verlaging van de kostprijs van producten naar een voortdurende verlaging van het verbruik van grondstoffen te gaan. De dierlijke productie in de EU is voor een deel afhankelijk van eiwitrijke diervoedergrondstoffen uit derde landen, vooral soja uit Brazilië en de VS. Dat geldt in het bijzonder voor de dierlijke productie in Nederland door de sterk ontwikkelde intensieve veehouderij en de gunstige infrastructuur voor de aanvoer van overzeese grondstoffen (havens).

De veehouderijketen importeerde in 2021 in totaal – het veehouderijcomplex zelf of via zijn toeleveranciers – 9,1 miljard euro aan goederen en diensten. Het merendeel van deze import bestaat uit goederen, wat neerkomt op zo’n 7,4 miljard euro, oftewel 81,5 procent van de totale importwaarde. De totale import is tussen 2019 en 2021 met maar liefst 11,4 procent toegenomen, waarbij de import van goederen en diensten met respectievelijk 12,0 en 8,7 procent is gegroeid. Deze toename in de importwaarde blijkt de toegevoegde waarde van het veehouderijcomplex in 2021 te drukken (zie figuur 2.4.1), een patroon dat ook eerder zichtbaar was in de bredere landbouwproductie (Ramaekers et al., 2022; Creemers et al., 2023).

De directe import (import door het veehouderijcomplex zelf) vertegenwoordigt 50,4 procent van het totaal in 2021 en bestaat hoofdzakelijk (zo’n 84,9 procent) uit goederen. Dat betekent tegelijkertijd dat bijna de helft van de totale import gebeurt via toeleveranciers van het veehouderijcomplex. Ook het grootste deel (77,9 procent) van deze indirecte import bestaat uit goederen, maar wel in mindere mate. Een opvallende ontwikkeling ten opzichte van 2019 is de sterke groei van de import via toeleveranciers, die met ongeveer 14,5 procent is toegenomen. In vergelijking hiermee is de directe import ‘slechts’ met 8,4 procent gestegen. Deze groei is voornamelijk te danken aan de toename van de goedereninvoer via toeleveranciers, die maar liefst 17,9 procent bedraagt.

In figuur 2.4.3 wordt de top 10 van importproducten door de veehouderijketen voor 2021 gepresenteerd. De belangrijkste importproducten zijn veevoergrondstoffen, met name de producten van buiten de EU. Maïs, grotendeels afkomstig uit Oekraïne en Polen, vormt de belangrijkste veevoergrondstof, gevolgd door palmolie uit Indonesië en Maleisië, en soja uit Brazilië en de VS. Gerst, een andere essentiële veevoergrondstof, is voornamelijk afkomstig uit de EU. Levende dieren worden met name geïmporteerd uit Duitsland, België en Spanje. De groei van de varkenshouderij in Spanje valt op in de recente jaren, wat heeft bijgedragen aan de sterke stijging van de import van levende dieren uit dat land (Lamers, 2022). De overige geïmporteerde producten zijn voornamelijk afkomstig uit de EU, met enkele uitzonderingen. Minerale brandstoffen, gedomineerd door Rusland in 2021, vormen een belangrijke productcategorie. Overige oliehoudende zaden en vruchten komen vooral uit Zuid-Amerika, terwijl diensten worden geïmporteerd uit de VS en het VK.

2.4.3 Top 10 importproducten door de veehouderijketen, 2021* (mln euro)
Product EU Niet-EU
Veevoergrondstoffen 405,1 597,3
Zakelijke diensten 367,0 397,6
Melk en melkproducten 733,5 26,1
Levende dieren 679,7 42,1
Overig vlees en eetbare slachtafval 522,5 26,6
Rundvlees 395,1 15,0
Overige granen en graanproducten 367,4 32,5
Overige plantaardige oliën en vetten 150,2 214,5
Minerale brandstoffen 72,4 287,5
Overige veevoeder 193,9 18,9
Overige diensten 466,6 410,1
Overige goederen 2236,4 128,2

Uitstoot in Nederland door de veehouderijketen

Onze analyse in deze paragraaf richt zich tot dusver op de sociaaleconomische effecten van de Nederlandse veehouderijketen, bijvoorbeeld in toegevoegde waarde of werkgelegenheid in Nederland. Milieu en economie zijn echter onlosmakelijk met elkaar verbonden. De productie en consumptie van goederen en diensten gaan vaak gepaard met verschillende vormen van milieudruk, waaronder bijvoorbeeld de uitstoot van broeikasgassen. Voor een completer beeld van het veehouderijcomplex, is het daarom ook relevant te kijken naar de ecologische dimensie.

9,3% was het aandeel van de veehouderijketen in de broeikasgas­uitstoot binnen Nederland in 2021, veel hoger dan het economisch aandeel

In 2021 bedroeg de totale broeikasgasuitstoot van de veehouderijketen 19,2 megaton CO2-equivalent. Hierbij wordt alleen de uitstoot in Nederland meegeteld; de uitstoot gerelateerd aan de import door de veehouderijketen in het buitenland wordt voor nu buiten beschouwing gelaten. Dit is een daling ten opzichte van 2019, toen de uitstoot nog op 19,5 megaton CO2-equivalent lag. Ondanks deze afname vertegenwoordigde deze uitstoot in 2021 nog steeds ruim 9,3 procent van de totale uitstoot van de Nederlandse economie, wat zelfs hoger is dan het percentage van 8,9 procent in 2019. De veehouderijketen heeft dus een substantieel aandeel in de totale uitstoot van broeikasgassen in Nederland. Het aandeel van de sector is bovendien ook veel hoger dan de bijdrage van de veehouderijketen aan het Nederlandse bbp (1,5 procent) of werkgelegenheid (1,7 procent).

Opvallend genoeg is de broeikasgasuitstoot slechts met 1,5 procent gedaald tussen 2019 en 2021, terwijl de toegevoegde waarde en werkgelegenheid gerelateerd aan de veehouderijketen respectievelijk met 5,4 en 3,0 procent zijn afgenomen. Het veehouderijcomplex zelf was in 2021 verantwoordelijk voor 85,6 procent van de totale uitstoot binnen de keten, een minimale verandering ten opzichte van 2019 toen dit percentage op 85,9 procent lag. Dat is aanzienlijk groter dan het aandeel van het veehouderijcomplex in de toegevoegde waarde van de hele keten (43,7 procent). De uitstoot binnen de veehouderijketen is voornamelijk gericht op de productie voor export. Net zoals bij de toegevoegde waarde blijkt dat circa driekwart van de totale broeikasgasuitstoot van de veehouderijketen te relateren is aan de productie voor de export.

De uitstoot gerelateerd aan het veehouderijcomplex bestaat grotendeels uit overige broeikasgassen (waaronder lachgas en methaan), zie tabel 2.4.4, vanwege aanzienlijke uitstoot van methaan door runderen en emissie van lachgas door mest. In geheel maken de overige broeikasgassen meer dan vier vijfde deel uit van de totale broeikasgasuitstoot van de veehouderijketen. In tegenstelling daartoe betreft de uitstoot gerelateerd aan de toeleveranciers voornamelijk CO2-uitstoot. Binnen de toeleverende sectoren is de energievoorziening de voornaamste bron van uitstoot, waarbij die sector goed is voor ruim 42,6 procent van de totale CO2-uitstoot in Nederland door toeleverende sectoren van het veehouderijcomplex.

2.4.4Broeikasgasuitstoot in Nederland door de veehouderijketen
2019 2021*
CO2 overige BKG totaal CO2 overige BKG totaal
kiloton CO2-eq.
Totaal Nederland 3 067,1 16 458,6 19 525,7 3 058,0 16 170,6 19 228,6
Veehouderijcomplex 640,0 16 140,0 16 780,0 624,0 15 842,0 16 466,0
Toeleverende bedrijfstakken (totaal) 2 427,1 318,6 2 745,7 2 434,0 328,6 2 762,6
Energievoorziening 1 043,4 4,1 1 047,4 1 036,5 5,5 1 042,1
Overige landbouw, bosbouw en visserij 245,1 249,8 494,9 252,3 252,3 504,6
Overige voedings-, genotmiddelenindustrie 408,9 29,8 438,7 380,2 27,7 407,8
Chemische industrie 130,9 14,5 145,4 182,9 17,0 199,9
Waterbedrijven en afvalbeheer 141,8 9,1 150,9 146,9 9,6 156,5
Vervoer en opslag 163,4 2,8 166,1 151,5 2,7 154,2
Zakelijke dienstverlening 67,8 1,0 68,8 61,1 0,9 62,0
Aardolie-industrie 36,7 0,1 36,8 42,5 0,1 42,6
Groothandel en handelsbemiddeling 40,5 0,5 40,9 39,4 0,5 39,9
Overig 148,8 7,0 155,7 140,8 12,3 153,1

Bron:CBS

De invoervoetafdruk van de veehouderijketen

In 2021 bedroeg de extra broeikasgasuitstoot elders in de wereld, gerelateerd aan de veehouderijketen, 9,6 megaton CO2-equivalent. Dit komt neer op bijna de helft (49,7 procent) van de totale uitstoot van de veehouderijketen in Nederland voor dat jaar. In totaal was de veehouderijketen dus in 2021 verantwoordelijk voor 29,1 megaton CO2-equivalent aan broeikasgasuitstoot, waarvan bijna een derde in het buitenland neerslaat. In 2021 is de invoervoetafdruk (gelijk aan bovengenoemde 9,6 megaton CO2-equivalent) in vergelijking met 2019, toen dit 10,3 megaton CO2-equivalent bedroeg, bijna 6 procent gedaald. De invoervoetafdruk (–‍6,0 procent) is daarmee sneller gedaald dan de binnenlandse voetafdruk (–‍1,5 procent). De uitstoot in het buitenland gerelateerd aan de import door de veehouderijketen bestond in 2021 voor 30,2 procent uit CO2, terwijl de rest bestond uit andere broeikasgassen, grofweg gelijk verdeeld over lachgas en methaan.

Figuur 2.4.5 presenteert de top 10 importproducten die in 2021 verantwoordelijk waren voor de grootste hoeveelheid broeikasgasuitstoot in het buitenland. Deze top 10 is vrijwel identiek aan de top 10 importproducten op basis van de invoerwaarde (figuur 2.4.3). De buitenlandse uitstoot wordt voornamelijk veroorzaakt door veevoergrondstoffen, waarbij met name lachgasuitstoot door kunstmest voor de teelt van veevoergrondstoffen zoals maïs en soja een rol speelt, en door levende dieren (methaanuitstoot). Ook het verbouwen van overige granen en graanproducten (uitstoot van lachgas door inzet van kunstmest) en winning en raffinage van minerale brandstoffen (relatief veel CO2-uitstoot) dragen bij aan deze uitstoot. Deze vier specifieke importproducten blijken een aanzienlijke broeikasgasuitstoot met zich mee te brengen. Samen vertegenwoordigen ze meer dan de helft (54,2 procent) van de totale invoervoetafdruk van de veehouderijketen. Dit staat in schril contrast met hun aandeel in de invoerwaarde, waar ze gezamenlijk slechts 27,8 procent beslaan. Omgekeerd zijn diensten in mindere mate verantwoordelijk voor de uitstoot in het buitenland (4,1 procent van de totale invoervoetafdruk van de veehouderijketen), maar wel erg belangrijk in het importpakket van de veehouderijketen (18,4 procent van de totale invoerwaarde van de veehouderijketen).

2.4.5 Top 10 importproducten door de veehouderijketen met de hoogste invoervoetafdruk, 2021* (kiloton CO2-eq.)
Product Koolstofdioxide (CO2) Overige broeikasgassen
Levende dieren 128,8 1936,9
Veevoergrondstoffen 431,6 1400,7
Overige granen
en graan-
producten
124,3 601,8
Minerale brandstoffen 344,2 209,3
Melk en melkproducten 179,1 355
Overige olie-
houdende zaden
en vruchten
72,1 326,1
Rundvlees 62,6 188
Overige veevoeder 82,2 144,8
Overig vlees
en eetbare
slachtafval
104,3 117,9
Overige plant-
aardige oliën
en vetten
116,4 97,9
Diensten 305,7 84,5
Overige goederen 938,2 1201,8
Bron: CBS, GLORIA

Figuur 2.4.6 laat zien in welke landen de uitstoot van de import voor de veehouderijketen voornamelijk plaatsvindt. In Duitsland, België en Spanje wordt de uitstoot voornamelijk veroorzaakt door levende dieren. In landen zoals Oekraïne, Polen en Roemenië is de teelt van maïs en overige granen verantwoordelijk voor de uitstoot.

7% was het aandeel van Brazilië in de voetafdruk van de Nederlandse veehouderijketen buiten Nederland

In Brazilië is de broeikasgasuitstoot hoog door de productie van soja. Ook in de VS is er uitstoot door sojaproductie, maar ook de winning en verwerking van minerale brandstoffen en de dienstverlening voor de Nederlandse veehouderijketen dragen bij aan de uitstoot. In Rusland wordt de uitstoot vooral in verband gebracht met de winning en raffinage van minerale brandstoffen. Het VK vertoont eveneens een aanzienlijke uitstoot gerelateerd aan minerale brandstoffen, maar hier komt ook een sterke uitstoot voort uit dienstverlening. De uitstoot in China wordt grotendeels veroorzaakt door de industrie, waaronder de productie en levering van elektrische machines en apparaten aan verschillende sectoren in Nederland en andere landen die indirect betrokken zijn bij de veehouderijketen.

Ten opzichte van 2019 is de uitstoot gerelateerd aan levende dieren gemiddeld afgenomen, met uitzondering van Spanje. Zoals eerder vermeld in deze paragraaf, is die daling voornamelijk te wijten aan de verminderde vraag naar vlees in China (CBS, 2021). Een andere opvallende ontwikkeling in vergelijking met 2019 is de stijging van de uitstoot gerelateerd aan grondstoffen. Er heeft meer uitstoot plaatsgevonden door de winning en raffinage van minerale brandstoffen, vooral in Rusland is de toename substantieel. Tevens is de uitstoot toegenomen door de productie van veevoergrondstoffen in landen zoals Polen (maïs), Roemenië (zonnebloemzaad, koolzaad, maïs) en uiteraard Brazilië (soja), waarbij lachgasuitstoot via kunstmest een rol speelt.

2.4.6 Oorsprong invoervoetafdruk van de veehouderijketen, 2021*
Land Broeikasgasuitstoot
Duitsland 1244,0
België 1166,0
Frankrijk 820,8
Brazilië 627,2
Oekraïne 562,4
Rusland 505,5
Verenigde Staten 404,7
Polen 383,4
China 352,4
Spanje 247,2
Roemenië 181,7
Elders 3058,9
Bron: CBS, GLORIA

2.5Samenvatting en conclusie

De Europese Green Deal vertegenwoordigt een verzameling beleidsinitiatieven die de EU ondersteunen in haar streven naar een groene transitie, met als uiteindelijk doel klimaatneutraliteit te bereiken tegen 2050. In dit hoofdstuk werd ingegaan op drie aspecten van de Europese Green Deal gerelateerd aan handelsaspecten: CBAM, de aanpak van ontbossing en de veehouderijketen die nauw samenhangt met de ‘van boer tot bord’-strategie. De nadruk lag hierbij op de wisselwerking tussen de Nederlandse economie en deze aspecten, waarbij vooral de internationale dimensie en de invloed van import en export zijn onderzocht. Dit gaat verder dan alleen het in kaart brengen van de omvang van de import; het omvat ook de impact en betrokkenheid van Nederlandse sectoren binnen deze bredere initiatieven. Dit inzicht is van belang om de overgang naar een duurzame en klimaatneutrale economie cijfermatig te ondersteunen en bij te dragen aan de realisatie van de doelstellingen van de Europese Green Deal.

CBAM is een initiatief dat beoogt de negatieve effecten van koolstoflekkage te verminderen. Dit gebeurt door een belasting te heffen op de import door EU-landen van bepaalde producten die uit landen buiten de EU komen, afhankelijk van hun CO2-voetafdruk. Dit mechanisme heeft gevolgen voor de handel en economie, en dat is van belang voor een land zoals Nederland, dat voor de consumptie en productie afhankelijk is van diverse importproducten. In 2021 was de importwaarde van CBAM-goederen uit niet-EU-landen goed voor een kwart van de totale invoer van CBAM-goederen. Daarbij zijn ijzer en staal, en aluminium de belangrijkste producten voor de Nederlandse invoer van CBAM-producten, terwijl cement en meststoffen een veel lager aandeel bezitten. Het overgrote deel, zo’n 67 procent, van de invoer van CBAM-goederen is bestemd voor wederuitvoer, terwijl 20 procent geïmporteerd wordt door het Nederlandse bedrijfsleven voor verdere verwerking. De Nederlandse metaalproducten-, basismetaal- en machine-industrie zijn de grootste gebruikers van ijzer en staal, zowel voor de productie voor binnen- als buitenlandse afzet, zoals bijvoorbeeld voor de productie van gespecialiseerde machines. Ingevoerd aluminium en cement hangen vooral samen met de bouwsector, die met name voor het binnenland produceert. Daarnaast is gekeken naar landen buiten de EU die afhankelijk zijn van export van CBAM-goederen naar Nederland, waarbij Mozambique, Armenië en Canada opvallen als landen die relatief sterk blijken te leunen op de export van CBAM-goederen.

Ontbossing is een ander belangrijk aspect dat wordt aangepakt binnen de Europese Green Deal. Door de import van producten die verband houden met ontbossing aan te pakken, probeert de EU bij te dragen aan het verminderen van wereldwijde ontbossing. Nederland speelt, als een van de grootste importeurs van producten zoals soja, cacao en palmolie, een grote rol in deze context. De Nederlandse import van cacao(producten), palmolie en soja vindt voornamelijk zijn weg naar het buitenland (grotendeels via wederuitvoer en quasi-doorvoer), terwijl bijna de helft van de import van koffie, hout(producten) en rund(producten) in Nederland blijft. Hout en houtproducten blijken met afstand de grootste ontbossingsgerelateerde goederengroep. Hout wordt vooral geïmporteerd door de hout- en papierindustrie en verder verwerkt tot bijvoorbeeld papier en karton. Een bedrijfstak die als afnemer van hout een flinke groei heeft doorgemaakt is de energievoorziening. Tussen 2018 en 2021 is de afname van hout (met name pellets) explosief toegenomen. De import van hout door de energievoorziening wordt gebruikt voor het verwarmen van huizen of het voorzien van energie voor de industrie die voor het binnen- of buitenland produceert. In veel sectoren die afhankelijk zijn van de import van ontbossingsgerelateerde goederen, is hout daardoor de voornaamste grondstof. Aan de andere kant worden koffie, palmolie, cacao(producten), rund(producten) en soja allemaal verwerkt in de voedingsmiddelenindustrie, zowel voor verdere verfijning (vooral bij koffie en cacao) als voor gebruik als ingrediënten voor nieuwe voedingsproducten (vooral bij soja en palmolie; bijvoorbeeld als grondstof voor veevoer).

Tot slot hebben we in dit hoofdstuk de Nederlandse veehouderijketen, die een sterke band heeft met ontbossing (o.a. via veevoergrondstoffen; zie hoofdstuk 1) en de ‘van boer tot bord’-strategie, uitgebreid onderzocht. In 2021 droeg de Nederlandse veehouderijketen 1,5 procent bij aan het bbp, wat neerkomt op 12,9 miljard euro, en voorzag het bijna 134 duizend voltijdbanen, wat overeenkomt met 1,7 procent van de totale werkgelegenheid in Nederland. De export – van voornamelijk veehouderijproducten zoals vlees, melk en eieren – genereert het grootste deel (namelijk ruim driekwart) van de toegevoegde waarde. Het veehouderijcomplex creëert relatief meer toegevoegde waarde en banen in andere sectoren dan in de eigen sector. In 2021 bedroeg dit 7,3 miljard euro aan toegevoegde waarde en 79,2 duizend banen. De importwaarde van de hele veehouderijketen in 2021 bedroeg 9,1 miljard euro, een stijging van 11,4 procent ten opzichte van 2019. Vooral de import van goederen is met 12,0 procent sterk toegenomen, gevolgd door een stijging van 8,7 procent in diensten. De import van goederen is vooral toegenomen bij de import via toeleveranciers (+14,5 procent), die veel harder is gegroeid ten opzichte van de directe import (+8,4 procent). De sterke groei van de import van goederen en diensten heeft echter wel invloed op de gedaalde toegevoegde waarde van het veehouderijcomplex in 2021.

De totale broeikasgasuitstoot van de veehouderijketen was in 2021 19,2 megaton CO2-equivalent, een daling ten opzichte van 19,5 megaton CO2-equivalent in 2019. Toch vertegenwoordigt deze uitstoot nog steeds 9,3 procent van de totale Nederlandse uitstoot, meer dan het percentage van 8,9 procent in 2019 en veel meer dan de bijdrage van de veehouderijketen aan de Nederlandse welvaart (bbp) en werkgelegenheid. De broeikasgasuitstoot is daarnaast slechts met 1,5 procent gedaald tussen 2019 en 2021, terwijl de toegevoegde waarde en werkgelegenheid gerelateerd aan de veehouderijketen respectievelijk met 5,4 procent en 3,0 procent zijn afgenomen. De extra broeikasgasuitstoot elders in de wereld, gerelateerd aan de import door de veehouderijketen, was in 2021 9,6 megaton CO2-equivalent, vergelijkbaar met bijna de helft van de Nederlandse uitstoot. De veehouderijketen was in 2021 in totaal dus verantwoordelijk voor 29,1 megaton CO2-equivalent, waarvan meer dan twee derde in het binnenland plaatsvond. Met name veevoergrondstoffen dragen bij aan de uitstoot in het buitenland, vooral de lachgasuitstoot door kunstmest voor veevoergrondstoffen (met name maïs en soja), gevolgd door uitstoot door levende dieren. Ook de verbouwing van andere granen, winning en raffinage van minerale brandstoffen dragen bij aan deze uitstoot.

2.6Data en methoden

Vanwege de toenemende complexiteit van productieprocessen wordt het steeds uitdagender om een nauwkeurige inschatting te maken van de onderlinge afhankelijkheid tussen deelnemende landen en sectoren. Deze onderlinge afhankelijkheid gaat verder dan alleen de directe relatie tussen leveranciers en afnemers; het strekt zich uit tot alle betrokkenen in de gehele keten. Een waardeketenanalyse biedt de mogelijkheid om inzichtelijk te maken hoeveel waarde er op elke stap in de keten wordt toegevoegd, waardoor dwarsverbanden en de mate van afhankelijkheid binnen de keten zichtbaar worden.

Door Internationale Handel in Goederen statistieken te koppelen aan input-outputtabellen afkomstig van de Nationale Rekeningen van het CBS, kunnen we berekenen hoeveel geïmporteerde goederen er in het productieproces worden gebruikt door verschillende bedrijfstakken. De input-outputtabellen bevatten onder andere per bedrijfstak informatie over hoeveel ze aan andere bedrijfstakken leveren, waar ze zelf benodigde goederen en diensten inkopen, en hoeveel ze produceren en exporteren. Met behulp van zo’n input-outputtabel kunnen we berekenen hoeveel toegevoegde waarde er in elke bedrijfstak wordt gegenereerd, evenals de werkgelegenheid (via de arbeidsrekeningen van het CBS) en broeikasgasuitstoot (via de luchtemissierekeningen van het CBS) die hiermee gepaard gaan. Dit stelt ons in staat om afhankelijkheden in waardeketens zichtbaar te maken. Echter, het CBS beschikt alleen over gegevens over directe internationale handel van Nederland met andere handelspartners. Deze gegevens waren beschikbaar voor het verslagjaar 2021, en de CBS-cijfers die hier worden gebruikt gaan niet verder terug dan 2015 vanwege verschillende herzieningen.

De gebruikte methode om de koppeling tussen handelscijfers en input-outputtabellen tot stand te brengen zijn gebaseerd op methoden ontwikkeld door Lemmers (2015), Lemmers & Wong (2019) en Aerts et al. (2022), en maakt het mogelijk om te bepalen hoeveel en welke import er verwerkt wordt in de productie van Nederlandse goederen en diensten. Hierbij maken we gebruik van input-outputanalyses (Miller & Blair, 2022) en decompositie-analyses (Miller & Blair, 2022; Aerts et al., 2022).

In dit hoofdstuk worden ook cijfers gepresenteerd over de invoervoetafdruk op oorsprongsland- en productniveau. Het CBS berekent de invoervoetafdruk voor binnenlandse bestedingen en productie als onderdeel van de emissiehandelsbalans (CBS, 2022b). Echter, in het CBS-rapport wordt alleen de totaalwaarde gerapporteerd. Om meer detail te verschaffen over de invoervoetafdruk zijn verschillende (internationale) bronnen samengevoegd, waaronder de MRIO (Multi-Regional Input Output tabel) uit release 057 van de GLORIA global environment-extended multi-region input-output database (Lenzen et al., 2021), ontwikkeld in het Global MRIO-lab (Lenzen et al., 2017). Voor meer gedetailleerde informatie over de andere bronnen, hoe ze zijn gecombineerd en de kwaliteit en plausibiliteit van de cijfers over invoervoetafdruk die we op land- en productniveau presenteren, verwijzen we naar paragraaf 5.2 en 5.7 in hoofdstuk 5 van deze publicatie en Aerts et al. (2023).

2.7Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Aerts, N., Bohn, T., Ramaekers, P. & Wong, K. F. (2021). Handel in goederen met hoge milieu-impact. In S. Creemers, M. Jaarsma & J. Rooyakkers (Red), Internationaliseringsmonitor 2021, tweede kwartaal: Handel en milieu. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Aerts, N., Bohn, T., Lemmers, O. & Wong, K. F. (2022). Linking micro-data to national input-output tables: by whom and from whom are products imported and to what end? 28th IIOA Conference. Langkawi Island, Maleisië: International Input Output Association.

Aerts, N., Bohn, T., Notten, T. & Weusten, M. (2023). Inzet van de invoer in de Nederlandse economie. In S. Creemers & D. Herbers (Red), Nederland Handelsland 2023: Export, import & investeringen. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau van de Statistiek.

Bakker, K. (2021). Nederland haalt meer cacaoboter uit Indonesië. Food Business.

Beaufils, T., Ward, H., Jakob, M. & Wenz, L. (2023). Assessing different European Carbon Border Adjustment Mechanism implementations and their impact on trade partners. Communications Earth & Environment, 4(131).

Blom, C., Delahaye, R., Mosterd, R., Prins, F. & Schenau, S. (2023). Compilation of forest accounts for the Netherlands. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Bohn, T., Jaarsma, M., Notten, T. & Wong, K. F. (2022). CO2-grensheffing kan grote kostenpost worden voor industrie. Economische Statistische Berichten, 107(4816), 552–554.

CBI (2022). What is the demand for coffee on the European market? Centre for the promotion of imports from developing countries. Den Haag: Ministerie van Buitenlandse Zaken.

CBS (2019). Nederland grootste importeur cacaobonen. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2021). Inkomsten landbouwsector 1 procent hoger in 2021. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2022a). CO2-equivalenten. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2022b). Broeikasgassen in de Nederlandse economie. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Creemers, S., Ramaekers, P., Visser, C. & Wong, K. F. (2023). Handel met Oekraïne en Rusland vóór en tijdens de Russische invasie. In G. Jukema, P. Ramaekers & P. Berkhout (Red), De Nederlandse agrarische sector in internationaal verband – editie 2023. Wageningen/Heerlen/Den Haag: Wageningen Economic Research en Centraal Bureau voor de Statistiek.

Europese Commissie (2023a). Deforestation.

Europese Commissie (2023b). Farm to Fork strategy.

Europees Parlement (2020). How can international trade contribute to sustainable forestry and the preservation of the world’s forests through the Green Deal? In-depth analysis requested by the INTA Committee.

FAO/UNEP (2020). The State of the World’s Forests 2020. Forests, biodiversity and people. Rome: Food and Agriculture Organization of the United Nations.

Franssen, L., Lemmers, O., Prenen, L. & Wong, K. F. (2020). Het Verenigd Koninkrijk afhankelijker van Europese Unie dan eerder gedacht. Economische Statistische Berichten, 105(4786), 268–271.

Gore, T., Blot, E., Voituriez, T., Kelly, L., Cosbey, A. & Keane, J. (2021). What can climate vulnerable countries expect from the CBAM? Institute for European Environmental Policy.

Göss, 2023. What is the future of Woody Biomass in the EU energy mix?. Energy Post EU.

Jousseaume, M., Menner, M. & Reichert, G. (2021). Damaging to Climate Protection and EU Export Industries: The EU Should Reconsider Its Project of a Carbon Adjustment Mechanism. Centres for European Policy Network.

Kardish, C., Maeder, M., Hellmich, M. & Hall, M. (2021). Which countries are most exposed to the EU’s proposed carbon tariffs? Chatham House, The Royal Institute of International Affairs.

Lamers, J. (2022). Spaanse varkenshouderij groeit door integraties. Nieuwe Oogst.

Lemmers, O. (2015). Who needs MRIOs anyway? An alternative assignment of value added of trade. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Lemmers, O. & Wong, K. F. (2019). Distinguishing Between Imports for Domestic Use and for Re-Exports: A Novel Method Illustrated for the Netherlands. National Institute Economic Review, 249(1), R59‑R67.

Lenzen, M., Geschke, A., Abd Rahman, M. D., Xiao, Y., Fry, J., Reyes, R., Dietzenbacher, E., Inomata, S., Kanemoto, K., Los, B., Moran, D., Schulte in den Baumen, H., Tukker, A., Walmsley, T., Wiedmann, T., Wood, R. & Yamano, N. (2017). The Global MRIO Lab – charting the world economy. Economic Systems Research, 29, 158–186.

Lenzen, M., Geschke, A., West, J., Fry, J., Malik, A., Giljum, S., Canals, L. M., Pinero, P., Lutter, S., Wiedmann, T., Li, M., Sevenster, M., Potočnik, J., Teixeira, I., Voore, M. V., Nansai, K. & Schandl, H. (2021). Implementing the Material Footprint to measure progress towards SDGs 8 and 12. Nature Sustainability, 5, 157–166.

Miller, R. E. & Blair, P. D. (2022). Input-Output Analysis: Foundations and Extensions (3e ed.). New York: Cambridge University Press.

Pauw, P., Schaik, van, L. & Cretti, G. (2022). The CBAM Effect: how the world is responding to the EU’s new climate stick. Den Haag: Clingendael.

Raad van de EU (2023). Raad neemt nieuwe regels aan om ontbossing wereldwijd terug te dringen.

Raad van de EU (2022). CBAM: Commission Proposal.

Ramaekers, P., Wong, K. F. & Bohn, T. (2022). De Nederlandse agrosector. In P. Berkhout, H. van der Meulen & P. Ramaekers (Red), Staat van Landbouw en Voedsel editie 2022. Wageningen/Heerlen/Den Haag: Wageningen Economic Research en Centraal Bureau voor de Statistiek.

Simon, F. (2023). Energy expert: ‘There is a fundamental issue with biomass counting in energy statistics’. Brussel: EURACTIV.

Stockmans, P. (2022). EU blijft ontbossen en bomen verbranden voor “hernieuwbare” energie. Mondiaal Nieuws.

Teeuwen, S., Oldenburger, J., Beerkens, G., Kelder, op den, G. & Maaren, van, G. (2023). Houtproductie en -gebruik in Nederland. Wageningen: Stichting Probos.

WUR (2020). Een circulair voedselsysteem: nut en noodzaak. Wageningen: Wageningen Economic Research.

WUR – Agrimatie (2022a). Relatief lage toegevoegde waarde per arbeidskracht op de primaire bedrijven in de grondgebonden veehouderij. Wageningen: Wageningen University & Research, Wageningen Economic Research.

WUR – Agrimatie (2022b). Toegevoegde waarde intensieve veehouderijcomplex stabiel. Wageningen: Wageningen University & Research, Wageningen Economic Research.

Noten

Het veehouderijcomplex betreft de veehouderijsector, slachterijen, vleesverwerkingsbedrijven en de zuivelindustrie samen. In tegenstelling tot de onderzoeken van Wageningen University & Research maken wij hier geen onderscheid tussen grondgebonden (WUR - Agrimatie, 2022a) en intensieve (WUR - Agrimatie, 2022b) veehouderijcomplexen.

Volgens de CBAM-regeling worden producten van buiten de EU belast, hierbij worden Zwitserland, Noorwegen, IJsland en Liechtenstein voor wat betreft de CBAM-regeling als EU-landen beschouwd en het VK als niet-EU-land. In deze paragraaf volgen de begrippen EU en niet-EU dit concept.

De analyse van de CBAM-invoer in deze paragraaf gebruikt dezelfde bron en methode als in Bohn et al. (2022). Cijfers zijn verkregen door de gegevens van de Nationale Rekeningen met die van de statistiek Internationale Handel in Goederen te combineren, en hierbij worden de cijfers van de Nationale Rekeningen als leidend beschouwd. Quasi-doorvoer (zoals wel in hoofdstuk 1) zit niet in deze cijfers. Zie paragraaf 2.6 voor een verdere beschrijving van de onderzoeksmethode.

Eén CO2-equivalent staat gelijk aan de broeikasgaswerking van de uitstoot van één kilogram CO2. Zo staat de broeikasgaswerking van 1 kilogram methaan gelijk aan die van 25 kilogram CO2, en 1 kilogram lachgas staat gelijk aan 298 kilogram CO2. Zie ook de begrippenlijst van deze publicatie of van CBS (2022a). Voor een uitleg over de methode die gebruikt wordt om de invoervoetafdruk te bepalen op (oorsprongs-)land- en productniveau en een discussie over de plausibiliteit van die gemaakte cijfers, zie paragrafen 5.2 en 5.7 van deze publicatie.

De cijfers over de invoer van hout en houtproducten zijn gebaseerd op de CBS-gegevens van de Nationale Rekeningen en de statistiek Internationale Handel in Goederen. Hierdoor kan het voorkomen dat deze cijfers niet in lijn zijn met de gegevens van de bosbouwrekeningen (Blom et al., 2023), waarbij gebruik wordt gemaakt van CBS-gegevens en correcties van Probos op basis van expertkennis en aanvullende informatie die door Probos wordt verzameld (Teeuwen et al., 2023).

Nederland is wel een grote koffiedrinker met een consumptie van 8,2 kilogram per persoon per jaar. Dat is veel hoger dan het EU-gemiddelde van 5 kilogram. Europa is het continent waar wereldwijd de meeste koffie wordt gedronken (CBI, 2022).

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Nieke Aerts

Marcel van den Berg

Timon Bohn

Sarah Creemers

Dennis Dahlmans

Loe Franssen

Dio Limpens

Angie Mounir

Pascal Ramaekers

Janneke Rooyakkers

Christiaan Visser

Manon Weusten

Khee Fung Wong

Redactie

Sarah Creemers

Janneke Rooyakkers

Manon Weusten

Eindredactie

Janneke Rooyakkers

Manon Weusten

Dankwoord

We danken de volgende personen voor hun constructieve bijdrage aan deze editie van de Internationaliseringsmonitor:

Vasant Bhoendi

Deirdre Bosch

Roel Delahaye

Marjolijn Jaarsma

Tom Notten

Niels Schoenaker

Adam Walker

Chris Wolbers

CBS CCN Logistiek

CBS CCN Redactie en Visualisatie

CBS Vertaalbureau