Duurzaamheid in handelsverdragen: groei en/of groen?
Handelsverdragen worden door de inachtneming van allerlei duurzaamheidsnormen steeds dieper. De grote vraag is in hoeverre deze regels zowel duurzaamheid als de internationale handel beïnvloeden. Passen bedrijven inderdaad hun productie- en handelsprocessen aan wanneer zij in aanraking komen met deze provisies? Heeft dat een toename in de omvang en/of het belang van de groene handel als gevolg? Gaat dat mogelijk ten koste van de totale omvang van de Nederlandse handel en hebben ze daarmee een protectionistisch effect? In dit hoofdstuk onderzoeken we die vragen op basis van Nederlandse import- en exportcijfers over de periode 1996–2021.
4.1Inleiding
Het vorige hoofdstuk heeft een beschrijvend beeld gegeven van de verdieping van handelsverdragen met betrekking tot allerlei bepalingen omtrent arbeids- en milieunormen. De volgende vraag is uiteraard welke gevolgen deze provisies hebben voor de handel. Die vraag valt op zijn beurt weer uit elkaar in twee deelvragen: (1) wat is het effect op de omvang van de internationale handel en (2) wat is het effect op de compositie van de handel. Met dat laatste wordt bedoeld of de handel duurzamer, oftewel groener, wordt. Beide discussies worden doorgaans gevormd door twee alternatieve hypothesen.
Aan de ene kant is er de protectionistische hypothese. Hoofdstuk 3 van deze Internationaliseringsmonitor heeft al uitgelegd dat de vele duurzaamheidsprovisies geoorloofd zijn vanuit het perspectief dat zij een race to the bottom, waarbij productie wordt verplaatst naar het land met de minste regels omtrent duurzame productie, kunnen voorkomen. Aangezien ontwikkelingslanden doorgaans minder strenge regelgeving kennen, raken deze regels hen vaak harder. Dit kan ertoe leiden dat zij minder kunnen exporteren, waardoor zij deze regels als protectionistisch kunnen ervaren. Denk bijvoorbeeld aan regels omtrent gevaarlijke afvalstoffen, ontbossing of de bescherming van de visstand. Hoewel die regels wel degelijk een nobel doel nastreven, is het zeer waarschijnlijk dat zij ook een nadelig effect op de productie en handel kunnen hebben. Vanuit die gedachte is er de aanname dat duurzaamheidsprovisies zullen leiden tot minder handel.
Aan de andere kant is er de Porter hypothese. In 1991 stelde Michael Porter dat strengere regelgeving op het gebied van duurzaamheid juist voor de meest vervuilende bedrijven ook positief zou kunnen uitpakken, omdat dit hen zou stimuleren te innoveren. Dergelijke (duurzame) innovaties kunnen de productiviteit van het bedrijf ten goede komen waardoor zij vervolgens ook meer zouden kunnen gaan handelen (Porter, 1991; Porter & van de Linde, 1995). Zo hebben Van Leeuwen en Mohnen (2017) al eens aangetoond dat milieuwetgeving Nederlandse bedrijven inderdaad aanzet tot groene innovaties. Zij vonden echter slechts beperkt bewijs dat dit ook tot productiviteitsverbeteringen leidde.
De protectionistische hypothese gaat er dus van uit dat er minder gehandeld zal worden, terwijl de Porter hypothese juist meer handel voorspelt. Naast de ‘groei-vraag’ hebben deze hypotheses ook cruciale implicaties voor de ‘groen-vraag’. Met andere woorden, milieuprovisies hebben niet alleen mogelijke gevolgen voor de omvang van de handel, maar ook voor de samenstelling daarvan voor wat betreft duurzame goederen. Volgens de eerste hypothese zal met name de vervuilende handel belemmerd worden, terwijl de Porter hypothese uitgaat van een groei in de groene handel. De investeringen die mogelijk gedaan zullen worden, zullen namelijk naar verwachting in duurzame technologieën, producten en sectoren plaatsvinden.
Daarnaast kan er een anticipatie-effect optreden, waarbij dergelijke regels als een signaal werken voor bedrijven over wat (in de toekomst) gewaardeerd zal worden door de markt en daarmee een competitief voordeel kan leveren. Ook kunnen bedrijven anticiperen dat deze vooralsnog niet-bindende afspraken in de toekomst wel degelijk bindend worden. Bedrijven kunnen ervoor kiezen om al zo vroeg mogelijk te beginnen met een transitie naar duurzamere technologieën, voordat ze te laat zijn. Binnen die context zijn de recente uitspraken van Dombrovskis (huidige Eurocommissaris voor handel) interessant; hij zei dat er in de toekomst mogelijk sancties gaan gelden voor bedrijven die zich niet aan de milieuafspraken houden binnen de EU (Blenkinsop, 2022). Uiteraard sluit de ene hypothese de andere niet uit en kunnen milieuprovisies gevolgen hebben conform beide hypothesen.
Met deze vragen en mechanismen in het achterhoofd gaan we in dit hoofdstuk op zoek naar mogelijke verbanden tussen milieubepalingen in handelsverdragen en de Nederlandse handel in de periode 1996–2021. We kijken daarbij zowel naar de totale waarde als de compositie van de handel, waarbij we gebruikmaken van de duurzaamheidsclassificaties die eerder in hoofdstuk 1 besproken zijn. Het idee is om te kijken of er een verband bestaat tussen (meer) handel onder milieuvereisten en (meer) handel in groene goederen (op basis van de CLEG lijst), of juist minder handel in bruine goederen (op basis van de productlijsten die vallen onder CBAM of koolstofweglekrisico). Het is belangrijk om te benadrukken dat er geen directe theoretische link is tussen provisies enerzijds en handel in groene of bruine goederen anderzijds. Dat is immers niet de directe insteek van de bepalingen, maar kan via de eerder beschreven mechanismes wel degelijk plaatsvinden.
Leeswijzer
In paragraaf 4.2 belichten we de resultaten van eerder onderzoek naar het effect van duurzaamheidsbepalingen op verschillende vormen van duurzaamheid, waaronder goederenhandel. In paragraaf 4.3 stellen we op een beschrijvende manier het verband tussen de bepalingen en de totale omvang en compositie van de Nederlandse goederenimport en -export voor. Vervolgens meten we hun effect door middel van een econometrisch model. In paragraaf 4.4 concluderen we en bespreken we de beperkingen van het huidige onderzoek en de mogelijkheden voor toekomstig onderzoek. Meer informatie over de gebruikte data en methoden kan gevonden worden in paragraaf 4.5.
4.2Effect van milieunormen op de goederenhandel volgens de literatuur
Er is een groeiende wetenschappelijke literatuur die het effect van de groene provisies op duurzaamheid onderzoekt. Een eerste uitdaging daarbij is de manier waarop duurzaamheid afgebakend wordt. Daarbij heeft de literatuur geëxperimenteerd met verschillende benaderingen (proxies) zoals de uitstoot van bepaalde schadelijke gassen (Baghdadi, 2013; Martínez-Zarzoso, 2018), ontbossing (Abman et al., 2021), de luchtkwaliteit (Martínez-Zarzoso & Oueslati, 2018), investeringen in groene technologieën (Van Leeuwen & Mohen, 2017), of een bedrijf wel of geen ISO 14001 certificering bezit (Prakash & Potoski, 2006; Lim & Prakash, 2014) en zelfs het effect van groene provisies in internationale handelsverdragen op de nationale wetgeving daaromtrent (Brandi et al., 2019). In al deze gevallen bleken milieunormen in verdragen een positief effect op duurzaamheid te hebben.
Een van de mogelijke maatstaven van duurzaamheid heeft betrekking op (internationaal) verhandelde producten. Hoofdstuk 1 van deze monitor laat zien dat de internationale handel in goederen volgens verschillende duurzaamheidsclassificaties ingedeeld kan worden naar handel in groene (duurzame) of bruine (vervuilende) goederen. Wanneer deze proxy voor duurzaamheid gebruikt wordt, zien we in de literatuur wederom voornamelijk een positief verband met milieunormen. Zo vinden zowel Brandi et al. (2020) en Ederington et al. (2022) dat de provisies inderdaad leiden tot een vergroening van de export, wat wil zeggen een groter aandeel groene en een kleiner aandeel bruine export. Dit effect was met name meetbaar bij de export door ontwikkelingslanden, zoals verwacht mag worden vanuit het in paragraaf 4.1 geschetste theoretisch kader. Aan de andere kant, vinden Gisselman et al. (2023) geen significant effect van milieuprovisies op zowel de omvang als de compositie van de handel.
De gevolgen van duurzaamheidsprovisies op verschillende dimensies van duurzaamheid lijken volgens de literatuur dus overwegend positief te zijn. Dat roept de vraag op in hoeverre dit ten koste gaat van de totale omvang van de handel. Daarover verschillen de bevindingen. Zo vinden Dai et al. (2021) en Berger et al. (2022) een negatief effect op handel, en wijzen daarmee op een mogelijk protectionistisch effect van de provisies. Een alternatieve verklaring van de daling in de totale omvang van de handel is dat de groene provisies de lokale vraag naar milieuvriendelijke producten stimuleren en zo de export verminderen om aan de lokale marktvraag te voldoen (Dai et al., 2021). Tegenover deze studies staan echter meer onderzoeken die geen effect vinden van de provisies op de totale waarde van de export en import tussen landen waar een duurzaam verdrag van kracht is (Brandi et al., 2020; Gisselman et al., 2023; Ederington et al., 2022; Abman et al., 2021). Daarnaast zijn deze onderzoeken over het algemeen gedetailleerder, zowel wat betreft de gebruikte data als de gehanteerde onderzoeksmethode. Op basis van deze onderzoeken is het dus aannemelijk dat de provisies nauwelijks een protectionistisch effect hebben, terwijl ze over het algemeen vaak wel een positief effect hebben op verschillende dimensies van duurzaamheid.
Als het om de mogelijk protectionistische effecten van duurzaamheidsprovisies gaat, is het onderzoek van Brandi et al. (2020) interessant. Naast het uitgebreid vastleggen van duurzaamheidsprovisies, zoals besproken in hoofdstuk 3, hebben zij deze provisies ook nog ingedeeld naar of zij waarschijnlijk een stimulerend of juist belemmerend effect op de handel hebben. Voor sommige provisies is dit duidelijk. Denk aan het tegengaan van illegale visserij of stroperij of restricties voor de handel in gevaarlijke afvalstoffen. Een voorbeeld van een handelsbevorderende provisie betreft harmonisatie van milieunormen tussen landen. Voor andere regels is deze indeling lastiger te maken, mogelijk omdat de link met handel überhaupt niet evident is. Daarom zijn ook slechts 89 van de 298 provisies ingedeeld als bevorderend of belemmerend.
Figuur 4.2.1 laat zien hoeveel bevorderende en belemmerende provisies van kracht zijn sinds 1952. Ten eerste valt op dat er meer belemmerende dan bevorderende regels zijn, wat de vrees voor de protectionistische gevolgen van deze regels voedt. Verder valt op dat beide provisies wederom stevig gegroeid zijn in de afgelopen twintig jaar. Later in dit hoofdstuk gaan we nog verder in op het onderscheid tussen beide provisies.
| Jaar | Belemmerend | Bevorderend |
|---|---|---|
| 1952 | 0 | 0 |
| 1953 | 0 | 0 |
| 1954 | 0 | 0 |
| 1955 | 0 | 0 |
| 1956 | 0 | 0 |
| 1957 | 0 | 0 |
| 1958 | 1 | 0 |
| 1959 | 1 | 0 |
| 1960 | 1 | 0 |
| 1961 | 1 | 0 |
| 1962 | 2 | 0 |
| 1963 | 2 | 0 |
| 1964 | 3 | 1 |
| 1965 | 3 | 1 |
| 1966 | 3 | 1 |
| 1967 | 3 | 1 |
| 1968 | 3 | 1 |
| 1969 | 5 | 1 |
| 1970 | 7 | 1 |
| 1971 | 9 | 2 |
| 1972 | 10 | 2 |
| 1973 | 20 | 3 |
| 1974 | 21 | 3 |
| 1975 | 21 | 3 |
| 1976 | 21 | 1 |
| 1977 | 22 | 1 |
| 1978 | 23 | 1 |
| 1979 | 23 | 1 |
| 1980 | 23 | 1 |
| 1981 | 23 | 1 |
| 1982 | 23 | 1 |
| 1983 | 23 | 1 |
| 1984 | 23 | 1 |
| 1985 | 23 | 1 |
| 1986 | 24 | 1 |
| 1987 | 28 | 4 |
| 1988 | 28 | 4 |
| 1989 | 28 | 4 |
| 1990 | 28 | 4 |
| 1991 | 36 | 7 |
| 1992 | 37 | 7 |
| 1993 | 57 | 11 |
| 1994 | 78 | 19 |
| 1995 | 97 | 22 |
| 1996 | 96 | 22 |
| 1997 | 96 | 22 |
| 1998 | 124 | 31 |
| 1999 | 135 | 34 |
| 2000 | 152 | 35 |
| 2001 | 152 | 35 |
| 2002 | 160 | 39 |
| 2003 | 166 | 48 |
| 2004 | 93 | 28 |
| 2005 | 100 | 28 |
| 2006 | 105 | 28 |
| 2007 | 86 | 23 |
| 2008 | 103 | 35 |
| 2009 | 113 | 37 |
| 2010 | 120 | 42 |
| 2011 | 134 | 52 |
| 2012 | 142 | 58 |
| 2013 | 204 | 79 |
| 2014 | 226 | 91 |
| 2015 | 233 | 95 |
| 2016 | 264 | 111 |
| 2017 | 304 | 132 |
| 2018 | 304 | 132 |
| 2019 | 371 | 169 |
| 2020 | 410 | 192 |
| 2021 | 435 | 201 |
| 2022 | 435 | 201 |
Voor ons onderzoek bouwen we met name verder op de studies van Brandi et al. (2020) en Gisselman et al. (2023), beiden gebaseerd op wereldwijde bilaterale handelsdata. Het enige verschil is dat wij in tegenstelling tot deze twee studies alleen data voor Nederland gebruiken, en daarmee niet de handel tussen derde landen in kaart kunnen brengen. Echter, een belangrijk voordeel van onze handelsdata is dat ze uit te breiden zijn met informatie over de handelsactiviteiten en kenmerken van individuele bedrijven zoals bedrijfstak, omvang en productiviteit. Dit biedt veel aanknopingspunten voor verder onderzoek. Doordat de twee bovengenoemde onderzoeken uiteenlopen in termen van bevindingen, kunnen we niet op basis daarvan een eenduidige hypothese vormen. Waar Brandi et al. (2020) een significant positief effect vinden op de compositie van de handel, vinden Gisselman et al. (2023) geen effect. Daar staat tegenover dat ze allebei geen significant effect vinden op de omvang van de handel.
4.3Milieunormen en de ontwikkeling van de Nederlandse goederenhandel
In de voorgaande hoofdstukken van deze monitor zijn zowel de compositie en de omvang van de Nederlandse goederenhandel volgens verschillende duurzaamheidsclassificaties als de duurzaamheidsprovisies in verdragen ieder afzonderlijk besproken. In deze paragraaf brengen we de twee aspecten samen. Figuur 4.3.1 toont de ontwikkeling van de totale Nederlandse handelswaarde onder duurzame verdragen in de jaren 1996–2021. Een duurzaam verdrag is daarbij een verdrag met milieunormen. Zo ontwikkelden de import- en exportwaarde zich op een vergelijkbare wijze. De groei van de waarde van de handel onder duurzame verdragen komt zowel door de algemene groei van de wereldhandel, als door de trend dat duurzame handelsverdragen steeds vaker voorkomen.
| jaar | Import | Export |
|---|---|---|
| 1996 | 79,9 | 108,3 |
| 1997 | 86,7 | 118,7 |
| 1998 | 91,3 | 128,9 |
| 1999 | 116,3 | 162,2 |
| 2000 | 132,0 | 198,8 |
| 2001 | 133,9 | 207,7 |
| 2002 | 130,5 | 197,7 |
| 2003 | 132,2 | 199,1 |
| 2004 | 141,3 | 215,9 |
| 2005 | 156,3 | 236,0 |
| 2006 | 176,4 | 266,0 |
| 2007 | 194,0 | 287,5 |
| 2008 | 213,2 | 309,9 |
| 2009 | 174,0 | 256,4 |
| 2010 | 204,7 | 305,4 |
| 2011 | 228,7 | 338,5 |
| 2012 | 241,6 | 350,5 |
| 2013 | 248,1 | 354,4 |
| 2014 | 243,9 | 354,7 |
| 2015 | 239,0 | 341,4 |
| 2016 | 234,1 | 343,8 |
| 2017 | 262,7 | 381,5 |
| 2018 | 283,1 | 403,8 |
| 2019 | 304,8 | 419,9 |
| 2020 | 289,0 | 398,0 |
| 2021 | 357,1 | 490,0 |
Figuur 4.3.2 toont de ontwikkeling van het aandeel van de goederenhandel dat onder een duurzaam verdrag valt voor de periode 1996–2021. Dat aandeel was relatief stabiel voor zowel de import als de export. In het geval van de import fluctueerde het rond de 65 procent en voor de export varieerde het tussen de 75 en 83 procent in de jaren 1996–2021. Dat de meerderheid van de handel onder een duurzaam verdrag plaatsvindt, is grotendeels het gevolg van het belang van de EU als handelspartner.
| jaar | Import | Export |
|---|---|---|
| 1996 | 67,1 | 84,6 |
| 1997 | 65,8 | 84,1 |
| 1998 | 63,5 | 85,2 |
| 1999 | 66,3 | 86,2 |
| 2000 | 62,9 | 85,8 |
| 2001 | 63,1 | 86,1 |
| 2002 | 65,1 | 85,0 |
| 2003 | 65,3 | 85,1 |
| 2004 | 63,1 | 84,5 |
| 2005 | 62,6 | 84,0 |
| 2006 | 61,8 | 83,4 |
| 2007 | 63,1 | 82,7 |
| 2008 | 63,5 | 83,6 |
| 2009 | 63,5 | 82,9 |
| 2010 | 61,7 | 82,2 |
| 2011 | 62,7 | 82,7 |
| 2012 | 62,0 | 81,6 |
| 2013 | 64,2 | 81,8 |
| 2014 | 63,8 | 81,8 |
| 2015 | 64,2 | 81,5 |
| 2016 | 63,5 | 81,2 |
| 2017 | 64,2 | 81,6 |
| 2018 | 64,2 | 81,1 |
| 2019 | 66,3 | 81,5 |
| 2020 | 68,2 | 82,5 |
| 2021 | 67,8 | 83,2 |
Groene handelsstromen komen even vaak voor onder duurzame verdragen als bruine stromen
Figuur 4.3.3 toont het aandeel van de (groene/bruine) handel dat onder een duurzaam verdrag viel in 2021. In 2021 viel ruim 65 procent van de goederenimport en 83 procent van de goederenexport onder een duurzaam verdrag. Het aandeel van de handel (import of export) dat onder een duurzaam verdrag valt, verandert nauwelijks als we inzoomen op de groene of de bruine handel. Met andere woorden, groene handelsstromen vinden relatief gezien even vaak plaats onder duurzame verdragen als bruine stromen. Ook in het geval van groene en bruine handel bleef het aandeel onder duurzame verdragen stabiel in de jaren 1996–2021. Het resultaat daarvan is terug te zien in de stabiliteit van het aandeel totale handel onder duurzame verdragen in figuur 4.3.2.
| Wel duurzaam verdrag | Geen duurzaam verdrag | ||
|---|---|---|---|
| Import | Totaal, Import | 68,3 | 31,7 |
| Import | Groen, Import | 65,8 | 34,2 |
| Import | Bruin, Import | 67,2 | 32,8 |
| Export | Totaal, Export | 84,5 | 15,5 |
| Export | Groen, Export | 82,9 | 17,1 |
| Export | Bruin, Export | 88,0 | 12,0 |
Een kwart van de handelswaarde zijn bruine goederen
In figuur 4.3.4 kijken we naar de samenstelling van de import en export onder duurzame verdragen in 1996 en 2021: hoeveel van de Nederlandse handel onder een duurzaam verdrag bestaat in deze twee jaar uit groene en/of bruine goederen. Zo zijn groene goederen goed voor 5 procent van de import en export onder een duurzaam verdrag in 2021. Voor bruine goederen is dat een kwart van de waarde van de handel. De resterende 70 procent van de handel bestaat uit overige goederen, oftewel goederen die niet volgens de hier gebruikte classificaties als groen of bruin worden gecategoriseerd. Deze samenstelling lijkt ook stabiel te zijn in de periode 1996–2021, met een lichte daling van 7 naar 5 procent voor het importaandeel van groene goederen.
| Jaar | Groen | Bruin | Overig |
|---|---|---|---|
| Import | . | . | . |
| 2021 | 5,3 | 23,9 | 70,8 |
| 1996 | 7,1 | 22,9 | 70,1 |
| Export | . | . | . |
| 2021 | 4,5 | 24,1 | 71,4 |
| 1996 | 4,9 | 22,9 | 72,2 |
In wat volgt gaan we specifiek op zoek naar statistische verbanden tussen de duurzaamheidsprovisies aan de ene kant en zowel de totale waarde (eerst import, dan export) als ook de compositie van de handel aan de andere kant. We bouwen dit stapsgewijs op, beginnend met correlaties gevolgd door een econometrisch model dat rekening houdt met verschillen tussen landen en goederen. Daarna worden verschillende robuustheidscontroles uitgevoerd (zie paragraaf 4.5 voor een beschrijving van dit model).noot1
Gevolgen van duurzaamheidsprovisies op het eerste oog protectionistisch
Een eerste blik op de data toont dat er een duidelijke negatieve correlatie bestaat tussen het aantal milieunormen en de waarde van de goederenhandel. Zo blijkt de correlatie tussen het aantal milieunormen aan de ene kant en de totale importwaarde in de periode 1996–2021 met –0,02 zwak maar significant negatief te zijn. Ook het verband tussen het aantal milieunormen en de exportwaarde in de jaren 1996–2021 blijkt met een statistisch significante correlatie van –0,03 negatief te zijn. Hoe meer milieunormen hoe minder goederenhandel dus, zowel wat betreft import als export. Deze resultaten betreffen echter eenvoudige correlaties en houden dus geen rekening met verschillen tussen goederen en handelspartners en overige aspecten van de betreffende handelsverdragen. Milieunormen lijken in het geval van de Nederlandse handel dus gemiddeld een licht protectionistisch effect te hebben.
Grote verschillen in gevolgen milieunormen tussen landen met verschillende inkomensniveaus
Het bovengenoemde negatieve verband tussen het aantal milieunormen in een verdrag en de waarde van de handel met de betreffende handelspartners is verre van homogeen. Zo lijkt de negatieve correlatie in het geval van de import vooral aanwezig te zijn in het geval van handel met lage en middeninkomenslanden. Onder hoge inkomenslanden is deze correlatie juist significant positief. Milieunormen lijken dus een protectionistisch effect te hebben als het gaat om de import uit lage en middeninkomenslanden en een handelsbevorderend effect bij import uit hoge inkomenslanden.
Bij import uit lage inkomenslanden geldt de bovengenoemde negatieve correlatie enkel bij de import van bruine goederen. Dit suggereert dat de duurzaamheidsprovisies inderdaad het gewenste effect hebben: zij verminderen de import van met name bruine goederen uit deze landen. Onder middeninkomenslanden is de correlatie tussen milieunormen en de importwaarde voor zowel de groene als de bruine goederen negatief. Het negatieve verband tussen de milieunormen en de import van bruine goederen uit deze landen is echter aanzienlijk sterker dan het verband tussen dezelfde milieunormen en de import van groene goederen.
Protectionistisch effect blijft in stand op basis van het econometrisch model
Natuurlijk zijn er vele andere factoren die de correlatie tussen de duurzaamheidsnormen en de handel kunnen beïnvloeden. Daarom passen we een econometrisch model toe dat gebaseerd is op de methode van Brandi et al. (2020) en dat rekening houdt met verschillen tussen landen, goederen en jaren. Dit model toont in eerste instantie wederom dat het effect van de provisies op de totale importwaarde overwegend negatief is. Ook de heterogeniteit tussen landen van verschillende inkomensgroepen wordt hier weer duidelijk. Zo zien we namelijk dat dit negatieve effect gedreven wordt door import uit hogere inkomenslanden. Het verband tussen de waarde van de import uit lage inkomenslanden en het aantal milieunormen, in tegenstelling tot de correlaties, is juist positief. Dit komt met name doordat het verband tussen de waarde van de groene import en het aantal milieunormen significant positief is. Bij bruine import uit deze landen vinden we ook een significant positief effect, maar aanzienlijk kleiner dan het effect op de groene handel. Duurzame verdragen lijken voor deze groep landen dus een handelsbevorderend effect te hebben. Dat ook de waarde van de bruine import omhoog gaat zou een gevolg kunnen zijn van het handelsbevorderende effect van een handelsverdrag op zich.
Resultaten voor een groot deel gedreven door atypische verdrag van de EU
Voor hoge en middeninkomenslanden wijst het model in eerste instantie op een significant negatief verband tussen milieunormen en de importwaarde, zowel op totaalniveau als uitgesplitst naar groen en bruin. Dit effect verdwijnt volledig als we het EU-verdrag uitsluiten en het model enkel toepassen op (extra-EU) handel onder de resterende verdragen. De bovengenoemde bevindingen met betrekking tot import uit lage inkomenslanden zijn robuust voor het uitsluiten van het verdrag van de EU. Het negatieve verband voor hoge (waaronder de EU) en middeninkomenslanden tussen milieunormen en de importwaarde, lijkt dus een gevolg te zijn van de atypische aard van het verdrag van de EU.
De atypische aard van het EU-verdrag kwam ook in hoofdstuk 3 al aan bod. Dit verdrag bevat relatief weinig groene provisies. Zo valt dat verdrag in de laagste 30 procent van alle verdragen van toepassing op de Nederlandse handel in termen van het aantal groene provisies. Dit komt omdat de EU wet- en regelgeving rondom duurzaamheid in andere vormen, buiten het verdrag om, vastlegt. Extra voorzichtigheid is daarom geboden bij het interpreteren van de resultaten als deze inclusief de EU zijn. Een extra robuustheidscheck zoals het bovengenoemde is daarom essentieel om de kwaliteit van de resultaten te verifiëren. In het resterende gedeelte van deze paragraaf rapporteren we alleen overeenkomende resultaten uit beide datasets, namelijk de volledige en de dataset exclusief de EU.
Milieunormen vooral relevant voor Nederlandse export naar hoge inkomenslanden als ze belemmerend zijn
Een laatste toevoeging aan het model is dat we ook de onderverdeling van provisies in belemmerende en bevorderende provisies meenemen. Bij handel met hoge inkomenslanden zien we dan inderdaad het verwachte patroon. Dat wil zeggen dat de totale import- en exportwaarde van zowel groene, bruine als de totale handel negatief wordt beïnvloed door handelsbelemmerende provisies en positief door handelsbevorderende provisies. Bij de landen uit de andere inkomensgroepen zien we geen duidelijk beeld. Wanneer we de EU weer buiten de analyses laten blijft dit effect overeind, maar alleen voor de export naar hoge inkomenslanden. Wat verder opvalt is dat het positieve effect van de provisies voor de lage inkomenslanden verdwijnt als we ook controleren voor de specifieke aard van een deel van de provisies.
Handel met lage inkomenslanden groener onder invloed van duurzaamheidsprovisies in handelsverdragen
In plaats van de waarde van de (totale/groene/bruine) handel zelf, kijken we in wat volgt naar de aandelen van de groene en bruine handel in de totale waarde van de handel met onze verschillende handelspartners in de periode 1996–2021. Door te kijken naar deze aandelen krijgen we zo een directere maatstaf voor de algemene duurzaamheid van de goederenhandel. We zien dat een toename in het aantal groene provisies in duurzame verdragen in de periode 1996–2021 gepaard ging met een significante stijging van het aandeel groene import in de totale Nederlandse import uit lage inkomenslanden. Tevens zien we bij deze groep landen een significante afname van het aandeel bruine goederen in de totale exportwaarde vanuit Nederland. Het rekening houden met het atypische verdrag van de EU alsook de mogelijk handelsbeïnvloedende aard van de provisies maakt deze specifieke verbanden wel weer insignificant, maar daar staat tegenover dat het aandeel bruine import dan ook significant afneemt. De resultaten zijn dus ietwat diffuus, maar wijzen desondanks op een vergroening van de handel met landen uit de lage inkomensgroep. Bij de landen uit de andere inkomensgroepen zien we überhaupt geen significant verband.
4.4Samenvatting en conclusie
Dit hoofdstuk brengt de omvang en compositie van de Nederlandse handel naar groene en bruine goederen en de duurzaamheidsprovisies in verdragen samen en onderzoekt het verband tussen de twee. Zo was het aandeel van de handel dat plaatsvond onder een duurzaam verdrag gedurende de periode 1996–2021 relatief stabiel voor zowel de import als de export. Verder blijken groene handelsstromen relatief gezien even vaak plaats te vinden onder duurzame verdragen als bruine stromen. Niet alleen het aandeel handel onder een duurzaam verdrag, maar ook de samenstelling van deze handel bleef relatief stabiel in de periode 1996–2021.
Naast een beschrijvende analyse, maakt dit hoofdstuk gebruik van een econometrisch model om het verband tussen de waarde en samenstelling van de handel aan de ene kant en het aantal milieunormen in verdragen aan de andere kant in kaart te brengen. Aan de hand van verschillende metingen komt daar uiteindelijk een vrij duidelijk beeld naar voren.
Ten eerste vinden we geen eenduidig bewijs dat de duurzaamheidsprovisies een protectionistisch effect zouden hebben. Anders gezegd: volgens onze analyses hebben de provisies geen protectionistisch effect. Alhoewel initiële analyses wel zouden wijzen op een dergelijk effect blijkt dit na verschillende controles, bijvoorbeeld voor de atypische aard van het verdrag van de Europese Unie of de handelsbelemmerende of bevorderende aard van specifieke provisies, dat dit effect niet standhoudt.
Ten tweede vinden we nauwelijks een effect van de provisies op de vergroening van de handel, met als belangrijke uitzondering de handel met lage inkomenslanden. Bij deze groep landen wordt de handel over het algemeen groener en/of minder bruin in de aanwezigheid van duurzaamheidsprovisies. Deze bevindingen komen grotendeels overeen met die van Brandi et al. (2020), die ook een vergroening van de handel van de minst ontwikkelde landen observeerden. Dat is aannemelijk aangezien het vaak de minder ontwikkelde landen zijn waar duurzaamheidsvereisten in eerste instantie lager liggen dan die wat onder het verdrag zijn afgesproken. Wel moet bij deze resultaten worden opgemerkt dat de bevindingen over het algemeen beperkt statistisch significant zijn. Zo vinden we geen significante verbanden tussen de samenstelling van de export en de import en het aantal groene normen in verdragen voor hoge- en middeninkomenslanden. Ook de significante resultaten met betrekking tot een vergroening van de handel met lage inkomenslanden is niet in alle mogelijke specificaties robuust. Daarmee sluiten we meer aan bij Gisselman et al. (2020), die geen enkel verband vonden tussen de provisies en zowel de totale waarde als de compositie van de handel.
Beperkingen van het huidige onderzoek …
Ten eerste kan er een mismatch bestaan tussen de focus van de groene provisies en de gebruikte afbakening van groene en bruine handel die van invloed is op de uiteindelijke resultaten. Normen die over het stimuleren van hernieuwbare energie of over het voorkomen van watervervuiling gaan, zouden de handel in goederen ingezet in de productie van hernieuwbare energie of voor het zuiveren van water kunnen stimuleren. Dit zijn echter vaak goederen die als groen (onder de CLEG-indeling) én als bruin (onder CBAM of koolstofweglekrisico) worden geclassificeerd. Groen vanwege hun rol in het verduurzamingsproces en bruin vanwege de relatief vervuilende aard van hun productieproces. Een duidelijkere scheiding tussen groene en bruine goederen is essentieel om een zuivere analyse te doen van het effect van milieunormen op de waarde en samenstelling van de handel. Het maken van dergelijke verbeterde classificaties valt echter buiten dit onderzoek.
Verder gebruiken studies in de literatuur vaak een uitgebreidere dataset en een langere tijdreeks dan het huidige onderzoek. Zo maken Brandi et al. (2020) bijvoorbeeld gebruik van COMTRADE data, dat is een matrix van bilaterale handelsstromen tussen landen voor de jaren 1984–2016. Zo’n dataset bevat naast de handel tussen een EU-land als Nederland en de rest van de wereld, ook handelsstromen waarvan beide partijen ontwikkelingslanden zijn. Dit zorgt voor meer variatie in de data en zou wellicht tot verdere inzichten kunnen leiden. Echter, onze dataset focust op Nederland, wat als voordeel heeft dat het makkelijk uit te breiden is naar een microdataset met informatie over de bedrijven achter de goederenhandel.
… En mogelijkheden voor verder onderzoek
Dit hoofdstuk dient namelijk als opstapje tot een vervolgonderzoek waarin de bedrijvendimensie van het verband tussen duurzame handelsverdragen en de handel verder wordt onderzocht. Hoe beïnvloeden duurzame handelsverdragen de keuze van een bedrijf om te innoveren of om te starten/stoppen met exporteren? Zijn bedrijven sneller geneigd om een ISO-certificaat te behalen als hun handel onder een duurzaam verdrag valt? Dit zijn voorbeelden voor onderzoeksvragen die op basis van zo’n uitgebreide microdataset te beantwoorden zijn. Inzichten opgedaan in dit onderzoek omtrent het verband tussen milieunormen en de handel op een geaggregeerd niveau in het algemeen en de beperkingen van de huidige proxy van verduurzaming (milieugoederen), zijn zeer waardevol in een vervolgonderzoek gebaseerd op bedrijvendata. Zo biedt zo’n microdataset de mogelijkheid om alternatieve proxies voor verduurzaming te ontwikkelen, bijvoorbeeld of een bedrijf een ISO-certificaat of een groen patent bezit.
4.5Data en methoden
We gebruiken voor dit onderzoek data over de internationale handel in goederen voor de periode 1996–2021. Deze data is op product- (op GN, Gecombineerde Nomenclatuur, 8‑digit codes), land- en jaarniveau. Vervolgens koppelen we hier de informatie over de milieunormen aan die in hoofdstuk 3 al besproken zijn. Deze koppeling vindt plaats op land en jaar. Om onderscheid te kunnen maken tussen groene goederen en bruine goederen, maken we gebruik van drie van de classificaties besproken in hoofdstuk 1 van deze Internationaliseringsmonitor. Voor groene goederen gebruiken we namelijk de CLEG-lijst en voor bruine goederen gebruiken we een combinatie van de CBAM- en koolstofweglekrisico-classificatie. Deze lijsten worden op jaar en productcode aan het bestand gekoppeld.
Deze dataset staat ons toe om te onderzoeken of er een significant verband bestaat tussen duurzaamheidsprovisies in handelsverdragen met landen waarmee Nederland handelt en de waarde en compositie van de handel met die landen. We volgen hierin de methode van Brandi et al. (2020) en Gisselman et al. (2023). Voor de vraag of er een significant verband is tussen het aantal milieunormen in een verdrag en de ontwikkeling van de waarde van de handel onder dat verdrag, maken we gebruik van het volgende model:
In dit model staat voor de waarde van de (totale/groene/bruine) goederenhandel (import/export) van product p met land l in jaar t. is het aantal milieunormen van toepassing op de handel met land l in jaar t. is een maat van de diepte van het verdrag van toepassing op de handel met land l in jaar t. Deze variabele hangt vaak sterk samen met het aantal milieuprovisies. Door te controleren voor de diepte van het verdrag, los van de duurzaamheid daarvan, houden we rekening met de (vaak handelsbevorderende) gevolgen van het hebben van een handelsverdrag. Merk op dat de correlatie tussen ENVPROV en DIEPTE geen collineariteit in het model veroorzaakt. Verder bevat het model verschillende fixed effects, namelijk voor producten, voor landen en voor jaren.
Naast dit basismodel schatten we ook expliciet het effect van handelsbelemmerende en handelsbevorderende provisies middels het volgende model:
In dit model staat voor het aantal handelsbevorderende provisies in het verdrag van toepassing op de handel met land l in jaar t. staat voor het aantal handelsbelemmerende provisies in het verdrag met land l in jaar t.
Om het verband tussen de aandelen van groene en bruine goederen in de totale handelswaarde en het aantal milieunormen te schatten, maken we gebruiken van een linear probability model, oftewel een probit model geschat met OLS. Dit model heeft de volgende vorm:
is het aandeel van groene (bruine) goederen in de totale waarde van de export (import) naar (van) land l in jaar t.
4.6Literatuur
Literatuur
Berger, A., Brandi, C., Morin, J. F. & Schwab, J. (2020). The trade effects of environmental provisions in preferential trade agreements. In C. Beverelli, J. Kurtz & D. Raess (Red), International Trade, Investment, and the Sustainable Development Goals. Cambridge University Press.
Blenkinsop, P. (2023) EU to sanction trade partners that flout green, labour values. Reuters.
Brandi, C., Schwab, J., Berger, A. & Morin, J. F. (2020). Do environmental provisions in trade agreements make exports from developing countries greener? World Development, 129, 104899.
Brandi, C., Blümer, D. & Morin, J. F. (2019). When do international treaties matter for domestic environmental legislation? Global Environmental Politics, 19(4), 14–44.
Dai, Z., Zhang, Y. & Zhang, R. (2021). The Impact of environmental regulations on trade flows: A focus on environmental goods listed in APEC and OECD. Frontiers in Psychology, 12, 773749.
Ederington, J., Paraschiv, M. & Zanardi, M. (2022). The short and long-run effects of international environmental agreements on trade. Journal of International Economics, 139, 103685.
Gisselman, F., Merkus, E. & Norell, N. (2023). The Role of Trade in the Green Transition-regional trade agreements and environmental goods provisions. Kommerskollegium.
Leeuwen, van, G. & Mohnen, P. (2017). Revisiting the Porter hypothesis: an empirical analysis of green innovation for the Netherlands. Economics of Innovation and New Technology, 26(1–2), 63–77.
Lim, S. & Prakash, A. (2014). Voluntary regulations and innovation: The case of ISO 14001. Public Administration Review, 74(2), 233–244.
Martínez-Zarzoso, I. & Oueslati, W. (2018). Do deep and comprehensive regional trade agreements help in reducing air pollution? International Environmental Agreements: Politics, Law and Economics, 18, 743–777.
Porter, M. E. (1991). Towards a dynamic theory of strategy. Strategic Management Journal, 12(S2), 95–117.
Porter, M. E. & Linde, van der, C. (1995). Toward a New Conception of the Environment-Competitiveness Relationship. Journal of Economic Perspectives, 9(4), 97–118.
Prakash, A. & Potoski, M. (2006). Racing to the bottom? Trade, environmental governance, and ISO 14001. American journal of political science, 50(2), 350–364.
Noten
Alle econometrische resultaten kunnen worden opgevraagd bij de auteurs.