Arbeidsomstandigheden
Dit hoofdstuk beschrijft de werkomstandigheden van werknemers en hoe deze zich de afgelopen jaren hebben ontwikkeld. Samen met TNO wordt onder werknemers van 15 tot 75 jaar jaarlijks de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) gehouden. Een soortgelijk onderzoek onder zelfstandig ondernemers voeren CBS en TNO tweejaarlijks uit met de Zelfstandigen Enquête Arbeid (ZEA). Beide onderzoeken vormen een belangrijke aanvulling op het arbeidsmarktonderzoek Enquête beroepsbevolking (EBB) van het CBS. Omdat er in 2024 geen ZEA is afgenomen onder zelfstandigen, gaat het in dit hoofdstuk vooral over werknemers. De meest recente uitkomsten van de ZEA hebben betrekking op het verslagjaar 2023. Deze zijn eerder onder meer gepresenteerd in het hoofdstuk over arbeidsomstandigheden in De arbeidsmarkt in cijfers 2023. De informatie in dit hoofdstuk over ziekteverzuim naar bedrijfstak komt uit de Kwartaalenquête ziekteverzuim van het CBS.
Hoewel bijna 8 op de 10 werknemers (77 procent) tevreden zijn met hun werk, ervaren veel van deze werknemers werkomstandigheden die zowel lichamelijk als psychisch belastend kunnen zijn. In 2024 gaf 37 procent van de werknemers aan zwaar lichamelijk werk te doen. Dit aandeel ligt wat hoger onder mannen dan onder vrouwen. Zwaar lichamelijk werk kan bestaan uit werk waarbij veel krachtsinspanning nodig is, werken met trillingen en geluid, met herhaalde bewegingen of in een oncomfortabele werkhouding. Ook gaven werknemers aan dat ze gemiddeld 4,4 uren per dag achter een beeldscherm werkten. Dit kan ook gevolgen hebben voor de gezondheid.
Naast fysieke belasting speelt psychische belasting een belangrijke rol bij arbeidsomstandigheden. In 2024 had 1 op de 3 werknemers naar eigen zeggen vaak of altijd werkdruk. Ook situaties zoals beperkte zelfstandigheid, emotionele belasting, discriminatie en ander ongewenst gedrag kwamen regelmatig voor. Vrouwen hadden over het algemeen meer last van werkdruk, minder zelfstandigheid, grotere emotionele belasting en vaker te maken met ongewenst gedrag dan mannen. De impact van werk op de mentale gezondheid blijkt uit het feit dat 1 op de 5 werknemers last had van psychische vermoeidheid, een verschijnsel dat de afgelopen jaren is toegenomen.
Het ziekteverzuimpercentage was in 2024 vergelijkbaar met 2023, maar is sinds 2014 toegenomen. Oudere werknemers verzuimden gemiddeld meer werkdagen dan jongere werknemers, ondanks dat ze niet veel vaker ziek zijn. Verzuim kwam vaker voor bij werkomstandigheden met een hoge psychische werkbelasting, zoals situaties van discriminatie en pesten. Wanneer gekeken wordt naar de directe effecten van werk op gezondheid, blijkt dat het aandeel werknemers dat niet-dodelijke en dodelijke arbeidsongevallen rapporteerde in 2024 gelijk is gebleven ten opzichte van 2023, waarbij het aandeel dodelijke arbeidsongevallen sinds 2019 is afgenomen. Hiermee heeft Nederland minder arbeidsongevallen dan andere landen in Europa. Ten slotte is het aandeel werknemers dat naar eigen zeggen te maken had met beroepsziekten – ziekten die tijdens het werk zijn ontstaan – de laatste jaren gelijk gebleven.
37 procent van de werknemers verricht lichamelijk zwaar werk
In 2024 gaf 37 procent van de werknemers aan regelmatig lichamelijk zwaar werk te doen. Dit percentage is vrijwel gelijk aan dat van afgelopen jaren.
In 2024 deed 20 procent van de werknemers werk waarbij naar eigen zeggen veel krachtsinspanning nodig was, bijvoorbeeld: tillen, duwen, trekken of sjouwen. Dit geldt ook voor het werken met gereedschap of apparaten die veel krachtsinspanning vereisen. Mannen deden vaker dit soort werk dan vrouwen (22 tegen 18 procent). In bepaalde bedrijfstakken kwam dit zware werk vaker voor. Vooral in de bouwnijverheid, landbouw en visserij, handel, en vervoer en opslag moest een hoger aandeel werknemers vaak veel kracht gebruiken.
| Bedrijfstak | Krachtsinspanning leveren |
|---|---|
| Bouwnijverheid | 33,2 |
| Landbouw en visserij | 33 |
| Handel | 29,9 |
| Vervoer en opslag | 27,6 |
| Zorg | 26,6 |
| Industrie | 23,8 |
| Horeca | 23 |
| Cultuur, recreatie en overige diensten |
18,1 |
| Zakelijke dienstverlening | 12,3 |
| Openbaar bestuur | 6,1 |
| Verhuur/ handel onroerend goed |
4,8 |
| Onderwijs | 4,6 |
| Informatie en communicatie |
2,7 |
| Financiële dienstverlening | 0,6 |
| Bron: CBS, TNO | |
StatLine: Regelmatig veel kracht zetten.
Iets meer werknemers ervaren regelmatig lawaai op de werkplek
In 2024 had een iets hoger percentage werknemers regelmatig te maken met geluid op de werkplek dan in 2023, terwijl dit percentage sinds 2019 juist afnam. Zo gaf 7 procent van de werknemers aan dat het lawaai op de werkplek zó luid was dat ze regelmatig hard moesten praten om zichzelf verstaanbaar te maken. In 2023 was dit 6 procent. Het aandeel werknemers dat last had van trillingen en schudden door het gebruik van gereedschap, apparaten en voertuigen bleef vrijwel gelijk in vergelijking met 2023. Vanaf 2017 nam dit juist af.
| Jaar | Hard praten | Trillingen |
|---|---|---|
| 2014 | 6,7 | 8,7 |
| 2015 | 7,0 | 8,9 |
| 2016 | 7,2 | 9,0 |
| 2017 | 7,5 | 9,5 |
| 2018 | 7,5 | 8,6 |
| 2019 | 7,8 | 8,6 |
| 2020 | 6,7 | 8,1 |
| 2021 | 6,7 | 8,2 |
| 2022 | 6,5 | 7,5 |
| 2023 | 6,4 | 7,3 |
| 2024 | 7,1 | 7,7 |
| Bron: CBS, TNO | ||
StatLine: Geluid en trillingen.
Werknemers doen iets vaker gevaarlijk werk
In 2024 gaf een iets hoger percentage werknemers aan vaak gevaarlijk werk te doen dan in 2023 (14 tegen 13 procent). Vergeleken met 2019, dus voor de coronapandemie, rapporteerde een lager percentage werknemers vaak gevaarlijk werk.
Gevaarlijk werk gaat om situaties waarin werknemers minstens één van de volgende risico’s lopen. Denk bijvoorbeeld aan een val bij het werken op grote hoogtes of ongelukken bij het werken met machines of materialen. Sommige werknemers werken met scherpe gereedschappen of apparaten, waardoor ze zich kunnen snijden of steken. Anderen werken met voertuigen of machines, en hebben dus meer risico op botsingen of aanrijdingen. Ook werken sommigen met gevaarlijke stoffen, die bij een ongeluk schadelijk kunnen zijn. In sommige werksituaties kunnen werknemers geconfronteerd worden met geweld. Ook brandwonden en het risico op verstikking behoren tot de gevaren waar sommige werknemers mee te maken hebben.
| Jaar | Doet vaak gevaarlijk werk |
|---|---|
| 2018 | 15,5 |
| 2019 | 15,6 |
| 2020 | 12,8 |
| 2021 | 13,4 |
| 2022 | 13,5 |
| 2023 | 12,7 |
| 2024 | 13,6 |
| Bron: CBS, TNO | |
StatLine: Gevaarlijk werk.
In 2024 gaf 7 procent van de werknemers aan regelmatig met of dichtbij stoffen te werken die ongezond kunnen zijn. Dit zijn stoffen die een werknemer ziek kunnen maken of een allergische reactie kunnen veroorzaken als ze worden ingeademd, ingeslikt of als ze op de huid terechtkomen. Naast het werken met deze gevaarlijke stoffen, gaf bijna de helft van de werknemers (45 procent) aan risico te lopen om tijdens het werk besmet te raken met een bacterie of virus. In 2023 was dit percentage ongeveer gelijk, maar in 2022 ging het nog om iets meer dan de helft van de werknemers. Ongeveer 13 procent van alle werknemers gaf aan het risico te lopen om besmet te worden via contact met patiënten en 33 procent via contact met andere mensen.
Arbeidsomstandigheden en Arbobeleid
Werkgevers zijn wettelijk verplicht om te zorgen voor een veilige en gezonde werkomgeving voor hun werknemers. Deze verplichting is vastgelegd in de Arbowet, het Arbobesluit en de Arboregeling. Elk bedrijf moet een arbobeleid voeren dat is afgestemd op de specifieke risico’s en omstandigheden binnen de organisatie. In het Arbobeleid staan alle maatregelen die een werkgever neemt om te zorgen voor de veiligheid en gezondheid van werknemers. Voorbeelden hiervan zijn het voorkomen van arbeidsongevallen, het beperken van gezondheidsrisico’s en het beschermen van werknemers tegen zowel fysieke als mentale overbelasting.
Het opstellen van een Risico-Inventarisatie en -Evaluatie (RI&E) is een belangrijk onderdeel van het Arbobeleid. Hiermee worden de risico’s voor de veiligheid en gezondheid van werknemers in kaart gebracht. Ook wordt een plan van aanpak gemaakt om deze risico’s te minimaliseren. Samenwerking met een arbodienst of bedrijfsarts is verplicht om werknemers goed te ondersteunen. Zo telde het CBS eind 2024 in totaal 3 850 bedrijven in de bedrijfstak Arbobegeleiding en re-integratie (zie ook: Arbobegeleiding en re-integratie). Zij begeleiden bij ziekteverzuim en adviseren om gezondheidsproblemen te voorkomen. Ook moet elk bedrijf een preventiemedewerker hebben die adviseert over arbeidsrisico’s en maatregelen. Bij organisaties met maximaal 25 werknemers mag de werkgever deze rol op zich nemen. Daarnaast is het verplicht om minimaal één bedrijfshulpverlener (bhv’er) op de werkvloer te hebben. Deze persoon is getraind om snel en adequaat te handelen bij noodsituaties zoals ongevallen, brand of evacuaties. Voorlichting en instructie zijn ook een belangrijk onderdeel van het Arbobeleid. Werknemers moeten weten welke veiligheidsrisico’s er zijn en hoe zij veilig en gezond kunnen werken.
Soms vraagt een specifieke werkomgeving om deskundig advies. Denk aan arbeidshygiënisten, veiligheidsdeskundigen of organisatiepsychologen. Deze specialisten helpen bij het ontwikkelen van gerichte maatregelen voor complexe arbeidsrisico’s. Daarnaast moeten werknemers de mogelijkheid krijgen voor een arbeidsgezondheidskundig onderzoek, zodat gezondheidsrisico’s vroegtijdig worden opgespoord en aangepakt (zie ook: Arbobeleid).
Werknemers werkten gemiddeld 4,4 uur achter een beeldscherm
In 2024 gaven werknemers aan gemiddeld 4,4 uur per dag achter een beeldscherm te werken, net als in 2023. De duur van beeldschermwerk verschilde duidelijk per bedrijfstak. Zo werd er in de financiële dienstverlening en de informatie- en communicatie bedrijfstak de meeste tijd doorgebracht achter een beeldscherm. In de horeca en in de landbouw en visserij waren de gemiddelde beeldschermuren het laagst.
| Bedrijfstak | Beeldschermwerk |
|---|---|
| Financiële dienstverlening | 7,3 |
| Informatie en communicatie |
7,3 |
| Openbaar bestuur | 6,1 |
| Verhuur/handel onroerend goed | 5,7 |
| Zakelijke dienstverlening | 5,3 |
| Onderwijs | 4,4 |
| Industrie | 4,3 |
| Bouwnijverheid | 4,0 |
| Vervoer en opslag | 3,9 |
| Cultuur, recreatie en overige diensten | 3,7 |
| Handel | 3,7 |
| Zorg | 3,6 |
| Landbouw en visserij | 2,2 |
| Horeca | 1,6 |
| Bron: CBS, TNO | |
StatLine: Beeldschermwerk.
Langdurig beeldschermwerk belast het lichaam, vooral door herhalende bewegingen van de vingers en handen en spanning van de nek, schouders en armen. In 2024 had ruim een kwart van de werknemers (28 procent) regelmatig te maken met werk dat herhaalde bewegingen vereiste. Dit aandeel is vrijwel gelijk aan dat van 2023, maar in 2014 gold dit nog voor 34 procent van de werknemers.
Een andere vorm van lichamelijke belasting is het regelmatig werken in een ongemakkelijke houding. In 2024 gaf 10 procent van de werknemers aan hier vaak mee te maken te hebben. In 2023 was dat 9 procent (zie ook StatLine: Werkhouding werknemers). Opvallend is het verschil met zelfstandig ondernemers: in 2023 werkte een groter deel van hen (13 procent) regelmatig in een oncomfortabele houding. Dit verschil is in de loop der jaren groter geworden. In 2015 lagen de percentages dichter bij elkaar (werknemers 10 procent, zelfstandig ondernemers 11 procent) (zie ook StatLine: Werkhouding Zelfstandig ondernemers).
De gezondheidsrisico’s van beeldschermwerk
Veel mensen brengen dagelijks uren achter een beeldscherm door, vaak zonder stil te staan bij de gevolgen voor hun gezondheid. Langdurig beeldschermwerk – meer dan zes uur per dag – kan lichamelijke en psychische klachten veroorzaken.
Beeldschermwerk kan op lichamelijk vlak op verschillende manieren belastend zijn. Herhaalde bewegingen, zoals typen en het bedienen van een muis, in combinatie met een statische belasting van de armen, nek en schouders, kunnen leiden tot KANS (Klachten aan Arm, Nek en Schouder), voorheen bekend als RSI (Repetitive Strain Injury). Spieren raken overbelast door langdurige en eenzijdige bewegingen, vooral wanneer er te weinig pauzes worden genomen of de werkplek niet ergonomisch is ingericht.
Langdurig zitten zonder onderbreking vergroot de kans op serieuze gezondheidsrisico’s op de lange termijn, zoals een verhoogd risico op hart- en vaatziekten, diabetes type II en depressieve klachten (zie ook: Factsheet zitten tijdens werk 2024). Intensief beeldschermwerk belast ook de ogen. Door langdurige focus op het scherm, wordt er minder vaak geknipperd, waardoor de ogen sneller droog en geïrriteerd raken. Dit kan leiden tot ongemak, hoofdpijn en concentratieproblemen.
Ten slotte lijkt werkdruk een rol te spelen bij het ontstaan van de bovenstaande klachten. Zo kan een hoge werkdruk ervoor zorgen dat de lichaamshouding ongemerkt nog meer gespannen is, vooral in de nek- en schouderregio (zie ook: Beeldschermwerk Arboportaal en Beeldschermwerk Gezondheidsraad).
Bijna 1 op de 3 werknemers ervaart vaak of altijd werkdruk
In 2024 gaf bijna 1 op de 3 werknemers (32 procent) aan vaak of altijd werkdruk te hebben, ongeveer even vaak als in 2023. Vrouwen gaven dit vaker aan dan mannen (34 tegen 29 procent).
Werkdruk heeft te maken met erg snel moeten werken, heel veel werk doen en extra hard moeten werken. In 2024 gaf 30 procent van de werknemers aan vaak of altijd erg snel te moeten werken. En 40 procent van de werknemers vond dat ze vaak of altijd veel werkzaamheden hebben. Iets meer dan een kwart (26 procent) gaf aan dat ze vaak of altijd extra hard moeten werken. Vrouwen gaven vaker dan mannen aan dat ze vaak of altijd snel werken, vaak of altijd veel werk moeten doen en vaak of altijd extra hard moet werken. Dit beeld komt grotendeels overeen met dat van 2023.
| Ervaren | Mannen | Vrouwen |
|---|---|---|
| Werkdruk | 29,3 | 34,4 |
| Erg snel werken | 28,2 | 32,1 |
| Heel veel werk doen | 37,9 | 43,0 |
| Extra hard werken | 23,1 | 28,0 |
| Bron: CBS, TNO | ||
StatLine: Werkdruk.
De verschillen tussen werknemers en zelfstandig ondernemers op deze aspecten van werkdruk waren over het algemeen klein. Een uitzondering is het ‘erg snel moeten werken’: 24 procent van de zelfstandigen gaf in 2023 aan dit vaak of altijd te moeten doen, tegenover 30 procent van de werknemers (zie ook StatLine: Werkdruk zelfstandig ondernemers ).
De ervaren werkdruk verschilt sterk per bedrijfstak. In 2024 was de werkdruk in de horeca het hoogst, gevolgd door het onderwijs en de zorg. In het openbaar bestuur, vervoer en opslag en cultuur, recreatie en overige diensten was de werkdruk het laagst.
| Bedrijfstak | Vaak of altijd werkdruk |
|---|---|
| Horeca | 41,4 |
| Onderwijs | 36,2 |
| Zorg | 35,5 |
| Verhuur/handel onroerend goed | 33,8 |
| Zakelijke dienstverlening | 33,3 |
| Handel | 31,4 |
| Financiële dienstverlening | 30,1 |
| Bouwnijverheid | 28,7 |
| Informatie en communicatie | 28,7 |
| Industrie | 28,2 |
| Landbouw en visserij | 27,4 |
| Cultuur, recreatie en overige diensten |
26,9 |
| Vervoer en opslag | 26,6 |
| Openbaar bestuur | 26,5 |
| Bron: CBS, TNO | |
StatLine: Werkdruk per bedrijfstak.
Vrouwen ervaren minder zelfstandigheid en een hogere emotionele belasting
In 2024 gaf 58 procent van de werknemers aan regelmatig zelfstandigheid te ervaren in hun werk. Dit is vergelijkbaar met 2023 (59 procent).
Tussen mannen en vrouwen zijn duidelijke verschillen. In 2024 ervoer 63 procent van de mannen zelfstandigheid in het werk, tegenover 50 procent van de vrouwen. Deze verschillen kwamen ook naar voren in verschillende aspecten van zelfstandigheid, zoals het zelf nemen van beslissingen, het bepalen van de volgorde van werkzaamheden, het werktempo, het bedenken van oplossingen, het opnemen van verlof, het bepalen van werktijden en de keuze van de werkplek.
Niet verrassend ervaren zelfstandig ondernemers meer zelfstandigheid dan werknemers op de werkvloer. In 2023 gaf 87 procent van de zelfstandigen aan regelmatig zelf beslissingen te nemen, tegenover 63 procent van de werknemers. Daarnaast bepaalde 85 procent van de zelfstandigen regelmatig zelf de volgorde van hun werkzaamheden, terwijl dit bij werknemers 63 procent was. Ook gaf 83 procent van de zelfstandigen aan het eigen werktempo te bepalen, tegenover 58 procent van de werknemers. Verder bedacht 86 procent van de zelfstandigen zelf oplossingen voor problemen in hun werk, terwijl dit bij werknemers 66 procent was. Tot slot kon 64 procent van de zelfstandigen zelf verlof opnemen, tegenover 56 procent van de werknemers.
In 2024 gaf 9 procent van de werknemers aan vaak emotioneel belastend werk te verrichten, vrijwel even hoog als in 2023. Mannen gaven minder vaak dan vrouwen aan emotioneel belastend werk te verrichten (7 procent tegen 12 procent). Dit verschil is zichtbaar in de verschillende aspecten van emotioneel belastend werk, zoals het regelmatig meemaken van emotioneel moeilijke werksituaties, de emotionele veeleisendheid van het werk en de mate van emotionele betrokkenheid bij het werk.
| Categorie | Mannen | Vrouwen |
|---|---|---|
| Werkplek bepalen | 29,2 | 24,0 |
| Werktijden bepalen | 32,1 | 26,1 |
| Verlof nemen | 63,2 | 50,0 |
| Oplossingen bedenken | 69,9 | 60,3 |
| Werktempo bepalen | 62,9 | 51,9 |
| Volgorde werkzaamheden bepalen |
65,0 | 58,5 |
| Zelf beslissen | 67,4 | 56,1 |
| Regelmatig ervaren zelfstandigheid |
63,4 | 50,2 |
| . | . | |
| Emotioneel betrokken bij werk |
10,9 | 15,2 |
| Emotioneel veeleisend werk | 8,3 | 15,0 |
| Emotioneel moeilijke werksituaties |
5,0 | 9,0 |
| Vaak emotioneel werk | 6,5 | 11,7 |
| Bron: CBS, TNO | ||
StatLine: Zelfstandigheid & emotioneel werk.
Ruim 1 op de 10 werknemers kreeg te maken met discriminatie
Werknemers kunnen op het werk te maken krijgen met verschillende vormen van ongewenst gedrag, zoals discriminatie, intimidatie, bedreiging en pesten. In 2024 gaf ruim 11 procent van de werknemers aan te maken te hebben gehad met discriminatie op het werk, vergelijkbaar met dat in 2023 (bijna 11 procent) en iets meer dan in 2022 (10 procent). Werknemers voelden zich het vaakst gediscrimineerd op basis van afkomst, huidskleur of nationaliteit (3,4 procent), leeftijd (2,9 procent) en geslacht (2,1 procent). In iets mindere mate gaven werknemers aan te maken te hebben gehad met discriminatie op basis van langdurige ziekte of een handicap (1,5 procent), werktijden of contractvorm (1,3 procent), godsdienst of levensovertuiging (1,0 procent), seksuele geaardheid of voorkeur (0,5 procent) en politieke voorkeur (0,5 procent).
In 2024 gaf 14 procent van de werknemers tussen de 25 en 35 jaar aan te maken te hebben gehad met discriminatie op het werk. Onder 35- tot 45‑jarigen (13 procent) en 15- tot 25‑jarigen (12 procent) was dat iets minder.
| Leeftijd | Gediscrimineerd voelen |
|---|---|
| 15 tot 25 jaar | 12,1 |
| 25 tot 35 jaar | 14,4 |
| 35 tot 45 jaar | 12,5 |
| 45 tot 55 jaar | 9,4 |
| 55 tot 65 jaar | 9,6 |
| 65 tot 75 jaar | 6,4 |
| Bron: CBS, TNO | |
Vrouwen vaker dan mannen slachtoffer van ongewenst gedrag op de werkvloer
Naast discriminatie kreeg 17 procent van de werknemers in 2024 minstens één keer te maken met andere vormen van ongewenst gedrag op de werkvloer. Dit percentage is vrijwel gelijk aan 2023 en 2022. Werknemers noemden intimidatie en bedreiging (12 procent), pesten (6 procent), ongewenste seksuele aandacht (5 procent) en lichamelijk geweld (3 procent).
Hoewel ongewenst gedrag in 2024 vaker werd gerapporteerd door vrouwen (22 procent) dan door mannen (13 procent), zijn er verschillen per type ongewenst gedrag. Zo werd ongewenste seksuele aandacht gemeld door 7 procent van de vrouwen en 2 procent van de mannen. Intimidatie en bedreiging trof 14 procent van de vrouwen en 10 procent van de mannen. Bij lichamelijk geweld en pesten waren de verschillen minder groot: respectievelijk 4 procent versus 2 procent bij lichamelijk geweld en 6 procent versus 5 procent bij pesten (zie ook StatLine: Ongewenst gedrag).
De mate waarin ongewenst gedrag voorkomt, verschilt sterk per bedrijfstak. De zorg had met 29 procent van de werknemers veruit het meest te maken met ongewenst gedrag. In bedrijfstakken zoals landbouw en visserij en bouwnijverheid kwam dit het minst vaak voor.
| Bedrijfstak | Ongewenst gedrag |
|---|---|
| Zorg | 29,2 |
| Verhuur/handel onroerend goed | 21,1 |
| Cultuur, recreatie en overige diensten |
20,3 |
| Horeca | 18,8 |
| Handel | 18,4 |
| Openbaar bestuur | 18,4 |
| Onderwijs | 16,4 |
| Vervoer en opslag |
15,8 |
| Zakelijke dienstverlening | 10,9 |
| Financiële dienstverlening | 10,4 |
| Industrie | 10,3 |
| Informatie en communicatie |
9,7 |
| Bouwnijverheid | 8,4 |
| Landbouw en visserij |
6,2 |
| Bron: CBS, TNO | |
StatLine: Ongewenst gedrag per bedrijfstak.
Toename in psychische vermoeidheid
In 2024 gaf 1 op de 5 werknemers aan zich enkele keren per maand of vaker psychisch vermoeid te voelen door het werk. Dit aandeel is vergelijkbaar met 2022 (20 procent) en licht gestegen ten opzichte van 2023 (19 procent). Dit volgt een toenemende trend; in 2014 was dit aandeel nog 14 procent.
Psychische vermoeidheid door werk kan op verschillende manieren tot uiting komen. In 2024 gaf 20 procent van de werknemers aan zich emotioneel uitgeput te voelen, 34 procent voelde zich leeg na een werkdag, 23 procent was ’s ochtends al moe, 16 procent ervoer uitputting door het werk, en 18 procent vond het zwaar om met anderen te werken. Tussen 2014 en 2022 is voor al deze aspecten een stijgende trend zichtbaar, vooral het gevoel van emotionele uitputting en de ervaren belasting van werken met mensen.
| Jaar | Ervaart met mensen werken als zwaar |
|---|---|
| 2014 | 10,2 |
| 2015 | 9,8 |
| 2016 | 10,7 |
| 2017 | 12,1 |
| 2018 | 13,5 |
| 2019 | 13,9 |
| 2020 | 12,9 |
| 2021 | 14,4 |
| 2022 | 17,0 |
| 2023 | 16,3 |
| 2024 | 18,0 |
| Bron: CBS, TNO | |
StatLine: Psychische vermoeidheid.
Psychische vermoeidheid komt in de ene bedrijfstak veel vaker voor dan in de andere. Het percentage werknemers dat zich minimaal enkele keren per maand psychisch vermoeid voelde door werk was het hoogst in het onderwijs, informatie en communicatie en de zorg. In de verhuur en handel van onroerend goed en landbouw en visserij was dit percentage een stuk lager.
| % werknemers van 15 tot 75 jaar | |
|---|---|
| Onderwijs | 24,9 |
| Informatie en communicatie | 21,9 |
| Zorg | 21,9 |
| Zakelijke dienstverlening | 21,3 |
| Handel | 20 |
| Openbaar bestuur | 19,5 |
| Cultuur, recreatie en overige diensten | 19,2 |
| Industrie | 18,9 |
| Financiële dienstverlening | 18,7 |
| Vervoer en opslag | 18,6 |
| Horeca | 18,4 |
| Bouwnijverheid | 14 |
| Verhuur/handel onroerend | 13,7 |
| Landbouw en visserij | 12,2 |
| Bron: CBS, TNO | |
StatLine: Psychische vermoeidheid per bedrijfstak.
Psychische vermoeidheid door werk komt over het algemeen minder vaak voor bij zelfstandig ondernemers dan bij werknemers. In 2023 voelde 12 procent van de zelfstandigen zich enkele keren per maand of vaker psychisch vermoeid door het werk. Bij werknemers was dat 19 procent. Dit verschil in percentages is door de jaren heen aanwezig (zie ook StatLine: Psychisch vermoeidheid zelfstandig ondernemers).
In de zorg het hoogste verzuimpercentage
In 2024 was het ziekteverzuim 5,2 procent. Dit percentage geeft het aandeel ziektedagen aan ten opzichte van het totale aantal werkdagen van de betreffende werknemers. Het ziekteverzuim ligt een fractie lager dan in 2023 (5,3 procent). Ten opzichte van 2014 is er een duidelijke toename van het ziekteverzuimpercentage te zien over de jaren; in 2014 was dit 3,8 procent.
| Jaar | Ziekteverzuim werknemers |
|---|---|
| 2014 | 3,8 |
| 2015 | 3,9 |
| 2016 | 3,9 |
| 2017 | 4,0 |
| 2018 | 4,3 |
| 2019 | 4,4 |
| 2020 | 4,7 |
| 2021 | 4,9 |
| 2022 | 5,6 |
| 2023 | 5,3 |
| 2024 | 5,2 |
StatLine: Ziekteverzuim.
Het verzuim verschilt per bedrijfstak. In 2024 was er in de zorg het hoogste aandeel ziekteverzuim (7,3 procent) terwijl dit in de horeca het laagste was (3,4 procent) (zie ook StatLine: Ziekteverzuim per bedrijfstak).
Griep de meest genoemde reden voor verzuim
De meest gegeven reden door werknemers voor het laatste zelf gerapporteerde verzuim was de griep (56 procent). Andere redenen die werden genoemd waren: psychische klachten of overspannenheid, hoofdpijn, buik-, maag- of darmklachten, rugklachten, klachten aan nek, schouders, armen, polsen of handen, klachten aan heupen, benen, knieën of voeten, vermoeidheid of concentratieproblemen, aandoeningen van het hart en vaatstelsel, luchtwegklachten en klachten aan huid en klachten aan oren of ogen.
Wanneer werknemers wordt gevraagd naar het verzuim in het afgelopen jaar, zijn er verschillen per leeftijdsgroep. In 2024 hadden werknemers van 55 tot 65 jaar het hoogste zelf gerapporteerde verzuim (6,5 procent). Het verschil tussen de leeftijdsgroepen hangt vooral samen met het totaal aantal verzuimde werkdagen: hoe ouder de werknemer, hoe meer werkdagen verzuim, terwijl het aantal keren verzuim vergelijkbaar is tussen de leeftijdsgroepen. Hierbij speelt ook mee dat het aandeel van werknemers dat heeft verzuimd relatief laag is in de 55 tot 65 jaar groep (48 procent) ten opzichte van alle leeftijdsgroepen (52 procent). Als er dus sprake is van verzuim, gaat het om een hoger totaal aantal verzuimdagen in deze leeftijdsgroep.
| Leeftijd | Aantal keer verzuimd | Aantal werkdagen verzuimd |
|---|---|---|
| 15 tot 25 jaar | 3,1 | 7,2 |
| 25 tot 35 jaar | 2,7 | 14,1 |
| 35 tot 45 jaar | 2,7 | 17,8 |
| 45 tot 55 jaar | 2,8 | 20,3 |
| 55 tot 65 jaar | 3,2 | 26,1 |
| 65 tot 75 jaar | 3,4 | 26,2 |
| Bron: CBS, TNO | ||
| 1) werknemers van 15 tot 75 jaar die ten minste één keer hebben verzuimd in het afgelopen jaar. | ||
Werknemers die gepest worden verzuimen meer
In 2024 gaf 23 procent van de werknemers aan dat hun meest recente verzuim hoofdzakelijk of gedeeltelijk veroorzaakt werd door het werk. Dit is ongeveer gelijk aan 2023. Ruim een kwart (27 procent) van de werknemers met werk-gerelateerd verzuim gaf aan dat een te hoge werkdruk hiervoor een belangrijke reden was. Andere redenen waren besmetting op het werk (15 procent) en lichamelijk te zwaar werk (13 procent). Een arbeidsongeval of -ongeluk of slechte fysieke arbeidsomstandigheden werden het minst vaak genoemd (3 procent).
Hogere ziekteverzuimpercentages komen vooral voor bij arbeidsomstandigheden met psychische en emotionele belasting. Werknemers die in 2024 regelmatig werden gepest of zich uitgeput voelden door hun werk, hadden een zelf gerapporteerd verzuim van 10 procent. Dit is bijna twee keer zo hoog als het gemiddelde ziekteverzuimpercentage.
Ook andere vormen van psychische en emotionele belasting gingen samen met hogere zelf-gerapporteerde verzuimpercentages. Werknemers die psychische vermoeid waren door het werk of aangaven te worden gediscrimineerd, hadden in 2024 een ziekteverzuim van 9 procent. Bij een ongemakkelijke werkhouding en emotioneel veeleisend werk was het verzuim 8 procent.
| Reden ziekteverzuim | Verzuimd om deze reden |
|---|---|
| Pesten | 10,1 |
| Uitgeput door werk | 10,0 |
| Psychische vermoeidheid door het werk |
9,3 |
| Gediscrimineerd gevoeld | 9,2 |
| Lichamelijk geweld | 8,8 |
| Vergt veel om met mensen te werken |
8,8 |
| Emotioneel moeilijke werksituaties |
8,6 |
| Emotioneel uitgeput | 8,5 |
| 's Ochtends moe voelen | 8,4 |
| In ongemakkelijke werkhouding werken |
8,0 |
| Emotioneel veeleisend werk | 7,9 |
| Bron: CBS, TNO | |
StatLine: Ziekteverzuim en arbeidsomstandigheden.
Ruim 5 procent van de werknemers in de landbouw en de visserij rapporteren een arbeidsongeval
In 2024 gaf 2,4 procent van alle werknemers aan dat zij een arbeidsongeval hadden meegemaakt. Dat is iets lager dan in 2023 (2,7 procent). Bij 1,3 procent van de werknemers ging het om een arbeidsongeval zonder verzuim. Bij 1,2 procent van de werknemers leidde een arbeidsongeval tot minstens één dag verzuim, en bij 0,9 procent tot vier of meer dagen verzuim (zie ook StatLine: Arbeidsongevallen). In totaal gaf 1,5 procent van de werknemers aan dat er sprake was van lichamelijk letsel en 0,5 procent van geestelijk letsel na een arbeidsongeval. Het hoogste aandeel arbeidsongevallen werd gerapporteerd in de landbouw en visserij, het laagste in de financiële dienstverlening en verhuur en handel van onroerend goed.
| Bedrijfstak | Arbeidsongevallen |
|---|---|
| Landbouw en visserij | 5,2 |
| Horeca | 4,5 |
| Bouwnijverheid | 3,4 |
| Vervoer en opslag | 3,3 |
| Zorg | 2,8 |
| Cultuur, recreatie en overige diensten |
2,8 |
| Handel | 2,7 |
| Industrie | 2,3 |
| Openbaar bestuur | 2,0 |
| Zakelijke dienstverlening | 1,9 |
| Informatie en communicatie |
1,2 |
| Onderwijs | 1,1 |
| Financiële dienstverlening | 0,3 |
| Verhuur/handel onroerend goed | 0,3 |
| Bron: CBS, TNO | |
StatLine: Arbeidsongevallen.
Voor de dodelijke arbeidsongevallen zijn de cijfers uit 2022 het meest recent. In dat jaar werden 25 dodelijke arbeidsongevallen geregistreerd. Dit was even hoog als in 2020 en iets hoger dan in 2021 (23 gevallen). Tussen 2015 en 2019 lag het aantal dodelijke arbeidsongevallen hoger (tussen de 35 en 45 gevallen).
Dodelijke en niet-dodelijke arbeidsongevallen: Nederland in vergelijking met andere Europese landen
Volgens cijfers uit 2022, gepubliceerd door Eurostat, het statistische bureau van de Europese Unie, werden in Nederland ruim 1 200 arbeidsongevallen met vier of meer dagen verzuim per 100 duizend werknemers gerapporteerd, minder dan het EU-27‑gemiddelde van 1 551 per 100 duizend werknemers. In 2022 had Nederland samen met IJsland met 0,43 dodelijke arbeidsongevallen per 100 duizend werknemers het laagste aantal van alle andere landen binnen de Europa, waar het gemiddelde op 2,1 lag.
Hoewel deze cijfers zijn gestandaardiseerd om te corrigeren voor verschillen in de economische structuur van landen, blijft voorzichtigheid geboden bij de vergelijking van met name de niet-dodelijke arbeidsongevallen. Lidstaten maken gebruik van verschillende databronnen, en in sommige landen bestaat het risico van onderrapportage. Daarnaast worden in Nederland ook arbeidsongevallen meegeteld waarbij uitsluitend psychische schade optreedt, terwijl in veel andere landen alleen ongevallen met fysieke schade worden geregistreerd.
Aandeel beroepsziekten bleef stabiel
In 2024 gaf 3,6 procent van de werknemers aan dat bij hen een beroepsziekte was vastgesteld door een arts. Dit percentage is vrijwel gelijk met dat van 2023 en 2022. Vrouwen kregen vaker dan mannen te maken met een beroepsziekte die door een arts werd vastgesteld (4,3 procent en 2,9 procent).
Een beroepsziekte is een ziekte die direct verband houdt met het werk. De meest voorkomende beroepsziekte die is vastgesteld door een arts is overspannenheid of burn-out (1,6 procent van alle werknemers). Ook lage-rugaandoeningen en KANS (Klachten aan Arm, Nek en Schouder), voorheen bekend als RSI (Repetitive Strain Injury), werden bij 0,5 procent van alle werknemers door een arts vastgesteld.
Er zijn duidelijke verschillen tussen bedrijfstakken. Het hoogste percentage beroepsziekten werd gerapporteerd in de zorg, het laagste in de landbouw en visserij.
| Bedrijfstak | Beroepsziekten |
|---|---|
| Zorg | 4,7 |
| Vervoer en opslag | 4,2 |
| Cultuur, recreatie en overige diensten |
4,0 |
| Openbaar bestuur | 3,8 |
| Bouwnijverheid | 3,7 |
| Industrie | 3,6 |
| Horeca | 3,2 |
| Financiële dienstverlening |
3,2 |
| Informatie en communicatie |
3,1 |
| Handel | 3,0 |
| Zakelijke dienstverlening | 3,0 |
| Verhuur/handel onroerend goed | 2,9 |
| Onderwijs | 2,9 |
| Landbouw en visserij | 1,8 |
| Bron: CBS, TNO | |