Gemiddeld persoonlijk inkomen werkenden 51,5 duizend euro per jaar

Foto omschrijving: Vrouw kijkt op bonnetje na afrekenen bij de supermarkt

Inkomen

Betaald werk is voor veel mensen de belangrijkste bron van inkomen. Op basis van de gegevens van de Belastingdienst publiceert het CBS inkomensgegevens over personen in particuliere huishoudens met inkomen. Daarbij wordt ook bepaald tot welke sociaal­economische categorie iemand behoort. Leidend hierbij is de voornaamste bron van inkomen die een persoon in een jaar ontvangen heeft. Daarnaast wordt er rekening mee gehouden of een persoon ingeschreven staat bij een onderwijsinstelling.

Begin 2023 woonden er 17,8 miljoen mensen in Nederland. Hiervan behoren er 8,4 miljoen tot de sociaaleconomische categorie werkenden. Dat is bijna de helft van de totale bevolking.

6.1 Bevolking ingedeeld naar sociaaleconomische categorie, 1 januari 2023 (x 1 000)
Categorie Bevolking
Werknemer 7008,6
Directeur-grootaandeelhouder 264,7
Zelfstandig ondernemer 1062,9
Overige zelfstandige 85,1
Meewerkend gezinslid 20,4
.
Ontvanger werkloosheidsuitkering 64,8
Ontvanger bijstandsuitkering 376,5
Ontvanger uitkering
sociale voorziening overig
209,7
Ontvanger uitkering ziekte/
arbeidsongeschiktheid
526,2
Ontvanger pensioenuitkering 3312,2
(School)kind of student
met inkomen
1417,6
(School)kind of student
zonder inkomen
2621,5
Overig zonder inkomen 419,7
.
Institutionele bevolking
en huishoudens zonder
waargenomen inkomen
421,4

StatLine: Personen naar sociaaleconomische categorie.

De sociaaleconomische categorie werknemers telt 7,0 miljoen personen. Daarnaast zijn er 1,4 miljoen personen voor wie het inkomen als zelfstandige de voornaamste bron van inkomen is. Het gaat hier om 1 063 duizend zelfstandig ondernemers, 265 duizend directeuren-grootaandeelhouders, 20 duizend meewerkende gezinsleden en 85 duizend overige zelfstandigen (onder meer personen met resultaat uit overige werkzaamheden, zoals freelancers). Het aantal zelfstandigen is in tien jaar tijd met een kwart toegenomen. Deze groei komt volledig voor rekening van de zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers). Tegenwoordig heeft nog 1 op de 5 zelfstandigen personeel in dienst, de rest is zzp’er of meewerkend gezinslid. Het totaal aantal personen met inkomen uit werkzaamheden als zelfstandige ligt hoger, omdat ook werknemers, studenten of ontvangers van een uitkering nevenwerkzaamheden als zelfstandige verrichten: 2,2 miljoen personen hadden in 2023 inkomsten uit werkzaamheden als zelfstandige (zie ook StatLine: Inkomen van zelfstandigen).

De verdeling naar sociaaleconomische categorie verschilt sterk naar leeftijd. Vanaf 22 jaar zijn de werkenden in de meerderheid en dat geldt tot en met 64 jaar. Voor deze groep is betaald werk de voornaamste bron van het inkomen. Het aandeel werkenden is het grootst voor 32‑jarigen (86 procent). In absolute aantallen gemeten ligt de piek in het aantal werkenden bij 53 jaar (217 duizend). Dit is ook de leeftijd die begin 2023 het vaakst voorkwam in Nederland.

6.2 Bevolking naar sociaaleconomische categorie en leeftijd, 1 januari 2023 (x 1 000)
leeftijd in jaren Werkenden Kind/student Uitkering en overig
0 0,0 166,1 1,6
1 0,0 179,7 1,8
2 0,0 169,7 1,8
3 0,0 171,6 1,9
4 0,0 172,0 1,9
5 0,0 174,0 1,9
6 0,0 177,4 2,0
7 0,0 176,9 2,0
8 0,0 181,7 2,1
9 0,0 178,5 2,1
10 0,0 183,5 2,2
11 0,0 187,1 2,2
12 0,0 192,1 2,3
13 0,0 193,0 2,4
14 0,0 193,4 2,5
15 0,2 189,5 2,4
16 1,7 191,4 2,4
17 12,0 181,3 4,8
18 37,5 161,8 11,7
19 65,2 143,9 17,4
20 90,8 120,0 19,9
21 112,1 98,3 22,0
22 133,2 80,7 23,5
23 149,9 59,9 24,0
24 167,0 41,3 24,6
25 177,3 25,2 24,9
26 185,5 15,1 26,6
27 191,4 9,2 28,0
28 200,5 6,0 29,1
29 201,7 4,0 30,4
30 203,6 2,7 31,9
31 206,0 1,9 32,6
32 206,4 1,3 33,2
33 198,7 1,0 33,2
34 195,8 0,8 33,4
35 194,7 0,7 33,2
36 193,7 0,6 33,1
37 188,0 0,6 33,2
38 184,3 0,5 33,0
39 178,9 0,5 32,4
40 178,9 0,4 32,5
41 181,8 0,4 32,8
42 183,6 0,3 33,4
43 176,8 0,3 32,5
44 176,3 0,3 32,6
45 172,8 0,3 32,8
46 174,3 0,3 32,8
47 174,0 0,2 33,7
48 180,7 0,2 35,9
49 185,6 0,2 37,8
50 199,2 0,2 41,5
51 207,8 0,2 43,6
52 214,6 0,2 46,7
53 217,0 0,1 49,1
54 205,6 0,1 48,8
55 201,6 0,1 49,4
56 198,7 0,1 52,8
57 197,5 0,1 56,6
58 196,4 0,1 61,3
59 188,0 0,1 64,4
60 176,2 0,1 70,6
61 167,2 0,0 75,9
62 150,9 0,0 84,6
63 136,8 0,0 94,9
64 112,6 0,0 111,5
65 89,4 0,0 128,5
66 43,4 0,0 168,8
67 15,4 0,0 189,6
68 11,6 0,0 188,6
69 9,1 0,0 186,0
70 7,2 0,0 186,1
71 5,8 0,0 178,6
72 5,0 0,0 177,9
73 4,3 0,0 177,9
74 3,8 0,0 180,6
75 3,5 0,0 186,4
76 3,0 0,0 188,4
77 1,8 0,0 130,5
78 1,6 0,0 132,4
79 1,3 0,0 121,7
80 1,0 0,0 108,0
81 0,8 0,0 98,4
82 0,6 0,0 95,5
83 0,5 0,0 86,5
84 0,3 0,0 79,1
85 0,3 0,0 67,9
86 0,2 0,0 60,7
87 0,2 0,0 53,1
88 0,1 0,0 45,8
89 0,1 0,0 38,2
90 0,0 0,0 32,9
91 0,0 0,0 26,4
92 0,0 0,0 21,5
93 0,0 0,0 15,8
94 0,0 0,0 12,1
95 0,0 0,0 8,6
96 0,0 0,0 6,3
97 0,0 0,0 4,2
98 0,0 0,0 2,9
99 0,0 0,0 1,8
100 0,0 0,0 1,2

StatLine: Bevolking naar leeftijd en Personen naar sociaaleconomische categorie.

Regionaal bezien geldt dat het aandeel werkenden het grootst is in de gemeenten Vlieland, Zeewolde en Amsterdam. Daarentegen tellen Laren (NH) en Wassenaar relatief het kleinste aantal werkenden (zie ook StatLine: Inkomen en sociaaleconomische categorie per gemeente).

Nederland telde begin 2023 bijna 8,2 miljoen particuliere huishoudens. Gemiddeld telt een huishouden 2,1 personen, van wie er 1,8 een inkomen hebben. Bij ruim de helft van de huishoudens vormt het inkomen als werknemer de voornaamste inkomensbron en 1 op de 10 huishoudens heeft voornamelijk inkomen als zelfstandige. De resterende huishoudens moeten grotendeels rondkomen van een uitkering, veelal pensioenuitkeringen (zie ook StatLine: Voornaamste inkomensbron huishoudens).

Persoonlijk inkomen

In 2023 bedroeg het gemiddeld persoonlijk inkomen van alle mensen in particuliere huishoudens met inkomen 40 duizend euro per jaar. Bij personen met werk als voornaamste inkomensbron was dat 51 duizend euro. Het inkomen van directeuren-grootaandeelhouders (dga’s) was het hoogst, namelijk 75 duizend euro. Het persoonlijk inkomen omvat al het inkomen uit arbeid, het inkomen uit eigen onderneming, de uitkering inkomens­verzekeringen en de uitkering sociale voorzieningen (met uitzondering van kinderbijslag en kindgebonden budget). Premies inkomensverzekeringen, behalve de premies voor volksverzekeringen, zijn hierop in mindering gebracht.

6.3 Gemiddeld persoonlijk jaarinkomen per sociaaleconomische categorie, 2023 (1 000 euro)
Categorie Persoonlijk jaarinkomen
Totaal personen 39,7
Werknemer 50,9
Directeur-grootaandeelhouder 75,0
Zelfstandig ondernemer 52,6
Overige zelfstandige 19,2
Meewerkend gezinslid 12,5
Ontvanger werkloosheidsuitkering 30,0
Ontvanger bijstandsuitkering 16,0
Ontvanger uitkering sociale voorziening overig 18,3
Ontvanger uitkering ziekte/arbeidsongeschiktheid 29,4
Ontvanger pensioenuitkering 30,0
(School)kind of student met inkomen 5,8

StatLine: Gemiddeld persoonlijk inkomen.

Van de 8,4 miljoen personen met werk als voornaamste inkomensbron in 2023 bedroeg het persoonlijk inkomen bij 332 duizend personen minder dan 10 duizend euro, terwijl er ander­zijds 586 duizend personen op minstens 100 duizend euro uitkwamen. Bij 1 700 werken­den overschreed het inkomen de grens van 1 miljoen euro.

De hoge inkomens tellen zwaar door in het gemiddeld inkomen. Daarom berekent het CBS ook het mediane inkomen. Dit is het inkomen van de middelste persoon, indien personen worden gerangschikt naar de hoogte van hun inkomen. Anders gezegd: 50 procent heeft een lager inkomen en 50 procent heeft een hoger inkomen. Terwijl het gemiddeld persoonlijk inkomen van de werkenden in 2023 op 51,5 duizend euro uitkwam, lag de mediaan met 43,5 duizend euro beduidend lager.

Bij zelfstandigen zijn de onderlinge inkomensverschillen het grootst. Zelfstandigen kunnen immers zowel flinke winsten boeken als verlies lijden. Daardoor zijn zij niet alleen oververtegenwoordigd in de hoogste inkomensregionen, maar ook in de groep met een laag of negatief inkomen. Terwijl de zelfstandigen 17 procent uitmaken van de werkenden, is van de werkenden met een inkomen van minstens 100 duizend euro 29 procent zelfstandige. En van de werkenden met een inkomen van minder dan 10 duizend euro is bijna de helft zelfstandige.

6.4 Verdeling persoonlijk jaarinkomen van werkenden, 2023 (werkenden (x 1 000) per klasse van 1 000 euro)
1 000 euro Werkenden
<0 24
1 32
2 25
3 26
4 27
5 27
6 30
7 32
8 34
9 36
10 39
11 42
12 45
13 50
14 52
15 55
16 65
17 82
18 89
19 97
20 103
21 107
22 110
23 113
24 115
25 118
26 126
27 134
28 142
29 139
30 141
31 144
32 144
33 145
34 145
35 144
36 144
37 146
38 147
39 148
40 146
41 148
42 147
43 144
44 142
45 143
46 138
47 135
48 132
49 130
50 125
51 121
52 125
53 110
54 107
55 107
56 102
57 96
58 93
59 88
60 84
61 84
62 80
63 78
64 75
65 70
66 67
67 65
68 64
69 60
70 59
71 57
72 55
73 54
74 51
75 48
76 49
77 46
78 45
79 43
80 41
81 38
82 36
83 34
84 33
85 33
86 32
87 29
88 29
89 29
90 27
91 26
92 25
93 23
94 23
95 22
96 22
97 20
98 19
99 18
100 18

StatLine: Personen naar inkomensklasse.

Koopkrachtontwikkeling

In 2023 stegen de inkomens van de bevolking in doorsnee iets meer dan de inflatie. De koopkracht van de Nederlandse bevolking steeg daardoor per saldo in 2023 met 0,3 procent.

Het CBS meet de ontwikkeling van de koopkracht aan de hand van het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen van het huishouden waartoe ze behoren, gecorrigeerd voor inflatie, waardoor inkomens in de tijd vergelijkbaar zijn. De koopkracht kan door allerlei oorzaken veranderen. Het inkomen verandert bijvoorbeeld door een algemene of periodieke loonsverhoging, promotie, het aanvaarden van (ander) werk of verandering in het aantal arbeidsuren. De koopkracht kan echter ook stijgen of dalen door veranderingen in persoonlijke omstandigheden, bijvoorbeeld als mensen gaan samenwonen of uit elkaar gaan, van baan wisselen of met pensioen gaan. Daarentegen hebben de koopkrachtcijfers die gelden voor een bepaalde categorie alleen betrekking op de personen die in beide jaren deel uitmaken van die groep. Bijvoorbeeld in beide jaren ‘voornaamste inkomen werknemer’.

De koopkracht van werkenden nam in 2023 in doorsnee met 0,7 procent toe. Ook in de voorgaande jaren was de koopkrachtontwikkeling van werkenden gunstiger dan die van de totale bevolking. In tien jaar tijd steeg de doorsnee koopkracht van werkenden met ongeveer 27 procent, terwijl dat voor de totale bevolking de helft was.

6.5 Koopkrachtontwikkeling (doorsnee % verandering t.o.v. een jaar eerder)
Jaartal Totaal personen Werkenden
'13 -1,1 0,2
'14 1,9 2,9
'15 1,3 2,6
'16 3,0 5,0
'17 0,7 1,7
'18 0,6 1,9
'19 1,5 2,7
'20 2,5 4,3
'21 1,4 2,8
'22 -1,1 -0,4
'23 0,3 0,7

StatLine: Koopkrachtontwikkeling personen.

Armoede

In 2023 leefden 538 duizend mensen in Nederland in armoede. Dat komt neer op 3,1 procent van de bevolking. Hieronder waren ook 155 duizend werkenden (1,8 procent van de werkenden van 15 tot 75 jaar). Bij de meeste werkende armen gaat het om deeltijders.

Deze cijfers zijn berekend volgens de nieuwe methode voor het meten van armoede, die CBS, SCP en Nibud in 2024 hebben ontwikkeld. De nieuwe armoedegrens vervangt eerdere grenzen die tot nu toe werden gebruikt om armoede te meten. De nieuwe uitkomsten zijn berekend voor de periode 2018–2023 (zie ook: Armoede in Nederland, 2018–2023).

De armoedegrens voor een alleenstaande lag in 2023 op gemiddeld 1 510 euro per maand. Voor een paar met twee kinderen tot 13 jaar was de grens gemiddeld 2 535 euro per maand. Waren er twee puberkinderen dan ging het om 2 910 euro bij een tweeoudergezin en 2 500 euro bij een eenoudergezin.

Om vast te stellen of iemand in armoede leeft, wordt nu niet alleen gekeken naar het inkomen maar ook naar de vermogensbuffer (spaargeld of ander direct te besteden bezit) van het huishouden. Een huishouden is niet arm als de vermogensbuffer groter is dan de jaarlijkse armoedegrens. Een alleenstaande met in 2023 een vermogensbuffer van 18 145 euro of meer, wordt niet als arm beschouwd, ook niet als het inkomen onder de armoedegrens ligt. Voor een paar met twee kinderen tot 13 jaar was een buffer van ten minste 30 405 euro voldoende om niet in armoede te leven.

Ook de daadwerkelijke uitgaven spelen een rol bij de meting van armoede. Voor de meeste huishoudens zijn de maandelijkse uitgaven aan wonen, energie en zorg (basisverzekering en verplicht eigen risico) de grootste vaste lasten. Bovendien kunnen ze op deze lasten niet of nauwelijks besparen. Daarom wordt bij de armoedebepaling zo veel mogelijk uitgegaan van de werkelijke uitgaven hieraan. Als er na het betalen van deze vaste lasten te weinig geld overblijft voor de andere basisbehoeften, dan is een huishouden (en de mensen die er deel van uitmaken) arm.

Voor de totale bevolking geldt dat de armoede de laatste jaren flink is afgenomen. In vier jaar tijd is het aantal armen gehalveerd. Dat is vooral het gevolg van de verstrekte energietoeslagen en van koopkrachtverhogende maatregelen, zoals de forse verhoging van het minimumloon in januari 2023. Bij de werkenden was de afname veel kleiner, van 2,8 procent in 2019 naar 1,8 procent in 2023.

Zelfstandigen vaker miljonair

Begin 2023 had 5 procent van de particuliere huishoudens in Nederland een vermogen van een miljoen euro of meer. Dat zijn 427 duizend huishoudens. De waarde van de eigen woning en hypotheekschulden zijn hierbij meegerekend. Bij 6 op de 10 miljonairs­huishoudens is betaald werk de voornaamste inkomensbron. De anderen zijn voor het overgrote deel met pensioen.

Bij ruim de helft van de werkende miljonairshuishoudens is het inkomen van zelfstan­digen (inclusief directeuren-grootaandeelhouders) de voornaamste inkomens­bron. Dat betekent dat van de huishoudens waar het zelfstandigeninkomen de voornaamste inkomensbron is, 18 procent een vermogen van een miljoen euro of meer heeft. Bij de huishoudens waar het werknemersloon de voornaamste inkomensbron is, is dat 3 procent.

6.6 Voornaamste inkomensbron miljonairshuishoudens, 2023
Aandeel (%)
Werknemer 27,3
Directeur-grootaandeelhouder 20,2
Zelfstandig ondernemer/overige zelfstandige 14,1
Ontvanger pensioenuitkering 37,4
Rest 1,0

StatLine: Vermogen van huishoudens.

Een uitgebreide beschrijving van de financiële situatie van huishoudens en de leden van die huishoudens geeft het CBS in de tweejaarlijkse publicatie Materiële welvaart in Nederland. In de CBS-publicatie Armoede en sociale uitsluiting wordt een meer gedetailleerd beeld gegeven van het deel van de Nederlandse bevolking dat in financieel en sociaal opzicht achterblijft bij de rest (nog op basis van de oude armoededefinitie).

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Samenstelling

Han van den Berg (hoofdstukken 1, 2, 5, 6, 7 en bijlagen)

Paul Bokern (hoofdstuk 3)

Suzanne van Bronswijk (hoofdstuk 4)

met hulp van vele anderen

Redactie

Michel van Kooten

Erik van den Berg

Saskia Stavenuiter