Inleiding
De Nederlandse arbeidsmarkt in 2024 leek in veel opzichten op die in 2023: de werkgelegenheid nam toe, het aantal openstaande vacatures liep iets terug en er waren iets meer mensen werkloos.
De werkzame beroepsbevolking groeide in 2024 tot gemiddeld 9,8 miljoen personen, 61 duizend meer dan in 2023 (+0,6 procent). Dit was de kleinste groei in de afgelopen tien jaar, afgezien van het coronajaar 2020. Maar doordat de werkgelegenheidsgroei aanhield, waren er niet eerder zoveel mensen aan het werk in Nederland. Het gemiddeld aantal vacatures nam in 2024 af met 20 duizend (–21 duizend in 2023), de werkloze beroepsbevolking steeg met 13 duizend (+9 duizend in 2023) en er kwamen 118 duizend banen bij (+203 duizend in 2023).
Toch blijft de arbeidsmarkt krap. Voor het derde jaar op rij telde Nederland meer openstaande vacatures dan werklozen. Dat is na 1973 niet meer het geval geweest. Weliswaar was de spanning op de arbeidsmarkt in 2024 iets minder groot dan in 2022 en 2023, maar er is nog steeds sprake van een zeer krappe arbeidsmarkt. Personeelstekorten leidden in steeds meer delen van de Nederlandse samenleving tot problemen. Kwaliteit en beschikbaarheid van diensten staan hierdoor onder druk. En als bedrijven beperkt worden in hun activiteiten, kan dit ook resulteren in een lagere economische groei.
De krapte op de arbeidsmarkt en vooral de hoge inflatie leidden ook tot forse loonstijgingen in 2023 en 2024. Desondanks loopt de loonontwikkeling over de afgelopen vier jaar nog steeds iets achter bij de inflatie.
| Jaar | Bbp | Gewerkte uren |
|---|---|---|
| '04 | 2,0 | 0,3 |
| '05 | 2,0 | -0,3 |
| '06 | 3,5 | 1,9 |
| '07 | 3,9 | 2,9 |
| '08 | 2,1 | 1,6 |
| '09 | -3,7 | -1,5 |
| '10 | 1,3 | -0,7 |
| '11 | 1,8 | 0,8 |
| '12 | -1,0 | -0,9 |
| '13 | 0,0 | -0,9 |
| '14 | 1,6 | 0,7 |
| '15 | 2,1 | 0,8 |
| '16 | 2,4 | 2,4 |
| '17 | 2,8 | 2,3 |
| '18 | 2,3 | 2,7 |
| '19 | 2,3 | 2,7 |
| '20 | -3,9 | -4,2 |
| '21 | 6,3 | 4,6 |
| '22 | 5,0 | 3,9 |
| '23 | 0,1 | 1,4 |
| '24 | 1,0 | 1,2 |
StatLine: Bbp en Werkgelegenheid.
De ontwikkelingen op de arbeidsmarkt worden voor een groot deel bepaald door de stand van de economie. Als de economie groeit, stijgt meestal ook de werkgelegenheid. Nadat de economie in 2021 en 2022 ongekend hard groeide na de coronacrisis in 2020, begon de economie te kwakkelen. Vier kwartalen op rij is sprake van krimp, dus dat is een duidelijke recessie, hoewel de krimpcijfers niet heel groot waren. Vanaf het tweede kwartaal 2024 trok de economie weer aan. In 2024 resulteerde op jaarbasis een groei van 1 procent. De afgelopen twintig jaar was de economische groei in slechts vijf jaren kleiner dan in 2024.
De conjuncturele ontwikkeling op de arbeidsmarkt verloopt meestal volgens een vast patroon. Als het economisch minder goed gaat, loopt het aantal vacatures snel terug. Uitzendkrachten en andere werknemers met een flexibel arbeidscontract verliezen als eersten hun baan. Pas later snijden bedrijven in het vaste personeelsbestand of gaan ondernemingen failliet, waardoor de werkgelegenheid afneemt.
Doordat de onderhandelingspositie van de werknemers dan onder druk komt te staan, loopt tegen die tijd ook de stijging van de cao-lonen terug. Aangezien cao’s vaak een looptijd hebben van een jaar of langer, duurt het enige tijd voordat een teruglopende economie effect heeft op deze cijfers.
Kwartaalcijfers
Om de kortetermijnontwikkeling in beeld te brengen, publiceert het CBS naast de jaarcijfers ook maand- en kwartaalcijfers. Omdat deze uitkomsten vaak door seizoenseffecten worden beïnvloed, zijn er daarnaast ook cijfers die gecorrigeerd zijn voor seizoeninvloeden. In StatLine zijn de volgende reeksen met seizoengecorrigeerde arbeidsmarktcijfers te vinden:
- Werkzame en werkloze beroepsbevolking
- Vacatures
- Banen, werkzame personen en gewerkte uren
- Banen van werknemers
- Lonen en beloning van werknemers
- Personen met WW-uitkering.
Bij deze seizoengecorrigeerde cijfers is rekening gehouden met veranderingen die zich ieder jaar opnieuw voordoen. Zo is het gebruikelijk dat het aantal werklozen in de eerste maanden van het jaar stijgt (bijvoorbeeld vanwege aflopende contracten of slechte weersomstandigheden), terwijl er in de zomer en aan het einde van het jaar minder mensen werkloos zijn.
Andere voorbeelden van deze patronen zijn feest- en vakantiedagen en vakantiegeld. Door een reeks cijfers voor dergelijke patronen te schonen, kunnen maand- of kwartaalcijfers onderling vergeleken worden zonder storende seizoenseffecten.
| 1e kwartaal | 2e kwartaal | 3e kwartaal | 4e kwartaal | |
|---|---|---|---|---|
| Vacatures (dzd) |
3 | 12 | -6 | -9 |
| Werkloze beroepsbevolking (dzd) |
26 | -1 | -16 | -9 |
| Werkzame beroepsbevolking (dzd) |
-37 | 2 | 27 | 7 |
| Banen (dzd) |
-75 | 40 | 38 | -2 |
| Gewerkte uren (mln uren) |
65 | -105 | -200 | 161 |
| Lonen (100 mln euro) | -36 | 84 | -52 | 4 |
In de grafiek is voor de verschillende kerncijfers over de arbeidsmarkt het gemiddelde seizoenseffect per kwartaal weergegeven. Dit gemiddelde is berekend over een zo lang mogelijke periode (22 tot 30 jaar). Duidelijk zichtbaar is dat er normaal gesproken in het eerste kwartaal meer werklozen zijn, terwijl het aantal werkenden en het aantal banen lager zijn dan gemiddeld. Het totaal aantal gewerkte uren is altijd relatief laag in het tweede en derde kwartaal, vooral omdat mensen dan meer vakantiedagen opnemen. De lonen zijn het hoogst in het tweede kwartaal, als de meeste werknemers vakantiegeld ontvangen.
Het aantal werkdagen varieert van jaar tot jaar tussen de 254 en 257. Een extra werkdag leidt ertoe dat het totaal aantal gewerkte uren van werknemers ongeveer 0,4 procent hoger uitkomt. Hoewel het CBS wel de kwartaalcijfers corrigeert voor seizoenseffecten en het aantal werkdagen, gebeurt dat niet bij de jaarcijfers.