Leefbaarheid en overlast in woonbuurt

In dit hoofdstuk staat het thema leefbaarheid en overlast in de woonbuurt centraal. Eerst komt aan de orde hoe Nederlanders de fysieke voorzieningen en sociale cohesie in hun buurt ervaren. Vervolgens gaat het om de overlast in de buurt. Welke vormen van overlast komen het meest voor en van welke heeft men de meeste last? Meer cijfermateriaal over dit onderwerp, uitgesplitst naar regio en persoonskenmerken, is beschikbaar via StatLine.

2.1Fysieke voorzieningen en sociale cohesie in buurt

Fysieke voorzieningen

In de Veiligheidsmonitor is respondenten door middel van een aantal stellingen gevraagd naar hun mening over fysieke voorzieningen in hun woonbuurt. In 2019 zijn bijna vier op de vijf Nederlanders (79 procent) het (helemaal) eens met de stelling dat het in hun buurt buiten goed verlicht is. Dit percentage is hoger dan in 2017 (77 procent) en in 2012 (78 procent), het startjaar van de Veiligheidsmonitor. Het merendeel vindt ook dat de wegen, paden en pleintjes (69 procent) en de perken, plantsoenen, parken (68 procent) goed onderhouden zijn. Deze cijfers zijn hoger dan in 2017. De tevredenheid over het onderhoud van de wegen et cetera daarentegen is lager dan in 2012 (70 procent); de tevredenheid over het onderhoud van perken enzovoorts is vergelijkbaar met 2012. Bijna twee op de drie (64 procent) zijn het er (helemaal) mee eens dat er in de buurt goede speelplekken voor kinderen zijn. Dit is hoger dan in 2017 (63 procent) en 2012 (61 procent). De tevredenheid over jongerenvoorzieningen is aanzienlijk lager. Een kwart (25 procent) vindt dat er goede voorzieningen voor jongeren in de buurt zijn. Dit is gelijk aan 2017 en hoger dan in 2012 (24 procent).

Sociale cohesie

Ook de sociale cohesie in de eigen woonbuurt is door middel van stellingen onderzocht. In 2019 ervaart 72 procent het als prettig hoe mensen in de buurt met elkaar omgaan. Dit is hoger dan in 2017 (70 procent) en in 2012 (69 procent). Eveneens 72 procent zou de huissleutel aan de buren durven te geven als ze op vakantie zouden gaan of langere tijd afwezig zouden zijn. 68 procent is tevreden over de bevolkingssamenstelling in de eigen buurt. Dit is hoger dan in 2017 (67 procent), maar lager dan in 2012 (69 procent). De stelling ‘Ik voel me thuis bij de mensen die in deze buurt wonen’ wordt door 62 procent van de Nederlanders onderschreven. Dit is hoger dan in 2017 en 2012 (beide jaren 60 procent). Een kleiner aandeel geeft in 2019 aan dat de mensen in de buurt elkaar durven aan te spreken op onwenselijk gedrag (46 procent), ervaart de eigen woonbuurt als een gezellige buurt met veel saamhorigheid (45 procent) en zegt veel contact te hebben met andere buurtbewoners (37 procent). Het aandeel dat veel saamhorigheid ervaart is hoger dan in 2017 en 2012 (beide jaren 43 procent). De enige negatief geformuleerde stelling ‘De mensen kennen elkaar in deze buurt nauwelijks’ wordt door een kwart (25 procent) onderschreven. Dit is vergelijkbaar met 2017 en 2012.

Op basis van alle stellingen over fysieke voorzieningen en vier stellingen over sociale cohesie (mensen kennen elkaar nauwelijks; mensen gaan op een prettige manier met elkaar om; gezellige buurt met veel saamhorigheid; thuis voelen bij de bewoners van de buurt) zijn schaalscores voor respectievelijk fysieke voorzieningen en sociale cohesie berekend. Deze schaalscores lopen van 0 tot en met 10, waarbij een hogere score overeenkomt met een positiever oordeel over fysieke voorzieningen respectievelijk sociale cohesie.

In 2019 bedraagt de gemiddelde schaalscore voor fysieke voorzieningen een 6,4. Deze score ligt iets hoger dan in 2017 en 2012 (beide jaren 6,3). De gemiddelde schaalscore voor sociale cohesie is een 6,3. Ook dit is iets hoger dan in 2017 en 2012 (beide jaren 6,2).

Over de periode 2008–2019 is het oordeel over de fysieke voorzieningen in de buurt weinig veranderd. Ook het oordeel over de sociale cohesie in de buurt, dat gemeten is tussen 2005 en 2019, laat een stabiel beeld zien.

Fysieke voorzieningen en sociale cohesie naar stedelijkheid

Het oordeel over de fysieke voorzieningen in de buurt is in (zeer) sterk stedelijke gebieden en matig stedelijke gebieden positiever dan in weinig of niet stedelijke gebieden, maar de verschillen zijn klein.

Het oordeel over de sociale cohesie in de buurt daarentegen verschilt sterk naar stedelijkheidsgraad en is omgekeerd aan het beeld bij fysieke voorzieningen: inwoners van minder verstedelijkte gebieden ervaren duidelijk vaker sociale cohesie in hun buurt dan inwoners van meer verstedelijkte gebieden.

Nederlanders geven de leefbaarheid in hun buurt in 2019 gemiddeld een 7,6 als rapportcijfer. Dit is iets hoger dan in 2017 (7,5) en 2012 (7,4).

2.2Overlast in buurt

Om een beeld te krijgen van het vóórkomen van buurtoverlast en de beleving hiervan is respondenten een 13‑tal vormen van overlast voorgelegd, met de vraag of die vorm van overlast wel eens voorkomt in de eigen buurt en, zo ja, in welke mate men daar dan zelf overlast van ervaart (antwoordmogelijkheden: ‘veel overlast’, ‘een beetje overlast’, ‘weinig overlast’, ‘geen antwoord’). 12 van de 13 afzonderlijke overlastvormen zijn hieronder ingedeeld in drie categorieën: fysieke overlast, sociale overlast en verkeersoverlast, gevolgd door overlast totaal (alle 13 vormen van overlast samengenomen). In de Veiligheids­monitor 2019 is voor het eerst ook gevraagd naar een ‘andere vorm van overlast’, waarbij de respondent in de internetvragenlijst de mogelijkheid werd geboden om in te vullen welke dit is. Omwille van de vergelijkbaarheid met eerdere jaren zijn deze andere vormen van overlast niet in ‘overlast totaal’ meegenomen.

Fysieke verloedering

Fysieke verloedering bestaat uit vier overlastvormen, te weten: ‘rommel op straat’, ‘straatmeubilair, zoals vuilnisbakken, bankjes of bushokjes, dat vernield is’, ‘bekladde muren of gebouwen’, en ‘hondenpoep op de stoep, straat of in de perken’.

Het grootste overlastprobleem in de fysieke sfeer is hondenpoep. 16 procent van de Nederlanders geeft aan hier zelf veel overlast van te ervaren.noot1 Van rommel op straat heeft 8 procent zelf veel overlast. Vernieling van straatmeubilair en bekladde muren of gebouwen worden minder als overlast gevend ervaren.

In totaal zegt ruim een op de vijf Nederlanders (21 procent) veel overlast te hebben van een of meer vormen van fysieke verloedering. Dit is minder dan in 2017 (22 procent) en 2012 (25 procent). De overlast van bekladde muren of gebouwen, vernieling van straatmeubilair en hondenpoep is minder dan in 2012. Van rommel op straat daarentegen heeft men meer overlast dan in 2012. Ook in vergelijking met 2017 is de overlast van rommel op straat toegenomen, net zoals de overlast van vernieling van straatmeubilair. De overlast van hondenpoep is ook ten opzichte van 2017 afgenomen.

Sociale overlast

Sociale overlast omvat de volgende vijf vormen van overlast: ‘dronken mensen op straat’, ‘drugsgebruik of drugshandel, bijvoorbeeld op straat of in coffeeshops’, ‘overlast door buurtbewoners’, ‘mensen die op straat worden lastiggevallen’ en ‘rondhangende jongeren’.

De grootste overlast in de sociale sfeer is afkomstig van rondhangende jongeren en van buurtbewoners. In 2019 geeft telkens 5 procent aan hier veel overlast van te ervaren. Van drugsgebruik of drugshandel heeft 4 procent veel overlast. 3 procent van de mensen ervaart veel overlast van dronken mensen op straat. Het lastigvallen van mensen op straat ervaart men met 1 procent het minst als overlastprobleem.

In totaal zegt in 2019 een op de tien Nederlanders (11 procent) veel overlast te hebben van een of meer vormen van sociale overlast. Dit is vergelijkbaar met 2017, maar minder dan in 2012. Ten opzichte van 2012 is er minder overlast van rondhangende jongeren, dronken mensen op straat, en mensen die op straat worden lastiggevallen. De overlast van drugsgebruik of drugshandel en de overlast door buurtbewoners zijn niet veranderd ten opzichte van 2012. In vergelijking met 2017 is de drugsoverlast toegenomen en is de overlast van rondhangende jongeren afgenomen.

Verkeersoverlast

Bij verkeersoverlast in de buurt gaat het om ‘te hard rijden’, ‘parkeerproblemen, bijvoorbeeld fout geparkeerde voertuigen of drukte’, en ‘agressief gedrag in het verkeer’. Te hard rijden is het grootste overlastprobleem. In 2019 geeft ruim een op de vijf (22 procent) aan hier veel overlast van te ervaren. Van parkeerproblemen heeft een op de zes (17 procent) veel overlast. Van agressief gedrag in het verkeer wordt met 6 procent de minste overlast ervaren.

In totaal zeggen in 2019 ruim drie op de tien Nederlanders (32 procent) dat ze veel overlast ervaren van een of meer vormen van verkeersoverlast. Dat is iets meer dan in 2017 en gelijk aan 2012. Met name de overlast van te hard rijden is gestegen ten opzichte van 2017.

Overlast totaal

Het aandeel mensen dat veel overlast ervaart van een of meer van de in totaal 13 onderscheiden overlastvormen geeft de totaal ervaren overlast weer.noot2 In 2019 zegt 43 procent van de Nederlanders veel overlast te ervaren van tenminste één overlastvorm. Dit is vergelijkbaar met 2017, maar lager dan in 2012 toen dit aandeel 46 procent bedroeg.

43% ervaart veel overlast in de buurt Buitenvorm Binnenvorm

Overlast naar stedelijkheid

In meer verstedelijkte gebieden ervaren inwoners duidelijk meer buurtoverlast dan in minder verstedelijkte gebieden. In 2019 geeft in zeer sterk stedelijke gebieden meer dan de helft van de inwoners (52 procent) aan veel overlast van een of meer van de 13 genoemde overlastvormen te ervaren, tegen een derde (34 procent) van de inwoners in niet-stedelijke gebieden.

Overlast naar politieregio

Op het schaalniveau van de tien regionale eenheden varieert het aandeel inwoners dat veel overlast in de buurt ervaart in 2019 van 38 procent in de regionale eenheden Noord-Nederland en Oost-Nederland tot 51 procent in de regionale eenheden Amsterdam en Rotterdam. Op het niveau van de 167 basisteams lopen de uitkomsten uiteen van 25 procent in basisteam Horst/Peel en Maas tot 79 procent in basisteam De Heemstraat.

In tabellenbijlage II is weergegeven in welke regionale eenheden, politiedistricten en basisteams de buurtoverlast – rekening houdend met de betrouwbaarheidsmarges rond de uitkomsten – hoger of lager is dan het landelijke gemiddelde. Zo is de overlast hoger dan gemiddeld in de regionale eenheden Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Limburg, en is de overlast lager dan gemiddeld in de eenheden Noord-Nederland, Oost-Nederland en Oost-Brabant.

Overlast naar 70.000+ gemeente

In de 70 000+ gemeenten is meer sprake van buurtoverlast dan landelijk gemiddeld. In deze gemeenten ervaart in 2019 bijna de helft van de inwoners (49 procent) veel buurtoverlast. Landelijk is dit 44 procent (zie figuur 2.2.1). In vergelijking met 2017 is de ervaren buurt­overlast in de 70 000+ gemeenten niet wezenlijk veranderd.

Binnen de groep van 70 000+ gemeenten wordt de meeste buurtoverlast ervaren in de G4 (55 procent), gevolgd door de G40 (48 procent) en ten slotte de overige 70 000+ gemeenten (41 procent). Ook deze overlastpercentages zijn vergelijkbaar met die van 2017.

Op het niveau van de 52 afzonderlijke 70 000+ gemeenten varieert het aandeel inwoners dat veel overlast in de buurt ervaart in 2019 van 34 procent in Westland tot 64 procent in Schiedam.

In de tabellenbijlage III is weergegeven in welke 70 000+ gemeenten de buurtoverlast – rekening houdend met de betrouwbaarheidsmarges rond de uitkomsten – hoger of lager is dan het gemiddelde van deze 70 000+ gemeenten. In de gemeenten Amsterdam, Arnhem, Dordrecht, Heerlen, Rotterdam, ’s Gravenhage, Schiedam, Sittard-Geleen, Venlo, Vlaardingen en Zaanstad is de overlast hoger dan gemiddeld. Lager dan gemiddeld is de buurtoverlast in de gemeenten Almelo, Alphen aan den Rijn, Amstelveen, Apeldoorn, Delft, Ede, Groningen, Haarlemmermeer, Hengelo, Hoeksche Waard, Leiden, Leidschendam-Voorburg, Meierijstad, Oss, Súdwest Fryslân, Westland en Zwolle

Noten

Bij de berekening van het aandeel personen dat ‘veel overlast’ ervaart is telkens gepercenteerd op de totale populatie, en dus niet alleen op degenen die zeggen dat de betreffende overlastvorm wel eens voorkomt.

Het betreft vier overlastvormen in de categorie fysieke verloedering, vijf overlastvormen in de categorie sociale overlast, drie overlastvormen in de categorie verkeersoverlast, aangevuld met de overlastvorm ‘hinder van horecagelegenheden, zoals cafés, restaurants of snackbars’. De categorie ‘andere vorm van overlast’ blijft buiten beschouwing.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2018–2019 2018 tot en met 2019
2018/2019 Het gemiddelde over de jaren 2018 tot en met 2019
2018/’19 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2018 en eindigend in 2019
2016/’17–2018/’19 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2016/’17 tot en met 2018/’19

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Math Akkermans

Willem Gielen

Rianne Kloosterman

Kim Knoops

Ger Linden

Elke Moons

Met medewerking van

José Gouweleeuw

Jos Kickken

Ralph Meijers

Inge Muijs

Marie-José Poublon-Schijns