1 op de 6 vrouwelijke ondernemers is internationaal georiënteerd in 2019

Foto omschrijving: Minister Sigrid Kaag (Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking) heeft gesproken met haar Surinaamse collegae

Kenmerken van het internationale bedrijfsleven

Auteurs: Sarah Creemers, Bart Loog, Tim Peeters, Janneke Rooyakkers

Aandeel vrouwen in het totale Nederlandse bedrijfsleven en in het internationaal actieve bedrijfsleven uitgesplitst naar bedrijfstak. In de groot- en detailhandel was het aandeel vrouwelijke ondernemers in het internationaal actieve bedrijfsleven met ruim 29 procent in 2019 het grootst. Aandeel vrouwen in het (internationale) bedrijfsleven, 2019 Handel Specialistische zakelijke diensten Industrie Bouwnijverheid Informatie en communicatie Aandeel vrouwen in internationaal actieve ondernemers = 1% Aandeel vrouwen in totaal aantal ondernemers 29,4% 33,2% 27,1% 36,2% 19,9% 23,7% 13,2% 5,0% 12,7% 13,9%

Dit hoofdstuk gaat in op de vraag wat de kenmerken zijn van bedrijven én ondernemers die internationaal handelen. Eerst wordt het Nederlandse bedrijfsleven vanuit handelsperspectief besproken: in hoeverre exporteren bedrijven, importeren ze of doen ze beide? In hoeverre behoren internationaal handelende bedrijven tot het zelfstandig mkb of het grootbedrijf? In welke bedrijfstak vinden we de meeste internationale handelaren terug? Verder worden de internationaal actieve ondernemers uitgelicht: in welke mate bestaat de populatie van internationaal actieve ondernemers uit vrouwen en hoe verschilt dat per leeftijdscategorie en bedrijfstak? Tot slot vergelijken we personeelskenmerken van bedrijven die voor hun productieproces of omzet in meer of mindere mate afhankelijk zijn van goedereninvoer of -uitvoer.

3.1Belangrijkste bevindingen

Als 17e economie, 4e goederen-, 4e dienstenexporteur en 3e investeerder ter wereld staat Nederland er internationaal goed voor (UNCTAD, 2021a, b, c, d). Om die positie te verstevigen, ondersteunt Nederland met name het midden- en kleinbedrijf, startups en vrouwelijke ondernemers met haar handelsbeleid aangezien daar waarschijnlijk het grootste onbenut potentieel ligt om internationaal te ondernemen (Kaag, 2018).

Als we de groep van bijna 1,3 miljoen bedrijven in het Nederlandse bedrijfsleven van 2019 vanuit handelsperspectief bekijken, dan zien we dat twee op de drie bedrijven geen goederen of diensten buiten Nederland verhandelde. In 2019 was 34 procent van de bedrijven dus een actieve internationale handelaar. Voor het zelfstandig mkb was dat 33 procent, terwijl dit voor het grootbedrijf 89 procent was.

De groep internationale handelaren bestaat uit bedrijven die onderling sterk van elkaar verschillen. Allereerst kan de groep handelaren opgesplitst worden naar handelsstatus. Zo zien we dat internationale handelaren uit het Nederlandse bedrijfsleven in 67 procent van de gevallen enkel goederen en/of diensten importeren. Zo’n 10 procent van de handelaren is uitsluitend exporteur. Dat betekent dat de overige 23 procent zowel importeert als exporteert. Van alle bedrijven die internationaal handelen is bijna 3 op de 10 actief in de bedrijfstak groot- en detailhandel. Voor de bedrijfstakken specialistische zakelijke diensten en informatie en communicatie is dat respectievelijk 26 en 10 procent. 5 op de 100 internationaal opererende bedrijven was in 2019 een multinational. In vergelijking met het totale Nederlandse bedrijfsleven is het aandeel multinationals in het totaal aantal internationale handelaren bovengemiddeld hoog.

Het Nederlandse bedrijfsleven telde in 2019 ruim 445 duizend bedrijven die internationaal actief waren. Dat zijn de internationaal handelende bedrijven én de multinationals die geen internationale handel hadden. Doordat deze laatste groep bedrijven deel zijn van een internationaal concern, zijn ze per definitie internationaal actief. De productiviteit van het Nederlandse internationaal actieve bedrijfsleven ging in 2019 omhoog. De productiviteit per werkzame persoon was in 2019 zo’n 76 duizend euro; in 2018 was dat nog 70 duizend euro.

Zo’n 44 procent van de internationaal actieve bedrijven bestaat 10 jaar of langer, bijna 22 procent bestaat tussen de 5 en 10 jaar en nog eens 34 procent bestaat minder dan 5 jaar. De bedrijfstakken industrie, bouw, en vervoer en opslag kennen relatief gezien de meeste bedrijven met een leeftijd van 10 jaar of ouder.

Circa 7,9 duizend bedrijven realiseerden in 2019 vlak na hun oprichting al meteen een deel van hun verkopen in het buitenland. Daarmee kan een kwart van de startende exporteurs in 2019 getypeerd worden als born global. Iets minder dan twee op de drie born globals start in de specialistische zakelijke dienstverlening of groot- en detailhandel.

In alle onderscheiden sectoren waren in 2019 minstens tweemaal zoveel mannelijke als vrouwelijke ondernemers internationaal actief. Echter, van het totaal aantal vrouwelijke ondernemers is een vergelijkbaar percentage (17 procent) internationaal actief als bij mannelijke ondernemers (18 procent). De mediane handelswaarde van zowel de goederen- als de dienstenuitvoer van vrouwelijke ondernemers is wel ongeveer 10 duizend euro lager dan die van mannelijke ondernemers. Bij de goederenuitvoer gaat het om een verschil van 19 procent en bij de dienstenuitvoer om een verschil van 25 procent.

Van de bedrijven die goederen invoeren is 80 procent van de voltijdequivalenten werkzaam bij bedrijven waarvan het aandeel invoer ten opzichte van de omzet maximaal 25 procent bedraagt. Werknemers bij bedrijven met een relatief hoge verhouding goedereninvoer of -‍uitvoer ten opzichte van de omzet verdienen gemiddeld hogere lonen. Bedrijven waarvan de importintensiteit groter is dan 75 procent betalen hun werknemers gemiddeld 7 euro bruto per uur meer.

3.2Nederlandse bedrijfsleven vanuit handelsperspectief

In 2019 bestond het Nederlandse bedrijfsleven (zie leeskader voor meer uitleg) uit bijna 1,3 miljoen bedrijven. Die groep kan onderverdeeld worden in bedrijven die uitsluitend importeren, uitsluitend exporteren, two-way traders (bedrijven die importeren én exporteren) en bedrijven die geen goederen- of dienstenhandel hebben en dus in het geheel niet internationaal handelen.noot1 Bedrijven behoren tot de categorie ‘geen internationaal handelaar’ als ze geen internationale goederen- of dienstenhandel rapporteren en uitsluitend op de binnenlandse markt gericht zijn.

Wat is het Nederlandse bedrijfsleven?

Tot het Nederlandse bedrijfsleven worden de bedrijven gerekend in het Algemeen Bedrijven Register (ABR) die tot de secties B tot en met N plus divisie S95 behoren, met uitzondering van die in sectie K. Deze afbakening wordt internationaal aangeduid als de ‘non-financial business economy’. Deze categorie is een samenstelling van de volgende bedrijfstakkennoot2:

  • B Delfstoffenwinning;
  • C Industrie;
  • D Energie;
  • E Water en afvalbeheer;
  • F Bouwnijverheid;
  • G Groot- en detailhandel;
  • H Vervoer en opslag;
  • I Horeca;
  • J Informatie en communicatie;
  • L Verhuur en handel in onroerend goed;
  • M Specialistische zakelijke diensten;
  • N Verhuur en overige zakelijke diensten;
  • S95 Reparatie van consumentenartikelen.

Een op de drie bedrijven uit Nederlandse bedrijfsleven handelt internationaal

In 2019 was bijna 34 procent van het Nederlandse bedrijfsleven (oftewel ongeveer 442 duizend bedrijven) een internationale goederen- en/of dienstenhandelaar. Dat zijn er bijna 24 duizend meer dan het jaar ervoor. Van die actieve internationale handelaren had 67 procent uitsluitend import, 10 procent uitsluitend export en 23 procent importeerde én exporteerde (oftewel een two-way trader), zie figuur 3.2.1. Veruit de grootste groep in het Nederlandse bedrijfsleven bestaat echter uit niet-handelaren. In 2019 omvatte deze groep namelijk circa 853 duizend bedrijven. Daarmee verhandelen twee op de drie bedrijven uit het Nederlandse bedrijfsleven geen goederen of diensten buiten Nederland.

In 2019 telde het Nederlandse bedrijfsleven ruim 71 duizend bedrijven meer dan een jaar eerder, zie figuur 3.2.1. Dat is een toename van 5,8 procent. Ten opzichte van 2018 is de samenstelling naar handelsstatus (of bedrijven wel of niet internationaal handelen) zo goed als onveranderd.

3.2.1 Bedrijven naar handelsstatus voor Nederlandse bedrijfsleven (1 000 bedrijven)
Jaar Importeur Exporteur Two-way trader Geen internationaal handelaar
2019 292 46 97 860
2018 276 45 97 806
2014 195 37 76 747

Vergeleken met 2014 is in 2019 het totaal aantal bedrijven in het Nederlandse bedrijfsleven met 23 procent toegenomen. Omdat het totaal aantal internationale handelaren in deze periode harder groeide (+43 procent) dan het aantal niet-handelaren (+14 procent) is het aandeel niet-handelaren iets afgenomen. Binnen de groep handelaren zien we vooral een sterke groei in het aantal bedrijven dat uitsluitend importeert. Vergeleken met 2014 zijn dat er bijna 100 duizend meer, wat neerkomt op een stijging van 51 procent. De stijging van het aantal handelaren dat zaken doet met het buitenland hangt onder andere samen met het toenemende aantal bedrijven in het Nederlandse bedrijfsleven. Ook de groeiende wereldhandel speelt mee. De toenemende digitalisering heeft namelijk ook de internationale handel onmiskenbaar veranderd. Het verlaagt de kosten van deelname aan internationale handel, verbindt bedrijven en consumenten wereldwijd, helpt ideeën en technologieën te verspreiden en vergemakkelijkt de coördinatie van mondiale waardeketens (OECD, 2019). Voor bedrijven is het door digitalisering makkelijker geworden om hun producten over de grens te verkopen, bijvoorbeeld via online platforms, waar dat voorheen te duur of te ingewikkeld was (Polder & Rooyakkers, 2021).

Bedrijven in groot- en detailhandel of industrie handelen relatief vaak internationaal

De aantallen bedrijven die wel of niet internationaal handelen verschillen aanzienlijk tussen de bedrijfstakken, zie figuur 3.2.2. Zo is het aandeel internationale handelaren in de bedrijfstakken groot- en detailhandel, industrie, en informatie en communicatie bovengemiddeld hoog. We weten dat een derde van de bedrijven uit het Nederlandse bedrijfsleven zaken doet met het buitenland. Voor de groot- en detailhandel is dat zelfs 52 procent. Dat is op zich niet verwonderlijk, omdat bedrijven in de groothandel een onmisbare schakel vormen tussen leveranciers en afnemers. Deze bedrijfstak levert namelijk ondersteunende diensten en verbindt zodoende vele sectoren in binnen- en buitenland (CBS, 2019b). Van alle bedrijven die internationaal handelen is bijna 3 op de 10 actief in deze bedrijfstak.

Ook de Nederlandse industrie is sterk verweven met het buitenland: 47 procent van de bedrijven in de industrie handelde buiten Nederlandse grenzen in 2019. Zo is de Nederlandse industrie bijvoorbeeld sterk afhankelijk van de export omdat de meeste afnemers van de industrie zich in de andere Europese landen bevinden (de Boeck, 2017). De voedings­middelen­industrie en de drankenindustrie zijn voorbeelden van bedrijfstakken die steeds afhankelijker van het buitenland zijn geworden (CBS, 2017). Behalve van de export is de sector ook sterk afhankelijk van de import van buitenlandse producten (de Boeck, 2017). Van de totale goederenimport van bijna 460 miljard euro werd in 2019 meer dan 105 miljard euro door de industrie ingevoerd. Een deel van de import wordt direct geconsumeerd in Nederland, maar er worden ook intermediaire goederen en diensten ingevoerd die hier verder verwerkt worden in het productieproces en daarna geconsumeerd of weer uitgevoerd worden.

3.2.2 Type handelaar per bedrijfstak, 2019 (%)
Bedrijfstak Importeur Exporteur Two-way trader Geen internationaal handelaar
Industrie 23,4 3,5 19,8 53,3
Bouwnijverheid 15,4 1,2 1,9 81,5
Groot- en detailhandel 32,3 3,4 16,5 47,8
Vervoer en opslag 18,4 4,5 9,1 67,9
Horeca 28,2 0,7 0,9 70,3
Informatie en communicatie 27,9 6,0 9,5 56,7
Verhuur en handel van onroerend goed 17,7 1,2 1,4 79,7
Specialistische zakelijke diensten 19,5 5,0 4,6 70,9
Verhuur en overige zakelijke diensten 18,8 3,1 4,5 73,6
Overige bedrijfstakken 20,3 1,5 3,4 74,8
. . . .
NL bedrijfsleven 22,8 3,6 7,8 65,9

Omgekeerd is het aandeel internationale handelaren in de bouwnijverheid met 18 procent beduidend lager dan in het Nederlandse bedrijfsleven. Desondanks is het aantal internationale handelaren in deze bedrijfstak wel met 70 procent gestegen ten opzichte van 2014. Het aantal internationale handelaren in de horeca steeg in 2019 ten opzichte van 2014 met circa 93 procent tot net geen 20 duizend bedrijven. Echter, het aandeel internationale handelaren in deze sector bedraagt zo’n 30 procent. Daarbinnen zien we bovendien vooral een sterke groei in het aantal uitsluitend importeurs. In absolute zin is het aantal internationale handelaren voor alle bedrijfstakken gegroeid vergeleken met 2014.

52% van de bedrijven in de groot- en detailhandel handelde buiten Nederlandse grenzen in 2019 Buitenvorm Binnenvorm

Tussen de bedrijfstakken zijn er ook aanzienlijke verschillen in het aandeel bedrijven dat uitsluitend importeert, uitsluitend exporteert of zowel importeert als exporteert, zoals zichtbaar in figuur 3.2.2. Van alle bedrijfstakken had in 2019 de groot- en detailhandel met 32 procent relatief gezien de meeste bedrijven die uitsluitend importeerden, terwijl dat voor het totale Nederlandse bedrijfsleven 23 procent was. De bedrijfstak met het hoogste percentage bedrijven dat alleen exporteert, is de sector informatie en communicatie (6 procent).noot3 Voor het totale Nederlandse bedrijfsleven is dat aandeel 3,6 procent. Two-way traders kwamen met bijna 20 procent relatief gezien het vaakst voor in de industrie.

89 op de 100 grote bedrijven handelen internationaal

Het Nederlandse bedrijfsleven kan verder opgedeeld worden naar bedrijfsgrootte. Het zelfstandig midden- en kleinbedrijf omvat alle bedrijven in het Nederlandse bedrijfsleven die in Nederlandse handen zijn en waar minder dan 250 personen werkzaam zijn bij het gehele concern. Het grootbedrijf omvat alle bedrijven in het Nederlandse bedrijfsleven die onderdeel uitmaken van een concern met minstens 250 werkzame personen en/of een onderdeel zijn van een concern dat in buitenlandse handen is.

Van de bijna 1,3 miljoen bedrijven uit het totale Nederlandse bedrijfsleven in 2019 behoorden 1,28 miljoen bedrijven tot het zelfstandig mkb en 17 duizend tot het grootbedrijf. Bijna 99 procent behoorde daarmee tot het zelfstandig mkb. Van alle bedrijven die internationaal handelen behoort circa 97 procent tot het zelfstandig mkb.

Het zelfstandig mkb is veel minder vaak actief als internationale handelaar dan het grootbedrijf, zie figuur 3.2.3. Waar voor het zelfstandig mkb in 2019 twee op de drie bedrijven geen zaken deed met het buitenland, was dit voor het grootbedrijf maar 11 procent. Het is algemeen bekend dat kleine bedrijven minder op internationale markten handelen dan grotere bedrijven (Bernard et al., 2007 en 2012). Het zelfstandig mkb ondervindt verschillende belemmeringen bij het toetreden tot buitenlandse markten. Zo kost het moeite om lokale partners te vinden, ontbreekt het hen vaak aan lokale marktkennis, verschilt de wet- en regelgeving, hebben ze minder makkelijk toegang tot financiering en gaat exporteren veelal gepaard met betaal- en valutarisico’s. Hoe groter de omvang van het bedrijf, hoe groter de kans dat een bedrijf exporteert (Brakman et al., 2018). In vergelijking met het grootbedrijf doet het zelfstandig mkb meer ‘in eigen beheer’ en is het minder verweven in internationale waardeketens. Hierdoor is het zelfstandig mkb meer op de lokale markt gericht voor zowel hun vraag als aanbod van goederen en diensten en minder gericht op directe verkoop aan buitenlandse markten (Statistics Denmark & OESO, 2017; Chong et al., 2019). Voor zowel het zelfstandig mkb als het grootbedrijf is het aandeel internationale handelaren in vergelijkbare mate gegroeid in de periode 2014–2019.

Tussen de twee groepen is er voornamelijk een groot verschil in het aandeel two-way traders. Van het zelfstandig mkb was 7 procent een two-way trader terwijl dit voor het grootbedrijf 65 procent was. Two-way traders zijn per definitie de ondernemingen die het sterkst en direct verweven zijn in wereldwijde waardeketens (Statistics Denmark & OESO, 2017). Two-way trade neemt doorgaans toe met bedrijfsgrootte (van den Berg, 2013).

Het percentage bedrijven dat alleen exporteert of importeert, is bij het zelfstandig mkb en het grootbedrijf vergelijkbaar. Circa 23 procent van de zelfstandig mkb-bedrijven in het Nederlandse bedrijfsleven importeerde alleen goederen en/of diensten in 2019, terwijl dat bij het grootbedrijf 20 procent was. Bij zowel het zelfstandig mkb als het grootbedrijf was zo’n 4 procent van de bedrijven uitsluitend exporteur.

3.2.3 Verdeling type handelaar naar grootte, 2019 (%)
Grootte Importeur Exporteur Two-way trader Geen internationaal handelaar
Zelfstandig mkb 22,8 3,6 7,0 66,6
Grootbedrijf 20,3 3,7 64,8 11,2

Voor zowel het zelfstandig mkb als het grootbedrijf geldt dat de bedrijfstak informatie en communicatie in 2019 met respectievelijk 6 en 7 procent relatief gezien de meeste bedrijven met uitsluitend export kende. Bij de groep two-way traders zien we grote verschillen tussen het zelfstandig mkb en het grootbedrijf wat betreft aandelen. Voor beiden is de industrie de bedrijfstak met relatief gezien de meeste two-way traders. Bij de industriële bedrijven uit de categorie grootbedrijf is namelijk ruim 8 op de 10 een two-way trader. Bij het zelfstandig mkb ligt dit aandeel op circa 17 procent. Voor de groep zelfstandig mkb-bedrijven zijn de meeste uitsluitend importeurs actief in de groot- en detailhandel. Voor het grootbedrijf spant de horeca de kroon qua aantal en aandeel uitsluitend importeurs.

5 procent van de internationale handelaren is een multinational

Naast het onderscheid tussen het zelfstandig mkb en het grootbedrijf kan het Nederlandse bedrijfsleven ook opgesplitst worden naar multinationalstatus. Nederland telt steeds meer multinationals: in 2019 waren er 26 duizend multinationals actief in het Nederlandse bedrijfsleven. Dit komt neer op 2 procent van het totaal.

Van alle bedrijven die internationaal handelen is ruim 5 procent een multinational. In vergelijking met het totale Nederlandse bedrijfsleven is het aandeel multinationals in het totaal aantal internationale handelaren dus bovengemiddeld hoog. Figuur 7.3.8 in hoofdstuk 7 van deze publicatie laat zien dat hun aandeel in de internationale goederen- en dienstenhandel eveneens groot is. Deze twee groepen (multinational versus niet-multinational) verschillen in de mate waarin ze al dan niet internationaal handelen. Waar bij de niet-multinationals in 2019 33 procent zaken deed met het buitenland, was dit bij multinationals 88 procent. Multinationals hebben meestal veel kennis over buitenlandse markten door hun buitenlandse moeder- of dochterondernemingen.

Het CBS kan een onderscheid maken tussen Nederlandse en buitenlandse multinationals. Een Nederlandse multinational is een bedrijf onder Nederlandse zeggenschap met dochters (meerderheidsdeelnemingen) in het buitenland. Een buitenlandse multinational is een in Nederland gevestigd dochterbedrijf waarover de uiteindelijke zeggenschap in het buitenland ligt. Binnen de groep multinationals stond 53 procent onder buitenlandse zeggenschap en was 47 procent in Nederlandse handen. De handelsstatus (uitsluitend importeur, uitsluitend exporteur, two-way-trader, geen internationale handelaar) is qua aandelen vergelijkbaar tussen beide types multinational. Zowel de Nederlandse als de buitenlandse multinationals behoren het vaakst tot de categorie two-way trader.

In de periode 2014–2019 nam het aantal Nederlandse multinationals toe met 4 procent, terwijl het aantal buitenlandse multinationals steeg met 11 procent. Het aantal internationale handelaren is in dezelfde periode voor beide types bedrijven gestegen. Voor Nederlandse multinationals komt dat neer op een stijging van 10 procent. Multinationals onder buitenlandse zeggenschap telden in 2019 zo’n 15 procent internationaal opererende handelaren meer vergeleken met 2014.

3.3Het internationaal actieve bedrijfsleven

In bovenstaande paragraaf lag de focus op de internationale handelaren van het Nederlandse bedrijfsleven. Deze paragraaf gaat dieper in op de internationaal actieve bedrijven. Daarbij gaat het niet alleen om de bedrijven met in- en/of uitvoer, maar ook de multinationals worden hier meegenomen. Dat zijn bedrijven met een moeder- en/of dochterbedrijf in het buitenland: ze zijn daarom per definitie internationaal actief. De meeste multinationals handelen ook internationaal, maar een klein aandeel (12 procent) had in 2019 geen in- en/of uitvoer. Het Nederlandse bedrijfsleven telde in 2019 ruim 445 duizend bedrijven die internationaal actief waren. Dit zijn dus de internationale handelaren uit paragraaf 3.2 plus enkele multinationals die in 2019 geen internationale handel hadden.

Tabel 3.3.1 geeft een aantal kernindicatoren voor het internationaal actieve bedrijfsleven weer. Zo blijkt dat veruit de meeste bedrijven van het Nederlandse internationaal actieve bedrijfsleven in de bedrijfstak groot- en detailhandel zitten. Ook zijn er veel bedrijven in de zakelijke dienstverlening internationaal actief. Gemiddeld heeft bijna 6 procent van de internationaal actieve bedrijven een moeder- en/of dochterbedrijf in het buitenland. Bij de sectoren delfstoffenwinning, energievoorziening en water- en afvalbeheer ligt dat aandeel een stuk hoger. Echter, het betreft hier slechts kleine sectoren qua aantal bedrijven.

3.3.1Kernindicatoren voor het internationaal actieve bedrijfsleven, 2019
Aantal internationaal actieve bedrijven Aandeel multinationals Aandeel exporteurs Productiviteit Gemiddeld loon
Sector   % % 1 000 euro per werkzame persoon per jaar euro per uur
Delfstoffenwinning 265 41,5 64,2 597 40
Industrie 34 615 11,3 49,6 105 26
Energievoorziening 480 28,1 29,2 298 33
Waterbedrijven en afvalbeheer 825 18,2 53,3 113 25
Bouwnijverheid 37 825 2,7 16,7 85 25
Groot- en detailhandel 137 895 6,5 37,9 69 21
Vervoer en opslag 16 980 9,8 42,1 86 23
Horeca 19 905 1,7 5,1 31 15
Informatie en communicatie 46 550 5,8 35,3 105 31
Verhuur en handel van onroerend goed 6 595 12,2 12,5 219 28
Specialistische zakelijke diensten 116 135 4,0 32,6 87 31
Verhuur en overige zakelijke diensten 23 475 6,3 28,4 42 18
Reparatie 3 670 0,8 17,4 43 18
Totaal internationaal actieve bedrijfsleven 445 220 5,8 33,0 76 24

De meeste bedrijven zijn alleen actief als importeur, gemiddeld heeft 33 procent van de internationaal actieve bedrijven ook export.noot4 Alleen bij de delfstoffenwinning (64 procent) en de water- en afvalbeheer bedrijven (53 procent) heeft meer dan de helft van de internationaal actieve bedrijven (ook) export.noot5

Verschillende onderzoekers hebben aangetoond dat er een positief verband bestaat tussen internationale handel en productiviteit. Het mechanisme hierachter staat nog ter discussie. Enerzijds kan internationale handel leereffecten (spill-overs) opleveren, bijvoorbeeld op het gebied van technologie, waardoor bedrijven productiever worden (Keller & Yeaple, 2003). Anderzijds kan er ook sprake zijn van voorselectie door de bedrijven zelf: de bedrijven die gaan handelen, zijn al productiever dan vergelijkbare bedrijven die er niet voor kiezen of voor wie het niet lukt om de internationale markt op te gaan (Bernard & Jensen, 1999; Melitz, 2003). Ook uit onderzoek voor Nederlandse bedrijven blijkt dat het internationaal actieve bedrijfsleven productiever is dan het totale bedrijfsleven in Nederland, waarbij de resultaten duiden op zelfselectie (Kox & Rojas-Romagosa, 2010).

In tabel 3.3.1 is de productiviteit per bedrijfstak zichtbaar: in tabel 3.5 in de tabellenset (te vinden op de landingspagina van deze publicatie) wordt ook de productiviteit van het totale Nederlandse bedrijfsleven weergegeven. Daaruit blijkt dat de Nederlandse internationaal actieve bedrijven productiever zijn dan alle bedrijven in het Nederlandse bedrijfsleven: in 2019 was de productiviteit van het Nederlandse bedrijfsleven als totaal zo’n 72 duizend euro per werkzame persoon; voor de internationaal actieve bedrijven was dat zo’n 76 duizend euro. Daarnaast groeide de productiviteit van de internationaal actieve bedrijven in 2019 ook wat harder; een toename van zo’n 8,5 procent ten opzichte van 2018, terwijl de productiviteit van het totale bedrijfsleven met circa 7,6 procent groeide. Doordat hier geen prijsontwikkelingen meegenomen zijn, kunnen de ontwikkelingen over tijd niet per bedrijfstak vergeleken worden. Tussen sectoren bestaan er aanzienlijke verschillen in productiviteit, zoals zichtbaar in tabel 3.3.1. Voor alle sectoren afzonderlijk geldt ook dat de productiviteit vergelijkbaar of hoger is voor internationaal actieve bedrijven dan voor het totale Nederlandse bedrijfsleven.

Het gemiddelde bruto-uurloon bij de internationaal actieve bedrijven was in 2019 circa 24 euro per uur, net zoals een jaar eerder. De lonen zijn het hoogst bij de delfstoffenwinning, traditioneel een sector met gespecialiseerd personeel en hoge salarissen (CBS, 2021). In de horeca zijn de lonen het laagst, wat ongetwijfeld te maken heeft met de leeftijdsopbouw van de werkzame personen in deze sector: veel scholieren en studenten werken in de horeca.

Meeste internationaal actieve bedrijven bestaan 10 jaar of langer

De internationaal actieve bedrijven kunnen ook onderscheiden worden naar leeftijd, zie figuur 3.3.2. De meeste bedrijven die internationaal actief zijn, bestaan 10 jaar of langer. Zo’n 44 procent bestaat 10 jaar of langer, bijna 22 procent bestaat tussen de 5 en 10 jaar en nog eens 34 procent bestaat minder dan 5 jaar. Deze aandelen zijn vergelijkbaar met voorgaande jaren. Wanneer we naar de bedrijfstakken kijken, valt op dat de industrie relatief gezien de meeste internationaal actieve bedrijven kent met een leeftijd van 10 jaar of ouder (57 procent). Ook in de bouwsector en de sector vervoer en opslag zijn er relatief veel internationaal actieve bedrijven die 10 jaar of langer bestaan. Het percentage internationaal actieve bedrijven tot 5 jaar is in geen van de bedrijfstakken meer dan 40 procent.

3.3.2 Internationaal actief bedrijfsleven naar bedrijfstak, 2019 (%)
Bedrijfstak Jonger dan 5 jaar 5 tot 10 jaar oud 10 jaar of ouder
Industrie 26,3 16,9 56,8
Bouwnijverheid 29,7 19,2 51,1
Groot- en detailhandel 32,2 19,2 48,6
Vervoer en opslag 29,7 18,0 52,3
Horeca 36,1 20,4 43,5
Informatie en communicatie 37,9 26,0 36,1
Verhuur en handel van onroerend goed 35,3 19,9 45,0
Specialistische zakelijke diensten 38,1 26,0 35,9
Verhuur en overige zakelijke diensten 37,9 22,7 39,3
Overige bedrijfstakken 29,8 21,9 48,5
. . .
Totaal internationaal actieve bedrijfsleven 34,3 21,6 44,1

3.4Dynamiek van exporteurs: born globals

De groep bedrijven die goederen of diensten naar het buitenland exporteert, is bijzonder divers en aan flinke dynamiek onderhevig. Er is jaarlijks nieuwe aanwas en er zijn bedrijven die al dan niet noodgedwongen hun (internationale) deuren sluiten.

10710 startende exporteurs in specialistische zakelijke dienstverlening in 2019, waarvan 27 procent born globals. 8975 startende exporteurs in groot- en detailhandel in 2019, waarvan 26 procent born globals. 3795 startende exporteurs in informatie en communicatie in 2019, waarvan 27 procent born globals. Dynamiek van (alle) exporteurs, 2019 Bedrijven in de specialistische zakelijke dienstverlening Bedrijven in de groot- en detailhandel Bedrijven in de informatie en communicatie Startende exporteurs Born globals Startende exporteurs Born globals 10 710 8 975 2 305 3 795 1 020 2 870

Een op de vier startende exporteurs is een born global

In 2019 trokken ruim 18,4 duizend bedrijvennoot6 zich terug van de internationale markt als exporteur, zie figuur 3.4.1. Bedrijven kunnen hier verschillende redenen voor hebben. Omgekeerd zien we dat ruim 32 duizend bedrijvennoot7 in 2019 gestart zijn met exporteren. Dit zijn bedrijven die voorheen nog niet exporteerden maar dat wel zijn gaan doen, bijvoorbeeld omdat er orders uit het buitenland binnenkomen, de binnenlandse markt te klein wordt of de concurrentie hen ertoe drijft (CBS, 2019a).

3.4.1 Dynamiek van exporteurs (1 000 bedrijven)
Jaar Dynamiek Stoppende exporteurs Born globals Overige starters
2019 Stoppende exporteurs, 2019 18,4 . .
2019 Startende exporteurs, 2019 . 7,9 24,1
2018 Stoppende exporteurs, 2018 19,1 . .
2018 Startende exporteurs, 2018 . 7,3 22,5
2017 Stoppende exporteurs, 2017 15,8 . .
2017 Startende exporteurs, 2017 . 7,1 22,9

De internationalisering van bedrijven wordt vaak gezien als een geleidelijk proces (Lopez et al., 2009; Sui & Baum, 2014). Eerst groeien bedrijven op de binnenlandse markt en vervolgens breiden ze geleidelijk de omvang van hun internationale activiteiten uit. Daarmee kunnen bedrijven kennis over buitenlandse markten opbouwen en het risico dat daarmee gepaard gaat beter beheersen (Cremers et al., 2019). Er zijn echter ook andere manieren waarop bedrijven internationaliseren. Een bijzonder soort startende exporteur is de zogenaamde ‘born global’. Dit zijn bedrijven die in het jaar van oprichting direct goederen en/of diensten exporteren. Een kwart van de startende exporteurs in 2019 kan getypeerd worden als born global. Circa 7,9 duizend bedrijven realiseerden in 2019 vlak na hun oprichting al meteen een deel van hun verkopen in het buitenland. Born globals worden gekenmerkt door het vermogen om de initiële barrières te overwinnen die gepaard gaan met het betreden van buitenlandse markten zonder eerst een sterke aanwezigheid op de thuismarkt te vestigen (Ferguson et al., 2021).

Het aantal stoppende en startende exporteurs is in 2019 gegroeid ten opzichte van 2017. Deze groei zien we ook terug bij het aantal born globals, zoals blijkt uit figuur 3.4.1. In 2017 waren er 7 duizend born globals, 850 minder dan in 2019. Het aantal born globals is daarmee procentueel gezien harder gegroeid dan het aantal startende exporteurs. Dat heeft ertoe geleid dat het aandeel born globals in het totaal aantal startende exporteurs in 2019 hoger lag dan in 2017.

In Cremers et al. (2019) worden de kenmerken van born globals verder uitgediept. Zo hebben born globals gemiddeld gezien meer exportbestemmingen, meer handelsrelaties en een hogere omzet uit export dan de gemiddelde starter. Tevens groeien born globals harder dan andere starters in de jaren na de exportstart. Born globals hebben ook een hogere overlevingskans dan andere starters.

36 procent van de born globals actief in zakelijke dienstverlening

Binnen de groep van goederen- en/of dienstenexporteurs waren in 2019 de meeste starters en stoppers actief in specialistische dienstverlening, groot- en detailhandel en informatie en communicatie. In die bedrijfstakken vinden we ook de meeste born globals terug, zie infographic aan het begin van deze paragraaf. In de bedrijfstak specialistische zakelijke diensten vinden we 2,9 duizend bedrijven die in 2019 zijn opgericht en ook meteen zijn begonnen met het exporteren van goederen of diensten. Dat is 27 procent van alle 10,7 duizend startende exporteurs in deze bedrijfstak. Het aandeel born globals in het totaal aantal startende exporteurs is vergelijkbaar voor de bedrijfstakken groot- en detailhandel (25,7 procent) en informatie en communicatie (26,9 procent).

Iets minder dan twee van de drie born globals start in de zakelijke dienstverlening of groot- en detailhandel. De bedrijfstak informatie en communicatie komt op de derde plaats. In 2019 was één op de acht born globals actief in de laatstgenoemde sector. 

3.5Internationaal actieve ondernemers uitgelicht

In deze paragraaf gaan we dieper in op de ondernemers achter de internationaal actieve bedrijven. Een ondernemer is een persoon die arbeid verricht voor eigen rekening of risico in een eigen bedrijf of praktijk (zelfstandig ondernemer) of als directeur in loondienst van een eigen bedrijf (directeur-grootaandeelhouder). In totaal waren er in 2019 binnen het Nederlandse bedrijfsleven circa 187 duizend ondernemersnoot8 internationaal actief. Dit betekent dat ongeveer 18 procent van alle ondernemers in het Nederlandse bedrijfsleven internationaal handelt. Van deze internationaal actieve ondernemers was iets meer dan een kwart vrouw (25,3 procent), een daling van 1 procentpunt ten opzichte van een jaar eerder. Het aandeel vrouwelijke ondernemers is daarmee iets lager dan bij de groep ondernemers die niet internationaal actief zijn (26,8 procent).

1 op de 6 vrouwelijke ondernemers is internationaal georiënteerd Buitenvorm Binnenvorm

Ondanks dat er beduidend meer mannen internationaal actief zijn, zijn vrouwen dat relatief gezien even vaak wanneer dit aantal afgezet wordt tegen het totaal aantal vrouwelijke ondernemers. Er zijn dan wel veel meer mannelijke ondernemers, maar een vergelijkbaar aandeel van mannen en vrouwen begeeft zich op de internationale markt. Figuur 3.5.1 toont dat van alle mannelijke ondernemers in 2019 zo’n 18 procent internationaal actief was, terwijl dat aandeel onder vrouwen 17 procent bedroeg. Verder valt op dat er de laatste jaren een lichte daling was van de mate waarin zowel mannen als vrouwen internationaal actief zijn. Dit is vooral een gevolg van het sneller stijgende totaal aantal ondernemers.

3.5.1 Internationaal actieve ondernemers (%)
Geslacht 2017 2018 2019
Mannelijke internationaal actieve ondernemers 18,4 18,0 17,9
Vrouwelijke internationaal actieve ondernemers 17,3 17,0 16,8

Figuur 3.5.2 toont dat er verschillen zijn in de sectoren waarin mannelijke en vrouwelijke ondernemers internationaal actief zijn. Voor beide geslachten geldt dat het grootste deel internationaal actief is in de groot- en detailhandel. Dit is een sector die dikwijls als intermediaire schakel optreedt in de nationale en internationale handelsketen van bedrijven (CBS, 2019b). Meer dan de helft van de vrouwelijke internationaal actieve ondernemers handelde in 2019 in goederen en/of diensten of stond aan het roer van een multinational binnen deze sector, ten opzichte van 44 procent van de mannelijke ondernemers. Voor zowel mannen als vrouwen is dit aandeel wel gedaald ten opzichte van 2017 (respectievelijk 1 en 2 procentpunt). Ook binnen de specialistische zakelijke dienstverlening en de horeca is het aandeel van de internationaal actieve vrouwelijke ondernemers dat tot deze sectoren behoort groter dan onder mannen. In de bouwnijverheid (9 procent) en de informatie en communicatie (8 procent) geldt daarentegen het omgekeerde. Absoluut gezien zijn in alle sectoren van het Nederlandse bedrijfsleven wel minstens dubbel zoveel mannelijke internationaal actieve ondernemers als vrouwelijke.

3.5.2 Verdeling internationaal actieve ondernemers naar sector en geslacht, 2019 (%)
Sector Mannelijke internationaal actieve ondernemers Vrouwelijke internationaal actieve ondernemers
Industrie 10,3 7,6
Bouwnijverheid 8,5 3,8
Groot- en detailhandel 43,7 53,7
Vervoer en opslag 5,1 4,2
Horeca 3,1 4,5
Informatie en communicatie 7,6 3,3
Verhuur en handel van
onroerend goed
0,9 0,7
Specialistische zakelijke diensten 15,8 17,4
Verhuur en overige zakelijke diensten 4,0 4,0
Overige sectoren 1,0 0,7

Figuur 3.5.3 toont dat de mate waarin ondernemers internationaal actief zijn samenhangt met hun leeftijd. Het aandeel van de mannelijke ondernemers dat internationaal actief is stijgt tot en met de leeftijdscategorie 45–54 jaar, waarna het afneemt. Vrouwen worden vanaf 65 jaar pas minder internationaal actief. Onder de ondernemers jonger dan 25 jaar en ouder dan 65 zijn vrouwen vaker internationaal actief dan mannen. Mogelijk speelt de zorg voor kinderen hier een rol, die zich vooral tussen deze leeftijdsgroepen voordoet. Het zijn over het algemeen vaker vrouwen die de zorg voor de kinderen op zich nemen en voor hen weegt de balans tussen werk en privé zwaarder dan voor mannen (Weerden & Martens, 2018).

3.5.3 Internationaal actieve ondernemers naar leeftijd, 2019 (%)
Leeftijdscategorie Mannelijke internationaal actieve ondernemers Vrouwelijke internationaal actieve ondernemers
15-24 jaar 6,2 6,6
25-34 jaar 12,7 11,5
35-44 jaar 18,2 15,8
45-54 jaar 22,5 19,9
55-64 jaar 21,3 20,6
65 jaar en ouder 16,1 18,9

Figuur 3.5.4 laat zien dat er ook qua handelswaarde verschillen bestaan naar geslacht. De mediane import- en exportwaarde van bedrijven met een vrouwelijke ondernemer aan het roer is lager dan bij mannelijke ondernemers. Dit geldt zowel voor de handel in goederen als diensten. De mediane waarde van de door vrouwelijke ondernemers uitgevoerde goederen was in 2019 ongeveer 10 duizend euro lager (–19 procent) dan die van mannen. Dit verschil van 10 duizend euro zien we ook bij de mediane handelswaarde van de dienstenuitvoer. Daar komt het neer op een verschil van ongeveer 25 procent. Deels reflecteren deze waardeverschillen waarschijnlijk verschillen in de bedrijfstakken waarin mannen en vrouwen internationaal actief zijn, zie ook figuur 3.5.2. Ten opzichte van 2017 daalde voor beide geslachten de mediane goederenuitvoer met ongeveer 4 procent. De mediane dienstenuitvoer daalde in deze periode ook voor bedrijven met vrouwelijke ondernemers (–3 procent), maar steeg voor bedrijven met mannelijke ondernemers (6 procent).

3.5.4 Mediane handelswaarde van internationaal actieve ondernemers, 2019 (1 000 euro)
Handelsstroom Mannelijke internationaal actieve ondernemers Vrouwelijke internationaal actieve ondernemers
Invoer van goederen 44,03 35,18
Uitvoer van goederen 53,08 42,97
Invoer van diensten 19,89 16,62
Uitvoer van diensten 37,95 28,34

3.6Personeelskenmerken en importafhankelijkheid

In deze paragraaf worden de personeelskenmerken vergeleken van bedrijven die voor hun productieproces of omzet in meer of mindere mate afhankelijk zijn van goedereninvoer of -uitvoer. Daarbij wordt de import- of exportafhankelijkheid van een bedrijf gemeten aan de hand van de zogenaamde import- of exportintensiteit. Deze worden berekend door de totale import- dan wel exportwaarde van goederen te delen door de totale omzet.noot9 Bedrijven zonder invoer of uitvoer worden in deze analyses niet meegenomen.

In 2019 waren er in totaal 2,7 miljoen voltijdequivalenten (vte’s) werkzaam bij bedrijven met invoer en 1,9 miljoen vte’s bij bedrijven met uitvoer. Daarvan werkten relatief weinig mensen bij bedrijven waarbij het aandeel invoer of uitvoer ten opzichte van de omzet hoger is dan 25 procent, zie figuur 3.6.1. Van de bedrijven die invoeren situeert de grote meerderheid, oftewel 80 procent, van het aantal vte’s zich bij bedrijven met een importintensiteit van maximaal 25 procent. Het beeld bij de exportintensiteit is met 76 procent vergelijkbaar. Het grootste deel van de werkende populatie is met andere woorden werkzaam bij de categorie bedrijven die het minst direct afhankelijk is van de invoer of uitvoer van goederen. Verder toont figuur 3.6.1 dat het aandeel van mannen in het totaal aantal vte’s aanzienlijk hoger is dan dat van vrouwen. Dit geldt bij zowel de invoer als de uitvoer voor alle intensiteitsniveaus. Hier speelt mee dat mannen doorgaans vaker dan vrouwen werkzaam zijn bij bedrijven in het Nederlandse bedrijfsleven en bij bedrijven die internationaal actief zijn, en dat vrouwen vaker in de non-profitsector werken.

3.6.1 Aantal voltijdequivalenten naar importintensiteit en geslacht, 2019 (1 000 vte)
categorie Vrouwen Mannen
0 tot 25 procent 631 1519
25 tot 50 procent 103 252
50 tot 75 procent 42 89
75 tot 100 procent 9 28
Hier worden enkel bedrijven die importeren meegenomen. Dit betekent dat bedrijven in de groep 0 tot 25 procent een importintensiteit van meer dan 0 en minder dan 25 procent hebben.

Werknemers bij bedrijven met een relatief hoge verhouding goedereninvoer of -uitvoer ten opzichte van de omzet verdienen gemiddeld hogere lonen, zie figuur 3.6.2. Het gemiddelde bruto-uurloon bij bedrijven met een importintensiteit van maximaal 25 procent bedroeg ruim 21 euro.noot10 Hiermee vergeleken betaalden bedrijven met een importintensiteit van meer dan 75 procent gemiddeld bijna 7 euro per uur méér. Het beeld bij de uitvoer is vergelijkbaar, hoewel daar het verschil tussen de twee uiterste groepen iets kleiner is: 4,5 euro per uur. Deze loonverschillen hangen mogelijk samen met verschillen naar sector en opleiding, die doorgaans samenhangen met verschillen in productiviteit, zie ook tabel 3.3.1.

3.6.2 Gemiddelde bruto-uurloon naar import- en exportintensiteit, 2019 (euro per uur)
Indicator 0 tot 25 procent 25 tot 50 procent 50 tot 75 procent 75 tot 100 procent
Importintensiteit 21,2 23,1 22,7 28,0
Exportintensiteit 21,6 24,3 23,8 26,1

Een deel van het loonverschil zou ook een gevolg kunnen zijn van een verschil in de leeftijd van het personeelsbestand, zie figuur 3.6.3. Bedrijven die afhankelijker zijn van (directe) invoer of uitvoer hebben namelijk gemiddeld oudere werknemers in dienst.noot11 Werknemers die werkzaam zijn bij bedrijven met een aandeel van de invoer ten opzichte van de omzet van maximaal 25 procent zijn gemiddeld ruim 3 jaar jonger dan de werknemers bij bedrijven met een importintensiteit van meer dan 75 procent. Ook bij de verdeling naar exportintensiteit is dat het geval.

3.6.3 Gemiddelde leeftijd naar import- en exportintensiteit, 2019 (jaar)
Indicator 0 tot 25 procent 25 tot 50 procent 50 tot 75 procent 75 tot 100 procent
Importintensiteit 39,0 40,1 40,6 42,2
Exportintensiteit 39,2 42,0 41,1 42,6

3.7Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Berg, van den, M. (2013). Importing, productivity and SMEs: firm-level evidence from the Netherlands. Discussion Paper Series, nr 13-07. Tjalling C. Koopmans Research Institute.

Bernard, A. & Jensen, J. (1997). Exceptional exporter performance: cause, effect, or both? Journal of International Economics, 47, 1–25.

Bernard, A., Jensen, J., Redding, S. & Schott, P. (2007). Firms in international trade. Journal of Economic Perspectives, 21(3), 105–130.

Bernard, A., Jensen, J., Redding, S. & Schott, P. (2012). The empirics of firm heterogeneity and international trade. Annual Review of Economics 4(1), 283–313.

Boeck, de, G. (2017). De Nederlandse industrie kan niet zonder Europa. RaboResearch – Economisch Onderzoek.

Brakman, S., Garretsen, H., Maarseveen, van, R. & Zwaneveld, P. (2018). Firm heterogeneity and exports in the Netherlands: Identifying export potentialCPB Discussion Paper, 369. Den Haag: Centraal Planbureau.

CBS (2017). Industrie steeds afhankelijker van export. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2019a). Internationaliseringsmonitor 2019, tweede kwartaal: Patronen in handelsgedrag. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2019b). Internationaliseringsmonitor 2019, derde kwartaal: Groothandel. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2021). Werkgelegenheid; banen, lonen, arbeidsduur, SBI2008; kerncijfers. [Dataset]. Geraadpleegd op 9 juni 2021.

Chong, S., Hoekstra, R., Lemmers, O., Beveren, van, I., Berg, van den, M., Wal, van der, R. & Verbiest, P. (2019). The role of small‑ and medium‑sized enterprises in the Dutch economy: an analysis using an extended supply and use table. Journal of Economic Structures, 8(8), 1–24.

Cremers, D., Lammertsma, A. & Roekel, van, R. (2019). Born globals. In: M. Jaarsma (Red.), Internationaliseringsmonitor 2019, tweede kwartaal: Patronen in handelsgedrag. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Ferguson, S., Henrekson, M. & Johannesson, L. (2021). Getting the facts right on born globals. Small Business Economics, 56(2), 259–276.

Kaag, S. A. M. (2018, 5 oktober). Handelsagenda [Kamerbrief].

Keller, W. & Yeaple, S. (2003). Multinational Enterprises, International Trade, and Productivity Growth: Firm-Level Evidence from the United States. NBER Working Paper, no. 9504.

Kox, H. & Rojas-Romagosa, H. (2010). Exports and productivity selection effects for Dutch firms. CPB Discussion Paper no. 143. Den Haag: Centraal Planbureau.

Lopez, L. E., Kundu, S. K. & Ciravegna, L. (2009). Born Global or Born Regional? Evidence from an Exploratory Study in the Costa Rican Software Industry. Journal of International Business Studies, 40(7), 1228–1238.

Melitz., M. J. (2003). The impact of trade on intra-industry reallocations and aggregate industry productivity. Econometrica71(6), 1695–1725.

OECD (2019). Handbook on Measuring Digital Trade. OECD, WTO and IMF. OECD Publishing: Paris.

Polder, M. & Rooyakkers, J. (2021). Grensoverschrijdende digitale handel: welke informatie is er beschikbaar? Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Statistics Denmark & OESO (2017). Nordic Countries in Global Value Chains. Kopenhagen/Parijs: Statistics Denmark & OESO.

Sui, S. & Baum, M. (2014). Internationalization strategy, firm resources and the survival of SMEs in the export market. Journal of International Business Studies, 45(7), 821–841.

UNCTAD (2021a). Gross domestic product: Total and per capita, current and constant (2015) prices, annual. [Dataset]. Geraadpleegd op 24 juni, 2021.

UNCTAD (2021b). Merchandise: Total trade and share, annual. [Dataset]. Geraadpleegd op 24 juni, 2021.

UNCTAD (2021c). Services (BPM6): Trade and growth by main service-category, quarterly. [Dataset]. Geraadpleegd op 24 juni, 2021.

UNCTAD (2021d). Foreign direct investment: Inward and outward flows and stock, annual. [Dataset]. Geraadpleegd op 24 juni, 2021.

Weerden, van, L. & Martens, J. (2018). De positie van de vrouwelijke internationale ondernemer: Een literatuurstudie naar behoeften, motieven en belemmeringen. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Noten

Bij de typering van de internationale handelaren is er geen ondergrens gehanteerd om te filteren voor kleine handelaren. Importeurs (exporteurs) handelen in goederen en/of diensten; een two-way trader heeft zowel import als export van goederen en/of diensten.

De landbouw, bosbouw en visserij (A), de financiële instellingen (K), openbaar bestuur (O), onderwijs (P), gezondheidszorg (Q), cultuur, sport en recreatie (R), levensbeschouwelijke en politieke organisaties (divisie 94), wellness en uitvaartbranche (divisie 96), huishoudens (T) en extraterritoriale organisaties en lichamen (U) vallen buiten de populatie van het Nederlandse bedrijfsleven.

De winning van delfstoffen had van alle bedrijfstakken met 9 procent het grootste aandeel dat uitsluitend exporteur was. Al moet er wel benadrukt worden dat dit qua aantal bedrijven een kleine sector is. De delfstoffenwinning telde in 2019 zo’n 550 bedrijven, wat slechts 0,04 procent van het totale Nederlandse bedrijfsleven is.

De kolom ‘aandeel exporteurs’ in tabel 3.3.1 neemt de bedrijven mee die enkel exporteren én de two-way traders. Het resterende aandeel betreft daarmee de internationaal actieve bedrijven die enkel importeren en de niet-handelende multinationals.

Voor zowel de delfstoffenwinning als het water- en afvalbeheer geldt dat het heel kleine sectoren zijn met maar enkele honderden internationaal actieve bedrijven. Dat kan al snel zorgen voor opvallende uitkomsten.

Een stoppende exporteur is een bedrijf dat in 2019 geen goederen of diensten exporteerde naar het buitenland, dat in 2018 ook niet deed, maar in 2017 wel. Het bedrijf dient nog wel te bestaan in 2019 om als stoppende exporteur te worden gezien.

Een startende exporteur is een bedrijf dat in 2019 goederen of diensten exporteerde naar het buitenland, maar dat in zowel 2018 als 2017 (nog) niet deed, ongeacht of het bedrijf in die jaren wel al bestond.

Bij de typering van internationale ondernemers is een ondergrens gehanteerd van 5 000 euro om de heel kleine internationale ondernemers eruit te filteren. Daarnaast is het zo dat bedrijven meerdere ondernemers kunnen hebben en dat een ondernemer meerdere bedrijven kan hebben.

Een belangrijke kanttekening is dat deze methode uitsluitend kijkt naar de directe import- en exportafhankelijkheid, en indirecte afhankelijkheden dus buiten beschouwing laat. Een voorbeeld van een indirecte afhankelijkheid is een Nederlands bedrijf dat intermediaire goederen verkoopt aan een ander Nederlands bedrijf dat hiermee goederen fabriceert die het vervolgens wel naar het buitenland exporteert. Een ander voorbeeld is een Nederlands bedrijf dat goederen aanschaft bij een Nederlandse groothandelaar die deze goederen had geïmporteerd uit het buitenland.

Het gemiddelde bruto-uurloon is hier berekend als een gewogen gemiddelde van de mediane bruto-uurlonen bij de verschillende bedrijven. Daarbij zijn de gewichten bepaald op basis van de bedrijfsomvang in voltijdequivalenten. De berekening van het bruto-uurloon houdt ook rekening met vakantiegelden, eindejaarsuitkeringen, het aantal overwerkuren en de compensatie hiervoor.

De gemiddelde leeftijd is een gewogen gemiddelde van de mediane leeftijden bij de verschillende bedrijven. Net als bij het bruto-uurloon is het gewicht bepaald op basis van de bedrijfsomvang in voltijdequivalenten.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Anne-Peter Alberda

Arjen Berkenbos (DNB)

Chris de Blois

Timon Bohn

Sarah Creemers

Hans Draper

Eva Hagendoorn (DNB)

Marjolijn Jaarsma

Bart Loog

Tom Notten

Tim Peeters

Leen Prenen

Janneke Rooyakkers

Khee Fung Wong

Redactie

Sarah Creemers

Marjolijn Jaarsma

Janneke Rooyakkers

Eindredactie

Sarah Creemers

Marjolijn Jaarsma

Dankwoord

We danken de volgende collega’s voor hun constructieve bijdrage aan deze editie van Nederland Handelsland:

Deirdre Bosch

Elijah Cats

Dennis Cremers

Frans Dinnissen

Loe Franssen

Daniël Herbers

Richard Jollie

Irene van Kuijk

Rik van Roekel

Carla Sebo-Ros

Roos Smit

Sandra Vasconcellos

Gaby de Vet

Roger Voncken

Karolien van Wijk

Hendrik Zuidhoek

We danken ook de volgende medewerkers van het ministerie van Buitenlandse Zaken voor hun feedback op een eerdere versie van Nederland Handelsland:

Laurens den Hartog

Harry Oldersma