Foto omschrijving: Bij het UWV is een jonge vrouw in gesprek met een arbeidsconsulent van het UWV omdat ze werkeloos is en een baan aan het zoeken is bij het werkplein van het UWV.

Het aanbod van arbeid

Om te bepalen hoe groot het aanbod van arbeidskrachten is, wordt allereerst gekeken naar de Nederlandse bevolking van 15 tot 75 jaar. Tussen 1 januari 2017 en 1 januari 2018 groeide deze groep met 87 duizend personen tot bijna 13,1 miljoen.

Deze toename is het saldo van omvangrijke stromen. Enerzijds komen er mensen bij zodra ze 15 jaar worden, of doordat ze naar Nederland immigreren. Anderzijds stromen mensen uit doordat ze 75 jaar worden, overlijden of emigreren. De totale uitstroom was minder groot dan de aanwas van 15‑jarigen en immigranten. De bevolking groeide ongeveer even hard als gevolg van de verandering in leeftijdssamenstelling als door het verschil in immigratie versus emigratie.

StatLine: Bevolking 1950–2018 en Bevolkingsprognose tot 2060.

De groei van de bevolking van 15 tot 75 jaar tussen 2017 en 2018 was de op één na grootste in de afgelopen 29 jaar. De bevolking in deze leeftijdsgroep gaat naar verwachting de komende drie jaar minder snel groeien en daarna krimpen. Dit komt vooral doordat mensen uit de naoorlogse geboortegolf de 75‑jarige leeftijd bereiken.

Cijfers over het aanbod op de arbeidsmarkt worden verzameld met de Enquête beroepsbevolking (EBB). Het CBS voert deze enquête uit onder personen van 15 jaar en ouder die in een particulier huishouden in Nederland wonen. De uitkomsten worden meestal gepresenteerd voor de bevolking van 15 tot 75 jaar. Daarmee sluit het CBS aan bij internationale afspraken.

In 2018 waren er volgens de definities van de EBB gemiddeld ruim 12,9 miljoen mensen van 15 tot 75 jaar. Doordat de EBB niet wordt uitgevoerd onder de bevolking in inrichtingen, instellingen en tehuizen (de institutionele bevolking), is dit aantal iets lager dan het eerdergenoemde aantal van bijna 13,1 miljoen volgens de Bevolkingsstatistiek.

Beroepsbevolking verder gegroeid

De beroepsbevolking bestaat uit alle mensen van 15 tot 75 jaar die betaald werk hebben (de werkzame beroepsbevolking) en degenen die geen betaald werk hebben, maar wel recent naar werk hebben gezocht en daarvoor direct beschikbaar zijn (de werkloze beroepsbevolking). In 2018 groeide de beroepsbevolking met 107 duizend personen, de grootste toename sinds 2012. Het aantal werkenden nam vorig jaar toe met 195 duizend en het aantal werklozen nam af met 88 duizend.

StatLine: Arbeidsdeelname, kerncijfers.

In 2018 bedroeg de brutoarbeidsparticipatie 70,5 procent. Dit percentage is het deel van de bevolking van 15 tot 75 jaar dat betaald werk heeft of werkloos is. De brutoarbeidsparticipatie is hoger dan in 2017, toen het nog 70,1 procent was. In alle leeftijdsgroepen nam de participatie toe, het meest bij 55‑plussers. Hun arbeidsdeelname nam in 2018 met meer dan 1 procentpunt toe. Bij jongeren tot 25 jaar was de toename 0,6 procentpunt.

In 2008 groeide de beroepsbevolking sterker dan in 2018, namelijk met 152 duizend. Ook toen steeg het aantal werkenden flink, met 189 duizend, maar het aantal werklozen daalde minder snel dan in het afgelopen jaar. Bovendien groeide de totale bevolking van 15 tot 75 jaar in 2008 minder sterk, waardoor de brutoarbeidsparticipatie destijds meer toenam.

Vorig jaar groeide de brutoarbeidsparticipatie in alle leeftijdsgroepen van 25 tot 65 jaar minder sterk dan in 2008. Destijds was bij 55- tot 65‑jarigen de toename verreweg het grootst met 2,7 procentpunt. Door de afbouw van regelingen voor prepensioen en de toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen is de brutoparticipatie van deze leeftijdsgroep sindsdien verder gestegen, maar de laatste paar jaar minder sterk. Daarentegen was de toename bij 65‑plussers groter dan tien jaar geleden. Dit hangt samen met de verhoging van de AOW-leeftijd.

StatLine: Arbeidsdeelname, kerncijfers.

8,8 miljoen werkenden

In 2018 groeide de werkzame beroepsbevolking tot 8,8 miljoen, meer dan ooit tevoren. Dat aantal is overigens niet gelijk aan het aantal werkzame personen dat in hoofdstuk 2 van deze publicatie is vermeld. De werkzame beroepsbevolking omvat namelijk personen van 15 tot 75 jaar in een particulier huishouden die in Nederland wonen en betaald werk hebben, ongeacht in welk land ze werken. Bij de werkzame personen wordt iedereen meegeteld die bijdraagt aan de productie in Nederland, ongeacht leeftijd en woonland. Bijlage 2 licht deze verschillen nader toe. Van de werkzame beroepsbevolking werkte in 2018 ruim de helft voltijds. Bij jongeren tot 25 jaar en 65‑plussers is het aandeel voltijders relatief klein. Onder mannen is het aandeel voltijders veel groter (73 procent) dan onder vrouwen (26 procent).

Het deel van de bevolking van 15 tot 75 jaar dat betaald werk heeft, wordt de nettoarbeidsparticipatie genoemd. Anders dan bij de brutoparticipatie tellen daarbij de werklozen dus niet mee. In 2018 had 67,8 procent van alle 15- tot 75‑jarigen een betaalde baan als werknemer of zelfstandige, ruim 1 procentpunt meer dan een jaar eerder. Dat is een relatief sterke toename, maar nog niet zo sterk als eind jaren negentig van de vorige eeuw of net voor het begin van de economische crisis.

Na het begin van de crisis in 2008 bereikte de nettoarbeidsparticipatie in 2014 het laagste punt. Sindsdien is deze steeds toegenomen, waardoor de arbeidsdeelname vorig jaar weer bijna op het niveau van 2008 lag. Dat was met 67,9 procent het hoogste punt sinds 1970.

De recente toename van de participatie was niet bij alle groepen even sterk. Bij vrouwen tot 45 jaar was de nettoarbeidsparticipatie in 2018 inmiddels hoger dan tien jaar geleden, net als bij mannen en vrouwen van 45 jaar of ouder. Bij de mannen tot 45 jaar is de arbeidsdeelname lager dan voor het begin van de crisis. Vooral alleenstaande mannen werken minder vaak dan toen.

StatLine: Arbeidsdeelname, jongeren en Arbeidsdeelname; ouderen.

StatLine: Arbeidsdeelname, vanaf 1969.

Cijfers over de arbeidsparticipatie per geboortecohort geven een ander perspectief op de ontwikkelingen in arbeidsparticipatie. De arbeidsparticipatie van jongere cohorten is bij vrijwel elke leeftijd hoger dan die van oudere cohorten. Vooral voor vrouwen gaat dat op (zie ook StatLine: Nettoarbeidsparticipatie per geboortegeneratie).

Voor mannen geldt vooral dat zij steeds langer doorwerken. De hogere arbeidsdeelname is dus zichtbaar bij vergelijking van 50‑plussers met een verschillend geboortejaar. Van de vooroorlogse generaties was op 65‑jarige leeftijd tussen de 10 en 13 procent werkzaam. Bij de mannen die in de eerste vijf jaar na de Tweede Wereldoorlog zijn geboren, was op die leeftijd ruim 23 procent nog aan het werk. Hierbij speelt een rol dat regelingen voor vervroegde uittreding zijn ingetrokken of versoberd, waardoor werknemers later met pensioen gaan dan aan het begin van deze eeuw.

Sinds 2013 wordt de AOW-leeftijd stapsgewijs verhoogd, waardoor mensen in 2021 vanaf 67 jaar AOW krijgen. Van de mannen op 67‑jarige leeftijd werkte in 2018 nog 18,9 procent. Bij vrouwen was dat 7,6 procent.

Steeds meer ouderen aan het werk

De laatste tien jaar is het aantal werkende zestigers gestegen van 412 duizend naar 793 duizend. Deze toename is voor een deel toe te schrijven aan demografische ontwikkelingen: het aantal mensen in deze leeftijdsgroep is groter geworden. Maar ook de toenemende participatie van ouderen draagt hieraan bij. Ouderen werken steeds vaker en langer door.

Het totaal aantal zestigers is de laatste tien jaar toegenomen van 1,7 miljoen naar 2,1 miljoen. Terwijl tien jaar geleden 24 procent van de zestigers betaald werk had, is dat nu 38 procent. Ruim 58 procent van de 60- tot 65‑jarigen werkt, terwijl dat tien jaar eerder 33 procent was. Van de 65- tot 70‑jarigen heeft inmiddels 17 procent betaald werk.

De gemiddelde leeftijd waarop werknemers met pensioen gaan, is in tien jaar tijd met ruim 3 jaar opgelopen naar 64 jaar en tien maanden in 2016/’17 (gegevens op basis van voornaamste inkomensbron; zie ook Aanvullende statistische dienst: Uitstroom naar pensioen).

StatLine: Arbeidsdeelname, ouderen.

Arbeidsdeelname naar migratieachtergrond

Er waren in 2018 6,9 miljoen mensen met een Nederlandse achtergrond aan het werk, 972 duizend mensen met een niet-westerse migratieachtergrond en 880 duizend met een westerse achtergrond. Het verschil in arbeidsparticipatie tussen personen met een Nederlandse achtergrond en niet-westerse migratieachtergrond is tijdens de crisis groter geworden, maar is nu weer bijna gelijk aan tien jaar geleden.

Personen van 15 tot 75 jaar met een Nederlandse achtergrond hadden in 2018 met 69,1 procent het vaakst betaald werk. Daarna volgen personen met een westerse migratieachtergrond (66,5 procent) en een niet-westerse migratieachtergrond (60,9 procent). Tijdens de economische crisis nam de arbeidsparticipatie van personen met een niet-westerse migratieachtergrond relatief veel af, waardoor het verschil met de groep met een Nederlandse achtergrond groter werd (55,2 procent versus 66,5 procent, 2014). In 2018 was de arbeidsparticipatie van zowel personen met een Nederlandse als met een niet-westerse achtergrond vrijwel gelijk aan het niveau vlak voor de crisis in 2008. Hiermee is ook het verschil tussen deze groepen weer bijna even groot als tien jaar geleden.

StatLine: Arbeidsdeelname; migratieachtergrond

Van alle werkenden in 2018 waren er 7,3 miljoen werknemer. De meeste van hen, bijna 5,4 miljoen, hebben een vaste arbeidsrelatie, dat wil zeggen een contract voor onbepaalde tijd en een vast aantal uren per week. Bijna 2,0 miljoen werknemers hebben een flexibele arbeidsrelatie: een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd óf een flexibel aantal uren per week. De rest van de werkenden, bijna 1,5 miljoen, verricht geen arbeid in loondienst maar werkt voor eigen rekening of risico. De meeste van hen zijn zzp’er.

In 2018 meer vast werk?

Volgens gegevens uit de Enquête beroepsbevolking van het CBS nam het aantal werknemers die aangeven een vaste arbeidsrelatie te hebben in 2018 sterker toe dan het aantal werknemers met een flexibele arbeidsrelatie. Daardoor liet het percentage vaste werknemers voor het eerst sinds 2009 een geringe toename zien. Die toename is echter niet te zien in de Statistiek werkgelegenheid en lonen (SWL), die is gebaseerd op de loonaangiften door werkgevers bij de Belastingdienst. Weliswaar steeg in de loop van 2018 ook volgens de SWL het aantal reguliere banen voor onbepaalde tijd, maar minder sterk dan het aantal tijdelijke en flexibele banen. Het CBS onderzoekt momenteel hoe het komt dat beide bronnen een uiteenlopend beeld van de recente ontwikkeling laten zien.

StatLine: Arbeidsdeelname; kerncijfers

StatLine: Werkgelegenheid; banen, lonen, SBI2008 per maand

StatLine: Werkzame beroepsbevolking, positie in de werkkring.

StatLine: Werkzame beroepsbevolking, positie in de werkkring.

Aantal flexwerkers in 15 jaar met drie kwart gegroeid

In 2018 waren er ruim 3 miljoen flexwerkers (15 tot 75 jaar) in Nederland. Het aantal flexibele werknemers is de afgelopen vijftien jaar toegenomen van 1,1 miljoen naar bijna 2,0 miljoen. Het aantal zzp’ers groeide van ruim 630 duizend in 2003 naar 1,1 miljoen in 2018. De meesten (864 duizend) bieden eigen arbeid of diensten aan. De rest van de zzp’ers verkoopt producten. Daarmee is zzp-eigen arbeid de meest voorkomende flexvorm, gevolgd door de oproepkracht (539 duizend). De flexvormen die ten opzichte van vijftien jaar geleden naar verhouding het meest zijn toegenomen, zijn de werknemers met een vast contract zonder vaste uren, de tijdelijke werknemers zonder vaste uren en de oproepkrachten. Het aantal oproepkrachten is ruim verdubbeld.

arbeidsrelaties Flexibel 3.9 Overzicht van arbeidsrelaties Vast - geen vaste uren Uitzicht op vast Jaar of langer Vast Korter dan een jaar Uitzendkracht Tijdelijk - geen vaste uren Oproep-/invalkracht Werknemer Zonder personeel (zzp) Met personeel Meewerkend gezinslid Zzp-eigen arbeid Zzp-producten Zelfstandige Flexibel

StatLine: Werkzame beroepsbevolking, positie in de werkkring.

Het Dossier flexwerk geeft een actueel beeld van flexwerk in Nederland en bevat ook een rubriek met veel gestelde vragen.

Zelfstandigen zonder personeel

In 2018 nam, net als in de voorafgaande jaren, het aantal zelfstandigen zonder personeel toe. Dat jaar telde Nederland bijna 1,1 miljoen zelfstandigen zonder personeel, dat is bijna drie kwart van alle mensen die in hun voornaamste werkkring als zelfstandige werkten. Een zelfstandige zonder personeel is iemand die arbeid verricht voor eigen rekening of risico en geen mensen in dienst heeft. Dat kan in een eigen bedrijf of praktijk zijn, of als directeur-grootaandeelhouder. Overige zelfstandigen, zoals freelancers, worden ook tot de zelfstandigen zonder personeel gerekend. Ruim 80 procent van de zelfstandigen zonder personeel biedt vooral eigen arbeid of diensten aan, terwijl bijna 20 procent vooral producten verkoopt of grondstoffen aanbiedt.

Zelfstandigen zonder personeel zijn voor het merendeel mannen, namelijk ruim 6 op de 10. Daarnaast zijn ze gemiddeld ouder dan de rest van werkzame beroepsbevolking: 59 procent is 45 tot 75 jaar, tegen 42 procent van de overige werkenden. Ook zijn hoogopgeleiden oververtegenwoordigd. Van de zelfstandigen zonder personeel is 44 procent hoogopgeleid, tegen 36 procent van de overige werkzame beroepsbevolking. Ze werken relatief vaak in de landbouw en visserij, de cultuur, sport en recreatie, de specialistische zakelijke en overige dienstverlening en in de bouwnijverheid. Grote bedrijfstakken waar relatief weinig zzp’ers werken zijn het openbaar bestuur en de industrie.

StatLine: Zelfstandigen zonder personeel en Zelfstandigen zonder personeel naar bedrijfstak.

Ook vanuit de Inkomensstatistiek worden uitkomsten gepubliceerd over het aantal zzp’ers, zie StatLine: Zzp’ers o.b.v. de Inkomensstatistiek.

Het Dossier zzp geeft een actueel beeld van zzp’ers in Nederland en omvat ook een rubriek met veel gestelde vragen.

Ruim anderhalf miljoen keer: man werkt voltijd, partner werkt deeltijd

In 2018 telde Nederland 3,9 miljoen paren waarvan beide partners in de leeftijdsklasse van 15 tot 75 jaar vallen (uitgezonderd de institutionele bevolking). Hieronder verstaat het CBS twee personen die bij elkaar horen op basis van huwelijk, partnerschapsregistratie of samenwoonrelatie. Bij 62 procent van de stellen zijn beide partners werkzaam, bij 22 procent is één van de partners werkzaam en bij 16 procent werken beiden niet. Bij 13 procent van alle stellen werken beiden voltijds, dat wil zeggen 35 uur per week of meer. De combinatie die het vaakst voorkomt, is een voltijds werkende man met een partner die in deeltijd werkt (41 procent van alle stellen, in totaal 1,6 miljoen paren).

StatLine: Arbeidsdeelname paren.

Meer mensen werken vanuit huis

In de laatste zes jaar is een groter deel van de werkende bevolking vanuit huis gaan werken. Het aantal nam toe met meer dan 400 duizend. De stijging was het grootst bij vrouwen.

In 2018 werkten bijna 3,3 miljoen Nederlanders gewoonlijk of incidenteel thuis. Dat is ruim 37 procent van alle werkenden. In 2013 was dat nog ruim 34 procent.

Mannen werken vaker thuis dan vrouwen, maar dit verschil is in de afgelopen jaren wel kleiner geworden. In 2018 werkte 38 procent van de mannen thuis en 36 procent van de vrouwen. In 2013 was dat respectievelijk 37 procent en bijna 32 procent.

De meeste thuiswerkers – ruim 6 op de 10 – werken incidenteel thuis, al dan niet op een vaste dag. De rest werkt gewoonlijk thuis, dat wil zeggen doorgaans in of vanuit de eigen woning. Zowel bij mannen als bij vrouwen nam het aantal incidentele thuiswerkers tussen 2013 en 2018 iets meer toe dan het aantal mensen die gewoonlijk thuiswerken. Maar in verhouding groeide de groep reguliere thuiswerkers sterker, omdat deze kleiner van omvang is.

StatLine: Thuiswerkers.

Overwerken

In 2018 gaf 30 procent van alle werknemers aan regelmatig over te werken. Van de managers werkt 58 procent regelmatig over, waarmee deze beroepsgroep het vaakst overuren maakt. Naast managers geven ook werknemers met een pedagogisch beroep, zoals docenten en onderwijsassistenten, vaak aan dat ze regelmatig overwerken (43 procent). Werknemers met een dienstverlenend beroep, zoals horecapersoneel en schoonmakers, doen dit het minst vaak (20 procent). 7 op de 10 werknemers werkten soms of helemaal niet over.

StatLine: Overwerken.

Werkloosheid eind 2018 lager dan voor de crisis

Begin 2014 piekte de werkloosheid, waarna een daling inzette die eind vorig jaar resulteerde in een lager percentage dan eind 2008, net voor het uitbreken van de crisis. Gemiddeld over heel 2018 was de werkloosheid met 3,8 procent nog wel een fractie hoger dan in 2008, toen deze 3,7 procent was.

Bij vergelijking van 2018 en 2008 valt vooral het grotere aantal werkloze mannen op. Van de mannelijke beroepsbevolking van 25 tot 45 jaar was vorig jaar 2,8 procent werkloos. Dat percentage is ruim tweeënhalf keer zo hoog als tien jaar eerder, toen dat 1,1 procent was. Ook waren in 2018 het aantal werkloze 55- tot 65‑jarigen en het aantal werklozen die twee jaar of langer zonder werk zitten nog hoger dan tien jaar eerder.

StatLine: Werkloosheidsduur en Werkloze beroepsbevolking, persoonskenmerken.

Arbeidsmarktdynamiek

Voortdurend komen er mensen bij op de arbeidsmarkt, anderen trekken zich terug. Tegenover degenen die hun werk kwijtraken, staan werklozen die betaald werk vinden. Mensen kunnen werkloos raken doordat ze hun werk verliezen. Maar ook mensen die de arbeidsmarkt op komen en op zoek gaan naar werk, zoals schoolverlaters en herintreders, worden tot de werklozen gerekend.

In 2018 waren gemiddeld 350 duizend mensen werkloos. Een jaar eerder waren dat er 438 duizend. In die periode is het aantal werklozen dus met 88 duizend afgenomen. Deze ontwikkeling is een resultaat van stromen tussen de werkzame en werkloze beroepsbevolking, en tussen de werkloze en niet-beroepsbevolking.

In 2018 vonden meer werklozen werk dan dat er mensen met werk werkloos werden. Anders gezegd: de netto-instroom in werkloosheid vanuit de werkzame beroepsbevolking was negatief. Al sinds mei 2014 is dat het geval.

StatLine: Wisselingen arbeidspositie.

Tegelijkertijd komen er mensen de arbeidsmarkt op die voorheen niet zochten naar werk of daarvoor beschikbaar waren. Het deel dat niet direct werk vindt, komt als werkloze de arbeidsmarkt op. Vanaf september 2014 zijn zij vrijwel steeds groter in aantal dan het aantal werklozen die de arbeidsmarkt verlaten.

Meer mensen wisselen van beroep

Meer werkenden wisselen de laatste jaren van beroep. Na een hoogtepunt in 2008 van meer dan een miljoen beroepswisselaars, daalde het aantal tot 777 duizend in 2014. Sinds 2015 neemt het aantal mensen dat naar een ander beroep overstapt weer toe.

In 2018 waren er ruim 1,0 miljoen mensen tussen 15 en 75 jaar met een ander beroep dan het jaar ervoor. In de meeste gevallen ging het om een overstap naar een andere beroepsklasse, bijvoorbeeld van een pedagogisch beroep naar een zorgberoep.

Wisseling van beroep komt naar verhouding vaak voor onder jongeren van 15 tot 25 jaar. Van alle beroepswisselaars in 2018 waren er 338 duizend in die leeftijdsgroep. Deels gaat het om jongeren met een bijbaan die op school zitten. Denk aan kassamedewerkers (ingedeeld bij de commerciële beroepen), horecapersoneel (dienstverlenende beroepen) of vakkenvullers en dagbladbezorgers (transport en logistieke beroepen). Iemand die vakkenvuller is en overstapt naar een baan als glazenophaler, verandert dus van beroepsklasse.

Van de 709 duizend beroepswisselaars van 25 tot 75 jaar ging twee derde aan de slag in een andere beroepsklasse. Het vaakst komt dit voor bij beroepswisselaars uit creatieve en taalkundige beroepen, dienstverlenende beroepen, commerciële beroepen en managers. Het overige deel van de beroepswisselaars oefende wel een ander beroep uit, maar bleef werken binnen dezelfde beroepsklasse. Dit komt bijvoorbeeld relatief vaak voor bij werkenden in de beroepsklasse zorg en welzijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om verpleegkundigen die verdergaan als gespecialiseerd verpleegkundige.

StatLine: Werkzame beroepsbevolking naar beroep en Beroepswisseling; beroepsklasse.

Onbenut arbeidspotentieel

In 2018 waren er 4,2 miljoen mensen van 15 tot 75 jaar die niet werkten. Uiteraard zijn die niet allemaal werkloos. Volgens de richtlijnen van de International Labour Organization (ILO) telt iemand als werkloos als die recent naar werk heeft gezocht en direct aan de slag kan. Verreweg de meeste mensen (ruim 3,2 miljoen) die geen betaald werk hebben kunnen of willen niet werken, bijvoorbeeld omdat ze een opleiding volgen, moeten zorgen voor een gezin, ziek zijn of te oud.

Naast de 350 duizend werklozen waren er in 2018 mensen die óf recent hebben gezocht (155 duizend) óf direct beschikbaar zijn voor werk (229 duizend). Deze twee groepen worden niet tot de werklozen gerekend. Die moeten namelijk aan beide voorwaarden voldoen. Samen met de werklozen zijn dat 734 duizend mensen die geen betaald werk hebben, maar wel beschikbaar zijn voor werk en/of hiernaar hebben gezocht. Zij vormen het onbenut arbeidspotentieel zonder werk.

Deeltijders die meer uren willen werken

Ook onder werkenden is er onbenut potentieel. Het gaat dan om mensen die in deeltijd werken, maar graag het aantal uren zouden willen uitbreiden en ook beschikbaar zijn. Zij worden ook wel onderbenutte deeltijdwerkers genoemd en vormen het onbenut arbeidspotentieel met werk. In 2018 ging het om 382 duizend mensen. Dat is ruim 4 procent van de werkzame beroepsbevolking. Het totale onbenut arbeidspotentieel – dus met én zonder werk – kwam daarmee uit op ruim 1,1 miljoen mensen.

Sinds 2014 is het onbenut arbeidspotentieel met ruim een derde afgenomen. In dat jaar ging het nog om ruim 1,7 miljoen mensen. De daling ging het hardst bij de werklozen (–300 duizend) en bij de deeltijders die meer willen werken en direct beschikbaar zijn (–201 duizend).

0310 Binding van de bevolking met de arbeidsmarkt 2018 B e ro e p s b e v olking 9 124 du i zend ( + 107 du i zend) B e v olking 15 74 jaa r 12 936 du i zend ( + 66 du i zend) Niet-beroeps- bevolking 3 812 duizend (-41 duizend) Werkzame beroeps- bevolking: voltijd 4 485 duizend (+76 duizend) Wil meer uren werken, beschikbaar 382 duizend (–71 duizend) Vanwege weinig resultaat 68 duizend (–18 duizend) Vanwege andere reden 161 duizend (–25 duizend) Wil wel werken 207 duizend (+2 duizend) Wil/kan niet werken 3 220 duizend (-6 duizend) Werkzame beroeps- bevolking: deeltijd 4 289 duizend (+119 duizend) Werkloze beroepsbevolking 350 duizend (–88 duizend) Beschikbaar, niet gezocht 229 duizend (–43 duizend) Gezocht, niet beschikbaar 155 duizend (+4 duizend) Niet gezocht, niet beschikbaar 3 427 duizend (-4 duizend) 3.13 B i n d i n g v an d e b e v o lk i n g m e t d e arb e i d s m a r k t , 2018

StatLine: Arbeidsdeelname, binding met de arbeidsmarkt.

Ruim 3,2 miljoen mensen willen of kunnen niet werken

Naast de werkzamen, werklozen en het overig onbenut arbeidspotentieel zonder werk, waren er in 2018 ruim 3,2 miljoen personen die niet op zoek waren naar werk, niet op korte termijn konden beginnen of die niet wilden of konden werken. Bijna de helft noemde pensioen of hoge leeftijd als reden om niet te willen werken. Daarbij gaat het vooral om 65‑plussers.

Andere redenen om geen betaald werk te willen of kunnen doen, zijn opleiding of studie, ziekte of arbeidsongeschiktheid en zorg voor gezin of huishouden. Jongeren wijzen vooral op een opleiding of studie. Bij 25- tot 65‑jarigen speelt relatief vaak dat zij niet kunnen werken vanwege ziekte of arbeidsongeschiktheid. Verder wijzen 25- tot 45‑jarigen, voornamelijk vrouwen, vaak op zorgtaken voor het gezin of huishouden.

Het aantal mensen, met name vrouwen, die vanwege zorgtaken niet willen of kunnen werken, is afgenomen tot 223 duizend, in 2003 was dat nog meer dan een half miljoen. Het aantal mensen van 55 tot 65 jaar die niet kunnen of willen werken wegens vut, pensioen of hoge leeftijd nam nog sterker af, van ruim een half miljoen naar 137 duizend personen in 2018.

StatLine: Arbeidsdeelname, binding met de arbeidsmarkt.

Arbeidsmarkt regionaal

Veel arbeidsmarktcijfers zijn ook per regio bekend. Hieruit blijkt bijvoorbeeld dat het werkloosheidspercentage in 2018 het hoogst was in de gemeente Groningen (6,6) en het laagst in de gemeenten Borsele, Renswoude, Reusel-De Mierden en Veere (2,5).

Meer cijfers:

Arbeidsmarkt internationaal

Eurostat, het bureau voor de statistiek van de Europese Unie, publiceert voor alle EU-lidstaten onder meer cijfers over:

Door de ILO, de International Labour Organization, worden cijfers gepubliceerd over landen in de hele wereld (zie www.ilo.org).

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2018–2019 2018 tot en met 2019
2018/2019 Het gemiddelde over de jaren 2018 tot en met 2019
2018/’19 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2018 en eindigend in 2019
2016/’17–2018/’19 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2016/’17 tot en met 2018/’19

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Samenstelling

Han van den Berg

Henk-Jan Dirven

Willem Gielen

Redactie

Kees Groenenboom

Erratum

Ondanks de zorgvuldigheid waarmee deze publicatie is samengesteld, zijn er achteraf enkele onvolkomenheden geconstateerd. Onze excuses hiervoor.

Datum: 2 september 2019

Door een correctie in de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden 2018, een van de bronnen voor deze publicatie, is in hoofdstuk 4 onder ‘Repeterende bewegingen meest voorkomende vorm fysieke arbeidsbelasting’ een wijziging doorgevoerd. Er stond dat 14 procent van alle werknemers aangeeft vaak of altijd gevaarlijk werk te doen. Dit moet zijn: 16 procent.

Ook de bijbehorende grafiek 4.1 is aangepast.