Inleiding
Nadat in 2017 al voor verschillende arbeidsmarktcijfers records werden genoteerd, werden deze cijfers in 2018 in veel gevallen weer overtroffen. Zo steeg het aantal banen met 260 duizend tot een nieuwe recordstand van 10,4 miljoen. Dit is ook bijna de grootste toename aller tijden. Alleen in 2007 kwamen er in één jaar meer banen bij. Hetzelfde geldt voor het aantal werkzame personen: in 2018 nam het aantal werkzame personen toe met 230 duizend tot 9,3 miljoen. Er zijn nu meer mensen aan het werk dan ooit.
In 2018 had gemiddeld 67,8 procent van de bevolking van 15 tot 75 jaar betaald werk. Dat is weer vrijwel gelijk aan de recordstand uit 2008, terwijl er sindsdien meer dan een half miljoen mensen van 65 tot 75 jaar zijn bijgekomen. Hun arbeidsdeelname is veel lager dan gemiddeld.
Verder daalde het gemiddeld aantal werklozen met 88 duizend. Hierdoor waren er eind 2018 nog 329 duizend werklozen. Dat is de laagste stand na januari 2009 en ruim een halvering ten opzichte van de hoogste stand in de eerste maanden van 2014.
Het aantal vacatures loopt al sinds de tweede helft van 2013 gestaag op en bereikte in 2018 de hoogste stand die ooit is gemeten. Gemiddeld waren er 248 duizend vacatures, dus meer dan de 240 duizend in 2007 en 2008.
Doordat het aantal vacatures oploopt, terwijl het aantal mensen dat werkloos is afneemt, neemt de spanning op de arbeidsmarkt toe. Net zoals in 2007 en 2008 wordt de arbeidsmarkt in 2018 getypeerd als ‘gespannen’. Eind 2018 waren er gemiddeld 1,3 werklozen per openstaande vacature. Daarmee is de arbeidsmarkt zelfs nog net iets krapper dan in 2008. Een gespannen arbeidsmarkt, waarbij steeds meer bedrijven een personeelstekort ervaren, kan ertoe leiden dat bedrijven hun productie of activiteiten minder kunnen uitbreiden, zodat de economische groei afneemt. Verwacht zou mogen worden dat in een gespannen arbeidsmarkt ook de loonontwikkeling oploopt. Dat gebeurt maar in beperkte mate. Al met al vertoont de situatie op de arbeidsmarkt veel overeenkomsten met die in 2007 en 2008, voordat de economische crisis begon.
De ontwikkelingen op de arbeidsmarkt worden voor een groot deel bepaald door de stand van de economie. Als de economie groeit, stijgt meestal ook de werkgelegenheid. Wel reageert de arbeidsmarkt meestal met enige vertraging op economische ontwikkelingen. Uit onderzoek is bekend dat de groei van het bruto binnenlands product (bbp) gemiddeld twee kwartalen voorloopt op die van het arbeidsvolume van werknemers. Bedrijven willen en kunnen niet direct personeel ontslaan als de vraag naar producten of diensten afneemt. Daarnaast wordt er vaak personeel aangehouden om te anticiperen op betere tijden. Andersom zal een werkgever bij een stijgende vraag eerst zoeken naar interne oplossingen of flexibel personeel inhuren. Pas als de productie langere tijd hoog blijft, zal hij nieuw personeel werven.
Verder zijn de veranderingen op de arbeidsmarkt naar verhouding vaak wat kleiner dan die in de economische groei. In de loop van de tijd stijgt immers de arbeidsproductiviteit, waardoor minder arbeid nodig is voor eenzelfde hoeveelheid productie en de factor arbeid dus een kleinere rol speelt.
Na de hoogconjunctuur rond 2006–2007 volgde de financiële crisis, die leidde tot een sterke economische krimp in 2009. In eerste instantie trok de economie daarna weer aan, maar na 2011 liet de economische crisis zich nog sterker voelen en liep de werkloosheid hoog op. Sinds 2014 gaat het weer beter met de economie. Het afgelopen jaar steeg het bbp in Nederland met 2,7 procent, terwijl in 2017 de hoogste groei van de afgelopen tien jaar werd gemeten (2,9 procent). Economisch gezien verkeert Nederland in een hoogconjunctuur, al is het conjunctuurbeeld volgens de Conjunctuurklok van het CBS in de loop van 2018 wel wat minder positief geworden.
StatLine: Bbp en Werkgelegenheid.
StatLine: Werkloze beroepsbevolking (seizoengecorrigeerd), Vacatures (seizoengecorrigeerd) en Banen (seizoengecorrigeerd).
De conjuncturele ontwikkeling op de arbeidsmarkt verloopt meestal volgens een vast patroon. Als het economisch minder goed gaat, loopt het aantal vacatures snel terug. Uitzendkrachten en andere werknemers met een flexibel arbeidscontract verliezen als eersten hun baan. Pas later snijden bedrijven in het vaste personeelsbestand of gaan ondernemingen failliet, waardoor de werkgelegenheid afneemt.
Doordat de onderhandelingspositie van de werknemers dan onder druk komt te staan, loopt tegen die tijd ook de stijging van de cao-lonen terug. Aangezien cao’s vaak een looptijd hebben van een jaar of langer, duurt het enige tijd voordat een teruglopende economie effect heeft op deze cijfers. Als de economie aantrekt, is dat op de arbeidsmarkt als eerste zichtbaar in de cijfers over vacatures en uitzendkrachten.
Seizoenseffecten
Om de kortetermijnontwikkeling van verschillende cijfers in beeld te brengen, publiceert het CBS ook maand- en kwartaalcijfers die voor seizoeninvloeden gecorrigeerd zijn. Deze cijfers houden rekening met veranderingen die zich ieder jaar opnieuw voordoen. Zo is het gebruikelijk dat het aantal werklozen in de eerste maanden van het jaar stijgt (bijvoorbeeld vanwege aflopende contracten of slechte weersomstandigheden). Ook in juli stijgt de werkloosheid doorgaans, waarna deze in augustus weer afneemt (vooral bij jongeren).
Andere voorbeelden van deze patronen zijn feest- en vakantiedagen en vakantiegeld. Door een reeks cijfers voor dergelijke patronen te schonen, kunnen maand- of kwartaalcijfers onderling vergeleken worden zonder storende seizoenseffecten.
In de grafiek is voor de verschillende kerncijfers over de arbeidsmarkt het gemiddelde seizoenseffect per kwartaal weergegeven. Dit gemiddelde is berekend over een zo lang mogelijke periode (16 tot 24 jaar). Duidelijk zichtbaar is dat er in het eerste kwartaal meer werklozen zijn, terwijl het aantal werkenden en het aantal banen lager is dan gemiddeld. Het totaal aantal gewerkte uren is relatief laag in het tweede en derde kwartaal, vooral omdat dan vakantiedagen opgenomen worden. De lonen zijn het hoogst in het tweede kwartaal, als aan de meeste werknemers het vakantiegeld wordt uitbetaald.
Het aantal werkdagen varieert van jaar tot jaar tussen de 254 en 257. Een extra werkdag leidt ertoe dat het totaal aantal gewerkte uren van werknemers ongeveer 0,4 procent hoger uitkomt. Hoewel het CBS wel de kwartaalcijfers corrigeert voor seizoenseffecten en werkdagen, wordt dat niet gedaan bij de jaarcijfers.