De vraag naar arbeid
Recordaantal vacatures
Het aantal openstaande vacatures steeg in 2018 met 48 duizend tot gemiddeld 248 duizend. Daarmee werd het voorgaande jaarrecord uit 2008 met 8 duizend overtroffen. In 2013 werd nog de laagste stand in twintig jaar tijd gemeten met gemiddeld 95 duizend vacatures. In de daaropvolgende vijf jaar steeg het aantal vacatures elk jaar meer. Het aantal vacatures is sterk afhankelijk van de stand van de conjunctuur. Het gemiddelde aantal vacatures lag in 2018 ruim de helft hoger dan het langjarig gemiddelde vanaf 1997.
Voor de crisis werd de hoogste stand van het aantal openstaande vacatures eind 2007 bereikt (gecorrigeerd voor seizoeninvloeden). Door de financiële crisis was dat aantal anderhalf jaar later gehalveerd. Sinds de tweede helft van 2013 loopt het aantal weer op, tot 264 duizend eind 2018. Precies elf jaar eerder lag de piek op 249 duizend openstaande vacatures. Sinds het tweede kwartaal van 2018 ligt het aantal hoger dan op het hoogste punt van vlak voor het begin van de crisis.
StatLine: Vacatures, seizoengecorrigeerd.
In de periode 2003–2008 vertoonde het aantal vacatures gedurende twintig kwartalen een min of meer opgaande lijn, voordat een scherpe daling inzette. Nu is inmiddels 22 kwartalen op rij sprake van een oplopend aantal vacatures. Wel was de toename in het laatste kwartaal van 2018 met 2 duizend de kleinste stijging in vijf jaar tijd. In de eerste drie kwartalen van 2018 bedroeg de groei nog gemiddeld 12 duizend vacatures per kwartaal.
Tussen 2017 en 2018 steeg het aantal vacatures in alle bedrijfstakken. Het grootst was de stijging in de handel (+9 duizend) en de zakelijke dienstverlening (+8 duizend). Dit was het vierde opeenvolgende jaar dat het aantal vacatures in alle onderscheiden bedrijfstakken opliep, zelfs in bedrijfstakken waar de werkgelegenheid afnam.
StatLine: Vacatures.
Toch ligt het aantal vacatures in de meeste bedrijfstakken nog onder dat van 2007 en 2008. Dat geldt relatief het sterkst voor de financiële instellingen. Terwijl er bij deze bedrijfstak in 2007 nog 16 duizend vacatures waren, waren dat er vorig jaar maar 9 duizend. Daartegenover staan vijf bedrijfstakken waar in 2018 het aantal vacatures hoger was dan ooit. Dat zijn de handel, de horeca, de zorg, informatie en communicatie en de bedrijfstak vervoer en opslag. Het aantal vacatures is het grootst in de handel, de zakelijke dienstverlening en de zorg. Met respectievelijk 49 duizend, 41 duizend en 31 duizend vacatures waren deze drie bedrijfstakken samen goed voor de helft van alle openstaande vacatures in 2018.
StatLine: Vacatures.
Naast het echte aantal vacatures publiceert het CBS ook maandelijks een vacature-indicator. Deze geeft aan in welke richting de vacatures zich naar verwachting van de ondernemers zullen ontwikkelen. Vanaf maart 2018 loopt deze indicator enigszins terug, maar de stand is nog steeds positief (zie ook StatLine: Vacature-indicator).
Het aantal vacatures dat in de loop van een jaar ontstaat of vervuld wordt, ligt veel hoger dan het gemiddeld aantal openstaande vacatures. In de periode 2006–2008 ontstonden per jaar meer dan 1 miljoen vacatures en werden er ongeveer evenzoveel vervuld. Hierna zijn deze aantallen teruggelopen tot 622 duizend ontstane en 624 duizend vervulde vacatures in 2013. In 2017 werden voor het eerst weer de aantallen uit de jaren van economisch hoogtij bereikt, terwijl in 2018 voor beide grootheden de recordcijfers uit 2007 werden gebroken met 1 183 duizend ontstane vacatures en 1 146 duizend vervulde vacatures.
In 2018 werden er bijna vijf keer zoveel vacatures vervuld als er gemiddeld genomen open stonden. De afgelopen jaren is deze verhouding gedaald, wat betekent dat vacatures minder snel vervuld worden. Dit verhoudingscijfer heeft nu bijna hetzelfde lage niveau als in 2007 en 2008. In het onderwijs worden de vacatures het snelst vervuld; de vacatures in de bouwnijverheid staan het langst open.
Het oplopend aantal vacatures betekent ook dat steeds meer bedrijven een personeelstekort ervaren. Begin 2019 gaf bijna een kwart van de bedrijven aan dat een tekort aan arbeidskrachten hun productie of activiteiten belemmert. Dat is iets lager dan in de tweede helft van 2018, maar veel meer dan in de voorgaande jaren. Deze cijfers betreffen bedrijven met vijf of meer werkzame personen, met uitzondering van financiële instellingen en de overheid. De nood is het hoogst in de bedrijfstakken zakelijke dienstverlening, vervoer en opslag en de bedrijfstak informatie en communicatie: daar ondervindt een derde van de bedrijven een personeelstekort. Veel minder last ervaart men in de bedrijfstakken cultuur, recreatie en overige diensten en de landbouw en visserij (zie ook StatLine: Conjunctuurenquête Nederland).
StatLine: Vacatures, Vacatures, seizoengecorrigeerd en Werkloze beroepsbevolking.
Gespannen arbeidsmarkt
Veranderingen in de situatie op de arbeidsmarkt komen scherp tot uiting in de verhouding tussen het aantal vacatures en het aantal werklozen. Halverwege 2008 waren het aantal vacatures en het aantal werklozen bijna met elkaar in evenwicht: er was sprake van een gespannen arbeidsmarkt. Door de financiële crisis daalde het aantal vacatures daarna snel, terwijl het aantal werklozen opliep. Eind 2013 waren er uiteindelijk ruim zevenmaal zoveel werklozen als vacatures. Sindsdien is de verhouding werklozen/vacatures weer sterk gedaald.
Hierdoor waren er in 2018 gemiddeld 1,4 werklozen per vacature beschikbaar. Dit betekent dat de arbeidsmarkt in 2018 vrijwel net zo gespannen was als in 2000–2001 en 2008. Aan het einde van 2018 was de spanning het hoogst: 1,3 werklozen per vacature, oftewel 80 vacatures per 100 werklozen. Daarmee was de spanning net wat hoger dan in het derde kwartaal van 2008, toen die was opgelopen tot 79 vacatures per 100 werklozen. Sinds het vierde kwartaal van 2017 verkeert de Nederlandse arbeidsmarkt in de fase van een gespannen arbeidsmarkt. Dit betekent dat de vraag naar arbeid bovengemiddeld is en het beschikbare aanbod van arbeid relatief laag.
In deze werkloosheidscijfers tellen alleen de personen mee die geen betaald werk hebben maar daar wel direct voor beschikbaar zijn en er ook recent naar gezocht hebben (definitie van de International Labour Organization, ILO). Dat zijn niet alle personen zonder werk die zouden willen werken. Daarnaast zijn er ook mensen met deeltijdwerk, die meer uren zouden willen werken. Ook de omvang van dit overige onbenut arbeidspotentieel is de afgelopen jaren geslonken. Hoofdstuk 3 gaat verder in op de verschillende groepen die tezamen het onbenut arbeidspotentieel vormen.
In Europa behoort Nederland tot de groep landen met een relatief gespannen arbeidsmarkt. In 2018 waren alleen in Tsjechië en Duitsland minder werklozen per vacature. Griekenland, Spanje en Portugal hebben veel werklozen en relatief weinig openstaande vacatures, zodat daar de arbeidsmarkt veel ruimer is dan in Nederland (zie ook Eurostat: Werkloze beroepsbevolking EU en Vacatures EU; niet voor alle EU-landen zijn vacaturecijfers beschikbaar).
Krappe arbeidsmarkt in Utrecht
In de provincie Groningen stonden in 2018 tegenover elke vacature de meeste werklozen, in Utrecht de minste. Dat wil zeggen dat de arbeidsmarkt relatief gespannen was in Utrecht, met 1,1 werklozen per openstaande vacature. In heel Nederland waren dat er 1,4. De arbeidsmarkt was het ruimst in Groningen. Daar waren gemiddeld 2,3 werklozen per openstaande vacature.
In 2018 waren er in alle provincies meer vacatures dan in 2017. Ook daalde het aantal werklozen in alle provincies. Hierdoor verminderde overal het aantal werklozen per vacature, wat wil zeggen dat de spanning op de arbeidsmarkt in alle provincies toenam.
De meeste vacatures zijn te vinden in Zuid-Holland (51 duizend) en Noord-Holland (48 duizend). Dat is tien keer zoveel als in Flevoland en Zeeland; in deze provincies stonden in 2018 elk gemiddeld 5 duizend vacatures open. In Zuid-Holland en Noord-Holland wonen ook de meeste werklozen, respectievelijk 81 duizend en 60 duizend. Zeeland telde slechts 6 duizend werklozen. Ook het werkloosheidspercentage was het laagst in Zeeland.
StatLine: Vacatures per provincie en Werklozen per provincie.
In een schematische voorstelling is te zien hoe de spanning op de arbeidsmarkt zich vanaf het tweede kwartaal van 2014 heeft ontwikkeld. De figuur is een grafische weergave van de spanning tussen de vraag naar extra arbeid en het beschikbare aanbod hiervan, per kwartaal gemeten. In het laatste kwartaal 2017 bereikte de spanning voor het eerst het kwadrant van de ‘gespannen arbeidsmarkt’. Op basis van deze criteria kwam de spanning op de arbeidsmarkt in het vierde kwartaal van 2018 net iets hoger uit dan in het derde kwartaal van 2008.
Een andere manier om de spanning op de arbeidsmarkt te meten, is de verhouding tussen het aantal vacatures en het aantal banen van werknemers: de vacaturegraad. Volgens deze indicator bereikte de spanning op de arbeidsmarkt in de eerste helft van 2008 zijn hoogtepunt. De vacaturegraad, het aantal openstaande vacatures per duizend banen van werknemers, kwam toen uit op 32. Vervolgens daalde deze snel. Eind 2012 was de vacaturegraad gezakt tot 12. Medio 2018 was de vacaturegraad weer opgelopen tot 31, om daarna weer iets terug te lopen tot 30 vacatures per duizend banen van werknemers eind 2018. Doordat het aantal banen van werknemers in vergelijking met 2008 meer is toegenomen dan het aantal vacatures, wordt er voor dit verhoudingscijfer net geen nieuwe recordstand behaald. De spanning was eind 2018 relatief het hoogst in de bedrijfstakken informatie en communicatie (61 openstaande vacatures per duizend banen) en de bouw (52). Het laagst was de vacaturegraad in het onderwijs (12) (zie ook StatLine: Vacaturegraad).
Nederland telt 1,8 miljoen bedrijven
De afgelopen tien jaar is het aantal bedrijven in Nederland met de helft toegenomen. Hierdoor telt Nederland per begin 2019 al 1 755 duizend bedrijven. In drie kwart van de gevallen gaat het om natuurlijke personen (zoals eenmanszaken en maatschappen), een kwart zijn rechtspersonen (zoals bv’s, nv’s, verenigingen, stichtingen en publiekrechtelijke rechtspersonen). In 2018 zijn 191 duizend bedrijven opgericht en 107 duizend bedrijven opgeheven.
Bij vier op de vijf bedrijven is slechts één persoon werkzaam. Bij slechts 8 duizend bedrijven werken minstens honderd mensen, uitgedrukt in voltijdbanen (vte’s). Bij deze grote bedrijven werkt ruim 60 procent van alle werknemers.
De bedrijven zijn ingedeeld naar hun belangrijkste economische activiteit. De zakelijke dienstverlening telt de meeste bedrijven, namelijk 423 duizend. Andere grote bedrijfstakken zijn de handel (232 duizend bedrijven), de cultuur, recreatie en overige diensten (215 duizend), de bouwnijverheid (178 duizend) en de zorg (157 duizend). Daarentegen telt het openbaar bestuur slechts 800 bedrijven.
StatLine: Aantal bedrijven en Banen van werknemers naar bedrijfsgrootte.
260 duizend banen erbij
Het aantal banen van werkzame personen steeg in 2018 voor het vierde opeenvolgende jaar flink, namelijk met 260 duizend. Sinds 1970 is alleen in 2007 een grotere toename van het aantal banen gemeten. Doordat het aantal banen in de loop van de tijd is toegenomen, is de relatieve banengroei in 2018 wat minder uitzonderlijk: sinds 1970 was de banengroei in zeven jaar hoger dan de 2,5 procent in 2018.
De banengroei betreft tegenwoordig vooral werknemersbanen. Het aantal banen van werknemers nam in 2018 met 235 duizend toe tot 8,3 miljoen. Dit is de grootste toename in deze eeuw. Het aantal banen van zelfstandigen nam met 24 duizend toe tot 2,1 miljoen. Hiermee komt het totaal aantal banen van werknemers en zelfstandigen uit op ruim 10,4 miljoen banen.
Het aantal banen van werknemers piekte eerst in 2008 met ruim 8 miljoen. Uit de cijfers die voor seizoeninvloeden zijn gecorrigeerd blijkt dat er vervolgens in anderhalf jaar tijd in totaal bijna 200 duizend werknemersbanen verloren gingen. In 2010 keerde de groei terug. Tot medio 2011 nam het aantal werknemersbanen weer toe met 137 duizend, maar het bleef onder de 8 miljoen. Daarna volgden drie jaren van krimp, waarbij meer banen verloren gingen dan direct na het begin van de financiële crisis.
In het eerste kwartaal van 2014 bereikte het aantal werknemersbanen een dieptepunt, 318 duizend minder dan op het hoogtepunt in 2008 (oftewel −4 procent). Sindsdien stijgt het aantal banen van werknemers. In de negentien kwartalen tot eind 2019 kwamen er in totaal 720 duizend werknemersbanen bij. Sinds het tweede kwartaal van 2017 zijn er meer werknemersbanen dan ooit tevoren.
Parallel aan deze ontwikkeling steeg het aantal zelfstandigenbanen vanaf 2004 elk jaar. Alleen in 2016 daalde het aantal met 14 duizend. Per saldo kwamen er de afgelopen vijftien jaar een half miljoen zelfstandigenbanen bij (31 procent).
StatLine: Banen van werkzame personen.
Tellen we de banen van werknemers en zelfstandigen samen, dan blijkt eerst in 2011 het aantal banen van 2008 overtroffen te worden. Daarna daalt het aantal stevig tot begin 2014, om vervolgens weer te groeien. In het laatste kwartaal van 2018 waren er 10 534 duizend banen. Dat zijn er 644 duizend meer dan in het laatste kwartaal van 2008, aan het begin van de crisis.
In de laatste negentien kwartalen is het aantal banen in totaal met 804 duizend toegenomen. In de vorige periode van groei kwamen er in de achttien kwartalen van 2004–2008 in totaal 810 duizend banen bij. Het verschil is het grootst voor de zelfstandigen: nu +83 duizend tegen +241 duizend in 2004–2008.
De minder sterke banengroei bij zelfstandigen hangt mogelijk samen met de onrust rond de invoering van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA). Deze wet verving op 1 mei 2016 de Verklaring arbeidsrelatie (VAR) voor zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers). Opdrachtgevers van zzp’ers vreesden voor boetes en naheffingen in geval van schijnzelfstandigheid. Hierdoor schakelde een deel van de opdrachtgevers over van zzp’ers naar uitzendkrachten of werknemers die via payrollbedrijven betaald werden. Een andere mogelijke verklaring is de aantrekkende arbeidsmarkt, waardoor personen die eerder noodgedwongen als zelfstandige aan het werk waren gegaan, nu gemakkelijker een dienstbetrekking als werknemer konden vinden (zie ook StatLine: Wisselingen in arbeidspositie van zelfstandigen).
StatLine: Banen van werkzame personen.
StatLine: Banen van werkzame personen.
Revisie Nationale rekeningen
De uitkomsten van de Nationale rekeningen, en daarbinnen de Arbeidsrekeningen, worden periodiek gereviseerd. In juni 2018 zijn de uitkomsten gepubliceerd op basis van de meest recente revisie, die over 2015. Hiermee is een nieuwe niveauraming voor de gegevens over het verslagjaar 2015 beschikbaar gekomen, waarop de uitkomsten voor de andere jaren geijkt worden. Daarbij zijn nieuwe bronnen, methoden en concepten doorgevoerd, zodat het beeld van de Nederlandse economie weer optimaal aansluit bij alle onderliggende statistieken, bronnen en internationale richtlijnen voor het samenstellen van de Nationale rekeningen. Er was deze keer geen sprake van een grootschalige invoering van nieuwe internationale richtlijnen, zoals bij de vorige revisie (verslagjaar 2010). Tegelijkertijd zijn ook de uitkomsten over 1995–2014 aangepast, zodat deze aansluiten op het nieuwe niveau over 2015 en verder. Hierdoor is er nu geen tijdreeks vanaf 1969 meer beschikbaar.
Voor het effect van deze herziening kan het beste naar de uitkomsten over 2014 worden gekeken. Dit is het laatste verslagjaar waarvan de werkgelegenheidscijfers van de oude reeks Arbeidsrekeningen definitief zijn. Doordat de gegevens over zelfstandigen pas laat beschikbaar komen, zit er een paar jaar tussen het aflopen van het verslagjaar en de vaststelling van de definitieve cijfers.
Het totaal aantal banen van werkzame personen is voor het verslagjaar 2014 met 33 duizend verlaagd tot 9,8 miljoen (een effect van –0,3 procent). Deze bijstelling is vooral het gevolg van bijgestelde ramingen voor groepen die niet in administratieve bronnen voorkomen. Zo is de bijraming voor oppas verlaagd met 17 duizend banen, het aantal huishoudelijke hulpen met 22 duizend banen verhoogd, zwart werk in de horeca verhoogd met 20 duizend banen en de bijraming voor zwart werk e.d. in de bouw met 16 duizend banen verlaagd. Verder is het aantal banen in de landbouw verminderd met 18 duizend vanwege een betere afstemming tussen de Arbeidsrekeningen en de Landbouwrekeningen. Ook zijn bij de revisie een aantal bedrijven in een andere bedrijfstak ingedeeld dan voorheen. Als gevolg van dit alles daalt het aantal banen in de bouwnijverheid (–19 duizend), de landbouw en visserij (–17 duizend), het openbaar bestuur (–15 duizend), de financiële dienstverlening (–13 duizend), de handel (–12 duizend) en de zorg (–10 duizend), terwijl het aantal banen toeneemt in de zakelijke dienstverlening (+36 duizend) en de horeca (+17 duizend).
Tevens is de berekeningswijze van het aantal gewerkte uren enigszins aangepast, waardoor het totaal aantal gewerkte uren met 28 miljoen (–0,2 procent) afnam. Dat is het saldo van een toename van het aantal gewerkte uren van werknemers (+51 miljoen) en een afname bij de zelfstandigen (–78 miljoen uur). Het totaal aantal werkzame personen is daarentegen vrijwel hetzelfde gebleven (+1 duizend).
De volgende revisie van de Nationale rekeningen zal naar verwachting betrekking hebben op het verslagjaar 2020 of 2021.
In 2018 nam het aantal banen het meest toe in de bedrijfstak zakelijke dienstverlening (exclusief uitzendbureaus): +50 duizend banen. Dat is net iets meer dan de toename van het aantal banen bij de uitzendbureaus (+47 duizend). De relatieve groei van het aantal banen bij de uitzendbureaus is nog wel het grootst (+6 procent). Ook in de voorgaande jaren leunde de banengroei vooral op uitzendkrachten: in vijf jaar tijd steeg het aantal werknemersbanen bij uitzendbedrijven met 261 duizend (+45 procent). Daarmee zijn de uitzendbedrijven goed voor een derde van de totale banengroei in de afgelopen vijf jaar.
Ook in de meeste andere bedrijfstakken trok de werkgelegenheid in 2018 verder aan. Zo kwamen er in de zorg 42 duizend banen bij. De enige bedrijfstakken waar het aantal banen nu nog afneemt, zijn de landbouw en visserij (–6 duizend) en de financiële instellingen (–5 duizend).
1 op de 10 werknemersbanen in de uitzendbranche
Sinds eind 2015 is het aantal banen bij uitzendbureaus groter dan ooit. Het vorige record werd eind 2007 geboekt, net voor het begin van de financiële crisis. In 2018 waren er gemiddeld 832 duizend werknemersbanen bij uitzendbureaus. Daarmee is 1 op de 10 werknemersbanen een baan bij een uitzendbureau. Van de uitzendbanen is 63 procent een deeltijdbaan; 61 procent is voor mannen. Dat mannen vaker uitzendkracht zijn, komt voor een deel doordat er meer uitzendwerk wordt verricht in bedrijfstakken waar veel mannen werken, zoals in de industrie en de bouwnijverheid (zie ook StatLine: Werkgelegenheid bij uitzendbureaus (jaarcijfers) en Werkgelegenheid bij uitzendbureaus (kwartaalcijfers)).
In de CBS-statistieken worden uitzendkrachten geteld in de bedrijfsklasse uitzendbureaus (sbi 78), die deel uitmaakt van de bedrijfstak zakelijke dienstverlening. Inmiddels zijn de uitzendbureaus goed voor de helft van alle werknemersbanen binnen de zakelijke dienstverlening. Omdat de uitzendkrachten een grote invloed hebben op de werkgelegenheidsontwikkeling, wordt de bedrijfstak zakelijke dienstverlening in publicaties soms opgeknipt in twee delen: uitzendbureaus enerzijds en zakelijke dienstverlening (exclusief uitzendbureaus) anderzijds. Deze publicatiegroep uitzendbureaus omvat naast uitzendkrachten en het baliepersoneel van de uitzendbureaus ook uitleenbureaus, de arbeidsbemiddeling en payrollbedrijven. Kortheidshalve wordt gesproken over uitzendbureaus.
Voor een deel van de uitzendkrachten is bekend waar zij daadwerkelijk werken; met name in de industrie, vervoer en opslag, de bouwnijverheid en de zakelijke dienstverlening (zie ook StatLine: Waar werken uitzendkrachten).
Tot en met 2017 publiceerde het CBS ook de ontwikkeling in het aantal uitzenduren per kwartaal (zie ook StatLine: Uitzenduren).
In de periode 2008–2018 is het aantal banen van werknemers en zelfstandigen per saldo met 570 duizend toegenomen. In tien van de vijftien onderscheiden bedrijfstakken groeide de werkgelegenheid, terwijl bij de andere bedrijfstakken banen verloren gingen.
De werkgelegenheid bij de uitzendbureaus is sterk afhankelijk van de conjunctuur. Tussen 2008 en 2010 liep het aantal banen bij uitzendbureaus eerst terug met 100 duizend en nam daarna weer toe met ruim 270 duizend. Hierdoor waren er in 2018 bij uitzendbureaus ruim 830 duizend werknemersbanen.
Ook in de zorg is de werkgelegenheid fors gegroeid. In de jaren 2001–2012 was de zorg meestal de bedrijfstak met de grootste banengroei en gold daarmee als de banenmotor van de Nederlandse arbeidsmarkt. Daarna volgden echter vier jaren waarin er in totaal 70 duizend banen verloren gingen in de zorg. In 2017 en 2018 werd dat verlies weer goedgemaakt, zodat er in 2018 gemiddeld weer net zoveel banen waren in de zorg als in 2012.
StatLine: Banen van werkzame personen.
De afgelopen tien jaar was het verlies aan banen het grootst in de bouwnijverheid. Van 2008 tot en met 2016 verminderde het aantal banen in de bouw met bijna 100 duizend (–16 procent). Deze daling betrof voor het overgrote deel werknemers. In 2017 en 2018 kwamen er in deze bedrijfstak weer 16 duizend banen bij. Per saldo zijn er nu ruim 80 duizend werknemersbanen minder in de bouwnijverheid, terwijl het aantal zelfstandigenbanen in deze bedrijfstak met een daling van 2 duizend banen bijna weer gelijk is aan dat van 2008.
In de bedrijfstak financiële instellingen daalt de werkgelegenheid structureel. De laatste tien jaar daalde de werkgelegenheid in deze bedrijfstak met 68 duizend banen (–24 procent).
StatLine: Banen van werkzame personen.
Met 1 671 duizend banen is de zorg nu de grootste bedrijfstak (op basis van de indeling die in deze publicatie wordt gehanteerd). 1 op de 6 banen van werknemers en zelfstandigen is te vinden in deze bedrijfstak. De bedrijfstakken handel en zakelijke dienstverlening (exclusief uitzendbureaus) volgen op de voet met elk bijna 1,6 miljoen banen. Tot en met 2008 was de handel de grootste bedrijfstak, terwijl de industrie in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw de koploper was. Tegenwoordig telt de zorg tweemaal zoveel banen als de industrie.
Vast contract voor 2 op de 3 werknemersbanen
Voor 2 op de 3 werknemersbanen geldt een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Bij de overige banen is bepaald dat de overeenkomst na het verstrijken van de overeengekomen periode van rechtswege eindigt, dat wil zeggen zonder opzegging of andere handeling. De afgelopen tien jaar is het aandeel vaste contracten gedaald van 73 procent naar 64 procent van de werknemersbanen in 2018. In deze cijfers zijn de directeuren-grootaandeelhouders meegeteld bij de banen met een vast contract.
Bij de bedrijfstakken financiële instellingen en het openbaar bestuur is het aandeel vaste contracten het hoogst, terwijl bij uitzendbedrijven en de horeca minder dan de helft van de werknemersbanen een vast contract heeft.
Het uurloon van de werknemers met een vast contract is gemiddeld 59 procent hoger dan dat van de overige werknemers. Voor een deel komt dit doordat het aandeel vaste contracten laag is bij jongeren. Van de werknemers jonger dan 30 jaar heeft in totaal slechts een derde een vast contract, terwijl dat bij de werknemers van 60 tot 65 jaar 88 procent is.
StatLine: Banen van werknemers naar contractsoort en Banen van werknemers naar contractsoort (2006–2009).
Het aantal banen waarin mannen werken steeg in 2018 met 120 duizend, dat van vrouwen nam toe met 139 duizend. Voor het eerst hadden vrouwen meer dan 5 miljoen banen. Nog steeds zijn de meeste banen in handen van mannen (52 procent), maar het verschil wordt geleidelijk steeds kleiner. Twintig jaar geleden was het aandeel van mannen nog 57 procent (zie StatLine: Banen en Banen (jaarcijfers).
Het aantal werknemersbanen die mannen vervullen steeg sinds 2008 met slechts 7 duizend, terwijl er voor vrouwen 325 duizend bij kwamen. Deze ontwikkeling hangt voor een deel samen met de banengroei per bedrijfstak: vrouwen zijn sterk vertegenwoordigd in de zorg, waar het aantal banen jarenlang toenam. Ruim 5 op de 6 werknemersbanen in deze bedrijfstak zijn in handen van vrouwen. In 2018 steeg het aantal werknemersbanen in de zorg met 31 duizend, waarvan per saldo 90 procent voor vrouwen. Ook in het openbaar bestuur en het onderwijs kwamen er veel meer werknemersbanen bij die werden vervuld door vrouwen dan door mannen.
StatLine: Banen van werknemers.
Nederland handelsland
In bijna de helft van de Nederlandse gemeenten is de handel de bedrijfstak met de meeste banen voor werknemers. Dit geldt voor 188 van de 388 gemeenten (48 procent), gemeten per december 2017. Op de tweede plaats staat de zorg, die in 112 gemeenten de grootste bedrijfstak is (29 procent). De industrie is in 39 gemeenten het grootst (10 procent).
In verschillende gemeenten wordt de werkgelegenheid sterk bepaald door een enkele bedrijfstak. Dit geldt bijvoorbeeld voor Berg en Dal, waarbinnen de zorg veruit de grootste bedrijfstak is, afgemeten in aantallen werknemersbanen. Schiermonnikoog is de gemeente waar de horeca het sterkst vertegenwoordigd is, terwijl in Oostzaan de handel relatief het belangrijkst is.
Als gekeken zou worden naar de absolute aantallen werknemersbanen, scoort Amsterdam bij tien van de vijftien onderscheiden bedrijfstakken het hoogst, het meest in de zakelijke dienstverlening. Rotterdam telt absoluut gezien de meeste banen in de industrie en de bouwnijverheid. Haarlemmermeer is de gemeente met de meeste banen in de bedrijfstak vervoer en opslag. ’s-Gravenhage telt de meeste werknemersbanen in het openbaar bestuur en voor de landbouw en visserij is dat het Westland.
Statline: Banen van werknemers per werkgemeente.
Deeltijdwerk in ruim de helft van alle werknemersbanen
De afgelopen jaren is het aantal deeltijdbanen in Nederland sterk gestegen. Hierdoor zijn er sinds ongeveer 2007 meer deeltijdbanen dan voltijdbanen voor werknemers. Van de 8,1 miljoen banen van werknemers werd 55 procent in deeltijd vervuld in 2017. In deeltijdbanen ligt de overeengekomen arbeidsduur onder het aantal uren dat hoort bij een volledige dag- en weektaak.
De percentages verschillen sterk bij mannen en vrouwen. Van de werknemersbanen die door vrouwen worden vervuld, is ruim drie kwart een deeltijdbaan. Het aandeel deeltijdbanen van mannen blijft hier met 34 procent sterk bij achter. Het aandeel deeltijders varieert sterk per bedrijfstak. In de zorg en de horeca is drie kwart van de werknemersbanen een deeltijdbaan.
Onderaan de ranglijst staat de bouwnijverheid met minder dan een kwart deeltijdbanen. In alle bedrijfstakken zijn de banen van vrouwen voor het merendeel deeltijdbanen. Dit in tegenstelling tot de banen van mannen, die in de meeste bedrijfstakken voor het merendeel door voltijders worden bezet. Alleen in de bedrijfstakken horeca, cultuur, recreatie en overige diensten en de uitzendbureaus werkt ook het merendeel van de mannen in deeltijd (zie ook StatLine: Banen van werknemers).
Mensen met meerdere banen
Er zijn meer banen in Nederland dan werkzame personen. In 2018 waren er gemiddeld 10 446 duizend banen voor 9 328 duizend personen. Per 100 werkzame personen zijn dat 112 banen (zie ook StatLine: Werkgelegenheid).
Het aantal werknemers met een tweede baan is de afgelopen zes jaar vrijwel constant gebleven op ruim 500 duizend. In de tien jaar daarvoor was er wel sprake van een stijgende trend. Tot en met 2005 waren het er nog minder dan 400 duizend. De meest voorkomende combinaties zijn werknemers met een vaste arbeidsrelatie en een tweede werkkring als zelfstandige zonder personeel en mensen met meerdere flexibele arbeidsrelaties tegelijkertijd. Samen zijn ze goed voor de helft van alle werknemers met een tweede baan. (zie ook: StatLine: Werknemers: combibanen).
Nog nooit zoveel mensen aan het werk
In 2018 waren er 230 duizend mensen meer aan het werk dan een jaar eerder. Dat is een stijging van 2,5 procent. Inmiddels zijn er ruim 400 duizend mensen meer aan het werk dan in 2008, toen het gemiddeld aantal werkzame personen eerder de hoogste stand bereikte. Het aantal werknemers steeg in 2018 met 219 duizend, het aantal zelfstandigen met 11 duizend. Deze ontwikkelingen komen in grote lijnen overeen met die van het aantal banen.
Tot de werkzame personen wordt iedereen gerekend die betaald werk doet bij een bedrijf, instelling of particulier huishouden in Nederland, ongeacht het aantal uren dat daarmee gemoeid is. Overigens is het aantal mensen dat in de loop van het jaar gewerkt heeft veel groter dan het aantal mensen dat gemiddeld in het jaar gewerkt heeft. Iemand die maar een half jaar gewerkt heeft, telt voor het gemiddelde namelijk als een halve werkzame persoon. Veel mensen werken maar een deel van het jaar. Denk bijvoorbeeld aan schoolverlaters of mensen die met pensioen gaan. Ook mensen die ontslagen worden of van wie het contract niet verlengd wordt, moeten op zoek naar ander werk, wat vaak enige tijd kost.
De 9,3 miljoen werkzame personen die Nederland in 2018 telde, bezetten gemiddeld 10,4 miljoen banen. Zowel voltijdbanen als deeltijdbanen tellen mee. Gemiddeld heeft een baan een arbeidsduur die gelijk is aan 71 procent van een voltijdbaan. Anders gezegd: de gemiddelde baan is een baan van 0,71 vte. Hierdoor komt het arbeidsvolume uit op ongeveer 7,5 miljoen arbeidsjaren.
De omvang van de werkgelegenheid kan ook gemeten worden op basis van het aantal feitelijk gewerkte uren. Niet-gewerkte uren als gevolg van vakantie, arbeidsduurverkorting, ziekte en dergelijke tellen hierbij niet mee, overwerkuren wel. In totaal werd vorig jaar ruim 13 miljard uur gewerkt. Dat is gemiddeld 1 279 uur per baan. Doordat een aanzienlijke groep mensen in twee of meer banen werkzaam is, zijn werkenden gemiddeld 1 433 uur per jaar aan het werk. Mannen met betaald werk werken gemiddeld 1 661 uur per jaar, vrouwen 29 procent minder. Hierdoor wordt 61 procent van het totaal aantal gewerkte uren gemaakt door mannen en 39 procent door vrouwen (zie ook StatLine: Gewerkte uren).
StatLine: Werkgelegenheid (vanaf 1995) en Werkgelegenheid (oude reeks).
De werkgelegenheid kan op vier manieren worden gekwantificeerd: op basis van banen, arbeidsjaren, werkzame personen of gewerkte uren. Op grond van alle vier de maatstaven kan geconcludeerd worden dat de werkgelegenheid de economische crisis te boven is: de cijfers over 2017 en 2018 overtreffen die van 2008. Daarbij moet wel worden aangetekend dat de bevolking in Nederland van 2008 op 2018 met 5 procent groeide, maar die toename betreft vooral 65‑plussers. De bevolking van 20 tot 65 jaar, die het leeuwendeel van de werkzame personen vormt, groeide de afgelopen tien jaar met minder dan 1 procent.
In vergelijking met 1970 is het aantal banen met ongeveer 77 procent toegenomen en zijn er 71 procent meer mensen aan het werk. Doordat deeltijdwerk een hoge vlucht heeft genomen, de voltijdwerkweek is verkort en werkenden tegenwoordig meer vakantiedagen hebben, is het totaal aantal gewerkte uren in Nederland echter beduidend minder toegenomen, namelijk met 34 procent. Terwijl werkenden in 1970 nog gemiddeld 1 829 uur per jaar werkten, is dat tegenwoordig 22 procent minder.
Wat zijn gewerkte uren?
In 2018 werd gemiddeld 1 279 uur per jaar gewerkt in een werknemersbaan. Maar daarvoor krijgt de werknemer 1 520 uur betaald. Hoe zit dat?
De contractuele arbeidsduur voor een voltijdbaan van werknemers bedroeg in 2018 gemiddeld 39 uur per week. Bij deeltijdbanen was dat gemiddeld de helft. Op deze arbeidsduur is de eventuele arbeidsduurverkorting al in mindering gebracht, ook als het gaat om adv-dagen. Adv-uren zijn immers niet-betaalde uren. Hieruit volgt dat de arbeidsduur van werknemers op jaarbasis gemiddeld 1 499 uur bedraagt, voor voltijders en deeltijders tezamen. Daarbovenop wordt gemiddeld 20 uur per baan betaald overgewerkt. De betaalde arbeidsduur bedraagt daardoor 1 520 uur per jaar.
Maar werknemers hebben ook recht op doorbetaalde vakantie en feestdagen. Dat zijn gemiddeld 187 uren per jaar. Daarnaast zijn werknemers om diverse andere redenen afwezig, maar krijgen wel doorbetaald: bij elkaar gaat dat om 68 uur per jaar, waarvan ziekte het grootste deel uitmaakt.
Anderzijds zijn er ook werknemers die onbetaald overwerken, gemiddeld 15 uur per jaar.
Verminderen we de betaalde arbeidsduur met de doorbetaalde niet-gewerkte uren, en tellen we daar de onbetaalde overwerkuren weer bij op, dan resulteert het gemiddeld aantal gewerkte uren per werknemersbaan: 1 279 uur per jaar, oftewel bijna 25 uur per week. Niet bekend is welk deel hiervan productieve arbeidstijd is (denk aan doorbetaalde koffiepauzes, privégesprekken tijdens werktijd e.d.).
Jaarlijkse arbeidsduur van werknemers per baan, 2018
| Mannen | Vrouwen | Totaal | W.v. voltijd | ||
|---|---|---|---|---|---|
| Uren | |||||
| Betaalde arbeidsuren | 1 736 | 1 281 | 1 520 | 2 059 | |
| Contracturen | + | 1 703 | 1 275 | 1 499 | 2 027 |
| Overwerk (betaald) | + | 33 | 6 | 20 | 31 |
| Vakantie-uren | − | 165 | 128 | 147 | 194 |
| Feestdagen (in uren) | − | 46 | 34 | 40 | 54 |
| Ziekteverzuim | − | 57 | 46 | 52 | 70 |
| Kort verzuim (doktersbezoek e.d.) | − | 9 | 6 | 8 | 10 |
| Moederschap | − | 0 | 14 | 7 | 6 |
| Vaderschap/geboorte kind | − | 1 | 0 | 0 | 0 |
| Betaald ouderschapsverlof | − | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Weerverlet | − | 1 | 0 | 1 | 1 |
| Shorttime / werktijdverkorting | − | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Stakingsuren | − | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Opname levensloop | − | 1 | 0 | 1 | 1 |
| Overwerk (onbetaald) | + | 24 | 5 | 15 | 22 |
| Gewerkte uren | = | 1 481 | 1 057 | 1 279 | 1 742 |
StatLine: Arbeidsduur van werknemers.
Eurostat: Gewerkte uren en werkzame personen, EU.
Werkstakingen
In 2017 staakten werknemers bij 32 gelegenheden. Daarmee waren 306 duizend arbeidsdagen gemoeid; dit aantal is de afgelopen twintig jaar niet zo hoog geweest. Het gemiddeld aantal stakingsdagen bedroeg in Nederland de afgelopen twintig jaar ongeveer 70 duizend arbeidsdagen per jaar.
Er waren bijna 150 duizend werknemers betrokken bij de stakingen in 2017, vier keer zoveel als gemiddeld in de laatste twintig jaar. Bovendien waren er sinds de start van de waarneming in 1901 niet zoveel werknemers betrokken bij stakingen als in 2017. Personeel in de industrie en de bedrijfstak vervoer en opslag staakte in 2017 het vaakst, namelijk 13 en 12 keer. De meeste arbeidsdagen gingen verloren in het onderwijs.
Hoewel er in 2017 relatief veel gestaakt werd, was het effect op het totaal aantal gewerkte uren van werknemers gering: 0,02 procent van de contracturen werd gestaakt. Op 1 mei 2019 publiceert het CBS de cijfers over de stakingen in 2018.
StatLine: Werkstakingen.