Foto omschrijving: Open dag op het AZC. Asielzoekers centrum. Kinderen springen touwtje op het sportterrein.

Scroll naar Samenvatting

Samenvatting

Het CBS volgt sinds 2017 alle asielzoekers die vanaf 2014 bij een opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) instroomden en de statushouders die vanaf 2014 een verblijfsvergunning asiel ontvingen, inclusief hun nareizigers en gezinsherenigers. Deze tiende jaarlijkse rapportage van dit cohortonderzoek geeft inzicht in de instroom en kenmerken van asielzoekers bij het COA en in de samenstelling van de groep statushouders van 2014 tot en met de eerste helft van 2025. Daarnaast wordt in deze rapportage een actueel beeld geschetst van de leefsituatie en integratie van deze statushouders. Er worden cijfers gepresenteerd over het verblijf in COA-opvang, de wachttijd tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning, huisvesting, inburgering, huishoudenssamenstelling, gezinshereniging, onderwijs, naturalisatie, werk en inkomen, zorggebruik en criminaliteit. Ook is er in deze rapportage speciale aandacht voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen en is er een apart hoofdstuk over Oekraïners die sinds 24 februari 2022 (het begin van de grootschalige oorlog) onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) naar Nederland kwamen. Naast deze rapportage is er een interactief dashboard, met daarin nog meer cijfers over de opvang van asielzoekers, de integratie van statushouders en cijfers over Oekraïense vluchtelingen onder de RTB.

Dit onderzoek wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW).

Actuele ontwikkelingen over de nieuwe instroom van asielzoekers bij het COA en de periode van het verblijf in COA-opvanglocaties:

  • Lagere instroom COA-opvang in eerste helft 2025 ‍– In de eerste helft van 2025 stroomden er 20 duizend asielzoekers in bij het COA, 4 duizend minder dan in de eerste helft van 2024. In heel 2024 stroomden 48 duizend asielzoekers in. Dat zijn er minder dan het jaar daarvoor (51 duizend). De hogere instroom in 2022, 2023 en 2024 volgt na een lagere instroom in 2020 van 22 duizend asielzoekers.
  • Meer asielzoekers uit Eritrea, minder uit Irak en Jemen ‍– Tot en met 2020 waren Eritreeërs, na de Syriërs, de op één na grootste groep asielzoekers die instroomde bij de COA-opvang. In 2021 waren dat Afghanen, in 2022 en 2023 Turken en in 2024 Irakezen. In de eerste helft van 2025 waren asielzoekers met de Eritrese nationaliteit weer de op één na grootste groep, de instroom uit Jemen daalde in deze periode.
  • Aandeel jonge mannen relatief groot ‍– Ruim driekwart van alle asielzoekers is jonger dan 35 jaar op het moment van aankomst in Nederland, 50 tot 60 procent is jonger dan 25 jaar. Met 57 procent is het aandeel mannen in de eerste helft van 2025 wat lager dan in voorgaande jaren. Het gaat vooral om jongens tussen de 15 en 20 jaar.
  • Aandeel mannen uit Syrië gedaald ‍– In de eerste helft van 2025 ligt het percentage mannelijke asielzoekers onder Syriërs op 49 procent, waaronder een aanzienlijk deel kinderen tussen 5 tot 10 jaar. Van 2019 t/m 2024 bedraagt het aandeel (jonge) mannen onder de Syrische asielzoekers ongeveer twee derde, vergelijkbaar met de eerste twee cohorten uit 2014 en 2015. Vooral in 2016 en 2017 is het percentage vrouwen en ook het percentage jonge kinderen wat hoger dan in de voorgaande en de meest recente jaren. Dit komt vooral doordat het aantal nareizigers onder Syriërs in 2016 en 2017 relatief hoog is ten opzichte van de andere jaren.
  • Minder alleenstaande asielzoekers ‍– In de eerste helft van 2025 kwam 34 procent als alleenstaande asielzoeker bij het COA binnen, vergelijkbaar met het aandeel in 2016 en 2017. Van 2019 tot en met 2024 lag dit aandeel tussen de 44 en 51 procent. Met name onder Syriërs nam het percentage dat als alleenstaande naar Nederland kwam af: van 37 procent in 2024 naar 12 procent in de eerste helft van 2025.
  • Eritreeërs en Syriërs vaker een eigen adres ‍– Gemiddeld was bijna 42 procent van alle asielzoekers die tussen 2014 en 2023 instroomden in de asielopvang van het COA na twaalf maanden uitgestroomd uit COA en zelfstandig ingeschreven op een adres in een gemeente. In het kort noemen we dit een eigen adres. Eritreeërs en Syriërs hebben het vaakst binnen twaalf maanden een eigen adres, met 63 en 61 procent, Iraniërs met 16 procent het minst vaak.
  • Bijna de helft van de asielzoekers na één maand in een reguliere opvang ‍– In de eerste maand na instroom zat 48 procent van de asielzoekers die in 2024 instroomden in het COA in een reguliere opvang. Daarnaast zat 39 procent in een noodopvang en 3 procent in een crisisnoodopvang. Na drie maanden daalde het percentage in de reguliere opvang naar 43 procent terwijl het aandeel in een noodopvang steeg naar 45 procent en het percentage in de crisisnoodopvang steeg naar 9 procent.
  • Aantal verhuizingen in COA-opvang neemt voor meest recente cohorten iets toe ‍– Asielzoekers verhuizen gemiddeld 2 keer binnen COA, over alle cohorten heen. Vanaf cohort 2020 stijgt het aantal verhuizingen binnen twee jaar na instroom in COA. Deze stijging in verhuizingen binnen COA komt mogelijk door de toename van tijdelijke nood­opvang­locaties. Asielzoekers die van 2021 tot en met de eerste helft van 2025 bij het COA binnenkwamen verhuisden in de eerste drie maanden gemiddeld iets vaker naar een andere opvanglocatie dan mensen uit eerdere cohorten.
  • Flinke daling asielzoekers met verblijfsvergunning na een jaar in Nederland ‍– Gemiddeld heeft 71 procent van alle asielzoekers die tussen 2014 en 2023 de asielopvang van het COA instroomden na twaalf maanden een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij het laatste cohort waarvan de status twaalf maanden later bekend was, de asielzoekers die in 2023 instroomden, was dit 41 procent. Dit is een daling in vergelijking met vorige jaren en ook lager dan instroomcohort 2019, toen het aantal vergunningen dat na 12 maanden verleend was mogelijk lager was als gevolg van de COVID-pandemie in 2020. Zowel voor de instroomcohorten als voor de verschillende nationaliteitennoot1 lopen de cijfers sterk uiteen: 85 procent van de Eritreeërs en 84 procent van de Syriërs die in 2014 t/m 2023 instroomden hebben na twaalf maanden een verblijfsvergunning. Het laagste percentage was dat bij de Iraniërs met 28 procent.
  • Verschillen tussen nationaliteiten in toewijzen verblijfsvergunning ‍– Bijna alle Syriërs en Eritreeërs van het instroomcohort 2014 die op 1 juli 2025 nog in Nederland woonden, kregen binnen anderhalf jaar na instroom een verblijfsvergunning. Ter vergelijking: ongeveer tweederde van de asielzoekers uit Irak uit dit cohort kreeg een vergunning na dezelfde tijd. Na 120 maanden (tien jaar) waren er in totaal nog 105 asielzoekers in de opvang zonder een verblijfsvergunning. Dit betekent niet dat de IND de aanvraag nog in behandeling heeft voor al deze mensen. Na een afwijzing blijven sommigen in de opvang wachten op hun vertrek of wachten op een uitspraak op beroep. Ook kunnen mensen na een afwijzing opnieuw een asielaanvraag indienen (tweede of volgende aanvraag), bijvoorbeeld wanneer er iets is veranderd in hun situatie, of omdat er nieuwe informatie is over het land van herkomst.
  • Meeste vertrokken asielzoekers deden dit zelfstandig (met onbekende bestemming) ‍– Van de bijna 27 duizend asielzoekers die in 2014 instroomden in de COA-opvang zijn er 6 070 na 10,5 jaar weer vertrokken of hebben tijdelijk geen adres: dit is bijna 23 procent van het originele cohort. De meeste asielzoekers die vertrekken doen dit zelfstandig. Een deel van de asielzoekers vertrekt zonder toezicht, ook wel zelfstandig vertrek met onbekende bestemming genoemd: van het instroomcohort 2014 zijn dat er 2 055 na 10,5 jaar ofwel een derde van degenen die zijn vertrokken. Voor een klein deel van de asielzoekers die niet willen vertrekken en geen hulp van de overheid accepteren, gaat de Dienst Terugkeer & Vertrek over tot gedwongen vertrek: van cohort 2014 waren dit er 365 na 10,5 jaar.
  • Werkende asielzoekers ‍– In deze editie zijn voor het eerst aantallen opgenomen rondom werkende asielzoekers die in COA verblijven of administratief geplaatst zijn en nog geen vergunning hebben. Asielzoekers zonder vergunning mogen alleen werken als hun werkgever voor hen een tewerkstellingsvergunning (TWV) heeft. Sinds eind november 2023 is de 24‑weken eis opgeheven die stelde dat asielzoekers maximaal 24 weken in een periode van 52 weken mochten werken. Het aantal asielzoekers in COA dat (nog) geen vergunning heeft en een baan heeft als werknemer neemt flink toe in de meest recente cohorten (2023 en 2024). Dit kan te maken hebben met het afschaffen van de eerdergenoemde 24‑weken eis.
  • Bijna 35 duizend alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) ‍– Sinds 2014 kwamen bijna 35 duizend amv’s naar Nederland. Nidos heeft de voogdij over alle amv’s. De meerderheid van de amv’s bestaat uit Syriërs (38 procent) en Eritreeërs (24 procent). Vooral in 2023 was de instroom van amv’s groot (6 565 nieuwe amv’s). In de eerste helft van 2025 zijn er 1 655 nieuwe amv’s naar Nederland gekomen. Twee derde van alle amv’s is 15, 16 of 17 jaar oud, 84 procent bestaat uit jongens. Erg jonge amv’s komen weinig voor: slechts 1 procent is jonger dan vijf jaar.
  • In de eerste helft van 2024 zijn 275 hervestigers ingestroomd in COA ‍– Sinds 2014 zijn 8,6 duizend hervestigers ingestroomd in een COA opvanglocatie. De hoogste instroom van hervestigers in COA was in 2017, toen meer dan 2 duizend hervestigers instroomden. De groep hervestigers die instromen in COA bestaat voornamelijk uit personen met een Syrische nationaliteit, namelijk 83 procent.

Actuele ontwikkelingen over huisvesting en integratie van statushouders en hun nareizigers en gezinsherenigers:

  • Aantal verleende vergunningen in eerste helft 2025 lager dan jaar ervoor ‍‍– In de eerste helft van 2025 zijn er bijna 19 duizend vergunningen verleend, 3 duizend minder dan in de eerste helft van 2024. In het gehele jaar 2024 is het aantal verleende vergunningen (ruim 34 duizend) hoger dan dat van 2023 (bijna 31 duizend). Ook nareizigers van statushouders ontvangen een (afgeleide) asielvergunning en behoren net als gezinsherenigers in dit onderzoek tot de statushouders.
  • Top vijf meest voorkomende nationaliteitennoot2 van statushouders wisselt, maar Syrië blijft op plek één ‍– In de periode 2014–2020 staan de Syrische en de Eritrese nationaliteiten op de plaatsen één en twee van het hoogste aantal verleende vergunningen. In 2021 staat Afghanistan op plek twee, in 2022 is dat Turkije, in 2023 Jemen en in 2024 en de eerste helft van 2025 is dat opnieuw Eritrea.
  • Aantal nareizigers verandert laatste jaren weinig ‍– Sinds 2014 is aan iets meer dan 110 duizend nareizigers een vergunning verleend. Bijna 70 procent zijn Syriërs. Het aandeel vergunningen dat verleend wordt aan nareizigers varieert over de cohorten. In 2017 was 51 procent van de nieuwe statushouders een nareiziger en in de eerste helft van 2025 was dit 40 procent. In absolute aantallen veranderde het aantal verleende vergunningen aan nareizigers van 2021 tot 2024 niet zoveel, tussen de 10 en 12 duizend per jaar. In de eerste helft van 2025 werden ruim 7 duizend vergunningen aan nareizigers verleend.
  • Meer nareis na twee-en-een-half jaar voor recente cohorten dan voor 2017–2019 ‍– De percentages van statushouders (exclusief nareizigers) die na twee-en-een-half jaar familieleden hebben laten overkomen lopen sterk terug in cohorten 2017, 2018 en 2019. Van deze cohortjaren lieten tussen de 9 en 12 procent van de statushouders via de nareisregeling en tussen 5 en 7 procent van de statushouders via reguliere gezinshereniging familieleden overkomen na twee-en-een-half jaar. In 2020, 2021, en 2022 liggen deze aandelen hoger, met name het aandeel nareizigers (tussen 19 en 25 procent).
  • Aandeel nareizigers onder amv’s stijgt vanaf 2018, blijft stabiel in 2022 ‍– Van alle amv’s met een verleende vergunning liet binnen twee-en-een-half jaar 41 procent familieleden overkomen via de nareisregeling en 12 procent via de reguliere gezinshereniging. In absolute aantallen lieten amv’s in 2016 het vaakst familieleden via de nareisregeling en de reguliere gezinshereniging komen (respectievelijk 1 270 en 350).
  • Gemiddelde wachttijd langer in 2023 en 2024 ‍– De gemiddelde wachttijd voor alle statushouders die een vergunning kregen in de periode 2014 tot en met de eerste helft van 2025 is 204 dagen. Dit is opnieuw een lichte toename ten opzichte van de gemiddelde wachttijd die in de twee voorgaande rapportages uit 2025 en 2024 werd geregistreerd (respectievelijk 195 en 175 dagen). Asielzoekers met de Eritrese en Syrische nationaliteit kregen in verhouding snel een verblijfsvergunning (gemiddeld na 147 en 123 dagen).
  • Weinig regionale verschillen ‍– Zowel twee maanden als twee jaar nadat statushouders uit de opvang van het COA zijn vetrokken wonen ze verspreid over Nederland. De verschillen tussen gemeenten, uitgedrukt per 10 duizend inwoners, zijn klein.
  • Statushouders wonen in de loop van de tijd stedelijker ‍– Statushouders wonen als ze langer in Nederland verblijven steeds vaker in stedelijke gebieden. Van het vergunningscohort 2014 woonde na twee maanden 53 procent in sterk of zeer sterk stedelijk gebied, na tien jaar is dat 62 procent.
  • Statushouders wonen vooral in huurwoningen ‍– De ruim 311 duizend statushouders die in de periode 2014 tot en met eerste helft 2025 een verblijfsvergunning ontvingen, vormden op 1 juli 2025 119 duizend huishoudens. Van het cohort 2014 woont op 1 juli 2025 het overgrote deel (92 procent) van de huishoudens in een huurwoning.
  • Aandeel alleenstaanden hoger in cohort 2023, maar neemt weer af voor cohort 2024 ‍– Twee maanden na verlaten van de COA-opvang is de helft van de statushouders uit vergunningscohorten 2017 tot en met 2019 een thuiswonend kind. Hierna daalt het aandeel tot 44 procent of lager voor recentere cohorten. In cohort 2014 was dit met 28 procent nog lager. In dat cohort zaten meer alleenstaanden, namelijk 37 procent. Voor de cohorten daarna daalt dit aandeel tot 25 procent of lager. In cohort 2023 is het aandeel alleenstaanden 29 procent en in cohort 2024 is dit aandeel 23 procent.
  • Statushouders van recente vergunningscohorten volgen vaker onderwijs ‍– Als statushouders langer in Nederland zijn volgen ze vaker onderwijs. Van alle statushouders die in 2014 hun vergunning kregen, volgde 28 procent onderwijs op 1 oktober 2015. Op 1 oktober 2018, vier jaar na het verkrijgen van een vergunning voor cohort 2014, was dit gestegen naar 39 procent. Vier jaar na het verkrijgen van een vergunning is dit percentage hoger voor recentere cohorten: voor de cohorten 2017 tot en met en 2021 is dit aandeel tussen 45 en 54 procent. Ook niet-leerplichtige jongeren vanaf 18 jaar oud (met name jongeren tussen 18 en 22 jaar) volgen vaker onderwijs naarmate ze langer in Nederland zijn.
  • Hoge onderwijsdeelname voor nieuwste cohorten amv’s ‍– Amv’s volgen de afgelopen jaren steeds vaker onderwijs. Zo volgde 57 procent van alle amv’s die in 2014 hun vergunning kregen op 1 oktober 2015 onderwijs. Van latere cohorten volgde tussen 69 en 80 procent onderwijs een jaar na het verkrijgen van een verblijfsvergunning, met uitzondering van cohort 2024 (61 procent).
  • Toename mbo ‍– Naarmate statushouders langer in Nederland zijn, volgen zij vooral onderwijs op mbo-niveau. Het aandeel onderwijsvolgende statushouders (vanaf het niveau voortgezet onderwijs) uit 2014 dat een mbo-opleiding volgt steeg van 12 procent in 2015 naar 55 procent in 2024.
  • Meerderheid van amv’s volgt mbo-opleiding ‍– De meeste amv’s gaan naar het mbo. Vier jaar na het verkrijgen van een vergunning is dit in alle cohorten voor tussen de 74 en 86 procent van de onderwijsvolgende amv’s (vanaf het niveau voortgezet onderwijs) het geval.
  • Steeds hoger mbo-niveau ‍– Van de statushouders volgde in de eerste jaren het grootste deel een opleiding op niveau 1 (Mbo-1), daarna is er een stijging van de overige niveaus. Op 1 oktober 2015 deed 68 procent van de statushouders uit cohort 2014 die een mbo-opleiding volgde niveau 1. Op 1 oktober 2025 is dit nog 10 procent. In 2025 volgden de meeste statushouders uit cohort 2014 een mbo-opleiding op niveau 4 (41 procent).
  • 1 procent van de statushouders uit cohort 2014 nog inburgeringsplichtig met overschrijding ‍– Van de bijna 20 duizend personen die in 2014 een verblijfsvergunning asiel ontvingen was voor 32 procent (nog) geen inburgeringsplicht vastgesteld op 1 oktober 2025. De meeste personen die een verblijfsvergunning asiel ontvangen en tussen de 18 en 65 jaar oud zijn, zijn inburgeringsplichtig onder de Wet inburgering 2013. Van deze groep heeft 64 procent het inburgeringsexamen behaald of een (tijdelijke) vrijstelling. Dit is bijna iedereen (98 procent) van de groep die inburgeringsplichtig is en dus geen ontheffing heeft en niet is vertrokken of overleden. 1 procent heeft het examen nog niet gehaald en de inburgeringstermijn van drie jaar overschreden en krijgt een boete. Minder dan 0,5 procent heeft het examen nog niet gehaald (maar heeft nog wel tijd om dat alsnog te doen) terwijl 7 procent van de statushouders inmiddels is vertrokken of overleden. Voor recentere cohorten liggen de cijfers met geslaagden of (tijdelijke) vrijstellingen uiteraard lager.
  • Nationaliteiten verschillen in aandeel dat inburgeringsexamen heeft gehaald ‍– 75 procent van de Iraniërs van cohort 2014 die vallen onder de Wet inburgering 2013 heeft in oktober 2025 het inburgeringsexamen behaald of een (tijdelijke) vrijstelling gekregen. Dit aandeel is het laagst bij personen uit Somalië, namelijk 42 procent. Dat dit aandeel laag is komt doordat 38 procent van deze groep een volledige ontheffing heeft.
  • Taalniveau vooral A2, met name bij Eritreeërs ‍– Bij het volgen van een inburgerings­cursus leren statushouders Nederlands begrijpen, spreken en schrijven op tenminste taalniveau A2. Met dit taalniveau kunnen mensen zich in het dagelijkse leven redden. In de verschillende cohorten haalden de meesten (84 procent of meer) het inburgerings­examen op niveau A2. Personen met de Eritrese nationaliteit behaalden het vaakst het inburgerings­examen op A2 niveau (98 procent). Turkse statushouders burgeren over het algemeen het vaakst op het hoogste taalniveau in (niveau B2).
  • Naturalisaties nemen toe vanaf zes jaar na ontvangen vergunning ‍– Wanneer status­houders vijf jaar in Nederland verblijven, kunnen zij onder voorwaarden de Nederlandse nationaliteit aanvragen (naturaliseren). Bij cohort 2014 is na 10,5 jaar 90 procent van de statushouders genaturaliseerd. Van de Syriërs die in 2014 een verblijfsvergunning kregen, heeft 95 procent na 10,5 jaar de Nederlandse nationaliteit gekregen. Voor personen uit Eritrea is dit 84 procent.
  • Werk belangrijkste inkomstenbron voor 4 op de 10 statushouders tien jaar na verkrijgen verblijfsvergunning ‍– Veel statushouders hebben in de eerste maanden na het krijgen van hun vergunning nog geen inkomen. Dit komt doordat ze vaak nog in een opvanglocatie wonen en leefgeld krijgen. Na tien jaar is voor 25 procent van de statushouders uit cohort 2014 een uitkering de belangrijkste inkomstenbron en voor 40 procent is werk de belangrijkste inkomstenbron. Het aandeel statushouders met werk als belangrijkste inkomstenbron neemt toe als statushouders langer in Nederland zijn. Mannelijke statushouders hebben vaker werk als belangrijkste inkomstenbron dan vrouwelijke statushouders. De belangrijkste inkomstenbron is leeftijdsafhankelijk. Jonge statushouders, tot 25 jaar, gaan vaak nog naar school. Vanaf 25 jaar is werk vaak de voornaamste inkomstenbron en vanaf 45 jaar is een uitkering de belangrijkste inkomstenbron. De meeste amv’s gaan de eerste jaren na het verkrijgen van hun vergunning nog naar school. Na tien jaar is het percentage amv’s uit cohort 2014 met werk als belangrijkste bron van inkomsten gegroeid tot 59 procent en het deel dat naar school gaat gedaald tot 11 procent.
  • Steeds meer statushouders werken ‍– Een jaar na het krijgen van de verblijfsvergunning is ongeveer 3 procent van de statushouders uit cohort 2014 werkzaam als werknemer of zelfstandige. Voor latere cohorten zijn dat er meer met 15 procent in cohort 2022. Als statushouders langer in Nederland zijn, hebben zij vaker betaald werk. Van cohort 2014 heeft 56 procent van de statushouders na tien jaar werk.
  • Amv’s werken vaker in deeltijd met tijdelijk contract ‍– In vergelijking met de totale groep statushouders werken amv’s iets vaker in deeltijd dan de totale groep (69 tegen 66 procent), hebben ze vaker een baan met een tijdelijk contract (80 tegen 72 procent), werken ze vaker in de uitzendbranche (31 tegen 22 procent) en in de horeca (23 tegen 15 procent), maar iets minder vaak in de handel (17 tegen 19 procent) en werken ze minder vaak als zelfstandige (5 tegen 8 procent).
  • Statushouders eerst vaak als oproepkracht aan het werk ‍– De meeste statushouders werken als oproepkracht of als werknemer. Het deel dat als oproepkracht werkt wordt kleiner wanneer statushouders langer in Nederland zijn.
  • Twee vijfde van werkende statushouders van cohort 2014 heeft vijf of meer banen gehad ‍– Na tien jaar heeft 41 procent van cohort 2014 vijf of meer banen gehad. Statushouders uit meer recente cohorten hebben vaker meer banen gehad dan statushouders uit oudere cohorten. De helft van cohort 2021 heeft twee jaar na verkrijgen van de vergunning meer dan één baan gehad. Het aantal banen dat statushouders in hun loopbaan hebben neemt langzaam toe over tijd.
  • Steeds vaker voltijdbaan onder werkende statushouders ‍– Statushouders beginnen vaak hun werkzame leven in een deeltijdbaan (tot 1 vte). Twee jaar na het verkrijgen van hun vergunning werkt 86 procent van de werkenden binnen cohort 2014 in deeltijd. Nieuwere cohorten hebben vaker een voltijdbaan (1 vte) en de groep die deeltijd werkt wordt bij alle cohorten met de tijd kleiner. Na tien jaar werkt 54 procent van de werkenden binnen cohort 2014 deeltijd en 46 procent werkt voltijd.
  • Gemiddeld uurloon werkende statushouders neemt flink toe ‍– Drie jaar na het krijgen van een vergunning verdient 11 procent van de werkende statushouders van cohort 2014 gemiddeld 15 euro per uur of meer. Voor nieuwere cohorten is dit aandeel hoger. Van cohort 2020 verdient bijna de helft (47 procent) 15 euro per uur of meer drie jaar na het krijgen van een vergunning. Als statushouders langer in Nederland zijn en werken, neemt hun gemiddeld uurloon toe. Na tien jaar verdient 90 procent van cohort 2014 15 euro of meer. Gecorrigeerd voor inflatie is de stijging in gemiddeld uurloon minder sterk, maar nog wel zichtbaar.
  • Opnieuw minder uitkeringsgerechtigden in cohort 2014 ‍– Twee jaar na het verkrijgen van de verblijfsvergunning, krijgt 89 procent van de 18- tot 65-jarigen die in 2014 een vergunning hebben gekregen een uitkering. Voor nieuwere cohorten is dit aandeel lager. Van cohort 2021 heeft 73 procent, en van cohort 2022 77 procent, twee jaar na het krijgen van een verblijfsvergunning een uitkering. Tien jaar na het verkrijgen van de vergunning, is 30 procent van cohort 2014 nog afhankelijk van een uitkering.
  • Inkomensverschillen tussen verschillende nationaliteiten blijven klein ‍– Dit komt doordat een aanzienlijk deel van de statushouders een bijstandsuitkering ontvangt en dat zijn vaste bedragen, afhankelijk van de gezinssituatie. Voor statushouders uit alle cohorten geldt dat het gemiddeld gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomen stijgt als zij langer in Nederland wonen. Statushouders die in 2014 een vergunning kregen, hadden in 2015 een gemiddeld besteedbaar huishoudinkomen van 12,3 duizend euro. In 2024 was dit gestegen naar 25,6 duizend euro.
  • Zorggebruik blijft gelijk na ongeveer twee jaar ‍– Voor alle cohorten geldt dat twee jaar na het krijgen van een verblijfsvergunning meer dan 96 procent kosten heeft gemaakt bij de huisarts. Eritrese statushouders maken de minste kosten voor huisartsenzorg, ziekenhuiszorg en medicijnen. Iraanse statushouders maken gemiddeld het vaakst kosten voor ziekenhuiszorg en medicijnen en statushouders uit Jemen het vaakst voor huisartsenzorg.
  • Iets meer jongeren met jeugdzorg ‍– Van alle jongeren (tot en met 22 jaar) die in 2014 of 2015 een verblijfsvergunning asiel ontvingen en niet meer bij een opvanglocatie van het COA verbleven maakte ongeveer 5 procent in 2016 gebruik van een vorm van jeugdzorg. In 2024 maakte 9 procent van de cohorten 2014–2015 gebruik van een vorm van jeugdzorg. Voor Iraanse en Afghaanse jonge statushouders is dit met respectievelijk 23 en 11 procent het hoogst. De meeste jongeren met jeugdzorg ontvangen jeugdhulp. In 2024 kreeg 1,1 procent van de jongeren tot en met 22 jaar hulp van jeugdbescherming (bijvoorbeeld de onder voogdij plaatsing van alleenstaande minderjarige statushouders) en 1 procent kreeg te maken met jeugdreclassering.
  • Statushouders relatief vaker geregistreerd als verdachte van misdrijf dan personen met Europese herkomst ‍– Mannelijke statushouders zijn in verhouding iets vaker verdacht van een misdrijf dan mannen met een Nederlandse of Europese herkomst. Er zijn 95 verdachte statushouders uit cohort 2022 in verslagjaar 2024 in de leeftijdscategorie 18 tot 23 jaar. Dit komt neer op bijna 400 verdachten per 10 duizend statushouders. In de leeftijdscategorie 23 tot 45 jaar is dit absolute aantal 120, wat relatief gezien bijna 150 verdachten per 10 duizend statushouders is. Het feit dat een persoon als verdachte van een misdrijf is geregistreerd, hoeft niet te betekenen dat er ook sprake is van een veroordeling. Het aandeel veroordeelden onder alle statushouders (ongeacht leeftijd en geslacht) bedraagt tot en met verslagjaar 2023 1 procent of minder binnen alle cohorten, terwijl het aandeel verdachten per cohort varieert tussen 1 en 2 procent. Cijfers over veroordeelden in verslagjaar 2024 zijn op dit moment nog niet beschikbaar.

Actuele ontwikkelingen met betrekking tot Oekraïners die sinds februari 2022 naar Nederland zijn gekomen onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming:

  • Meer vrouwen dan mannen ‍– Tot en met juni 2025 schreven 182 duizend vluchtelingen uit Oekraïne zich bij een Nederlandse gemeente in, waarvan er op 1 juli 2025 nog bijna 129 duizend in Nederland verbleven. De meeste vluchtelingen hebben een Oekraïense nationaliteit (175 duizend) en een klein deel heeft een niet-Oekraïense nationaliteit, ook wel derdelanders genoemd (7 duizend). Tot en met juni 2022 was ongeveer 65 procent van de Oekraïense vluchtelingen in Nederland vrouw, naderhand zakte dit aandeel tussen de 56 en 60 procent in de overige vier cohorten.
  • Bijna 29 procent van de Oekraïners is voor 1 juli 2025 uit Nederland vertrokken ‍– De meeste vluchtelingen uit Oekraïne wonen in de gemeentelijke opvanglocaties of bij particulieren, zoals een gastgezin. Ongeveer 750 vluchtelingen die sinds het begin van de oorlog naar Nederland zijn gekomen verbleven op 1 juli 2025 in een opvanglocatie van COA en 600 vluchtelingen waren inmiddels overleden. Bijna 29 procent van alle Oekraïense vluchtelingen was voor 1 juli 2025 weer uit Nederland vertrokken.
  • Vooral alleenstaanden en thuiswonende kinderen ‍– Vergeleken met derdelanders komen Oekraïners minder vaak als alleenstaande naar Nederland (45 procent tegen 67 procent), vaker als thuiswonend kind (22 tegen 4 procent) en wat vaker als ouder in een eenouderhuishouden (9 procent tegen 2 procent). In het meest recente cohort is het aandeel alleenstaanden onder de totale groep (Oekraïners en derdelanders) hoger dan in het eerste cohort: 61 procent in de eerste helft van 2025 tegen 36 procent in de eerste helft van 2022.
  • Na vier maanden in Nederland werkt 47 procent ‍– Vier maanden na het verkrijgen van de tijdelijke bescherming in Nederland werkt 47 procent van de vluchtelingen uit Oekraïne: 46 procent van de personen met een Oekraïense nationaliteit en 64 procent van de derdelanders. Na zes maanden werkt bijna de helft (47 procent) van de werkende Oekraïense vluchtelingen voltijd. De meeste Oekraïense vluchtelingen werken in de uitzendbranche (52 procent) of de horeca (14 procent), net als reguliere statushouders.
  • Oekraïners wonen verspreid over Nederland ‍– Net als reguliere statushouders wonen Oekraïners verspreid over Nederland. De meeste Oekraïners staan één maand na verkrijgen van het verblijfbewijs tijdelijke bescherming ingeschreven in Amsterdam (ruim 8 duizend), Den Haag (bijna 6 duizend), Rotterdam (ruim 5 duizend), Westland en Almere (beide bijna 3 duizend). Van deze vijf gemeenten heeft Westland in verhouding het grootste aandeel Oekraïners (248 per 10 duizend inwoners).

Noten

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.