Foto omschrijving: Mannen aan het werk in een kabelstraat van de NS

Huisvesting en integratie van statushouders

Dit hoofdstuk behandelt de eerste stappen die statushouders zetten richting integratie in de Nederlandse samenleving. Het richt zich op statushouders die tussen 2014 en de eerste helft van 2025 een verblijfsvergunning asiel kregen. De meeste statushouders begonnen hun verblijf in Nederland in de asielopvang. Ook nareizigers van statushouders ontvangen een (afgeleide) asielvergunning en vallen, net als gezinsherenigers, onder de statushouders binnen dit onderzoek. In totaal kregen tussen 2014 en de eerste helft van 2025 ruim 311 duizend personen een verblijfsvergunning.

Er is onder andere gekeken naar de situatie van statushouders op het gebied van onderwijs, het inburgeringsexamen, sociale zekerheid, werk, gezondheidszorg en geregistreerde criminaliteit. Ook komen baankenmerken van statushouders (deeltijd/voltijd, soort contract) aan bod net als de situatie op het gebied van onderwijs, werk en uitkering en jeugdzorg voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s). Aandelen worden steeds berekend op het totale aantal statushouders uit het originele cohort, inclusief eventuele statushouders die op het peilmoment inmiddels vertrokken of overleden zijn.

3.1Verblijfsvergunningen asiel

Aantal verleende vergunningen in eerste helft 2025 lager dan een jaar ervoor

In 2014 kregen bijna 20 duizend personen een verblijfsvergunning asiel. Dit aantal groeide tot bijna 37 duizend in 2016, en daalde daarna tot bijna 16 duizend in 2019, het laagste aantal sinds 2014. Hierna steeg het aantal verblijfsvergunningen tot bijna 33 duizend in 2022, bijna 31 duizend in 2023 en ruim 34 duizend in 2024. In de eerste helft van 2025 ontvingen bijna 19 duizend asielzoekers een verblijfsvergunning, 3 duizend minder dan in de eerste helft van 2024. De grootste groep statushouders in de eerste helft van 2025 bestond uit personen met de Syrische nationaliteit (39 procent), gevolgd door Eritreeërs (7 procent). Ook als we kijken naar alle cohorten samen zijn dit de twee grootste groepen: Syriërs omvatten 56 procent van de totale populatie en Eritreeërs 13 procent.

3.1.1 Verleende vergunningen, 2014 tot en met eerste helft 2025
Vergunningscohort Syrië Irak Afghanistan Eritrea Iran Turkije Jemen Somalië Overig/onbekend
Eerste helft 2025 7310 195 370 1355 365 690 695 680 7060
2024 22975 720 795 1855 560 1745 1730 770 3410
2023 17185 615 1060 1690 600 2420 2755 775 3540
2022 16790 755 2950 1745 1065 3285 1830 695 3725
2021 12470 630 3135 2250 1800 2070 1160 305 3730
2020 8015 480 470 2810 585 1825 1105 105 2170
2019 6585 350 475 3680 560 1075 685 135 2035
2018 6720 525 725 4205 610 420 285 265 2485
2017 17020 1315 945 5010 1020 375 235 270 2495
2016 26235 1335 750 5065 585 20 25 410 2255
2015 21665 550 545 6265 435 20 30 595 2675
2014 10465 710 600 3985 430 35 30 1385 2015

3.2Nationaliteiten

Top vijf nationaliteitennoot1 van statushouders verandert, maar Syrië blijft op plek één

In alle jaren hebben de meeste personen die een verblijfsvergunning asiel kregen de Syrische nationaliteit. In de periode 2014–2020 werd dit gevolgd door statushouders met de Eritrese nationaliteit. Daarna stonden achtereenvolgens personen met de Afghaanse nationaliteit (2021), de Turkse nationaliteit (2022), de Jemenitische nationaliteit (2023) en de laatste jaren staat de Eritrese nationaliteit (2024 en de eerste helft van 2025) opnieuw op de tweede plaats.

3.2.1Top vijf verleende vergunningen naar nationaliteit, 2014 tot en met eerste helft 2025
2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 Eerste helft 2025
1 Syrië 10 465 Syrië 21 665 Syrië 26 235 Syrië 17 020 Syrië 6 720 Syrië 6 585 Syrië 8 015 Syrië 12 470 Syrië 16 790 Syrië 17 185 Syrië 22 975 Syrië 7 310
2 Eritrea 3 985 Eritrea 6 265 Eritrea 5 065 Eritrea 5 010 Eritrea 4 205 Eritrea 3 680 Eritrea 2 810 Afghanistan 3 135 Turkije 3 285 Jemen 2 755 Eritrea 1 855 Eritrea 1 355
3 Somalië 1 385 Somalië 595 Irak 1 335 Irak 1 315 Afghanistan 725 Turkije 1 075 Turkije 1 825 Eritrea 2 250 Afghanistan 2 950 Turkije 2 420 Turkije 1 745 Jemen 695
4 Irak 710 Irak 550 Afghanistan 750 Iran 1 020 Iran 610 Jemen 685 Jemen 1 105 Turkije 2 070 Jemen 1 830 Eritrea 1 690 Jemen 1 730 Turkije 690
5 Afghanistan 600 Afghanistan 545 Iran 585 Afghanistan 945 Irak 525 Iran 560 Iran 585 Iran 1 800 Eritrea 1 745 Afghanistan 1 060 Afghanistan 795 Somalië 680

Bron:CBS.

3.3Nareis

Aantal nareizigers verandert laatste jaren weinig, lichte stijging in eerste helft 2025

Sinds 2014 heeft de IND (Immigratie- en Naturalisatiedienst) aan iets meer dan 110 duizend nareizigers een vergunning verleend. Dit betreft alleen personen die een status krijgen via de nareisregeling. Bijna 70 procent van deze groep zijn nareizigers uit Syrië. Het aandeel nareizigers in het totaal aantal verleende vergunningen verschilt sterk per nationaliteit. Van het totaal aantal verleende vergunningen aan Syriërs was 82 procent aan nareizigers in de eerste helft van 2025. Onder Eritreeërs was dat 11 procent. Over alle cohorten heen, komen uit Syrië en Somalië in verhouding de meeste nareizigers: het aandeel nareizigers onder deze twee groepen is respectievelijk 44 en 42 procent. Onder de groep Afghanen en Iraniërs vallen de minste nareizigers, 11 en 12 procent respectievelijk.

Het aandeel vergunningen dat verleend wordt aan nareizigers varieert over de cohorten. In 2017 was meer dan de helft van de nieuwe statushouders een nareiziger (51 procent). Daarna nam dat af tot 22 procent in 2020. In 2021 nam het aandeel nareizigers onder de statushouders weer toe (37 procent). Daarna is het aandeel nareizigers stabiel gebleven in de periode tussen 2022 en 2024 (tussen 33 en 35 procent), en steeg tot 40 procent in het eerste halfjaar van 2025. In absolute aantallen veranderde het aantal verleende vergunningen aan nareizigers van 2021 tot en met 2024 niet zo veel, tussen de 10 en 12 duizend per jaar. In de eerste helft van 2025 werden ruim 7 duizend vergunningen aan nareizigers verleend.

* De onderste (helder gekleurde) balken betreffen niet-nareizigers, de bovenste (donkerdere) balken betreffen nareizigers.
** Deze figuur bevat een selectieknop voor nationaliteit. Niet alle gegevens zijn zichtbaar per nationaliteit vanwege onderdrukking van cijfers.

3.3.1 Verleende vergunningen naar wel/geen nareis* en nationaliteit**, Totaal nationaliteiten
Vergunningscohort Geen nareis, Totaal nationaliteiten Wel nareis, Totaal nationaliteiten
2014 14300 5350
2015 19290 13495
2016 24970 11710
2017 14200 14485
2018 9790 6450
2019 11405 4175
2020 13710 3860
2021 17445 10110
2022 21860 10970
2023 20460 10180
2024 22610 11945
Eerste helft 2025 11185 7530

3.4Nareis en (reguliere) gezinshereniging

Meer nareis na twee-en-een-half jaar voor recente cohorten dan voor 2017–2019

Van alle statushouders tussen 2014 en 2022 (exclusief nareizigers) liet 19 procent binnen twee-en-een-half jaar familieleden overkomen via de nareisregeling en 8 procent via reguliere gezinshereniging. Dat er meer familieleden komen via de nareisregeling komt doordat er bij reguliere gezinshereniging strengere eisen gelden dan bij nareis (Cleton et al., 2017). Zoals in het dashboard te zien is, neemt de toename in nareis en gezinshereniging na ongeveer twee-en-een-half jaar af. De percentages van nareis en gezinshereniging zijn het laagst in cohorten 2017, 2018 en 2019. In deze cohorten ligt het aandeel dat familieleden liet overkomen via de nareisregeling tussen 9 en 12 procent en via reguliere gezinshereniging tussen 5 en 7 procent. Bij de statushouders uit de cohorten 2020, 2021 en 2022 liggen deze aandelen hoger, met name het aandeel nareizigers (tussen 19 en 25 procent). Bij 10 procent van de statushouders in alle cohorten tussen 2014 en 2022 vindt een gezinsuitbreiding plaats in de vorm van de geboorte van een kind in Nederland. Bij de meeste statushouders (61 procent) veranderde de gezinssituatie niet binnen twee-en-een-half jaar na krijgen van de vergunning.

3.4.1 Gezinsvorming- en hereniging onder statushouders (exclusief nareizigers), twee-en-een-half jaar na verkrijgen vergunning (%)
Categorie 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022
Overleden¹⁾ -0,2 -0,2 -0,2 -0,3 -0,2 -0,2 -0,2 -0,1 -0,2
Vertrokken -1,9 -3,5 -2,5 -3,7 -3,2 -1,6 -1,8 -3,9 -3,5
Geboorte kind in Nederland 14,5 13,9 11,9 10,1 7,7 7,7 10,1 9,7 7,4
Overige
gezinshereniging/
vorming²⁾
13,9 12,7 9,7 6,8 5,6 4,9 6,9 6,8 5,9
Nareizigers 23,6 29,9 24,6 8,6 9,0 11,6 21,6 18,7 25,2
Geen wijziging in gezinssituatie 63,1 57,5 64,0 77,6 80,3 80,0 69,3 69,1 64,7
¹⁾ Aantallen zijn zeer laag en daardoor niet zichtbaar in de figuur
²⁾ door immigratie partner/kinderen

Aandeel nareizigers onder amv’s stijgt vanaf 2018, blijft stabiel in 2022

Van alle amv’s met een verleende vergunning liet 41 procent binnen twee-en-een-half jaar familieleden overkomen via de nareisregeling en 12 procent via reguliere gezinshereniging. In cohort 2014 en cohort 2017 liet minder dan een derde van statushouders onder de amv’s familieleden komen via de nareisregeling. In cohort 2016 en ook in de meest recente cohorten die we twee-en-een-half jaar kunnen volgen (2021 en 2022) was dit meer dan de helft. In absolute aantallen lieten amv’s uit vergunningscohort 2016 het vaakst familieleden via de nareisregeling en de reguliere gezinshereniging komen (respectievelijk 1 270 en 350). In 2022 waren deze aantallen respectievelijk 1 040 en 190. Van alle amv’s veranderde voor 43 procent de gezinssituatie niet binnen twee-en-een-half jaar na het verlenen van de vergunning. Voor de recente cohorten 2020 tot en met 2022 ligt dit aandeel iets lager (tussen 38 en 41 procent), voor de cohorten 2014 en 2017 tot en met 2019 ligt dit aandeel een stuk hoger (tussen 53 en 60 procent).

3.4.2 Gezinsvorming- en hereniging onder amv's, twee-en-een-half jaar na verkrijgen vergunning (%)
Categorie 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022
Overleden¹⁾ . . . . . . . . .
Vertrokken -1,5 -3,4 -1,0 -4,7 -5,9 -2,1 -2,5 -1,6 -1,5
Geboorte kind in Nederland 4,6 3,1 2,4 4,3 3,0 4,1 4,1 2,9 1,0
Overige
gezinshereniging/
vorming²⁾
23,0 14,2 14,1 11,1 10,9 9,6 14,9 11,1 9,6
Nareizigers 26,5 43,8 51,0 28,2 34,7 38,4 48,8 54,9 52,8
Geen wijziging
in gezinssituatie
59,7 45,9 42,4 60,3 53,5 52,7 39,7 38,1 40,9
¹⁾ De gegevens zijn niet zichtbaar vanwege onderdrukking van kleine aantallen
²⁾ door immigratie partner/kinderen

3.5Wachttijd tot vergunning

Gemiddelde wachttijd langer in 2023 en 2024

Gemiddeld, over alle vergunningscohorten, wachtten statushouders 204 dagen op een verblijfsvergunning. Het gaat dan om de tijd vanaf het moment dat ze voor het eerst in een COA-opvanglocatie kwamen tot het moment dat ze een vergunning kregen. Dit is opnieuw een toename vergeleken met de gemiddelde wachttijd die in de twee voorgaande rapportages uit 2025 en 2024 werd geregistreerd, die was namelijk respectievelijk 195 en 175 dagen. De gemiddelde wachttijd voor de cohorten 2023 en 2024 is langer dan voor de cohorten daarvoor, in de eerste helft van 2025 is deze wachttijd iets gedaald en ligt op het niveau van 2020.

Asielzoekers met de Eritrese en Syrische nationaliteitnoot2 kregen naar verhouding snel een verblijfsvergunning (gemiddeld na 147 en 123 dagen). Personen met de Afghaanse en Irakese nationaliteit wachtten gemiddeld 399 en 407 dagen. Voor asielzoekers uit Iran was de gemiddelde wachttijd het langst met 699 dagen (bijna 2 jaar). Terwijl een grote groep van de Syriërs (44 procent) bestaat uit nareizigers, is dit niet het geval voor Iraniërs (12 procent) en Afghanen (11 procent). Deze laatste twee groepen bestaan voor een groot deel uit initiële asielaanvragers (de groep die in Nederland een eerste of volgende asielaanvraag doet). Nareizigers hebben al een vergunning op het moment dat zij bij COA instromen, initiële aanvragers moeten daar nog op wachten. Nareizigers hebben daarom gemiddeld een (veel) kortere wachttijd. Zo wachten initiële aanvragers en gezinsherenigers gemiddeld respectievelijk 337 en 385 dagen, terwijl nareizigers slechts 8 dagen wachten op een verblijfsvergunning.

3.5.1 Gemiddelde wachttijd tot verkrijgen vergunning voor statushouders naar nationaliteit*, Totaal nationaliteiten (dagen)
Categorie 2014, Totaal nationaliteiten 2015, Totaal nationaliteiten 2016, Totaal nationaliteiten 2017, Totaal nationaliteiten 2018, Totaal nationaliteiten 2019, Totaal nationaliteiten 2020, Totaal nationaliteiten 2021, Totaal nationaliteiten 2022, Totaal nationaliteiten 2023, Totaal nationaliteiten 2024, Totaal nationaliteiten Eerste helft 2025, Totaal nationaliteiten
Vergunningscohort 110 79 139 106 137 213 282 263 242 307 344 277
* Deze figuur bevat een selectieknop voor nationaliteit.

3.6Vestigingsgemeente

Weinig regionale verschillen

Tussen 2014 en de eerste helft van 2025 ontvingen ruim 311 duizend personen een verblijfsvergunning. Bijna 280 duizend van hen wonen in de tussentijd zelfstandig en dus niet meer in de asielopvang van het COA. Van de vier grote gemeenten wonen na twee maanden in verhouding de meeste statushouders in Utrecht, 17 per 10 duizend inwoners. Twee jaar nadat ze uit de opvang van het COA zijn vertrokken, wonen statushouders verspreid over Nederland. De verschillen tussen gemeenten, uitgedrukt per 10 duizend inwoners, zijn klein.

3.6.1 Aandeel statushouders, twee maanden na verlaten van COA-opvang, vergunningscohort 2021
Gemeentenaam Aantal statushouders per 10 000 inwoners
Groningen 13,4
Almere 14,1
Stadskanaal 18,4
Veendam 13,1
Zeewolde 23,0
Achtkarspelen 12,8
Ameland .
Harlingen 12,3
Heerenveen 13,1
Leeuwarden 14,8
Ooststellingwerf 25,6
Opsterland 21,6
Schiermonnikoog .
Smallingerland 22,1
Terschelling .
Vlieland .
Weststellingwerf 9,8
Assen 18,1
Coevorden 19,6
Emmen 14,0
Hoogeveen 16,1
Meppel 13,7
Almelo 12,4
Borne 13,4
Dalfsen 13,5
Deventer 10,4
Enschede 14,8
Haaksbergen 13,5
Hardenberg 15,6
Hellendoorn 11,3
Hengelo (O.) 15,8
Kampen 9,1
Losser 22,2
Noordoostpolder 14,8
Oldenzaal 19,2
Ommen 17,3
Raalte 18,2
Staphorst 9,0
Tubbergen 13,1
Urk 16,4
Wierden 7,2
Zwolle 13,5
Aalten 19,0
Apeldoorn 10,5
Arnhem 9,8
Barneveld 13,9
Beuningen 12,7
Brummen 17,4
Buren 17,6
Culemborg 12,4
Doesburg 11,7
Doetinchem 11,4
Druten 19,9
Duiven 16,1
Ede 11,2
Elburg 18,8
Epe 13,9
Ermelo 17,9
Harderwijk 13,8
Hattem 11,1
Heerde 23,9
Heumen 16,6
Lochem 14,6
Maasdriel 14,9
Nijkerk 17,2
Nijmegen 11,8
Oldebroek 17,7
Putten 10,4
Renkum 15,6
Rheden 13,7
Rozendaal .
Scherpenzeel 22,2
Tiel 17,7
Voorst 15,8
Wageningen 11,0
Westervoort 19,1
Winterswijk 19,5
Wijchen 15,6
Zaltbommel 14,8
Zevenaar 16,4
Zutphen 18,1
Nunspeet 14,1
Dronten 14,0
Amersfoort 13,8
Baarn 15,6
De Bilt 14,9
Bunnik 18,0
Bunschoten 9,3
Eemnes 14,4
Houten 14,9
Leusden 12,0
Lopik 14,9
Montfoort 19,5
Renswoude 24,3
Rhenen 21,7
Soest 17,6
Utrecht 16,2
Veenendaal 13,8
Woudenberg 22,5
Wijk bij Duurstede 17,5
IJsselstein 12,3
Zeist 21,5
Nieuwegein 17,6
Aalsmeer 16,8
Alkmaar 23,8
Amstelveen 15,6
Amsterdam 13,6
Bergen (NH.) 13,0
Beverwijk 17,7
Blaricum 19,6
Bloemendaal 24,4
Castricum 10,2
Diemen 17,9
Edam-Volendam 16,3
Enkhuizen 7,4
Haarlem 15,5
Haarlemmermeer 13,6
Heemskerk 20,0
Heemstede 22,5
Heiloo 17,3
Den Helder 17,5
Hilversum 15,5
Hoorn 11,4
Huizen 17,0
Landsmeer 16,3
Laren (NH.) 16,6
Medemblik 12,6
Oostzaan 12,4
Opmeer 13,9
Ouder-Amstel 13,8
Purmerend 13,4
Schagen 13,2
Texel 20,3
Uitgeest 17,2
Uithoorn 15,1
Velsen 14,6
Zandvoort 16,6
Zaanstad 14,9
Alblasserdam 9,8
Alphen aan den Rijn 11,8
Barendrecht 9,4
Drechterland 10,7
Capelle aan den IJssel 11,2
Delft 10,6
Dordrecht 15,6
Gorinchem 11,4
Gouda 15,2
's-Gravenhage 15,5
Hardinxveld-Giessendam 12,8
Hendrik-Ido-Ambacht 15,3
Stede Broec 13,1
Hillegom 12,3
Katwijk 14,9
Krimpen aan den IJssel 14,5
Leiden 13,8
Leiderdorp 14,1
Lisse 13,2
Maassluis 12,3
Nieuwkoop 14,6
Noordwijk 19,2
Oegstgeest 11,6
Oudewater 14,7
Papendrecht 8,7
Ridderkerk 16,1
Rotterdam 15,7
Rijswijk (ZH.) 11,6
Schiedam 15,0
Sliedrecht 14,5
Albrandswaard 9,8
Vlaardingen 15,8
Voorschoten 13,7
Waddinxveen 21,5
Wassenaar 13,3
Woerden 17,9
Zoetermeer 14,2
Zoeterwoude 13,4
Zwijndrecht 20,1
Borsele 16,4
Goes 16,1
West Maas en Waal 10,8
Hulst 20,5
Kapelle 25,4
Middelburg (Z.) 16,2
Reimerswaal 17,1
Terneuzen 14,5
Tholen 12,7
Veere 17,2
Vlissingen 16,1
De Ronde Venen 16,4
Tytsjerksteradiel 16,3
Asten 25,4
Baarle-Nassau 21,2
Bergen op Zoom 17,9
Best 20,5
Boekel 21,3
Boxtel 13,5
Breda 13,0
Deurne 15,1
Pekela 10,4
Dongen 14,4
Eersel 14,4
Eindhoven 12,9
Etten-Leur 13,0
Geertruidenberg 17,2
Gilze en Rijen 28,2
Goirle 15,2
Helmond 14,8
's-Hertogenbosch 16,2
Heusden 16,7
Hilvarenbeek 18,8
Loon op Zand 19,3
Nuenen, Gerwen en Nederwetten 20,2
Oirschot 14,5
Oisterwijk 18,5
Oosterhout 10,9
Oss 15,1
Rucphen 9,2
Sint-Michielsgestel 18,6
Someren 19,8
Son en Breugel 19,5
Steenbergen 19,6
Waterland 14,3
Tilburg 9,9
Valkenswaard 14,2
Veldhoven 13,5
Vught 12,1
Waalre 8,9
Waalwijk 6,8
Woensdrecht 17,6
Zundert 11,5
Wormerland 14,5
Landgraaf 16,4
Beek (L.) 16,7
Beesel 12,7
Bergen (L.) 14,4
Brunssum 9,7
Gennep 16,3
Heerlen 15,0
Kerkrade 16,8
Maastricht 16,3
Meerssen 16,1
Mook en Middelaar .
Nederweert 16,0
Roermond 14,8
Simpelveld .
Stein (L.) 17,8
Vaals 20,7
Venlo 12,4
Venray 18,8
Voerendaal 13,7
Weert 13,9
Valkenburg aan de Geul 9,1
Lelystad 22,6
Horst aan de Maas 14,6
Oude IJsselstreek 16,8
Teylingen 18,7
Utrechtse Heuvelrug 13,1
Oost Gelre 18,4
Koggenland 19,9
Lansingerland 12,8
Leudal 6,1
Maasgouw 13,5
Gemert-Bakel 15,6
Halderberge 17,3
Heeze-Leende 20,8
Laarbeek 15,9
Reusel-De Mierden 22,1
Roerdalen 14,4
Roosendaal 15,2
Schouwen-Duiveland 16,7
Aa en Hunze 16,6
Borger-Odoorn 17,3
De Wolden 13,0
Noord-Beveland 15,1
Wijdemeren 16,3
Noordenveld 11,7
Twenterand 8,2
Westerveld 15,0
Lingewaard 12,0
Cranendonck 23,0
Steenwijkerland 15,4
Moerdijk 12,9
Echt-Susteren 16,9
Sluis 16,4
Drimmelen 14,9
Bernheze 17,5
Alphen-Chaam 15,3
Bergeijk 21,9
Bladel 15,2
Gulpen-Wittem 21,3
Tynaarlo 10,9
Midden-Drenthe 13,8
Overbetuwe 12,5
Hof van Twente 11,0
Neder-Betuwe 15,2
Rijssen-Holten 14,2
Geldrop-Mierlo 15,0
Olst-Wijhe 15,4
Dinkelland 20,6
Westland 14,4
Midden-Delfland 23,2
Berkelland 14,1
Bronckhorst 16,9
Sittard-Geleen 16,4
Kaag en Braassem 12,3
Dantumadiel 19,3
Zuidplas 16,5
Peel en Maas 13,8
Oldambt 8,1
Zwartewaterland 19,2
Súdwest-Fryslân 17,4
Bodegraven-Reeuwijk 17,0
Eijsden-Margraten 12,3
Stichtse Vecht 16,2
Hollands Kroon 13,3
Leidschendam-Voorburg 14,6
Goeree-Overflakkee 14,5
Pijnacker-Nootdorp 11,9
Nissewaard 15,6
Krimpenerwaard 18,5
De Fryske Marren 11,6
Gooise Meren 13,4
Berg en Dal 18,0
Meierijstad 14,1
Waadhoeke 16,4
Westerwolde 50,3
Midden-Groningen 12,5
Beekdaelen 13,7
Montferland 20,1
Altena 13,0
West Betuwe 16,4
Vijfheerenlanden 15,7
Hoeksche Waard 16,7
Het Hogeland 19,1
Westerkwartier 12,8
Noardeast-Fryslân 16,8
Molenlanden 16,1
Eemsdelta 10,0
Dijk en Waard 13,0
Land van Cuijk 16,2
Maashorst 15,2
Voorne aan Zee 16,7
3.6.2 Aandeel statushouders, twee jaar na verlaten van COA-opvang, vergunningscohort 2021
Gemeentenaam Aantal statushouders per 10 000 inwoners
Groningen 14,2
Almere 13,9
Stadskanaal 17,2
Veendam 13,8
Zeewolde 23,4
Achtkarspelen 13,1
Ameland .
Harlingen 12,3
Heerenveen 13,3
Leeuwarden 15,5
Ooststellingwerf 25,9
Opsterland 20,3
Schiermonnikoog .
Smallingerland 21,2
Terschelling .
Vlieland .
Weststellingwerf 9,4
Assen 17,5
Coevorden 18,8
Emmen 13,3
Hoogeveen 15,9
Meppel 13,7
Almelo 12,9
Borne 13,0
Dalfsen 12,8
Deventer 10,3
Enschede 15,8
Haaksbergen 13,1
Hardenberg 15,3
Hellendoorn 11,3
Hengelo (O.) 16,3
Kampen 8,4
Losser 20,1
Noordoostpolder 14,2
Oldenzaal 18,2
Ommen 16,3
Raalte 19,3
Staphorst 8,5
Tubbergen 13,1
Urk 16,4
Wierden 7,2
Zwolle 15,2
Aalten 19,8
Apeldoorn 11,2
Arnhem 10,0
Barneveld 13,9
Beuningen 12,7
Brummen 17,4
Buren 14,4
Culemborg 12,0
Doesburg 9,9
Doetinchem 11,2
Druten 17,9
Duiven 18,1
Ede 11,0
Elburg 19,2
Epe 12,7
Ermelo 17,9
Harderwijk 13,0
Hattem 11,1
Heerde 23,9
Heumen 14,3
Lochem 16,0
Maasdriel 13,0
Nijkerk 17,6
Nijmegen 13,5
Oldebroek 17,7
Putten 10,8
Renkum 15,3
Rheden 14,0
Rozendaal .
Scherpenzeel 21,3
Tiel 18,4
Voorst 14,2
Wageningen 11,3
Westervoort 17,2
Winterswijk 18,1
Wijchen 15,9
Zaltbommel 13,2
Zevenaar 16,4
Zutphen 18,3
Nunspeet 14,1
Dronten 11,3
Amersfoort 14,1
Baarn 15,6
De Bilt 14,6
Bunnik 18,6
Bunschoten 8,8
Eemnes 13,3
Houten 14,8
Leusden 11,4
Lopik 13,6
Montfoort 20,2
Renswoude 24,3
Rhenen 20,8
Soest 14,7
Utrecht 17,0
Veenendaal 15,0
Woudenberg 21,9
Wijk bij Duurstede 16,7
IJsselstein 12,9
Zeist 13,5
Nieuwegein 16,8
Aalsmeer 17,7
Alkmaar 24,1
Amstelveen 16,0
Amsterdam 13,9
Bergen (NH.) 13,4
Beverwijk 18,9
Blaricum 16,5
Bloemendaal 20,2
Castricum 12,4
Diemen 18,5
Edam-Volendam 13,8
Enkhuizen 6,9
Haarlem 15,5
Haarlemmermeer 13,5
Heemskerk 19,8
Heemstede 22,5
Heiloo 14,8
Den Helder 15,6
Hilversum 15,6
Hoorn 11,1
Huizen 17,5
Landsmeer 16,3
Laren (NH.) 14,9
Medemblik 12,2
Oostzaan 13,4
Opmeer 13,9
Ouder-Amstel 14,5
Purmerend 13,9
Schagen 13,4
Texel 17,4
Uitgeest 17,9
Uithoorn 15,1
Velsen 14,6
Zandvoort 16,6
Zaanstad 15,4
Alblasserdam 10,3
Alphen aan den Rijn 12,5
Barendrecht 9,0
Drechterland 10,7
Capelle aan den IJssel 12,7
Delft 12,6
Dordrecht 16,1
Gorinchem 10,9
Gouda 15,7
's-Gravenhage 16,1
Hardinxveld-Giessendam 12,8
Hendrik-Ido-Ambacht 15,0
Stede Broec 13,1
Hillegom 13,6
Katwijk 15,1
Krimpen aan den IJssel 16,5
Leiden 14,1
Leiderdorp 13,3
Lisse 11,9
Maassluis 12,8
Nieuwkoop 13,2
Noordwijk 18,6
Oegstgeest 11,6
Oudewater 13,7
Papendrecht 9,3
Ridderkerk 17,6
Rotterdam 15,7
Rijswijk (ZH.) 11,9
Schiedam 14,9
Sliedrecht 15,6
Albrandswaard 9,1
Vlaardingen 16,4
Voorschoten 13,3
Waddinxveen 21,2
Wassenaar 12,2
Woerden 18,6
Zoetermeer 14,2
Zoeterwoude 13,4
Zwijndrecht 19,6
Borsele 14,7
Goes 17,4
West Maas en Waal 11,3
Hulst 16,8
Kapelle 19,2
Middelburg (Z.) 15,6
Reimerswaal 15,9
Terneuzen 14,7
Tholen 11,2
Veere 12,7
Vlissingen 16,7
De Ronde Venen 16,8
Tytsjerksteradiel 16,3
Asten 24,9
Baarle-Nassau 21,2
Bergen op Zoom 18,4
Best 19,5
Boekel 19,5
Boxtel 14,1
Breda 12,7
Deurne 14,8
Pekela 8,8
Dongen 14,4
Eersel 13,9
Eindhoven 14,2
Etten-Leur 13,3
Geertruidenberg 17,2
Gilze en Rijen 17,9
Goirle 12,3
Helmond 15,9
's-Hertogenbosch 16,4
Heusden 15,6
Hilvarenbeek 17,5
Loon op Zand 17,2
Nuenen, Gerwen en Nederwetten 19,8
Oirschot 13,0
Oisterwijk 14,9
Oosterhout 11,2
Oss 15,4
Rucphen 8,8
Sint-Michielsgestel 17,6
Someren 19,8
Son en Breugel 16,7
Steenbergen 21,2
Waterland 16,0
Tilburg 11,5
Valkenswaard 14,5
Veldhoven 13,2
Vught 11,4
Waalre 8,3
Waalwijk 8,5
Woensdrecht 16,7
Zundert 12,0
Wormerland 15,1
Landgraaf 12,9
Beek (L.) 16,0
Beesel 10,5
Bergen (L.) 10,6
Brunssum 7,9
Gennep 15,7
Heerlen 17,4
Kerkrade 17,0
Maastricht 16,0
Meerssen 16,1
Mook en Middelaar .
Nederweert 16,0
Roermond 15,8
Simpelveld .
Stein (L.) 17,8
Vaals 21,7
Venlo 12,8
Venray 18,4
Voerendaal 12,9
Weert 13,3
Valkenburg aan de Geul 9,1
Lelystad 22,4
Horst aan de Maas 15,0
Oude IJsselstreek 17,3
Teylingen 19,2
Utrechtse Heuvelrug 12,9
Oost Gelre 16,4
Koggenland 19,5
Lansingerland 12,7
Leudal 4,7
Maasgouw 14,3
Gemert-Bakel 15,9
Halderberge 17,0
Heeze-Leende 20,2
Laarbeek 15,1
Reusel-De Mierden 19,2
Roerdalen 14,9
Roosendaal 15,3
Schouwen-Duiveland 15,0
Aa en Hunze 14,3
Borger-Odoorn 15,0
De Wolden 14,6
Noord-Beveland 12,6
Wijdemeren 16,3
Noordenveld 11,7
Twenterand 7,9
Westerveld 13,0
Lingewaard 11,4
Cranendonck 17,8
Steenwijkerland 13,9
Moerdijk 11,6
Echt-Susteren 15,6
Sluis 16,0
Drimmelen 13,5
Bernheze 16,3
Alphen-Chaam 15,3
Bergeijk 21,9
Bladel 15,2
Gulpen-Wittem 19,9
Tynaarlo 8,9
Midden-Drenthe 12,0
Overbetuwe 11,2
Hof van Twente 11,3
Neder-Betuwe 14,8
Rijssen-Holten 13,7
Geldrop-Mierlo 12,3
Olst-Wijhe 14,3
Dinkelland 19,8
Westland 13,9
Midden-Delfland 19,6
Berkelland 13,0
Bronckhorst 16,3
Sittard-Geleen 15,8
Kaag en Braassem 10,6
Dantumadiel 20,4
Zuidplas 16,5
Peel en Maas 13,2
Oldambt 7,6
Zwartewaterland 18,3
Súdwest-Fryslân 16,1
Bodegraven-Reeuwijk 15,3
Eijsden-Margraten 11,9
Stichtse Vecht 15,9
Hollands Kroon 13,5
Leidschendam-Voorburg 14,6
Goeree-Overflakkee 14,1
Pijnacker-Nootdorp 11,6
Nissewaard 15,6
Krimpenerwaard 17,5
De Fryske Marren 11,2
Gooise Meren 13,4
Berg en Dal 13,8
Meierijstad 14,1
Waadhoeke 16,0
Westerwolde 17,4
Midden-Groningen 11,7
Beekdaelen 13,1
Montferland 19,3
Altena 13,2
West Betuwe 15,7
Vijfheerenlanden 14,9
Hoeksche Waard 16,7
Het Hogeland 16,6
Westerkwartier 12,5
Noardeast-Fryslân 14,8
Molenlanden 15,0
Eemsdelta 8,9
Dijk en Waard 12,5
Land van Cuijk 15,2
Maashorst 15,2
Voorne aan Zee 17,1

Statushouders wonen in de loop van de tijd stedelijker

Statushouders wonen als ze langer in Nederland verblijven steeds vaker in stedelijke gebieden. Van het cohort 2014 woonde twee maanden na verlaten van de COA-opvang 53 procent in sterk of zeer sterk stedelijk gebied. Na 120 maanden (tien jaar) is dat 62 procent. De cohorten 2015 en 2016 laten een vergelijkbare stijging zien: van 55 procent na twee maanden naar 62 procent na 96 maanden (acht jaar). Van het meest recente cohort, de eerste helft van 2025, woont voor het eerst minder dan de helft (49 procent) na twee maanden in een stedelijk gebied. Bij de totale Nederlandse populatie is er een lichte stijging in stedelijkheid: in 2015 woonde 48 procent van alle Nederlanders in een sterk of zeer sterk verstedelijkt gebied, in 2025 was dat 51 procent.noot3

3.6.3 Aandeel statushouders dat (zeer) sterk stedelijk woont, naar aantal maanden na verlaten COA-opvang (%)
vergunningscohort 2 24 48 72 96 120
2014 53,4 55,0 58,0 59,8 61,1 61,5
2015 55,3 57,7 59,6 60,9 62,1 .
2016 55,3 57,7 59,6 60,8 61,5 .

Statushouders wonen vooral in huurwoningen

De ruim 311 duizend statushouders die in de periode 2014 tot en met de eerste helft 2025 een verblijfsvergunning ontvingen, vormden op 1 juli 2025 119 duizend huishoudens. Van het cohort 2014 woont op 1 juli 2025 het overgrote deel (92 procent) van de huishoudens in een huurwoning. Dit kan ook om tijdelijke huisvesting in een gemeente gaan, zoals een doorstroomlocatie.noot4 Ongeveer 6 procent van de huishoudens woont in een eigen woning. Van een klein deel van de huishoudens is het eigendom van de woning onbekend (2 procent). Ter vergelijking: 42 procent van de bewoonde Nederlandse woningen in 2025 was een huurwoning en 58 procent een eigen woning.noot5 Er zijn verschillen tussen nationaliteiten: 14 procent van de Afghanen en Iraniërs uit cohort 2014 woont in een eigen woning in 2025, terwijl dit percentage bij Eritreeërs en Somaliërs rond de 2 procent ligt. Uit cohort 2015 en 2016 hebben Iraniërs het vaakst een eigen woning (respectievelijk 20 en 14 procent) op 1 juli 2025. Van de cohorten 2017, 2018 en 2019 hebben statushouders met een Turkse nationaliteit op dat moment het vaakst een eigen woning (respectievelijk 17, 11 en 10 procent).

3.6.4 Aandeel huishoudens in eigen woning, vergunningscohort 2014* (%)
meetmoment Syrië Irak Afghanistan Eritrea Iran Turkije Jemen Somalië Overig/onbekend
2015 0,6 . . . . . . . 1,4
2016 0,6 . 2,8 . . . . . 1,2
2017 0,6 . 2,8 . . . . . 2,0
2018 1,0 . 4,2 0,4 . . . . 2,0
2019 1,6 3,7 4,1 0,4 . . . 2,2 2,4
2020 2,1 3,7 6,8 0,6 5,1 . . 1,4 3,7
2021 2,9 6,0 6,9 0,7 6,8 . . 1,4 4,5
2022 3,8 6,0 8,2 1,1 8,6 . . 2,1 5,8
2023 4,6 7,2 11,0 1,4 8,6 . . 1,4 7,1
2024 5,8 8,3 11,3 1,7 10,2 . . . 7,5
2025 7,0 10,7 13,7 2,3 13,6 . . 1,4 9,2
* Niet alle gegevens zijn zichtbaar per nationaliteit vanwege onderdrukking van cijfers.

3.7Huishoudenssamenstelling

Aandeel alleenstaanden hoger in 2023 maar neemt weer af in 2024

Tussen vergunningscohort 2017 en 2019 is de helft van de statushouders een thuiswonend kind: tussen 47 en 51 procent in de tweede maand na verlaten van de COA-opvang. Hierna daalt dit aandeel tot 44 procent of lager in recentere cohorten. Bij het vergunningscohort van 2014 was dit percentage, gemeten in de tweede maand buiten de asielopvang, 28 procent.

Het aandeel alleenstaanden neemt steeds verder af. Van de personen die in 2014 een verblijfsvergunning kregen, was 37 procent twee maanden na uitstroom alleenstaand. Daarna neemt dit aandeel af tot 25 procent of lager in de opvolgende cohorten. Na een stijging naar 29 procent in cohort 2023 is het aandeel alleenstaanden in vergunnings­cohort 2024 weer 23 procent. In de eerste helft van 2025 is het verder gedaald naar 3 procent al is een relatief groot deel van de statushouders uit dit cohort (34 procent) twee maanden na uitstroom (nog) niet ingeschreven in de BRP waardoor hun huishoudens­positie niet bekend is. Van het cohort 2024 is het aandeel van 6 procent twee maanden na uitstroom (nog) niet ingeschreven in de BRP waardoor hun huishoudens­positie niet bekend is. Er zijn verschillen tussen vrouwen en mannen in huishoudens­samenstelling. Voor de totale groep statushouders geldt dat 10 procent van de vrouwen alleenstaand is, tegenover 36 procent van de mannen. Vrouwen zijn vaker partner in een paar met kinderen (28 tegen 14 procent) en ouder in eenouder­huishouden (6 tegen 1 procent).

3.7.1 Plaats huishouden van statushouders, twee maanden na verlaten COA-opvang naar vergunningscohort
Vergunningscohort Alleenstaande Thuiswonend kind Partner in paar met kinderen Partner in paar zonder kinderen Ouder in eenouderhuishouden Overig lid huishouden Vertrokken/overleden/(nog) niet in BRP
Eerste helft 2025 205 2865 985 225 85 160 2325
2024 6080 10520 4555 1625 645 1425 1600
2023 8520 10930 4745 1785 770 1385 1055
2022 8205 12295 6900 1705 845 1525 1180
2021 5300 12080 5765 1600 810 1125 860
2020 4485 7180 3310 945 605 585 460
2019 2710 7865 2835 765 450 580 370
2018 2185 8185 3205 995 615 605 450
2017 3700 13520 7085 1570 840 1230 730
2016 10365 13010 6725 2545 1245 1915 860
2015 9880 10740 6315 2285 825 1855 875
2014 7325 5530 3730 1200 520 1105 230

3.8Onderwijs

Steeds meer statushouders volgen onderwijs

Als statushouders langer in Nederland zijn, volgen zij vaker onderwijs (basisonderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs, mbo, hbo of wo). Van alle statushouders die in 2014 hun vergunning kregen, volgde 28 procent onderwijs op 1 oktober 2015. Op 1 oktober 2018, vier jaar na het verkrijgen van een vergunning, was dit gestegen naar 39 procent waarna het aandeel daalde naar 31 procent op 1 oktober 2025. Vier jaar na het verkrijgen van een vergunning is het aandeel dat onderwijs volgt groter voor recentere cohorten: voor de cohorten 2017 tot en met en 2021 is dit aandeel tussen de 45 en 54 procent.

Vooral jongeren tussen 18 en 22 jaar uit cohort 2014 volgen vaker onderwijs. In 2015 volgde 18 procent van de jongeren uit cohort 2014 die op dat moment tussen 18 en 22 jaar is onderwijs. Dit loopt op tot 89 procent van de jongeren die op 1 oktober 2025 tussen 18 en 22 jaar zijn. Ook in alle andere cohorten neemt deelname aan het onderwijs onder niet-leerplichtige jongeren toe over tijd, met name onder jongeren tussen 18 en 22 jaar. Dit betreft dan jongeren die al op wat jongere leeftijd naar Nederland zijn gekomen.

Hoge onderwijsdeelname voor nieuwste cohorten amv’s

Onder de amv’s laten de cohorten steeds hogere percentages onderwijsvolgenden zien. Zo volgde 57 procent van alle amv’s die in 2014 hun vergunning kregen op 1 oktober 2015 onderwijs. Voor de overige cohorten ligt dat aandeel, het jaar na verkrijgen van de verblijfsvergunning, tussen de 69 en 80 procent. In cohort 2024 is dit aandeel wat lager (61 procent).

Toename mbo

Er zijn 2 360 personen die in cohort 2014 een verblijfsvergunning ontvingen en in 2015 onderwijs op ten minste voorgezet onderwijsniveau volgden. Dit aantal stijgt tot 5 565 in 2025, wat vooral verklaard wordt door meer mbo-studenten. Als statushouders langer in Nederland zijn, volgen zij namelijk vooral onderwijs op mbo-niveau. Van de onderwijs­volgende personen (vanaf het niveau voorgezet onderwijs) die in 2014 een verblijfs­vergunning kregen, volgde ongeveer 12 procent mbo in 2015 (285 personen). In 2024 was dat ongeveer 55 procent (3 040 personen).

Meerderheid van amv’s volgt mbo-opleiding

De grootste groep amv’s stroomt uiteindelijk uit naar het mbo. Vier jaar na het verkrijgen van een vergunning is dit in alle cohorten tussen de 74 en 86 procent van de onderwijsvolgende amv’s met een onderwijsniveau vanaf voortgezet onderwijs het geval.

Steeds hoger mbo-niveau

Op het mbo volgen statushouders in de eerste jaren vooral een opleiding op niveau 1 (Mbo-1). Zo volgde 68 procent van de statushouders uit cohort 2014 die op 1 oktober 2015 een mbo-opleiding deden dit op niveau 1. Op 1 oktober 2025 is dit nog 10 procent. De meeste volgen dan een mbo-opleiding op niveau 4 (41 procent). De andere cohorten laten een vergelijkbaar beeld zien: een daling van niveau 1 en een stijging van de overige niveaus. Ook voor amv’s is een vergelijkbare ontwikkeling te zien.

3.9Inburgering

1 procent van de statushouders uit cohort 2014 nog inburgeringsplichtig met overschrijding

Van de bijna 20 duizend personen die in 2014 een verblijfsvergunning asiel ontvingen was voor 32 procent (nog) geen inburgeringsplicht vastgesteld op 1 oktober 2025. Deze groep niet-inburgeringsplichtigen bestaat grotendeels uit kinderen tot 18 jaar of personen van 65 jaar of ouder: zij hebben (nog) geen inburgeringsplicht. De meeste personen die een verblijfs­vergunning asiel ontvangen en tussen de 18 en 65 jaar oud zijn, zijn inburgerings­plichtig onder de Wet inburgering 2013. Deze groep vormt de basis voor de cijfers in figuur 3.9.1 en figuur 3.9.2. Een statushouder kan een ontheffing krijgen bij een psychische, lichamelijke of verstandelijke beperking. Ook als een statushouder met inburgeringsplicht kan bewijzen genoeg moeite te hebben gedaan om aan de inburgerings­vereiste te voldoen, is ontheffing van de inburgerings­plicht mogelijk. Voor 27 procent van de statushouders van cohort 2014 die vallen onder de Wet Inburgering 2013, geldt dat zij zo’n ontheffing hebben op 1 oktober 2025.

Bijna iedereen (98 procent) uit cohort 2014 die inburgeringsplichtig is en dus geen ontheffing heeft en niet is vertrokken of overleden heeft het inburgeringsexamen behaald of een (tijdelijke) vrijstelling. Dit is 64 procent van alle personen uit cohort 2014 die onder Wet inburgering 2013 vallen. Een vrijstelling kan je bijvoorbeeld krijgen als je een Nederlands diploma hebt. 1 procent heeft het examen nog niet gehaald en de inburgeringstermijn van drie jaar overschreden en krijgt een boete. Minder dan 0,5 procent heeft het examen nog niet gehaald (maar heeft nog wel tijd om dat alsnog te doen). Eveneens voor minder dan 0,5 procent van de statushouders geldt dat er wel een inburgeringsplicht is vastgesteld maar dat deze nog niet is ingegaan óf inmiddels is vervallen. Tot slot is 7 procent van de statushouders vertrokken of overleden. Van de statushouders van cohort 2014 die vallen onder de Wet inburgering 2013 hebben Iraniërs in oktober 2025 in verhouding het vaakst het inburgeringsexamen behaald of een (tijdelijke) vrijstelling gekregen (75 procent). Dit aandeel is het laagst bij personen uit Somalië, namelijk 42 procent. Dat dit aandeel laag is komt doordat 38 procent van de Somaliërs een volledige ontheffing heeft tegenover 18 procent van de Iraniërs.

3.9.1 Inburgeringsstatus (Wet inburgering 2013) op 1 oktober 2025 voor vergunningscohort 2014*
Nationaliteit Examen behaald (NT2 of WI) of (tijdelijke) vrijstelling Volledige ontheffing Nog geen examen behaald, geen overschrijding Inburgeringsplichtig met overschrijding (en nog geen examen behaald) Niet inburgeringsplichtig, incl. (uiteindelijk) vervallen Vertrokken (tijdelijk geen adres)/overleden
Syrië 4650 1745 . 20 20 420
Irak 210 160 . . . 35
Afghanistan 245 95 . . . 35
Eritrea 2165 1110 15 70 . 195
Iran 250 60 . . . 25
Turkije** . . . . . .
Jemen** . . . . . .
Somalië 230 210 . . . 95
Overig/onbekend 805 305 . 20 . 165
* Niet alle gegevens zijn zichtbaar per nationaliteit vanwege onderdrukking van cijfers.
** Vanwege kleine aantallen geven de gegevens voor Turkije en Jemen een vertekend beeld. Deze zijn hier daarom weggelaten, maar in het dashboard wel te vinden.

Voor de nieuwste cohorten liggen de cijfers met geslaagden of (tijdelijke) vrijstellingen natuurlijk lager op 1 oktober 2025. Deze inburgeringsplichtigen hebben ook minder tijd gehad om het examen te halen. Van het vergunningscohort 2014 was dus 64 procent op 1 oktober 2025 geslaagd of had een (tijdelijke) vrijstelling. Voor de vergunnings­cohorten 2017 tot en met 2021 ligt het aandeel geslaagden of (tijdelijke) vrijstellingen tussen de 54 en 60 procent. Voor de personen uit de laatste cohorten was de inburgeringstermijn in oktober 2025 ook nog niet overschreden.

Op 1 januari 2022 trad de Wet inburgering 2021 in werking. Deze wet geldt voor iedereen die vanaf 1 januari 2022 inburgeringsplichtig wordt. Ook statushouders uit eerdere cohorten dan 2022 kunnen onder de Wet inburgering 2021 vallen, als zij na 1 januari 2022 inburgeringsplichtig zijn geworden. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren omdat ze:

  • ten tijde van hun instroom leer- of kwalificatieplichtig waren en daardoor op dat moment niet inburgeringsplichtig waren, maar deze kwalificatie niet volbracht hebben en later alsnog inburgeringsplichtig geworden zijn.noot6
  • na 1 januari 2022 de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt.

Meer informatie over de groep statushouders die volgens de Wet inburgering 2021 inburgerings­plichtig is geworden, is te vinden in het dashboard en in de rapportage Statistiek Wet Inburgering (CBS, 2025).

3.9.2 Inburgeringsstatus (Wet inburgering 2013) op 1 oktober 2025, naar vergunningscohort
Vergunningscohort Examen behaald (NT2 of WI) of (tijdelijke) vrijstelling Volledige ontheffing Nog geen examen behaald, geen overschrijding Inburgeringsplichtig met overschrijding (en nog geen examen behaald) Niet inburgeringsplichtig, incl. (uiteindelijk) vervallen Vertrokken (tijdelijk geen adres)/overleden
2022 40 25 15 . . .
2021 8155 3910 2295 40 45 325
2020 6025 3225 515 35 30 145
2019 4420 2680 265 85 40 200
2018 4395 3080 130 105 65 320
2017 8790 6050 175 225 75 650
2016 15105 7525 120 245 100 1195
2015 14165 5860 70 230 115 1195
2014 8560 3690 25 125 45 980

Taalniveau vooral A2, met name bij Eritreeërs

Bij het volgen van een inburgeringscursus leren statushouders Nederlands begrijpen, spreken en schrijven op minimaal taalniveau A2. Met dit taalniveau kunnen personen zich in het dagelijkse leven redden. Statushouders kunnen ook op een hoger taalniveau inburgeren, bijvoorbeeld als ze na hun inburgering willen studeren of werken. Niveau B1 is voor personen die willen werken of studeren op mbo 3‑niveau of mbo 4‑niveau. Niveau B2 is voor personen die willen werken of studeren op hbo- of universitair niveau.noot7

De meeste statushouders (92 procent) die in 2014 een verblijfsvergunning kregen en hun inburgeringsexamen hadden behaald (gemeten op 1 oktober 2025), deden dat op taalniveau A2. Ook voor andere cohorten geldt dat de meesten (84 procent of meer) het inburgeringsexamen haalden op niveau A2. Dit geldt voor alle nationaliteiten.noot8 Voor personen uit cohort 2014 met een Iranese herkomst is dit aandeel het laagst (83 procent) en voor Eritrese personen het hoogst (98 procent). Dit betekent dat personen met een Iranese herkomst vaker hun inburgeringsexamen op een hoger niveau halen dan andere nationaliteiten.

Turkse statushouders burgeren over het algemeen het vaakst op het hoogste taalniveau in (niveau B2). Van de Turkse personen uit de cohorten 2017 t/m 2020 behaalde 20 tot 32 procent het inburgeringsexamen op niveau B2. Hierbij moet opgemerkt worden dat het in 2017 en 2018 om relatief kleine aantallen gaat (ongeveer 50 Turkse statushouders per jaar met niveau B2).

Op 1 januari 2022 is de nieuwe Wet inburgering 2021 ingegaan. Doelstelling van deze wet is dat inburgeringsplichtigen zo snel mogelijk meedoen aan de Nederlandse maatschappij. Er zijn drie leerroutes om in te burgeren. Bij twee van deze routes leren inburgerings­plichtigen de Nederlandse taal op minimaal niveau B1.noot9 In dit onderzoek zijn voor de inburgeraars die onder deze nieuwe wet vallen (personen die vanaf 2022 inburgerings­plichtig zijn geworden) nog geen gegevens beschikbaar over het taalniveau.

3.9.3 Taalniveau op 1 oktober 2025, naar vergunningscohort*
Nationaliteit Vergunningscohort Niveau A2 Niveau B1 Niveau B2
Syrië '14, Syrië 4135 210 255
Syrië '15, Syrië 8350 355 465
Syrië '16, Syrië 10080 345 480
Syrië '17, Syrië 4355 215 210
Syrië '18, Syrië 1515 95 130
Syrië '19, Syrië 1470 110 135
Syrië '20, Syrië 2350 195 160
Irak '14, Irak 175 10 .
Afghanistan '14, Afghanistan 185 20 .
Afghanistan '16, Afghanistan 245 10 .
Afghanistan '17, Afghanistan 355 15 10
Afghanistan '18, Afghanistan 225 10 .
Afghanistan '20, Afghanistan 135 10 .
Eritrea '14, Eritrea 2055 30 15
Eritrea '15, Eritrea 2875 45 10
Eritrea '16, Eritrea 1870 25 10
Eritrea '17, Eritrea 1140 . 15
Eritrea '18, Eritrea 635 10 .
Eritrea '19, Eritrea 415 15 .
Eritrea '20, Eritrea 265 10 .
Iran '14, Iran 200 20 20
Iran '15, Iran 245 10 20
Iran '16, Iran 370 15 15
Iran '17, Iran 590 40 40
Iran '18, Iran 290 30 40
Iran '19, Iran 250 25 35
Iran '20, Iran 310 30 35
Turkije '17, Turkije 110 . 55
Turkije '18, Turkije 140 15 45
Turkije '19, Turkije 405 45 185
Turkije '20, Turkije 780 105 225
Jemen '18, Jemen 115 . 15
Jemen '19, Jemen 305 10 15
Jemen '20, Jemen 410 20 30
Overig/onbekend '14, Overig/onbekend 685 50 35
Overig/onbekend '15, Overig/onbekend 905 45 25
Overig/onbekend '16, Overig/onbekend 700 20 20
Overig/onbekend '17, Overig/onbekend 715 25 40
Overig/onbekend '18, Overig/onbekend 615 40 35
Overig/onbekend '19, Overig/onbekend 545 25 40
Overig/onbekend '20, Overig/onbekend 605 45 65
* Niet alle gegevens zijn zichtbaar per nationaliteit vanwege onderdrukking van cijfers.

Naturalisaties nemen vooral toe vanaf zes jaar na ontvangen vergunning

Wanneer statushouders vijf jaar in Nederland zijn met een geldige verblijfsvergunning en hun inburgeringsexamen hebben gehaald, kunnen zij, onder voorwaardennoot10, de Nederlandse nationaliteit aanvragen (naturaliseren). Van het vergunningscohort 2014 is na tien-en-een-half jaar 90 procent van de statushouders genaturaliseerd en officieel Nederlander geworden. Van de Syriërs die in 2014 een verblijfsvergunning kregen, heeft 95 procent na tien-en-een-half jaar de Nederlandse nationaliteit gekregen. Voor personen uit Eritrea duurt het meestal wat langer voordat zij naturaliseren. Na tien-en-een-half jaar heeft 84 procent van de statushouders uit Eritrea de Nederlandse nationaliteit gekregen. Voor alle cohorten die zes-en-een-half jaar of langer gevolgd worden, is meer dan 79 procent genaturaliseerd. Statushouders uit de cohorten 2015 tot en met 2018 lijken wat sneller te naturaliseren dan die uit cohort 2014. Zo was 70 procent van de statushouders uit cohort 2018 na zes jaar genaturaliseerd, voor cohort 2014 was dit 51 procent.

* Deze figuur bevat een selectieknop voor vergunningscohort. Niet alle gegevens zijn zichtbaar per uitsplitsing vanwege onderdrukking van cijfers.
** Vanwege kleine aantallen geven de gegevens voor Turkije en Jemen een vertekend beeld. Deze zijn hier daarom weggelaten, maar in het dashboard wel te vinden.

3.10Sociaal-economische positie

Werk belangrijkste inkomstenbron voor 4 op de 10 status­houders tien jaar na verkrijgen verblijfsvergunning

Veel statushouders hebben in de eerste maanden na het krijgen van hun vergunning nog geen inkomen. Dit komt doordat ze vaak nog in een opvanglocatie wonen en leefgeld krijgen. Zes maanden na het krijgen van de verblijfsvergunning heeft 28 procent van de statushouders uit het cohort 2014 geen inkomen. In de loop van de tijd krijgen steeds meer statushouders een uitkering (waaronder ook pensioen valt). Anderhalf jaar na het verkrijgen van een vergunning is het aandeel statushouders dat een uitkering ontvangt meestal het grootst. Daarna daalt dit aandeel weer. Twee jaar na het verkrijgen van een verblijfs­vergunning heeft 2 procent van de statushouders uit het originele cohort van 2014 geen inkomen en is voor 62 procent een uitkering de belangrijkste inkomstenbron. Het gaat dan meestal om een bijstandsuitkering. Na tien jaar is het aandeel met een uitkering gedaald tot 25 procent van de statushouders uit het originele cohort. Als alleen gekeken wordt naar statushouders die nog in Nederland zijn (dus niet vertrokken of overleden), is dit 27 procent.

Het aandeel statushouders met werk als belangrijkste inkomstenbron neemt toe als statushouders langer in Nederland zijn. Bij cohort 2014 heeft een kwart vijf jaar na het verkrijgen van de verblijfsvergunning werk als belangrijkste inkomstenbron, na tien is dit gestegen naar 40 procent. Als alleen de statushouders die nog in Nederland zijn worden meegerekend, is dit 43 procent. Bij personen uit Eritrea is dat nog een stuk hoger: 62 procent van de Eritreeërs die in Nederland verblijven heeft tien jaar na het verkrijgen van de verblijfsvergunning werk als belangrijkste inkomstenbron.

Mannelijke statushouders hebben vaker werk als belangrijkste inkomstenbron dan vrouwelijke statushouders. Tien jaar na het verkrijgen van hun vergunning heeft bijvoor­beeld 51 procent van de mannelijke statushouders uit het originele cohort 2014 werk als belangrijkste inkomstenbron, tegen 21 procent van de vrouwen. Vrouwelijke statushouders zijn dan vaker schoolgaand (31 procent tegen 15 procent van de mannen) of hebben een uitkering als belangrijkste inkomstenbron (31 procent tegen 22 procent van de mannen). Ook hebben zij vaker geen inkomen, namelijk 10 procent, terwijl dit voor mannelijke statushouders 5 procent is. Het aandeel vertrokken of overleden mannen en vrouwen is na tien jaar bijna gelijk (respectievelijk 7 procent en 8 procent).

De belangrijkste inkomstenbron is leeftijdsafhankelijk. Voor het originele cohort 2014 geldt dat, na tien jaar, meer dan de helft van de statushouders tussen 25 en 45 jaar werk als belangrijkste inkomstenbron heeft: 59 procent van de statushouders tussen 25 en 35 jaar en 55 procent van de statushouders tussen 35 en 45 jaar. Als alleen de statushouders die nog in Nederland zijn worden meegerekend, is dit 65 procent van de statushouders tussen 25 en 35 jaar en 59 procent van de statushouders tussen 35 en 45 jaar. Tot 18 jaar gaan bijna alle statushouders naar school (95 procent, en voor de statushouders die nog in Nederland zijn is dit 99 procent). Voor 18- tot 25‑jarigen is dit 44 procent (of 48 procent van de groep statushouders die niet vertrokken of overleden is). Vanaf 45 jaar is een uitkering de belangrijkste inkomstenbron. Dit geldt voor 44 procent van de 45- tot 55‑jarigen en 71 procent van de statushouders van de 55- tot 65‑jarigen (voor de statushouders in deze leeftijdsgroepen die nog in Nederland zijn is dit respectievelijk 47 en 76 procent).

Wanneer verschillende cohorten en maanden worden bekeken, blijken personen uit Iran het vaakst inkomen uit werk te hebben. Zo heeft drie jaar na het verkrijgen van hun vergunning 29 procent van de Iraanse statushouders die op dat moment in Nederland verblijven uit cohort 2020 werk als belangrijkste inkomstenbron. Dit is 13 procent onder alle statushouders uit dit cohort dat op dat moment nog in Nederland verblijft.

De meeste amv’s gaan de eerste jaren na het verkrijgen van hun vergunning nog naar school. Twee jaar na de vergunning volgt iets meer dan de helft van de amv’s uit cohort 2014 nog onderwijs. Van de rest ontvangt 41 procent een uitkering terwijl 1 procent op dat moment werk als belangrijkste inkomstenbron heeft. Dit aandeel met werk neemt toe naarmate ze langer in Nederland zijn. Na tien jaar is het percentage amv’s uit cohort 2014 met werk als belangrijkste bron van inkomsten gegroeid tot 59 procent en het deel dat naar school gaat gedaald tot 11 procent. Amv’s hebben daarmee een stuk vaker werk als belangrijkste inkomstenbron vergeleken met de totale groep statushouders. Ook zijn ze minder afhankelijk van een uitkering. Als alleen de statushouders uit cohort 2014 die nog in Nederland zijn worden meegerekend, heeft 64 procent van de amv’s na tien jaar werk als belangrijkste inkomensbron, tegen 43 procent van alle statushouders.

3.10.1 Belangrijkste bron van inkomen, vergunningscohort 2014
aantal maanden na ontvangen vergunning Uitkering/pensioen Werk Schoolgaand Geen inkomen Vertrokken/overleden Onbekend
3 3000 125 6290 9025 160 1055
6 7420 130 6410 5475 135 80
12 11455 145 6510 1355 180 .
18 12200 185 6585 410 270 .
24 12095 335 6570 300 355 .
30 11520 665 6765 305 400 .
36 10435 1360 6990 410 455 .
42 9145 2335 7120 530 515 .
48 7890 3490 7000 700 570 .
54 6945 4440 6815 830 625 .
60 6300 5130 6570 1010 640 .
66 6330 5330 6345 945 700 .
72 6435 5470 6090 905 750 .
78 6320 5630 5885 955 860 .
84 5890 6190 5605 990 975 .
90 5390 6770 5370 1040 1075 .
96 5145 7130 5085 1125 1165 .
102 5015 7340 4845 1185 1260 .
108 4990 7545 4550 1205 1355 .
114 4960 7730 4310 1235 1410 .
120 4895 7900 4120 1265 1465 .

Steeds meer statushouders werken

Een jaar na het krijgen van de verblijfsvergunning is ongeveer 3 procent van de status­houders uit cohort 2014 werkzaam als werknemer of zelfstandige.noot11 Voor latere cohorten zijn dat er meer met 15 procent in cohort 2022. Het aandeel zelfstandigen onder werkzame statushouders verschilt per cohort en ligt tussen de 3 en 11 procent, waarbij dit aandeel bij recentere cohorten hoger is. Naarmate statushouders langer in Nederland zijn, hebben zij vaker betaald werk. Deze stijging komt overeen met de ontwikkeling van de belangrijkste inkomstenbron. Van cohort 2014 heeft 56 procent van de statushouders na tien jaar werk. Dit is 60 procent wanneer alleen naar statushouders gekeken wordt die in Nederland verblijven. Meer informatie over verschillen naar nationaliteiten in werkenden zijn te vinden in het dashboard.

Eritrese statushouders uit cohort 2014 en Turkse statushouders uit cohort 2017 werken naar verhouding vaak in loondienst. Na tien jaar heeft 60 procent van de Eritreeërs uit cohort 2014 een dienstverband, terwijl dit bij de totale groep statushouders 45 procent is. Na zeven jaar is 60 procent van de Turken uit cohort 2017 werknemer, tegen 37 procent van alle status­houders.

3.10.2 Aandeel werknemers, vergunningscohort 2014* (% van 18- tot 65-jarigen)
aantal maanden na ontvangen vergunning Syrië Irak Afghanistan Eritrea Iran Turkije** Jemen** Somalië Overig/onbekend
3 0,2 3,5 5,3 . . . . . 4,2
6 0,5 4,6 9,1 . . . . . 5,7
12 1,5 5,6 16,3 0,9 2,9 . . . 7,1
18 3,1 5,6 19,5 0,9 5,7 . . 2,0 8,8
24 5,8 9,9 25,0 2,6 7,1 . . 3,8 13,1
30 10,6 14,1 29,4 5,8 12,7 . . 8,0 18,1
36 17,1 18,5 34,9 14,5 15,7 . . 14,6 25,0
42 23,6 25,5 34,1 24,6 21,1 . . 23,8 30,7
48 30,4 30,2 40,4 40,2 25,4 . . 29,2 35,0
54 34,0 33,0 45,6 48,1 29,6 . . 35,9 41,0
60 36,4 33,7 44,0 55,9 33,8 . . 38,4 42,1
66 35,6 34,3 44,0 53,5 36,6 . . 41,3 42,9
72 34,1 33,0 45,1 54,6 35,2 . . 40,6 41,8
78 33,9 36,3 43,0 54,0 35,2 . . 37,6 39,9
84 36,3 35,0 42,6 59,8 36,6 . . 38,7 42,6
90 37,9 35,2 47,4 61,5 39,4 . . 41,0 46,1
96 38,4 36,8 47,9 62,1 39,4 . . 42,6 48,1
102 39,1 39,8 45,8 61,0 43,1 . . 40,6 46,9
108 38,7 38,9 43,9 60,9 43,1 . . 42,6 48,1
114 38,2 40,4 42,4 59,2 43,1 . . 41,7 46,4
120 38,6 37,6 41,0 59,7 43,8 . . 41,2 45,8
126 39,0 38,2 44,6 60,1 45,2 . . 41,7 46,6
* Niet alle gegevens zijn zichtbaar per nationaliteit vanwege onderdrukking van cijfers.
** Vanwege kleine aantallen geven de gegevens voor Turkije en Jemen een vertekenend beeld. Deze zijn daarom weggelaten. In het dashboard zijn deze cijfers wel beschikbaar.

In hun laatst bekende baan werken de meeste statushouders in deeltijd (66 procent) en met een tijdelijk contract (72 procent). Vrouwen werken vaker in deeltijd (82 procent) dan mannen (60 procent). Van de werkenden werkt 8 procent als zelfstandige. Bijna een kwart van de statushouders (22 procent) met een baan werkt in de uitzendbranche. Ook komen banen in de handel (19 procent) en horeca (15 procent) veel voor. Personen met een Turkse en Iraanse herkomst werken het minst vaak in de uitzendbranche (beide 13 procent). Voor statushouders uit Jemen en Somalië ligt dit aandeel met 36 en 44 procent een stuk hoger. Andere verschillen tussen nationaliteiten zijn in het dashboard te vinden.

Amv’s werken vaker in deeltijd met een tijdelijk contract

Amv’s zijn bij aankomst in Nederland jonger dan 18 jaar en stromen later de arbeidsmarkt op. Op 1 juli 2025 verschilt de totale groep amv’s van de totale groep statushouders op de volgende punten betreffende de laatste bekende baan:

  • Amv’s werken iets vaker in deeltijd (69 tegen 66 procent).
  • Amv’s hebben vaker een baan met een tijdelijk contract (80 tegen 72 procent).
  • Amv’s werken vaker in de uitzendbranche (31 tegen 22 procent), en in de horeca (23 tegen 15 procent) en iets minder vaak in de handel (17 tegen 19 procent).
  • Amv’s werken iets minder vaak als zelfstandige (5 tegen 8 procent).

Statushouders eerst vaak als oproepkracht aan het werk

De meeste statushouders werken als oproepkracht of als werknemer. In het begin van hun werkzame carrière werken statushouders in verhouding vaak als oproepkracht. In de nieuwste cohorten is dit nog vaker. Van cohort 2014 werkt twee jaar na het verkrijgen van hun vergunning 34 procent van de statushouders als oproepkracht. Voor cohort 2022 is dit 46 procent. Het deel dat als oproepkracht werkt wordt kleiner wanneer statushouders langer in Nederland zijn. Na tien jaar is het aandeel van cohort 2014 dat nog als oproepkracht werkt gehalveerd van 34 naar 17 procent. Na tien jaar zijn de meeste statushouders werknemer, namelijk 69 procent.

Twee vijfde van werkende statushouders van cohort 2014 heeft vijf of meer banen gehad

Statushouders uit meer recente cohorten hebben vaker meer banen gehad dan statushouders uit oudere cohorten. Tot ongeveer twee jaar na het verkrijgen van de vergunning heeft 28 procent van de statushouders uit cohort 2014 meer dan één baan gehad, voor cohort 2021 is dit 50 procent. Het aantal banen dat statushouders in hun loopbaan hebben neemt langzaam toe over tijd. Na tien jaar heeft 41 procent van cohort 2014 vijf of meer banen gehad.

Steeds meer statushouders met voltijdbaan

Een groot deel van de statushouders in de leeftijdsgroep van 18 tot 65 jaar begint hun werkzame leven in een deeltijdbaan. Dit is voor eerdere cohorten vaker het geval dan voor latere. Twee jaar na het krijgen van hun vergunning werkt 86 procent van cohort 2014 in deeltijdnoot12 tegen 80 procent van cohort 2022. Dit verschil is vooral groot bij de groep met een deeltijdfactor tot 0,25 voltijdsequivalent (vte). Twee jaar na het krijgen van hun vergunning werkt 49 procent van cohort 2014 in een baan met een deeltijdfactor tot 0,25 vte. Bij cohort 2021 is dat 29 procent. Recentere cohorten hebben wel vaker een voltijdbaan (1 vte) twee jaar na het krijgen van een vergunning: 20 procent van cohort 2022 tegen 14 procent van cohort 2014. De groep die deeltijd werkt wordt bij alle cohorten met de tijd kleiner. Na tien jaar werkt 54 procent van cohort 2014 nog deeltijd en 46 procent werkt voltijd.

Drie jaar na het krijgen van een vergunning verdient 11 procent van de werkende statushouders van cohort 2014 gemiddeld 15 euro per uur of meer. De meesten (47 procent) verdienen op dat moment minder dan 11 euro per uur. In nieuwere cohorten is de groep die meer dan 15 euro per uur verdient groter en de groep die minder dan 11 euro per uur verdient kleiner. Dit kan deels te maken met algemene loonstijgingen over tijd.noot13 Bijna de helft van cohort 2020 (47 procent) verdiende 15 euro per uur of meer drie jaar na het krijgen van een vergunning. Ruim een derde verdiende vooral tussen 13 en 15 euro (37 procent) en 7 procent verdiende tussen 11 en 13 euro, terwijl nog maar 9 procent minder dan 11 euro verdiende. Als statushouders langer in Nederland zijn en werken, neemt hun gemiddeld uurloon toe. Zo verdient na negen jaar 28 procent van cohort 2014 19 euro of meer, terwijl dit na tien jaar 39 procent is. Mannelijke statushouders verdienen vaker 19 euro of meer (29 procent) dan vrouwelijke statushouders (22 procent). Vrouwelijke statushouders verdienen vaker minder dan 11 euro, namelijk 14 procent. Voor mannen is dit percentage 4 procent. De stijging in gemiddeld uurloon is minder sterk, maar nog wel zichtbaar, als gecorrigeerd wordt voor inflatie. Daarnaast blijft er een verschil bestaan tussen recentere en oudere cohorten.

Opnieuw minder uitkerings­gerechtigden in cohort 2014

Twee jaar na het krijgen van een verblijfsvergunning, krijgt 89 procent van cohort 2014 een uitkering. Voor nieuwere cohorten is dit percentage lager. Van cohort 2021 ontvangt 73 procent en van cohort 2022 ontvangt 77 procent een uitkering twee jaar na het krijgen van een verblijfsvergunning. Als statushouders langer in Nederland zijn, wordt de groep die een uitkering heeft steeds kleiner. Dit geldt voor alle cohorten. Tien jaar na het ontvangen van een verblijfsvergunning krijgt 30 procent van cohort 2014 een uitkering. Dit is 32 procent van de statushouders uit 2014 die op dat moment in Nederland wonen (dus exclusief degenen die zijn vertrokken of overleden). Tussen de diverse nationaliteiten zijn soms grote verschillen zichtbaar in uitkeringsafhankelijkheid. Zo is 37 procent van de Irakezen van cohort 2014 na tien jaar nog aangewezen op een uitkering (40 procent van de Irakezen die nog in Nederland zijn). Voor Somaliërs en Eritreeërs was dat respectievelijk 25 en 26 procent (29 procent van de Somaliërs en 28 procent van de Eritreeërs die nog in Nederland zijn). Met name Eritreeërs uit cohort 2014 hebben een flinke inhaalslag gemaakt als het gaat om uitkeringsafhankelijkheid: drie jaar na het verkrijgen van een vergunning was 80 procent van de Eritreeërs van dit cohort nog aangewezen op een uitkering.

Niet iedereen ontvangt meteen een uitkering. Veel statushouders wonen de eerste maanden nog in de asielopvang, waar zij geen uitkering krijgen, maar leefgeld. Pas wanneer statushouders zelfstandig wonen en ingeschreven zijn in een gemeente, kunnen ze een uitkering aanvragen. Meestal gaat het om een bijstandsuitkering. Andere uitkeringen, zoals werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, komen niet vaak voor. Dit komt doordat statushouders nog geen lang arbeidsverleden in Nederland hebben. Van alle uitkeringsgerechtigde statushouders van vergunningscohort 2014 krijgt 92 procent een bijstandsuitkering, 6 procent een werkloosheidsuitkering en 4 procent een arbeids­ongeschiktheids­uitkering.

3.10.3 Aandeel uitkeringsgerechtigden, vergunningscohort 2014* (% van 18- tot 65-jarigen)
aantal maanden na ontvangen vergunning Syrië Irak Afghanistan Eritrea Iran Turkije** Jemen** Somalië Overig/onbekend
3 22,0 34,9 23,7 12,4 26,1 . . 28,9 28,7
6 59,1 69,0 54,5 43,4 58,0 . . 61,4 64,4
12 90,0 85,4 73,8 79,4 85,7 . . 81,5 86,2
18 93,2 86,7 70,7 92,5 87,1 . . 81,6 87,1
24 90,8 86,8 67,9 91,7 85,7 . . 76,4 83,6
30 86,2 81,5 63,5 89,1 81,7 . . 68,1 76,5
36 78,2 78,3 59,3 79,9 77,1 . . 61,0 68,2
42 69,4 71,3 54,5 70,5 69,0 . . 53,8 59,0
48 60,2 64,6 48,3 57,2 62,0 . . 48,2 52,8
54 54,1 60,8 43,3 48,2 57,7 . . 44,1 46,5
60 49,1 56,1 40,7 40,3 53,5 . . 42,4 43,2
66 47,2 53,5 39,6 39,9 47,9 . . 38,8 40,5
72 46,7 52,0 39,6 38,2 49,3 . . 35,8 40,4
78 45,3 51,0 37,6 38,4 45,1 . . 34,7 38,9
84 42,0 49,5 35,1 31,6 43,7 . . 32,6 36,6
90 39,1 45,7 29,5 29,5 39,4 . . 30,3 32,4
96 36,8 43,4 30,2 27,5 36,6 . . 27,2 30,8
102 35,2 40,7 27,1 27,7 33,3 . . 25,7 28,9
108 33,7 39,8 27,6 27,1 31,9 . . 24,4 27,7
114 32,8 38,5 25,3 27,6 30,6 . . 24,5 27,1
120 32,1 36,7 27,0 26,4 27,4 . . 24,9 27,3
126 30,6 34,5 24,8 25,9 27,4 . . 25,0 26,7
* Niet alle gegevens zijn zichtbaar per nationaliteit vanwege onderdrukking van cijfers.
** Vanwege kleine aantallen geven de gegevens voor Turkije en Jemen een vertekenend beeld. Deze zijn daarom weggelaten. In het dashboard zijn deze cijfers wel beschikbaar.

3.11Huishoudinkomen en zorggebruik

Inkomensverschillen tussen verschillende nationaliteiten blijven klein

Voor statushouders uit alle cohorten geldt dat het gemiddeld gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomennoot14 stijgt als zij langer in Nederland wonen. Statushouders die in 2014 een vergunning kregen, hadden in 2015 een gemiddeld besteedbaar huishoudinkomen van 12,3 duizend euro. In 2024 was dit gestegen naar 25,6 duizend euro. Tevens blijkt dat recentere cohorten met een hoger inkomen beginnen dan oudere cohorten. Zo hadden statushouders van vergunningscohort 2019 een jaar later een gemiddeld besteedbaar huishoudinkomen van 13,9 duizend euro. Voor cohort 2020 was dit een jaar later al 14,9 duizend euro en voor cohort 2023 was dit een jaar later 19,0 duizend euro. Deze verschillen kunnen uiteraard deels komen door verschillende factoren, zoals loon­ontwikke­lingen over tijd.noot15 Wanneer naar verslagjaar 2024 gekeken wordt heeft vergunnings­cohort 2019 een gemiddeld besteedbaar huishoudinkomen van 23,6 duizend en vergunnings­cohort 2020 een gemiddeld besteedbaar huishoudinkomen van 22,6 duizend. De verschillen in huishoud­inkomen van verschillende nationaliteitennoot16 zijn klein. Dit komt doordat veel statushouders een bijstandsuitkering krijgen. De hoogte van deze uitkering hangt af van de gezinssituatie en bestaat uit vaste bedragen. Statushouders uit Iran hebben vaak het hoogste inkomen, zonder te letten op het cohort of meetmoment. Dit sluit aan bij onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) (Huijnk et al., 2021). Daaruit blijkt dat statushouders uit Iran later aan het werk gaan, maar wel een hoger uurloon verdienen. Een vergelijking met het gemiddeld besteedbaar inkomen van alle Nederlandse huishoudens is te vinden in het dashboard.

3.11.1 Gemiddeld gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomen naar vergunningscohort* (euro)
verslagjaar 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023
2015 12300 . . . . . . . . .
2016 12700 12300 . . . . . . . .
2017 13500 12900 12700 . . . . . . .
2018 14500 13700 13300 12800 . . . . . .
2019 15800 15000 14600 13900 13500 . . . . .
2020 17000 16200 15600 14900 14500 13900 . . . .
2021 18400 17900 17100 16400 16100 15300 14900 . . .
2022 20600 20000 19300 18600 18400 17800 17000 16100 . .
2023 23400 22900 22000 21500 21200 20900 20000 18900 17900 .
2024 25600 25100 24200 23800 23700 23600 22600 21600 20300 19000
* Exclusief statushouders die in COA verblijven

Zorggebruik blijft gelijk na ongeveer twee jaar

Zodra statushouders een verblijfsvergunning hebben en niet meer in een COA-opvanglocatie verblijven, kunnen ze gebruikmaken van de reguliere zorg. Ze moeten dan ook een basisverzekering afsluiten. Van de statushouders die in 2014 een vergunning kregen, 18 jaar of ouder zijn en eind 2015 niet meer in een COA-opvang verbleven, had 86 procent in 2015 zorgkosten bij de huisarts. Een jaar later was dat gestegen naar 96 procent. Voor alle cohorten geldt dat twee jaar na het krijgen van een verblijfsvergunning meer dan 96 procent kosten heeft gemaakt bij de huisarts. Ter vergelijking, ongeveer 98 procent van de Nederlandse bevolking maakt jaarlijks kosten bij de huisarts.noot17 Dit hoge percentage komt omdat iedereen die ingeschreven staat bij een huisarts kosten maakt, ook als zij geen zorg afnemen.

Van de zeven meest voorkomende nationaliteiten onder statushouders, maken Eritrese statushouders de minste kosten voor huisartsenzorg, ziekenhuiszorg en medicijnen. Dit werd eerder vastgesteld door het Kennisplatform Integratie & Samenleving (KIS). Zij wijzen op factoren zoals weinig kennis over gezondheidsrisico’s, culturele verschillen, taboes, taalbarrières en onbekendheid met de mogelijkheden voor preventie en behandeling. Dit zit de medische zelfredzaamheid van Eritrese vluchtelingen in de weg.noot18 Statushouders uit Jemen maken het vaakst kosten voor huisartsenzorg. Iraanse statushouders maken gemiddeld het vaakst kosten voor medicijnen en ziekenhuiszorg. Voor de vergunnings­cohorten 2014 tot en met 2022 had tussen 62 procent en 75 procent van de Iraniërs in 2023 kosten gemaakt voor medicijnen, terwijl dit bij Eritreeërs voor 41 tot 56 procent het geval was. Dit geldt ook voor ziekenhuiszorg: 58 tot 67 procent van de Iraniërs maakte zorgkosten tegen 41 tot 48 procent van de Eritrese statushouders.

3.11.2 Zorggebruik in 2015-2023 onder vergunningscohort 2014* (%)
Type zorg 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023
Huisartsenzorg 86,0 95,5 97,5 98,3 98,5 98,4 98,6 98,8 98,6
Farmacie 54,6 63,3 63,9 65,5 65,2 62,2 63,6 64,9 64,1
Ziekenhuiszorg 46,5 53,0 54,3 56,1 56,4 51,4 54,3 55,8 56,7
* Exclusief personen die in COA verblijven

Iets meer jongeren met jeugdzorg

Bijna 5 procent van de jongeren die in 2014 of 2015 een verblijfsvergunning asiel ontvingen, niet meer bij een opvanglocatie van COA verblijven en eind 2016 niet ouder zijn dan 22, maakte in 2016 gebruik van een vorm van jeugdzorg.noot19 In 2024 is dat gestegen naar 9 procent gebruik van jeugdzorg onder de jongeren die eind 2024 niet ouder zijn dan 22. Voor Iraanse en Afghaanse jonge statushouders is dit met respectievelijk 23 en 11 procent het hoogst (dit gaat om 25 jongeren in beide groepen). De meeste jongeren met jeugdzorg ontvangen jeugdhulp. Bij jeugdhulp gaat het om hulp en zorg aan jongeren en hun ouders bij psychische, psychosociale en/of gedragsproblemen, een verstandelijke beperking van de jongere, of opvoedingsproblemen van de ouders. De jongere kan thuis wonen in het eigen gezin, maar bij ernstigere situaties kan de jongere worden opgenomen in een pleeggezin of gesloten instelling. In 2016 gold dit voor meer dan 4 procent van de jongeren en vanaf 2019 is dit 8 procent. In 2024 kreeg 1,1 procent van de jongeren hulp van jeugdbescherming (bijvoorbeeld de onder voogdij plaatsing van alleenstaande minderjarige statushouders). Dit percentage is ongeveer hetzelfde als onder alle Nederlandse jongeren: 1,0 procent.noot20 Van de jonge statushouders heeft 1 procent in 2024 te maken met jeugdreclassering (begeleiding en controle voor jongeren die met de politie in aanraking zijn geweest en een proces-verbaal hebben gekregen).

3.11.3 Gebruik van jeugdzorg in 2016-2024 voor vergunningscohort 2014 en 2015* (%)
Type jeugdzorg 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024
Jeugdhulp 4,3 6,5 7,4 7,8 7,8 8,3 8,6 8,5 8,4
Jeugdbescherming 0,3 0,4 0,6 0,9 1,1 1,4 1,4 1,3 1,1
Jeugdreclassering 0,1 0,3 0,4 0,4 0,4 0,5 0,6 0,8 1,0
* Exclusief statushouders die in COA verblijven

3.12Geregistreerde verdachten

Statushouders relatief vaker geregistreerd als verdachte van misdrijf dan personen met Europese herkomst

Mannelijke statushouders zijn naar verhouding iets vaker verdacht van een misdrijf dan mannen met een Nederlandse of Europese herkomst.noot21 In figuur 3.12.1 wordt het aandeel mannelijke verdachten tussen 18 en 45 jaar in 2024 onder statushouders die in 2022 een vergunning ontvingen, vergeleken met andere bevolkingsgroepen. Om bevolkingsgroepen te kunnen vergelijken, wordt hier gebruik gemaakt van relatieve cijfers. Er waren 95 verdachte statushouders uit cohort 2022 in verslagjaar 2024 in de leeftijdscategorie 18 tot 23 jaar. Dit komt neer op 399 verdachten per 10 duizend statushouders. In de leeftijds­categorie 23 tot 45 jaar zijn 120 statushouders verdacht van een delict, dit is relatief gezien 149 verdachten per 10 duizend statushouders.

Het feit dat een persoon als verdachte van een misdrijf is geregistreerd, hoeft niet te betekenen dat er ook sprake is van een veroordeling. Het aandeel veroordeelden onder alle statushouders (ongeacht leeftijd en geslacht) bedraagt tot en met verslagjaar 2023 1 procent of minder binnen alle cohorten, terwijl het aandeel verdachten per cohort varieert tussen 1 en 2 procent. Cijfers over veroordeelden in verslagjaar 2024 zijn op het moment van schrijven nog niet beschikbaar. Meer cijfers over veroordeelden (zoals absolute cijfers) zijn te vinden in het dashboard.

In de figuur wordt dit omgerekend naar relatieve cijfers om de verschillende bevolkings­groepen te vergelijken. Als het totale aantal personen dat in een categorie zit (bijvoorbeeld mannelijke statushouders die een vergunning ontvingen in 2022 en 18 tot 23 jaar oud zijn) lager is dan 10 duizend, is het relatieve aantal verdachte statushouders per 10 duizend hoger dan het absolute aantal. Een rekenvoorbeeld: als er in totaal 5 duizend mannelijke statushouders zijn met een verleende vergunning uit 2022 tussen 18 en 23 jaar en 30 van hen zijn geregistreerd als verdachte in 2024, is het absolute aantal verdachte statushouders voor deze groep 30, en het relatieve aantal 60 per 10 duizend statushouders.

Er is in het rapport gekozen voor een weergave van alleen cohort 2022 en geregistreerd verdachtenschap in 2024 om aan te sluiten bij de weergave van de afgelopen jaren. In het dashboard zijn de populaties en kenmerken die hier in acht kunnen worden genomen ondertussen uitgebreid, maar vanwege de kleine aantallen is er in de rapportage voor gekozen om geen verdere uitsplitsingen te tonen. In het dashboard kan nog verder geselecteerd worden naar type delict en inkomen, gezien deze beide factoren relevant kunnen zijn.

3.12.1 Aandeel verdachten in 2024 onder mannelijke statushouders, vergunningscohort 2022 (per 10 duizend mannen)
Leeftijdsgroep Statushouders Geboren buiten Nederland, herkomst Totaal Geboren in Nederland, herkomst Nederland Geboren buiten Nederland, herkomst Buiten Europa (excl. 5 grote herkomstlanden) Geboren buiten Nederland, herkomst Marokko Geboren buiten Nederland, herkomst Turkije Geboren buiten Nederland, herkomst Suriname Geboren buiten Nederland, herkomst Indonesië Geboren buiten Nederland, herkomst Nederlandse Cariben Geboren buiten Nederland, herkomst Europa (exclusief Nederland)
18 tot 23 jaar 400 280 210 390 980 190 405 60 520 160
23 tot 45 jaar 150 225 125 200 420 195 505 45 695 185

Naast deze rapportage is er een interactief dashboard. Daarin staan nog meer cijfers over de opvang van asielzoekers. In het dashboard kunt u zelf kiezen over welke onderwerpen en voor welke nationaliteiten u cijfers (visueel) wilt zien.

3.13Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

CBS. (2025). Statistiek Wet Inburgering (SWI) 2024. Centraal Bureau Voor de Statistiek. https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/rapportages/2025/statistiek-wet-inburgering--swi---2024

Cleton, L., Seiffert, L. & Wörmann, H. (2017). Gezinshereniging van derdelanders in Nederland. Europees Migratienetwerk. https://www.emnnetherlands.nl/sites/default/files/2018-03/2017-Gezinshereniging%20van%20derdelanders%20in%20Nederland.pdf

Huijnk, W., Dagevos, J., Djundeva, M., Schans, D., Uiters, E., Ruijsbroek, A. & De Mooij, M. (Eds.) (2021). Met beleid van start. Sociaal en Cultureel Planbureau. https://www.scp.nl/publicaties/publicaties/2021/04/08/met-beleid-van-start-over-de-rol-van-beleid-voor-ontwikkelingen-in-de-positie-en-leefsituatie-van-syrische-statushouders

Noten

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederland is.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Zie in het dashboard voor meer toelichtingen en verschillen tussen cohorten en nationaliteiten.

Onder deeltijd wordt alles onder 1 vte verstaan.

Het gestandaardiseerd huishoudinkomen is het besteedbaar inkomen gecorrigeerd voor verschillen in grootte en samenstelling van het huishouden. Het besteedbaar inkomen bestaat uit het bruto-inkomen verminderd met betaalde inkomensoverdrachten, premies inkomensverzekeringen, premies ziektekostenverzekeringen en belastingen op inkomen en vermogen.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Jongeren kunnen meerdere vormen van jeugdzorg tegelijkertijd ontvangen.

Statushouders worden hier dubbel geteld, omdat zij zowel tot de personen met een niet-Nederlandse herkomst als tot de statushouders behoren. Het gaat in deze figuur om het aandeel verdachte personen, niet om het aantal misdrijven. Personen kunnen van meerdere misdrijven worden verdacht. Deze cijfers zijn niet gecorrigeerd voor mogelijk verklarende variabelen zoals leeftijd, opleidingsniveau of sociaaleconomische positie.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.