Huisvesting en integratie van statushouders
Dit hoofdstuk behandelt de eerste stappen die statushouders zetten richting integratie in de Nederlandse samenleving. Het richt zich op statushouders die tussen 2014 en de eerste helft van 2025 een verblijfsvergunning asiel kregen. De meeste statushouders begonnen hun verblijf in Nederland in de asielopvang. Ook nareizigers van statushouders ontvangen een (afgeleide) asielvergunning en vallen, net als gezinsherenigers, onder de statushouders binnen dit onderzoek. In totaal kregen tussen 2014 en de eerste helft van 2025 ruim 311 duizend personen een verblijfsvergunning.
Er is onder andere gekeken naar de situatie van statushouders op het gebied van onderwijs, het inburgeringsexamen, sociale zekerheid, werk, gezondheidszorg en geregistreerde criminaliteit. Ook komen baankenmerken van statushouders (deeltijd/voltijd, soort contract) aan bod net als de situatie op het gebied van onderwijs, werk en uitkering en jeugdzorg voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s). Aandelen worden steeds berekend op het totale aantal statushouders uit het originele cohort, inclusief eventuele statushouders die op het peilmoment inmiddels vertrokken of overleden zijn.
3.1Verblijfsvergunningen asiel
Aantal verleende vergunningen in eerste helft 2025 lager dan een jaar ervoor
In 2014 kregen bijna 20 duizend personen een verblijfsvergunning asiel. Dit aantal groeide tot bijna 37 duizend in 2016, en daalde daarna tot bijna 16 duizend in 2019, het laagste aantal sinds 2014. Hierna steeg het aantal verblijfsvergunningen tot bijna 33 duizend in 2022, bijna 31 duizend in 2023 en ruim 34 duizend in 2024. In de eerste helft van 2025 ontvingen bijna 19 duizend asielzoekers een verblijfsvergunning, 3 duizend minder dan in de eerste helft van 2024. De grootste groep statushouders in de eerste helft van 2025 bestond uit personen met de Syrische nationaliteit (39 procent), gevolgd door Eritreeërs (7 procent). Ook als we kijken naar alle cohorten samen zijn dit de twee grootste groepen: Syriërs omvatten 56 procent van de totale populatie en Eritreeërs 13 procent.
| Vergunningscohort | Syrië | Irak | Afghanistan | Eritrea | Iran | Turkije | Jemen | Somalië | Overig/onbekend |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Eerste helft 2025 | 7310 | 195 | 370 | 1355 | 365 | 690 | 695 | 680 | 7060 |
| 2024 | 22975 | 720 | 795 | 1855 | 560 | 1745 | 1730 | 770 | 3410 |
| 2023 | 17185 | 615 | 1060 | 1690 | 600 | 2420 | 2755 | 775 | 3540 |
| 2022 | 16790 | 755 | 2950 | 1745 | 1065 | 3285 | 1830 | 695 | 3725 |
| 2021 | 12470 | 630 | 3135 | 2250 | 1800 | 2070 | 1160 | 305 | 3730 |
| 2020 | 8015 | 480 | 470 | 2810 | 585 | 1825 | 1105 | 105 | 2170 |
| 2019 | 6585 | 350 | 475 | 3680 | 560 | 1075 | 685 | 135 | 2035 |
| 2018 | 6720 | 525 | 725 | 4205 | 610 | 420 | 285 | 265 | 2485 |
| 2017 | 17020 | 1315 | 945 | 5010 | 1020 | 375 | 235 | 270 | 2495 |
| 2016 | 26235 | 1335 | 750 | 5065 | 585 | 20 | 25 | 410 | 2255 |
| 2015 | 21665 | 550 | 545 | 6265 | 435 | 20 | 30 | 595 | 2675 |
| 2014 | 10465 | 710 | 600 | 3985 | 430 | 35 | 30 | 1385 | 2015 |
3.2Nationaliteiten
Top vijf nationaliteitennoot1 van statushouders verandert, maar Syrië blijft op plek één
In alle jaren hebben de meeste personen die een verblijfsvergunning asiel kregen de Syrische nationaliteit. In de periode 2014–2020 werd dit gevolgd door statushouders met de Eritrese nationaliteit. Daarna stonden achtereenvolgens personen met de Afghaanse nationaliteit (2021), de Turkse nationaliteit (2022), de Jemenitische nationaliteit (2023) en de laatste jaren staat de Eritrese nationaliteit (2024 en de eerste helft van 2025) opnieuw op de tweede plaats.
| 2014 | 2015 | 2016 | 2017 | 2018 | 2019 | 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | Eerste helft 2025 | |||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 1 | Syrië | 10 465 | Syrië | 21 665 | Syrië | 26 235 | Syrië | 17 020 | Syrië | 6 720 | Syrië | 6 585 | Syrië | 8 015 | Syrië | 12 470 | Syrië | 16 790 | Syrië | 17 185 | Syrië | 22 975 | Syrië | 7 310 |
| 2 | Eritrea | 3 985 | Eritrea | 6 265 | Eritrea | 5 065 | Eritrea | 5 010 | Eritrea | 4 205 | Eritrea | 3 680 | Eritrea | 2 810 | Afghanistan | 3 135 | Turkije | 3 285 | Jemen | 2 755 | Eritrea | 1 855 | Eritrea | 1 355 |
| 3 | Somalië | 1 385 | Somalië | 595 | Irak | 1 335 | Irak | 1 315 | Afghanistan | 725 | Turkije | 1 075 | Turkije | 1 825 | Eritrea | 2 250 | Afghanistan | 2 950 | Turkije | 2 420 | Turkije | 1 745 | Jemen | 695 |
| 4 | Irak | 710 | Irak | 550 | Afghanistan | 750 | Iran | 1 020 | Iran | 610 | Jemen | 685 | Jemen | 1 105 | Turkije | 2 070 | Jemen | 1 830 | Eritrea | 1 690 | Jemen | 1 730 | Turkije | 690 |
| 5 | Afghanistan | 600 | Afghanistan | 545 | Iran | 585 | Afghanistan | 945 | Irak | 525 | Iran | 560 | Iran | 585 | Iran | 1 800 | Eritrea | 1 745 | Afghanistan | 1 060 | Afghanistan | 795 | Somalië | 680 |
Bron:CBS.
3.3Nareis
Aantal nareizigers verandert laatste jaren weinig, lichte stijging in eerste helft 2025
Sinds 2014 heeft de IND (Immigratie- en Naturalisatiedienst) aan iets meer dan 110 duizend nareizigers een vergunning verleend. Dit betreft alleen personen die een status krijgen via de nareisregeling. Bijna 70 procent van deze groep zijn nareizigers uit Syrië. Het aandeel nareizigers in het totaal aantal verleende vergunningen verschilt sterk per nationaliteit. Van het totaal aantal verleende vergunningen aan Syriërs was 82 procent aan nareizigers in de eerste helft van 2025. Onder Eritreeërs was dat 11 procent. Over alle cohorten heen, komen uit Syrië en Somalië in verhouding de meeste nareizigers: het aandeel nareizigers onder deze twee groepen is respectievelijk 44 en 42 procent. Onder de groep Afghanen en Iraniërs vallen de minste nareizigers, 11 en 12 procent respectievelijk.
Het aandeel vergunningen dat verleend wordt aan nareizigers varieert over de cohorten. In 2017 was meer dan de helft van de nieuwe statushouders een nareiziger (51 procent). Daarna nam dat af tot 22 procent in 2020. In 2021 nam het aandeel nareizigers onder de statushouders weer toe (37 procent). Daarna is het aandeel nareizigers stabiel gebleven in de periode tussen 2022 en 2024 (tussen 33 en 35 procent), en steeg tot 40 procent in het eerste halfjaar van 2025. In absolute aantallen veranderde het aantal verleende vergunningen aan nareizigers van 2021 tot en met 2024 niet zo veel, tussen de 10 en 12 duizend per jaar. In de eerste helft van 2025 werden ruim 7 duizend vergunningen aan nareizigers verleend.
* De onderste (helder gekleurde) balken betreffen niet-nareizigers, de bovenste
(donkerdere) balken betreffen nareizigers.
** Deze figuur bevat een selectieknop voor nationaliteit. Niet alle
gegevens zijn zichtbaar per nationaliteit vanwege onderdrukking van cijfers.
| Vergunningscohort | Geen nareis, Totaal nationaliteiten | Wel nareis, Totaal nationaliteiten |
|---|---|---|
| 2014 | 14300 | 5350 |
| 2015 | 19290 | 13495 |
| 2016 | 24970 | 11710 |
| 2017 | 14200 | 14485 |
| 2018 | 9790 | 6450 |
| 2019 | 11405 | 4175 |
| 2020 | 13710 | 3860 |
| 2021 | 17445 | 10110 |
| 2022 | 21860 | 10970 |
| 2023 | 20460 | 10180 |
| 2024 | 22610 | 11945 |
| Eerste helft 2025 | 11185 | 7530 |
3.4Nareis en (reguliere) gezinshereniging
Meer nareis na twee-en-een-half jaar voor recente cohorten dan voor 2017–2019
Van alle statushouders tussen 2014 en 2022 (exclusief nareizigers) liet 19 procent binnen twee-en-een-half jaar familieleden overkomen via de nareisregeling en 8 procent via reguliere gezinshereniging. Dat er meer familieleden komen via de nareisregeling komt doordat er bij reguliere gezinshereniging strengere eisen gelden dan bij nareis (Cleton et al., 2017). Zoals in het dashboard te zien is, neemt de toename in nareis en gezinshereniging na ongeveer twee-en-een-half jaar af. De percentages van nareis en gezinshereniging zijn het laagst in cohorten 2017, 2018 en 2019. In deze cohorten ligt het aandeel dat familieleden liet overkomen via de nareisregeling tussen 9 en 12 procent en via reguliere gezinshereniging tussen 5 en 7 procent. Bij de statushouders uit de cohorten 2020, 2021 en 2022 liggen deze aandelen hoger, met name het aandeel nareizigers (tussen 19 en 25 procent). Bij 10 procent van de statushouders in alle cohorten tussen 2014 en 2022 vindt een gezinsuitbreiding plaats in de vorm van de geboorte van een kind in Nederland. Bij de meeste statushouders (61 procent) veranderde de gezinssituatie niet binnen twee-en-een-half jaar na krijgen van de vergunning.
| Categorie | 2014 | 2015 | 2016 | 2017 | 2018 | 2019 | 2020 | 2021 | 2022 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Overleden¹⁾ | -0,2 | -0,2 | -0,2 | -0,3 | -0,2 | -0,2 | -0,2 | -0,1 | -0,2 |
| Vertrokken | -1,9 | -3,5 | -2,5 | -3,7 | -3,2 | -1,6 | -1,8 | -3,9 | -3,5 |
| Geboorte kind in Nederland | 14,5 | 13,9 | 11,9 | 10,1 | 7,7 | 7,7 | 10,1 | 9,7 | 7,4 |
| Overige gezinshereniging/ vorming²⁾ |
13,9 | 12,7 | 9,7 | 6,8 | 5,6 | 4,9 | 6,9 | 6,8 | 5,9 |
| Nareizigers | 23,6 | 29,9 | 24,6 | 8,6 | 9,0 | 11,6 | 21,6 | 18,7 | 25,2 |
| Geen wijziging in gezinssituatie | 63,1 | 57,5 | 64,0 | 77,6 | 80,3 | 80,0 | 69,3 | 69,1 | 64,7 |
| ¹⁾ Aantallen zijn zeer laag en daardoor niet zichtbaar in de figuur | |||||||||
| ²⁾ door immigratie partner/kinderen | |||||||||
Aandeel nareizigers onder amv’s stijgt vanaf 2018, blijft stabiel in 2022
Van alle amv’s met een verleende vergunning liet 41 procent binnen twee-en-een-half jaar familieleden overkomen via de nareisregeling en 12 procent via reguliere gezinshereniging. In cohort 2014 en cohort 2017 liet minder dan een derde van statushouders onder de amv’s familieleden komen via de nareisregeling. In cohort 2016 en ook in de meest recente cohorten die we twee-en-een-half jaar kunnen volgen (2021 en 2022) was dit meer dan de helft. In absolute aantallen lieten amv’s uit vergunningscohort 2016 het vaakst familieleden via de nareisregeling en de reguliere gezinshereniging komen (respectievelijk 1 270 en 350). In 2022 waren deze aantallen respectievelijk 1 040 en 190. Van alle amv’s veranderde voor 43 procent de gezinssituatie niet binnen twee-en-een-half jaar na het verlenen van de vergunning. Voor de recente cohorten 2020 tot en met 2022 ligt dit aandeel iets lager (tussen 38 en 41 procent), voor de cohorten 2014 en 2017 tot en met 2019 ligt dit aandeel een stuk hoger (tussen 53 en 60 procent).
| Categorie | 2014 | 2015 | 2016 | 2017 | 2018 | 2019 | 2020 | 2021 | 2022 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Overleden¹⁾ | . | . | . | . | . | . | . | . | . |
| Vertrokken | -1,5 | -3,4 | -1,0 | -4,7 | -5,9 | -2,1 | -2,5 | -1,6 | -1,5 |
| Geboorte kind in Nederland | 4,6 | 3,1 | 2,4 | 4,3 | 3,0 | 4,1 | 4,1 | 2,9 | 1,0 |
| Overige gezinshereniging/ vorming²⁾ |
23,0 | 14,2 | 14,1 | 11,1 | 10,9 | 9,6 | 14,9 | 11,1 | 9,6 |
| Nareizigers | 26,5 | 43,8 | 51,0 | 28,2 | 34,7 | 38,4 | 48,8 | 54,9 | 52,8 |
| Geen wijziging in gezinssituatie |
59,7 | 45,9 | 42,4 | 60,3 | 53,5 | 52,7 | 39,7 | 38,1 | 40,9 |
| ¹⁾ De gegevens zijn niet zichtbaar vanwege onderdrukking van kleine aantallen | |||||||||
| ²⁾ door immigratie partner/kinderen | |||||||||
3.5Wachttijd tot vergunning
Gemiddelde wachttijd langer in 2023 en 2024
Gemiddeld, over alle vergunningscohorten, wachtten statushouders 204 dagen op een verblijfsvergunning. Het gaat dan om de tijd vanaf het moment dat ze voor het eerst in een COA-opvanglocatie kwamen tot het moment dat ze een vergunning kregen. Dit is opnieuw een toename vergeleken met de gemiddelde wachttijd die in de twee voorgaande rapportages uit 2025 en 2024 werd geregistreerd, die was namelijk respectievelijk 195 en 175 dagen. De gemiddelde wachttijd voor de cohorten 2023 en 2024 is langer dan voor de cohorten daarvoor, in de eerste helft van 2025 is deze wachttijd iets gedaald en ligt op het niveau van 2020.
Asielzoekers met de Eritrese en Syrische nationaliteitnoot2 kregen naar verhouding snel een verblijfsvergunning (gemiddeld na 147 en 123 dagen). Personen met de Afghaanse en Irakese nationaliteit wachtten gemiddeld 399 en 407 dagen. Voor asielzoekers uit Iran was de gemiddelde wachttijd het langst met 699 dagen (bijna 2 jaar). Terwijl een grote groep van de Syriërs (44 procent) bestaat uit nareizigers, is dit niet het geval voor Iraniërs (12 procent) en Afghanen (11 procent). Deze laatste twee groepen bestaan voor een groot deel uit initiële asielaanvragers (de groep die in Nederland een eerste of volgende asielaanvraag doet). Nareizigers hebben al een vergunning op het moment dat zij bij COA instromen, initiële aanvragers moeten daar nog op wachten. Nareizigers hebben daarom gemiddeld een (veel) kortere wachttijd. Zo wachten initiële aanvragers en gezinsherenigers gemiddeld respectievelijk 337 en 385 dagen, terwijl nareizigers slechts 8 dagen wachten op een verblijfsvergunning.
| Categorie | 2014, Totaal nationaliteiten | 2015, Totaal nationaliteiten | 2016, Totaal nationaliteiten | 2017, Totaal nationaliteiten | 2018, Totaal nationaliteiten | 2019, Totaal nationaliteiten | 2020, Totaal nationaliteiten | 2021, Totaal nationaliteiten | 2022, Totaal nationaliteiten | 2023, Totaal nationaliteiten | 2024, Totaal nationaliteiten | Eerste helft 2025, Totaal nationaliteiten |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Vergunningscohort | 110 | 79 | 139 | 106 | 137 | 213 | 282 | 263 | 242 | 307 | 344 | 277 |
| * Deze figuur bevat een selectieknop voor nationaliteit. | ||||||||||||
3.6Vestigingsgemeente
Weinig regionale verschillen
Tussen 2014 en de eerste helft van 2025 ontvingen ruim 311 duizend personen een verblijfsvergunning. Bijna 280 duizend van hen wonen in de tussentijd zelfstandig en dus niet meer in de asielopvang van het COA. Van de vier grote gemeenten wonen na twee maanden in verhouding de meeste statushouders in Utrecht, 17 per 10 duizend inwoners. Twee jaar nadat ze uit de opvang van het COA zijn vertrokken, wonen statushouders verspreid over Nederland. De verschillen tussen gemeenten, uitgedrukt per 10 duizend inwoners, zijn klein.
| Gemeentenaam | Aantal statushouders per 10 000 inwoners |
|---|---|
| Groningen | 13,4 |
| Almere | 14,1 |
| Stadskanaal | 18,4 |
| Veendam | 13,1 |
| Zeewolde | 23,0 |
| Achtkarspelen | 12,8 |
| Ameland | . |
| Harlingen | 12,3 |
| Heerenveen | 13,1 |
| Leeuwarden | 14,8 |
| Ooststellingwerf | 25,6 |
| Opsterland | 21,6 |
| Schiermonnikoog | . |
| Smallingerland | 22,1 |
| Terschelling | . |
| Vlieland | . |
| Weststellingwerf | 9,8 |
| Assen | 18,1 |
| Coevorden | 19,6 |
| Emmen | 14,0 |
| Hoogeveen | 16,1 |
| Meppel | 13,7 |
| Almelo | 12,4 |
| Borne | 13,4 |
| Dalfsen | 13,5 |
| Deventer | 10,4 |
| Enschede | 14,8 |
| Haaksbergen | 13,5 |
| Hardenberg | 15,6 |
| Hellendoorn | 11,3 |
| Hengelo (O.) | 15,8 |
| Kampen | 9,1 |
| Losser | 22,2 |
| Noordoostpolder | 14,8 |
| Oldenzaal | 19,2 |
| Ommen | 17,3 |
| Raalte | 18,2 |
| Staphorst | 9,0 |
| Tubbergen | 13,1 |
| Urk | 16,4 |
| Wierden | 7,2 |
| Zwolle | 13,5 |
| Aalten | 19,0 |
| Apeldoorn | 10,5 |
| Arnhem | 9,8 |
| Barneveld | 13,9 |
| Beuningen | 12,7 |
| Brummen | 17,4 |
| Buren | 17,6 |
| Culemborg | 12,4 |
| Doesburg | 11,7 |
| Doetinchem | 11,4 |
| Druten | 19,9 |
| Duiven | 16,1 |
| Ede | 11,2 |
| Elburg | 18,8 |
| Epe | 13,9 |
| Ermelo | 17,9 |
| Harderwijk | 13,8 |
| Hattem | 11,1 |
| Heerde | 23,9 |
| Heumen | 16,6 |
| Lochem | 14,6 |
| Maasdriel | 14,9 |
| Nijkerk | 17,2 |
| Nijmegen | 11,8 |
| Oldebroek | 17,7 |
| Putten | 10,4 |
| Renkum | 15,6 |
| Rheden | 13,7 |
| Rozendaal | . |
| Scherpenzeel | 22,2 |
| Tiel | 17,7 |
| Voorst | 15,8 |
| Wageningen | 11,0 |
| Westervoort | 19,1 |
| Winterswijk | 19,5 |
| Wijchen | 15,6 |
| Zaltbommel | 14,8 |
| Zevenaar | 16,4 |
| Zutphen | 18,1 |
| Nunspeet | 14,1 |
| Dronten | 14,0 |
| Amersfoort | 13,8 |
| Baarn | 15,6 |
| De Bilt | 14,9 |
| Bunnik | 18,0 |
| Bunschoten | 9,3 |
| Eemnes | 14,4 |
| Houten | 14,9 |
| Leusden | 12,0 |
| Lopik | 14,9 |
| Montfoort | 19,5 |
| Renswoude | 24,3 |
| Rhenen | 21,7 |
| Soest | 17,6 |
| Utrecht | 16,2 |
| Veenendaal | 13,8 |
| Woudenberg | 22,5 |
| Wijk bij Duurstede | 17,5 |
| IJsselstein | 12,3 |
| Zeist | 21,5 |
| Nieuwegein | 17,6 |
| Aalsmeer | 16,8 |
| Alkmaar | 23,8 |
| Amstelveen | 15,6 |
| Amsterdam | 13,6 |
| Bergen (NH.) | 13,0 |
| Beverwijk | 17,7 |
| Blaricum | 19,6 |
| Bloemendaal | 24,4 |
| Castricum | 10,2 |
| Diemen | 17,9 |
| Edam-Volendam | 16,3 |
| Enkhuizen | 7,4 |
| Haarlem | 15,5 |
| Haarlemmermeer | 13,6 |
| Heemskerk | 20,0 |
| Heemstede | 22,5 |
| Heiloo | 17,3 |
| Den Helder | 17,5 |
| Hilversum | 15,5 |
| Hoorn | 11,4 |
| Huizen | 17,0 |
| Landsmeer | 16,3 |
| Laren (NH.) | 16,6 |
| Medemblik | 12,6 |
| Oostzaan | 12,4 |
| Opmeer | 13,9 |
| Ouder-Amstel | 13,8 |
| Purmerend | 13,4 |
| Schagen | 13,2 |
| Texel | 20,3 |
| Uitgeest | 17,2 |
| Uithoorn | 15,1 |
| Velsen | 14,6 |
| Zandvoort | 16,6 |
| Zaanstad | 14,9 |
| Alblasserdam | 9,8 |
| Alphen aan den Rijn | 11,8 |
| Barendrecht | 9,4 |
| Drechterland | 10,7 |
| Capelle aan den IJssel | 11,2 |
| Delft | 10,6 |
| Dordrecht | 15,6 |
| Gorinchem | 11,4 |
| Gouda | 15,2 |
| 's-Gravenhage | 15,5 |
| Hardinxveld-Giessendam | 12,8 |
| Hendrik-Ido-Ambacht | 15,3 |
| Stede Broec | 13,1 |
| Hillegom | 12,3 |
| Katwijk | 14,9 |
| Krimpen aan den IJssel | 14,5 |
| Leiden | 13,8 |
| Leiderdorp | 14,1 |
| Lisse | 13,2 |
| Maassluis | 12,3 |
| Nieuwkoop | 14,6 |
| Noordwijk | 19,2 |
| Oegstgeest | 11,6 |
| Oudewater | 14,7 |
| Papendrecht | 8,7 |
| Ridderkerk | 16,1 |
| Rotterdam | 15,7 |
| Rijswijk (ZH.) | 11,6 |
| Schiedam | 15,0 |
| Sliedrecht | 14,5 |
| Albrandswaard | 9,8 |
| Vlaardingen | 15,8 |
| Voorschoten | 13,7 |
| Waddinxveen | 21,5 |
| Wassenaar | 13,3 |
| Woerden | 17,9 |
| Zoetermeer | 14,2 |
| Zoeterwoude | 13,4 |
| Zwijndrecht | 20,1 |
| Borsele | 16,4 |
| Goes | 16,1 |
| West Maas en Waal | 10,8 |
| Hulst | 20,5 |
| Kapelle | 25,4 |
| Middelburg (Z.) | 16,2 |
| Reimerswaal | 17,1 |
| Terneuzen | 14,5 |
| Tholen | 12,7 |
| Veere | 17,2 |
| Vlissingen | 16,1 |
| De Ronde Venen | 16,4 |
| Tytsjerksteradiel | 16,3 |
| Asten | 25,4 |
| Baarle-Nassau | 21,2 |
| Bergen op Zoom | 17,9 |
| Best | 20,5 |
| Boekel | 21,3 |
| Boxtel | 13,5 |
| Breda | 13,0 |
| Deurne | 15,1 |
| Pekela | 10,4 |
| Dongen | 14,4 |
| Eersel | 14,4 |
| Eindhoven | 12,9 |
| Etten-Leur | 13,0 |
| Geertruidenberg | 17,2 |
| Gilze en Rijen | 28,2 |
| Goirle | 15,2 |
| Helmond | 14,8 |
| 's-Hertogenbosch | 16,2 |
| Heusden | 16,7 |
| Hilvarenbeek | 18,8 |
| Loon op Zand | 19,3 |
| Nuenen, Gerwen en Nederwetten | 20,2 |
| Oirschot | 14,5 |
| Oisterwijk | 18,5 |
| Oosterhout | 10,9 |
| Oss | 15,1 |
| Rucphen | 9,2 |
| Sint-Michielsgestel | 18,6 |
| Someren | 19,8 |
| Son en Breugel | 19,5 |
| Steenbergen | 19,6 |
| Waterland | 14,3 |
| Tilburg | 9,9 |
| Valkenswaard | 14,2 |
| Veldhoven | 13,5 |
| Vught | 12,1 |
| Waalre | 8,9 |
| Waalwijk | 6,8 |
| Woensdrecht | 17,6 |
| Zundert | 11,5 |
| Wormerland | 14,5 |
| Landgraaf | 16,4 |
| Beek (L.) | 16,7 |
| Beesel | 12,7 |
| Bergen (L.) | 14,4 |
| Brunssum | 9,7 |
| Gennep | 16,3 |
| Heerlen | 15,0 |
| Kerkrade | 16,8 |
| Maastricht | 16,3 |
| Meerssen | 16,1 |
| Mook en Middelaar | . |
| Nederweert | 16,0 |
| Roermond | 14,8 |
| Simpelveld | . |
| Stein (L.) | 17,8 |
| Vaals | 20,7 |
| Venlo | 12,4 |
| Venray | 18,8 |
| Voerendaal | 13,7 |
| Weert | 13,9 |
| Valkenburg aan de Geul | 9,1 |
| Lelystad | 22,6 |
| Horst aan de Maas | 14,6 |
| Oude IJsselstreek | 16,8 |
| Teylingen | 18,7 |
| Utrechtse Heuvelrug | 13,1 |
| Oost Gelre | 18,4 |
| Koggenland | 19,9 |
| Lansingerland | 12,8 |
| Leudal | 6,1 |
| Maasgouw | 13,5 |
| Gemert-Bakel | 15,6 |
| Halderberge | 17,3 |
| Heeze-Leende | 20,8 |
| Laarbeek | 15,9 |
| Reusel-De Mierden | 22,1 |
| Roerdalen | 14,4 |
| Roosendaal | 15,2 |
| Schouwen-Duiveland | 16,7 |
| Aa en Hunze | 16,6 |
| Borger-Odoorn | 17,3 |
| De Wolden | 13,0 |
| Noord-Beveland | 15,1 |
| Wijdemeren | 16,3 |
| Noordenveld | 11,7 |
| Twenterand | 8,2 |
| Westerveld | 15,0 |
| Lingewaard | 12,0 |
| Cranendonck | 23,0 |
| Steenwijkerland | 15,4 |
| Moerdijk | 12,9 |
| Echt-Susteren | 16,9 |
| Sluis | 16,4 |
| Drimmelen | 14,9 |
| Bernheze | 17,5 |
| Alphen-Chaam | 15,3 |
| Bergeijk | 21,9 |
| Bladel | 15,2 |
| Gulpen-Wittem | 21,3 |
| Tynaarlo | 10,9 |
| Midden-Drenthe | 13,8 |
| Overbetuwe | 12,5 |
| Hof van Twente | 11,0 |
| Neder-Betuwe | 15,2 |
| Rijssen-Holten | 14,2 |
| Geldrop-Mierlo | 15,0 |
| Olst-Wijhe | 15,4 |
| Dinkelland | 20,6 |
| Westland | 14,4 |
| Midden-Delfland | 23,2 |
| Berkelland | 14,1 |
| Bronckhorst | 16,9 |
| Sittard-Geleen | 16,4 |
| Kaag en Braassem | 12,3 |
| Dantumadiel | 19,3 |
| Zuidplas | 16,5 |
| Peel en Maas | 13,8 |
| Oldambt | 8,1 |
| Zwartewaterland | 19,2 |
| Súdwest-Fryslân | 17,4 |
| Bodegraven-Reeuwijk | 17,0 |
| Eijsden-Margraten | 12,3 |
| Stichtse Vecht | 16,2 |
| Hollands Kroon | 13,3 |
| Leidschendam-Voorburg | 14,6 |
| Goeree-Overflakkee | 14,5 |
| Pijnacker-Nootdorp | 11,9 |
| Nissewaard | 15,6 |
| Krimpenerwaard | 18,5 |
| De Fryske Marren | 11,6 |
| Gooise Meren | 13,4 |
| Berg en Dal | 18,0 |
| Meierijstad | 14,1 |
| Waadhoeke | 16,4 |
| Westerwolde | 50,3 |
| Midden-Groningen | 12,5 |
| Beekdaelen | 13,7 |
| Montferland | 20,1 |
| Altena | 13,0 |
| West Betuwe | 16,4 |
| Vijfheerenlanden | 15,7 |
| Hoeksche Waard | 16,7 |
| Het Hogeland | 19,1 |
| Westerkwartier | 12,8 |
| Noardeast-Fryslân | 16,8 |
| Molenlanden | 16,1 |
| Eemsdelta | 10,0 |
| Dijk en Waard | 13,0 |
| Land van Cuijk | 16,2 |
| Maashorst | 15,2 |
| Voorne aan Zee | 16,7 |
| Gemeentenaam | Aantal statushouders per 10 000 inwoners |
|---|---|
| Groningen | 14,2 |
| Almere | 13,9 |
| Stadskanaal | 17,2 |
| Veendam | 13,8 |
| Zeewolde | 23,4 |
| Achtkarspelen | 13,1 |
| Ameland | . |
| Harlingen | 12,3 |
| Heerenveen | 13,3 |
| Leeuwarden | 15,5 |
| Ooststellingwerf | 25,9 |
| Opsterland | 20,3 |
| Schiermonnikoog | . |
| Smallingerland | 21,2 |
| Terschelling | . |
| Vlieland | . |
| Weststellingwerf | 9,4 |
| Assen | 17,5 |
| Coevorden | 18,8 |
| Emmen | 13,3 |
| Hoogeveen | 15,9 |
| Meppel | 13,7 |
| Almelo | 12,9 |
| Borne | 13,0 |
| Dalfsen | 12,8 |
| Deventer | 10,3 |
| Enschede | 15,8 |
| Haaksbergen | 13,1 |
| Hardenberg | 15,3 |
| Hellendoorn | 11,3 |
| Hengelo (O.) | 16,3 |
| Kampen | 8,4 |
| Losser | 20,1 |
| Noordoostpolder | 14,2 |
| Oldenzaal | 18,2 |
| Ommen | 16,3 |
| Raalte | 19,3 |
| Staphorst | 8,5 |
| Tubbergen | 13,1 |
| Urk | 16,4 |
| Wierden | 7,2 |
| Zwolle | 15,2 |
| Aalten | 19,8 |
| Apeldoorn | 11,2 |
| Arnhem | 10,0 |
| Barneveld | 13,9 |
| Beuningen | 12,7 |
| Brummen | 17,4 |
| Buren | 14,4 |
| Culemborg | 12,0 |
| Doesburg | 9,9 |
| Doetinchem | 11,2 |
| Druten | 17,9 |
| Duiven | 18,1 |
| Ede | 11,0 |
| Elburg | 19,2 |
| Epe | 12,7 |
| Ermelo | 17,9 |
| Harderwijk | 13,0 |
| Hattem | 11,1 |
| Heerde | 23,9 |
| Heumen | 14,3 |
| Lochem | 16,0 |
| Maasdriel | 13,0 |
| Nijkerk | 17,6 |
| Nijmegen | 13,5 |
| Oldebroek | 17,7 |
| Putten | 10,8 |
| Renkum | 15,3 |
| Rheden | 14,0 |
| Rozendaal | . |
| Scherpenzeel | 21,3 |
| Tiel | 18,4 |
| Voorst | 14,2 |
| Wageningen | 11,3 |
| Westervoort | 17,2 |
| Winterswijk | 18,1 |
| Wijchen | 15,9 |
| Zaltbommel | 13,2 |
| Zevenaar | 16,4 |
| Zutphen | 18,3 |
| Nunspeet | 14,1 |
| Dronten | 11,3 |
| Amersfoort | 14,1 |
| Baarn | 15,6 |
| De Bilt | 14,6 |
| Bunnik | 18,6 |
| Bunschoten | 8,8 |
| Eemnes | 13,3 |
| Houten | 14,8 |
| Leusden | 11,4 |
| Lopik | 13,6 |
| Montfoort | 20,2 |
| Renswoude | 24,3 |
| Rhenen | 20,8 |
| Soest | 14,7 |
| Utrecht | 17,0 |
| Veenendaal | 15,0 |
| Woudenberg | 21,9 |
| Wijk bij Duurstede | 16,7 |
| IJsselstein | 12,9 |
| Zeist | 13,5 |
| Nieuwegein | 16,8 |
| Aalsmeer | 17,7 |
| Alkmaar | 24,1 |
| Amstelveen | 16,0 |
| Amsterdam | 13,9 |
| Bergen (NH.) | 13,4 |
| Beverwijk | 18,9 |
| Blaricum | 16,5 |
| Bloemendaal | 20,2 |
| Castricum | 12,4 |
| Diemen | 18,5 |
| Edam-Volendam | 13,8 |
| Enkhuizen | 6,9 |
| Haarlem | 15,5 |
| Haarlemmermeer | 13,5 |
| Heemskerk | 19,8 |
| Heemstede | 22,5 |
| Heiloo | 14,8 |
| Den Helder | 15,6 |
| Hilversum | 15,6 |
| Hoorn | 11,1 |
| Huizen | 17,5 |
| Landsmeer | 16,3 |
| Laren (NH.) | 14,9 |
| Medemblik | 12,2 |
| Oostzaan | 13,4 |
| Opmeer | 13,9 |
| Ouder-Amstel | 14,5 |
| Purmerend | 13,9 |
| Schagen | 13,4 |
| Texel | 17,4 |
| Uitgeest | 17,9 |
| Uithoorn | 15,1 |
| Velsen | 14,6 |
| Zandvoort | 16,6 |
| Zaanstad | 15,4 |
| Alblasserdam | 10,3 |
| Alphen aan den Rijn | 12,5 |
| Barendrecht | 9,0 |
| Drechterland | 10,7 |
| Capelle aan den IJssel | 12,7 |
| Delft | 12,6 |
| Dordrecht | 16,1 |
| Gorinchem | 10,9 |
| Gouda | 15,7 |
| 's-Gravenhage | 16,1 |
| Hardinxveld-Giessendam | 12,8 |
| Hendrik-Ido-Ambacht | 15,0 |
| Stede Broec | 13,1 |
| Hillegom | 13,6 |
| Katwijk | 15,1 |
| Krimpen aan den IJssel | 16,5 |
| Leiden | 14,1 |
| Leiderdorp | 13,3 |
| Lisse | 11,9 |
| Maassluis | 12,8 |
| Nieuwkoop | 13,2 |
| Noordwijk | 18,6 |
| Oegstgeest | 11,6 |
| Oudewater | 13,7 |
| Papendrecht | 9,3 |
| Ridderkerk | 17,6 |
| Rotterdam | 15,7 |
| Rijswijk (ZH.) | 11,9 |
| Schiedam | 14,9 |
| Sliedrecht | 15,6 |
| Albrandswaard | 9,1 |
| Vlaardingen | 16,4 |
| Voorschoten | 13,3 |
| Waddinxveen | 21,2 |
| Wassenaar | 12,2 |
| Woerden | 18,6 |
| Zoetermeer | 14,2 |
| Zoeterwoude | 13,4 |
| Zwijndrecht | 19,6 |
| Borsele | 14,7 |
| Goes | 17,4 |
| West Maas en Waal | 11,3 |
| Hulst | 16,8 |
| Kapelle | 19,2 |
| Middelburg (Z.) | 15,6 |
| Reimerswaal | 15,9 |
| Terneuzen | 14,7 |
| Tholen | 11,2 |
| Veere | 12,7 |
| Vlissingen | 16,7 |
| De Ronde Venen | 16,8 |
| Tytsjerksteradiel | 16,3 |
| Asten | 24,9 |
| Baarle-Nassau | 21,2 |
| Bergen op Zoom | 18,4 |
| Best | 19,5 |
| Boekel | 19,5 |
| Boxtel | 14,1 |
| Breda | 12,7 |
| Deurne | 14,8 |
| Pekela | 8,8 |
| Dongen | 14,4 |
| Eersel | 13,9 |
| Eindhoven | 14,2 |
| Etten-Leur | 13,3 |
| Geertruidenberg | 17,2 |
| Gilze en Rijen | 17,9 |
| Goirle | 12,3 |
| Helmond | 15,9 |
| 's-Hertogenbosch | 16,4 |
| Heusden | 15,6 |
| Hilvarenbeek | 17,5 |
| Loon op Zand | 17,2 |
| Nuenen, Gerwen en Nederwetten | 19,8 |
| Oirschot | 13,0 |
| Oisterwijk | 14,9 |
| Oosterhout | 11,2 |
| Oss | 15,4 |
| Rucphen | 8,8 |
| Sint-Michielsgestel | 17,6 |
| Someren | 19,8 |
| Son en Breugel | 16,7 |
| Steenbergen | 21,2 |
| Waterland | 16,0 |
| Tilburg | 11,5 |
| Valkenswaard | 14,5 |
| Veldhoven | 13,2 |
| Vught | 11,4 |
| Waalre | 8,3 |
| Waalwijk | 8,5 |
| Woensdrecht | 16,7 |
| Zundert | 12,0 |
| Wormerland | 15,1 |
| Landgraaf | 12,9 |
| Beek (L.) | 16,0 |
| Beesel | 10,5 |
| Bergen (L.) | 10,6 |
| Brunssum | 7,9 |
| Gennep | 15,7 |
| Heerlen | 17,4 |
| Kerkrade | 17,0 |
| Maastricht | 16,0 |
| Meerssen | 16,1 |
| Mook en Middelaar | . |
| Nederweert | 16,0 |
| Roermond | 15,8 |
| Simpelveld | . |
| Stein (L.) | 17,8 |
| Vaals | 21,7 |
| Venlo | 12,8 |
| Venray | 18,4 |
| Voerendaal | 12,9 |
| Weert | 13,3 |
| Valkenburg aan de Geul | 9,1 |
| Lelystad | 22,4 |
| Horst aan de Maas | 15,0 |
| Oude IJsselstreek | 17,3 |
| Teylingen | 19,2 |
| Utrechtse Heuvelrug | 12,9 |
| Oost Gelre | 16,4 |
| Koggenland | 19,5 |
| Lansingerland | 12,7 |
| Leudal | 4,7 |
| Maasgouw | 14,3 |
| Gemert-Bakel | 15,9 |
| Halderberge | 17,0 |
| Heeze-Leende | 20,2 |
| Laarbeek | 15,1 |
| Reusel-De Mierden | 19,2 |
| Roerdalen | 14,9 |
| Roosendaal | 15,3 |
| Schouwen-Duiveland | 15,0 |
| Aa en Hunze | 14,3 |
| Borger-Odoorn | 15,0 |
| De Wolden | 14,6 |
| Noord-Beveland | 12,6 |
| Wijdemeren | 16,3 |
| Noordenveld | 11,7 |
| Twenterand | 7,9 |
| Westerveld | 13,0 |
| Lingewaard | 11,4 |
| Cranendonck | 17,8 |
| Steenwijkerland | 13,9 |
| Moerdijk | 11,6 |
| Echt-Susteren | 15,6 |
| Sluis | 16,0 |
| Drimmelen | 13,5 |
| Bernheze | 16,3 |
| Alphen-Chaam | 15,3 |
| Bergeijk | 21,9 |
| Bladel | 15,2 |
| Gulpen-Wittem | 19,9 |
| Tynaarlo | 8,9 |
| Midden-Drenthe | 12,0 |
| Overbetuwe | 11,2 |
| Hof van Twente | 11,3 |
| Neder-Betuwe | 14,8 |
| Rijssen-Holten | 13,7 |
| Geldrop-Mierlo | 12,3 |
| Olst-Wijhe | 14,3 |
| Dinkelland | 19,8 |
| Westland | 13,9 |
| Midden-Delfland | 19,6 |
| Berkelland | 13,0 |
| Bronckhorst | 16,3 |
| Sittard-Geleen | 15,8 |
| Kaag en Braassem | 10,6 |
| Dantumadiel | 20,4 |
| Zuidplas | 16,5 |
| Peel en Maas | 13,2 |
| Oldambt | 7,6 |
| Zwartewaterland | 18,3 |
| Súdwest-Fryslân | 16,1 |
| Bodegraven-Reeuwijk | 15,3 |
| Eijsden-Margraten | 11,9 |
| Stichtse Vecht | 15,9 |
| Hollands Kroon | 13,5 |
| Leidschendam-Voorburg | 14,6 |
| Goeree-Overflakkee | 14,1 |
| Pijnacker-Nootdorp | 11,6 |
| Nissewaard | 15,6 |
| Krimpenerwaard | 17,5 |
| De Fryske Marren | 11,2 |
| Gooise Meren | 13,4 |
| Berg en Dal | 13,8 |
| Meierijstad | 14,1 |
| Waadhoeke | 16,0 |
| Westerwolde | 17,4 |
| Midden-Groningen | 11,7 |
| Beekdaelen | 13,1 |
| Montferland | 19,3 |
| Altena | 13,2 |
| West Betuwe | 15,7 |
| Vijfheerenlanden | 14,9 |
| Hoeksche Waard | 16,7 |
| Het Hogeland | 16,6 |
| Westerkwartier | 12,5 |
| Noardeast-Fryslân | 14,8 |
| Molenlanden | 15,0 |
| Eemsdelta | 8,9 |
| Dijk en Waard | 12,5 |
| Land van Cuijk | 15,2 |
| Maashorst | 15,2 |
| Voorne aan Zee | 17,1 |
Statushouders wonen in de loop van de tijd stedelijker
Statushouders wonen als ze langer in Nederland verblijven steeds vaker in stedelijke gebieden. Van het cohort 2014 woonde twee maanden na verlaten van de COA-opvang 53 procent in sterk of zeer sterk stedelijk gebied. Na 120 maanden (tien jaar) is dat 62 procent. De cohorten 2015 en 2016 laten een vergelijkbare stijging zien: van 55 procent na twee maanden naar 62 procent na 96 maanden (acht jaar). Van het meest recente cohort, de eerste helft van 2025, woont voor het eerst minder dan de helft (49 procent) na twee maanden in een stedelijk gebied. Bij de totale Nederlandse populatie is er een lichte stijging in stedelijkheid: in 2015 woonde 48 procent van alle Nederlanders in een sterk of zeer sterk verstedelijkt gebied, in 2025 was dat 51 procent.noot3
| vergunningscohort | 2 | 24 | 48 | 72 | 96 | 120 |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2014 | 53,4 | 55,0 | 58,0 | 59,8 | 61,1 | 61,5 |
| 2015 | 55,3 | 57,7 | 59,6 | 60,9 | 62,1 | . |
| 2016 | 55,3 | 57,7 | 59,6 | 60,8 | 61,5 | . |
Statushouders wonen vooral in huurwoningen
De ruim 311 duizend statushouders die in de periode 2014 tot en met de eerste helft 2025 een verblijfsvergunning ontvingen, vormden op 1 juli 2025 119 duizend huishoudens. Van het cohort 2014 woont op 1 juli 2025 het overgrote deel (92 procent) van de huishoudens in een huurwoning. Dit kan ook om tijdelijke huisvesting in een gemeente gaan, zoals een doorstroomlocatie.noot4 Ongeveer 6 procent van de huishoudens woont in een eigen woning. Van een klein deel van de huishoudens is het eigendom van de woning onbekend (2 procent). Ter vergelijking: 42 procent van de bewoonde Nederlandse woningen in 2025 was een huurwoning en 58 procent een eigen woning.noot5 Er zijn verschillen tussen nationaliteiten: 14 procent van de Afghanen en Iraniërs uit cohort 2014 woont in een eigen woning in 2025, terwijl dit percentage bij Eritreeërs en Somaliërs rond de 2 procent ligt. Uit cohort 2015 en 2016 hebben Iraniërs het vaakst een eigen woning (respectievelijk 20 en 14 procent) op 1 juli 2025. Van de cohorten 2017, 2018 en 2019 hebben statushouders met een Turkse nationaliteit op dat moment het vaakst een eigen woning (respectievelijk 17, 11 en 10 procent).
| meetmoment | Syrië | Irak | Afghanistan | Eritrea | Iran | Turkije | Jemen | Somalië | Overig/onbekend |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2015 | 0,6 | . | . | . | . | . | . | . | 1,4 |
| 2016 | 0,6 | . | 2,8 | . | . | . | . | . | 1,2 |
| 2017 | 0,6 | . | 2,8 | . | . | . | . | . | 2,0 |
| 2018 | 1,0 | . | 4,2 | 0,4 | . | . | . | . | 2,0 |
| 2019 | 1,6 | 3,7 | 4,1 | 0,4 | . | . | . | 2,2 | 2,4 |
| 2020 | 2,1 | 3,7 | 6,8 | 0,6 | 5,1 | . | . | 1,4 | 3,7 |
| 2021 | 2,9 | 6,0 | 6,9 | 0,7 | 6,8 | . | . | 1,4 | 4,5 |
| 2022 | 3,8 | 6,0 | 8,2 | 1,1 | 8,6 | . | . | 2,1 | 5,8 |
| 2023 | 4,6 | 7,2 | 11,0 | 1,4 | 8,6 | . | . | 1,4 | 7,1 |
| 2024 | 5,8 | 8,3 | 11,3 | 1,7 | 10,2 | . | . | . | 7,5 |
| 2025 | 7,0 | 10,7 | 13,7 | 2,3 | 13,6 | . | . | 1,4 | 9,2 |
| * Niet alle gegevens zijn zichtbaar per nationaliteit vanwege onderdrukking van cijfers. | |||||||||
3.7Huishoudenssamenstelling
Aandeel alleenstaanden hoger in 2023 maar neemt weer af in 2024
Tussen vergunningscohort 2017 en 2019 is de helft van de statushouders een thuiswonend kind: tussen 47 en 51 procent in de tweede maand na verlaten van de COA-opvang. Hierna daalt dit aandeel tot 44 procent of lager in recentere cohorten. Bij het vergunningscohort van 2014 was dit percentage, gemeten in de tweede maand buiten de asielopvang, 28 procent.
Het aandeel alleenstaanden neemt steeds verder af. Van de personen die in 2014 een verblijfsvergunning kregen, was 37 procent twee maanden na uitstroom alleenstaand. Daarna neemt dit aandeel af tot 25 procent of lager in de opvolgende cohorten. Na een stijging naar 29 procent in cohort 2023 is het aandeel alleenstaanden in vergunningscohort 2024 weer 23 procent. In de eerste helft van 2025 is het verder gedaald naar 3 procent al is een relatief groot deel van de statushouders uit dit cohort (34 procent) twee maanden na uitstroom (nog) niet ingeschreven in de BRP waardoor hun huishoudenspositie niet bekend is. Van het cohort 2024 is het aandeel van 6 procent twee maanden na uitstroom (nog) niet ingeschreven in de BRP waardoor hun huishoudenspositie niet bekend is. Er zijn verschillen tussen vrouwen en mannen in huishoudenssamenstelling. Voor de totale groep statushouders geldt dat 10 procent van de vrouwen alleenstaand is, tegenover 36 procent van de mannen. Vrouwen zijn vaker partner in een paar met kinderen (28 tegen 14 procent) en ouder in eenouderhuishouden (6 tegen 1 procent).
| Vergunningscohort | Alleenstaande | Thuiswonend kind | Partner in paar met kinderen | Partner in paar zonder kinderen | Ouder in eenouderhuishouden | Overig lid huishouden | Vertrokken/overleden/(nog) niet in BRP |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Eerste helft 2025 | 205 | 2865 | 985 | 225 | 85 | 160 | 2325 |
| 2024 | 6080 | 10520 | 4555 | 1625 | 645 | 1425 | 1600 |
| 2023 | 8520 | 10930 | 4745 | 1785 | 770 | 1385 | 1055 |
| 2022 | 8205 | 12295 | 6900 | 1705 | 845 | 1525 | 1180 |
| 2021 | 5300 | 12080 | 5765 | 1600 | 810 | 1125 | 860 |
| 2020 | 4485 | 7180 | 3310 | 945 | 605 | 585 | 460 |
| 2019 | 2710 | 7865 | 2835 | 765 | 450 | 580 | 370 |
| 2018 | 2185 | 8185 | 3205 | 995 | 615 | 605 | 450 |
| 2017 | 3700 | 13520 | 7085 | 1570 | 840 | 1230 | 730 |
| 2016 | 10365 | 13010 | 6725 | 2545 | 1245 | 1915 | 860 |
| 2015 | 9880 | 10740 | 6315 | 2285 | 825 | 1855 | 875 |
| 2014 | 7325 | 5530 | 3730 | 1200 | 520 | 1105 | 230 |
3.8Onderwijs
Steeds meer statushouders volgen onderwijs
Als statushouders langer in Nederland zijn, volgen zij vaker onderwijs (basisonderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs, mbo, hbo of wo). Van alle statushouders die in 2014 hun vergunning kregen, volgde 28 procent onderwijs op 1 oktober 2015. Op 1 oktober 2018, vier jaar na het verkrijgen van een vergunning, was dit gestegen naar 39 procent waarna het aandeel daalde naar 31 procent op 1 oktober 2025. Vier jaar na het verkrijgen van een vergunning is het aandeel dat onderwijs volgt groter voor recentere cohorten: voor de cohorten 2017 tot en met en 2021 is dit aandeel tussen de 45 en 54 procent.
Vooral jongeren tussen 18 en 22 jaar uit cohort 2014 volgen vaker onderwijs. In 2015 volgde 18 procent van de jongeren uit cohort 2014 die op dat moment tussen 18 en 22 jaar is onderwijs. Dit loopt op tot 89 procent van de jongeren die op 1 oktober 2025 tussen 18 en 22 jaar zijn. Ook in alle andere cohorten neemt deelname aan het onderwijs onder niet-leerplichtige jongeren toe over tijd, met name onder jongeren tussen 18 en 22 jaar. Dit betreft dan jongeren die al op wat jongere leeftijd naar Nederland zijn gekomen.
Hoge onderwijsdeelname voor nieuwste cohorten amv’s
Onder de amv’s laten de cohorten steeds hogere percentages onderwijsvolgenden zien. Zo volgde 57 procent van alle amv’s die in 2014 hun vergunning kregen op 1 oktober 2015 onderwijs. Voor de overige cohorten ligt dat aandeel, het jaar na verkrijgen van de verblijfsvergunning, tussen de 69 en 80 procent. In cohort 2024 is dit aandeel wat lager (61 procent).
Toename mbo
Er zijn 2 360 personen die in cohort 2014 een verblijfsvergunning ontvingen en in 2015 onderwijs op ten minste voorgezet onderwijsniveau volgden. Dit aantal stijgt tot 5 565 in 2025, wat vooral verklaard wordt door meer mbo-studenten. Als statushouders langer in Nederland zijn, volgen zij namelijk vooral onderwijs op mbo-niveau. Van de onderwijsvolgende personen (vanaf het niveau voorgezet onderwijs) die in 2014 een verblijfsvergunning kregen, volgde ongeveer 12 procent mbo in 2015 (285 personen). In 2024 was dat ongeveer 55 procent (3 040 personen).
Meerderheid van amv’s volgt mbo-opleiding
De grootste groep amv’s stroomt uiteindelijk uit naar het mbo. Vier jaar na het verkrijgen van een vergunning is dit in alle cohorten tussen de 74 en 86 procent van de onderwijsvolgende amv’s met een onderwijsniveau vanaf voortgezet onderwijs het geval.
Steeds hoger mbo-niveau
Op het mbo volgen statushouders in de eerste jaren vooral een opleiding op niveau 1 (Mbo-1). Zo volgde 68 procent van de statushouders uit cohort 2014 die op 1 oktober 2015 een mbo-opleiding deden dit op niveau 1. Op 1 oktober 2025 is dit nog 10 procent. De meeste volgen dan een mbo-opleiding op niveau 4 (41 procent). De andere cohorten laten een vergelijkbaar beeld zien: een daling van niveau 1 en een stijging van de overige niveaus. Ook voor amv’s is een vergelijkbare ontwikkeling te zien.
3.9Inburgering
1 procent van de statushouders uit cohort 2014 nog inburgeringsplichtig met overschrijding
Van de bijna 20 duizend personen die in 2014 een verblijfsvergunning asiel ontvingen was voor 32 procent (nog) geen inburgeringsplicht vastgesteld op 1 oktober 2025. Deze groep niet-inburgeringsplichtigen bestaat grotendeels uit kinderen tot 18 jaar of personen van 65 jaar of ouder: zij hebben (nog) geen inburgeringsplicht. De meeste personen die een verblijfsvergunning asiel ontvangen en tussen de 18 en 65 jaar oud zijn, zijn inburgeringsplichtig onder de Wet inburgering 2013. Deze groep vormt de basis voor de cijfers in figuur 3.9.1 en figuur 3.9.2. Een statushouder kan een ontheffing krijgen bij een psychische, lichamelijke of verstandelijke beperking. Ook als een statushouder met inburgeringsplicht kan bewijzen genoeg moeite te hebben gedaan om aan de inburgeringsvereiste te voldoen, is ontheffing van de inburgeringsplicht mogelijk. Voor 27 procent van de statushouders van cohort 2014 die vallen onder de Wet Inburgering 2013, geldt dat zij zo’n ontheffing hebben op 1 oktober 2025.
Bijna iedereen (98 procent) uit cohort 2014 die inburgeringsplichtig is en dus geen ontheffing heeft en niet is vertrokken of overleden heeft het inburgeringsexamen behaald of een (tijdelijke) vrijstelling. Dit is 64 procent van alle personen uit cohort 2014 die onder Wet inburgering 2013 vallen. Een vrijstelling kan je bijvoorbeeld krijgen als je een Nederlands diploma hebt. 1 procent heeft het examen nog niet gehaald en de inburgeringstermijn van drie jaar overschreden en krijgt een boete. Minder dan 0,5 procent heeft het examen nog niet gehaald (maar heeft nog wel tijd om dat alsnog te doen). Eveneens voor minder dan 0,5 procent van de statushouders geldt dat er wel een inburgeringsplicht is vastgesteld maar dat deze nog niet is ingegaan óf inmiddels is vervallen. Tot slot is 7 procent van de statushouders vertrokken of overleden. Van de statushouders van cohort 2014 die vallen onder de Wet inburgering 2013 hebben Iraniërs in oktober 2025 in verhouding het vaakst het inburgeringsexamen behaald of een (tijdelijke) vrijstelling gekregen (75 procent). Dit aandeel is het laagst bij personen uit Somalië, namelijk 42 procent. Dat dit aandeel laag is komt doordat 38 procent van de Somaliërs een volledige ontheffing heeft tegenover 18 procent van de Iraniërs.
| Nationaliteit | Examen behaald (NT2 of WI) of (tijdelijke) vrijstelling | Volledige ontheffing | Nog geen examen behaald, geen overschrijding | Inburgeringsplichtig met overschrijding (en nog geen examen behaald) | Niet inburgeringsplichtig, incl. (uiteindelijk) vervallen | Vertrokken (tijdelijk geen adres)/overleden |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Syrië | 4650 | 1745 | . | 20 | 20 | 420 |
| Irak | 210 | 160 | . | . | . | 35 |
| Afghanistan | 245 | 95 | . | . | . | 35 |
| Eritrea | 2165 | 1110 | 15 | 70 | . | 195 |
| Iran | 250 | 60 | . | . | . | 25 |
| Turkije** | . | . | . | . | . | . |
| Jemen** | . | . | . | . | . | . |
| Somalië | 230 | 210 | . | . | . | 95 |
| Overig/onbekend | 805 | 305 | . | 20 | . | 165 |
| * Niet alle gegevens zijn zichtbaar per nationaliteit vanwege onderdrukking van cijfers. | ||||||
| ** Vanwege kleine aantallen geven de gegevens voor Turkije en Jemen een vertekend beeld. Deze zijn hier daarom weggelaten, maar in het dashboard wel te vinden. | ||||||
Voor de nieuwste cohorten liggen de cijfers met geslaagden of (tijdelijke) vrijstellingen natuurlijk lager op 1 oktober 2025. Deze inburgeringsplichtigen hebben ook minder tijd gehad om het examen te halen. Van het vergunningscohort 2014 was dus 64 procent op 1 oktober 2025 geslaagd of had een (tijdelijke) vrijstelling. Voor de vergunningscohorten 2017 tot en met 2021 ligt het aandeel geslaagden of (tijdelijke) vrijstellingen tussen de 54 en 60 procent. Voor de personen uit de laatste cohorten was de inburgeringstermijn in oktober 2025 ook nog niet overschreden.
Op 1 januari 2022 trad de Wet inburgering 2021 in werking. Deze wet geldt voor iedereen die vanaf 1 januari 2022 inburgeringsplichtig wordt. Ook statushouders uit eerdere cohorten dan 2022 kunnen onder de Wet inburgering 2021 vallen, als zij na 1 januari 2022 inburgeringsplichtig zijn geworden. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren omdat ze:
- ten tijde van hun instroom leer- of kwalificatieplichtig waren en daardoor op dat moment niet inburgeringsplichtig waren, maar deze kwalificatie niet volbracht hebben en later alsnog inburgeringsplichtig geworden zijn.noot6
- na 1 januari 2022 de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt.
Meer informatie over de groep statushouders die volgens de Wet inburgering 2021 inburgeringsplichtig is geworden, is te vinden in het dashboard en in de rapportage Statistiek Wet Inburgering (CBS, 2025).
| Vergunningscohort | Examen behaald (NT2 of WI) of (tijdelijke) vrijstelling | Volledige ontheffing | Nog geen examen behaald, geen overschrijding | Inburgeringsplichtig met overschrijding (en nog geen examen behaald) | Niet inburgeringsplichtig, incl. (uiteindelijk) vervallen | Vertrokken (tijdelijk geen adres)/overleden |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2022 | 40 | 25 | 15 | . | . | . |
| 2021 | 8155 | 3910 | 2295 | 40 | 45 | 325 |
| 2020 | 6025 | 3225 | 515 | 35 | 30 | 145 |
| 2019 | 4420 | 2680 | 265 | 85 | 40 | 200 |
| 2018 | 4395 | 3080 | 130 | 105 | 65 | 320 |
| 2017 | 8790 | 6050 | 175 | 225 | 75 | 650 |
| 2016 | 15105 | 7525 | 120 | 245 | 100 | 1195 |
| 2015 | 14165 | 5860 | 70 | 230 | 115 | 1195 |
| 2014 | 8560 | 3690 | 25 | 125 | 45 | 980 |
Taalniveau vooral A2, met name bij Eritreeërs
Bij het volgen van een inburgeringscursus leren statushouders Nederlands begrijpen, spreken en schrijven op minimaal taalniveau A2. Met dit taalniveau kunnen personen zich in het dagelijkse leven redden. Statushouders kunnen ook op een hoger taalniveau inburgeren, bijvoorbeeld als ze na hun inburgering willen studeren of werken. Niveau B1 is voor personen die willen werken of studeren op mbo 3‑niveau of mbo 4‑niveau. Niveau B2 is voor personen die willen werken of studeren op hbo- of universitair niveau.noot7
De meeste statushouders (92 procent) die in 2014 een verblijfsvergunning kregen en hun inburgeringsexamen hadden behaald (gemeten op 1 oktober 2025), deden dat op taalniveau A2. Ook voor andere cohorten geldt dat de meesten (84 procent of meer) het inburgeringsexamen haalden op niveau A2. Dit geldt voor alle nationaliteiten.noot8 Voor personen uit cohort 2014 met een Iranese herkomst is dit aandeel het laagst (83 procent) en voor Eritrese personen het hoogst (98 procent). Dit betekent dat personen met een Iranese herkomst vaker hun inburgeringsexamen op een hoger niveau halen dan andere nationaliteiten.
Turkse statushouders burgeren over het algemeen het vaakst op het hoogste taalniveau in (niveau B2). Van de Turkse personen uit de cohorten 2017 t/m 2020 behaalde 20 tot 32 procent het inburgeringsexamen op niveau B2. Hierbij moet opgemerkt worden dat het in 2017 en 2018 om relatief kleine aantallen gaat (ongeveer 50 Turkse statushouders per jaar met niveau B2).
Op 1 januari 2022 is de nieuwe Wet inburgering 2021 ingegaan. Doelstelling van deze wet is dat inburgeringsplichtigen zo snel mogelijk meedoen aan de Nederlandse maatschappij. Er zijn drie leerroutes om in te burgeren. Bij twee van deze routes leren inburgeringsplichtigen de Nederlandse taal op minimaal niveau B1.noot9 In dit onderzoek zijn voor de inburgeraars die onder deze nieuwe wet vallen (personen die vanaf 2022 inburgeringsplichtig zijn geworden) nog geen gegevens beschikbaar over het taalniveau.
| Nationaliteit | Vergunningscohort | Niveau A2 | Niveau B1 | Niveau B2 |
|---|---|---|---|---|
| Syrië | '14, Syrië | 4135 | 210 | 255 |
| Syrië | '15, Syrië | 8350 | 355 | 465 |
| Syrië | '16, Syrië | 10080 | 345 | 480 |
| Syrië | '17, Syrië | 4355 | 215 | 210 |
| Syrië | '18, Syrië | 1515 | 95 | 130 |
| Syrië | '19, Syrië | 1470 | 110 | 135 |
| Syrië | '20, Syrië | 2350 | 195 | 160 |
| Irak | '14, Irak | 175 | 10 | . |
| Afghanistan | '14, Afghanistan | 185 | 20 | . |
| Afghanistan | '16, Afghanistan | 245 | 10 | . |
| Afghanistan | '17, Afghanistan | 355 | 15 | 10 |
| Afghanistan | '18, Afghanistan | 225 | 10 | . |
| Afghanistan | '20, Afghanistan | 135 | 10 | . |
| Eritrea | '14, Eritrea | 2055 | 30 | 15 |
| Eritrea | '15, Eritrea | 2875 | 45 | 10 |
| Eritrea | '16, Eritrea | 1870 | 25 | 10 |
| Eritrea | '17, Eritrea | 1140 | . | 15 |
| Eritrea | '18, Eritrea | 635 | 10 | . |
| Eritrea | '19, Eritrea | 415 | 15 | . |
| Eritrea | '20, Eritrea | 265 | 10 | . |
| Iran | '14, Iran | 200 | 20 | 20 |
| Iran | '15, Iran | 245 | 10 | 20 |
| Iran | '16, Iran | 370 | 15 | 15 |
| Iran | '17, Iran | 590 | 40 | 40 |
| Iran | '18, Iran | 290 | 30 | 40 |
| Iran | '19, Iran | 250 | 25 | 35 |
| Iran | '20, Iran | 310 | 30 | 35 |
| Turkije | '17, Turkije | 110 | . | 55 |
| Turkije | '18, Turkije | 140 | 15 | 45 |
| Turkije | '19, Turkije | 405 | 45 | 185 |
| Turkije | '20, Turkije | 780 | 105 | 225 |
| Jemen | '18, Jemen | 115 | . | 15 |
| Jemen | '19, Jemen | 305 | 10 | 15 |
| Jemen | '20, Jemen | 410 | 20 | 30 |
| Overig/onbekend | '14, Overig/onbekend | 685 | 50 | 35 |
| Overig/onbekend | '15, Overig/onbekend | 905 | 45 | 25 |
| Overig/onbekend | '16, Overig/onbekend | 700 | 20 | 20 |
| Overig/onbekend | '17, Overig/onbekend | 715 | 25 | 40 |
| Overig/onbekend | '18, Overig/onbekend | 615 | 40 | 35 |
| Overig/onbekend | '19, Overig/onbekend | 545 | 25 | 40 |
| Overig/onbekend | '20, Overig/onbekend | 605 | 45 | 65 |
| * Niet alle gegevens zijn zichtbaar per nationaliteit vanwege onderdrukking van cijfers. | ||||
Naturalisaties nemen vooral toe vanaf zes jaar na ontvangen vergunning
Wanneer statushouders vijf jaar in Nederland zijn met een geldige verblijfsvergunning en hun inburgeringsexamen hebben gehaald, kunnen zij, onder voorwaardennoot10, de Nederlandse nationaliteit aanvragen (naturaliseren). Van het vergunningscohort 2014 is na tien-en-een-half jaar 90 procent van de statushouders genaturaliseerd en officieel Nederlander geworden. Van de Syriërs die in 2014 een verblijfsvergunning kregen, heeft 95 procent na tien-en-een-half jaar de Nederlandse nationaliteit gekregen. Voor personen uit Eritrea duurt het meestal wat langer voordat zij naturaliseren. Na tien-en-een-half jaar heeft 84 procent van de statushouders uit Eritrea de Nederlandse nationaliteit gekregen. Voor alle cohorten die zes-en-een-half jaar of langer gevolgd worden, is meer dan 79 procent genaturaliseerd. Statushouders uit de cohorten 2015 tot en met 2018 lijken wat sneller te naturaliseren dan die uit cohort 2014. Zo was 70 procent van de statushouders uit cohort 2018 na zes jaar genaturaliseerd, voor cohort 2014 was dit 51 procent.
* Deze figuur bevat een selectieknop voor vergunningscohort. Niet alle gegevens zijn zichtbaar per uitsplitsing vanwege onderdrukking van cijfers.
** Vanwege kleine aantallen geven de gegevens voor Turkije en Jemen een vertekend beeld. Deze zijn hier daarom weggelaten, maar in het dashboard wel te vinden.
3.10Sociaal-economische positie
Werk belangrijkste inkomstenbron voor 4 op de 10 statushouders tien jaar na verkrijgen verblijfsvergunning
Veel statushouders hebben in de eerste maanden na het krijgen van hun vergunning nog geen inkomen. Dit komt doordat ze vaak nog in een opvanglocatie wonen en leefgeld krijgen. Zes maanden na het krijgen van de verblijfsvergunning heeft 28 procent van de statushouders uit het cohort 2014 geen inkomen. In de loop van de tijd krijgen steeds meer statushouders een uitkering (waaronder ook pensioen valt). Anderhalf jaar na het verkrijgen van een vergunning is het aandeel statushouders dat een uitkering ontvangt meestal het grootst. Daarna daalt dit aandeel weer. Twee jaar na het verkrijgen van een verblijfsvergunning heeft 2 procent van de statushouders uit het originele cohort van 2014 geen inkomen en is voor 62 procent een uitkering de belangrijkste inkomstenbron. Het gaat dan meestal om een bijstandsuitkering. Na tien jaar is het aandeel met een uitkering gedaald tot 25 procent van de statushouders uit het originele cohort. Als alleen gekeken wordt naar statushouders die nog in Nederland zijn (dus niet vertrokken of overleden), is dit 27 procent.
Het aandeel statushouders met werk als belangrijkste inkomstenbron neemt toe als statushouders langer in Nederland zijn. Bij cohort 2014 heeft een kwart vijf jaar na het verkrijgen van de verblijfsvergunning werk als belangrijkste inkomstenbron, na tien is dit gestegen naar 40 procent. Als alleen de statushouders die nog in Nederland zijn worden meegerekend, is dit 43 procent. Bij personen uit Eritrea is dat nog een stuk hoger: 62 procent van de Eritreeërs die in Nederland verblijven heeft tien jaar na het verkrijgen van de verblijfsvergunning werk als belangrijkste inkomstenbron.
Mannelijke statushouders hebben vaker werk als belangrijkste inkomstenbron dan vrouwelijke statushouders. Tien jaar na het verkrijgen van hun vergunning heeft bijvoorbeeld 51 procent van de mannelijke statushouders uit het originele cohort 2014 werk als belangrijkste inkomstenbron, tegen 21 procent van de vrouwen. Vrouwelijke statushouders zijn dan vaker schoolgaand (31 procent tegen 15 procent van de mannen) of hebben een uitkering als belangrijkste inkomstenbron (31 procent tegen 22 procent van de mannen). Ook hebben zij vaker geen inkomen, namelijk 10 procent, terwijl dit voor mannelijke statushouders 5 procent is. Het aandeel vertrokken of overleden mannen en vrouwen is na tien jaar bijna gelijk (respectievelijk 7 procent en 8 procent).
De belangrijkste inkomstenbron is leeftijdsafhankelijk. Voor het originele cohort 2014 geldt dat, na tien jaar, meer dan de helft van de statushouders tussen 25 en 45 jaar werk als belangrijkste inkomstenbron heeft: 59 procent van de statushouders tussen 25 en 35 jaar en 55 procent van de statushouders tussen 35 en 45 jaar. Als alleen de statushouders die nog in Nederland zijn worden meegerekend, is dit 65 procent van de statushouders tussen 25 en 35 jaar en 59 procent van de statushouders tussen 35 en 45 jaar. Tot 18 jaar gaan bijna alle statushouders naar school (95 procent, en voor de statushouders die nog in Nederland zijn is dit 99 procent). Voor 18- tot 25‑jarigen is dit 44 procent (of 48 procent van de groep statushouders die niet vertrokken of overleden is). Vanaf 45 jaar is een uitkering de belangrijkste inkomstenbron. Dit geldt voor 44 procent van de 45- tot 55‑jarigen en 71 procent van de statushouders van de 55- tot 65‑jarigen (voor de statushouders in deze leeftijdsgroepen die nog in Nederland zijn is dit respectievelijk 47 en 76 procent).
Wanneer verschillende cohorten en maanden worden bekeken, blijken personen uit Iran het vaakst inkomen uit werk te hebben. Zo heeft drie jaar na het verkrijgen van hun vergunning 29 procent van de Iraanse statushouders die op dat moment in Nederland verblijven uit cohort 2020 werk als belangrijkste inkomstenbron. Dit is 13 procent onder alle statushouders uit dit cohort dat op dat moment nog in Nederland verblijft.
De meeste amv’s gaan de eerste jaren na het verkrijgen van hun vergunning nog naar school. Twee jaar na de vergunning volgt iets meer dan de helft van de amv’s uit cohort 2014 nog onderwijs. Van de rest ontvangt 41 procent een uitkering terwijl 1 procent op dat moment werk als belangrijkste inkomstenbron heeft. Dit aandeel met werk neemt toe naarmate ze langer in Nederland zijn. Na tien jaar is het percentage amv’s uit cohort 2014 met werk als belangrijkste bron van inkomsten gegroeid tot 59 procent en het deel dat naar school gaat gedaald tot 11 procent. Amv’s hebben daarmee een stuk vaker werk als belangrijkste inkomstenbron vergeleken met de totale groep statushouders. Ook zijn ze minder afhankelijk van een uitkering. Als alleen de statushouders uit cohort 2014 die nog in Nederland zijn worden meegerekend, heeft 64 procent van de amv’s na tien jaar werk als belangrijkste inkomensbron, tegen 43 procent van alle statushouders.
| aantal maanden na ontvangen vergunning | Uitkering/pensioen | Werk | Schoolgaand | Geen inkomen | Vertrokken/overleden | Onbekend |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 3 | 3000 | 125 | 6290 | 9025 | 160 | 1055 |
| 6 | 7420 | 130 | 6410 | 5475 | 135 | 80 |
| 12 | 11455 | 145 | 6510 | 1355 | 180 | . |
| 18 | 12200 | 185 | 6585 | 410 | 270 | . |
| 24 | 12095 | 335 | 6570 | 300 | 355 | . |
| 30 | 11520 | 665 | 6765 | 305 | 400 | . |
| 36 | 10435 | 1360 | 6990 | 410 | 455 | . |
| 42 | 9145 | 2335 | 7120 | 530 | 515 | . |
| 48 | 7890 | 3490 | 7000 | 700 | 570 | . |
| 54 | 6945 | 4440 | 6815 | 830 | 625 | . |
| 60 | 6300 | 5130 | 6570 | 1010 | 640 | . |
| 66 | 6330 | 5330 | 6345 | 945 | 700 | . |
| 72 | 6435 | 5470 | 6090 | 905 | 750 | . |
| 78 | 6320 | 5630 | 5885 | 955 | 860 | . |
| 84 | 5890 | 6190 | 5605 | 990 | 975 | . |
| 90 | 5390 | 6770 | 5370 | 1040 | 1075 | . |
| 96 | 5145 | 7130 | 5085 | 1125 | 1165 | . |
| 102 | 5015 | 7340 | 4845 | 1185 | 1260 | . |
| 108 | 4990 | 7545 | 4550 | 1205 | 1355 | . |
| 114 | 4960 | 7730 | 4310 | 1235 | 1410 | . |
| 120 | 4895 | 7900 | 4120 | 1265 | 1465 | . |
Steeds meer statushouders werken
Een jaar na het krijgen van de verblijfsvergunning is ongeveer 3 procent van de statushouders uit cohort 2014 werkzaam als werknemer of zelfstandige.noot11 Voor latere cohorten zijn dat er meer met 15 procent in cohort 2022. Het aandeel zelfstandigen onder werkzame statushouders verschilt per cohort en ligt tussen de 3 en 11 procent, waarbij dit aandeel bij recentere cohorten hoger is. Naarmate statushouders langer in Nederland zijn, hebben zij vaker betaald werk. Deze stijging komt overeen met de ontwikkeling van de belangrijkste inkomstenbron. Van cohort 2014 heeft 56 procent van de statushouders na tien jaar werk. Dit is 60 procent wanneer alleen naar statushouders gekeken wordt die in Nederland verblijven. Meer informatie over verschillen naar nationaliteiten in werkenden zijn te vinden in het dashboard.
Eritrese statushouders uit cohort 2014 en Turkse statushouders uit cohort 2017 werken naar verhouding vaak in loondienst. Na tien jaar heeft 60 procent van de Eritreeërs uit cohort 2014 een dienstverband, terwijl dit bij de totale groep statushouders 45 procent is. Na zeven jaar is 60 procent van de Turken uit cohort 2017 werknemer, tegen 37 procent van alle statushouders.
| aantal maanden na ontvangen vergunning | Syrië | Irak | Afghanistan | Eritrea | Iran | Turkije** | Jemen** | Somalië | Overig/onbekend |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 3 | 0,2 | 3,5 | 5,3 | . | . | . | . | . | 4,2 |
| 6 | 0,5 | 4,6 | 9,1 | . | . | . | . | . | 5,7 |
| 12 | 1,5 | 5,6 | 16,3 | 0,9 | 2,9 | . | . | . | 7,1 |
| 18 | 3,1 | 5,6 | 19,5 | 0,9 | 5,7 | . | . | 2,0 | 8,8 |
| 24 | 5,8 | 9,9 | 25,0 | 2,6 | 7,1 | . | . | 3,8 | 13,1 |
| 30 | 10,6 | 14,1 | 29,4 | 5,8 | 12,7 | . | . | 8,0 | 18,1 |
| 36 | 17,1 | 18,5 | 34,9 | 14,5 | 15,7 | . | . | 14,6 | 25,0 |
| 42 | 23,6 | 25,5 | 34,1 | 24,6 | 21,1 | . | . | 23,8 | 30,7 |
| 48 | 30,4 | 30,2 | 40,4 | 40,2 | 25,4 | . | . | 29,2 | 35,0 |
| 54 | 34,0 | 33,0 | 45,6 | 48,1 | 29,6 | . | . | 35,9 | 41,0 |
| 60 | 36,4 | 33,7 | 44,0 | 55,9 | 33,8 | . | . | 38,4 | 42,1 |
| 66 | 35,6 | 34,3 | 44,0 | 53,5 | 36,6 | . | . | 41,3 | 42,9 |
| 72 | 34,1 | 33,0 | 45,1 | 54,6 | 35,2 | . | . | 40,6 | 41,8 |
| 78 | 33,9 | 36,3 | 43,0 | 54,0 | 35,2 | . | . | 37,6 | 39,9 |
| 84 | 36,3 | 35,0 | 42,6 | 59,8 | 36,6 | . | . | 38,7 | 42,6 |
| 90 | 37,9 | 35,2 | 47,4 | 61,5 | 39,4 | . | . | 41,0 | 46,1 |
| 96 | 38,4 | 36,8 | 47,9 | 62,1 | 39,4 | . | . | 42,6 | 48,1 |
| 102 | 39,1 | 39,8 | 45,8 | 61,0 | 43,1 | . | . | 40,6 | 46,9 |
| 108 | 38,7 | 38,9 | 43,9 | 60,9 | 43,1 | . | . | 42,6 | 48,1 |
| 114 | 38,2 | 40,4 | 42,4 | 59,2 | 43,1 | . | . | 41,7 | 46,4 |
| 120 | 38,6 | 37,6 | 41,0 | 59,7 | 43,8 | . | . | 41,2 | 45,8 |
| 126 | 39,0 | 38,2 | 44,6 | 60,1 | 45,2 | . | . | 41,7 | 46,6 |
| * Niet alle gegevens zijn zichtbaar per nationaliteit vanwege onderdrukking van cijfers. | |||||||||
| ** Vanwege kleine aantallen geven de gegevens voor Turkije en Jemen een vertekenend beeld. Deze zijn daarom weggelaten. In het dashboard zijn deze cijfers wel beschikbaar. | |||||||||
In hun laatst bekende baan werken de meeste statushouders in deeltijd (66 procent) en met een tijdelijk contract (72 procent). Vrouwen werken vaker in deeltijd (82 procent) dan mannen (60 procent). Van de werkenden werkt 8 procent als zelfstandige. Bijna een kwart van de statushouders (22 procent) met een baan werkt in de uitzendbranche. Ook komen banen in de handel (19 procent) en horeca (15 procent) veel voor. Personen met een Turkse en Iraanse herkomst werken het minst vaak in de uitzendbranche (beide 13 procent). Voor statushouders uit Jemen en Somalië ligt dit aandeel met 36 en 44 procent een stuk hoger. Andere verschillen tussen nationaliteiten zijn in het dashboard te vinden.
Amv’s werken vaker in deeltijd met een tijdelijk contract
Amv’s zijn bij aankomst in Nederland jonger dan 18 jaar en stromen later de arbeidsmarkt op. Op 1 juli 2025 verschilt de totale groep amv’s van de totale groep statushouders op de volgende punten betreffende de laatste bekende baan:
- Amv’s werken iets vaker in deeltijd (69 tegen 66 procent).
- Amv’s hebben vaker een baan met een tijdelijk contract (80 tegen 72 procent).
- Amv’s werken vaker in de uitzendbranche (31 tegen 22 procent), en in de horeca (23 tegen 15 procent) en iets minder vaak in de handel (17 tegen 19 procent).
- Amv’s werken iets minder vaak als zelfstandige (5 tegen 8 procent).
Statushouders eerst vaak als oproepkracht aan het werk
De meeste statushouders werken als oproepkracht of als werknemer. In het begin van hun werkzame carrière werken statushouders in verhouding vaak als oproepkracht. In de nieuwste cohorten is dit nog vaker. Van cohort 2014 werkt twee jaar na het verkrijgen van hun vergunning 34 procent van de statushouders als oproepkracht. Voor cohort 2022 is dit 46 procent. Het deel dat als oproepkracht werkt wordt kleiner wanneer statushouders langer in Nederland zijn. Na tien jaar is het aandeel van cohort 2014 dat nog als oproepkracht werkt gehalveerd van 34 naar 17 procent. Na tien jaar zijn de meeste statushouders werknemer, namelijk 69 procent.
Twee vijfde van werkende statushouders van cohort 2014 heeft vijf of meer banen gehad
Statushouders uit meer recente cohorten hebben vaker meer banen gehad dan statushouders uit oudere cohorten. Tot ongeveer twee jaar na het verkrijgen van de vergunning heeft 28 procent van de statushouders uit cohort 2014 meer dan één baan gehad, voor cohort 2021 is dit 50 procent. Het aantal banen dat statushouders in hun loopbaan hebben neemt langzaam toe over tijd. Na tien jaar heeft 41 procent van cohort 2014 vijf of meer banen gehad.
Steeds meer statushouders met voltijdbaan
Een groot deel van de statushouders in de leeftijdsgroep van 18 tot 65 jaar begint hun werkzame leven in een deeltijdbaan. Dit is voor eerdere cohorten vaker het geval dan voor latere. Twee jaar na het krijgen van hun vergunning werkt 86 procent van cohort 2014 in deeltijdnoot12 tegen 80 procent van cohort 2022. Dit verschil is vooral groot bij de groep met een deeltijdfactor tot 0,25 voltijdsequivalent (vte). Twee jaar na het krijgen van hun vergunning werkt 49 procent van cohort 2014 in een baan met een deeltijdfactor tot 0,25 vte. Bij cohort 2021 is dat 29 procent. Recentere cohorten hebben wel vaker een voltijdbaan (1 vte) twee jaar na het krijgen van een vergunning: 20 procent van cohort 2022 tegen 14 procent van cohort 2014. De groep die deeltijd werkt wordt bij alle cohorten met de tijd kleiner. Na tien jaar werkt 54 procent van cohort 2014 nog deeltijd en 46 procent werkt voltijd.
Gemiddeld uurloon werkende statushouders neemt flink toe
Drie jaar na het krijgen van een vergunning verdient 11 procent van de werkende statushouders van cohort 2014 gemiddeld 15 euro per uur of meer. De meesten (47 procent) verdienen op dat moment minder dan 11 euro per uur. In nieuwere cohorten is de groep die meer dan 15 euro per uur verdient groter en de groep die minder dan 11 euro per uur verdient kleiner. Dit kan deels te maken met algemene loonstijgingen over tijd.noot13 Bijna de helft van cohort 2020 (47 procent) verdiende 15 euro per uur of meer drie jaar na het krijgen van een vergunning. Ruim een derde verdiende vooral tussen 13 en 15 euro (37 procent) en 7 procent verdiende tussen 11 en 13 euro, terwijl nog maar 9 procent minder dan 11 euro verdiende. Als statushouders langer in Nederland zijn en werken, neemt hun gemiddeld uurloon toe. Zo verdient na negen jaar 28 procent van cohort 2014 19 euro of meer, terwijl dit na tien jaar 39 procent is. Mannelijke statushouders verdienen vaker 19 euro of meer (29 procent) dan vrouwelijke statushouders (22 procent). Vrouwelijke statushouders verdienen vaker minder dan 11 euro, namelijk 14 procent. Voor mannen is dit percentage 4 procent. De stijging in gemiddeld uurloon is minder sterk, maar nog wel zichtbaar, als gecorrigeerd wordt voor inflatie. Daarnaast blijft er een verschil bestaan tussen recentere en oudere cohorten.
Opnieuw minder uitkeringsgerechtigden in cohort 2014
Twee jaar na het krijgen van een verblijfsvergunning, krijgt 89 procent van cohort 2014 een uitkering. Voor nieuwere cohorten is dit percentage lager. Van cohort 2021 ontvangt 73 procent en van cohort 2022 ontvangt 77 procent een uitkering twee jaar na het krijgen van een verblijfsvergunning. Als statushouders langer in Nederland zijn, wordt de groep die een uitkering heeft steeds kleiner. Dit geldt voor alle cohorten. Tien jaar na het ontvangen van een verblijfsvergunning krijgt 30 procent van cohort 2014 een uitkering. Dit is 32 procent van de statushouders uit 2014 die op dat moment in Nederland wonen (dus exclusief degenen die zijn vertrokken of overleden). Tussen de diverse nationaliteiten zijn soms grote verschillen zichtbaar in uitkeringsafhankelijkheid. Zo is 37 procent van de Irakezen van cohort 2014 na tien jaar nog aangewezen op een uitkering (40 procent van de Irakezen die nog in Nederland zijn). Voor Somaliërs en Eritreeërs was dat respectievelijk 25 en 26 procent (29 procent van de Somaliërs en 28 procent van de Eritreeërs die nog in Nederland zijn). Met name Eritreeërs uit cohort 2014 hebben een flinke inhaalslag gemaakt als het gaat om uitkeringsafhankelijkheid: drie jaar na het verkrijgen van een vergunning was 80 procent van de Eritreeërs van dit cohort nog aangewezen op een uitkering.
Niet iedereen ontvangt meteen een uitkering. Veel statushouders wonen de eerste maanden nog in de asielopvang, waar zij geen uitkering krijgen, maar leefgeld. Pas wanneer statushouders zelfstandig wonen en ingeschreven zijn in een gemeente, kunnen ze een uitkering aanvragen. Meestal gaat het om een bijstandsuitkering. Andere uitkeringen, zoals werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, komen niet vaak voor. Dit komt doordat statushouders nog geen lang arbeidsverleden in Nederland hebben. Van alle uitkeringsgerechtigde statushouders van vergunningscohort 2014 krijgt 92 procent een bijstandsuitkering, 6 procent een werkloosheidsuitkering en 4 procent een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
| aantal maanden na ontvangen vergunning | Syrië | Irak | Afghanistan | Eritrea | Iran | Turkije** | Jemen** | Somalië | Overig/onbekend |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 3 | 22,0 | 34,9 | 23,7 | 12,4 | 26,1 | . | . | 28,9 | 28,7 |
| 6 | 59,1 | 69,0 | 54,5 | 43,4 | 58,0 | . | . | 61,4 | 64,4 |
| 12 | 90,0 | 85,4 | 73,8 | 79,4 | 85,7 | . | . | 81,5 | 86,2 |
| 18 | 93,2 | 86,7 | 70,7 | 92,5 | 87,1 | . | . | 81,6 | 87,1 |
| 24 | 90,8 | 86,8 | 67,9 | 91,7 | 85,7 | . | . | 76,4 | 83,6 |
| 30 | 86,2 | 81,5 | 63,5 | 89,1 | 81,7 | . | . | 68,1 | 76,5 |
| 36 | 78,2 | 78,3 | 59,3 | 79,9 | 77,1 | . | . | 61,0 | 68,2 |
| 42 | 69,4 | 71,3 | 54,5 | 70,5 | 69,0 | . | . | 53,8 | 59,0 |
| 48 | 60,2 | 64,6 | 48,3 | 57,2 | 62,0 | . | . | 48,2 | 52,8 |
| 54 | 54,1 | 60,8 | 43,3 | 48,2 | 57,7 | . | . | 44,1 | 46,5 |
| 60 | 49,1 | 56,1 | 40,7 | 40,3 | 53,5 | . | . | 42,4 | 43,2 |
| 66 | 47,2 | 53,5 | 39,6 | 39,9 | 47,9 | . | . | 38,8 | 40,5 |
| 72 | 46,7 | 52,0 | 39,6 | 38,2 | 49,3 | . | . | 35,8 | 40,4 |
| 78 | 45,3 | 51,0 | 37,6 | 38,4 | 45,1 | . | . | 34,7 | 38,9 |
| 84 | 42,0 | 49,5 | 35,1 | 31,6 | 43,7 | . | . | 32,6 | 36,6 |
| 90 | 39,1 | 45,7 | 29,5 | 29,5 | 39,4 | . | . | 30,3 | 32,4 |
| 96 | 36,8 | 43,4 | 30,2 | 27,5 | 36,6 | . | . | 27,2 | 30,8 |
| 102 | 35,2 | 40,7 | 27,1 | 27,7 | 33,3 | . | . | 25,7 | 28,9 |
| 108 | 33,7 | 39,8 | 27,6 | 27,1 | 31,9 | . | . | 24,4 | 27,7 |
| 114 | 32,8 | 38,5 | 25,3 | 27,6 | 30,6 | . | . | 24,5 | 27,1 |
| 120 | 32,1 | 36,7 | 27,0 | 26,4 | 27,4 | . | . | 24,9 | 27,3 |
| 126 | 30,6 | 34,5 | 24,8 | 25,9 | 27,4 | . | . | 25,0 | 26,7 |
| * Niet alle gegevens zijn zichtbaar per nationaliteit vanwege onderdrukking van cijfers. | |||||||||
| ** Vanwege kleine aantallen geven de gegevens voor Turkije en Jemen een vertekenend beeld. Deze zijn daarom weggelaten. In het dashboard zijn deze cijfers wel beschikbaar. | |||||||||
3.11Huishoudinkomen en zorggebruik
Inkomensverschillen tussen verschillende nationaliteiten blijven klein
Voor statushouders uit alle cohorten geldt dat het gemiddeld gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomennoot14 stijgt als zij langer in Nederland wonen. Statushouders die in 2014 een vergunning kregen, hadden in 2015 een gemiddeld besteedbaar huishoudinkomen van 12,3 duizend euro. In 2024 was dit gestegen naar 25,6 duizend euro. Tevens blijkt dat recentere cohorten met een hoger inkomen beginnen dan oudere cohorten. Zo hadden statushouders van vergunningscohort 2019 een jaar later een gemiddeld besteedbaar huishoudinkomen van 13,9 duizend euro. Voor cohort 2020 was dit een jaar later al 14,9 duizend euro en voor cohort 2023 was dit een jaar later 19,0 duizend euro. Deze verschillen kunnen uiteraard deels komen door verschillende factoren, zoals loonontwikkelingen over tijd.noot15 Wanneer naar verslagjaar 2024 gekeken wordt heeft vergunningscohort 2019 een gemiddeld besteedbaar huishoudinkomen van 23,6 duizend en vergunningscohort 2020 een gemiddeld besteedbaar huishoudinkomen van 22,6 duizend. De verschillen in huishoudinkomen van verschillende nationaliteitennoot16 zijn klein. Dit komt doordat veel statushouders een bijstandsuitkering krijgen. De hoogte van deze uitkering hangt af van de gezinssituatie en bestaat uit vaste bedragen. Statushouders uit Iran hebben vaak het hoogste inkomen, zonder te letten op het cohort of meetmoment. Dit sluit aan bij onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) (Huijnk et al., 2021). Daaruit blijkt dat statushouders uit Iran later aan het werk gaan, maar wel een hoger uurloon verdienen. Een vergelijking met het gemiddeld besteedbaar inkomen van alle Nederlandse huishoudens is te vinden in het dashboard.
| verslagjaar | 2014 | 2015 | 2016 | 2017 | 2018 | 2019 | 2020 | 2021 | 2022 | 2023 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2015 | 12300 | . | . | . | . | . | . | . | . | . |
| 2016 | 12700 | 12300 | . | . | . | . | . | . | . | . |
| 2017 | 13500 | 12900 | 12700 | . | . | . | . | . | . | . |
| 2018 | 14500 | 13700 | 13300 | 12800 | . | . | . | . | . | . |
| 2019 | 15800 | 15000 | 14600 | 13900 | 13500 | . | . | . | . | . |
| 2020 | 17000 | 16200 | 15600 | 14900 | 14500 | 13900 | . | . | . | . |
| 2021 | 18400 | 17900 | 17100 | 16400 | 16100 | 15300 | 14900 | . | . | . |
| 2022 | 20600 | 20000 | 19300 | 18600 | 18400 | 17800 | 17000 | 16100 | . | . |
| 2023 | 23400 | 22900 | 22000 | 21500 | 21200 | 20900 | 20000 | 18900 | 17900 | . |
| 2024 | 25600 | 25100 | 24200 | 23800 | 23700 | 23600 | 22600 | 21600 | 20300 | 19000 |
| * Exclusief statushouders die in COA verblijven | ||||||||||
Zorggebruik blijft gelijk na ongeveer twee jaar
Zodra statushouders een verblijfsvergunning hebben en niet meer in een COA-opvanglocatie verblijven, kunnen ze gebruikmaken van de reguliere zorg. Ze moeten dan ook een basisverzekering afsluiten. Van de statushouders die in 2014 een vergunning kregen, 18 jaar of ouder zijn en eind 2015 niet meer in een COA-opvang verbleven, had 86 procent in 2015 zorgkosten bij de huisarts. Een jaar later was dat gestegen naar 96 procent. Voor alle cohorten geldt dat twee jaar na het krijgen van een verblijfsvergunning meer dan 96 procent kosten heeft gemaakt bij de huisarts. Ter vergelijking, ongeveer 98 procent van de Nederlandse bevolking maakt jaarlijks kosten bij de huisarts.noot17 Dit hoge percentage komt omdat iedereen die ingeschreven staat bij een huisarts kosten maakt, ook als zij geen zorg afnemen.
Van de zeven meest voorkomende nationaliteiten onder statushouders, maken Eritrese statushouders de minste kosten voor huisartsenzorg, ziekenhuiszorg en medicijnen. Dit werd eerder vastgesteld door het Kennisplatform Integratie & Samenleving (KIS). Zij wijzen op factoren zoals weinig kennis over gezondheidsrisico’s, culturele verschillen, taboes, taalbarrières en onbekendheid met de mogelijkheden voor preventie en behandeling. Dit zit de medische zelfredzaamheid van Eritrese vluchtelingen in de weg.noot18 Statushouders uit Jemen maken het vaakst kosten voor huisartsenzorg. Iraanse statushouders maken gemiddeld het vaakst kosten voor medicijnen en ziekenhuiszorg. Voor de vergunningscohorten 2014 tot en met 2022 had tussen 62 procent en 75 procent van de Iraniërs in 2023 kosten gemaakt voor medicijnen, terwijl dit bij Eritreeërs voor 41 tot 56 procent het geval was. Dit geldt ook voor ziekenhuiszorg: 58 tot 67 procent van de Iraniërs maakte zorgkosten tegen 41 tot 48 procent van de Eritrese statushouders.
| Type zorg | 2015 | 2016 | 2017 | 2018 | 2019 | 2020 | 2021 | 2022 | 2023 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Huisartsenzorg | 86,0 | 95,5 | 97,5 | 98,3 | 98,5 | 98,4 | 98,6 | 98,8 | 98,6 |
| Farmacie | 54,6 | 63,3 | 63,9 | 65,5 | 65,2 | 62,2 | 63,6 | 64,9 | 64,1 |
| Ziekenhuiszorg | 46,5 | 53,0 | 54,3 | 56,1 | 56,4 | 51,4 | 54,3 | 55,8 | 56,7 |
| * Exclusief personen die in COA verblijven | |||||||||
Iets meer jongeren met jeugdzorg
Bijna 5 procent van de jongeren die in 2014 of 2015 een verblijfsvergunning asiel ontvingen, niet meer bij een opvanglocatie van COA verblijven en eind 2016 niet ouder zijn dan 22, maakte in 2016 gebruik van een vorm van jeugdzorg.noot19 In 2024 is dat gestegen naar 9 procent gebruik van jeugdzorg onder de jongeren die eind 2024 niet ouder zijn dan 22. Voor Iraanse en Afghaanse jonge statushouders is dit met respectievelijk 23 en 11 procent het hoogst (dit gaat om 25 jongeren in beide groepen). De meeste jongeren met jeugdzorg ontvangen jeugdhulp. Bij jeugdhulp gaat het om hulp en zorg aan jongeren en hun ouders bij psychische, psychosociale en/of gedragsproblemen, een verstandelijke beperking van de jongere, of opvoedingsproblemen van de ouders. De jongere kan thuis wonen in het eigen gezin, maar bij ernstigere situaties kan de jongere worden opgenomen in een pleeggezin of gesloten instelling. In 2016 gold dit voor meer dan 4 procent van de jongeren en vanaf 2019 is dit 8 procent. In 2024 kreeg 1,1 procent van de jongeren hulp van jeugdbescherming (bijvoorbeeld de onder voogdij plaatsing van alleenstaande minderjarige statushouders). Dit percentage is ongeveer hetzelfde als onder alle Nederlandse jongeren: 1,0 procent.noot20 Van de jonge statushouders heeft 1 procent in 2024 te maken met jeugdreclassering (begeleiding en controle voor jongeren die met de politie in aanraking zijn geweest en een proces-verbaal hebben gekregen).
| Type jeugdzorg | 2016 | 2017 | 2018 | 2019 | 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Jeugdhulp | 4,3 | 6,5 | 7,4 | 7,8 | 7,8 | 8,3 | 8,6 | 8,5 | 8,4 |
| Jeugdbescherming | 0,3 | 0,4 | 0,6 | 0,9 | 1,1 | 1,4 | 1,4 | 1,3 | 1,1 |
| Jeugdreclassering | 0,1 | 0,3 | 0,4 | 0,4 | 0,4 | 0,5 | 0,6 | 0,8 | 1,0 |
| * Exclusief statushouders die in COA verblijven | |||||||||
3.12Geregistreerde verdachten
Statushouders relatief vaker geregistreerd als verdachte van misdrijf dan personen met Europese herkomst
Mannelijke statushouders zijn naar verhouding iets vaker verdacht van een misdrijf dan mannen met een Nederlandse of Europese herkomst.noot21 In figuur 3.12.1 wordt het aandeel mannelijke verdachten tussen 18 en 45 jaar in 2024 onder statushouders die in 2022 een vergunning ontvingen, vergeleken met andere bevolkingsgroepen. Om bevolkingsgroepen te kunnen vergelijken, wordt hier gebruik gemaakt van relatieve cijfers. Er waren 95 verdachte statushouders uit cohort 2022 in verslagjaar 2024 in de leeftijdscategorie 18 tot 23 jaar. Dit komt neer op 399 verdachten per 10 duizend statushouders. In de leeftijdscategorie 23 tot 45 jaar zijn 120 statushouders verdacht van een delict, dit is relatief gezien 149 verdachten per 10 duizend statushouders.
Het feit dat een persoon als verdachte van een misdrijf is geregistreerd, hoeft niet te betekenen dat er ook sprake is van een veroordeling. Het aandeel veroordeelden onder alle statushouders (ongeacht leeftijd en geslacht) bedraagt tot en met verslagjaar 2023 1 procent of minder binnen alle cohorten, terwijl het aandeel verdachten per cohort varieert tussen 1 en 2 procent. Cijfers over veroordeelden in verslagjaar 2024 zijn op het moment van schrijven nog niet beschikbaar. Meer cijfers over veroordeelden (zoals absolute cijfers) zijn te vinden in het dashboard.
In de figuur wordt dit omgerekend naar relatieve cijfers om de verschillende bevolkingsgroepen te vergelijken. Als het totale aantal personen dat in een categorie zit (bijvoorbeeld mannelijke statushouders die een vergunning ontvingen in 2022 en 18 tot 23 jaar oud zijn) lager is dan 10 duizend, is het relatieve aantal verdachte statushouders per 10 duizend hoger dan het absolute aantal. Een rekenvoorbeeld: als er in totaal 5 duizend mannelijke statushouders zijn met een verleende vergunning uit 2022 tussen 18 en 23 jaar en 30 van hen zijn geregistreerd als verdachte in 2024, is het absolute aantal verdachte statushouders voor deze groep 30, en het relatieve aantal 60 per 10 duizend statushouders.
Er is in het rapport gekozen voor een weergave van alleen cohort 2022 en geregistreerd verdachtenschap in 2024 om aan te sluiten bij de weergave van de afgelopen jaren. In het dashboard zijn de populaties en kenmerken die hier in acht kunnen worden genomen ondertussen uitgebreid, maar vanwege de kleine aantallen is er in de rapportage voor gekozen om geen verdere uitsplitsingen te tonen. In het dashboard kan nog verder geselecteerd worden naar type delict en inkomen, gezien deze beide factoren relevant kunnen zijn.
| Leeftijdsgroep | Statushouders | Geboren buiten Nederland, herkomst Totaal | Geboren in Nederland, herkomst Nederland | Geboren buiten Nederland, herkomst Buiten Europa (excl. 5 grote herkomstlanden) | Geboren buiten Nederland, herkomst Marokko | Geboren buiten Nederland, herkomst Turkije | Geboren buiten Nederland, herkomst Suriname | Geboren buiten Nederland, herkomst Indonesië | Geboren buiten Nederland, herkomst Nederlandse Cariben | Geboren buiten Nederland, herkomst Europa (exclusief Nederland) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 18 tot 23 jaar | 400 | 280 | 210 | 390 | 980 | 190 | 405 | 60 | 520 | 160 |
| 23 tot 45 jaar | 150 | 225 | 125 | 200 | 420 | 195 | 505 | 45 | 695 | 185 |
Naast deze rapportage is er een interactief dashboard. Daarin staan nog meer cijfers over de opvang van asielzoekers. In het dashboard kunt u zelf kiezen over welke onderwerpen en voor welke nationaliteiten u cijfers (visueel) wilt zien.
3.13Literatuur
Literatuur
CBS. (2025). Statistiek Wet Inburgering (SWI) 2024. Centraal Bureau Voor de Statistiek. https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/rapportages/2025/statistiek-wet-inburgering--swi---2024
Cleton, L., Seiffert, L. & Wörmann, H. (2017). Gezinshereniging van derdelanders in Nederland. Europees Migratienetwerk. https://www.emnnetherlands.nl/sites/default/files/2018-03/2017-Gezinshereniging%20van%20derdelanders%20in%20Nederland.pdf
Huijnk, W., Dagevos, J., Djundeva, M., Schans, D., Uiters, E., Ruijsbroek, A. & De Mooij, M. (Eds.) (2021). Met beleid van start. Sociaal en Cultureel Planbureau. https://www.scp.nl/publicaties/publicaties/2021/04/08/met-beleid-van-start-over-de-rol-van-beleid-voor-ontwikkelingen-in-de-positie-en-leefsituatie-van-syrische-statushouders
Noten
Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.
Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederland is.
https://www.volkshuisvestingnederland.nl/onderwerpen/huren-en-wonen/statushouders/doorstroomlocaties
Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.
Zie in het dashboard voor meer toelichtingen en verschillen tussen cohorten en nationaliteiten.
Onder deeltijd wordt alles onder 1 vte verstaan.
Het gestandaardiseerd huishoudinkomen is het besteedbaar inkomen gecorrigeerd voor verschillen in grootte en samenstelling van het huishouden. Het besteedbaar inkomen bestaat uit het bruto-inkomen verminderd met betaalde inkomensoverdrachten, premies inkomensverzekeringen, premies ziektekostenverzekeringen en belastingen op inkomen en vermogen.
Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.
Jongeren kunnen meerdere vormen van jeugdzorg tegelijkertijd ontvangen.
Statushouders worden hier dubbel geteld, omdat zij zowel tot de personen met een niet-Nederlandse herkomst als tot de statushouders behoren. Het gaat in deze figuur om het aandeel verdachte personen, niet om het aantal misdrijven. Personen kunnen van meerdere misdrijven worden verdacht. Deze cijfers zijn niet gecorrigeerd voor mogelijk verklarende variabelen zoals leeftijd, opleidingsniveau of sociaaleconomische positie.