Foto omschrijving: Bruidspaar tussen de hyacinten.

Bevolking

Op 1 januari 2020 had bijna een kwart van de Nederlandse bevolking een migratieachtergrond. De afgelopen vijf jaar groeide de bevolking vooral door immigratie: meer dan driekwart van de bevolkingsgroei is het gevolg van internationale migratie waarbij er meer mensen naar Nederland kwamen dan dat er uit Nederland vertrokken. Dit hoofdstuk beschrijft onder andere bevolkingsgroei, leeftijdsopbouw en de motieven waarom immigranten naar Nederland komen. Ook de huishoudenssamenstelling, partnerkeuze, het gemiddelde kindertal en de spreiding over Nederland van verschillende herkomstgroepen komen aan bod.

Bevolkingsgroei door immigratie

De afgelopen vijf jaar groeide de Nederlandse bevolking vooral door immigratie. Tussen 1 januari 2015 en 1 januari 2020 nam het aantal inwoners van Nederland toe met 507 duizend. Van deze groei was 80 procent het gevolg van internationale migratie: het aantal immigranten lag in de afgelopen vijf jaar met 1,2 miljoen beduidend hoger dan het aantal emigranten (770 duizend). De overige bevolkingsgroei kwam voort uit natuurlijke aanwas: geboorten minus sterfte.

1.1 Bevolkingsontwikkeling (x 1 000)
Jaar Natuurlijke aanwas Migratiesaldo
1995 54,8 13,9
1996 52,0 16,8
1997 56,7 27,9
1998 61,9 43,1
1999 60,0 40,4
2000 66,1 53,9
2001 62,2 50,8
2002 59,7 24,3
2003 58,4 -0,3
2004 57,5 -16,2
2005 51,5 -27,4
2006 49,7 -31,3
2007 48,3 -5,8
2008 49,5 25,7
2009 50,7 34,5
2010 48,3 33,1
2011 44,3 29,8
2012 35,1 13,9
2013 30,1 19,1
2014 36,0 35,1
2015 23,4 55,1
2016 23,5 79,2
2017 19,6 80,7
2018 15,2 86,4
2019* 17,8 108,0

Van de in dit hoofdstuk besproken groepen maakten de zes vluchtelingengroepen de afgelopen vijf jaar de grootste groei door. Het aantal mensen uit Afghanistan, Eritrea, Irak, Iran, Somalië en Syrië nam tussen 1 januari 2015 en 1 januari 2020 met 117 duizend toe. Tussen de landen zijn er grote verschillen zichtbaar: het aantal Syriërs steeg met 86 duizend terwijl het aantal Somaliërs met iets meer dan duizend toenam. De piek in deze asielmigratie lag in 2016—met name door de aanhoudende burgeroorlog in Syrië—toen bijna 28 duizend Syriërs zich in Nederland vestigden.

Inmiddels is er ook sprake van gezinshereniging onder asielmigranten. In 2017 en 2018 kwam 25 procent van de Iraakse, 23 procent van de Afghaanse en 15 procent van de Eritrese en Syrische immigranten vanwege gezinshereniging naar Nederland. Verderop in dit hoofdstuk wordt uitgebreider ingegaan op de redenen waarom immigranten naar Nederland komen.

1.2 Migratiesaldo naar geboorteland, vluchtelingengroepen
Jaar Afghanistan Eritrea Irak Iran Somalië Syrië
1995 1445 8 2842 2310 2461 236
1996 2740 23 4428 2375 2837 213
1997 3608 53 5873 1224 873 222
1998 3827 42 6999 797 540 231
1999 5302 37 2626 805 382 549
2000 4396 76 3812 1415 352 849
2001 4206 83 2209 1782 -719 1007
2002 2435 70 -179 856 -1586 497
2003 1184 42 138 39 -2225 170
2004 210 52 -22 -105 -2307 49
2005 -376 32 -604 -222 -1431 -38
2006 -608 44 -507 -37 -766 -27
2007 -407 97 946 440 517 80
2008 -200 91 3135 526 1778 153
2009 389 189 2282 692 4476 84
2010 816 220 116 798 3435 186
2011 805 248 -156 1119 1504 164
2012 300 173 -126 803 6 422
2013 314 406 -3 827 1936 1839
2014 35 2042 313 486 820 8461
2015 39 3266 309 557 -426 20623
2016 1740 3125 2339 1934 -669 27506
2017 390 2965 913 1124 -398 16083
2018 566 2571 960 1445 -376 5010
2019* 437 2382 763 2941 -195 5262

Na de toetreding tot de Europese Unie in 2004 (Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovenië, Slowakije, Tsjechië), 2007 (Bulgarije en Roemenië) en 2013 (Kroatië) is de immigratie uit deze landen sterk toegenomen. Met name de immigratie uit Polen is sinds dit land toetrad tot de EU sterk gestegen; het migratiesaldo schommelt sinds 2010 tussen de 8,5 en 12 duizend Polen per jaar.

Ook de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de EU zorgde voor een (tijdelijke) toename van de immigratie uit die landen, zij het niet zo sterk als bij Polen. Pas na de afschaffing van de tewerkstellingsvergunning voor Bulgaren en Roemenen in 2014 is er sprake van een meer constante toename van immigranten uit Bulgarije en Roemenië, resulterend in een positief migratiesaldo van 5 duizend voor elk van beide landen. Immigranten uit de nieuwe EU-landen zijn voor een groot deel gedreven door de arbeidsmarkt, maar gezinsmigratie speelt inmiddels ook een belangrijke rol.noot1

1.3 Migratiesaldo naar geboorteland, nieuwe EU
Jaar Polen Bulgarije Roemenië Overig nieuwe EU
1995 810 48 148 256
1996 890 84 133 517
1997 824 168 286 548
1998 957 156 351 768
1999 506 167 281 339
2000 1143 212 489 851
2001 1427 261 556 924
2002 1501 357 429 458
2003 1214 345 480 362
2004 3930 274 339 552
2005 5073 234 216 579
2006 5330 216 394 101
2007 6791 4056 1767 1340
2008 9023 3640 1401 2289
2009 6974 1994 927 2324
2010 8702 1676 1254 3555
2011 11782 2492 925 3032
2012 8467 698 573 2492
2013 9870 131 702 1796
2014 12107 1868 2010 2224
2015 9646 1830 1667 2127
2016 9016 1844 2196 2273
2017 9348 2762 3517 3303
2018 9938 3534 4358 4018
2019* 10477 4983 4965 4820

Na een kleine dip in de migratie in 2013–2015 (waarbij het migratiesaldo voor Turken en Surinamers zelfs licht negatief was: er vertrokken dat jaar meer Turken en Surinamers dan er naar Nederland kwamen) is het migratiesaldo van elk van de vier grootste niet-westerse herkomstgroepen sinds 2016 geleidelijk gestegen. Met name het migratiesaldo van Turken nam in deze periode sterk toe—wellicht veroorzaakt door de politiek instabiele situatie in dat land de laatste jaren—en ligt met 5 duizend weer op het niveau van 2001–2002. Bij immigranten uit Turkije, Marokko, Suriname en de voormalige Nederlandse Antillen is gezinsmigratie met afstand de belangrijkste reden voor hun komst naar Nederland.

1.4 Migratiesaldo naar geboorteland, vier grootste niet-westerse herkomstgroepen
Jaar Turkije Marokko Suriname (voormalige) Nederlandse Antillen, Aruba
1995 1,704 976 573 -612
1996 2020 2038 1252 557
1997 3654 3183 1327 1846
1998 3250 4069 2819 5205
1999 2957 3238 1575 6167
2000 4235 3377 2328 7724
2001 4707 4132 2423 5401
2002 4580 3796 1745 2220
2003 4555 3327 1628 -320
2004 1749 2050 1099 -1747
2005 521 375 -51 -2216
2006 -146 -307 -652 -1272
2007 -24 -525 79 22
2008 1320 52 607 931
2009 1577 892 929 1458
2010 1361 830 507 1444
2011 744 1129 424 1057
2012 -141 465 -253 167
2013 -638 814 -332 -11
2014 -1601 768 -458 491
2015 -773 561 -180 646
2016 713 958 452 1009
2017 2224 1267 1057 2026
2018 3258 2183 1594 2461
2019* 4914 2455 1946 3285

Migratiedoelen en migratiemotieven

De redenen waarom immigranten naar Nederland komen, worden niet geregistreerd in de Basisregistratie Personen (BRP). Om toch uitspraken te kunnen doen over de migratiemotieven van immigranten maakt het CBS gebruik van andere bronnen. Voor immigranten met een niet-EU/EFTA-nationaliteit gebruikt het CBS informatie van het migratiemotief zoals dat wordt vastgelegd door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Immigranten met een nationaliteit van één van de EU/EFTA-landen hoeven zich niet te melden bij de IND als ze naar Nederland komen; voor hen is vanuit de IND dan ook geen motief voor hun komst naar Nederland bekend. Voor deze immigranten wordt een zogenoemd afgeleid migratiedoel bepaald op basis van de activiteiten die een immigrant ná immigratie in Nederland ontplooit.

Ten opzichte van de vorige editie van dit Jaarrapport is de methode om cijfers over migratiedoelen en migratiemotieven samen te stellen gewijzigd. Zowel de verwerking van de aangeleverde IND-migratiemotieven (voor immigranten met een niet-EU/EFTA-nationaliteit) als de afleiding van de migratiedoelen voor immigranten met een nationaliteit van één van de EU/EFTA-landen is veranderd. De cijfers zijn gerubriceerd naar nationaliteit van de immigrant op het moment van immigratie en niet naar migratieachtergrond zoals elders in dit hoofdstuk. De reden hiervoor is dat de nationaliteit van een persoon bepalend is voor het (al dan niet onder bepaalde voorwaarden) toegelaten worden tot Nederland.

Door deze veranderde methode zijn de cijfers over migratiedoelen en migratiemotieven in dit hoofdstuk niet vergelijkbaar met cijfers die in eerdere publicaties over dit onderwerp zijn verschenen.

Arbeid en studie steeds belangrijkere migratiemotieven voor Turken, Marokkanen en Surinamers

Hoewel gezinsmigratie de belangrijkste reden blijft voor Turken, Marokkanen en Surinamers om naar Nederland te komen (voor Antillianen is geen migratiemotief bekend, zij hebben de Nederlandse nationaliteit) worden arbeid en studie steeds belangrijkere motieven voor deze groepen. In de periode 1995 tot en met 2010 was gezinsmigratie goed voor bijna 85 procent van de totale immigratie uit deze landen. Sindsdien is dit aandeel geleidelijk gedaald tot 60 procent. Arbeid (met name kennismigratie) en studie zijn inmiddels voor 3 op de 10 immigranten uit deze groepen de voornaamste reden om naar Nederland te migreren; twintig jaar geleden gold dat voor zo’n 1 op de 10.

Immigratie uit de vluchtelingenlanden bestaat logischerwijs voor het grootste deel uit asielmigratie, maar ook hier vindt een verschuiving richting andere motieven plaats. In de periode 1995–2018 zijn twee golven van asielmigratie te onderscheiden met hun eigen migratiegeschiedenis. Midden jaren negentig kwamen er veel asielmigranten naar Nederland uit onder andere Afghanistan, Irak, Iran en Somalië, maar ook uit niet in dit Jaarrapport genoemde landen als Bosnië-Herzegovina. Meer dan 80 procent van de immigratie bestond uit asielmigratie. In de jaren daarna daalde het aantal asielmigranten sterk en kwam de gezinshereniging en gezinsvorming onder deze asielmigranten op gang. In de jaren 2005–2009 was gezinsmigratie voor deze groep zelfs een belangrijker motief geworden om naar Nederland te komen dan asielmigratie.

Een tweede stroom asielmigranten kwam rond 2014 op gang met vluchtelingen uit Syrië (de oorlog was inmiddels een paar jaar gaande) en Eritrea vanwege onlusten en slechte economische omstandigheden aldaar. Ook bij deze groepen asielmigranten komt de gezinsmigratie langzaam op gang.

1.5Immigratie, naar migratiemotief en nationaliteit

Totaal Asiel Gezins­hereniging Gezins­vorming Kennis­migratie Overige arbeids­migratie Studie Overig
x 1 000 %
Turks, Marokkaans, Surinaams
1995−1999 62,9 5,5 38,8 46,5 0,0 2,6 3,0 3,6
2000−2004 59,4 2,5 72,9 11,6 0,0 4,5 4,2 4,4
2005−2009 29,2 1,4 35,5 33,5 3,5 4,8 10,0 11,3
2010−2014 27,9 1,3 24,1 40,4 4,2 7,5 11,4 11,1
2015−2018 25,1 4,3 24,5 35,8 9,5 4,5 15,9 5,6
 
Afghaans, Iraaks, Iraans, Somalisch, Eritrees, Syrisch
1995−1999 26,9 82,1 10,9 3,3 0,0 0,3 0,6 2,8
2000−2004 13,5 55,9 33,3 2,7 0,0 1,3 3,0 3,7
2005−2009 8,7 26,7 33,0 19,9 3,8 3,2 8,6 4,8
2010−2014 23,8 71,3 10,5 7,7 1,4 2,6 4,3 2,2
2015−2018 101,3 88,4 7,3 1,7 0,4 1,0 0,9 0,3

Bron:CBS

Steeds meer kennismigranten uit Turkije

De afzonderlijke landen van de hier beschreven groepen laten soms grote verschillen in het migratiemotief zien. Zo speelt kennismigratie bij Marokkanen en Surinamers nog nauwelijks een rol van betekenis maar was het voor 1 op de 5 Turken in 2018 het belangrijkste motief om naar Nederland te komen. Ook Turkse studenten weten meer en meer hun weg naar Nederland te vinden, iets wat overigens ook voor Surinaamse studenten geldt. De overgrote meerderheid van de Marokkaanse migranten komt (nog steeds) in het kader van gezinsmigratie naar Nederland.

Voor een aantal vluchtelingenlanden hebben andere motieven dan asiel in 2018 de overhand genomen. Zo bestond meer dan de helft van de Afghaanse immigratie in 2018 uit gezinsmigratie en ook onder Irakezen speelt gezinsmigratie (met name gezinshereniging) een factor van betekenis.

Onder Iraniërs is werk een belangrijke drijfveer om naar Nederland te komen: 3 op 10 komen inmiddels voor werk naar ons land. Onder de andere vluchtelingenlanden speelt arbeidsmigratie niet of nauwelijks enige rol van betekenis.

1.6 Immigratie, naar migratiemotief en nationaliteit, 2018 (%)
Nationaliteit Asiel Gezinshereniging Gezinsvorming Kennismigratie Arbeidsmigratie overig Studie Overig
Turks 10,1 25,0 20,9 17,2 5,4 18,0 3,3
Marokkaans 0,7 21,5 49,3 1,1 0,9 4,1 22,4
Surinaams 0,3 21,5 40,2 1,6 2,1 17,5 16,9
. . . . . . .
Afghaans 41,4 30,3 23,8 0,0 0,0 2,7 1,8
Eritrees 78,2 21,5 0,1 0,1 0,0 0,0 0,1
Iraaks 41,5 31,8 13,2 0,5 0,4 1,2 11,3
Iraans 30,8 17,8 7,9 7,7 20,9 13,2 1,8
Somalisch 70,6 21,9 3,9 0,0 0,0 1,6 1,9
Syrisch 84,7 13,2 1,2 0,1 0,1 0,5 0,1

Voor immigranten met een nieuwe EU-nationaliteit is arbeid een steeds belangrijker motief geworden om naar Nederland te komen. Nauwkeuriger geformuleerd: uit het gedrag van deze immigranten ná binnenkomst in Nederland blijkt dat hun voornaamste reden om naar Nederland te komen steeds vaker het verrichten van arbeid is. Tegelijkertijd neemt het belang van gezinsmigratie af. Sinds 2004 heeft een duidelijke verschuiving plaatsgevonden in de motieven van EU-onderdanen om naar Nederland te komen, van voornamelijk gezinsmigratie in de periode 2004–2008 tot steeds meer arbeidsmigratie. Deze verschuiving heeft (uiteraard) voor een groot deel te maken met de toetreding tot de EU in mei 2004 (vrij verkeer van personen en diensten waardoor iedere EU-burger overal mag werken) en de afschaffing van de verplichte tewerkstellingsvergunning voor Polen in mei 2007 en voor Bulgaren en Roemenen in januari 2014.

1.7Immigratie naar afgeleid migratiedoel, nationaliteit nieuwe EU

Totaal Arbeid Gezin Studie Overig/onbekend
x 1 000 %
Nieuwe EU
2004–2008 69,8 27,2 35,5 8,7 28,6
2009–2013 156,0 30,7 32,3 11,1 25,8
2014–2018 224,2 42,6 26,6 8,9 21,9

Bron:CBS

Van de nieuwe EU-landen is het aandeel arbeidsmigranten onder Roemenen het grootst: bijna de helft kwam in 2018 naar Nederland om te werken. Bulgaren komen juist minder dan gemiddeld voor arbeid naar Nederland, studie is voor hen een steeds belangrijker motief geworden.

1.8 Immigratie, naar afgeleid migratiedoel en nationaliteit, 2018 (%)
Nationaliteit Arbeid Gezin Studie Overig/onbekend
Pools 42,8 25,5 6,9 24,8
Bulgaars 28,5 18,9 20,0 32,6
Roemeens 49,0 17,3 11,2 22,5
Overig nieuwe EU 37,8 21,1 13,8 27,4

Meer mensen met een migratieachtergrond

Met de instroom van migranten (eerste generatie) en de kinderen die zij in Nederland krijgen (tweede generatie), verandert langzaam de samenstelling van de Nederlandse bevolking wat betreft (migratie)achtergrond. Tussen 1 januari 2015 en 1 januari 2020 nam het aantal inwoners met een Nederlandse achtergrond met bijna 50 duizend af en kwamen er ruim 550 duizend inwoners met een migratieachtergrond bij. Het aantal mensen met een Syrische achtergrond steeg in deze periode tot iets boven de 100 duizend. Daarmee vormen de Syriërs qua aantal na de Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaans/Arubaanse gemeenschap de grootste niet-westerse herkomstgroep in Nederland.

Op 1 januari 2020 had 24 procent van de Nederlandse bevolking een migratieachtergrond, 2 procentpunten meer dan vijf jaar eerder. De groei van het aantal mensen met een migratieachtergrond zit voor het grootste deel bij niet-westerse herkomstgroepen: asielmigratie is daar voor een belangrijk deel de oorzaak van, maar ook arbeids- en gezinsmigratie uit overige niet-westerse landen als India en China spelen een rol. De groei in het aantal mensen met een westerse migratieachtergrond komt voor meer dan de helft voor rekening van de nieuwe EU-landen, met name Polen.

De helft van de mensen met een westerse migratieachtergrond en 44 procent van degenen met een niet-westerse migratieachtergrond is in Nederland geboren en behoort daarmee tot de tweede generatie. Vooral onder niet-westerse herkomstgroepen neemt de tweede generatie in aantal toe, bij westerse groepen zit de groei vooral in de eerste generatie (immigratie).

De tweede generatie is vooral ruim vertegenwoordigd bij de vier grootste niet-westerse groepen in Nederland, waarvan de immigratiepiek in de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw lag. Van deze vier groepen (met uitzondering van personen met een Antilliaanse achtergrond) is iets meer dan de helft in Nederland geboren. Onder groepen die meer recent naar Nederland zijn gekomen (Syriërs en Eritreeërs, maar ook Bulgaren en Roemenen) is het aandeel van de tweede generatie nog beperkt tot ongeveer 15 procent.

1.9Bevolking en bevolkingsgroei, naar achtergrond, 1 januari 2020

Aantal personen Aandeel in bevolking Toename sinds 1 januari 2015 Aandeel tweede generatie
x 1 000 % x 1 000 %
Totaal 17 408 100 507
 
Nederlands 13 187 75,8 - 49
Westers 1 829 10,5 202
waarvan 49
nieuwe EU 346 2,0 114
waarvan 22
Pools 198 1,1 60
Bulgaars 40 0,2 17 22
Roemeens 39 0,2 18 14
overig nieuwe EU 69 0,4 19 17
overig westers 1 483 8,5 88 28
56
Niet-westers 2 392 13,7 354
waarvan 44
Turks 417 2,4 20
Marokkaans 409 2,3 28 53
Surinaams 356 2,0 8 58
Antilliaans 166 1,0 17 50
Afghaans 50 0,3 7 46
Irakees 65 0,4 9 29
Iraans 48 0,3 10 30
Somalisch 40 0,2 1 24
Eritrees 21 0,1 16 38
Syrisch 105 0,6 83 13
overig niet-westers 714 4,1 153 13

Bron:CBS

De leeftijdsopbouw van groepen met een migratieachtergrond verschilt sterk van die van mensen met een Nederlandse achtergrond. Bij mensen met een Nederlandse achtergrond zijn vijftigers en zestigers momenteel het sterkst vertegenwoordigd. Bij de vier grootste niet-westerse herkomstgroepen (Turks, Marokkaans, Surinaams en Antilliaans) ligt het zwaartepunt van de leeftijdsopbouw duidelijk lager.

Van de vier grootste niet-westerse herkomstgroepen lijkt de leeftijdsopbouw van mensen met een Surinaamse achtergrond het meest op die van mensen met een Nederlandse achtergrond: in beide groepen zitten veel veertigers en vijftigers. Onder Surinamers zijn in verhouding ook veel zestigers: migranten die na de onafhankelijkheid in 1975 en in de overgangssituatie tot 1980 naar Nederland kwamen.

De migratiegeschiedenis van Turken en Marokkanen weerspiegelt zich voor een deel in de leeftijdsopbouw. Onder deze groepen bevinden zich veel eerste generatie migranten in de leeftijd van 45-60 jaar die als gezinshereniger of gezinsvormer in de jaren tachtig en negentig naar Nederland kwamen. De Marokkaanse gemeenschap, met name de tweede generatie, is wat jonger dan de Turkse gemeenschap in Nederland. Meer dan onder de andere drie grote niet-westerse herkomstgroepen zijn er veel tieners met een Marokkaanse achtergrond, vrijwel allemaal van de tweede generatie.

Herkomstgroepen die meer recent naar Nederland zijn gekomen, bestaan logischerwijs voornamelijk uit migranten van de eerste generatie. Dit geldt niet alleen voor vluchtelingen (meer dan 85 procent van de Syriërs en Eritreeërs behoort tot de eerste generatie), maar ook voor mensen uit Oost-Europese landen die sinds 2004 zijn toegetreden tot de Europese Unie. Van deze laatste groep migranten is een meerderheid tussen de 25 en 50 jaar: de leeftijdsklasse met de grootste arbeidsdeelname.

1.10a Leeftijdsopbouw Nederlandse achtergrond, 1 januari 2020 (x 1 000)
Leeftijd Mannen Vrouwen
95+ 5,3 18,9
90-94 28,2 64,9
85-89 84,3 142,9
80-84 161,8 213,7
75-79 255,9 289,4
70-74 397,1 415,0
65-69 419,5 420,4
60-64 466,3 462,9
55-59 508,1 501,4
50-54 506,6 496,9
45-49 447,9 440,2
40-44 364,3 355,2
35-39 354,3 344,3
30-34 372,1 361,0
25-29 393,5 376,2
20-24 390,3 372,3
15-19 396,1 379,0
10-14 357,9 340,8
5-9 338,1 322,0
0-4 318,9 303,0
1.10b Leeftijdsopbouw nieuwe EU-achtergrond, 1 januari 2020 (x 1 000)
Leeftijd Mannen, 1e generatie Mannen, 2e generatie Vrouwen, 1e generatie Vrouwen, 2e generatie
95 0,0 0,0 0,0 0,0
90-94 0,1 0,0 0,1 0,0
85-89 0,1 0,1 0,2 0,1
80-84 0,3 0,2 0,4 0,3
75-79 0,4 0,4 0,7 0,4
70-74 0,6 1,0 1,5 1,1
65-69 1,0 1,1 2,4 1,2
60-64 2,3 1,0 3,6 1,0
55-59 3,8 0,9 5,3 0,9
50-54 6,3 0,8 8,0 0,8
45-49 10,0 0,7 11,9 0,6
40-44 14,8 0,6 16,3 0,6
35-39 19,9 0,6 20,0 0,7
30-34 22,6 0,8 23,5 0,7
25-29 19,6 1,3 21,1 1,2
20-24 12,7 1,8 14,1 1,6
15-19 5,4 2,5 5,7 2,4
10-14 4,2 4,2 4,1 4,1
5-9 2,8 8,0 2,6 7,5
0-4 1,3 12,4 1,2 11,7
1.10c Leeftijdsopbouw Turkse achtergrond, 1 januari 2020 (x 1 000)
Leeftijd Mannen, 1e generatie Mannen, 2e generatie Vrouwen, 1e generatie Vrouwen, 2e generatie
95 0,0 0,0 0,0 0,0
90-94 0,0 0,0 0,1 0,0
85-89 0,4 0,0 0,5 0,0
80-84 1,6 0,0 1,3 0,0
75-79 2,9 0,0 2,8 0,0
70-74 3,0 0,0 3,9 0,0
65-69 3,2 0,0 4,5 0,0
60-64 6,3 0,0 5,5 0,0
55-59 12,8 0,0 10,8 0,0
50-54 16,0 0,4 13,7 0,4
45-49 16,1 2,4 16,5 2,1
40-44 12,2 5,9 11,9 5,3
35-39 9,4 9,7 9,4 8,8
30-34 7,4 12,0 6,6 10,5
25-29 3,8 16,3 3,6 14,7
20-24 2,1 16,6 2,2 15,4
15-19 1,0 15,6 0,9 14,8
10-14 0,6 13,5 0,6 12,8
5-9 0,9 11,6 0,9 11,2
0-4 0,9 10,0 0,9 9,4
1.10d Leeftijdsopbouw Marokkaanse achtergrond, 1 januari 2020 (x 1 000)
Leeftijd Mannen, 1e generatie Mannen, 2e generatie Vrouwen, 1e generatie Vrouwen, 2e generatie
95 0,0 0,0 0,0 0,0
90-94 0,1 0,0 0,1 0,0
85-89 0,6 0,0 0,4 0,0
80-84 2,2 0,0 1,5 0,0
75-79 4,1 0,0 2,4 0,0
70-74 4,0 0,0 2,7 0,0
65-69 3,7 0,0 4,8 0,0
60-64 5,5 0,0 5,9 0,0
55-59 10,5 0,0 7,8 0,0
50-54 13,2 0,2 10,4 0,2
45-49 14,3 1,1 13,2 1,1
40-44 11,4 3,8 13,0 3,7
35-39 7,6 7,5 10,1 7,5
30-34 4,9 10,5 5,9 10,1
25-29 2,2 13,7 3,1 13,2
20-24 1,2 15,2 1,6 14,8
15-19 0,7 19,0 0,6 18,2
10-14 0,5 19,0 0,4 18,6
5-9 0,4 16,8 0,4 16,2
0-4 0,3 13,4 0,3 13,0
1.10e Leeftijdsopbouw Surinaamse achtergrond, 1 januari 2020 (x 1 000)
Leeftijd Mannen, 1e generatie Mannen, 2e generatie Vrouwen, 1e generatie Vrouwen, 2e generatie
95 0,0 0,0 0,1 0,0
90-94 0,1 0,0 0,4 0,0
85-89 0,5 0,0 1,0 0,1
80-84 1,4 0,1 2,1 0,1
75-79 2,6 0,1 3,4 0,1
70-74 4,5 0,2 5,7 0,2
65-69 7,5 0,3 9,1 0,3
60-64 9,9 0,5 12,7 0,5
55-59 11,3 1,0 14,9 0,9
50-54 11,5 1,9 14,1 2,0
45-49 10,3 3,0 12,6 3,1
40-44 6,1 5,8 7,6 5,8
35-39 4,0 9,7 5,1 9,8
30-34 3,4 11,3 4,0 11,2
25-29 2,1 11,8 2,4 11,5
20-24 1,5 11,6 1,7 11,2
15-19 0,7 11,6 0,8 10,8
10-14 0,4 9,2 0,4 8,6
5-9 0,3 7,2 0,3 7,2
0-4 0,2 5,2 0,2 5,4
1.10f Leeftijdsopbouw Antilliaanse achtergrond, 1 januari 2020 (x 1 000)
Leeftijd Mannen, 1e generatie Mannen, 2e generatie Vrouwen, 1e generatie Vrouwen, 2e generatie
95 0,0 0,0 0,0 0,0
90-94 0,0 0,0 0,1 0,0
85-89 0,1 0,0 0,2 0,0
80-84 0,3 0,0 0,5 0,0
75-79 0,8 0,0 1,1 0,0
70-74 1,5 0,0 1,9 0,0
65-69 2,3 0,1 2,7 0,1
60-64 3,1 0,2 3,6 0,2
55-59 3,8 0,4 4,0 0,4
50-54 3,5 1,0 3,6 1,0
45-49 3,8 1,4 3,7 1,4
40-44 3,8 1,6 3,6 1,6
35-39 4,4 2,4 3,9 2,4
30-34 4,5 3,1 4,1 3,0
25-29 4,7 4,2 4,5 4,1
20-24 4,2 4,2 4,2 4,1
15-19 1,4 5,0 1,4 4,9
10-14 0,9 5,0 0,9 4,9
5-9 0,7 5,3 0,7 5,0
0-4 0,4 5,3 0,3 5,0
1.10g Leeftijdsopbouw vluchtelingengroepen, 1 januari 2020 (x 1 000)
Leeftijd Mannen, 1e generatie Mannen, 2e generatie Vrouwen, 1e generatie Vrouwen, 2e generatie
95 0,0 0,0 0,0 0,0
90-94 0,0 0,0 0,1 0,0
85-89 0,2 0,0 0,2 0,0
80-84 0,5 0,0 0,5 0,0
75-79 0,9 0,0 0,9 0,0
70-74 1,6 0,0 1,3 0,0
65-69 3,1 0,0 2,3 0,0
60-64 5,2 0,0 3,9 0,0
55-59 7,8 0,0 5,9 0,0
50-54 10,1 0,0 7,4 0,1
45-49 10,2 0,1 8,3 0,1
40-44 10,2 0,1 9,0 0,1
35-39 14,3 0,2 12,7 0,1
30-34 16,2 0,3 13,5 0,3
25-29 15,6 1,2 12,4 1,0
20-24 13,3 3,4 9,9 3,3
15-19 10,9 5,5 8,4 5,1
10-14 9,7 6,2 8,8 5,8
5-9 7,5 8,1 7,0 8,0
0-4 1,3 14,3 1,3 13,6

Nederlanders met ouders van de tweede generatie

Het CBS stelt – mede naar aanleiding van vragen vanuit de samenleving – vast hoe groot de groep is van wie beide ouders in Nederland geboren zijn, maar van wie minstens één van beide ouders een tweede generatie migratieachtergrond heeft.

Omdat bij oudere mensen de migratieachtergrond van de ouders vaak niet bekend is, is alleen gekeken naar mensen jonger dan 50 jaar. Op 1 januari 2020 is van ruim 217 duizend personen jonger dan 50 jaar niet vast te stellen of ze ouder(s) hebben van de tweede generatie. Dit is minder vaak dan bij de 50‑plussers en komt, zeker bij de jongeren, vrijwel altijd omdat de vader niet bekend is in het bevolkingsregister.

Nog weinig kinderen van niet-westerse tweede generatie ouders

Van de kinderen die in 2019 in Nederland werden geboren, heeft ongeveer 6 procent ouders met een westerse en 8 procent ouders met een niet-westerse tweede generatie migratieachtergrond. Onder mensen met een Nederlandse achtergrond tot 50 jaar heeft maar een klein deel ouders met een tweede generatie migratieachtergrond. Als zij één of twee ouders met een tweede generatie migratieachtergrond hebben, dan is dat meestal met een westerse migratieachtergrond. Begin 2020 kon van ongeveer 172 duizend mensen jonger dan 50 jaar worden vastgesteld dat ze ouders hebben van de niet-westerse tweede generatie; dat is 2,3 procent van de totale bevolking met een Nederlandse achtergrond in die leeftijdscategorie.

1.11 Bevolking tot 50 jaar met Nederlandse achtergrond, naar leeftijd en achtergrond ouder(s)1), 1 januari 2020 (%)
Leeftijd Westers, tweede generatie Niet-westers, tweede generatie Nederlands Onbekend wel/niet tweede generatie
Totaal 9,6 2,3 85,1 3,0
0 tot 4 jaar 8,9 10,6 78,4 2,2
4 tot 12 jaar 9,6 6,5 82,1 1,9
12 tot 18 jaar 10,1 2,8 85,4 1,7
18 tot 25 jaar 10,3 1,3 87,0 1,4
25 tot 35 jaar 9,5 0,5 88,0 2,0
35 tot 50 jaar 9,4 0,2 85,0 5,5
1) De achtergrond van de moeder is bepalend, tenzij zij een Nederlandse of onbekende achtergrond heeft. Dan wordt uitgegaan van de achtergrond van de vader.

De groep mensen tot 50 jaar met ouders van de niet-westerse tweede generatie is nog zeer jong: 85 procent is minderjarig en 71 procent is jonger dan 12 jaar. Bij kinderen met ouders van de Turkse en Marokkaanse tweede generatie is ongeveer 95 procent minderjarig. Bij kinderen met ouders van de westerse tweede generatie is dit niet zo; hun leeftijdsopbouw komt overeen met die van de personen met een Nederlandse achtergrond die geen ouders hebben van de tweede generatie.

1.12 Bevolking tot 50 jaar met Nederlandse achtergrond, naar leeftijd en achtergrond ouder(s)1), 1 januari 2020 (%)
Achtergrond 0 tot 4 jaar 4 tot 12 jaar 12 tot 18 jaar 18 tot 50 jaar
Nederlands 2) (N=6 234 082) 6,2 14,0 12,0 67,7
. . . .
Westers (N=704 420) 6,3 14,5 12,6 66,6
. . . .
Niet-westers (N=171 647) 30,6 40,1 14,4 14,9
waarvan . . . .
Turks (N=29 928) 38,4 43,5 12,4 5,9
Marokkaans (N=26 039) 42,8 43,8 9,8 3,6
Surinaams (N=57 250) 24,0 39,1 17,0 19,9
Antilliaans (N=22 838) 23,9 37,3 17,9 21,0
Overig niet-westers (N=35 592) 30,0 38,1 12,9 18,9
Onbekend (N=217 320) 4,9 9,3 6,7 79,1
1) De achtergrond van de moeder is bepalend, tenzij zij een Nederlandse of onbekende achtergrond heeft. Dan wordt uitgegaan van de achtergrond van de vader.
2) Exclusief mensen met ouders van tweede generatie.

Turkse en Marokkaanse huishoudens vaak een paar, Oost-Europeanen en Eritreeërs vaak alleenstaand

De huishoudenssamenstelling verschilt sterk tussen herkomstgroepen. Bijna 6 op de 10 Turkse en Marokkaanse huishoudens vormen een paar met of zonder kinderen. Surinaamse en Antilliaanse huishoudens daarentegen bestaan voor minder dan 40 procent uit een paar. Onder deze twee groepen treffen we vaak de Caribische (matrifocale) gezinsstructuur aan waarin vrouwen een centrale positie innemen: 1 op de 5 huishoudens onder Surinamers en Antillianen betreft een eenoudergezin, waarin vrijwel altijd de moeder de zorg voor de kinderen op zich neemt.

Paren met een Turkse of Marokkaanse achtergrond bestaan veel vaker dan degenen met een Surinaamse of Antilliaanse achtergrond uit twee partners met een migratieachtergrond. Van de Turkse en Marokkaanse paren heeft iets meer dan 10 procent één van beide partners een Nederlandse achtergrond. Bij Surinaamse paren is dat bijna de helft en van de paren met een Antilliaanse achtergrond bijna twee derde.

Aan de andere kant bestaan Eritrese huishoudens voor 70 procent uit één persoon, veel meer dan de andere hier besproken vluchtelingengroepen; die vormen in 40 tot 50 procent van de gevallen een paar. In de afgelopen drie jaar is er wel sprake van een licht gewijzigde huishoudenssamenstelling onder Eritreeërs en Syriërs. Tussen 2016 en 2019 nam het aandeel Eritrese paren door onder andere gezinshereniging toe van 13 naar bijna 20 procent. Ook Syriërs vormen steeds vaker een paar, hun aandeel steeg in drie jaar tijd tot 55 procent. Daarmee vormen Syrische huishoudens inmiddels bijna net zo vaak een paar als Turkse en Marokkaanse huishoudens.

Huishoudens uit de nieuwe EU-landen laten over het algemeen een gevarieerd beeld zien. Aan de ene kant is het aandeel paren vergelijkbaar met dat van de meeste vluchtelingengroepen waarbij wel vaker sprake is van een gemengd paar waarin een van de partners een Nederlandse achtergrond heeft. Dit geldt het sterkst voor Roemenen: bijna 45 procent heeft een Nederlandse partner. Aan de andere kant treffen we onder de nieuwe EU-onderdanen relatief vaak eenpersoonshuishoudens aan en (veel) minder eenouderhuishoudens.

1.13 Huishoudenssamenstelling, naar achtergrond, 1 januari 2019 (%)
Achtergrond Paar, 2 partners migratieachtergrond Paar, 1 partner migratieachtergrond Eenpersoonshuishouden Eenouderhuishouden Overig huishouden
Vier grootste niet-
westerse herkomstgroepen
. . . . .
Turks 52,5 7,0 27,4 12,0 1,1
Marokkaans 47,5 6,9 30,3 13,1 2,3
Surinaams 21,6 18,9 40,5 18,1 0,9
Antilliaans 13,4 23,6 44,8 17,1 1,0
Nieuwe EU . . . . .
Pools 33,3 16,4 42,8 7,0 0,5
Bulgaars 30,1 8,3 53,8 7,3 0,5
Roemeens 23,5 18,2 53,7 4,2 0,5
Vluchtelingen . . . . .
Afghaans 46,5 4,0 36,1 10,6 2,9
Eritrees 18,6 0,8 69,4 11,0 0,3
Iraaks 39,5 5,8 41,0 11,5 2,2
Iraans 28,7 12,2 49,3 9,0 0,8
Somalisch 20,1 2,7 47,4 27,5 2,2
Syrisch 52,5 1,9 37,9 6,9 0,9

Turken en Marokkanen trouwen vaker binnen eigen groep dan Surinamers en Antillianen

Mensen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond trouwdennoot2 in 2018 veel vaker met een partner met dezelfde achtergrond dan mensen met een Surinaamse of Antilliaanse achtergrond. Dit geldt zowel voor de eerste als voor de tweede generatie. Van alle tweede generatie Turken en Marokkanen had 80 procent een partner met een Turkse, respectievelijk Marokkaanse achtergrond. Voor het overgrote deel betrof het een partner die al in Nederland woonde en was er geen sprake van een zogenoemd migratiehuwelijk. Een migratiehuwelijk is een huwelijk waarbij één van de partners zich in het jaar van huwelijkssluiting of erna in Nederland heeft gevestigd en de andere partner zich al voor die tijd in Nederland heeft gevestigd of in Nederland is geboren (met een tweede generatie migratieachtergrond). Het aandeel migratiehuwelijken is de afgelopen twintig jaar sterk gedaald. Vlak na de eeuwwisseling was meer dan de helft van de huwelijken van zowel eerste als tweede generatie Turken een migratiehuwelijk; in 2018 was dat voor de tweede generatie nog maar 11 procent. Zowel eerste als tweede generatie Surinamers (50 procent) en vooral Antillianen (bijna 75 procent) trouwen aanzienlijk vaker met een partner buiten de eigen groep dan Turken en Marokkanen (beiden ongeveer 20 procent).

1.14 Huwelijkspartnerkeuze, naar achtergrond en generatie, 2018 (%)
Achtergrond Generatie Partner met Nederlandse achtergrond Zelfde herkomst, migratiehuwelijk Zelfde herkomst, uit Nederland Overig
Turks Eerste, Turks 10,3 28,2 47,9 13,7
Turks Tweede, Turks 6,6 10,7 71,7 11,0
Marokkaans Eerste, Marokkaans 9,0 40,3 41,0 9,7
Marokkaans Tweede, Marokkaans 9,2 10,2 68,3 12,0
Surinaams Eerste, Surinaams 26,6 10,1 46,8 16,5
Surinaams Tweede, Surinaams 36,4 2,1 41,4 20,0
Antilliaans Eerste, Antilliaans 35,3 1,5 36,8 27,9
Antilliaans Tweede, Antilliaans 61,0 0,0 9,8 29,3

Tweede generatie Marokkaanse en Turkse vrouwen krijgen minder kinderen dan eerste generatie

Het gemiddeld aantal kinderen dat vrouwen met een Turkse of een Marokkaanse achtergrond krijgen is sinds 1980 sterk gedaald. Marokkaanse vrouwen kregen in de eerste helft van de jaren tachtig gemiddeld 7 kinderen, Turkse vrouwen bijna 5. Inmiddels is het gemiddeld kindertal van deze groepen gedaald naar 2,7 voor Marokkaanse en 2,1 voor Turkse vrouwen (eerste generatie). Het gemiddeld kindertal van Surinaamse, Antilliaanse maar ook van Nederlandse vrouwen is in deze periode veel stabieler gebleven en schommelt sinds 1980 tussen de 1,5 en 2 kinderen. Daarmee ligt het gemiddeld kindertal van deze drie groepen onder het vervangingsniveau van 2,1 kind per vrouw, het kindertal dat nodig is voor een stabiele bevolking (als er geen sprake zou zijn van internationale migratie).

Ondanks de sterke daling van het gemiddeld kindertal onder Marokkaanse vrouwen krijgen zij van de vier grootste niet-westerse herkomstgroepen nog steeds de meeste kinderen. Het gemiddelde kindertal van eerste generatie Marokkaanse vrouwen lag in 2018 zoals gezegd op 2,7. Marokkaanse vrouwen van de tweede generatie kregen gemiddeld 2,1 kind. Het gemiddeld kindertal voor Turkse vrouwen van de tweede generatie ligt met 1,8 slechts een fractie hoger dan dat van vrouwen met een Nederlandse achtergrond. Het gemiddeld aantal kinderen dat vrouwen met een Surinaamse of Antilliaanse achtergrond krijgen verschilt eveneens weinig van die van vrouwen met een Nederlandse achtergrond.

Vrouwen van de tweede generatie krijgen over het algemeen minder kinderen dan vrouwen van de eerste generatie. Alleen Antilliaanse vrouwen van de tweede generatie krijgen gemiddeld meer kinderen dan hun moeders. Een mogelijke oorzaak zou kunnen zijn dat zich onder deze groep in verhouding, meer dan onder de andere drie grote niet-westerse herkomstgroepen, veel tienermoeders bevinden (CBS, 2017). De afgelopen jaren is het gemiddeld kindertal per vrouw bij geen van deze groepen sterk veranderd.

1.15 Gemiddeld kindertal per vrouw, naar achtergrond en generatie, 2018 (kinderen)
Migratieachtergrond moeder Nederlands Eerste generatie Tweede generatie
Nederlands 1,6 . .
Turks . 2,1 1,7
Marokkaans . 2,7 2
Surinaams . 1,6 1,5
Antilliaans . 1,6 1,7

Mensen met migratieachtergrond oververtegenwoordigd in grote steden

Gemiddeld had 24 procent van de bevolking van Nederland op 1 januari 2020 een migratieachtergrond (westers of niet-westers), maar in grote steden was dat aandeel hoger. In Amsterdam, Rotterdam en Den Haag heeft iets meer dan de helft van de inwoners een migratieachtergrond, in Utrecht een derde. Ook in de grensgemeente Vaals heeft meer dan de helft van de bevolking geen Nederlandse achtergrond. In Almere, Amstelveen, Delft, Diemen, Eindhoven, Rijswijk, Schiedam en Capelle aan den IJssel ligt het aandeel inwoners met een migratieachtergrond hoger dan in Utrecht. Rotterdam heeft het grootste aandeel inwoners met een niet-westerse achtergrond (39 procent), gevolgd door Amsterdam en Den Haag (36 procent). In die laatste twee steden wonen relatief veel personen met een westerse migratieachtergrond.

Van alle mensen met een Surinaamse of Marokkaanse achtergrond woont iets minder dan de helft in één van de vier grote steden. Bij degenen met een Turkse of Antilliaanse achtergrond is dat iets meer dan een derde. Ter vergelijking: van mensen met een Nederlandse achtergrond woont 9 procent in één van de vier grote steden.

1.16 Aandeel inwoners met Turkse, Marokkaanse, Surinaamse of Antilliaanse achtergrond, 1 januari 2020
Gemeentenaam Aandeel
Aa en Hunze 0,5
Aalsmeer 3,8
Aalten 1,5
Achtkarspelen 0,3
Alblasserdam 5,1
Albrandswaard 8,8
Alkmaar 6,7
Almelo 9,7
Almere 20,1
Alphen aan den Rijn 6,1
Alphen-Chaam 0,5
Altena 0,6
Ameland 0,3
Amersfoort 9,5
Amstelveen 7,2
Amsterdam 22,7
Apeldoorn 4,6
Appingedam 4,2
Arnhem 11,5
Assen 2,4
Asten 1,0
Baarle-Nassau 0,8
Baarn 3,9
Barendrecht 11,4
Barneveld 2,2
Beek 1,9
Beekdaelen 1,0
Beemster 1,8
Beesel 3,5
Berg en Dal 1,3
Bergeijk 0,4
Bergen (L.) 0,6
Bergen (NH.) 0,8
Bergen op Zoom 10,9
Berkelland 1,0
Bernheze 1,0
Best 3,5
Beuningen 2,0
Beverwijk 8,1
Bladel 0,6
Blaricum 4,5
Bloemendaal 1,7
Bodegraven-Reeuwijk 3,8
Boekel 0,5
Borger-Odoorn 0,4
Borne 2,0
Borsele 0,7
Boxmeer 1,8
Boxtel 4,2
Breda 7,2
Brielle 2,2
Bronckhorst 0,5
Brummen 3,7
Brunssum 2,5
Bunnik 1,9
Bunschoten 2,4
Buren 0,9
Capelle aan den IJssel 14,0
Castricum 1,2
Coevorden 1,0
Cranendonck 1,4
Cuijk 6,3
Culemborg 10,4
Dalfsen 0,4
Dantumadiel 0,3
De Bilt 4,0
De Fryske Marren 0,8
De Ronde Venen 3,8
De Wolden 0,3
Delft 8,3
Delfzijl 6,4
Den Helder 4,5
Deurne 1,4
Deventer 8,3
Diemen 16,5
Dinkelland 0,5
Doesburg 7,7
Doetinchem 3,7
Dongen 4,3
Dordrecht 12,8
Drechterland 1,1
Drimmelen 0,8
Dronten 4,0
Druten 3,9
Duiven 2,3
Echt-Susteren 1,0
Edam-Volendam 1,8
Ede 4,9
Eemnes 2,2
Eersel 0,5
Eijsden-Margraten 0,6
Eindhoven 10,4
Elburg 0,5
Emmen 1,9
Enkhuizen 3,6
Enschede 8,8
Epe 3,3
Ermelo 1,8
Etten-Leur 5,4
Geertruidenberg 1,6
Geldrop-Mierlo 3,5
Gemert-Bakel 0,8
Gennep 1,9
Gilze en Rijen 5,2
Goeree-Overflakkee 0,8
Goes 3,0
Goirle 2,3
Gooise Meren 4,0
Gorinchem 11,4
Gouda 12,3
Grave 1,2
Groningen 4,5
Gulpen-Wittem 0,4
Haaksbergen 3,1
Haaren 0,8
Haarlem 9,5
Haarlemmermeer 8,2
Halderberge 4,9
Hardenberg 0,6
Harderwijk 7,8
Hardinxveld-Giessendam 1,1
Harlingen 1,7
Hattem 0,8
Heemskerk 5,1
Heemstede 2,3
Heerde 0,5
Heerenveen 2,8
Heerhugowaard 6,4
Heerlen 5,1
Heeze-Leende 0,8
Heiloo 1,3
Hellendoorn 0,6
Hellevoetsluis 5,9
Helmond 8,5
Hendrik-Ido-Ambacht 4,3
Hengelo 7,3
Het Hogeland 0,8
Heumen 1,4
Heusden 3,8
Hillegom 2,5
Hilvarenbeek 0,5
Hilversum 7,4
Hoeksche Waard 1,2
Hof van Twente 1,3
Hollands Kroon 0,9
Hoogeveen 1,4
Hoorn 8,3
Horst aan de Maas 0,6
Houten 3,8
Huizen 6,3
Hulst 0,7
IJsselstein 9,0
Kaag en Braassem 1,9
Kampen 2,6
Kapelle 0,9
Katwijk 1,9
Kerkrade 3,0
Koggenland 1,0
Krimpen aan den IJssel 4,4
Krimpenerwaard 3,0
Laarbeek 0,7
Landerd 0,6
Landgraaf 1,5
Landsmeer 3,9
Langedijk 2,1
Lansingerland 6,2
Laren 1,6
Leeuwarden 3,7
Leiden 8,6
Leiderdorp 6,1
Leidschendam-Voorburg 7,3
Lelystad 14,4
Leudal 0,8
Leusden 2,1
Lingewaard 1,2
Lisse 1,4
Lochem 2,4
Loon op Zand 1,9
Lopik 2,5
Loppersum 0,8
Losser 1,4
Maasdriel 1,2
Maasgouw 0,6
Maassluis 14,3
Maastricht 3,6
Medemblik 2,1
Meerssen 0,6
Meierijstad 3,6
Meppel 2,8
Middelburg 4,2
Midden-Delfland 2,5
Midden-Drenthe 0,6
Midden-Groningen 5,6
Mill en Sint Hubert 0,5
Moerdijk 2,4
Molenlanden 0,9
Montferland 1,6
Montfoort 2,4
Mook en Middelaar 0,9
Neder-Betuwe 0,9
Nederweert 0,5
Nieuwegein 10,3
Nieuwkoop 1,9
Nijkerk 3,7
Nijmegen 7,5
Nissewaard 9,3
Noardeast-Fryslân 0,5
Noord-Beveland 0,7
Noordenveld 0,8
Noordoostpolder 3,2
Noordwijk 1,8
Nuenen, Gerwen en Nederwetten 1,3
Nunspeet 0,8
Oegstgeest 3,0
Oirschot 0,7
Oisterwijk 1,6
Oldambt 1,3
Oldebroek 0,4
Oldenzaal 4,3
Olst-Wijhe 1,5
Ommen 0,3
Oost Gelre 1,2
Oosterhout 7,1
Ooststellingwerf 0,6
Oostzaan 3,2
Opmeer 0,9
Opsterland 0,6
Oss 6,2
Oude IJsselstreek 4,3
Ouder-Amstel 7,0
Oudewater 1,4
Overbetuwe 1,6
Papendrecht 5,4
Peel en Maas 1,7
Pekela 1,0
Pijnacker-Nootdorp 7,0
Purmerend 9,0
Putten 1,0
Raalte 1,1
Reimerswaal 1,5
Renkum 2,2
Renswoude 0,7
Reusel-De Mierden 0,4
Rheden 3,9
Rhenen 2,8
Ridderkerk 6,5
Rijssen-Holten 2,7
Rijswijk 11,7
Roerdalen 0,9
Roermond 8,5
Roosendaal 9,2
Rotterdam 26,5
Rozendaal 1,6
Rucphen 1,2
Schagen 1,0
Scherpenzeel 0,9
Schiedam 20,2
Schiermonnikoog 0,5
Schouwen-Duiveland 0,6
's-Gravenhage 24,4
's-Hertogenbosch 6,9
Simpelveld 0,4
Sint Anthonis 0,4
Sint-Michielsgestel 1,0
Sittard-Geleen 3,2
Sliedrecht 4,8
Sluis 0,9
Smallingerland 1,9
Soest 8,0
Someren 0,6
Son en Breugel 1,3
Stadskanaal 0,7
Staphorst 0,2
Stede Broec 1,9
Steenbergen 1,3
Steenwijkerland 1,3
Stein 1,1
Stichtse Vecht 4,8
Súdwest-Fryslân 1,0
Terneuzen 4,1
Terschelling 0,7
Texel 0,6
Teylingen 2,3
Tholen 1,4
Tiel 11,6
Tilburg 10,4
Tubbergen 0,1
Twenterand 0,3
Tynaarlo 0,9
Tytsjerksteradiel 0,5
Uden 4,7
Uitgeest 1,6
Uithoorn 6,1
Urk 0,7
Utrecht 15,7
Utrechtse Heuvelrug 3,3
Vaals 1,0
Valkenburg aan de Geul 0,9
Valkenswaard 1,3
Veendam 4,8
Veenendaal 7,8
Veere 0,5
Veldhoven 2,1
Velsen 4,3
Venlo 7,8
Venray 5,4
Vijfheerenlanden 7,1
Vlaardingen 14,6
Vlieland 0,5
Vlissingen 7,0
Voerendaal 0,7
Voorschoten 3,9
Voorst 1,3
Vught 1,7
Waadhoeke 0,8
Waalre 2,0
Waalwijk 5,2
Waddinxveen 5,7
Wageningen 2,7
Wassenaar 3,0
Waterland 1,8
Weert 6,4
Weesp 9,9
West Betuwe 1,6
West Maas en Waal 0,7
Westerkwartier 0,7
Westerveld 0,7
Westervoort 4,0
Westerwolde 1,0
Westland 3,7
Weststellingwerf 1,5
Westvoorne 1,4
Wierden 0,9
Wijchen 2,2
Wijdemeren 1,8
Wijk bij Duurstede 2,2
Winterswijk 2,5
Woensdrecht 1,2
Woerden 4,5
Wormerland 3,6
Woudenberg 1,7
Zaanstad 15,5
Zaltbommel 3,4
Zandvoort 3,2
Zeewolde 1,9
Zeist 8,8
Zevenaar 2,4
Zoetermeer 12,3
Zoeterwoude 2,9
Zuidplas 5,0
Zundert 1,4
Zutphen 4,9
Zwartewaterland 0,5
Zwijndrecht 9,1
Zwolle 4,9

Migranten uit nieuwe EU-landen meer verspreid over Nederland

Migranten uit Polen, Bulgarije, Roemenië en andere Oost-Europese landen die meer recentelijk zijn toegetreden tot de Europese Unie wonen minder geconcentreerd in de grote steden en meer verspreid over Nederland. Toch woont ook van deze groep bijna een kwart in één van de vier grote steden, met name in Den Haag.

Gebieden met veel agrarische bedrijvigheid worden gekenmerkt door een in verhouding hoog aandeel migranten uit nieuwe EU-landen. Op 1 januari 2020 had de gemeente Steenbergen het grootste aandeel inwoners afkomstig uit nieuwe EU-landen (ruim 6 procent). Ook in het Westland, de Kop van Noord-Holland, de Bollenstreek, Flevoland, grote delen van Noord-Brabant en Noord-Limburg wonen verhoudingsgewijs veel mensen uit nieuwe EU-landen.

1.17 Aandeel inwoners met nieuwe EU achtergrond, 1 januari 2020
Gemeentenaam Aandeel
Aa en Hunze 0,4
Aalsmeer 4,0
Aalten 0,5
Achtkarspelen 0,4
Alblasserdam 0,7
Albrandswaard 0,7
Alkmaar 1,3
Almelo 1,9
Almere 2,0
Alphen aan den Rijn 2,6
Alphen-Chaam 2,1
Altena 1,5
Ameland 1,8
Amersfoort 0,9
Amstelveen 2,3
Amsterdam 2,5
Apeldoorn 1,2
Appingedam 0,6
Arnhem 1,6
Assen 0,7
Asten 4,0
Baarle-Nassau 1,3
Baarn 1,0
Barendrecht 0,8
Barneveld 0,8
Beek 0,7
Beekdaelen 1,0
Beemster 0,6
Beesel 1,6
Berg en Dal 0,7
Bergeijk 1,9
Bergen (L.) 1,5
Bergen (NH.) 0,7
Bergen op Zoom 2,1
Berkelland 0,6
Bernheze 2,4
Best 2,8
Beuningen 0,7
Beverwijk 3,6
Bladel 2,0
Blaricum 0,5
Bloemendaal 0,8
Bodegraven-Reeuwijk 1,8
Boekel 3,1
Borger-Odoorn 0,4
Borne 0,6
Borsele 1,8
Boxmeer 1,1
Boxtel 3,1
Breda 2,2
Brielle 2,0
Bronckhorst 0,4
Brummen 0,5
Brunssum 1,8
Bunnik 0,7
Bunschoten 3,5
Buren 1,7
Capelle aan den IJssel 1,7
Castricum 0,7
Coevorden 0,5
Cranendonck 1,9
Cuijk 1,7
Culemborg 1,5
Dalfsen 1,0
Dantumadiel 0,2
De Bilt 0,8
De Fryske Marren 0,8
De Ronde Venen 1,5
De Wolden 0,4
Delft 2,5
Delfzijl 1,1
Den Helder 1,1
Deurne 1,7
Deventer 1,5
Diemen 3,0
Dinkelland 0,6
Doesburg 0,7
Doetinchem 0,7
Dongen 1,9
Dordrecht 2,9
Drechterland 2,9
Drimmelen 2,4
Dronten 2,8
Druten 1,4
Duiven 0,7
Echt-Susteren 1,7
Edam-Volendam 0,5
Ede 1,0
Eemnes 0,5
Eersel 1,1
Eijsden-Margraten 0,7
Eindhoven 3,5
Elburg 0,8
Emmen 0,9
Enkhuizen 3,3
Enschede 1,6
Epe 0,8
Ermelo 1,2
Etten-Leur 2,4
Geertruidenberg 1,5
Geldrop-Mierlo 1,7
Gemert-Bakel 3,3
Gennep 0,8
Gilze en Rijen 1,7
Goeree-Overflakkee 1,0
Goes 1,4
Goirle 0,6
Gooise Meren 1,2
Gorinchem 1,7
Gouda 2,3
Grave 1,6
Groningen 1,6
Gulpen-Wittem 0,7
Haaksbergen 0,5
Haaren 1,4
Haarlem 2,5
Haarlemmermeer 2,4
Halderberge 2,7
Hardenberg 0,5
Harderwijk 1,5
Hardinxveld-Giessendam 1,0
Harlingen 0,9
Hattem 0,3
Heemskerk 1,4
Heemstede 1,1
Heerde 0,5
Heerenveen 0,6
Heerhugowaard 1,7
Heerlen 2,2
Heeze-Leende 1,4
Heiloo 0,8
Hellendoorn 0,3
Hellevoetsluis 1,5
Helmond 5,4
Hendrik-Ido-Ambacht 0,7
Hengelo 1,0
Het Hogeland 0,6
Heumen 0,8
Heusden 2,7
Hillegom 4,1
Hilvarenbeek 0,9
Hilversum 2,5
Hoeksche Waard 0,7
Hof van Twente 1,2
Hollands Kroon 4,1
Hoogeveen 1,0
Hoorn 2,5
Horst aan de Maas 4,4
Houten 0,7
Huizen 0,9
Hulst 1,2
IJsselstein 1,1
Kaag en Braassem 2,3
Kampen 0,8
Kapelle 1,4
Katwijk 1,5
Kerkrade 2,4
Koggenland 1,2
Krimpen aan den IJssel 0,7
Krimpenerwaard 1,0
Laarbeek 1,9
Landerd 1,5
Landgraaf 1,4
Landsmeer 0,8
Langedijk 0,9
Lansingerland 1,2
Laren 0,9
Leeuwarden 1,2
Leiden 1,8
Leiderdorp 1,0
Leidschendam-Voorburg 2,0
Lelystad 3,1
Leudal 2,6
Leusden 0,5
Lingewaard 0,8
Lisse 2,7
Lochem 0,5
Loon op Zand 2,2
Lopik 1,1
Loppersum 0,2
Losser 0,6
Maasdriel 5,7
Maasgouw 1,5
Maassluis 3,1
Maastricht 1,9
Medemblik 3,7
Meerssen 0,7
Meierijstad 2,8
Meppel 0,6
Middelburg 1,0
Midden-Delfland 1,1
Midden-Drenthe 0,6
Midden-Groningen 1,1
Mill en Sint Hubert 1,3
Moerdijk 2,4
Molenlanden 1,0
Montferland 1,0
Montfoort 1,0
Mook en Middelaar 0,8
Neder-Betuwe 2,6
Nederweert 1,8
Nieuwegein 1,7
Nieuwkoop 2,4
Nijkerk 1,6
Nijmegen 1,1
Nissewaard 1,7
Noardeast-Fryslân 0,6
Noord-Beveland 2,1
Noordenveld 0,4
Noordoostpolder 4,0
Noordwijk 4,6
Nuenen, Gerwen en Nederwetten 0,9
Nunspeet 0,6
Oegstgeest 1,6
Oirschot 1,2
Oisterwijk 0,8
Oldambt 1,1
Oldebroek 1,1
Oldenzaal 0,6
Olst-Wijhe 0,6
Ommen 1,1
Oos