De kosten van de SPS- en TBT-maatregelen worden over het algemeen volledig gecompenseerd door de gestegen productkwaliteit, die de vraag dan weer doet toenemen.

Foto omschrijving: Amsterdam, de Waterpolitie en Douane nemen steek monsters af van een tankboot.

NTM’s: een investering in kwaliteit?

Auteurs: Marcel van den Berg, Loe Franssen

In het vorige hoofdstuk is aangetoond dat SPS- en TBT-maatregelen de kwaliteit van producten op een positieve manier kunnen beïnvloeden. Om aan de gestelde eisen te voldoen moeten bedrijven echter kosten maken. In dit hoofdstuk kijken we in hoeverre die investering zich terugbetaalt in termen van hogere productkwaliteit. Zo laten we zien dat de kosten van de NTM en de navenant gestegen prijs van het product doorgaans volledig worden gecompenseerd door een hogere productkwaliteit als gevolg van de regelgeving, al zijn er aanzienlijke verschillen tussen de diverse typen SPS- en TBT-maatregelen. Ook de omvang en eigendomsstructuur van bedrijven speelt een bepalende rol, zoals in dit hoofdstuk aangetoond zal worden.

4.1Inleiding

In het vorige hoofdstuk is beschreven hoe niet-tarifaire maatregelen in de vorm van SPS- en TBT-maatregelen de kwaliteit van producten op een positieve manier kunnen beïnvloeden. Aangezien de kwaliteit van producten medebepalend is voor het succes van exporteurs op buitenlandse markten vormen NTM’s in die zin een kans voor bedrijven die in staat zijn aan de gestelde regels te voldoen. Een andere manier waarop NTM’s een voordeel kunnen bieden aan bestaande exporteurs is dat de regelgeving in feite fungeert als een soort toetredingsbarrière voor nieuwe partijen en daarmee concurrentie kan verminderen. Deze mogelijke voordelen van NTM’s hebben echter ook een andere kant, aangezien het een investering vergt in de vorm van tijd en geld om aan de gestelde regels te voldoen. In dit hoofdstuk gaan we daar dieper op in en schatten we hoe hoog de kosten zijn voor bedrijven om te voldoen aan de gestelde regels. Dat doen we door de zogeheten ad valorem equivalenten (AVE) van SPS- en TBT-maatregelen op buitenlandse exportbestemmingen te schatten. AVE’s zijn daarbij eenvoudigweg de kosten die gepaard gaan met NTM’s als percentage van de prijs van het onderliggende product. Net zoals een importtarief van 10 procent betekent dat er voor een product van 100 euro bij de douane nog eens 10 euro aan invoerheffingen extra moet worden afgedragen, betekent een AVE van 10 procent dat voor een product dat normaliter 100 euro zou kosten de producent 10 euro aan extra kosten heeft moeten maken om aan de geldende NTM-regelgeving te voldoen.

In hoofdstuk 2 is al uitgelegd dat het vertalen van de aanwezigheid van één of meerdere mogelijk zeer verschillende NTM-regels naar een ad valorem equivalent om meerdere redenen geen eenvoudige zaak is. Het kwantificeren van de aanwezigheid van NTM’s is op zich al ingewikkeld, met name vanwege de grote diversiteit aan regels en hun individuele striktheid (zie paragraaf 1.3). Een tweede uitdaging is gelegen in de vertaling naar AVE’s. Volgens de in hoofdstuk 2 besproken ‘price gap’-methode voor het schatten van AVE’s wordt er gekeken naar verschillen in de prijs (Engels: unit value) van een bepaald product waar in het ene bestemmingsland wel een NTM op van toepassing is en in het andere bestemmingsland niet. Als dat product inclusief NTM dan 10 procent duurder blijkt te zijn dan hetzelfde product exclusief NTM dan is volgens de ‘price gap’-methode het AVE van dit product 10 procent. Deze AVE’s worden doorgaans geïnterpreteerd in termen van kosten, net zoals importtarieven een kostenpost zijn. Daarbij wordt er onder de veronderstelling van perfecte competitie vanuit gegaan dat deze additionele kosten bedrijven niet de mogelijkheid bieden om een hogere winstmarge te behalen. Met andere woorden, de hogere kosten corresponderen één-op-één met een hogere prijs die volledig worden doorgerekend aan de buitenlandse afnemer.

Er zijn echter nog veel meer factoren van invloed op de prijs dan de elementen die direct waarneembaar en kwantificeerbaar zijn. Zo lieten we in hoofdstuk 3 al zien dat prijsverschillen ook een weergave zijn van kwaliteitsverschillen. Daarnaast hebben Van den Berg, Franssen & Mounir (2020) laten zien dat ook de mate waarin de kosten van importtarieven worden doorberekend aan de buitenlandse klant uit diezelfde variatie in prijsniveaus gehaald kan worden. Ook de mate van competitie tussen en marktmacht van individuele bedrijven wordt vaak geschat op basis van prijsinformatie. De uitdaging in het schatten van de daadwerkelijke kosten die gepaard gaan met NTM’s is daarom om de genoemde AVE’s zo zuiver mogelijk te schatten, geschoond van de hier genoemde mogelijke neveneffecten.

Prijzen, kosten en kwaliteit, wat is wat?

In dit hoofdstuk gaan we daarmee aan de slag, door niet alleen te kijken naar verschillen in prijzen, maar ook door die te zuiveren van de kwaliteitseffecten. Wanneer we in het eerder aangehaalde voorbeeld namelijk zien dat het betreffende product mét NTM 10 procent duurder is, maar tegelijkertijd ook een twee keer zo hoge productkwaliteit heeft, dan is het AVE waarin we ook kwaliteitsverschillen verdisconteren (Engels: quality adjusted AVE, kwaliteitsverdisconteerde AVE) slechts 5 procent. Deze kwaliteitsverdisconteerde AVE is logischerwijs een zuiverdere en nauwkeurigere schatting van de daadwerkelijke kosten die exporteurs moeten maken om aan NTM-regelgeving te voldoen, omdat het de geobserveerde prijsverschillen zuivert van het positieve effect dat NTM’s kunnen hebben op productkwaliteit. Dit is voor zover wij weten nog niet eerder gedaan in de literatuur. Voor wat betreft de terminologie refereren we in dit hoofdstuk verder aan AVE’s als ‘bruto kosten van NTM’s’ en aan AVE’s waarin kwaliteitseffecten zijn verdisconteerd als ‘netto kosten van NTM’s’. Het verschil tussen deze twee factoren wordt bepaald door de kwaliteitsaanpassingen.

Een goed voorbeeld hier zijn de A5‑maatregelen van het type SPS. A5‑maatregelen hebben betrekking op de eliminatie van plant- en dierplagen en ziekteverwekkende organismen in het ‘eindproduct’ door bepaalde productbehandelingen verplicht te stellen (bijvoorbeeld na de oogst). Wanneer een land zich zorgen maakt over het mogelijk importeren van een bepaald ziekteverwekkend organisme in met name agrarische producten, kan het als voorwaarde stellen dat deze producten een bepaalde behandeling moeten hebben ondergaan alvorens zij ingevoerd mogen worden. Onze resultaten laten zien dat deze A5‑maatregelen erg duur zijn voor exporteurs. De gemiddelde kosten voor een geëxporteerd product waarbij aan een A5‑maatregel moet worden voldaan in het bestemmingsland liggen gemiddeld maar liefst 8 procentnoot1 hoger dan dezelfde producten met een exportbestemming zonder deze eisen.

Onze resultaten laten echter ook zien dat de kwaliteit van producten die deze behandeling verplicht ondergaan significant hoger ligt: maar liefst 8,6 procent. Deze kwaliteitsimpuls maakt duidelijk dat het onzuiver en onterecht is om de extra handelingen die deze maatregel voorschrijft als een pure kostenpost van 8 procent te interpreteren. In dit soort gevallen ligt het meer voor de hand om te spreken over een investering in kwaliteit. De netto kosten van deze maatregelen, zoals we die zojuist gedefinieerd hebben, zijn in dit geval dan zelfs negatief: –0,6 procent. Met andere woorden: de noodzakelijke investering betaalt zich meer dan uit in een hogere kwaliteit, waarvoor ook betaald wordt, getuige de hogere prijs.

De les die getrokken kan worden uit dit concrete voorbeeld is derhalve dat prijsvariatie in het licht van NTM-regelgeving niet het hele verhaal vertelt. Door de effecten van NTM’s niet alleen voor bruto kosten te bekijken, maar ook voor productkwaliteit en netto kosten, ontstaat een veel zuiverder beeld van de werkelijke kosten en baten van NTM’s. Het hoofddoel van dit hoofdstuk is exact dat, een zuiver beeld geven van de werkelijke kosten en baten van NTM’s. Wat zijn de gemiddelde kosten van NTM’s? Hoe verschillen deze kosten tussen – verschillende typen – SPS- en TBT-maatregelen? Welke factoren hangen samen met de hoogte van deze kosten? Zijn deze bijvoorbeeld voor mkb-bedrijven hoger of lager dan voor grote bedrijven? Dit en meer komt in dit hoofdstuk uitgebreid aan bod.

1 extra TBT-maatregel verhoogt de bruto kosten voor exporteurs met gemiddeld 0,05%
8% hoger ligt de gemiddelde exportprijs als op een product een SPS A5-maatregel van toepassing is

4.2De kosten van NTM’s

Tabel 4.2.1 geeft een overzicht van de geschatte kosten van verschillende SPS- en TBT-maatregelen. We laten daarbij zowel de bruto kosten van NTM’s zien, maar ook de verbijzondering naar kwaliteitsaanpassingen en netto kosten. Daarnaast kijken we naar het geheel van SPS- en TBT-maatregelen, dus de totale kosten van NTM’s per hoofdstuk, en naar een aantal interessante subhoofdstukken daarbinnen.

De resultaten laten zien dat NTM’s van het type TBT gepaard gaan met de hoogste kosten. Voor elke additionele TBT van toepassing op een geëxporteerd product in een bestemmingsland, is de prijs van dat product gemiddeld 0,05 procent hoger. Met andere woorden, de bruto kosten van TBT’s bedragen 0,05 procent van de prijs. Eerder onderzoek laat resultaten van vergelijkbare orde zien. Ghodsi & Stehrer (2019) schatten de gemiddelde bruto kosten op 0,2 procent en Niu et al. (2018) rapporteren kosten van tussen de 0,2 en 0,5 procent. Onze schattingen liggen vermoedelijk wat lager dan die in genoemde onderzoeken, omdat onze data dermate gedetailleerd zijn dat we in staat zijn om te controleren voor factoren die in andere onderzoeken mogelijk onterecht worden toegeschreven aan de aanwezigheid van NTM’s, waaronder bijvoorbeeld de productiviteit van bedrijven. Ook hebben de schattingen van Niu et al. (2018) betrekking op alle typen NTM’s en die van ons alleen op TBT’s. Voor meer details over de onderzoeksmethode, zie paragraaf 4.5 Data en methoden.

TBT’s op de export verhogen de kwaliteit méér dan de prijs

Met het vorige hoofdstuk nog vers in het geheugen rijst echter meteen de vraag in hoeverre deze hogere prijs (ook) een hogere kwaliteit signaleert. Kolom (2) van tabel 4.2.1 laat zien dat de gemiddelde kwaliteit van een product waar één extra TBT op van toepassing is 0,15 procent hoger ligt. Dat betekent dus dat de kwaliteitsimpuls die uitgaat van dit type NTM groter is dan de kosten die gepaard gaan met het voldoen aan de regelgeving. De investering in kwaliteit betaalt zich op deze manier dus meer dan nominaal uit, getuige ook de negatieve netto kosten van TBT’s in kolom (3) van tabel 4.2.1.

Hoe kunnen we die negatieve netto kosten van TBT’s duiden? Een mogelijke verklaring hiervoor kan liggen aan de kant van de producent. De kwaliteitsimpuls die uitgaat van TBT’s kan de vraag naar de betreffende producten opstuwen. De additionele productie die gedraaid wordt om aan die extra vraag te voldoen kan gepaard gaan met schaalvoordelen. Op die manier kan een TBT in termen van voor kwaliteit gecontroleerde prijzen de facto fungeren als een impliciete korting op de productiekosten, in plaats van als extra kosten. Een andere mogelijke verklaring is gelegen in winstmarges. In de inleiding is aangestipt dat we er vanuit gaan dat voldoen aan NTM-regelgeving bedrijven geen ruimte biedt om winstmarges te verhogen, maar het omgekeerde valt niet uit te sluiten. Dat wil zeggen, als een bedrijf niet in de gelegenheid is om de noodzakelijke kosten die gemoeid zijn met het voldoen aan NTM-regels door te berekenen aan de afnemer kan het zijn dat dit juist ten koste gaat van een deel van de winstmarge, wat in dat geval zichtbaar is in de negatieve netto kosten. Met andere woorden, als de marktpositie van een bedrijf dusdanig is dat het deze additionele kosten niet (volledig) aan zijn klant kan doorberekenen dan kan het ervoor kiezen om het deels ten koste van zijn winstmarge te laten gaan. Op basis van de gedane analyses kunnen we echter niet met zekerheid vaststellen wat de achterliggende mechanismen zijn. Daar is aanvullend onderzoek voor nodig.

Voor de impact van SPS-maatregelen kijken we net als in hoofdstuk 3 alleen naar de export van agrarische producten (dat wil zeggen HS productcategorieën 01–24) waar deze maatregelen in het bijzonder op van toepassing zijn. Daar vinden we een minder uitgesproken beeld, zie tabel 4.2.1. De maatregelen blijken de gemiddelde bruto kosten niet te verhogen, terwijl de kwaliteit wel significant omhoog gaat. Dat wil zeggen, een toename van 1 procent van de NTM-druk middels SPS-maatregelen gaat gepaard met een kwaliteitsimpuls van 0,02 procent. Dit heeft tot gevolg dat de netto kosten van SPS-maatregelen net als bij TBT’s negatief zijn. Dit effect is echter dermate klein dat we het alleen in de elasticiteit terugzien.

Een gedetailleerdere blik op de subhoofdstukken van de respectievelijke SPS- en TBT-maatregelen biedt verdere inzichten. Daar zien we het in de inleiding aangehaalde illustratieve voorbeeld van de A5‑maatregelen waar de maatregel de bruto kosten weliswaar significant verhoogt, maar de kwaliteit evenzeer. Wanneer we dus rekening houden met dit kwaliteitseffect, dan blijkt dat de netto kosten van dit type SPS-maatregelen nul zijn.

Naast A5 zagen we in hoofdstuk 3 ook al dat A1-maatregelen tot kwaliteitsimpulsen leiden. Het verkrijgen van autorisatie voor de export van een bepaald product leidt echter ook tot significant hogere (bruto) kosten: per additionele A1‑maatregel zien we namelijk een 1,9 procent hogere bruto prijs. In tegenstelling tot bij de A5- of de TBT-regels in het algemeen wegen de voordelen in de vorm van een hogere productkwaliteit hier niet op tegen de kosten. De kwaliteit van het product ligt namelijk ‘maar’ 1,2 procent hoger waardoor ook de netto kosten nog altijd significant zijn.

4.2.1De kosten van NTM’s in procenten
NTM type (1) Bruto kosten (2) Kwaliteitseffect (3) Netto kosten
SPS (hoofdstuk A) Per maatregel 0 0 0
Elasticiteit 0 0,02* -0,02*
SPS (A1) Per maatregel 1,9*** 1,2*** 0,7***
Elasticiteit 0,1*** 0,07*** 0,03***
SPS (A5) Per maatregel 5,0*** 5,0*** 0
Elasticiteit 0,1*** 0,1*** 0
TBT (hoofdstuk B) Per maatregel 0,05* 0,15*** -0,1***
Elasticiteit 0,01** 0,02*** -0,01***
TBT (B2) Per maatregel 2,0** 2,4*** -0,5***
Elasticiteit 0,02 0,03** -0,006**
TBT (B4) Per maatregel 0,4 1,2** -0,8***
Elasticiteit 0,01 0,04*** -0,03***
TBT (B7) Per maatregel 0,04 0,9** -0,5
Elasticiteit 0,003 0,02** -0,01***
TBT (B8) Per maatregel 0,09 0 0,3***
Elasticiteit 0,02*** 0 0,02***

Noot: gerapporteerde elasticiteiten op basis van de coëfficiënten van de vergelijking in paragraaf 4.5 Data en Methoden. TBT coëfficiënten hebben betrekking op de gehele populatie terwijl SPS cijfers alleen betrekken op de export van agrarische producten. De selectie voor individuele subhoofdstukken is gemaakt op basis van significantie van de coëfficiënt in zowel de log als level specificatie van de vergelijking in paragraaf 4.5. A: Sanitaire en fytosanitaire maatregelen (SPS); B: Technische handelsbarrières (TBT); A1: Verboden of beperkingen van producten of stoffen vanwege SPS; A5: Behandeling voor de eliminatie van plantaardig en dierlijk ongedierte en ziekteverwekkende organismen in het eindproduct (bijvoorbeeld Behandeling na de oogst); B2: Tolerantiegrenzen voor residuen en beperkt gebruik van stoffen; B4: Productie- of post-productievereisten; B7: Productkwaliteit of prestatievereisten; B8: Conformiteitsbeoordeling met betrekking tot TBT’s.

*p<0,1; **p<0,05; ***p<0,01

Niet alle TBT’s verdienen investering in kwaliteit terug

Bij de verschillende soorten TBT-maatregelen springen er verscheidene subhoofdstukken uit. In hoofdstuk 3 zagen we al dat B2-, B4- en B7-maatregelen een duidelijk kwaliteitsverhogend effect hebben. Die kwaliteitsimpuls is in alle drie de gevallen groter dan de bruto kosten van de betreffende TBT’s, waardoor de netto kosten negatief uitpakken.

Er is echter één opmerkelijke uitzondering op deze regel en dat zijn de conformiteitsbeoordelingen (B8). Dit zijn regels die stellen dat er specifiek aangetoond moet worden dat er aan een bepaalde maatregel is voldaan. Dit kan in verschillende vormen gebeuren, bijvoorbeeld door een product te registreren in het bestemmingsland, een certificaat te overleggen of een inspectie ondergaan. Dit traject staat in principe los van de eigenlijke productmaatregel en is eigenlijk een aanvulling daarop. Zo kan het zijn dat er een productievereiste (B4) bestaat voor bepaalde textielgoederen in termen van het materiaal waarvan het gemaakt is, terwijl in B8 is vastgelegd dat het product geïnspecteerd moet worden om na te gaan of aan B4 is voldaan. Onze bevindingen laten zien dat juist dit type maatregelen tot de hoogste kosten leidt: de aanwezigheid van een B8‑maatregel verhoogt kwaliteit immers niet, waardoor de bruto en netto kosten van deze maatregelen gelijk zijn. Dit is logisch, omdat het kwaliteitseffect wordt geabsorbeerd door de eigenlijke productmaatregel en niet door de controle op nalevering ervan. Conformiteitsbeoordelingen leiden daardoor als enige van de TBT’s tot significant hogere netto kosten, zie figuur 4.2.2. Exporteurs verdienen deze kosten wel terug door hun prijs te verhogen, maar zonder dat daar direct een hogere productkwaliteit tegenover staat komt de buitenlandse afnemer daar in deze het slechtst vanaf.

0,3% hoger zijn de netto kosten per additionele conformiteitsbeoordeling Buitenvorm Binnenvorm

Dat conformiteitsbeoordelingen met flinke kosten gepaard kunnen gaan is bekend uit de praktijk. Zo worden er bij onderhandelingen over handelsverdragen vaak afspraken gemaakt over de erkenning van wederzijdse conformiteitsbeoordelingen. Als er zo’n soort bepaling in een handelsverdrag is opgenomen betekent dat dat de producten van exporteurs niet nogmaals in het land van bestemming gecontroleerd hoeven te worden als dat in het land van oorsprong al is gebeurd. In dat geval nemen de autoriteiten van het ene land de conformiteitsbeoordeling van het andere land over, waardoor de kosten voor de exporteur gedrukt worden. Het vrijhandelsverdrag tussen de EU en Canada (CETA) is een voorbeeld van een verdrag dat zo’n bepaling kent. In CETA is zelfs een heel hoofdstuk opgenomen waarin is vastgelegd hoe beide partijen kunnen samenwerken om de kosten van verschillende TBT’s zoveel mogelijk te drukken. Naast een dergelijke wederzijdse conformiteitsbeoordeling gaat het dan bijvoorbeeld ook om harmonisatie van de regelgeving (Shepherd & Peters, 2020).

4.2.2 Netto kosten van TBT subhoofdstukken (%)
Netto kosten per eenheid
B2 Toleratiegrenzen voor residuen, beperkt gebruik van stoffen -0,5
B4: Productie- of post-productievereisten -0,8
B7: Productkwaliteit of prestatievereisten -0,5
B8: Conformiteitsbeoordeling m.b.t. TBT's 0,3
Bron: CBS, UNCTAD TRAINS

4.3Welke factoren hangen samen met de kosten van NTM’s?

Nu we weten wat de gemiddelde effecten van SPS- en TBT-maatregelen op de prijs en kwaliteit van geëxporteerde producten zijn, kijken we in deze paragraaf of er verschillen zichtbaar zijn tussen verschillende groepen bedrijven en geografische regio’s. We kijken daarbij alleen nog maar naar TBT’s, omdat die in tegenstelling tot SPS-maatregelen gelijkmatiger verspreid zijn over de verschillende productgroepen.

Tabel 4.3.1 laat zien dat er aanzienlijke verschillen zitten in de kosten van TBT’s waar verschillende groepen bedrijven mee te maken hebben. Het vorige hoofdstuk liet zien dat met name de exportproducten van het zelfstandig mkb (zmkb) een kwaliteitsverhogend effect ondervinden wanneer ze moeten voldoen aan een TBT-maatregel in het buitenland. Dat viel te verklaren door het feit dat het zelfstandig mkb producten van gemiddeld lagere kwaliteit produceert dan grotere bedrijven. Het zelfstandig mkb heeft in het geval van NTM’s waaraan exportproducten onderhevig zijn simpelweg meer ruimte voor kwaliteitsverhoging dan grote bedrijven. Dat zien we hier opnieuw terug in de bruto kosten. Alleen het zelfstandig mkb laat dan ook significant hogere bruto kosten zien als gevolg van NTM-regelgeving. Dit is nog niet eerder in de literatuur aangetoond, omdat in eerder onderzoek meestal geen data op bedrijfsniveau gebruikt werd. Het ligt voor de hand dat dit samenhangt met het feit dat het zelfstandig mkb de noodzakelijke investering in kwaliteit nog moet maken. Voor wat betreft de netto kosten van NTM’s zien we geen verschil tussen bedrijven van verschillende grootte. Dit is ook logisch, aangezien consumenten in het bestemmingsland de NTM interpreteren als een kwaliteitskeurmerk en daarmee meer vertrouwen krijgen in het product an sich, los van de producent van wie ze het product betrekken.

0% extra bruto kosten maakt het grootbedrijf voor elke additionele TBT-maatregel Buitenvorm Binnenvorm

Ook de internationale eigendomsstructuur van bedrijven blijkt een belangrijke factor in de wijze waarop met NTM’s wordt omgegaan. Zo lijken bedrijven met een buitenlandse eigenaar geen significante kosten te maken als gevolg van TBT’s. Anders gezegd: zij rekenen geen hogere prijzen voor hun producten wanneer deze onderhevig zijn aan een TBT. Hetzelfde geldt voor bedrijven met een filiaal in het specifieke bestemmingsland waar het exportproduct naartoe wordt verscheept. Dit zou op zich ook verklaard kunnen worden door een bovengemiddeld hoog kwaliteitsniveau van de producten die door deze groep bedrijven worden geproduceerd en geëxporteerd. Dat zou tot gevolg hebben dat een TBT niet noodzakelijkerwijs leidt tot hogere kosten voor deze bedrijven en ook niet tot een hogere kwaliteit, omdat het al aan de standaarden voldeed.

Er is echter ook een andere mogelijke verklaring voor de geobserveerde patronen en dat is intra-concernhandel. We zien namelijk een geprononceerder beeld als het buitenlandse filiaal ook daadwerkelijk in het bestemmingsland van de exportproducten ligt. Wanneer we enkel kijken naar of een bedrijf al dan niet een buitenlands filiaal heeft, waar dan ook ter wereld, dan is het beeld wat minder scherp. Een van de mogelijke kenmerken van intra-concernhandel is dat de leverende partij geen marktconforme prijzen in rekening brengt aan gelieerde partijen in het buitenland. Dat zou hier zichtbaar kunnen zijn in de mate waarin de kosten van NTM’s worden doorberekend in de gehanteerde prijzen.

4.3.1Kosten van TBT’s voor verschillende bedrijfsstructuren
(1) Bruto kosten (2) Kwaliteits­effect (3) Netto kosten
Grootteklasse
Zmkb Per maatregel 0,2*** 0,3*** –0,1***
Elasticiteit 0,03*** 0,04*** –0,01***
Groot bedrijf Per maatregel 0* 0 0***
Elasticiteit 0 0,01* –0,01*
Buitenlandse eigenaar
Wel Per maatregel 0 0,01 –0,01***
Elasticiteit 0 0 0***
Niet Per maatregel 0.1*** 0.2*** –0,1***
Elasticiteit 0.02*** 0.03*** –0,01***
Deelneming in het land van bestemming
Wel Per maatregel 0 0,01 –0,1***
Elasticiteit 0,01 0,02* –0,01***
Niet Per maatregel 0 0,2*** –0,1***
Elasticiteit 0,01** 0,02*** –0,01***
Deelneming ergens in het buitenland
Wel Per maatregel 0 0,1** –0,09***
Elasticiteit 0 0,02*** –0,01***
Niet Per maatregel 0 0,2*** –0,1***
Elasticiteit 0,01* 0,02*** –0,01***

Noot: Coëfficiënten zijn op basis van interacties met de TBT-variabele zoals uitgelegd in paragraaf 4.5 Data en methoden. De netto kosten kunnen mogelijk afwijken van de bruto kosten minus het kwaliteitseffect vanwege afrondingsverschillen.

*p<0,1; **p<0,05; ***p<0,01

Tot slot kijken we nog naar verschillen tussen bepaalde regio’s met betrekking tot de kosten die per TBT afgedragen worden bij de export naar deze regio’s (tabel 4.3.2). Dan zien we bijvoorbeeld dat de kosten voor het voldoen aan TBT’s bij export naar Noord-Amerika, Europa (niet-EU) en Azië meevallen, aangezien deze vaak insignificant zijn. Voor Europa (niet-EU) kan dit mogelijk te maken hebben met het feit dat de regels in met name Zwitserland en Noorwegen in grote lijnen conformeren aan die van de EU, waardoor additionele kosten nihil zijn; producenten voldoen er al aan voor de binnenlandse markt. De kosten zijn vooral hoog voor export naar Midden- en Zuid-Amerika. Hoofdstuk 2 liet al zien dat er relatief veel NTM’s zijn in Zuid-Amerika, waarbij stapelingseffecten van de kosten van NTM’s hier mogelijk een rol spelen.

Export naar Afrika laat verrassende resultaten zien. We zien bij de export naar deze regio dat producten waar meer NTM’s op van toepassing zijn goedkoper en, zoals we in hoofdstuk 3 ook al zagen, van mindere kwaliteit zijn. Als we dieper de data induiken dan zien we dat binnen het continent Afrika landen die gemiddeld genomen producten van mindere kwaliteit importeren juist veel NTM-regelgeving kennen vergeleken met andere landen in Afrika die een importportefeuille van hogere kwaliteit hebben. Dit lijkt alleen mogelijk als de TBT’s in deze landen niet bijzonder strikt zijn of niet strikt worden gehandhaafd. Dat zou kunnen verklaren waarom Nederlandse exporteurs hun productkwaliteit en daarmee hun productiekosten kunnen laten zakken zonder onder de kwaliteitslimiet van de TBT te gaan. Beide effecten heffen elkaar vervolgens min of meer op, zodat netto prijzen nauwelijks beïnvloed worden.

4.3.2Bruto en netto kosten per werelddeel
(1) Bruto kosten (2) Kwaliteitseffect (3) Netto kosten
Afrika Per maatregel –0,3*** –0,4** 0,1**
Elasticiteit –0,03** –0,03*** 0
Noord-Amerika Per maatregel 0 0,1*** –0,1***
Elasticiteit 0 0,01* –0,02***
Midden- en Zuid- Amerika Per maatregel 0,2*** 0,4*** –0,1***
Elasticiteit 0,02*** 0,03*** –0,01***
Azië Per maatregel 0 0,2*** –0,1***
Elasticiteit 0,01* 0,02*** –0,01***
Europa (niet-EU) Per maatregel 0 0 0
Elasticiteit 0,02* –0,01 –0,01**

Noot: Europa (niet-EU) bestaat voornamelijk uit Zwitserland, Noorwegen en Rusland. De nettokosten kunnen mogelijk afwijken van de bruto kosten minus het kwaliteitseffect vanwege afronding op twee decimalen.

*p<0,1; **p<0,05; ***p<0,01

4.4Samenvatting en conclusie

De legitimiteit van SPS- en TBT-maatregelen is binnen de WTO een constante bron van discussie. Tegenstanders claimen daarbij dat deze maatregelen handelsbelemmerend werken en daarmee simpelweg een substituut zijn van illegitieme importtarieven. Voorstanders claimen echter dat SPS- en TBT-maatregelen er zijn om de veiligheid en kwaliteit van producten te waarborgen voor mens, dier, plant en natuur. In het vorige hoofdstuk is aangetoond dat die laatste groep in ieder geval deels gelijk heeft aangezien deze technische maatregelen de kwaliteit van producten aantoonbaar verhogen. In dit hoofdstuk wordt voortgeborduurd op dit inzicht en kijken we naar het kostenplaatje. Op basis van de bruto kosten kunnen ook de tegenstanders deels hun gelijk halen aangezien deze maatregelen tot significant hogere kosten leiden voor de Nederlandse exporteur.

In een vervolgstap laten we zien dat de bruto kosten opgesplitst kunnen worden in dat deel dat een hogere kwaliteit vertegenwoordigt en de restwaarde, die we als netto kosten interpreteren. Deze exercitie maakt duidelijk dat de kwaliteitsimpuls uitgaande van zowel SPS- als TBT-maatregelen de daarvoor gemaakte kosten ruimschoots compenseert. Zo leidt een additionele TBT-maatregel tot gemiddeld 0,05 procent hogere bruto kosten, maar is de kwaliteitsverhoging met 0,15 procent drie keer zo hoog. Verder laten we zien dat met name de subhoofdstukken B2, B4 en B7 tot significante kwaliteitsverbeteringen leiden maar niet tot significant hogere kosten, waardoor ook die maatregelen onder de streep een voordeel zouden moeten opleveren voor exporteurs. De enige TBT-maatregel die tot duidelijk meer kosten leidt zonder dat daar meteen wat tegenover staat voor wat betreft kwaliteitsverbetering, zijn de conformiteitsbeoordelingen (B8). Dat is echter logisch, omdat het eigenlijke kwaliteitseffect bij de productmaatregel zit, terwijl de conformiteitsbeoordeling puur een controle is of aan deze maatregel is voldaan.

Ten slotte kijken we naar verschillen in de geobserveerde patronen voor TBT’s in verschillende exportbestemmingen en tussen exporteurs van verschillende omvang of met uiteenlopende eigendomsstructuren. Zo zijn de bruto kosten van TBT’s met name hoog in Midden- en Zuid-Amerika, wat verklaard zou kunnen worden door het relatief grote aantal NTM’s dat aldaar wordt gevoerd als bijvoorbeeld stapelingseffecten een rol spelen. In Afrika zijn de kosten juist negatief, wat mogelijk veroorzaakt wordt doordat de TBT’s die daar gelden mogelijk minder veeleisend zijn of minder strikt gehandhaafd worden. In termen van heterogeniteit van bedrijven zien we dat met name het zelfstandig mkb, bedrijven die niet in buitenlandse handen zijn en bedrijven die geen buitenlandse filialen hebben de hoogste bruto kosten van TBT’s kennen. Dit heeft ermee te maken dat deze groepen bedrijven goederen exporteren van relatief lagere kwaliteit waardoor ze vaak nog een extra stapje moeten zetten om aan de TBT-regelgeving te voldoen. Tegelijkertijd zijn dit ook de bedrijven die de grootste kwaliteitsimpulsen realiseren waardoor het effect in termen van de netto kosten nagenoeg identiek is tussen de verschillende groepen. De andere bedrijven, dus de grote en internationaal ingebedde bedrijven, exporteren over het algemeen al een gemiddelde productkwaliteit die de ondergrens van TBT’s overschrijdt.

Om de discussie tussen de voor- en tegenstanders van NTM’s met nog meer feiten te voeden zou het waardevol zijn om dit onderzoek langs meerdere lijnen te vervolgen. Ten eerste zou het goed zijn om naast prijzen en kwaliteitsmetingen ook de totale waarde of hoeveelheid van de handel te analyseren in het licht van handelspolitieke beleidsmaatregelen. Ook zou het helpen om deze analyses op nog gedetailleerder microniveau te doen, per product, land en NTM-type. Zodoende kan specifiek gekeken worden per NTM-, land- en productcombinatie of een maatregel legitiem is in termen van kwaliteitsverhoging en daarbij niet te zeer handelsbelemmerend optreedt. Ook de rol van handelsverdragen is daarbij zeer relevant. In hoeverre kunnen bepalingen binnen veelomvattende handelsverdragen, bijvoorbeeld over de harmonisering van de regelgeving, bijdragen aan het omlaag brengen van de kosten van NTM’s? Denk daarbij bijvoorbeeld ook aan de kosten rond conformiteitsbeoordelingen. Dergelijke vraagstukken zullen de komende jaren actueel blijven en het CBS hoopt daarbij een steentje bij te kunnen blijven dragen aan het voeden van de discussies met relevant onderzoek.

4.5Data en methoden

De data die in dit hoofdstuk gebruikt wordt is grotendeels identiek aan de data die in het vorige hoofdstuk gebruikt werd (zie paragraaf 3.6 voor die beschrijving). Ook hier koppelen we exportgegevens van Nederlandse bedrijven over de periode 2013–2017 aan handelspolitieke instrumenten zoals SPS-maatregelen, TBT’s en handelstarieven. Laatstgenoemde data komt van de externe databases van Ghodsi (2021). Kwaliteit wordt geschat volgens de methode van Khandelwal et al. (2013), wat wederom beschreven staat in paragraaf 3.6. Ook laten we intra-EU handel in deze analyse wederom buiten beschouwing, waardoor onze sample bestaat uit grofweg 2 miljoen observaties van extra-EU handel.

Wat in dit hoofdstuk nieuw is, is dat we naast kwaliteit ook bruto prijzen (unit values) en netto prijzen (quality adjusted prices) regresseren op de handelspolitieke instrumenten en verschillende controlevariabelen. Specifiek:

P f p c t = S P S p c t + T B T p c t + t a r p c t + S P S . E U p c t + T B T . E U p c t + ln p r o d f t + z m k b f t + θ c t + τ p + ε f p c t

Waarbij de prijs P, unit values of quality adjusted prices kunnen zijn. Voor de berekening van quality adjusted prices volgen we bijvoorbeeld Fan et al. (2015): (log) quality adjusted price = (log) unit value – (log) kwaliteit. Deze prijzen van bedrijf f’s product p naar bestemming c in jaar t worden dan verklaard aan de hand van importtarieven (tar) en SPS- en TBT-maatregelen in het bestemmingsland (SPS en TBT), alsook de SPS- en TBT-maatregelen die gelden in Nederland (SPS.EU en TBT.EU). Verder controleren we voor de productiviteit en de grootteklasse van het bedrijf, alsook voor niet-geobserveerde verschillen tussen landen en jaren ( θ c t ) en tussen producten τ p .

Paragraaf 3.6 heeft al uitgelegd dat de NTM-variabelen op drie verschillende manieren worden benaderd: via hun aantallen in logs, hun aantallen in levels en via een simpele dummy variabele die per product*land aangeeft of er minimaal 1 NTM op geldt of niet. Dit betekent dat er voor het berekenen van de daadwerkelijke (bruto of netto) AVE drie opties bestaan. In dit hoofdstuk hebben we voornamelijk naar de (log en levels) aantallen gekeken. De resulterende AVE’s verschillen echter sterk tussen deze drie benaderingen. Ondanks dat een AVE een NTM dus omrekent naar dezelfde meeteenheid als een importtarief, kunnen ze vanwege dit soort methodologische verschillen niet altijd direct vergeleken worden met importtarieven. Om toch uitspraken te doen over de gemiddelde kosten van NTM’s ten opzichte van importtarieven is verder onderzoek nodig, bijvoorbeeld in de stijl van Niu et al. (2018).

4.6Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Van den Berg, M., Franssen, L. & Mounir, A. (2020). Europese importtarieven: wie betaalt de rekening? In M. Jaarsma & A. Lammerstma (Red.), Internationaliseringsmonitor 2020, vierde kwartaal: Handelsbeleid: Tarieven en Verdragen. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Fan, H., Li, Y. A. & Yeaple, S. R. (2015). Trade liberalization, quality, and export prices. Review of Economics and Statistics97(5), 1033–1051.

Ghodsi, M., Grübler, J. & Stehrer, R. (2016). Estimating Import-Specific Ad Valorem Equivalents of Non-Tariff Measures. Working Paper 129. Wenen: Wiener Institut für Internationale Wirtschaftsvergleiche (wiiw).

Ghodsi, M. & Stehrer, R. (2019). Non-tariff Measures in the Presence of Global Value Chains and their Impact on Productivity. In J. F. Francois, & B. Hoekman (Red.), Behind-the-border Policies. Assessing and Addressing Nontariff Measures (pp. 65–99). Cambridge: Cambridge University Press.

Ghodsi, M. (2021). Exploring ‘Non-Tariff Measures Black Box’: Whose Regulative NTMs on Which Products Improve the Imported Quality? (No. 195). Wenen: Wiener Institut für Internationale Wirtschaftsvergleiche (wiiw).

Khandelwal, A. K., Schott, P. K. & Wei, S. J. (2013). Trade liberalization and embedded institutional reform: Evidence from Chinese exporters. American Economic Review, 103(6), 2169–95.

Niu, Z., Liu, C., Gunessee, S. & Milner, C. (2018). Non-tariff and overall protection: evidence across countries and over time. Review of World Economics, 154(4), 675–703.

Shepherd, B. & Peters, R. (2020). Brexit Beyond Tariffs: The Role of Non-tariff Measures and the Impact on Developing Countries. UNCTAD Research Paper No. 42. Genève: UNCTAD.

Noten

Dit is op basis van een dummyvariabele voor de aanwezigheid van een A5-maatregel terwijl de coëfficiënten in tabel 4.2.1 op basis van (logs en levels) aantallen maatregelen zijn.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Marcel van den Berg

Timon Bohn

Sarah Creemers

Dennis Dahlmans

Loe Franssen

Marjolijn Jaarsma

Angie Mounir

Tom Notten

Janneke Rooyakkers

Khee Fung Wong

Redactie

Sarah Creemers

Marjolijn Jaarsma

Janneke Rooyakkers

Eindredactie

Sarah Creemers

Marjolijn Jaarsma

Janneke Rooyakkers

Dankwoord

We danken de volgende personen voor hun constructieve bijdrage aan deze editie van de Internationaliseringsmonitor:

Deirdre Bosch

Frans Dinnissen

Gerard den Drijver

Mahdi Ghodsi

Janneke Hendriks

Irene van Kuik

Sandra Vasconcellos

Rik Verhulst

Gabriëlle de Vet

Karolien van Wijk

Hendrik Zuidhoek