Importtarieven, NTM’s en exportkwaliteit
Bedrijven die producten van hogere kwaliteit exporteren zijn doorgaans succesvoller als exporteur. Wanneer deze exporteurs echter geconfronteerd worden met hogere handelskosten door importtarieven of niet-tarifaire maatregelen dan kan dit ten koste gaan van de kwaliteit. Daar staat wel tegenover dat NTM’s in de vorm van SPS- en TBT-maatregelen er juist primair voor zijn om de kwaliteit en veiligheid van producten en daarmee het welzijn van mens, dier, plant en natuur te waarborgen. Dit hoofdstuk zoekt uit in hoeverre importtarieven en NTM’s in bestemmingslanden de kwaliteit van de Nederlandse export beïnvloeden. Wat zijn de achterliggende mechanismen van dit effect? Zien we verschillen tussen bedrijven of tussen de (verschillende typen van) SPS- en TBT-maatregelen? Speelt de striktheid van de regels een rol? Deze vragen komen in dit hoofdstuk uitgebreid aan bod.
3.1Inleiding
Nederland behoort tot de wereldwijde top voor wat betreft de kwaliteit van de export van goederen. Volgens de ranglijst van de IMF van 2014 staat Nederland op de vierde plaats wereldwijd (Henn et al., 2013). Nederlandse producenten zouden echter nóg betere producten kunnen exporteren. Zo laat CBS (2019) zien dat Nederlandse exporteurs de grootste exportomzet genereren met het verhandelen van hun kwalitatief mindere aanbod. Een simpele verklaring hiervoor is dat producten van lage kwaliteit voor consumenten in het ene land, van hoge kwaliteit voor consumenten elders kunnen zijn. Daarnaast zijn consumenten hier en elders doorgaans opzoek naar de beste prijs-kwaliteitsverhouding. Consumenten kunnen namelijk genoegen nemen met een iets lagere kwaliteit, als ze hiervoor een voordeligere prijs kunnen betalen.
In de Internationaliseringsmonitor van het vierde kwartaal van 2019 (CBS, 2019) is de productkwaliteit van de Nederlandse export van goederen voor het eerst in kaart gebracht. Zo bleek kwaliteit positief samen te hangen met de prijs. Daarnaast verschilt kwaliteit met de kenmerken van producten en bestemmingslanden. Zo exporteren Nederlandse bedrijven producten van hogere kwaliteit naar landen met een hoger ontwikkelingsniveau in termen van inkomen per hoofd en naar landen verder weg. Verder zijn niet alle producten even geschikt voor kwaliteitsverhoging of -verlaging. Met name gedifferentieerde producten lenen zich tot kwaliteitsveranderingen. Homogene producten aan de andere kant bieden vaak minder ruimte om in kwaliteit, en dus ook in prijs, te variëren.
Productkwaliteit betreft in dit verband meer dan alleen de observeerbare en objectieve kenmerken van een product. Het gaat hier namelijk om alle aspecten die de vraag naar een product vergroten ten opzichte van vergelijkbare producten die hetzelfde geprijsd zijn. Deze aspecten strekken verder dan enkel de fysieke kenmerken van een product. Het gaat bijvoorbeeld ook om marketinginspanningen, zoals branding en product placement, die bijdragen aan de gepercipieerde, oftewel ervaren, kwaliteit van een product.
Naast de kenmerken van product en bestemmingsland, kunnen diverse aspecten van handelspolitiek, namelijk tarifaire (importtarieven) en niet-tarifaire maatregelen, van invloed zijn op de uiteindelijke kwaliteit van de export. Niet-tarifaire maatregelen (NTM’s) zijn er in de basis namelijk om de veiligheid en kwaliteit van producten en daarmee het welzijn van mens, dier, plant en natuur te waarborgen. De verwachting is daarom dat producten geëxporteerd naar een land waar een NTM geldt van een gepercipieerd hogere kwaliteit zijn dan dezelfde producten die naar een land zonder deze regel gaan. Dit werd in de Internationaliseringsmonitor van 2019 ook al aangetoond voor een drietal producten. Zo zijn deuren en ramen (van staal), autobanden, en opblaasbare ballen (sport) van een hogere kwaliteit als deze geëxporteerd worden naar landen waar een NTM op deze producten van toepassing is. Naast NTM’s kent de internationale handelspolitiek de tarifaire maatregelen. Deze invoertarieven hebben vaak het beschermen van de binnenlandse markt tegen buitenlandse concurrentie als doel. Zijn deze maatregelen ook van invloed op de kwaliteit van de producten die de binnenlandse markt bereiken? Hebben tarieven en NTM’s via hetzelfde mechanisme een effect op productkwaliteit?
In hoofdstuk 1 hebben we een beeld geschetst van de verschillende typen NTM’s en de gevolgen daarvan voor internationale handel. In hoofdstuk 2 zijn de NTM’s waarmee de Nederlandse exporteur te maken heeft in kaart gebracht. In dit hoofdstuk kijken we verder naar de gevolgen van de verschillende maatregelen in de handelspolitiek, met name NTM’s maar ook tarifaire maatregelen, voor de Nederlandse export. De focus ligt daarbij op het verband tussen deze handelsbarrières en de kwaliteit van de geëxporteerde producten. Dit hoofdstuk bouwt hiermee voort op de bevindingen van de Internationaliseringsmonitor van het vierde kwartaal 2019 (CBS, 2019), waar de kwaliteit van de Nederlandse export voor het eerst is onderzocht. In dit hoofdstuk staan de volgende vragen centraal:
- Hoe ziet het verband tussen tarifaire maatregelen en de kwaliteit van de export eruit en welke factoren zijn van invloed op deze relatie?
- Hangt de aanwezigheid van niet-tarifaire maatregelen, zowel SPS als TBT, en een toename daarvan samen met veranderingen in de kwaliteit van geëxporteerde producten naar de betreffende markten?
- Welke rol speelt de striktheid van NTM’s, of de mate waarin deze werkelijk gehandhaafd worden, in het verband tussen deze maatregelen en productkwaliteit?
Om deze onderzoeksvragen te beantwoorden maken we gebruik van een verbeterde versie van de econometrische schattingsmethode van CBS (2019) om de kwaliteit van een geëxporteerd product te destilleren uit de beschikbare informatie over de betreffende exporttransactie (zie CBS, 2019; Khandelwal et al., 2013; Fauceglia, 2019). Het resultaat van deze schattingsmethode is een dataset van de kwaliteit van de Nederlandse export op bedrijf-product-bestemmingslandniveau voor de jaren 2013–2017. Hoewel de meeste benodigde gegevens voor het schatten van kwaliteit beschikbaar zijn voor de latere jaren, zijn we in onze schatting van kwaliteit afhankelijk van externe bronnen die maar tot en met 2017 beschikbaar zijn. Voor meer details over de methode en de daarvoor benodigde bronnen, zie paragraaf 3.6.
Leeswijzer
Dit hoofdstuk begint in paragraaf 3.2 met een overzicht van de verschillende aspecten van exportkwaliteit, gebaseerd op de methoden van de Internationaliseringsmonitor van 2019. In paragraaf 3.3 kijken we naar het verband tussen tarifaire maatregelen en kwaliteit van de Nederlandse export en de belangrijkste aspecten van bedrijvenheterogeniteit van invloed op dit verband. Vervolgens kijkt paragraaf 3.4 naar de relatie tussen niet-tarifaire maatregelen en productkwaliteit. Naast de aanwezigheid van NTM’s, doet deze paragraaf een eerste poging om de striktheid van deze maatregelen te kwantificeren en de gevolgen daarvan voor exportkwaliteit in kaart te brengen. Paragraaf 3.5 vat ten slotte de bevindingen samen.
3.2Exportkwaliteit en kenmerken van producten en bestemmingslanden
De meest voorkomende maat van exportkwaliteit is de prijs van de geëxporteerde goederen zelf (zie bijvoorbeeld Bastos & Silva, 2010; Carranza et al., 2019). Dit komt doordat de kwaliteit van geëxporteerde producten zelden direct wordt waargenomen. De keuze voor de prijs als proxy voor kwaliteit wordt vooral gemotiveerd door het sterke positieve verband tussen de prijs per eenheid en de bestaande schattingen van kwaliteit van geëxporteerde producten (zie bijvoorbeeld Manova & Zhang, 2012). Rekening houdend met overige factoren die de prijs van een product beïnvloeden, is het aannemelijk te veronderstellen dat een bedrijf dat producten van hoge kwaliteit exporteert daar een relatief hoge prijs voor kan vragen zonder dat dat tot gevolg heeft dat de vraag wegvalt. Ook in de Nederlandse goederenhandel wordt kwaliteit niet waargenomen, maar geschat volgens dezelfde methode van hoofdstuk 2 in de Internationaliseringsmonitor van het vierde kwartaal van 2019 (CBS, 2019).
Figuur 3.2.1 toont het verband tussen de gewogen gemiddelde prijs per eenheid en de gewogen gemiddelde kwaliteit per geëxporteerd product (op de 8‑digit GN classificatie) in 2017. Met een correlatie van 0,48 is dit verband duidelijk sterk positief in het geval van de Nederlandse export.
De kwaliteit, net zoals eenheidsprijs, hangt samen met kenmerken van het geëxporteerde product en het land van bestemming. Zo worden producten van hogere kwaliteit verkocht aan landen met een hoger ontwikkelingsniveau in termen van inkomen per capita van de bevolking. Zo exporteren bedrijven in het algemeen betere producten naar rijkere landen, omdat consumenten in deze markten meer geld kunnen besteden aan kwalitatief betere producten. Figuur 3.2.2 toont de verdeling van kwaliteit naar inkomensniveau van bestemmingsland voor een voorbeeld product, namelijk fietsen. Zo zien we dat de kwaliteit van fietsen die naar landen met een middelhoog inkomen worden geëxporteerd inderdaad hoger is dan de kwaliteit van de uitvoer naar landen met een laag inkomen per hoofd. De export naar landen met een hoog inkomen is gemiddeld ook van betere kwaliteit dan deze naar landen met een middelhoog inkomen. Dit geldt niet voor de onderkant van de distributie van de kwaliteit van fietsen uitgevoerd naar hoog inkomenslanden, daar lijkt de kwaliteit soms lager te zijn dan landen met een middelhoog inkomen per hoofd. Dit komt mogelijk doordat er in deze figuur nog geen rekening is gehouden met andere factoren die van invloed kunnen zijn op kwaliteit, zoals bijvoorbeeld bedrijfskenmerken. Het positieve verband tussen kwaliteit en inkomensniveau werd, in CBS (2019) echter duidelijk bevestigd door een econometrische analyse waar wel rekening is gehouden met overige factoren van belang. Ook de afstand tot bestemmingslanden speelt een rol. Zo blijkt uit onderzoek dat de gemiddelde kwaliteit van de export tussen twee landen hoger is als de afstand groter is (zie onder andere CBS, 2019; Bastos & Silva, 2010; Manova & Zhang, 2012; Baldwin & Harrigan, 2011). Een mogelijke verklaring hiervoor is dat transportkosten, die over het algemeen per eenheid product min of meer een gegeven zijn, de relatieve prijs van producten van hoge kwaliteit verlagen ten opzichte van alternatieven van lage kwaliteit voor buitenlandse consumenten. Dit verschijnsel wordt ook wel het Washington apples of het Alchian Allen effect genoemd (Hummels & Skiba, 2004).
| inkomensgroep | Laag & middellaag inkomen (Exportkwaliteit (ln)) | Middelhoog inkomen (Exportkwaliteit (ln)) | Hoog inkomen (Exportkwaliteit (ln)) |
|---|---|---|---|
| Exportkwaliteit (ln) | Minimum: -3,707225 1e kwartiel: -2,39199 Mediaan: -1,242527 2e kwartiel: 0,3310653 Maximum: 1,588445 | Minimum: -2,439847 1e kwartiel: -1,137504 Mediaan: -0,1988571 2e kwartiel: 0,7024804 Maximum: 2,285494 | Minimum: -3,523263 1e kwartiel: -0,6253207 Mediaan: 0,2124175 2e kwartiel: 1,016653 Maximum: 2,487583 |
Naast bestemmingslanden spelen ook de kenmerken van het product zelf een belangrijke rol. Zo zien we bijvoorbeeld meer variatie in de kwaliteit van de export bij gedifferentieerde producten dan in het geval van homogene goederen, zoals te zien is in figuur 3.2.3. Door de aard van deze productengroep is er namelijk meer ruimte om de kwaliteit van de export te variëren. Deze variatie in kwaliteit hangt verder samen met de kenmerken van zowel de exporteurs zelf (zoals productiviteit en bedrijfsomvang) als de bestemmingsmarkten (zoals afstand en ontwikkelingsniveau). Denk daarbij aan de productiviteit van bedrijven, of het gemiddelde inkomen per bestemmingsland.
Naast kenmerken van het product en het bestemmingsland, varieert de kwaliteit van de export ook met de kenmerken van de exporteur. Zo exporteren productievere bedrijven in het algemeen producten van betere kwaliteit (zie figuur 2.4.1 in CBS (2019) voor een voorbeeld). Dit zijn namelijk de bedrijven die de kosten van innovatie om het product te verbeteren makkelijker kunnen dragen. Verder verkopen bedrijven die tot het zelfstandig mkb behoren gemiddeld producten van lagere kwaliteit dan concurrenten onder het grootbedrijf. Dit hangt opnieuw samen met de productiviteit van het bedrijf en of het wel of niet de kosten van innovatie kan dragen. Figuur 3.2.4 toont dit verschil in exportkwaliteit tussen het zelfstandig mkb en het grootbedrijf door middel van een voorbeeld, namelijk de kwaliteit van de export van fietsen en onderdelen daarvan. Ook hier wordt geen rekening gehouden met overige factoren van invloed op de kwaliteit. Het verband tussen productiviteit en bedrijfsomvang in termen van werkzame personen aan de ene kant en exportkwaliteit aan de andere kant wordt echter bevestigd door middel van een econometrisch model waar wel rekening wordt gehouden met dergelijke overige factoren.
| Exportkwaliteit | Zmkb (Exportkwaliteit (ln)) | Grootbedrijf (Exportkwaliteit (ln)) |
|---|---|---|
| Exportkwaliteit | Minimum: -3,707225 1e kwartiel: -1,086124 Mediaan: -0,2531173 2e kwartiel: 0,6983821 Maximum: 2,46278 | Minimum: -1,868083 1e kwartiel: 0,1003225 Mediaan: 0,7872993 2e kwartiel: 1,251619 Maximum: 2,487583 |
3.3Importtarieven en exportkwaliteit
Hogere kwaliteit en prijs exportproducten bij tariefverlagingen
Naast afstand, ontwikkelingsniveau en aard van het verhandelde product, hangt exportkwaliteit ook samen met een ander product-land kenmerk, namelijk de aanwezigheid van en de veranderingen in importtarieven op de verschillende producten in bestemmingslanden. Hoe lager de importtarieven op een product, hoe hoger de (buitenlandse) concurrentie op de betreffende markt. In het geval van lagere importtarieven onderscheiden succesvolle exporteurs zich vaker door het produceren van kwalitatief betere producten. Een hogere kwaliteit staat bedrijven niet alleen toe om hun marktaandeel te beschermen, maar ook om een hogere prijs te vragen en hun winstmarge op te schroeven. Zo zien we regelmatig een toename in zowel de kwaliteit als de prijs van producten geëxporteerd naar een bepaald land bij verlagingen van de tarieven op de betreffende producten in deze markten (Amiti & Khandelwal, 2013; Fan et al., 2015; Ludema & Yu, 2016; Burstein & Melitz, 2013).
Als we voor de Nederlandse export kijken naar de ontwikkeling van productkwaliteit voor producten waar tussen 2013 en 2017 een tariefverlaging heeft plaatsgevonden in het bestemmingsland ten opzichte van producten waarbij dat niet is gebeurd, dan zien we een duidelijke toename in de kwaliteit van de producten in de eerste groep. Figuur 3.3.1 toont de verdeling van de kwaliteit van geëxporteerde producten waarvan de tarieven of gelijk zijn gebleven (linker paneel) of zijn afgenomen (rechter paneel) tussen de twee jaren. Op de horizontale as bevindt zich onze geschatte maat van kwaliteit. Op de verticale as bevindt zich de kans dat de kwaliteit onder een bepaalde waarde valt. Een alternatieve, en simpelere, interpretatie van de verticale as is dat het een vertegenwoordiging is van de frequentie waarmee een bepaald niveau van kwaliteit voorkomt in de betreffende groep.
Uit het rechter paneel blijkt de verdeling van de kwaliteit in 2017 naar rechts opgeschoven te zijn. Dit betekent dat producten van hogere kwaliteit vaker voorkomen in 2017 dan in 2013 binnen de producten met tariefverlagingen tussen die twee jaren. Met andere woorden, tariefverlagingen op een bepaald product gaan gepaard met een toename in de gemiddelde kwaliteit van de export van Nederlandse bedrijven van dat product. Een econometrische test toont aan dat deze verschuiving statistisch betekenisvol is. Verder toont het linker paneel aan dat deze kwaliteitsverbetering niet aanwezig is bij producten waar geen tariefverlaging voor heeft plaatsgevonden.
De relatie tussen productkwaliteit en tariefverlagingen is afhankelijk van meerdere factoren, waaronder de afstand tot de hoogste kwaliteit op de markt, productiviteit van het bedrijf en de mogelijkheden tot differentiatie binnen het product.
Superieure producten worden beter en inferieure producten juist slechter
Bij een tariefverlaging maken bedrijven eerst een inschatting van waar zij zich bevinden ten opzichte van de concurrentie, alvorens ze door middel van innovatie hun productkwaliteit gaan verhogen (Amiti & Khandelwal, 2013). Wanneer een exporteur zich realiseert dat zijn productkwaliteit tot de top behoort, zal hij de tariefverlaging benutten om zijn marktaandeel te behouden. Wanneer de exporteur zich ervan bewust is dat zijn product niet tot de kwalitatief beste producten behoort, zal hij ervoor kiezen om te concurreren op basis van een lagere prijs in plaats van in te zetten op innovatie. Het verschil tussen de kwaliteit van het product en die van de hoogste kwaliteit op de markt, wat we in dit hoofdstuk de kwaliteitsfrontier zullen noemen, is dus een belangrijke determinant.
Om te onderzoeken of dezelfde patronen ook onder Nederlandse exporteurs te identificeren zijn, kijken we in eerste instantie naar een simpele correlatie tussen tariefverlagingen tussen 2013 en 2017 aan de ene kant en veranderingen in de afstand tussen de exportkwaliteit van een bepaald bedrijf en de top kwaliteit binnen de betreffende combinatie van product en exportbestemming aan de andere kant. Met een correlatie van 0,23 laat deze analyse duidelijk zien dat het bovengenoemde verband tussen kwaliteit en tarieven ook voor de Nederlandse handel geldt. In figuur 3.3.2 splitsen we deze kwaliteitsveranderingen in 3 groepen van relatieve productkwaliteit: (1) producten van bedrijven die het verst afstaan van de kwaliteitsfrontier binnen de betreffende product-land combinatie; (2) producten van bedrijven die op een gemiddelde afstand staan van de kwaliteitsfrontier en (3) bedrijven die met hun export juist heel dicht bij de kwaliteitsgrens in de respectievelijke product-land combinatie staan. Uit figuur 3.3.2 blijkt dat de grootste verbetering in kwaliteit tussen 2013 en 2017 in de derde groep valt. Bij de eerste groep neemt kwaliteit in ruim de helft van de gevallen zelfs af.
| Afstand tot wereldkwaliteit | Grote afstand (Afstand tot wereldkwaliteit) | Gemiddelde afstand (Afstand tot wereldkwaliteit) | Kleine afstand (Afstand tot wereldkwaliteit) |
|---|---|---|---|
| Grote afstand | Minimum: -12,0611 1e kwartiel: -0,7998902 Mediaan: -0,0422847 2e kwartiel: 0,4062503 Maximum: 4,925513 |
Minimum: -2,574674 1e kwartiel: -0,3575755 Mediaan: 0,1236488 2e kwartiel: 0,5752149 Maximum: 6,819851 |
Minimum: -1,119305 1e kwartiel: -0,0605124 Mediaan: 0,2351595 2e kwartiel: 0,6404899 Maximum: 7,952852 |
Figuur 3.3.2 maakt echter geen onderscheid tussen producten met of zonder een daling in tarieven tussen 2013 en 2017. Deze figuur laat dus alleen zien dat bedrijven die betere kwaliteit exporteerden in 2013 hun kwaliteit verder hebben verbeterd in de vier daaropvolgende jaren. Bedrijven die in termen van exportkwaliteit juist aan de lagere kant lagen in 2013, hebben hun kwaliteit veel minder kunnen verbeteren en in ruim de helft van de gevallen juist laten dalen tussen 2013 en 2017. Als we in een econometrisch model naast deze twee dimensies ook veranderingen in tarieven toevoegen, dan ontstaat het beeld zoals in figuur 3.3.3. Daar worden de verschillen tussen de drie groepen opnieuw bevestigd. Daarnaast zien we dat bedrijven die al dichtbij de kwaliteitsgrens lagen hun kwaliteit juist verbeteren (verslechteren) bij een tariefverlaging (verhoging). Bedrijven die in termen van kwaliteit heel ver van de top kwaliteit af zaten in de markt in 2013, reageerden aanzienlijk minder op veranderingen in tarieven in termen van hun exportkwaliteit. Dit bevestigt het beeld van de literatuur dat producenten van reeds kwalitatief hoogstaande producten diegenen zijn die zich verder verbeteren bij een tariefverlaging, terwijl de kwalitatief mindere producenten dat niet doen. Dit resultaat is in lijn met de bevindingen in de literatuur. Deze laat namelijk zien dat de top producenten sterker reageren op tariefveranderingen dan bedrijven die producten van mindere kwaliteit exporteren. Die laatste groep past voornamelijk zijn prijs aan, in plaats van zijn kwaliteit, als reactie op een tariefverhoging of verlaging.
| Handelstarief % | Grote afstand | Gemiddelde afstand | Kleine afstand |
|---|---|---|---|
| 1,00 | 0,21 | 1,08 | 2,66 |
| 1,65 | 0,22 | 1,06 | 2,57 |
| 4,48 | 0,23 | 1,04 | 2,49 |
| 7,39 | 0,23 | 1,01 | 2,40 |
| 12,18 | 0,24 | 0,99 | 2,32 |
| 20,09 | 0,24 | 0,97 | 2,24 |
| 33,12 | 0,25 | 0,95 | 2,17 |
Productievere bedrijven en gedifferentieerde producten zien vaker kwaliteitsverbetering
Een verbetering in kwaliteit als reactie op een tariefverlaging vergt innovatie en gaat dus gepaard met kosten. Sowieso kunnen niet alle bedrijven deze kosten dragen. Daarnaast is er in sommige gevallen, door de aard van het product, minder ruimte voor innovatie en kwaliteitsverbeteringen. Twee belangrijke factoren die het verband tussen tariefveranderingen en kwaliteitsverbeteringen ook beïnvloeden zijn daarom de productiviteit van het bedrijf en de mate waarin een product überhaupt te differentiëren is in termen van kwaliteit (Ludema & Yu, 2016; Fan et al., 2015). Productieve bedrijven kunnen meer en beter innoveren en kunnen daarom makkelijker de kwaliteit van hun producten verhogen indien dat opportuun lijkt te zijn. Gedifferentieerde producten bieden meer mogelijkheden om de kwaliteit te variëren en dus ook te verbeteren (zie figuur 3.2.3).
In een econometrisch model houden we rekening met de rol van deze drie factoren in de relatie tussen tarieven en productkwaliteit. De bevindingen bevestigen het hierboven geschetste beeld. Ook nadat we controleren voor verschillen tussen producten, bedrijven, exportbestemmingen en jaren is de relatie tussen importtarieven en productkwaliteit aantoonbaar negatief. Dit verband is sterker onder productievere bedrijven, producten die kwalitatief beter van elkaar te onderscheiden zijn en bij producten dichterbij de kwaliteitsfrontier. Figuur 3.3.4 laat bijvoorbeeld zien hoe het verband tussen importtarieven en productkwaliteit eruit ziet bij productievere en minder productieve bedrijven.
Zo zien we bij beide groepen een daling van de productkwaliteit naarmate de tarieven omhoog gaan. Deze daling is echter veel scherper in het geval van productievere bedrijven. Bij een tariefverlaging gaat de kwaliteit van de export gemiddeld omhoog, maar de toename is aanzienlijk groter onder productievere bedrijven. Productievere bedrijven proberen zich voornamelijk te onderscheiden op basis van productkwaliteit, terwijl de minder productievere bedrijven zich vooral proberen te onderscheiden op basis van de prijs (Amiti & Khandelwal, 2013). Een toename in importtarieven leidt tot extra handelskosten waardoor dit specialisatie effect deels in toom gehouden wordt en het verschil tussen de twee groepen, in zowel kwaliteit als prijzen, kleiner wordt. Daarnaast exporteren productievere bedrijven sowieso gemiddeld producten van hogere kwaliteit (zie CBS, 2019 en paragraaf 3.2 hierboven) en liggen ze vóór een daling van tarieven al dichterbij de kwaliteitsfrontier van de betreffende markt.
| Importtarief | Meest productieve bedrijven | Minst productieve bedrijven |
|---|---|---|
| 1 | -0,0515475 | |
| 2,7 | -0,0909601 | |
| 7,4 | -0,0622769 | -0,1303727 |
| 20,1 | -0,1302683 | -0,1697854 |
| 54,6 | -0,1982596 | -0,209198 |
3.4NTM’s en exportkwaliteit
De analyse in paragraaf 3.3 toont aan dat importtarieven overduidelijk negatief samenhangen met de exportkwaliteit van producten. Doordat ze additionele kosten opleveren en de binnenlandse markt beschermen tegen buitenlandse concurrentie ontstaat er bij exporteurs minder ruimte voor en behoefte aan innovatie om geëxporteerde producten kwalitatief beter te maken. Alhoewel NTM’s weleens gezien worden als een substituut voor importtarieven hebben deze maatregelen een heel andere uitwerking op de kwaliteit en prijzen van de export. Zoals hoofdstuk 1 heeft uitgelegd zijn SPS- en TBT-maatregelen er primair om de veiligheid en kwaliteit van producten te waarborgen. Hoewel deze maatregelen de facto wel als een handelsbarrière kunnen fungeren, leiden ze in principe niet direct tot minder innovatie. Een NTM creëert namelijk juist een directe motivatie (en plicht) om productkwaliteit te verhogen. In deze paragraaf onderzoeken we of, en in hoeverre SPS- en TBT-maatregelen samenhangen met een verbetering van productkwaliteit zoals wij die hier meten. We maken daarbij wederom gebruik van de data en onderzoeksmethode zoals beschreven in paragraaf 3.6.
TBT- en SPS-maatregelen vaak gepaard met hogere kwaliteit
Een econometrische analyse laat zien dat TBT’s in de bestemmingsmarkt over het algemeen een significant positief effect hebben op de kwaliteit van het geëxporteerde product. Zo leidt één additionele TBT op een geëxporteerd product gemiddeld tot een kwaliteitsverhoging van 0,2 procent. Dit is uiteraard rekening houdend met alle andere factoren van invloed op productkwaliteit, zoals het algemene prijsniveau in bestemmingsmarkten, productkwaliteit of inkomen in het bestemmingsland, en overige bedrijfs-, land- en productkenmerken. Daarnaast houden onze berekeningen expliciet rekening met de TBT’s die de Europese Unie zelf oplegt. Het is immers aannemelijk dat de NTM’s die de EU stelt aan buitenlandse import ook op de productie binnen diezelfde EU een groot invloed hebben. Zoals hoofdstuk 1 laat zien, gelden NTM’s immers doorgaans ook voor de binnenlands geproduceerde goederen. De econometrische analyse bevestigt dat deze binnenlandse maatregelen een belangrijke rol spelen. Zo leidt een additionele EU TBT gemiddeld tot nog eens 0,2 procent hogere exportkwaliteit.
SPS-maatregelen lijken op het eerste zicht niet gepaard te gaan met kwaliteitsveranderingen. Hoofdstuk 2 heeft echter laten zien dat SPS-maatregelen voornamelijk in de agrarische sector (namelijk de productcategorieën landbouw, voedsel en natuurproducten, hoofdstukken 01–24 in de HS-indeling) voorkomen. Binnen deze sector zien we wel degelijk een significant verband tussen SPS-maatregelen en productkwaliteit. Zo ligt de kwaliteit van deze producten gemiddeld 9,6 procent hoger bij bestemmingslanden met één of meer SPS-maatregelen dan bij landen waar helemaal geen SPS-maatregelen van toepassing zijn. Verder hangt een toename van 1 procent in het aantal toegepaste SPS-maatregelen samen met een toename van 0,02 procent in de kwaliteit van deze geëxporteerde agrarische producten. TBT’s lijken daarentegen geen aantoonbare rol te spelen als het om de kwaliteit van agrarische producten gaat. Dat is niet vreemd, omdat SPS-maatregelen er specifiek voor deze productgroep zijn, waardoor TBT’s hier van minder belang zijn.
Welke maatregelen leveren de meeste kwaliteitsverbetering op?
De bovengenoemde resultaten voor SPS- en TBT-maatregelen worden bevestigd door een analyse met een alternatieve NTM-dataset, namelijk de TRAINS data van de UNCTAD. Op basis van deze dataset lijken TBT’s in het algemeen ook een aantoonbaar kwaliteitsverhogend effect op de export van producten te hebben. Ook specifiek de TBT’s bij de intra-EU handel blijken gepaard te gaan met een toename in de kwaliteit van de export. SPS-maatregelen spelen nog steeds alleen binnen de landbouw een rol als het om kwaliteit gaat.
Naast een extra robuustheidscheck van onze resultaten, biedt de TRAINS dataset vooral zicht op de samenstelling van de SPS- en TBT-maatregelen in termen van specifieke subhoofdstukken. Zie hoofdstukken 1 en 2 van deze Internationaliseringsmonitor voor een overzicht van de verschillende subhoofdstukken binnen SPS- en TBT-maatregelen. Met deze gedetailleerde informatie kunnen we inzichtelijker maken welke maatregelen precies gepaard gaan met kwaliteitsverbeteringen. Zo blijkt een verbetering van kwaliteit vooral voor te komen bij inzet van TBT-hoofdstukken B4 (productie en post-productievereisten), B7 (product kwaliteit, veiligheid of performance voorschriften) en tot zekere hoogte ook B2 (tolerantielimieten). Figuur 3.4.1 toont de verbetering in productkwaliteit bij één extra TBT-maatregel van deze drie subhoofdstukken.
| NTM type | Kwaliteitsverbetering (%) |
|---|---|
| TBT B2 | 2,4 |
| TBT B4 | 1,2 |
| TBT B7 | 0,9 |
| Bron: CBS, UNCTAD TRAINS | |
Een voorbeeld van een productievereiste (B4) is dat ‘halal’ vlees volgens de wetten van de Islam moet worden geslacht, terwijl een voorbeeld van een post-productievereiste, dat zich dan doorgaans richt op transport en opslag, is dat medicijnen onder een bepaalde temperatuur moeten worden bewaard. Dit zijn voorbeelden van beperkingen die ervoor zorgen dat de (ervaren) kwaliteit van de betreffende producten omhoog gaat. Uit de data blijkt dat zodra er minimaal één B4 TBT aanwezig is, de gepercipieerde productkwaliteit 3 procent hoger ligt. Verder komt er voor iedere additionele B4 maatregel nog eens 1,2 procent aan kwaliteitsverbetering boven op. B4 TBT’s hebben daarmee het grootste kwaliteit stuwende effect van alle TBT’s.
B7 maatregelen richten zich bij uitstek op het verbeteren van productkwaliteit en veiligheid middels bepaalde voorschriften voor eindproducten. Een deur moet bijvoorbeeld een bepaalde minimum temperatuur kunnen verdragen om aan de veiligheidseisen rondom vuurbestendigheid te voldoen. Voor wat betreft kwaliteit gaat het bijvoorbeeld om de specifieke inhoud van eindproducten of de levensduur ervan. Eén voorbeeld is dat speelgoed voor kinderen onder de drie jaar geen artikelen mag bevatten die kleiner zijn dan een bepaalde maat. Verder bevat dit subhoofdstuk performance maatregelen, oftewel of het product wel doet wat het zou moeten doen. Een voorbeeld hiervan zijn voorschriften voor fietsen met betrekking tot de rem capaciteit, of zelfs het zadel en de handvatten. Het is derhalve niet verrassend dat exportproducten die aan B7 maatregelen moeten voldoen ook vaak van betere kwaliteit zijn. Bij één additionele B7 TBT-maatregel zien we een toename van 0,9 procent in productkwaliteit.
Naast B4 en B7 maatregelen, lijken B2 TBT’s ook een positieve invloed op kwaliteit te hebben. Een B2 maatregel stelt namelijk een maximum grens aan het gebruik van mogelijk schadelijke stoffen zoals lood of oplosmiddelen in verf, het zoutgehalte in cement of zwavel in benzine. Eén additionele B2 TBT brengt een verbetering van 2,4 procent in gepercipieerde kwaliteit met zich mee.
Dit positieve effect van TBT-subhoofdstukken B2, B4 en B7 is robuust voor verschillende specificaties van de onderzoeksmethode zoals beschreven in paragraaf 3.6. Bij de andere hoofdstukken is dit effect ofwel niet eenduidig ofwel ontbrekend. Subhoofdstuk B6, wat betrekking heeft op product identiteitsvoorwaarden, heeft onder de verschillende specificaties namelijk altijd een significant negatief effect. Een voorbeeld van een B6 maatregel is dat chocolade bijvoorbeeld pas als zodanig wordt geclassificeerd als het minimaal 30 procent cacao bevat. Hoewel het negatieve effect van B6 zeer robuust is, blijft het achterliggende mechanisme waarmee deze maatregel de kwaliteit beïnvloedt tot op heden onduidelijk. Zoals hoofdstuk 2 laat zien is slechts 1,3 procent van de Nederlandse export onderhevig aan een B6 SPS-maatregel. Het geobserveerde effect van dit subhoofdstuk op kwaliteit is hier dus gebaseerd op een relatief beperkt aantal gevallen.
Ook onder SPS-maatregelen zien we niet overal dezelfde veranderingen in kwaliteit. Door onze analyse alleen te richten op landbouw producten, waar SPS-maatregelen vooral van toepassing zijn, zien we een verbetering in kwaliteit bij slechts twee subhoofdstukken, namelijk A1 (verboden of restricties) en A5 (behandeling voor eliminatie van plant en dier ziektes en ziekte verwekkende organismen in het eindproduct). Onder A1 vallen bijvoorbeeld bepaalde vereiste autorisaties van het Ministerie voor Volksgezondheid in het bestemmingsland die de exporteur dient te verkrijgen voordat bepaalde producten (bijvoorbeeld babyvoeding) geïmporteerd mogen worden. Eén additionele A1 maatregel brengt een verbetering van 1,2 procent in (gepercipieerde) kwaliteit met zich mee (figuur 3.4.2). Subhoofdstuk A5 betreft diverse maatregelen die ervoor zorgen dat bepaalde voedselproducten vrij zijn van ziektes of ziekteverwekkende organismen. Het gebruik van deze set maatregelen hangt samen met een toename van maar liefst 5 procent in de kwaliteit van geëxporteerde producten. Zoals hoofdstuk 2 laat zien is slechts 0,4 procent van de Nederlandse export onderhevig aan een A5 SPS-maatregel. Dus ook hier is het geobserveerde effect op kwaliteit gebaseerd op een beperkt aantal gevallen.
| NTM type | Kwaliteitseffect |
|---|---|
| SPS (A1) | 1,2 |
| SPS (A5) | 5,0 |
| Bron: CBS, UNCTAD TRAINS | |
Kwaliteitsverbetering bij TBT’s voornamelijk te vinden bij het zelfstandig mkb en de minder productieve bedrijven
In het geval van importtarieven zagen we duidelijke verschillen tussen hoe productievere en minder productieve bedrijven een importtarief vertaalden in productkwaliteit vanuit het oogpunt van kosten en marktaandeel. Zien we dergelijke grote verschillen ook terug bij TBT-maatregelen? Het antwoord leert wederom dat NTM’s niet direct te vergelijken zijn met importtarieven. In tegenstelling tot tarieven gaan TBT-maatregelen met name bij zelfstandig mkb bedrijven en bij minder productieve bedrijven gepaard met een aanzienlijke kwaliteitsverbetering. Terwijl importtarieven productkwaliteit indirect kunnen beïnvloeden door de binnenlandse markt te beschermen tegen buitenlandse concurrentie of ze daar juist verder aan bloot te stellen, is dat effect op kwaliteit in het geval van NTM’s veel meer direct. Met een NTM wordt een minimum aan kwaliteit geëist voordat een bedrijf de bestemmingsmarkt mag betreden.
TBT’s lijken de gemiddelde productkwaliteit van een bepaald product naar een bepaalde markt dus te verhogen door de kwaliteit aan de onderkant van de distributie te verbeteren. Met andere woorden, producten van de laagste kwaliteit kunnen door de TBT immers niet meer worden geëxporteerd waardoor de gemiddelde exportkwaliteit omhoog gaat. Gezien het feit dat het zelfstandig mkb en de minder productieve bedrijven gemiddeld producten van lagere kwaliteit exporteren ten opzichte van het grootbedrijf, is het logisch dat het kwaliteitsverhogende effect van TBT’s voornamelijk onder zelfstandig mkb’ers en minder productieve bedrijven te observeren valt.
Betere kwaliteit niet alleen bij meer, maar ook bij strengere NTM’s
Een belangrijke uitdaging bij het onderzoeken van de gevolgen van NTM’s ligt in het verzamelen van analyseerbare data. Hoewel veel internationale organisaties inmiddels veel stappen hebben gezet in het verzamelen en opschonen van gegevens over de prevalentie en classificatie van NTM’s, blijft het bijna onmogelijk om te striktheid van deze maatregelen met voldoende nauwkeurigheid te kwantificeren. Bronnen die momenteel beschikbaar zijn kunnen aangeven of er een bepaald type NTM op een product in een bepaald land van toepassing is, of het bijvoorbeeld om productievereisten of kwaliteitseisen gaat en sinds kort ook hoeveel van dergelijke NTM’s er van toepassing zijn. Een kwantitatieve benadering van de striktheid van een maatregel bestaat echter niet. Neem bijvoorbeeld de B2 maatregelen, terwijl de beschikbare bronnen kunnen laten zien dat zowel de Verenigde Staten als Brazilië zo’n regel instellen op een bepaald product kan het zijn dat de daadwerkelijke eisen in de VS veel strenger zijn dan deze in Brazilië.
In dit hoofdstuk proberen we voor het eerst te controleren voor de striktheid van de verschillende NTM’s. Dat doen we door de gemiddelde kwaliteit van geïmporteerde producten van exportbestemmingen te gebruiken als indicatie voor de striktheid van de geheven maatregelen. Als we bijvoorbeeld zien dat de VS over het algemeen producten van hogere kwaliteit importeert, dan zullen zij waarschijnlijk ook, middels NTM’s, hogere eisen stellen aan die geïmporteerde producten. De econometrische resultaten bevestigen deze hypothese. Zowel de aanwezigheid van TBT’s, als de algemene importkwaliteit van een land blijken sterk samen te hangen met de kwaliteit van de export naar dat land. Daarnaast wordt het kwaliteitsverhogende effect van de TBT’s verder versterkt naarmate de gemiddelde importkwaliteit van een land toeneemt, oftewel naarmate deze regels aannemelijk strenger zijn.
Afrika – NTM’s niet overal goed voor de kwaliteit van de export
De aanwezigheid en striktheid van NTM-regelgeving wordt uiteraard op nationaal of supranationaal niveau bepaald. Daarom is het relevant om te onderzoeken of daar regionale verschillen zichtbaar zijn. Kijkend naar het effect van TBT’s per regio dan zien we dat er een kwaliteitsverhogend effect uitgaat van dit type maatregelen in Noord-, Midden- en Zuid-Amerika en Azië. Voor niet-EU-landen binnen Europa geldt dit niet. Dit kan verklaard worden door het feit dat met name Zwitserland en Noorwegen, en in mindere mate Rusland, dominant zijn in deze groep. Voor deze landen geldt dat de regelgeving voor een flink deel is afgestemd op de regels in de EU. Gezien onze analyses voor de EU-regelgeving, is het logisch dat het effect voor deze groep Europese landen niet (of minder) zichtbaar is in de resultaten.
Afrika laat een verrassender beeld zien. Daar zien we dat meer TBT’s samenhangen met een lagere productkwaliteit van de Nederlandse export naar dit continent. Een mogelijke verklaring hiervoor kan gelegen zijn in de striktheid van de geldende regels. Mogelijk zijn de productvereisten van vergelijkbare NTM’s in Afrika minder strikt dan elders of worden ze minder strikt gehandhaafd. Om dit te onderzoeken analyseren we de aanwezigheid van TBT’s in het licht van de gemiddelde geaggregeerde importkwaliteit van de verschillende regio’s. De gemiddelde geaggregeerde importkwaliteit gebruiken we daarbij als indirecte benadering van de striktheid van de NTM-regels of de mate waarin strikte NTM’s gehandhaafd worden. Immers, als een land strenge producteisen stelt, dan legt dat een relatief hoge ondergrens in de markt in termen van kwaliteit, waardoor de gemiddelde kwaliteit van de import ook hoog moet zijn. De resultaten laten zien dat deze gemiddelde importkwaliteit alleen in Afrika en in Azië een rol speelt in het bepalen van het effect van TBT’s op de exportkwaliteit. Dat suggereert dat de striktheid van NTM’s in Afrika en Azië sterk wisselt tussen landen, waarbij we in Afrika zien dat met name landen met relatief veel NTM-regelgeving juist een importportefeuille hebben van gemiddeld lage kwaliteit. Dat kan er dus inderdaad op wijzen dat de geldende NTM-regels in die landen ofwel geen strenge productvereisten opleggen ofwel niet streng worden gehandhaafd. Daarnaast kan dit er ook toe leiden dat deze NTM’s een relatief lage ondergrens in de markt leggen waardoor Nederlandse exporteurs hun productkwaliteit en daarmee hun productiekosten kunnen laten zakken zonder onder de gestelde kwaliteitslimiet van de TBT te gaan.
Een andere mogelijke verklaring is gelegen in de samenstelling van de handelsportfolio van de Nederlandse export naar Afrika. Het zou simpelweg zo kunnen zijn dat het mandje met producten dat Nederland naar Afrika exporteert producten van relatief mindere kwaliteit bevat of producten waarop relatief ineffectieve TBT’s van kracht zijn. Een definitieve verklaring voor de geobserveerde patronen is echter zonder aanvullend onderzoek niet te geven.
3.5Samenvatting en conclusie
In dit hoofdstuk staat de kwaliteit van de Nederlandse export centraal. Hoewel kwaliteit meestal niet direct waarneembaar is, bestaat de mogelijkheid om door middel van een schattingsmethode de kwaliteit van de export op transactieniveau in kaart te brengen. Het betreft hier niet alleen de objectieve en fysieke kenmerken van producten, maar ook subjectieve aspecten die het ene product aantrekkelijker maken voor de consument dan het andere. Het betreft hier dus gepercipieerde, oftewel ervaren, kwaliteit van de export. Net zoals CBS (2019) al eerder liet zien, blijkt de kwaliteit van de export positief samen te hangen met de prijs per eenheid. Dit is uiteraard een logische bevinding, kwaliteit heeft namelijk een prijs. Verder exporteren bedrijven gemiddeld hogere kwaliteit naar rijkere landen en naar landen verder weg. Daarnaast kunnen producten verschillen in de mate van differentiatie in termen van kwaliteit. Zo kennen gedifferentieerde producten meer variatie in kwaliteit en in prijs, dan homogene goederen.
Naast kenmerken van product en bestemmingsland, kijkt dit hoofdstuk naar de wijze waarop importtarieven en niet-tarifaire maatregelen de kwaliteit van geëxporteerde producten kunnen beïnvloeden. Importtarieven hebben daarbij een duidelijk negatief effect op de exportkwaliteit. Door hogere handelskosten zijn bedrijven minder in staat om zich te specialiseren in datgene waar ze goed in zijn. Daarbij concurreren de productievere bedrijven op kwaliteit maar de minder productievere bedrijven juist op prijs. Het volgende hoofdstuk gaat verder in op het effect van NTM’s op kosten en prijzen.
NTM’s hebben daarentegen in het algemeen juist een positieve invloed op kwaliteit. Dit geldt voor zowel TBT- als SPS-maatregelen. Ook dit is een logische bevinding, aangezien deze maatregelen geheven worden om de betreffende markten te beschermen tegen schadelijke producten of onderdelen daarvan en om ze van een hogere kwaliteit te verzekeren. Overigens zijn niet alle NTM’s even relevant als het om kwaliteitsverbeteringen gaat. Zo blijkt een verbetering van kwaliteit vooral voor te komen bij de inzet van TBT-hoofdstukken B4 (productie en post-productievereisten), B7 (product kwaliteit, veiligheid of performance voorschriften) en tot zekere hoogte ook B2 (tolerantielimieten). Bij SPS-maatregelen gaat het om de hoofdstukken A1 (verboden of restricties) en A5 (behandeling voor eliminatie van plant en dier ziektes en ziekte verwekkende organismen in het eindproduct).
NTM’s dragen dus bij aan de kwaliteit van de export. Zo leidt één additionele TBT op een geëxporteerd product gemiddeld tot een kwaliteitsverhoging van 0,2 procent. Naast aantallen NTM’s wijzen de resultaten van dit hoofdstuk op het belang van een extra dimensie van deze maatregelen, namelijk hoe streng ze zijn. Zo blijkt de toename in kwaliteit aanzienlijk groter te zijn bij strengere NTM’s, gemeten door de gemiddelde importkwaliteit in het betreffende land. Een betere meting van de striktheid van NTM’s blijft echter noodzakelijk om dit verband beter te kunnen onderzoeken. Zwakkere of slecht gehandhaafde NTM’s, gemeten als een lagere importkwaliteit in combinatie met een groot aantal NTM’s, kunnen er zelfs voor zorgen dat de kwaliteit van export omlaag gaat.
Mede doordat NTM’s, net zoals importtarieven, de internationale handelskosten aanzienlijk kunnen vergroten, worden deze maatregelen nog wel eens als een substituut voor tarieven gezien. In termen van hun invloed op de kwaliteit van de export werken ze echter geheel anders. Zo hebben importtarieven een indirect en negatief effect op de exportkwaliteit, terwijl het bij NTM’s juist om een direct en positief effect gaat. Voor importtarieven is dat effect indirect omdat het verloopt via de invloed van tarieven op de concurrentie in de markt, waarbij tarieven met name de productieve bedrijven beletten om zich te specialiseren in het exporteren van kwalitatief hoogstaande producten. Het effect van NTM’s is meer direct van aard, omdat SPS- en TBT-maatregelen er primair op gericht zijn om de kwaliteit te verhogen. Tot slot is er een verschil in waar de impact zich laat voelen. Voor importtarieven is dat met name aan de bovenkant van de kwaliteitsdistributie. Dat wil zeggen dat een toename in importtarieven de kwaliteit van de beste producten verminderd. Voor NTM’s is het effect juist aan de onderkant: door een minimum kwaliteitsgrens te stellen gaat de gemiddelde kwaliteit juist omhoog.
3.6Data en methoden
Dit hoofdstuk maakt gebruik van interne data van het CBS en een aantal externe databronnen over de aanwezigheid van importtarieven en niet-tarifaire maatregelen in buitenlandse exportbestemmingen. Specifiek koppelen we de informatie over Internationale Handel in Goederen aan het bedrijfsdemografisch kader van het CBS voor de jaren 2013–2017. Dit geeft ons per bedrijf informatie over hun export van 8-digit goederen codes naar land en jaar. Vervolgens koppelen we dit aan tarief en NTM informatie van Ghodsi (2021). Hoewel de informatie over handel en bedrijfskenmerken beschikbaar is voor latere jaren, beperken we ons in onze analyse tot de jaren 2013–2017. De reden hiervoor is dat de benodigde elasticiteiten (uit Ghodsi, 2021) om exportkwaliteit te berekenen maar tot en met 2017 beschikbaar zijn. CBS (2019) heeft de kwaliteit van de export geschat voor recentere jaren (namelijk tot en met 2018), daarin werd echter gebruik gemaakt van geschatte elasticiteiten uit een oudere en minder toereikende bron.
Kwaliteit wordt geschat volgens de methode van Khandelwal (2013), die ook eerder is toegepast in Fauceglia (2019), Fan et al. (2015) en CBS (2019). Beginnend bij een algemene vraagfunctie:
Kan de vraag voor een product p van bedrijf f in land c op jaar t worden verklaard aan de hand van de kwaliteit voor dat product q, de prijs p, de gemiddelde prijs index in land c P en het totale inkomen van land c Y. In log termen kan deze functie uitgedrukt worden als:
Waar de term controleert voor verschillen in prijs indices (P_ct) en inkomens (Y_ct) in het bestemmingsland in een bepaald jaar en controleert voor verschillen tussen producten. Het residu uit deze regressie ( ) is de schatting van kwaliteit ( ).
Om vervolgens een beeld te krijgen van hoe deze residu vraag kan worden beïnvloed regresseren we deze variabele in een tweede fase op variabelen die voor deze analyse interessant zijn.
Waarbij kwaliteit van het geëxporteerde product p door bedrijf f naar land c in jaar t verklaard wordt aan de hand van SPS- en TBT-maatregelen alsook importtarieven in dat bestemmingsland, SPS- en TBT-maatregelen binnen de EU en bedrijfskenmerken zoals arbeidsproductiviteit en zmkb status. Ongeobserveerde verschillen tussen landen en jaren alsook producten worden wederom opgevangen door vaste effecten.
Voor de SPS- en TBT-variabelen gebruiken we zowel de aantallen in logtermen en in levels, als ook een dummy variabele. Vervolgens rapporteren we in de tekst alleen individuele SPS- en TBT-subhoofdstukken wanneer deze hoofdstukken onder alle drie deze specificaties een significant effect hebben met hetzelfde teken. De subhoofdstukken A1, A5, B2, B4 en B7 hadden dus allemaal een significant positief effect op kwaliteit wanneer we ze benaderden in termen van (log en level) aantallen of met een simpele dummy. Langs diezelfde lijn rapporteren we ook het negatieve effect van B6.
Tot slot is het vermeldenswaardig dat we voor wat betreft de NTM analyses intra-EU handel buiten onze dataset houden. Dat betekent dat we niet expliciet kijken naar hoe bijvoorbeeld de NTM’s in Duitsland de exportkwaliteit naar dat land beïnvloeden. Hier zijn verschillende redenen voor. De voornaamste is dat de EU een gemeenschappelijke en interne markt is. Dat betekent niet alleen dat de NTM-maatregelen in Duitsland en Nederland hetzelfde zijn, maar ook dat er niet nog eens specifiek op gecontroleerd wordt aan de grens. Daarnaast controleren we al voor het effect van de NTM’s die gelden binnen de EU middels de variabelen SPS.EU en TBT.EU. Verder zou beargumenteerd kunnen worden dat de effecten van Europese regels op kwaliteit, of in het volgende hoofdstuk de kosten, geen specifieke handelseffecten zijn. Omdat zij namelijk ook van toepassing zijn op de interne markt zijn dit eerder maatregelen die de algehele productie aantasten en niet alleen de handel.
3.7Literatuur
Literatuur
Amiti, M. & Khandelwal, A. K. (2013). Import competition and quality upgrading. Review of Economics and Statistics, 95(2), 476–490.
Baldwin, R. & Harrigan, J. (2011). Zeros, quality, and space: Trade theory and trade evidence. American Economic Journal: Microeconomics, 3(2), 60–88.
Bastos, P. & Silva, J. (2010). The quality of a firm’s exports: Where you export to matters. Journal of International Economics, 82(2), 99–111.
Burstein, A. & Melitz, M. (2011). Trade liberalization and firm dynamics. NBER Working Paper no. 16960. Cambridge, VS: National Bureau of Economic Research.
Carranza, J.E., González-Ramírez, A. & Perez, A. (2019). The quality and the destination of the Colombian manufacturing exports. The Journal of International Trade & Economic Development, 1–25.
CBS (2019). Internationaliseringsmonitor 2019, vierde kwartaal: Kwaliteitseisen in handelsbeleid. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.
Fan, H., Li, Y. A. & Yeaple, S. R. (2015). Trade liberalization, quality, and export prices. Review of Economics and Statistics, 97(5), 1033–1051.
Fauceglia, D. (2020). Exchange rate fluctuations and quality composition of exports: Evidence from Swiss product‐level data. The World Economy, 43(6), 1592–1618.
Ghodsi, M. (2021). Exploring ‘Non-Tariff Measures Black Box’: Whose Regulative NTMs on Which Products Improve the Imported Quality? Working Paper no. 195. Wenen: Wiener Institut für Internationale Wirtschaftsvergleiche (wiiw).
Henn, C., Papageorgiou, C. & Spatafora, N. (2013). Export Quality in Developing Countries. IMF Working Paper WP/13/108. Washington D.C.: IMF.
Hummels, D. & Skiba, A. (2004). Shipping the good apples out? An empirical confirmation of the Alchian-Allen conjecture. Journal of Political Economy, 112(6), 1384–1402.
Khandelwal, A. K., Schott, P. K. & Wei, S. J. (2013). Trade liberalization and embedded institutional reform: Evidence from Chinese exporters. American Economic Review, 103(6), 2169–95.
Ludema, R. D. & Yu, Z. (2016). Tariff pass-through, firm heterogeneity and product quality. Journal of International Economics, 103, 234–249.
Manova, K. & Zhang, Z. (2012). Export prices across firms and destinations. The Quarterly Journal of Economics, 127(1), 379–436.