ICT-systemen vaker te benaderen van buiten bedrijfsvestiging

Foto omschrijving: Leerlingen van robotica gebruiken industriële testrobots in een robotfaciliteit.

ICT-gebruik bij bedrijven

Auteur: Raymond Kleingeld

In de afgelopen decennia is ICT doorgedrongen tot de kernprocessen van veel bedrijven. Een groot deel van de communicatie binnen en tussen bedrijven verloopt elektronisch. Nieuwe digitale toepassingen kunnen bedrijven helpen processen te verbeteren en efficiënter te maken. Dit hoofdstuk beschrijft hoe ICT wordt ingezet door bedrijven.

4.1Internettoegang en –gebruik

Informatie- en communicatietechnologieën (ICT) zijn de laatste decennia in hoog tempo doorgedrongen in het Nederlandse bedrijfsleven. Door middel van ICT proberen bedrijven in veel sectoren een voorsprong te verwerven op hun concurrenten door nieuwe producten en processen te ontwikkelen of bestaande te optimaliseren. ICT kan bedrijven ook op andere manieren voordelen opleveren. Een bedrijf kan zich als aantrekkelijk werkgever presenteren, bijvoorbeeld door het aanbieden van plaats- en tijdonafhankelijk werken aan werknemers. Dit kan een voordeel zijn bij het werven van personeel. Bedrijfstakken verschillen in de manier waarop zij ICT gebruiken. Een transportbedrijf kan bijvoorbeeld veel baat hebben bij technologie die de locatie van objecten zichtbaar maakt, terwijl voor veel hotels een website met boekingsmogelijkheid van vitaal belang is. Dergelijke strategische en bedrijfseconomische afwegingen bepalen hoe een bedrijf ICT inzet. Ook tussen grote en kleine bedrijven bestaan verschillen in de manier waarop ICT van toegevoegde waarde is, zoals zal blijken in het vervolg van dit hoofdstuk.

Enquête ‘ICT-gebruik bij bedrijven’

De enquête ‘ICT-gebruik bij bedrijven’ verzamelt jaarlijks gegevens over de automatisering en de toepassing van informatie- en communicatietechnologie (ICT) bij bedrijven in Nederland. Ze beschrijft onder andere het computergebruik, internet, in- en verkoop via elektronische netwerken, software en ICT-applicaties. De enquête ‘ICT-gebruik bij bedrijven’ hanteert een steekproef van ongeveer 12 duizend bedrijven. De onderzoekspopulatie bestaat uit bedrijven met 10 of meer werkzame personen. In 2017 en 2018 is dit onderzoek, met een iets minder uitgebreide vragenlijst, ook uitgevoerd onder bedrijven met 2 tot 10 werkzame personen.noot1 Niet alle bedrijfstakken behoren tot de onderzoekspopulatie van het onderzoek; landbouwbedrijven vallen hier bijvoorbeeld niet onder.

De meeste vragen in de enquête gaan over de huidige situatie van een bedrijf. In dat geval heeft het cijfer betrekking op het verslagjaar 2018. Andere vragen gaan over het laatste volledige kalenderjaar. Het verslagjaar is dan 2017. Dit is bijvoorbeeld van toepassing als de vraag te maken heeft met een afgerond boekjaar, zoals bij vragen over e-commerce.

Doordat ICT-toepassingen zich zeer snel ontwikkelen, wijzigt de inhoud van de enquête ‘ICT-gebruik bij bedrijven’ vrijwel jaarlijks. Waar in de jaren ’80 centraal stond of bedrijven überhaupt computers en automatiseringspersoneel hadden, ligt in recente jaren de nadruk meer op onderwerpen zoals internet, e-commerce, en toepassingen van software. Deze sterk inhoudelijke veranderingen zorgen ervoor dat lange tijdreeksen niet beschikbaar zijn. Het is wel mogelijk Nederland te vergelijken met andere landen in Europese Unie doordat EU-lidstaten hebben afgesproken het onderzoek geharmoniseerd uit te voeren; er is afgestemd welke populatie en definities worden gebruikt en welke vragen in de enquête worden opgenomen. Naast deze internationaal afgesproken populatie heeft het CBS voor een breder beeld nog enkele extra bedrijfstakken in het onderzoek betrokken: de financiële instellingen en de gezondheidszorg. Door dit methodologische verschil kunnen de totaaluitkomsten van Nederland bij de internationale vergelijkingen in dit hoofdstuk, afwijken van het nationale beeld.

Bij de internationale vergelijkingen is gekozen voor een vaste groep landen om de cijfers van Nederland tegen af te zetten. Deze landen zijn België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Ierland, Italië, Noorwegen, Polen, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Zweden. Waar mogelijk komt in dit hoofdstuk de vergelijking van de Nederlandse cijfers met die van deze groep landen aan bod. Daarnaast valt ook het cijfer van de EU-28 binnen deze vergelijkingen.

Toegang tot internet is voor bedrijven in Nederland al jaren vanzelfsprekend. Praktisch alle bedrijven met 10 of meer werkzame personen gebruiken een hoogwaardige vaste of mobiele internetverbinding zoals via glasvezel, kabel, DSL of 3G/4G. Verbindingen met een snelheid van ten minste 30 Mbit per seconde worden steeds gebruikelijker bij bedrijven. Waar 36 procent van de bedrijven in 2012 over een dergelijke snelle verbinding beschikte, was dit aandeel in 2018 gegroeid naar 70 procent (figuur 4.1.1).

Nederlandse bedrijven hebben sneller internet dan gemiddeld in EU

Nederlandse bedrijven beschikken over snellere internetverbindingen dan gemiddeld in de EU. Ruim twee derde (69 procent) had een internetverbinding met een snelheid van ten minste 30 Mbit per seconde in 2018 (figuur 4.1.2). Gemiddeld was dit 43 procent in de EU in dat jaar. Koploper is Denemarken, waar 75 procent van de bedrijven een dergelijke snelle verbinding had. Internetverbindingen langzamer dan 2 Mbit per seconde komen steeds minder voor in Europa (3 procent), maar in 2018 had respectievelijk nog altijd 7 en 5 procent van de bedrijven in Frankrijk en België een internetverbinding met deze beperkte snelheid.

Bijna 2 op 3 bedrijven verstrekt apparatuur voor mobiel internet

In 2018 verschafte 63 procent van de bedrijven draagbare apparatuur aan het personeel waarmee voor het werk via een mobiel netwerk verbinding kon worden gemaakt met het internet (tabel 4.1.3).noot2 Bij bedrijven met 500 of meer werkzame personen is dit anno 2018 vrijwel gemeengoed; 93 procent van de bedrijven verstrekte een smartphone of laptop. Dit betekent overigens niet dat het bedrijf alle werkzame personen van een draagbaar apparaat heeft voorzien. Bij kleine bedrijven verschafte 51 procent een apparaat met mobiel internet.

4.1.3Apparatuur verstrekt voor mobiel internet, 2018

Apparaat verstrekt aan personeel Toegang e-mailsysteem
van het bedrijf
Toegang tot bestanden
van het bedrijf
Toegang tot bedrijfssystemen
(bijv. ERP)
% van bedrijven
Totaal 63 58 43 42
 
10 tot 20 werkzame personen 51 45 32 31
20 tot 50 werkzame personen 68 62 45 46
50 tot 100 werkzame personen 79 75 58 57
100 tot 250 werkzame personen 86 84 68 67
250 tot 500 werkzame personen 90 89 74 74
500 of meer werkzame personen 93 92 80 80

Bron:CBS.

De belangrijkste reden voor bedrijven om aan het personeel draagbare apparatuur met mobiel internet te verstrekken is om toegang te krijgen tot het e-mailsysteem (58 procent). Voor respectievelijk 43 en 42 procent van de bedrijven gold dat toegang tot bedrijfsbestanden en specifiek bedrijfssystemen (zoals ERP) een reden was. Voor grote bedrijven waren dit veel vaker redenen om hun personeel te voorzien van apparatuur, dan voor kleine.

Bijna alle Nederlandse bedrijven hebben website

In 2018 had 94 procent van de Nederlandse bedrijven een eigen website.noot3 Daarmee scoort Nederland aanzienlijk hoger dan het EU-gemiddelde van 77 procent. In Finland en Denemarken was het aandeel bedrijven met een website het grootst: 96 procent. Zweden en Oostenrijk scoorden ook hoog. Van de Zweedse bedrijven had 92 procent een website, van de Oostenrijkse bedrijven 88 procent. In Frankrijk en Polen was dit aandeel flink lager: respectievelijk 69 en 67 procent.

Bedrijven gebruiken de website vaak om hun goederen of diensten te beschrijven of prijzen te tonen. Bijna 80 procent van de Nederlandse bedrijven had in 2018 een overzicht van producten en prijzen online geplaatst (figuur 4.1.4). Bedrijven gebruiken hun website ook vaak om te verwijzen naar hun pagina op sociale media (62 procent). Bij ruim een derde van de bedrijven bood de website de mogelijkheid om online te bestellen, boeken of reserveren. Bij 12 procent konden klanten via de website ook de voortgang van hun bestelling volgen, of is informatie over de status van de bestelling beschikbaar. 28 procent van de bedrijven gebruikte de website om klantspecifieke informatie voor reguliere bezoekers aan te bieden. De functionaliteit die klanten in staat stelt zelf hun product te ontwerpen of aan te passen wordt maar door weinig bedrijven aangeboden op de website (7 procent).

Onderzoekspopulatie enquête ‘ICT-gebruik bij bedrijven’

De onderstaande tabel geeft een overzicht van de bedrijfstakken die de enquête ‘ICT-gebruik bij bedrijven’ omvat. De tabel bevat per bedrijfstak ook de korte benaming van de bedrijfstak die in dit hoofdstuk gebruikt is om de tekst leesbaarder te maken.

Naam in deze publicatie Bedrijfstakken volgens SBI 2008
Industrie C Industrie
Energie en water D Productie en distributie van elektriciteit, aardgas, stoom en gekoelde lucht,
E Winning en distributie van water; afval- en afvalwaterbeheer en sanering
Bouw F Bouwnijverheid
Handel G Groot- en detailhandel; reparatie van auto’s
Transport H Vervoer en opslag
Horeca I Logies-, maaltijd- en drankverstrekking
Informatie en communicatie J Informatie en communicatie
ICT-sector 261–264, 268, 465, 582, 61, 62, 631, 951noot4
Financiële instellingen K Financiële instellingennoot5
Onroerend goed L Verhuur en handel in onroerend goed
Advies en onderzoek M Advisering, onderzoek en overige specialistische zakelijke dienstverlening
Researchinstellingen 72 Research
Overige dienstverlening N Verhuur van roerende goederen en overige zakelijke dienstverlening
Gezondheidszorg Q Gezondheids- en welzijnszorg

Tussen bedrijfstakken bestaan grote verschillen in de manier waarop bedrijven de website inzetten in het bedrijfsproces. Websites van hotels e.d. (logiesaccommodaties) en bedrijven actief in de reisbranche bieden het vaakst de mogelijkheid om te boeken, reserveren of bestellen (respectievelijk 87 en 84 procent van de bedrijven in 2018). Het beschrijven van producten en tonen van prijzen op de website komt eveneens veel voor bij logiesaccommodaties (93 procent), maar ook telecombedrijven en verzekeraars (beide 90 procent) hebben deze informatie relatief vaak op de websites staan. Ruim drie op de tien bedrijven in de verzekeringsbranche bood klantspecifieke informatie voor vaste bezoekers. Verwijzen naar een profiel op sociale media is vooral in trek bij uitgeverijen, reclamebureaus, reisbureaus en logiesaccommodaties.

4.2Personeel en ICT

7 op de 10 werkzame personen gebruiken internet

In 2018 gebruikte 73 procent van de werkzame personen geregeld een computer met internet voor het werk.noot6 Dit aandeel bedroeg een jaar eerder 72 procent en 68 procent in 2016. Er is dus sprake van een geringe groei. In 2008 werkte 57 procent van de werkzame personen met een internet-pc.noot7 De verschillen tussen bedrijfstakken zijn groot (figuur 4.2.1). Binnen de ICT-sector en de bedrijfstak informatie en communicatie werkt vrijwel al het personeel met internet (97 procent). In de horeca is dit aandeel veel kleiner: 39 procent.

Bij grote bedrijven werken relatief meer mensen met internet dan bij kleine bedrijven. In bedrijven met 10 tot 20 werkzame personen gebruikte 68 procent in 2018 geregeld een computer met toegang tot het internet. Bij bedrijven met 500 of meer werkzame personen was dit 77 procent.

Nederland: meer werkzame personen met internet dan gemiddeld in EU

In Nederland werkt een aanzienlijk groter deel van de werkzame personen met internet dan gemiddeld in de EU. Het gemiddelde van de 28 EU-landen bedroeg 56 procent in 2018; in Nederland was dit 73 procent (volgens de Europese methodenoot8). In Scandinavische landen was het percentage eveneens hoger dan 70 procent. Polen (46 procent) en Portugal (44 procent) scoorden aanzienlijk lager dan het EU-gemiddelde. Deze verschillen tussen landen hangen sterk samen met nationale economische structuren. In bepaalde bedrijfstakken zoals de zakelijke dienstverlening en ICT-sector is het immers vanzelfsprekender dat het personeel internet gebruikt dan in andere. Daardoor scoren landen met veel industriële bedrijven bijvoorbeeld lager dan landen met een grote dienstverlenende sector.

Derde werkzame personen heeft mobiel apparaat van het werk

In 2018 had 34 procent van de Nederlandse werkzame personen een laptop, tablet of smartphone met mobiel internet van het bedrijf (figuur 4.2.2). Ruim 6 op de tien bedrijven verstrekte dergelijke draagbare apparatuur voor mobiel internet in dat jaar (zie ook tabel 4.1.3).

Bij de bedrijfstak onroerend goed kreeg het grootste aandeel van de werkzame personen de beschikking over mobiel internet: 64 procent. In de informatie- en communicatiebranche, de energie- en watersector en de ICT-sector had ongeveer 57 procent van de werkzame personen mobiele apparaten van het bedrijf. In de horeca is dit cijfer veel lager: 7 procent.

In 2018 had 40 procent van het personeel bij grote bedrijven, met ten minste 500 werkzame personen, door het bedrijf verstrekte apparatuur voor mobiel internet. Bij kleine bedrijven bedroeg dit aandeel 22 procent.

Telewerken kan bij ruim drie kwart van de bedrijven

In 2018 ondersteunde 79 procent van de bedrijven telewerken (figuur 4.2.3). Telewerken betekent hier dat medewerkers van buiten de bedrijfsvestiging de ICT-systemen van het bedrijf kunnen gebruiken. Het gaat daarbij niet alleen om toegang tot e-mail, maar ook om toegang tot bestanden, intranet en softwaresystemen. Het aandeel bedrijven dat telewerken ondersteunt bedroeg in 2004 nog 31 procent, maar liep in 2009 al op naar 56 procent. De laatste jaren is het verder toegenomen.

Vooral in de informatie- en communicatiebranche, ICT-sector en financiële instellingen wordt telewerken ondersteunend. Nagenoeg alle bedrijven in deze bedrijfstakken hadden een mogelijkheid om toegang te krijgen tot het ICT-systeem van buiten de bedrijfsvestiging. Bij horecabedrijven is telewerken minder gebruikelijk; toch biedt bijna 1 op de 2 bedrijven telewerken aan. Grote bedrijven ondersteunen vaker telewerken dan kleine; van de bedrijven met meer dan 500 werkzame personen bood 99 procent de mogelijkheid tot telewerken tegen 71 procent van de bedrijven met 10 tot 20 werkzame personen.

Telewerken door 1 op 3 werkzame personen

Als een bedrijf telewerken ondersteunt, hebben vaak niet alle medewerkers die mogelijkheid. Het type werk laat dat immers niet altijd toe. In 2018 werkte ruim een derde van alle werkzame personen regelmatig buiten de bedrijfsvestiging en had van daaruit toegang tot het ICT-systeem van het bedrijf (figuur 4.2.4). Het aandeel telewerkers verschilt sterk per bedrijfstak. Vooral bij bedrijven in de ICT-sector en in de informatie en communicatie kunnen relatief veel medewerkers telewerken (respectievelijk 64 en 63 procent). In de horeca was dit slechts 9 procent. Bij grote bedrijven is het percentage telewerkers hoger dan bij kleine. Het aandeel bij bedrijven met 500 of meer werkzame personen was 40 procent en bij bedrijven met 10 tot 20 werkzame personen 25 procent.

64% van werkzame personen in ICT-sector werkt geregeld thuis Buitenvorm Binnenvorm

Meer bedrijven bieden ICT-cursussen aan

In 2017 bood 17 procent van de bedrijven hun eigen ICT-specialisten de mogelijkheid een opleiding of cursus te volgen, om hun ICT-vaardigheden verder te ontwikkelen (figuur 4.2.5). In 2011 was dat nog 13 procent. ICT-specialisten zijn werkzame personen voor wie ICT het belangrijkste onderdeel van het werk uitmaakt. Zij kunnen bijvoorbeeld ICT-systemen ontwerpen, ontwikkelen, installeren en beheren. Steeds vaker worden ook ICT-cursussen aangeboden aan niet-ICT-personeel; in 2017 ging het om 21 procent, tegen 9 procent van de bedrijven in 2011. ICT-cursussen worden vooral aangeboden door bedrijven waar ICT tot de kernprocessen van de bedrijfsvoering behoord, zoals in de ICT-sector en informatie en communicatie.

In Nederland biedt een groter deel van de bedrijven de eigen ICT-specialisten vakcursussen aan dan gemiddeld in Europa. Volgens de Europese methode bedroeg het cijfer in 2017 voor Nederland 17 procent, terwijl het gemiddelde van de 28 EU-landen 10 procent was. Wat betreft ICT-cursussen voor het overige personeel scoorden Nederlandse bedrijven even hoog als het gemiddelde voor de gehele EU: 20 procent.

ICT-vacatures vaak moeilijk te vervullen

Bedrijven kunnen hun ICT-kennis niet alleen uitbreiden door het bestaande personeel cursussen aan te bieden, maar ook door nieuwe ICT-specialisten aan te nemen. In 2017 had 13 procent van de bedrijven vacatures voor ICT-specialisten (figuur 4.2.6). Meer dan de helft van die bedrijven had moeite deze vacatures te vervullen.

In de bedrijfstak informatie en communicatie en de ICT-sector had respectievelijk 59 en 56 procent van de bedrijven vacatures voor ICT’ers. Ook veel financiële instellingen hadden relatief veel ICT-vacatures in 2017. Bedrijven in deze sectoren hadden vaak moeite om de ICT-vacatures te vervullen. Bijna de helft van de bedrijven in de sector informatie en communicatie en ICT-sector had in 2017 ICT-vacatures die moeilijk te vervullen waren, terwijl dit aandeel voor alle bedrijfstakken gemiddeld 9 procent bedroeg.

Grote bedrijven hebben veel vaker ICT-vacatures dan kleine bedrijven; in 2017 wierf 61 procent van de bedrijven met ten minste 500 werkzame personen ICT-specialisten, tegen 7 procent van de bedrijven met 10 tot 20 werkzame personen. Ook het aandeel moeilijk vervulbare vacatures ligt hoger bij grotere bedrijven; 43 procent van de bedrijven met ten minste 500 werkzame personen had in 2017 moeite om ICT-vacatures te vervullen, terwijl dit aandeel bij de kleinste bedrijven op 5 procent lag.

In vergelijking met andere Europese landen kende Nederland in 2017 relatief veel bedrijven met ICT-vacatures (figuur 4.2.7). Het aandeel was in Nederland met 13 procent aanzienlijk hoger dan het EU-gemiddelde van 9 procent. Nederland had samen met België en Denemarken het hoogste percentage bedrijven met ICT-vacatures binnen de EU. Opvallend is dat in Spanje relatief weinig bedrijven moeite hadden de juiste mensen aan te nemen. In Nederland was dat anders; daar hadden bijna 7 op de 10 bedrijven met ICT-vacatures moeite deze te vervullen.

4.3Elektronische en digitale facturen

Digitale facturen zijn in opkomst als alternatief voor traditionele papieren facturen die bedrijven per post versturen. Het kost bedrijven veel tijd om facturen te verzenden, ontvangen en verwerken in hun administratie. Bedrijven kunnen kosten besparen als zij facturen elektronisch verzenden en ontvangen in plaats van op papier. Door digitale facturen te gebruiken, verminderen bedrijven hun papierverbruik, en verlagen ze hun verzendkosten. Als bedrijven de facturen volledig geautomatiseerd kunnen verwerken, wordt de efficiencywinst nog groter, en is de kans op administratieve fouten kleiner. Dit is mogelijk met zogenaamde ‘e-facturen’ (zie kader). In 2020 moeten e-facturen de dominante vorm van facturen zijn in Europa, volgens de Europese Commissie (Europese Commissie, 2010).

E-facturen en digitale facturen

In de enquête ‘ICT-gebruik bij bedrijven’ worden twee soorten digitale facturen onderscheiden:

  • Facturen in elektronische vorm die niet geschikt zijn voor automatische verwerking, zoals e-mails en e-mailbijlagen in Pdf-formaat.
  • Facturen in een standaardopmaak die geschikt zijn voor automatische verwerking (bijvoorbeeld EDI, XML, UBL). Deze worden e-facturen genoemd. Zij worden ofwel direct uitgewisseld door elektronische systemen van bedrijven onderling, of via elektronische systemen van dienstverleners zoals ‘Billing Service Providers’.

Het betreft hier alleen facturen die aan andere bedrijven, of aan overheden zijn verstuurd. Facturen die verzonden zijn aan consumenten zijn niet meegeteld.

Bijna kwart bedrijven verstuurt e-facturen

In 2017 heeft 24 procent van de Nederlandse bedrijven e-facturen verzonden (figuur 4.3.1). In de gezondheidszorg is het verzenden van e-facturen het meest gebruikelijk; in 2017 verstuurde 35 procent van de bedrijven in deze sector rekeningen die volledig automatisch verwerkbaar zijn. Ook veel bedrijven in de handel (29 procent) en energie en water (26 procent) verzonden relatief veel e-facturen. Bedrijven in de onroerend goed branche en horeca scoren in dit opzicht aanzienlijk lager. In die bedrijfstakken verstuurde respectievelijk 10 en 14 procent van de bedrijven e-facturen.

Bij grote bedrijven is het verzenden van e-facturen veel gebruikelijker dan bij kleinere. Meer dan de helft van de bedrijven met 500 of meer werkzame personen verstuurt automatisch verwerkbare rekeningen, terwijl dat aandeel onder bedrijven met 10 tot 20 werkzame personen 20 procent bedroeg.

E-facturen verzenden in Nederland rond EU-gemiddelde

In Nederland verzenden ongeveer evenveel bedrijven e-facturen als gemiddeld in alle EU-landen (figuur 4.3.2). Het verschil tussen landen is aanzienlijk. In Scandinavische landen is het erg gebruikelijk om e-facturen te verzenden. Met name Finland en Denemarken scoren op dit punt hoog. Respectievelijk 79 en 55 procent van de bedrijven in die landen stuurde in 2017 e-facturen aan zakenpartners. Het aandeel is veel kleiner in het Verenigd Koninkrijk: 12 procent.

Ruim 4 op de 10 bedrijven ontvangen e-facturen

E-facturen ontvangen is aanmerkelijk gebruikelijker bij bedrijven dan e-facturen verzenden. In 2017 ontving 46 procent van de bedrijven e-facturen (figuur 4.3.3). Dat betekent dat het aandeel bedrijven dat e-facturen ontving bijna 2 keer zo groot was als het aandeel bedrijven dat e-facturen verzond. De gezondheidszorg en horeca scoren met het ontvangen van e-facturen hoger dan het gemiddelde van alle bedrijfstakken, maar in andere bedrijfstakken wijkt het aandeel bedrijven dat e-facturen ontvangt niet veel af van het gemiddelde. De verschillen tussen diverse branches zijn op dit punt dus niet erg groot.

Net als bij het verzenden van e-facturen zijn er ook voor het ontvangen van e-facturen verschillen tussen bedrijven van verschillende omvang. Van alle bedrijven met 10 tot 20 werkzame personen ontving 47 procent e-facturen in 2017 terwijl dit aandeel 64 procent bedroeg bij bedrijven met 500 of meer werkzame personen.

In het voorgaande deel kwamen cijfers aan bod over het aandeel bedrijven dat digitale facturen verzendt of ontvangt. In het volgende deel gaat het niet langer over het aandeel bedrijven maar over het aandeel van de facturen dat digitaal verzonden en ontvangen wordt. Deze cijfers gaan over de situatie bij een gemiddeld bedrijf. Ze geven weer welk aandeel van de facturen een gemiddeld bedrijf digitaal verzendt of ontvangt. Bedrijven die veel facturen verzenden of ontvangen, tellen in deze cijfers even zwaar mee als bedrijven die weinig facturen verzenden en ontvangen. Op deze manier ontstaat een goed beeld van de situatie bij een gemiddeld bedrijf.

2 op 3 facturen digitaal verzonden

In 2017 verliep voor een gemiddeld bedrijf twee derde van de facturering digitaal; 35 procent van de zakelijke facturen werd nog op papier verstuurd (tabel 4.3.4). In 2016 bedroeg het aandeel papier 44 procent. In 2017 ging 65 procent van de facturen digitaal de deur uit: 10 procent als e-factuur en 55 procent in een andere digitale vorm zoals e-mails en e-mailbijlagen in Pdf-formaat. Bedrijven in de gezondheidszorg verstuurden een relatief groot deel van hun facturen als e-factuur. E-facturen werden vooral door grote bedrijven met meer dan 500 werkzame personen verzonden; kleinere bedrijven kozen vaker voor facturen in een andere digitale vorm.

4.3.4Aandeel digitale facturen voor een gemiddeld bedrijf, 2017

Verzonden Ontvangen
e-factuur digitaal,
maar geen e-factuur
e-factuur
% van verzonden facturen1)2)3) % van ontvangen facturen1)2)
Totaal 10 55 18
 
Bedrijfstak
Industrie 10 60 15
Energie & water 12 52 18
Bouw 9 55 20
Handel 9 53 19
Transport 8 61 16
Horeca 5 47 22
Informatie en communicatie 12 72 16
ICT-sector 13 71 17
Financiële instellingen 8 51 18
Onroerend goed 3 43 13
Advies en onderzoek 9 62 14
wo. Researchinstellingen 8 67 14
Overige dienstverlening 10 64 16
Gezondheidszorg 21 32 24
 
Bedrijfsomvang
10 tot 20 werkzame personen 9 54 19
20 tot 50 werkzame personen 10 58 16
50 tot 100 werkzame personen 11 58 16
100 tot 250 werkzame personen 14 54 19
250 tot 500 werkzame personen 17 49 21
500 of meer werkzame personen 24 42 28

Bron:CBS.

1)Door bedrijven met tien of meer werkzame personen.

2)Deze cijfers zijn bepaald door het rekenkundige gemiddelde te nemen van de percentages die bedrijven hebben gerapporteerd. Het aantal facturen van een bedrijf speelt hier dus geen rol.

3)Dit betreft uitsluitend facturen die bedrijven naar andere bedrijven of overheidsorganisaties hebben gestuurd.

Voor ontvangen facturen geldt hetzelfde beeld als voor verzonden facturen; een gemiddeld bedrijf ontving maar een klein deel van de facturen in een automatisch verwerkbaar formaat. In 2017 was 18 procent van de ontvangen facturen een e-factuur. Het aandeel stijgt; een jaar eerder was 16 procent van de ontvangen facturen een e-factuur. Het aandeel ontvangen e-facturen is daarmee groter dan het aandeel verzonden e-facturen. De verschillen tussen de bedrijfstakken zijn niet groot. In de meeste branches ontvangt een gemiddeld bedrijf rond de 15,0 procent van zijn facturen als e-factuur. Bij bedrijven in de gezondheidszorg (24 procent) en horeca (22 procent) ligt het aandeel hoger. Bij de grootste bedrijven ligt het aandeel ontvangen e-facturen hoger dan bij de kleinste: respectievelijk 28 tegen 19 procent.

4.4E-commerce

Paragraaf 3.5 van deze publicatie geeft een beschrijving van de wijze waarop personen online winkelen. Naast de websites die consumenten gebruiken om goederen te bestellen, bestaan ook andere vormen van ‘e-commerce’. Bedrijven handelen bijvoorbeeld ook elektronisch met elkaar. Dit gebeurt via websites, maar ook via andere elektronische kanalen zoals EDI.

Wat is e-commerce?

E-commerce staat voor handel via elektronische netwerken, zoals internet. De OESO definieert e-commerce als volgt: ‘het verkopen of kopen van goederen of diensten via computernetwerken, met methoden die specifiek ontworpen zijn voor het ontvangen of plaatsen van orders’ (OESO, 2011). Statistiekbureaus sluiten zich bij deze definitie aan als ze e-commerce meten.

Niet alleen goederen maar ook diensten komen voor e-commerce in aanmerking. Wanneer een consument bijvoorbeeld online een verzekering afsluit, is dit ook een vorm van e-commerce. Een bestelling via e-mail valt niet onder e-commerce. E-mail is immers niet specifiek ontworpen om bestellingen te plaatsen.

Websites waarop bedrijven producten verkopen, zijn de bekendste vorm van e-commerce. Het verkopende bedrijf hoeft daarbij niet de eigenaar van de website te zijn. Intermediairs die via hun website meerdere aanbieders in contact brengen met een grote groep klanten, vervullen ook een belangrijke rol in de e-commerce-markt. Veel consumenten winkelen online, maar ook bedrijven kunnen klanten zijn van webwinkels. Ook als de koper niet elektronisch betaalt, valt verkoop via een website onder e-commerce. Het maakt ook niet uit welk apparaat een koper gebruikt om zijn bestelling te plaatsen: een desktop, laptop, tablet of smartphone.

Consumenten handelen ook onderling via websites. Marktplaats en Speurders zijn hiervan bekende voorbeelden. Dit type onlinehandel komt in deze paragraaf niet aan bod.

Een minder bekende vorm van e-commerce loopt via EDI: Electronic Data Interchange. Deze vorm komt alleen voor bij handel tussen bedrijven onderling. Bedrijfssystemen communiceren via EDI-berichten met elkaar. Deze berichten zijn opgemaakt in een standaardformaat, dat geschikt is voor automatische verwerking. Voorbeelden van bekende formaten zijn XML en EDIFACT. Bedrijven kunnen deze berichten automatisch verzenden via internet of via andere elektronische netwerken.

De cijfers in deze paragraaf betreffen alleen e-commerce van bedrijven die in Nederland gevestigd zijn. Bestellingen van Nederlandse consumenten bij bedrijven in het buitenland zijn niet meegenomen. Andersom zijn aankopen van buitenlandse consumenten bij Nederlandse bedrijven wel meegeteld in de cijfers.

Kwart van de bedrijven verkoopt via e-commerce

In 2017 heeft 26 procent van de Nederlandse bedrijven elektronisch verkocht (figuur 4.4.1). Verkoop via een website is gebruikelijker dan verkoop via EDI; 22 procent van de bedrijven verkocht goederen of diensten via een website, tegen 8 procent via EDI. Het aandeel elektronisch verkopende bedrijven is sinds 2013 nauwelijks toegenomen: het bedroeg toen 23 procent.

Vooral reisbureaus en logiesaccommodaties verkopen elektronisch

De toeristische sector kent het grootste aandeel bedrijven die elektronisch verkopen. Van de bedrijven actief met logiesvertrekking, zoals hotels en campings, verkocht 62 procent via e-commerce in 2017 en van de reisbureaus 55 procent. Deze bedrijven verkopen hoofdzakelijk via websites. Ook in de voedings- en genotmiddelenindustrie verkopen veel bedrijven elektronisch; het ging om 57 procent van de bedrijven in deze bedrijfstak in 2017.

Elektronisch verkopen is gangbaarder onder grote dan onder kleine bedrijven. In 2017 deed 39 procent van de bedrijven met 250 of meer werkzame personen aan elektronische verkoop, tegen 24 procent van de bedrijven met 10 tot 50 werkzame personen. De verschillen tussen grote en kleine bedrijven zijn vooral zichtbaar bij verkopen via EDI. Van de grote bedrijven verkocht 22 procent via EDI tegen 5 procent van de kleine. Om EDI te kunnen gebruiken, moeten bedrijven aanzienlijke investeringen doen voor het ontwikkelen en onderhouden van deze systemen. Dit maakt EDI voor een beperkte groep bedrijven aantrekkelijk; vooral voor grote bedrijven zijn dergelijke investeringen rendabel. Daarentegen zijn websites om elektronisch te verkopen, laagdrempeliger. Daarom maken ook veel kleine bedrijven gebruik van webwinkels, van henzelf of van intermediairs. Het aandeel bedrijven dat aan e-commerce doet via websites, verschilt dan ook minder tussen kleine (21 procent) en grote (28 procent) bedrijven dan voor verkopen via EDI.

Elektronische verkopen Nederland boven EU-gemiddelde

Volgens de Europese methode heeft 27 procent van de Nederlandse bedrijven in 2017 elektronisch verkocht. Het EU-gemiddelde bedroeg 20 procent in 2017 (figuur 4.4.2). Nederlandse bedrijven verkopen vaker via websites (23 procent) dan gemiddeld in de 28 EU-lidstaten (16 procent). Het aandeel bedrijven dat via EDI verkoopt, is in Nederland (8 procent) ook groter dan gemiddeld in de EU (6 procent).

Meeste web-verkoop aan bedrijven

Een gemiddeld bedrijf behaalde 43 procent van de totale web-omzetnoot9 door verkoop aan Nederlandse consumenten en 7 procent door de verkoop aan buitenlandse consumenten in 2017 (figuur 4.4.3). Verkoop aan andere bedrijven en overheden was goed voor respectievelijk 47 en 3 procent van de totale web-omzet van een gemiddeld Nederlands bedrijf. In 2017 vormde de internethandel tussen bedrijven onderling dus een iets grotere markt dan de verkoop aan consumenten.

Twee verschillende ‘gemiddelden’

In deze paragraaf worden onderwerpen die samenhangen met de omzet uit e-commerce, soms op twee verschillende manieren weergegeven.

  1. Gewogen met het aantal bedrijven. Deze methode houdt geen rekening met de omzet van een bedrijf. Een klein bedrijf met weinig omzet telt hierbij even zwaar mee als een grote multinational. Deze cijfers zeggen iets over het percentage e-commerce in de omzet van een ‘gemiddeld bedrijf’.
  2. Gewogen met de omzet. Deze methode houdt wél rekening met de omzet van een bedrijf. Een bedrijf met veel omzet weegt daardoor zwaarder mee in het gemiddelde dan een bedrijf met weinig omzet. Deze insteek levert informatie op over het aandeel van e-commerce in de totale omzet van alle bedrijven in de onderzoekspopulatie.

De cijfers over e-commerce worden sterk beïnvloed door de bedrijven met de grootste omzet. Cijfers volgens deze twee weegmethoden vertellen elk dus een ander verhaal.

Bij de inkoopwaarde die bedrijven via e-commerce realiseren, speelt een vergelijkbaar onderscheid. Figuur 4.4.6 geeft cijfers weer over elektronische inkopen van bedrijven bij Nederlandse en buitenlandse handelspartners. In het ene geval zijn deze cijfers gewogen met het aantal bedrijven, in het andere geval met de totale inkoopwaarde van bedrijven via websites en EDI. Ook daar leveren beide invalshoeken een iets ander beeld op.

Als bedrijven met veel web-omzet zwaarder in de cijfers meewegen dan bedrijven met weinig web-omzet, ontstaat een iets ander beeld. Het aandeel van buitenlandse consumenten is vanuit dit perspectief aanzienlijk groter; van de totale web-omzet die bedrijven in 2017 hebben behaald, werd 14 procent gerealiseerd door te verkopen aan buitenlandse consumenten. Dit aandeel was voor een gemiddeld bedrijf, zonder te wegen met de web-omzet, niet groter dan 7 procent. Het verschil tussen deze cijfers wordt veroorzaakt doordat een klein aantal bedrijven met een hoge web-omzet een groot deel van de omzet behaalt door verkoop via websites aan buitenlandse consumenten.

Buitenlandse klanten goed voor 14 procent web-omzet

In 2017 behaalde een gemiddeld bedrijf 86 procent van zijn web-omzet door verkopen aan Nederlandse bedrijven of consumenten (figuur 4.4.4). Het overige deel was het resultaat van verkopen aan buitenlandse klanten: 11 procent aan klanten binnen de EU en 3 procent aan klanten buiten de EU. EDI-verkopen zijn vaker internationaal dan verkopen via een website. In 2017 realiseerde een gemiddeld bedrijf 23 procent van zijn EDI-omzet door te verkopen aan klanten in het buitenland.

Wanneer het niet gaat om het gemiddelde bedrijf, maar als bedrijven met veel e-commerce zwaarder in de cijfers meewegen dan bedrijven met weinig e-commerce, ontstaat het beeld dat zichtbaar is in de bovenste helft van figuur 4.4.4. Verkopen aan het buitenland besloegen 27 procent van alle omzet behaald door verkoop via websites in 2017. Van de EDI-omzet was 45 procent het resultaat van handel met het buitenland; klanten binnen en buiten de EU nemen elk de helft van deze verkopen voor hun rekening. Hieruit blijkt dat bedrijven met web- of EDI-omzet een groter deel van deze omzet genereren uit internationale handel dan bedrijven die weinig omzet behalen via e-commerce.

Twee derde bedrijven koopt elektronisch in

Bedrijven gebruiken elektronische kanalen niet alleen voor verkoopdoeleinden, maar ook om in te kopen. In 2017 kocht 67 procent van alle bedrijven elektronisch in (figuur 4.4.5). Elektronisch inkopen kwam vooral veel voor in sectoren die ICT intensief gebruiken zoals de ICT-sector en in de informatie en communicatiebranche (respectievelijk 78 en 77 procent). De bedrijfsomvang heeft nagenoeg geen invloed of een bedrijf gebruikmaakt van elektronisch inkopen of niet.

Hoewel relatief veel bedrijven via e-commerce inkopen, gaat het hierbij meestal niet om een substantieel deel van de totale inkoop van het bedrijf. Voor 32 procent van de bedrijven vertegenwoordigde de elektronische inkoop ten minste 1 procent van de totale inkoopwaarde. Dat betekent dat 68 procent van de bedrijven weliswaar incidenteel elektronisch inkoopt, maar dat het voor hen gaat om een aandeel van minder dan 1 procent van de totale inkoop. Voor 7 procent van de bedrijven bedroeg de elektronische inkoop minimaal de helft van de totale inkoopwaarde. E-commerce vormt voor deze bedrijven dus wel een substantieel inkoopkanaal.

Bedrijven kopen vaker in via websites dan EDI

EDI is bij bedrijven veel minder in trek als inkoopkanaal dan websites. In 2017 kocht 7 procent van de bedrijven in via EDI, terwijl 66 procent inkopen deed via websites en/of apps. Bedrijven in de handel en bouw kochten relatief vaak in via EDI (beide meer dan 10 procent). In veel andere bedrijfstakken lag het aandeel van EDI-inkoop onder de 10 procent. Bij grote bedrijven komen inkopen via EDI-systemen vaker voor dan bij kleine. Van de bedrijven met 250 tot 500 werkzame personen gebruikte 14 procent EDI om in te kopen in 2017; bij bedrijven met meer dan 500 werkzame personen was dit zelfs 20 procent. Evenals verkopen via EDI, is inkopen via EDI voor veel kleine bedrijven niet rendabel vanwege de ontwikkel- en onderhoudskosten van dergelijke systemen. Van de bedrijven met 10 tot 20 werkzame personen gebruikte slechts 5 procent EDI om in te kopen.

Elektronisch inkopen vooral binnen Nederland

In 2017 kocht een gemiddeld bedrijf voor 92 procent van zijn web-inkoopwaardenoot10 in bij leveranciers in Nederland (figuur 4.4.6). De overige 8 procent van dit bedrag kocht een gemiddeld bedrijf in bij buitenlandse bedrijven: 6 procent bij leveranciers binnen de EU en 2 procent bij partners buiten de EU. EDI-inkopen zijn vaker internationaal dan inkopen via een website. Een gemiddeld bedrijf kocht voor 15 procent van zijn totale EDI-inkoopwaarde in via handel met het buitenland.

Wanneer het niet gaat om het gemiddelde bedrijf, maar als bedrijven die veel elektronisch inkopen zwaarder in de cijfers meewegen dan bedrijven die weinig elektronisch inkopen, ontstaat een ander beeld. Van het totale bedrag dat bedrijven via websites hebben ingekocht in 2017, betrof 26 procent een besteding bij buitenlandse leveranciers. Het aandeel van leveranciers in de EU (17 procent) was bijna 2 keer zo groot als het aandeel van leveranciers buiten de EU (9 procent). Van het bedrag dat bedrijven via EDI uitgaven, betrof 40 procent handel met het buitenland, waaronder 21 procent handel met klanten binnen de EU. Hier geldt dus dat bedrijven met veel web- of EDI-inkopen een groter deel van deze bestedingen steken in internationale handel dan bedrijven die weinig via e-commerce inkopen.

Internationaal gezien behoort Nederland samen met Noorwegen tot de landen waar bedrijven het vaakst inkopen via elektronische kanalen. In 2016noot11 deed meer dan de helft van de Nederlandse bedrijven inkopen via e-commerce: 57 procent. Dat was meer dan het EU-gemiddelde van 45 procent.

4.5ICT-beveiligingsmaatregelen van bedrijven

De voorgaande paragrafen in dit hoofdstuk schetsten het beeld dat ICT een vitaal onderdeel is van veel processen binnen en tussen bedrijven. De rol van ICT in het bedrijfsleven blijft bovendien groeien. Verstoring ervan zal de belangen van bedrijven vrijwel altijd ondermijnen. Veel bedrijven nemen daarom ICT-veiligheidsmaatregelen. Bedrijven zullen daarbij altijd een belangenafweging (moeten) maken (NCTV, 2019). Cybersecuritymaatregen kosten immers tijd en geld, twee schaarse middelen die ook anders ingezet kunnen worden. Deze paragraaf beschrijft cijfers over het soort ICT-beveiligingsmaatregelen dat bedrijven nemen, de mate waarin ICT-veiligheidsincidenten optreden en, ten slotte, welk soort incidenten zich voordoen.

Antivirussoftware meest genomen ICT-veiligheidsmaatregel

Bedrijven namen in 2018 allerlei maatregelen om hun ICT te beschermen tegen beveiligings­risico’s (figuur 4.5.1). Antivirussoftware en het opslaan van gegevens op een andere fysieke locatie zijn maatregelen die door een groot deel van bedrijven werden genomen (respectievelijk 96 en 84 procent). Bijna driekwart van de bedrijven had beleid voor het gebruik van sterke wachtwoorden. Encryptie voor het versturen of opslaan van data werd door ruim een derde van de bedrijven ingezet.

Bij grote bedrijven komt het gebruik van encryptie bij het versturen en opslaan van data vaker voor. Waar bijna een derde van de bedrijven van 10 tot 50 werkzame personen encryptie-maatregelen nam, gold dat bij twee derde van de bedrijven met meer dan 250 werkzame personen. Voor kleine bedrijven is encryptie waarschijnlijk minder rendabel vanwege hoge aanschaf-, ontwikkel- en onderhoudskosten van dergelijke systemen.

Helft bedrijven heeft ICT-incident gehad

Bij 48 procent van de bedrijven heeft in 2017 een ICT-veiligheidsincident plaatsgevonden (tabel 4.5.2). Bij financiële instellingen vonden de meeste ICT-incidenten plaats. 61 procent van de bedrijven in deze sector had er mee te maken. In de horeca kwam het het minste voor. Ruim een vijfde van alle bedrijven heeft kosten gehad aan een ICT-incident. Financiële instellingen, bouwbedrijven en bedrijven actief in energie & water leden relatief het vaakst schade door een ICT-incident. Bij 16 procent van alle bedrijven werd het ICT-veiligheidsincident veroorzaakt door een aanval van buiten het bedrijf. Research- en financiële instellingen hadden hier het vaakst mee te maken (respectievelijk 22 en 21 procent van de bedrijven in deze sectoren). Ook in de bouw had 21 procent van de bedrijven last van een aanval van buitenaf in 2017. In de horeca komen aanvallen van buitenaf maar beperkt voor: bij 7 procent van de bedrijven in 2017.

4.5.2Optreden van ICT-veiligheidsincidenten, 2017

Incident opgetreden Kosten gehad aan ICT-incident Incident door aanval van buiten Kosten incident (aanval buitenaf)
% van bedrijven met 10 of meer werkzame personen
Totaal 48 21 16 8
 
Bedrijfstak
Industrie 47 21 16 8
Energie & water 54 27 18 7
Bouw 52 27 21 11
Handel 50 22 16 9
Transport 46 21 18 10
Horeca 34 12 7 2
Informatie en communicatie 52 21 19 9
ICT-sector 55 22 20 8
Financiële instellingen 61 29 21 14
Onroerend goed 57 16 17 6
Advies en onderzoek 53 23 17 8
wo. Researchinstellingen 58 23 22 11
Overige dienstverlening 44 18 15 7
Gezondheidszorg 51 20 12 6
 
Bedrijfsomvang
10 tot 20 werkzame personen 43 18 13 6
20 tot 50 werkzame personen 49 22 17 9
50 tot 100 werkzame personen 55 25 19 8
100 tot 250 werkzame personen 58 28 22 9
250 tot 500 werkzame personen 60 30 25 12
500 of meer werkzame personen 66 34 29 13

Bron:CBS.

Bij grote bedrijven meer incidenten

Bij 66 procent van de bedrijven met 500 werkzame personen of meer vond in 2017 een ICT-incident plaats, terwijl dat voor 43 procent van de bedrijven met 10 tot 20 werkzame personen gold. Van de grootste bedrijven heeft 29 procent een incident door een aanval van buiten gehad tegenover 13 procent bij de kleinste bedrijven.

17 procent bedrijven maakt kosten door ICT-veiligheidsincident

Een ICT-incident kan vervelende gevolgen hebben voor het bedrijf. In 2018 maakte 17 procent van de bedrijven kosten door het uitvallen van een ICT-dienst (bijvoorbeeld storing in hard- of software) vanwege een veiligheidsincident.noot12 Alle sectoren hadden hier, met uitzondering van de horeca, in min of meer gelijk mate last van (tabel 4.5.3). Bij financiële instellingen maakte een kwart van de bedrijven kosten als gevolg van een ICT-veiligheidsincident. Grotere bedrijven maken verhoudingsgewijs vaker kosten door uitval dan kleinere bedrijven. Zo gaf 28 procent van de bedrijven met 500 werkzame personen of meer aan, last te hebben gehad van het uitvallen van een ICT-dienst door een veiligheidsincident, terwijl dat bij kleinere bedrijven slechts 15 procent was.

Bedrijven maakten twee keer zo vaak kosten als gevolg van een aanval van buitenaf waardoor de ICT-dienst uitviel, dan kosten door vernietiging van data door een aanval van buitenaf (respectievelijk 6 en 3 procent van de bedrijven). Bedrijven die kosten maakten als gevolg van onthulling van gegevens door een ICT-inbraak of door een intern incident kwamen relatief weinig voor (beide 2 procent).

4.5.3Kosten gemaakt als gevolg ICT-veiligheidsincidenten, 2018

Uitval ICT-dienst door veiligheids­incident Uitval ICT-dienst door aanval buitenaf Vernietiging data door veiligheids­incident Vernietiging data; aanval van buitenaf Onthulling gegevens door ICT-inbraak Onthulling gegevens door intern incident
% van bedrijven met 10 of meer werkzame personen
Totaal 17 6 3 3 2 2
 
Bedrijfstak
Industrie 18 6 3 4 1 2
Energie & water 21 3 3 5 2 1
Bouw 23 9 5 5 2 1
Handel 17 7 4 4 2 1
Transport 16 9 2 5 1 1
Horeca 10 1 2 1 1 1
Informatie en communicatie 18 8 4 3 2 3
ICT-sector 17 6 4 4 3 2
Financiële instellingen 25 11 4 5 2 1
Onroerend goed 15 4 6 1 0 1
Advies en onderzoek 20 6 4 4 2 2
wo. Researchinstellingen 19 10 8 7 6 5
Overige dienstverlening 15 5 4 4 1 1
Gezondheidszorg 17 4 2 2 1 2
 
Bedrijfsomvang
10 tot 20 werkzame personen 15 5 4 3 1 1
20 tot 50 werkzame personen 17 8 3 5 2 1
50 tot 100 werkzame personen 21 5 3 4 1 1
100 tot 250 werkzame personen 23 5 3 4 1 3
250 tot 500 werkzame personen 25 8 4 6 1 3
500 of meer werkzame personen 28 9 7 6 3 8

Bron:CBS.

4.6Big data

Door toenemend gebruik van sociale media en mobiele apparaten zoals smartphones en tablets worden steeds meer data geproduceerd en geregistreerd. Deze grote hoeveelheden data kunnen bedrijven kansen bieden door deze data met elkaar te combineren, te integreren en te analyseren met nieuwe hardware en analytische toepassingen. Dit soort ‘big data’ kunnen nieuwe inzichten opleveren, met tal van mogelijkheden voor bedrijven om processen in te richten en beslissingen te nemen.

Big data

Met ‘big data’ wordt hier bedoeld informatie die wordt gegenereerd uit elektronische activiteiten van gebruikers, en uit onderlinge communicatie tussen apparaten (machine-to-machine).

Het gaat bijvoorbeeld om gegevens die voortkomen uit het gebruik van sociale media, en uit productieprocessen in een bedrijf. Big data bevatten doorgaans grote hoeveelheden gegevens die een hoge diversiteit kennen.

Big-data-analyse

‘Big-data-analyse’ is het gebruik van technieken, technologieën en softwaretools voor analyse van big data uit het eigen bedrijf, of uit andere gegevensbronnen.

Bedrijven: 22 procent analyseert big data

In 2018 voerde 22 procent van de bedrijven analyses uit op big data. Het kan daarbij gaan om analyses die bedrijven zelf uitvoeren met het eigen personeel, of om analyses die zij uitbesteden aan andere bedrijven (figuur 4.6.1). Vooral in de informatie- en communicatiesector en ICT-sector wordt big-data-analyse uitgevoerd: respectievelijk 38 en 34 procent van de bedrijven in deze branches. Ook veel financiële instellingen voerden big-data-analyses uit. Bij verzekeraars betrof het 1 op de 2 bedrijven.

Bij grote bedrijven is big-data-analyse gebruikelijker dan bij kleine bedrijven. Van de bedrijven met 10 tot 20 werkzame personen analyseerde 16 procent big data. Onder bedrijven met 500 of meer werkzame personen was het aandeel ruim 3 keer zo groot: 53 procent.

22% van bedrijven analyseerde big data in 2018 Buitenvorm Binnenvorm

Ruim 80 procent zet eigen medewerkers in

Bedrijven kunnen big data analyseren door hun eigen personeel hieraan te laten werken en/of door dit werk uit te besteden aan andere bedrijven. In 2018 gebruikte 18 procent van de bedrijven die big data analyseerden, daarbij geen eigen personeel (figuur 4.6.2). Zij besteedden dus al hun big-data-analyses uit aan andere bedrijven. De overige 82 procent zette wel eigen medewerkers in, voor ten minste een deel van de big-data-werkzaamheden.

Van de bedrijven die big data analyseerden, besteedde ruim een derde deel de werkzaam­heden hiervoor uit in 2018 (36 procent). Het merendeel van de bedrijven voerde hun big-data-analyses volledig zelf uit. Het komt ook veelvuldig voor dat bedrijven zowel met het eigen personeel als met hulp van andere bedrijven big data analyseren.

Meer cijfers over bedrijven die big data analyseren met eigen personeel, en met hulp van andere bedrijven, zijn opgenomen in deze StatLine-tabel.

4.7Innovatieve ICT-toepassingen

Cloud-computing, 3D-printing en robotica zijn vormen van relatief nieuwe ICT-toepassingen die inmiddels hun weg hebben gevonden in het ICT-landschap van bedrijven. Net als personen (paragraaf 3.4) kunnen ook bedrijven gebruikmaken van cloud-diensten. Bij cloud-computing gebruiken bedrijven bijvoorbeeld opslagcapaciteit, software of rekenkracht via internet in plaats van lokaal op eigen bedrijfsservers of –computers. 3D-printing verwijst naar het gebruik van speciale printers, voor het creëren van driedimensionale fysieke objecten. Onder robotica worden niet alleen robots verstaan die kunnen worden ingezet in industrieel geautomatiseerde applicaties, maar ook service robots die kunnen werken in een omgeving waarin interactie met personen, objecten of andere apparaten vereist kan zijn.

Helft bedrijven maakt gebruik van cloud

In 2018 maakte 49 procent van de bedrijven gebruik van de cloud. De meest gebruikte vormen van cloud-computing zijn database hosting en opslag van bestanden (als cloud-dienst). Beide cloud-diensten werden in 2018 door 35 procent van de bedrijven gebruikt (figuur 4.7.1). Het gebruik van rekenkracht voor software van het bedrijf in de cloud, werd door 12 procent van de bedrijven gebruikt.

Grotere bedrijven maken verhoudingsgewijs vaker gebruik van de cloud dan kleinere bedrijven. Van de bedrijven met meer dan 250 werkzame personen gebruikte 78 procent cloud-diensten. Bij de bedrijven van 10 tot 50 werkzame personen was dat bij 46 procent het geval. In de bedrijfstak informatie en communicatie werd door driekwart van de bedrijven cloud-diensten gebruikt. Ook in de ICT-sector was het percentage relatief hoog (74 procent). In de horeca maakten veel minder bedrijven gebruik van cloud-computing: 1 op de 3 bedrijven.

Meer cijfers over het gebruik van cloud-diensten per bedrijfstak zijn opgenomen in deze StatLine-tabel.

Robots gebruikt in 7 procent bedrijven

Robots werden door 7 procent van de bedrijven ingezet in 2018. De verschillen tussen bedrijfstakken zijn groot (tabel 4.7.2). In de industrie zette 3 op de tien bedrijven een industriële of service robot in. Ook  researchinstellingen gebruikten robots relatief vaak (bij 13 procent van de bedrijven). In andere bedrijfstakken zoals in de onroerend goed branche, horeca en ICT-gerelateerde bedrijfstakken werd maar zeer beperkt gebruikgemaakt van robots in het bedrijfsproces. Bij middelgrote bedrijven – met 100 tot 250 werkzame personen – kwam robotica het vaakst voor (18 procent). Van de allerkleinste bedrijven zette 4 procent een industriële of service robot in.

4.7.2Robotica, 2018

Robotica gebruikt Effect ingebruikname robots op banen
Meer banen ontstaan
dan verdwenen
Meer banen
verdwenen dan ontstaan
Geen effect m.b.t. banen
% van bedrijven met 10 of meer werkzame personen
Totaal 7 1 1 5
 
Bedrijfstak
Industrie 29 4 3 22
Energie & water 3 0 0 3
Bouw 3 1 0 2
Handel 6 1 1 4
Transport 3 0 0 2
Horeca 1 0 0 1
Informatie en communicatie 1 0 0 0
ICT-sector 1 1 0 0
Financiële instellingen 1 0 0 0
Onroerend goed 0 0 0 0
Advies en onderzoek 5 1 1 3
wo. Researchinstellingen 13 5 0 7
Overige dienstverlening 2 1 0 1
Gezondheidszorg 1 0 0 1
 
Bedrijfsomvang
10 tot 20 werkzame personen 4 1 0 3
20 tot 50 werkzame personen 7 1 1 6
50 tot 100 werkzame personen 10 1 1 7
100 tot 250 werkzame personen 18 2 3 13
250 tot 500 werkzame personen 16 2 4 10
500 of meer werkzame personen 14 2 2 9

Bron:CBS.

In de industrie, de bedrijfstak waarin robots het meest werden ingezet, had de ingebruikname ervan vaak geen effect op het aantal banen. Desalniettemin gold voor een kwart van de bedrijven die robotica gebruikten, dat de inzet effect had op het aantal banen. Bij researchinstellingen zorgde het gebruik van robots ervoor dat er meer banen bij kwamen dan er verdwenen.

Meer cijfers over het gebruik van robots bij bedrijven, onder andere over het soort robots, zijn opgenomen in deze StatLine-tabel.

3D-printing bij 5 procent bedrijven

In 2017 werd door 5 procent van de bedrijven gebruikgemaakt van 3D-printen (tabel 4.7.3). Met name researchinstellingen gebruikten 3D-printing. Bijna één op de vijf bedrijven zette 3D-printers in. Ook bij bedrijven in de industrie werd relatief veel aan 3D-printing gedaan (11 procent van de bedrijven). Bij grote bedrijven – met meer dan 500 werkzame personen – maakte 1 op de 10 bedrijven gebruik van een 3D-printer, terwijl dit 3 procent bedroeg bij bedrijven met 10 tot 20 werkzame personen.

4.7.33D-printing, 2017

3D-printing uitgevoerd Doel en gebruik
Prototypes/
modellen voor verkoop
Prototypes/
modellen voor intern gebruik
Producten voor verkoop Producten voor intern gebruik
% van bedrijven met 10 of meer werkzame personen
Totaal 5 3 3 2 2
 
Bedrijfstak
Industrie 11 7 8 4 4
Energie & water 6 3 5 1 3
Bouw 3 1 2 0 0
Handel 4 3 2 2 2
Transport 1 0 0 0 0
Horeca 0 0 0 0 0
Informatie en communicatie 4 2 2 1 2
ICT-sector 5 3 4 2 2
Financiële instellingen 2 2 0 0 0
Onroerend goed 0 0 0 0 0
Advies en onderzoek 8 4 6 2 3
wo. Researchinstellingen 19 11 17 9 13
Overige dienstverlening 1 1 1 1 1
Gezondheidszorg 4 1 2 0 2
 
Bedrijfsomvang
10 tot 20 werkzame personen 3 2 2 1 1
20 tot 50 werkzame personen 5 4 3 2 2
50 tot 100 werkzame personen 6 3 5 1 2
100 tot 250 werkzame personen 7 3 5 2 2
250 tot 500 werkzame personen 9 4 8 3 4
500 of meer werkzame personen 10 3 7 2 4

Bron:CBS.

Het merendeel van de bedrijven dat gebruikmaakte van 3D-printing, deed dat om prototypes of modellen te maken. Het maken van modellen voor intern gebruik met behulp van een 3D-printer komt vooral voor bij researchinstellingen. Voor 17 procent van alle researchinstellingen was dit de reden om gebruik te maken van een 3D-printer.

Meer cijfers over het gebruik van 3D-printing bij bedrijven, onder andere over het eigendom van de 3D-printers, zijn opgenomen in deze StatLine-tabel.

4.8Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Europese Commissie (2010). De voordelen van elektronische facturering voor Europa benutten – Mededeling van de commissie aan het Europees parlement, de raad, het Europees economisch en sociaal comité en het comité van de regio’s. Europese Commissie, Brussel.

Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (2019). Cybersecuritybeeld Nederland CSBN 2019. Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, Den Haag.

OESO (2011). Guide to measuring the information economy 2011. Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, Parijs.

Noten

Deze uitkomsten zijn niet beschreven in dit hoofdstuk maar zijn opgenomen in de Statline-tabellen: ICT-gebruik bij kleine bedrijven, 2017 en ICT-gebruik bij kleine bedrijven, 2018.

Wanneer de verbinding uitsluitend via wifi gelegd kan worden, en niet via mobiele telefoonnetwerken, telt deze apparatuur niet mee.

Zowel volgens de Europese als volgens de Nederlandse methode is het cijfer 94 procent.

In hoofdstuk 2 (tabel 2.1.1) zijn de omschrijvingen van de SBI 2008-groepen in de ICT-sector opgenomen.

Alleen SBI 2008-groepen 6419, 6492, 651, 652, 6612 en 6619.

Tot computers behoren desktops, laptops en andere draagbare apparaten zoals tablets en smartphones.

Een tijdreeks met cijfers van 2002 tot en met 2018 staat in deze StatLine-tabel.

Zie kader ‘Enquête ICT-gebruik bij bedrijven’.

De web-omzet is de totale omzet die een bedrijf heeft gerealiseerd door verkopen via websites.

De web-inkoopwaarde is het totale bedrag dat een bedrijf heeft besteed aan inkopen via websites en/of apps.

Cijfers voor 2017 waren niet beschikbaar ten tijde van het samenstellen van deze publicatie.

Het gaat hier specifiek om kosten als gevolg van de zes genoemde categorieën in tabel 4.5.3. Het percentage bedrijven dat kosten maakte, wijkt hierdoor af van het percentage in tabel 4.5.2. Dat cijfer omvat ook kosten gemaakt als gevolg van andere ICT-incidenten.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2018–2019 2018 tot en met 2019
2018/2019 Het gemiddelde over de jaren 2018 tot en met 2019
2018/’19 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2018 en eindigend in 2019
2016/’17–2018/’19 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2016/’17 tot en met 2018/’19

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Judit Arends-Tóth

Raymond Kleingeld

Laura Wielenga-van der Pijl

Rik van Roekel

Ron de Heij

Astrid Pleijers

Francis van der Mooren

Overige bijdragen

John Bechholz

Marijke Hartgers

Cor Kragt

Kasper Leufkens

Linda Muller-Geuzinge

Hugo de Bondt

David Gies

Jacqueline van Beuningen

Yuri Boskamp

Eric Wassink

Eindredactie

Ron de Heij