Staldieren
In 2019 bracht een zeug gemiddeld 30 biggen groot.
4.1Krachtvoer
Het voer voor staldieren kan bestaan uit mengvoer, enkelvoudige krachtvoergrondstoffen en, voor sommige diercategorieën, uit vochtrijke bijproducten. In de toegepaste kengetallen van het voerverbruik van staldieren wordt het verbruik uitgedrukt als verbruik van droog voer met een droge stofgehalte van ongeveer 88 procent. Voor de voersamenstelling wordt gebruik gemaakt van de afzet van mengvoer en enkelvoudig voer die voerleveranciers jaarlijks moeten rapporteren aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). In de geregistreerde voerleveringen zijn echter ook leveringen van vochtrijk voer opgenomen. Het droge stofgehalte van deze voeders kan niet uit de voerleveringen worden afgeleid maar ligt voor de meest verbruikte soorten tussen 10 en 30 procent. Door het ontbreken van informatie over het droge stofgehalte is het niet mogelijk om de samenstelling van leveringen van vochtrijk voer om te rekenen naar de samenstelling van droog voer zoals die in kengetallen over het voerverbruik worden toegepast. Leveringen van vochtrijk voer zijn daarom uit de bestanden verwijderd om de gemiddelde stikstof- en fosforgehalten van droog voer te kunnen berekenen. Het stikstofgehalte van het geleverde voer is hierbij gebruikt als indicatie van de levering van vochtrijk voer. Het verbruik en de samenstelling van vochtrijk voer bestemd voor varkens is afkomstig van de OPNV.
Bij pluimvee spelen vochtrijke voeders geen rol. Hierdoor is het mogelijk een gemiddelde samenstelling van het verstrekte voer te berekenen op basis van de geregistreerde leveringen van mengvoer en enkelvoudig voer. Een uitzondering hierop vormen de vleeskuikens vanwege het aandeel enkelvoudige tarwe in het rantsoen. Het aandeel enkelvoudige tarwe is in het Bedrijveninformatienet (BIN) van Wageningen Economic Research hoger dan in geregistreerde voerleveringen van RVO. De leveringen van akkerbouwer naar veehouder en het verbruik van tarwe van het eigen bedrijf zitten namelijk niet in de geregistreerde voerleveringen maar wel in het BIN. Om die reden is voor vleeskuikens uit de RVO-gegevens alleen de samenstelling van mengvoer berekend. Het verbruik van tarwe is gebaseerd op gegevens van Wageningen Economic Research. Van het kaliumgehalte in varkens- en pluimveemengvoer is geen jaarlijkse informatie beschikbaar. De samenstelling van het voer voor staldieren is weergegeven in Tabel 4.1.1.
4.1.1Stikstof- en fosforgehalten van staldiervoeders
| Stikstof (N) | Fosfor (P) | |||
|---|---|---|---|---|
| 2018 | 2019 | 2018 | 2019 | |
| g/kg | ||||
| Varkensvoer1) | ||||
| Opfokzeugen en -beren2) | 24,4 | 24,4 | 4,8 | 4,8 |
| Zeugen | 24,2 | 24,1 | 5,0 | 4,9 |
| Beren | 23,4 | 23,4 | 4,8 | 5,0 |
| Vleesvarkens2) | 25,1 | 24,6 | 4,5 | 4,4 |
| Pluimveevoer | ||||
| Vleeskuikenvoer3) | 28,4 | 29,0 | 4,1 | 4,2 |
| Opfokvoer voor vleeskuikenouderdieren | 24,9 | 25,2 | 5,6 | 5,5 |
| Foktoomvoer (vleeskuikenouderdieren) | 23,1 | 22,8 | 4,6 | 4,5 |
| Opfokvoer voor legrassen | 27,1 | 27,3 | 5,5 | 5,5 |
| Legvoer | 26,1 | 26,1 | 5,0 | 4,9 |
| Eendenvoer | 25,7 | 25,8 | 5,3 | 5,4 |
| Kalkoenenvoer | 29,0 | 28,7 | 5,0 | 4,9 |
| Konijnen- en pelsdierenvoer | ||||
| Konijnenvoer | 25,1 | 25,4 | 5,4 | 5,4 |
| Nertsenvoer4) | 11,8 | 11,6 | 2,4 | 2,4 |
1)Inclusief vochtrijk krachtvoer en enkelvoudig vervoederde grondstoffen.
2)Inclusief startvoer.
3)Inclusief enkelvoudig vervoederde tarwe.
4)Nertsen krijgen vochtrijk voer met een drogestofgehalte van 30-40%.
4.2Dierlijke productie
De vastlegging van mineralen in dierlijke producten is afhankelijk van het productieniveau van vlees en eieren en van de mineralengehalten van die producten. Het levend gewicht van staldieren wordt incidenteel aangepast. De mineralengehalten van dierlijke producten worden jaarlijks afgestemd op de forfaitaire waarden in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Nieuwe gegevens over gehalten aan stikstof en fosfor in het levend gewicht van staldieren komen incidenteel beschikbaar. De samenstelling van dierlijke producten is weergegeven Tabel 4.2.1.
4.2.1Vastlegging van mineralen door staldieren, 2019
| Gewicht | Stikstof (N) |
Fosfor (P) |
Kalium (K) |
|
|---|---|---|---|---|
| kg | g/kg levend gewicht | |||
| Varkens | ||||
| Doodgeboren big | 1,3 | 18,7 | 6,2 | 1,8 |
| Uitval biggen | 2,8 | 23,1 | 5,4 | 2,6 |
| Big bij afleveren | 25,6 | 24,8 | 5,3 | 2,4 |
| Vleesvarken | 122 | 25,0 | 5,4 | 2,3 |
| Opfokzeug | 145 | 24,9 | 5,8 | 2,3 |
| Fokzeug | 230 | 25,0 | 5,4 | 2,1 |
| Fokbeer | 325 | 25,0 | 5,4 | 2,0 |
| gram | g/kg levend gewicht | |||
| Kippen | ||||
| Eendagskuiken – legsector | 35 | 25,8 | 2,5 | 2,0 |
| Eendagskuiken – vleessector | 42 | 25,8 | 2,5 | 2,4 |
| Witte leghen – 17 weken | 1 285 | 28,0 | 5,5 | 1,9 |
| Witte leghen – eindgewicht | 1 600 | 28,0 | 5,6 | 1,9 |
| Middelzware leghen – 17 weken | 1 520 | 28,0 | 5,5 | 1,7 |
| Middelzware leghen – eindgewicht | 1 650 | 28,0 | 5,6 | 1,9 |
| Moederdier van vleesrassen – ca. 20 weken | 2 200 | 33,4 | 4,9 | 2,5 |
| Moederdier van vleesrassen – eindgewicht | 3 700 | 28,4 | 5,4 | 2,2 |
| Vaderdier van vleesrassen – ca. 20 weken | 3 000 | 34,5 | 5,5 | 2,5 |
| Vaderdier van vleesrassen – eindgewicht | 4 800 | 35,4 | 5,7 | 2,5 |
| Vleeskuiken | 2 376 | 28,3 | 4,4 | 2,4 |
| Eenden en kalkoenen | ||||
| Eend – begingewicht | 56 | 28,0 | 3,0 | 1,8 |
| Vleeseend | 3 200 | 29,5 | 5,1 | 2,5 |
| Kalkoen – begingewicht | 57 | 30,0 | 3,4 | 2,0 |
| Vleeskalkoen, hen | 10 000 | 33,0 | 5,0 | 2,0 |
| Vleeskalkoen, haan | 20 000 | 33,0 | 5,2 | 2,0 |
| Konijnen en pelsdieren | ||||
| Konijnen | 28,3 | 5,2 | 2,0 | |
| Nertsen | 27,9 | 6,0 | 2,0 | |
| g/kg | ||||
| Legsector | 18,5 | 1,7 | 1,2 | |
| Vleessector | 19,3 | 1,9 | 1,2 | |
Bron:Zie Van Bruggen en Gosseling (2019) en tekst
4.3Mineralenexcretie
De excretiefactoren voor staldieren staan in Tabel 4.3.1. Voor de belangrijkste categorieën staldieren is de berekening van de excretiefactoren in deze paragraaf opgenomen.
4.3.1Excretiefactoren van staldieren, 2019
| Stikstof (N) |
Fosfaat (P2O5) |
Kali (K2O) |
|
|---|---|---|---|
| kg/dier.jaar | |||
| Varkens | |||
| Vleesvarkens | 11,5 | 4,2 | 7,9 |
| Opfokzeugen en -beren | 14,5 | 6,1 | 8,5 |
| Gedekte zeugen, zeugen bij de biggen en overige fokzeugen1) | 29,9 | 13,6 | 20,8 |
| Opfokberen, 50 kg en meer | 14,5 | 6,1 | 8,5 |
| Dekrijpe beren | 22,5 | 11,0 | 11,5 |
| Kippen | |||
| Vleeskuikens | 0,41 | 0,12 | 0,23 |
| Ouderdieren van vleesrassen, jonger dan 19 weken | 0,36 | 0,21 | 0,17 |
| Ouderdieren van vleesrassen, 19 weken en ouder | 0,99 | 0,51 | 0,44 |
| Leghennen, jonger dan 18 weken | 0,36 | 0,17 | 0,14 |
| Leghennen, 18 weken en ouder | 0,82 | 0,43 | 0,35 |
| Vleeseenden en kalkoenen | |||
| Vleeseenden | 0,69 | 0,39 | 0,47 |
| Kalkoenen | 1,64 | 0,70 | 0,84 |
| Konijnen en nertsen | |||
| Konijnen (voedsters)2)3) | 8,3 | 4,3 | 8,6 |
| Nertsen (moederdieren)3) | 2,2 | 1,0 | 0,7 |
1)Inclusief excretie van biggen.
2)Inclusief excretie van vleeskonijnen.
3)Inclusief excretie van mannelijke dieren en opfokdieren.
N.B. De factoren gelden per bij de landbouwtelling geteld dier.
Varkens
De technische kengetallen van vleesvarkens en zeugen zijn gebaseerd op cijfers van Agrovision. De bij RVO geregistreerde leveringen van mengvoer en enkelvoudig voer in kilogrammen voer, stikstof en fosfor zijn gebruikt bij de bepaling van de mineralengehalten van droge voeders voor de onderscheiden categorieën varkens. Dit is gedaan door bedrijven waaraan varkensvoer is geleverd, te koppelen aan de gegevens in de Landbouwtelling. Vervolgens zijn de stikstof- en fosforgehalten van het voer voor een bepaalde categorie varkens zoals vleesvarkens of zeugen gebaseerd op de gemiddelde samenstelling van het geleverde voer aan bedrijven die alleen de betreffende categorie varkens houden. Deze werkwijze impliceert dat er bij de samenstelling geen onderscheid hoeft te worden gemaakt tussen verschillende typen voeders zoals startvoer, opfokvoer en afmestvoer bij vleesvarkens of tussen verschillende typen zeugenvoeders bij fokzeugen.
De uitgangspunten en de excretieberekening voor vleesvarkens en fokzeugen is weergegeven in Tabel 4.3.2.
4.3.2Mineralenexcretie van vleesvarkens en zeugen, 2019
| Eenheid | Vleesvarken | Zeug en biggen (per zeug) | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Voerverbruik | ||||||||
| Biggenvoer | kg/big.jaar | 29 | (29) | |||||
| Biggenvoer | kg/zeug.jaar | 855 | (855) | |||||
| Startvoer | kg/dier.jaar | 147 | (146) | |||||
| Vleesvarkensvoer | kg/dier.jaar | 638 | (624) | |||||
| Zeugenvoer | kg/zeug.jaar | 1 231 | (1 226) | |||||
| Vastlegging | ||||||||
| Vlees | kg/dier.jaar | 309 | (303) | 35 | (37) | |||
| Grootgebrachte biggen | aantal/zeug.jaar | 30 | (30) | |||||
| Grootgebrachte biggen | kg/zeug.jaar | 767 | (759) | |||||
| Uitval | kg/zeug.jaar | 15 | (16) | |||||
| Doodgeboren biggen | kg/zeug.jaar | 3,0 | (3,0) | |||||
| Eindgewicht varken/big | kg | 122 | (121) | 25,6 | (25,7) | |||
| stikstof (N) | fosfor (P) | kalium (K) | stikstof (N) | fosfor (P) | kalium (K) | |||
| Mineralengehalten vlees | ||||||||
| Vlees | g/kg | 25,1 | 5,4 | 2,2 | 25,2 | 4,6 | 1,8 | |
| Biggen | g/kg | 24,8 | 5,3 | 2,4 | ||||
| Uitval biggen | g/kg | 23,1 | 5,4 | 2,6 | ||||
| Doodgeboren biggen | g/kg | 18,7 | 6,2 | 1,8 | ||||
| Mineralenbalans | ||||||||
| Opname met voer | kg/dier.jaar | 19,3 | 3,5 | 7,2 | 50,2 | 10,3 | 19,2 | |
| Vastlegging in vlees | kg/dier.jaar | 7,7 | 1,7 | 0,7 | 20,3 | 4,3 | 2,0 | |
| Uitscheiding | kg/dier.jaar | 11,5 | 1,8 | 6,6 | 29,9 | 5,9 | 17,3 | |
| stikstof (N) | fosfaat (P2O5)1) |
kali (K2O)2) |
stikstof (N) | fosfaat (P2O5)1) |
kali (K2O)2) |
|||
| Uitscheiding als N, P2O5en K2O | kg/dier.jaar | 11,5 | 4,2 | 7,9 | 29,9 | 13,6 | 20,8 | |
| Idem, in 2018 | kg/dier.jaar | 11,7 | 4,2 | 7,9 | 30,2 | 13,8 | 20,6 | |
1)De omrekenfactor voor P in P2O5 is 2,29.
2)De omrekenfactor voor K in K2O is 1,205.
N.B. Tussen haakjes staan de hoeveelheden voor de berekening van 2018.
Pluimvee, konijnen en nertsen
De technische kengetallen voor vleeskuikens en leghennen ouder dan circa 18 weken worden jaarlijks geactualiseerd op basis van de deeladministraties leghennen en vleeskuikens in het Bedrijveninformatienet (BIN) van Wageningen Economic Research. Bij de bepaling van de mineralengehalten van kippenvoer voor de onderscheiden categorieën kippen zijn de bedrijven waaraan kippenvoer is geleverd, gekoppeld aan de gegevens in de Landbouwtelling. De samenstelling van het voer voor een bepaalde pluimveecategorie is gebaseerd op de gemiddelde samenstelling van het voer dat geleverd is aan bedrijven die uitsluitend de betreffende pluimveecategorie houden. Op deze manier is de samenstelling bepaald van leghennenvoer, vleeskuikenvoer en voer voor vleeskuikenouderdieren. Voor eenden, kalkoenen, nertsen en konijnen komen de voercategorieën in de overzichten van RVO overeen met de diercategorieën in de Landbouwtelling. Een nadere uitsplitsing van deze voercategorieën zoals bij varkens en kippen is dus niet nodig.
De uitgangspunten en de excretieberekening voor leghennen en vleeskuikens zijn weergegeven in Tabel 4.3.3.
4.3.3Mineralenexcretie van vleeskuikens en leghennen, 2019
| Eenheid | Vleeskuiken | Leghen ouder dan 18 weken | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Voerverbruik | ||||||||
| vleeskuikenvoer | kg/dier.jaar | 33,8 | (34,4) | |||||
| legvoer | kg/dier.jaar | 44,7 | (43,0) | |||||
| Vastlegging | ||||||||
| groei | gram/dier.dag | 54,9 | (55,0) | 0,5 | (0,5) | |||
| vlees | kg/dier.jaar | 20,0 | (20,1) | 0,2 | (0,2) | |||
| eieren per hen vanaf 20 weken | kg/dier.jaar | 19,5 | (18,9) | |||||
| eieren per hen vanaf 18 weken | kg/dier.jaar | 18,6 | (18,1) | |||||
| stikstof (N) | fosfor (P) | kalium (K) | stikstof (N) | fosfor (P) | kalium (K) | |||
| Mineralengehalten dierlijke productie | ||||||||
| vlees | g/kg | 28,3 | 4,4 | 2,4 | 28,0 | 6,2 | 2,2 | |
| eieren | g/kg | 18,5 | 1,7 | 1,2 | ||||
| Mineralenbalans | ||||||||
| opname met voer | kg/dier.jaar | 0,979 | 0,141 | 0,242 | 1,166 | 0,221 | 0,314 | |
| vastlegging in vlees | kg/dier.jaar | 0,568 | 0,089 | 0,048 | 0,005 | 0,001 | 0,000 | |
| vastlegging in eieren | kg/dier.jaar | 0,345 | 0,032 | 0,022 | ||||
| uitscheiding | kg/dier.jaar | 0,41 | 0,05 | 0,19 | 0,82 | 0,19 | 0,29 | |
| stikstof (N) | fosfaat (P2O5)1) |
kali (K2O)2) |
stikstof (N) | fosfaat (P2O5)1) |
kali (K2O)2) |
|||
| Uitscheiding als N, P2O5 en K2O | kg/dier.jaar | 0,41 | 0,12 | 0,23 | 0,82 | 0,43 | 0,35 | |
| Idem, in 2018 | kg/dier.jaar | 0,41 | 0,12 | 0,23 | 0,78 | 0,42 | 0,34 | |
1)De omrekenfactor voor P in P2O5 is 2,29.
2)De omrekenfactor voor K in K2O is 1,205.
N.B. Tussen haakjes staan de hoeveelheden voor de berekening van 2018.
4.4Mestproductievolume
De hoeveelheid mest per dier is gedefinieerd als de hoeveelheid mest in kilogram die na enkele maanden bewaring aanwezig is in de stalopslag, inclusief voerresten, schoonmaakwater en vermorst drinkwater.
De mestproductiefactoren van staldieren worden periodiek geactualiseerd door de mestafvoer van grondloze bedrijven te vergelijken met het aantal dieren op het bedrijf. De mestproductiefactoren van 2019 zijn niet gewijzigd ten opzichte van 2018.
Factoren voor de mestproductie per dier zijn weergegeven in Tabel 4.4.1.
4.4.1Mestproductiefactoren van staldieren, 2019
| dunne mest | vaste mest | |
|---|---|---|
| kg/dier.jaar | ||
| Vleesvarkens | 1 000 | |
| Opfokzeugen en -beren | 1 200 | |
| Gedekte zeugen, kraamzeugen en overige fokzeugen1) | 4 500 | |
| Opfokberen, 50 kg en meer | 1 200 | |
| Dekrijpe beren | 3 200 | |
| Vleeskuikens | 10,0 | |
| Ouderdieren van vleesrassen, jonger dan 19 weken | 8,2 | |
| Ouderdieren van vleesrassen, 19 weken en ouder | 20,0 | |
| leghennen, jonger dan 18 weken | 6,5 | |
| Leghennen, 18 weken en ouder | 17,5 | |
| Vleeseenden | 45,0 | |
| Kalkoenen | 45,0 | |
| Konijnen (voedsters)2) | 377 | |
| Nertsen (moederdieren)3) | 200 | |
1)Inclusief excretie van biggen.
2)Excretie per voedster inclusief excretie van mannelijke dieren, vleeskonijnen en opfokkonijnen.
3)Excretie per moederdier inclusief excretie van mannelijke dieren en opfokdieren.
4.5Literatuur
Literatuur
Van Bruggen, C. & M. Gosseling (2019). Dierlijke mest en mineralen 1990–2018. Centraal Bureau voor de Statistiek. Den Haag/Heerlen.