Graasdieren
Door de droge weersomstandigheden in 2018 en in 2019 en door afname van het areaal lagen de snijmaïsopbrengsten lager dan in voorgaande jaren.
3.1Ruwvoer en krachtvoer
Runderen, schapen, geiten, paarden en pony’s gebruiken in hoofdzaak ruwvoer aangevuld met krachtvoer. Het ruwvoer wordt in Nederland geteeld en bestaat voornamelijk uit graskuil, hooi, snijmaïskuil en weidegras. Het krachtvoer omvat mengvoeders, enkelvoudige krachtvoergrondstoffen en vochtrijk krachtvoer. Bij schapen, geiten, paarden en pony’s wordt krachtvoer verstrekt in de vorm van mengvoer. Bij rundvee wordt het krachtvoer voor circa 90 procent verstrekt als mengvoer en voor de rest als enkelvoudige krachtvoergrondstoffen zoals sojaschroot. Daarnaast wordt aan rundvee nog vochtrijk krachtvoer verstrekt dat in hoofdzaak bestaat uit bijproducten van de levensmiddelenindustrie met een lager droge stofgehalte dan het mengvoer.
Het voerverbruik van graasdieren is gebaseerd op de voederbehoefte van het dier en de landelijke beschikbaarheid aan voedermiddelen. Bij het voerverbruik wordt rekening gehouden met 2 procent voerverliezen voor droge en vochtrijke krachtvoeders en 5 procent voor geconserveerd ruwvoer. De voerverliezen worden bij het voerverbruik opgeteld waarbij wordt aangenomen dat de voerverliezen in de mest terechtkomen (zie ook Van Bruggen en Gosseling, 2019).
Omdat er grote verschillen bestaan tussen de voerrantsoenen op zandgronden en in veen- en kleigebieden maakt de Werkgroep Uniformering berekening Mest- en mineralencijfers (WUM) voor de berekening van de excretiefactoren van melk- en kalfkoeien en het bijbehorende jongvee onderscheid in twee regio’s: Zuid-Oost Nederland en Noord-West Nederland. Voor de overige diercategorieën is deze opsplitsing niet nodig. In regio Noord-West is het aandeel snijmaïs in het rantsoen relatief klein en in Zuid-Oost relatief groot. Regio Noord-West bestaat uit de provincies Groningen, Friesland, Utrecht, Noord-Holland en Zuid-Holland en regio Zuid-Oost uit Drenthe, Overijssel, Flevoland, Gelderland, Zeeland, Noord-Brabant en Limburg. Figuur 3.1.1 laat het verschil zien in de rantsoensamenstelling van melkkoeien tussen de beide regio’s.
| Graskuil en hooi | Snijmais | Vers gras | Eiwitarm krachtvoer | Eiwitrijk krachtvoer | Vochtrijk krachtvoer | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Noord-West | 0,47 | 0,10 | 0,14 | 0,20 | 0,05 | 0,04 |
| Zuid-Oost | 0,36 | 0,29 | 0,07 | 0,10 | 0,14 | 0,04 |
Ruwvoer
De totale beschikbaarheid en het verbruik van graskuil en hooi is gebaseerd op twee databronnen. Voor melkveebedrijven is dit de Kringloopwijzer en voor de overige bedrijven worden de resultaten van het CBS-onderzoek naar graslandgebruik toegepast. Het verbruik van snijmaïs wordt berekend op basis van de opbrengst per hectare in het Bedrijveninformatienet (BIN) van Wageningen Economic Research en het areaal snijmaïs (CBS), verminderd met 4 procent conserveringsverlies (Schröder et al., 2018). Voor de berekening van het snijmaïsverbruik zijn gegevens over voorraadmutaties in het BIN niet tijdig beschikbaar. Daarom is besloten het verbruik niet enkel te baseren op de oogst in het voorgaande jaar maar te berekenen uit de gemiddelde opbrengst per hectare over de afgelopen vier jaar en deze te vermenigvuldigen met het areaal van het jaar voorafgaand aan het verslagjaar. Op deze manier wordt rekening gehouden met demping door voorraadmutaties.
Het verbruik van weidegras wordt berekend uit de resterende voederbehoefte van graasdieren na vervoedering van alle andere verbruikte voeders. De weidegrasproductie wordt dus berekend als restpost waarin alle onnauwkeurigheden samenkomen. Om de plausibiliteit van het verbruik aan grasproducten te controleren, wordt de bruto graslandproductie vastgesteld en vergeleken met jaarproducties in het Handboek Melkveehouderij. De berekende graslandproducties blijken redelijk overeen te komen met de waarden in het Handboek. De bruto graslandproductie wordt berekend door het verbruik aan graslandproducten standaard te verhogen met 20 procent voederwinnings- en conserveringsverliezen en 20 procent beweidingsverliezen.
Hoewel er jaarlijks behoorlijke fluctuaties optreden in de productie van weidegras en geconserveerd gras, neemt de productie van weidegras per hectare sinds 1990 af ten gunste van geconserveerd gras (Figuur 3.1.2). Enkele oorzaken zijn een toename van de periode waarin de koeien op stal staan en mede daardoor een steeds groter verbruik van geconserveerd ruwvoer (snijmaïs, graskuil en hooi) in de weideperiode.
| Graskuil | Hooi | Weidegras | |
|---|---|---|---|
| 1990 | 4336 | 445 | 5430 |
| 1995 | 3664 | 398 | 5141 |
| 2000 | 4253 | 300 | 3906 |
| 2005 | 4331 | 372 | 3724 |
| 2010 | 5139 | 183 | 2929 |
| 2015 | 6397 | 204 | 2391 |
| 2018 | 5362 | 141 | 2246 |
| 2019 | 6270 | 168 | 2117 |
Figuur 3.1.3 laat zien dat de opbrengst van snijmaïs per hectare sinds het begin van de jaren negentig is toegenomen van krap 12 ton droge stof per hectare tot 16 à 17 ton per hectare. In 2018 viel de oogst tegen door de extreem droge zomer. Ook in 2019 viel de oogst tegen als gevolg van de droge weersomstandigheden.
| Snijmaisoogst per hectare | |
|---|---|
| 1990 | 11709 |
| 1995 | 11528 |
| 2000 | 13833 |
| 2005 | 14342 |
| 2010 | 15595 |
| 2015 | 16393 |
| 2018 | 14618 |
| 2019 | 15050 |
De samenstelling van ruwvoer is gebaseerd op gegevens van Eurofins Agro. Dit bedrijf bepaalt van een zeer groot aantal monsters van kuilvoer en vers gras de voederwaarde en de mineralengehalten. Variaties in mineralengehalten tussen verschillende jaren worden veroorzaakt door weers- en groeiomstandigheden (temperatuur en vocht) en verschillen in bemesting. Voor hooi worden vaste voederwaarden aangehouden omdat het aandeel in het rantsoen zeer gering is.
In Tabel 3.1.4 is de hoeveelheid en de samenstelling van het verbruikte voer weergegeven. Voor geconserveerd voer wordt er normaliter van uitgegaan dat tot en met de weideperiode voer wordt verstrekt dat in het voorgaande jaar is geoogst. In de stalperiode van circa half oktober tot en met 31 december wordt dan gerekend met de samenstelling van het voer dat in dat jaar is geoogst. Voor 2019 is ervan uitgegaan dat de oogst van 2018 al eerder in het jaar is verbruikt en er onttrekking heeft plaatsgevonden uit eerder gevormde voorraad van 2017.
In de loop van de tijd is in studies naar de forfaitaire stikstofexcretie de ruwvoersamenstelling gedifferentieerd naar gangbaar en extensief graslandbeheer (Tamminga et al., 2000; 2004; 2009; Heeres-van der Tol, 2002). De samenstelling van extensief beheerd grasland is toegepast in de excretieberekeningen van zoog-, mest- en weidekoeien, jongvee ouder dan 1 jaar en schapen. Vanaf 2015 is de samenstelling van graskuil bestemd voor schapen gebaseerd op de samenstelling van kuilmonsters die zijn geselecteerd op de maaidatum die geldt voor natuurgrasland (na 15 juni) en celwandgehalte (zie ook Van Bruggen, 2016).
3.1.4Verbruik en samenstelling van graasdiervoeders, 2019
| Verbruik | Samenstelling | ||||
|---|---|---|---|---|---|
| stikstof (N) | fosfor (P) | kalium (K) | VEM1) | ||
| mln kg | g/kg | VEM/kg | |||
| Ruwvoer (in droge stof) | |||||
| Graskuil | 6 330 | ||||
| oogstjaar 2018 | 30,5 | 3,7 | 32,6 | 901 | |
| oogstjaar 2019 | 29,1 | 3,6 | 30,9 | 904 | |
| Grashooi | 104 | 21,1 | 2,7 | 34,1 | 790 |
| Graskuil en hooi | |||||
| gangbaar – stalperiode | 28,8 | 3,7 | 31,6 | 900 | |
| gangbaar – weideperiode | 28,7 | 3,8 | 32,0 | 898 | |
| extensief – stalperiode rundvee2) | 25,8 | 3,5 | 31,3 | 858 | |
| extensief – stalperiode schapen | 19,7 | 3,2 | 20,1 | 739 | |
| Graskuil voor paarden en pony's | 78 | 20,5 | 3,3 | 25,2 | |
| Grashooi voor paarden en pony's | 63 | 14,1 | 2,5 | 18,5 | |
| Snijmaiskuil | 3 120 | ||||
| oogstjaar 2018 | 12,0 | 1,9 | 10,8 | 984 | |
| oogstjaar 2019 | 12,5 | 1,9 | 9,6 | 984 | |
| stalperiode | 12,2 | 1,9 | 10,3 | 984 | |
| weideperiode | 12,0 | 1,9 | 10,8 | 984 | |
| Weidegras voor rundvee en schapen | 2 036 | ||||
| gangbaar | 32,2 | 3,7 | 31,4 | 970 | |
| extensief3) | 25,7 | 3,3 | 31,4 | 905 | |
| Weidegras voor paarden en pony's | 81 | 29,1 | 3,9 | 29,0 | |
| Krachtvoer | |||||
| Rundvee – eiwitarm voer4) | 2 127 | 24,9 | 3,7 | 12,4 | 960 |
| Rundvee – eiwitrijk voer4)5) | 1 365 | 34,6 | 4,9 | 14,2 | 960 |
| Vleesveevoer | 455 | ||||
| rosévleeskalveren-opfokvoer | 32,5 | 5,5 | 12,0 | ||
| rosévleeskalveren-afmestvoer | 25,6 | 4,5 | 11,8 | ||
| vleestieren-opfokvoer | 37,6 | 5,3 | 12,0 | ||
| vleesstieren-afmestvoer | 25,6 | 4,5 | 11,8 | ||
| Startmelk voor rosévleeskalveren en vleesstieren | 18 | 35,0 | 6,6 | 20,4 | |
| Kunstmelk voor witvleeskalveren | 334 | 29,4 | 5,8 | 15,9 | |
| Melkvervangmix witvleeskalveren | 364 | 24,1 | 3,3 | 4,0 | |
| Vochtrijk krachtvoer (ds) | 549 | 25,7 | 3,7 | 8,8 | 1 000 |
| melkvee | 27,2 | 3,8 | 8,8 | ||
| vleesvee | 16,1 | 2,9 | 8,7 | ||
| Schapen | 25 | ||||
| lammerenkorrel | 28,8 | 4,0 | 13,1 | ||
| schapenbrok | 24,8 | 4,0 | 11,7 | ||
| Geiten | |||||
| kunstmelk bokken | 4 | 34,0 | 7,0 | 16,0 | |
| geitenbrok | 215 | 28,2 | 4,7 | 9,0 | |
| Paarden en pony's6) | 34 | 22,3 | 5,5 | 11,7 | |
1)Voederwaarde uitgedrukt in VoederEenheden Melk (VEM).
2)Mest-, weide- en zoogkoeien en schapen krijgen graskuil en hooi van laag bemest grasland.
3)Jongvee ouder dan 1 jaar, mest-, weide- en zoogkoeien en schapen krijgen weidegras van laag bemest grasland.
4)Inclusief aanvullende voeders en enkelvoudig vervoederde krachtvoedergrondstoffen.
5)Eiwitkernvoeders en overig eiwitrijk voer met minimaal 120 g DVE (Darm Verteerbaar Eiwit) per kg droge stof.
6)Gewogen gemiddelde samenstelling van diverse typen krachtvoeders.
Krachtvoer
Onder krachtvoer vallen mengvoer, enkelvoudig vervoederde krachtvoergrondstoffen, vochtrijk krachtvoer en kunstmelk(poeder). Van de beschikbaarheid aan krachtvoer zijn alleen landelijke gegevens bekend.
Voerleveranciers zijn verplicht om leveringen van mengvoer en enkelvoudig voer te rapporteren aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). In de leveringen van mengvoer wordt aangegeven voor welke diergroep het voer bestemd is. In de overzichten van mengvoerleveringen komen soms ook leveringen voor van ruwvoer en vochtrijk krachtvoer. Om gedeeltelijke dubbeltellingen met gegevens uit andere bronnen te vermijden, wordt hiervoor gecorrigeerd. Voor de afzet van vochtrijk krachtvoer en de verdeling over rundvee en varkens wordt geen gebruik gemaakt van de geregistreerde voerleveringen. Deze gegevens worden jaarlijks beschikbaar gesteld door de Overleggroep Producenten Natte Veevoeders (OPNV).
Bij de berekening van excretiefactoren voor de stal- en weideperiode in de regio’s Noord-West en Zuid-Oost Nederland wordt voor melkvee onderscheid gemaakt in eiwitarm en eiwitrijk krachtvoer. Voor de bepaling van de afzetvolumes aan eiwitarm en eiwitrijk krachtvoer worden gegevens van Wageningen Economic Research gebruikt waarbij de afzet van mengvoer is ingedeeld naar het gehalte aan Darm Verteerbaar Eiwit (DVE). Voeders met een DVE-gehalte tot en met 115 gram DVE per kg zijn beschouwd als eiwitarm en voeders met 120 gram DVE of meer als eiwitrijk. De afzetgegevens zijn gecombineerd met gegevens over de stikstof, fosfor en kaliumgehalten van mengvoer per DVE-gehalte van Wageningen Livestock Research. De berekende samenstelling van eiwitrijk en eiwitarm krachtvoer is ten slotte gekalibreerd met de samenstelling van melkveevoer in de gegevens van RVO.
Voor de verschillende categorieën vleesvee wordt gewerkt met vaste hoeveelheden opfok- en afmestvoer in het rantsoen. De samenstelling van opfok- en afmestvoer voor rosévleeskalveren en vleesstieren is gebaseerd op gegevens van RVO.
De gemiddelde samenstelling van het aan witvleeskalveren verstrekte voer is gebaseerd op voerleveranties aan kalvermesterijen (RVO). Dit voer bestaat uit kunstmelk en melkvervangers.
Het kaliumgehalte van het mengvoer wordt incidenteel bijgesteld.
3.2Dierlijke productie
De vastlegging van mineralen in dierlijke producten is afhankelijk van het productieniveau van melk en vlees en van de mineralengehalten van die producten. Het levend gewicht van graasdieren wordt incidenteel aangepast. De mineralengehalten van dierlijke producten worden jaarlijks afgestemd op de forfaitaire waarden in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Nieuwe gegevens over gehalten aan stikstof, fosfor en kalium in het levend gewicht van graasdieren komen slechts incidenteel beschikbaar. De samenstelling van dierlijke producten is weergegeven Tabel 3.2.1.
3.2.1Vastlegging van mineralen door graasdieren, 2019
| Levend gewicht | Stikstof (N) |
Fosfor (P) |
Kalium (K) |
|
|---|---|---|---|---|
| kg | g/kg | |||
| Kalf, geboortegewicht | 44 | 29,4 | 8,0 | 2,1 |
| Vleeskalf, begingewicht | 45 | 29,4 | 8,0 | 2,1 |
| Vleeskalf, blank | 251 | 27,3 | 7,2 | 1,7 |
| Vleeskalf, rose | 330 | 26,4 | 6,9 | 1,7 |
| Vleesstier | ||||
| begingewicht | 50 | 29,4 | 8,0 | 2,1 |
| 12 maanden | 450 | 28,5 | 7,5 | 1,9 |
| eindgewicht-kruisling | 625 | 27,0 | 7,4 | 1,9 |
| eindgewicht-zuiver vleesras | 700 | 27,0 | 7,4 | 1,9 |
| Jongvee, 1 jaar | 320 | 24,1 | 7,4 | 2,0 |
| Jongvee, 2 jaar en ouder | 540 | 23,1 | 7,4 | 2,0 |
| Melkkoe | 650 | 22,5 | 7,4 | 2,0 |
| Zoog-, mest- en weidekoe | 650 | 22,5 | 7,4 | 2,0 |
| Fokstier | ||||
| 1 jaar | 400 | 25,6 | 7,4 | 2,0 |
| 3,5 jaar | 1 100 | 25,3 | 7,4 | 2,0 |
| Schapen | ||||
| Schaap | 75 | 25,0 | 7,8 | 1,7 |
| Vleeslam | 42 | 26,2 | 5,2 | 1,7 |
| Geiten | ||||
| Melkgeit | 75 | 24,0 | 7,9 | 1,7 |
| Vleeslam | 9 | 24,0 | 6,3 | 1,7 |
| Paard | 510 | 29,9 | 7,5 | 2,0 |
| Pony | 285 | 29,9 | 7,5 | 2,0 |
| kg/dier/jaar | g/kg | |||
| Koemelk1) | 8 869 | 5,6 | 0,99 | 1,6 |
| Geitenmelk | 1 000 | 5,0 | 1,1 | 2,0 |
| Wol | 3,0 | 122 | 0,11 | 1,5 |
Bron:WUM (2010)
1)Wordt jaarlijks geactualiseerd. N-gehalte is berekend op basis van het eiwitgehalte van de melk, N = eiwit (g/kg)/6,38.
3.3Mineralenexcretie
De excretiefactoren voor graasdieren zijn weergegeven in Tabel 3.3.1.
3.3.1Excretiefactoren van graasdieren, 2019
| Stalperiode | Weideperiode1) | Gehele jaar | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| stikstof (N) |
fosfaat (P2O5) |
kali (K2O) |
stikstof (N) |
fosfaat (P2O5) |
kali (K2O) |
stikstof (N) |
fosfaat (P2O5) |
kali (K2O) |
|
| kg/dier.jaar | |||||||||
| Zuid- en Oost-Nederland (snijmaïsrantsoen) | |||||||||
| Rundvee voor de melkproductie | |||||||||
| vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar | 28,4 | 6,5 | 36,8 | 3,4 | 0,7 | 4,3 | 31,8 | 7,2 | 41,1 |
| vrouwelijk jongvee, 1 jaar en ouder | 54,9 | 14,3 | 75,7 | 15,7 | 4,0 | 24,9 | 70,6 | 18,3 | 100,6 |
| melk- en kalfkoeien | 79,0 | 22,2 | 89,0 | 60,2 | 16,4 | 79,6 | 139,2 | 38,6 | 168,6 |
| waarvan | |||||||||
| uitscheiding in de stal | 79,0 | 22,2 | 89,0 | 46,3 | 12,6 | 61,2 | 125,3 | 34,8 | 150,2 |
| uitscheiding in de wei | 13,9 | 3,8 | 18,4 | 13,9 | 3,8 | 18,4 | |||
| Rundvee voor de vleesproductie | |||||||||
| vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar | 28,4 | 6,5 | 36,8 | 3,4 | 0,7 | 4,3 | 31,8 | 7,2 | 41,1 |
| vrouwelijk jongvee, 1 jaar en ouder | 54,9 | 14,3 | 75,7 | 15,7 | 4,0 | 24,9 | 70,6 | 18,3 | 100,6 |
| Noord- en West-Nederland (graskuilrantsoen) | |||||||||
| Rundvee voor de melkproductie | |||||||||
| vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar | 31,8 | 7,4 | 43,3 | 5,1 | 1,0 | 6,5 | 36,9 | 8,4 | 49,8 |
| vrouwelijk jongvee, 1 jaar en ouder | 55,5 | 14,5 | 77,0 | 18,6 | 4,8 | 29,5 | 74,1 | 19,3 | 106,5 |
| melk- en kalfkoeien | 80,3 | 22,3 | 99,0 | 74,1 | 19,5 | 98,2 | 154,4 | 41,8 | 197,2 |
| waarvan | |||||||||
| uitscheiding in de stal | 80,3 | 22,3 | 99,0 | 51,3 | 13,5 | 68,0 | 131,6 | 35,8 | 167,0 |
| uitscheiding in de wei | 22,8 | 6,0 | 30,2 | 22,8 | 6,0 | 30,2 | |||
| Rundvee voor de vleesproductie | |||||||||
| vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar | 31,8 | 7,4 | 43,3 | 5,1 | 1,0 | 6,5 | 36,9 | 8,4 | 49,8 |
| vrouwelijk jongvee, 1 jaar en ouder | 55,5 | 14,5 | 77,0 | 18,6 | 4,8 | 29,5 | 74,1 | 19,3 | 106,5 |
| Nederland | |||||||||
| Rundvee voor de melkproductie en fokstieren | |||||||||
| vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar | 29,8 | 6,9 | 39,4 | 4,1 | 0,8 | 5,2 | 33,9 | 7,7 | 44,6 |
| mannelijk jongvee jonger dan 1 jaar | 32,7 | 6,8 | 44,6 | ||||||
| vrouwelijk jongvee, 1–2 jaar | 55,1 | 14,4 | 76,2 | 16,8 | 4,3 | 26,7 | 71,9 | 18,7 | 102,9 |
| mannelijk jongvee, 1–2 jaar | 85,6 | 23,8 | 113,6 | ||||||
| vrouwelijk jongvee, 2 jaar en ouder | 55,2 | 14,4 | 76,3 | 17,0 | 4,3 | 26,9 | 72,2 | 18,7 | 103,2 |
| melk- en kalfkoeien | 79,6 | 22,2 | 93,3 | 66,1 | 17,7 | 87,5 | 145,7 | 39,9 | 180,8 |
| waarvan | |||||||||
| uitscheiding in de stal | 79,6 | 22,2 | 93,3 | 48,4 | 13,0 | 64,1 | 128,0 | 35,2 | 157,4 |
| uitscheiding in de wei | 17,7 | 4,7 | 23,4 | 17,7 | 4,7 | 23,4 | |||
| stieren voor de fokkerij, 2 jaar en ouder | 85,6 | 23,8 | 113,6 | ||||||
| Rundvee voor de vleesproductie | |||||||||
| vleeskalveren voor de witvleesproductie | 19,2 | 5,2 | 13,3 | ||||||
| vleeskalveren voor de rose vleesproductie | 27,2 | 8,6 | 23,6 | ||||||
| vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar | 29,2 | 6,7 | 38,4 | 3,8 | 0,8 | 4,8 | 33,0 | 7,5 | 43,2 |
| mannelijk jongvee (incl. ossen) jonger dan 1 jaar | 28,6 | 6,7 | 23,4 | ||||||
| vrouwelijk jongvee, 1–2 jaar | 55,1 | 14,4 | 76,0 | 16,5 | 4,2 | 26,1 | 71,6 | 18,6 | 102,1 |
| mannelijk jongvee (incl. ossen), 1–2 jaar | 52,8 | 15,7 | 41,0 | ||||||
| vrouwelijk jongvee, 2 jaar en ouder | 55,1 | 14,4 | 76,0 | 16,4 | 4,2 | 26,1 | 71,5 | 18,6 | 102,1 |
| mannelijk jongvee (incl. ossen), 2 jaar en ouder | 52,8 | 15,7 | 41,0 | ||||||
| zoog-, mest- en weidekoeien, 2 jaar en ouder | 38,9 | 11,6 | 61,3 | 44,9 | 12,3 | 73,0 | 83,8 | 23,9 | 134,3 |
| Schapen (ooien)2) | 1,4 | 0,5 | 1,6 | 12,8 | 3,5 | 21,0 | 14,2 | 4,0 | 22,6 |
| Geiten (melkgeiten)2) | 20,5 | 6,2 | 17,1 | ||||||
| Paarden | 40,8 | 15,6 | 53,1 | 35,7 | 13,1 | 45,8 | 76,5 | 28,7 | 98,9 |
| Pony's | 16,1 | 6,1 | 21,7 | 19,5 | 6,9 | 25,4 | 35,6 | 13,0 | 47,1 |
1)In de weideperiode van melkkoeien (mei-oktober) kan sprake zijn van opstallen of beweiden.
2)Excretie per moederdier, inclusief de excretie van lammeren, mannelijke dieren en opfokdieren.
Melk- en kalfkoeien
De voederbehoefte, de samenstelling van het voerrantsoen en de vastlegging van stikstof en fosfor in de geproduceerde melk worden jaarlijks aangepast (Van Bruggen, 2018; Koning en Šebek, 2019). Voor de meeste andere categorieën runderen, schapen en geiten worden alleen de voederwaarden en de mineralengehalten van het voer jaarlijks aangepast.
De melkproductie per koe wordt normaliter berekend door de totale melkproductie te delen door het aantal melkkoeien in de Landbouwtelling. Met een toe- of afname van het aantal melkkoeien in de loop van het jaar wordt in dat geval geen rekening gehouden. In 2017 en in 2018 is bij de berekening van de melkproductie per koe rekening gehouden met de afname van het aantal dieren in de loop van die jaren (Van Bruggen en Gosseling, 2019). Voor 2019 was een dergelijke correctie niet nodig.
De uitgangspunten voor de berekening van de voederbehoefte van melkkoeien en jongvee en voor de vastlegging van mineralen in dierlijke producten zijn afgestemd met de Handreiking Bedrijfsspecifieke Excretie (BEX). Van het aantal kalveren dat gedurende het leven van de koe wordt geboren, wordt het eerste kalf berekend als vastlegging bij de vaars (jongvee van 1 jaar en ouder).
Om het voerverbruik van melkkoeien te berekenen, wordt gebruik gemaakt van een voerbalans. Daarbij wordt uitgegaan van vaste kengetallen voor het voerverbruik van rundvee (exclusief melk- en kalfkoeien), schapen, geiten, paarden en pony’s (zie ook Van Bruggen et al., 2010). Na verdeling van het benodigde krachtvoer en ruwvoer over rundvee (exclusief melk- en kalfkoeien) en over schapen, geiten, paarden en pony’s wordt de rest van het beschikbare voer (circa 70 procent) aan melk- en kalfkoeien toebedeeld. In de voederbehoefte die bij melk- en kalfkoeien dan nog resteert, wordt voorzien door weidegras. Het verbruik van weidegras door melkkoeien wordt dus berekend als restpost waarin alle onzekerheden in de aannames terechtkomen. Door de trend naar vaker opstallen van melkkoeien is het verbruik van weidegras door melkkoeien inmiddels een kleine voercomponent. Doordat het verbruik van weidegras relatief gering is en het bovendien een restpost is in de berekening van het voerverbruik, kan het verbruik van jaar op jaar forse schommelingen vertonen (zie ook Van Bruggen, 2018). Omdat de vers grasopname in omvang beperkt is, is de invloed daarvan op het eindresultaat gering. De excretie van melkkoeien is weergegeven in Tabel 3.3.2.
3.3.2Mineralenuitscheiding van melk- en kalfkoeien
| Noord- en West Nederland | Zuid- en Oost Nederland | Nederland | ||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2018 | 2019 | 2018 | 2019 | 2018 | 2019 | |
| VEM-behoefte (kVEM) | 6 835 | 6 860 | 7 020 | 7 070 | 6 940 | 6 980 |
| Ruwvoeropname | kg/dier.jaar | |||||
| weidegras (ds) | 1 006 | 1 020 | 618 | 533 | 781 | 741 |
| graskuil en hooi (ds) | 3 391 | 3 423 | 2 441 | 2 661 | 2 841 | 2 987 |
| snijmaïskuil (ds) | 739 | 744 | 2 217 | 2 169 | 1 594 | 1 560 |
| Krachtvoeropname1) | ||||||
| vochtrijk krachtvoer (ds) | 348 | 300 | 348 | 300 | 348 | 300 |
| eiwitarm krachtvoer | 1 569 | 1 668 | 584 | 878 | 999 | 1 216 |
| eiwitrijk krachtvoer | 492 | 412 | 1 477 | 1 203 | 1 062 | 865 |
| Vastlegging | ||||||
| vlees | 32 | 32 | 32 | 32 | 32 | 32 |
| kalf | 31 | 30 | 31 | 30 | 31 | 30 |
| melk | 8 623 | 8 625 | 9 011 | 9 051 | 8 848 | 8 869 |
| Mineralenbalans | ||||||
| Opname met voer | ||||||
| stikstof (N) | 207,1 | 204,2 | 191,3 | 191,6 | 198,0 | 196,9 |
| fosfor (P) | 27,9 | 27,3 | 26,4 | 26,3 | 27,0 | 26,7 |
| kalium (K) | 178,1 | 177,6 | 151,9 | 154,5 | 163,0 | 164,4 |
| Vastlegging | ||||||
| stikstof (N) | 49,6 | 49,9 | 51,8 | 52,3 | 50,9 | 51,3 |
| fosfor (P) | 9,1 | 9,0 | 9,5 | 9,4 | 9,3 | 9,2 |
| kalium (K) | 13,9 | 13,9 | 14,5 | 14,6 | 14,3 | 14,3 |
| Uitscheiding | ||||||
| stikstof (N) | 157,4 | 154,4 | 139,5 | 139,2 | 147,1 | 145,7 |
| fosfor (P) | 18,7 | 18,3 | 16,9 | 16,8 | 17,7 | 17,4 |
| kalium (K) | 164,2 | 163,7 | 137,4 | 139,9 | 148,7 | 150,1 |
| fosfaat (P2O5)2) | 42,9 | 41,8 | 38,6 | 38,6 | 40,4 | 39,9 |
| kali (K2O)3) | 197,9 | 197,2 | 165,6 | 168,6 | 179,3 | 180,8 |
1)Inclusief enkelvoudige krachtvoedergrondstoffen en mineralenmengsels.
2)De omrekenfactor voor P in P2O5 is 2,29.
3)De omrekenfactor voor K in K2O is 1,205.
Gasvormige stikstofverliezen
Om gasvormige stikstofverliezen uit opgeslagen mest en weidemest van melkkoeien te kunnen berekenen moet de excretie in de stal en in de wei afzonderlijk worden bepaald. Hiertoe worden voor de stal- en voor de weideperiode afzonderlijk excretiefactoren vastgesteld. In de weideperiode van melkkoeien zal een deel van de excretie in de stal plaatsvinden, afhankelijk van de toegepaste vorm van beweiding. De informatie over toegepaste beweiding is afkomstig uit de Landbouwtelling waarin jaarlijks wordt gevraagd naar de periode dat de melkkoeien een bepaalde vorm van beweiding hebben gekregen. De volgende beweidingssystemen worden hierbij onderscheiden: dag en nacht weiden, alleen overdag weiden en permanent opstallen. Bij dag en nacht weiden en bij overdag weiden wordt gevraagd naar het aantal uur weiden per etmaal. Er wordt van uitgegaan dat de hoeveelheid mest die in de stal terechtkomt evenredig is met het aantal uren per etmaal dat de dieren op stal staan.
Voor de verdeling van de mineralenexcretie over stal en weide wordt een eerste versie van de Landbouwtelling gebruikt (Tabel 3.3.3). De definitieve resultaten over beweiding op de website van het CBS kunnen hier licht van afwijken.
3.3.3Beweiding van melkkoeien en jongvee
| Nederland gemiddeld | Noord en West Nederland | Zuid en Oost Nederland | Gemiddelde beweidingsduur | Mest in opslag1) | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2018 | 2019 | 2018 | 2019 | 2018 | 2019 | 2018 | 2019 | 2018 | 2019 | |
| Beweidingssystemen bij melkkoeien | % van het aantal melkkoeien | uren/etmaal | % | |||||||
| Dag en nacht weiden | 11 | 11 | 17 | 17 | 7 | 7 | 19 | 18 | 20 | 25 |
| Beperkt weiden | 57 | 62 | 59 | 63 | 56 | 62 | 7 | 7 | 71 | 71 |
| Dag en nacht opstallen | 32 | 27 | 24 | 21 | 37 | 31 | 0 | 0 | 100 | 100 |
| Totaal | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | 100 | ||||
| Lengte weideperiode | dagen | |||||||||
| Melkkoeien | 160 | 160 | 165 | 170 | 155 | 150 | ||||
| Jongvee jonger dan 1 jaar2) | 40 | 35 | 45 | 45 | 30 | 30 | ||||
| Jongvee 1 jaar of ouder2) | 90 | 85 | 95 | 95 | 85 | 80 | ||||
1)Aandeel van de mestproductie dat in de stal wordt uitgescheiden.
2)Het aandeel bedrijven zonder beweiding van jongvee is in de cijfers verrekend.
N.B. De beweiding van melkkoeien en jongvee in 2019 is berekend op basis van voorlopige resultaten uit de landbouwtelling van 2020.
Vleeskalveren
De uitgangspunten voor de excretieberekening van witvleeskalveren over 2019 zijn herzien. Uit informatie van de sector en uit aanvullende analyses is gebleken dat de uitgangspunten niet meer actueel zijn. In de herziene berekening wordt uitgegaan van een hoger fosforgehalte van het dier en een hoger aflevergewicht. Hierdoor wordt een groter deel van de fosfor in het voer in het dier vastgelegd. Wel is het aantal dagen van een productieronde verhoogd evenals de voeropname per ronde. In Tabel 3.3.4 zijn de vorige en de huidige uitgangspunten weergegeven.
3.3.4Excretieberekening van witvleeskalveren
| 2018 | 2019 | |
|---|---|---|
| Produktieperiode (dagen)1) | 180 | 190 |
| Begingewicht (kg)1) | 44 | 45 |
| Eindgewicht (kg)2) | 225 | 251 |
| Voedergebruik per ronde1) | ||
| Kunstmelkpoeder per ronde (kg) | 250 | 275 |
| startmelk (kg) | 40 | 40 |
| mestmelk (kg) | 210 | 235 |
| Stro per ronde (kg) | 15 | 30 |
| Melkvervangmix, granenmix (Fe-arme brok) kg | 300 | 300 |
| Samenstelling begingewicht 3) | ||
| N (g/kg) | 29,44 | 29,44 |
| P (g/kg | 8,00 | 8,00 |
| Samenstelling eindgewicht | ||
| N (g/kg)4) | 27,30 | 27,30 |
| P (g/kg)5) | 5,90 | 7,20 |
| Opname op jaarbasis6) | ||
| N (kg) | 30,0 | 29,8 |
| P (kg) | 5,2 | 5,1 |
| Vastlegging6) | ||
| N (kg) | 9,8 | 10,6 |
| P (kg) | 2,0 | 2,8 |
| Excretie6) | ||
| N (kg) | 20,2 | 19,2 |
| P2O5 (kg) | 7,3 | 5,2 |
1)2018: handboek KWIN 2018-2019; 2019: Kool et al. (2020).
2)2018: handboek KWIN 2018-2019; 2019: Karkasgewicht (KWIN) en slachtrendement (Berends et al., 2014).
3)Coppoolse et al. (1990).
4)Heeres van der Tol (2002).
5)2018: Heeres van der Tol (2002); 2019: Kemme et al. (2004).
6)Per bij de landbouwtelling geteld dier (jaarrond aanwezig dier).
De uitgangspunten voor overig rundvee, schapen, geiten, paarden en pony’s zijn beschreven in Van Bruggen en Gosseling (2019).
3.4Mestproductievolume
De hoeveelheid mest (mestvolume) per dier is gedefinieerd als de hoeveelheid mest in kilogram die na enkele maanden bewaring aanwezig is in de stalopslag, inclusief voerresten, schoonmaakwater en vermorst drinkwater. Voor weidend vee komt daar nog de hoeveelheid mest bij die deze dieren produceren wanneer ze in de wei lopen. Alle weidemest wordt gerekend als dunne mest.
De mestproductiefactoren voor rundvee zijn afgestemd op de resultaten van het BedrijfsBegrotingsProgramma Rundveehouderij (BBPR) van Wageningen UR Livestock Research (Van Bruggen, 2011, zie ook Van Bruggen en Gosseling, 2019).
De factoren voor de mestproductie per dier zijn weergegeven in Tabel 3.4.1.
3.4.1Mestproductiefactoren van graasdieren, 2019
| Dunne mest | Vaste mest (stal) | Totaal | ||
|---|---|---|---|---|
| stalperiode | weideperiode1) | |||
| kg/dier.jaar | ||||
| Rundvee voor de melkproductie | ||||
| vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar | 4 500 | 500 | 5 000 | |
| mannelijk jongvee jonger dan 1 jaar | 5 000 | 5 000 | ||
| vrouwelijk jongvee, 1 jaar en ouder | 10 500 | 2 000 | 12 500 | |
| melk- en kalfkoeien regio ZuidOost | 18 000 | 12 000 | 30 000 | |
| waarvan | ||||
| uitscheiding in de stal | 18 000 | 9 000 | 27 000 | |
| uitscheiding in de wei | 3 000 | 3 000 | ||
| melk- en kalfkoeien regio NoordWest | 16 000 | 13 000 | 29 000 | |
| waarvan | ||||
| uitscheiding in de stal | 16 000 | 9 500 | 25 500 | |
| uitscheiding in de wei | 3 500 | 3 500 | ||
| stieren voor de fokkerij, 2 jaar en ouder | 12 500 | 12 500 | ||
| Rundvee voor de vleesproductie | ||||
| vleeskalveren voor de witvleesproductie | 2 800 | 2 800 | ||
| vleeskalveren voor de rose vleesproductie | 4 500 | 4 500 | ||
| vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar | 4 500 | 500 | 5 000 | |
| mannelijk jongvee (incl. ossen) jonger dan 1 jaar | 4 500 | 4 500 | ||
| vrouwelijk jongvee, 1 jaar en ouder | 10 500 | 2 000 | 12 500 | |
| mannelijk jongvee (incl. ossen), 1 jaar en ouder | 10 000 | 10 000 | ||
| zoog-, mest- en weidekoeien, 2 jaar en ouder | 8 000 | 7 000 | 15 000 | |
| Schapen (ooien)2) | 2 400 | 140 | 2 540 | |
| Geiten (melkgeiten)2) | 1 300 | 1 300 | ||
| Paarden | 3 300 | 5 200 | 8 500 | |
| Pony's | 2 100 | 2 100 | 4 200 | |
1)In de weideperiode van melkkoeien (mei-oktober) kan sprake zijn van opstallen of beweiden.
2)Excretie per moederdier, inclusief de excretie van lammeren, mannelijke dieren en opfokdieren.
3.5Literatuur
Literatuur
Berends, H., J. J. G. C. van den Borne, H. Mollenhorst, C. G. van Reenen, E. A. M. Bokkers & W. J. J. Gerrits (2014). Utilization of roughages and concentrates relative to that of milk replacer increases strongly with age in veal calves. Journal of Dairy Science Vol. 97 No. 10, 2014.
Coppoolse, J., A.M. van Vuuren, J. Huisman, W.M.M.A. Janssen, A.W. Jongbloed, N.P. Lenis & P.C.M. Simons (1990). De uitscheiding van stikstof, fosfor en kalium door landbouwhuisdieren, Nu en Morgen. Wageningen, Dienst Landbouwkundig Onderzoek.
Heeres-van der Tol, J.J. (2002). Stikstof- en fosfaatexcretie rundvee. Praktijkrapport Rundvee nr. 10. Praktijkonderzoek Veehouderij, Lelystad.
Kemme, P.A., J.Th.M. van Diepen, P.L. van der Togt & A.W. Jongbloed (2004). De gehalten aan stikstof, fosfor en kalium in blanke vleeskalveren. Rapport ID-Lelystad nr. 04/0005643. Animal Sciences Group – Nutrition and Food, Lelystad.
Koning, L. & L.B. Šebek (2019). Jaarrond gemiddeld fosforgehalte in melk; Jaarrond monitoren van het P-gehalte in melk van de Nederlandse melkveestapel en de mogelijkheid het P-gehalte in melk te schatten uit andere melkbestanddelen. Wageningen Livestock Research, Rapport 1166.
Kool, A., L. Kuling & H. Blonk (2020). Trendanalyse milieuprestaties Nederlands kalfsvlees. Blonk consultants, Gouda.
Schröder, J.J., L.B. Šebek, J. Oenema, J.G. Conijn & J. de Boer (2018). Rekenregels van de Kringloopwijzer 2017; Achtergronden van BEX, BEA, BEN, BEP en BEC: Actualisatie van de 2016‑versie. Wageningen Research, Rapport WPR-790.
Tamminga, S., A.W. Jongbloed, M.M. van Eerdt, H.F.M. Aarts, F. Mandersloot, N.J.P. Hoogervorst & H. Westhoek (2000). De forfaitaire excretie van stikstof door landbouwhuisdieren. Rapport ID Lelystad 00-2040R.
Van Bruggen, C. (2011). Dierlijke mest en mineralen 2009. Centraal Bureau voor de Statistiek. Den Haag/Heerlen.
Van Bruggen, C. (2016). Dierlijke mest en mineralen 2015 (C. van Bruggen). Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen.
Van Bruggen, C. (2018). Dierlijke mest en mineralen 2017. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen.
Van Bruggen, C. & M. Gosseling (2019). Dierlijke mest en mineralen 1990–2018. Centraal Bureau voor de Statistiek. Den Haag/Heerlen.
Van Bruggen, C., M.J.C. de Bode, A.G. Evers, K.W. van der Hoek, H.H. Luesink en M.W. van Schijndel (2010). Gestandaardiseerde berekeningsmethode voor dierlijke mest en mineralen. Standaardcijfers 1990–2008. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen.