Graasdieren

Door de droge weersomstandigheden in 2018 en in 2019 en door afname van het areaal lagen de snijmaïsopbrengsten lager dan in voorgaande jaren.

3.1Ruwvoer en krachtvoer

Runderen, schapen, geiten, paarden en pony’s gebruiken in hoofdzaak ruwvoer aangevuld met krachtvoer. Het ruwvoer wordt in Nederland geteeld en bestaat voornamelijk uit graskuil, hooi, snijmaïskuil en weidegras. Het krachtvoer omvat mengvoeders, enkelvoudige krachtvoergrondstoffen en vochtrijk krachtvoer. Bij schapen, geiten, paarden en pony’s wordt krachtvoer verstrekt in de vorm van mengvoer. Bij rundvee wordt het krachtvoer voor circa 90 procent verstrekt als mengvoer en voor de rest als enkelvoudige krachtvoergrondstoffen zoals sojaschroot. Daarnaast wordt aan rundvee nog vochtrijk krachtvoer verstrekt dat in hoofdzaak bestaat uit bijproducten van de levensmiddelenindustrie met een lager droge stofgehalte dan het mengvoer.

Het voerverbruik van graasdieren is gebaseerd op de voederbehoefte van het dier en de landelijke beschikbaarheid aan voedermiddelen. Bij het voerverbruik wordt rekening gehouden met 2 procent voerverliezen voor droge en vochtrijke krachtvoeders en 5 procent voor geconserveerd ruwvoer. De voerverliezen worden bij het voerverbruik opgeteld waarbij wordt aangenomen dat de voerverliezen in de mest terechtkomen (zie ook Van Bruggen en Gosseling, 2019).

Omdat er grote verschillen bestaan tussen de voerrantsoenen op zandgronden en in veen- en kleigebieden maakt de Werkgroep Uniformering berekening Mest- en mineralencijfers (WUM) voor de berekening van de excretiefactoren van melk- en kalfkoeien en het bijbehorende jongvee onderscheid in twee regio’s: Zuid-Oost Nederland en Noord-West Nederland. Voor de overige diercategorieën is deze opsplitsing niet nodig. In regio Noord-West is het aandeel snijmaïs in het rantsoen relatief klein en in Zuid-Oost relatief groot. Regio Noord-West bestaat uit de provincies Groningen, Friesland, Utrecht, Noord-Holland en Zuid-Holland en regio Zuid-Oost uit Drenthe, Overijssel, Flevoland, Gelderland, Zeeland, Noord-Brabant en Limburg. Figuur 3.1.1 laat het verschil zien in de rantsoensamenstelling van melkkoeien tussen de beide regio’s.

3.1.1 Rantsoensamenstelling van melkkoeien in Noord-West en Zuid-Oost Nederland, 2019 (% van droge stof)
Graskuil en hooi Snijmais Vers gras Eiwitarm krachtvoer Eiwitrijk krachtvoer Vochtrijk krachtvoer
Noord-West 0,47 0,10 0,14 0,20 0,05 0,04
Zuid-Oost 0,36 0,29 0,07 0,10 0,14 0,04

Ruwvoer

De totale beschikbaarheid en het verbruik van graskuil en hooi is gebaseerd op twee databronnen. Voor melkveebedrijven is dit de Kringloopwijzer en voor de overige bedrijven worden de resultaten van het CBS-onderzoek naar graslandgebruik toegepast. Het verbruik van snijmaïs wordt berekend op basis van de opbrengst per hectare in het Bedrijveninformatienet (BIN) van Wageningen Economic Research en het areaal snijmaïs (CBS), verminderd met 4 procent conserveringsverlies (Schröder et al., 2018). Voor de berekening van het snijmaïsverbruik zijn gegevens over voorraadmutaties in het BIN niet tijdig beschikbaar. Daarom is besloten het verbruik niet enkel te baseren op de oogst in het voorgaande jaar maar te berekenen uit de gemiddelde opbrengst per hectare over de afgelopen vier jaar en deze te vermenigvuldigen met het areaal van het jaar voorafgaand aan het verslagjaar. Op deze manier wordt rekening gehouden met demping door voorraadmutaties.

Het verbruik van weidegras wordt berekend uit de resterende voederbehoefte van graasdieren na vervoedering van alle andere verbruikte voeders. De weidegrasproductie wordt dus berekend als restpost waarin alle onnauwkeurigheden samenkomen. Om de plausibiliteit van het verbruik aan grasproducten te controleren, wordt de bruto graslandproductie vastgesteld en vergeleken met jaarproducties in het Handboek Melkveehouderij. De berekende graslandproducties blijken redelijk overeen te komen met de waarden in het Handboek. De bruto graslandproductie wordt berekend door het verbruik aan graslandproducten standaard te verhogen met 20 procent voederwinnings- en conserveringsverliezen en 20 procent beweidingsverliezen.

Hoewel er jaarlijks behoorlijke fluctuaties optreden in de productie van weidegras en geconserveerd gras, neemt de productie van weidegras per hectare sinds 1990 af ten gunste van geconserveerd gras (Figuur 3.1.2). Enkele oorzaken zijn een toename van de periode waarin de koeien op stal staan en mede daardoor een steeds groter verbruik van geconserveerd ruwvoer (snijmaïs, graskuil en hooi) in de weideperiode.

3.1.2 Graslandproductie netto (miljoen kg droge stof)
Graskuil Hooi Weidegras
1990 4336 445 5430
1995 3664 398 5141
2000 4253 300 3906
2005 4331 372 3724
2010 5139 183 2929
2015 6397 204 2391
2018 5362 141 2246
2019 6270 168 2117

Figuur 3.1.3 laat zien dat de opbrengst van snijmaïs per hectare sinds het begin van de jaren negentig is toegenomen van krap 12 ton droge stof per hectare tot 16 à 17 ton per hectare. In 2018 viel de oogst tegen door de extreem droge zomer. Ook in 2019 viel de oogst tegen als gevolg van de droge weersomstandigheden.

3.1.3 Snijmaïsoogst per hectare (kilogram droge stof per hectare)
Snijmaisoogst per hectare
1990 11709
1995 11528
2000 13833
2005 14342
2010 15595
2015 16393
2018 14618
2019 15050

De samenstelling van ruwvoer is gebaseerd op gegevens van Eurofins Agro. Dit bedrijf bepaalt van een zeer groot aantal monsters van kuilvoer en vers gras de voederwaarde en de mineralengehalten. Variaties in mineralengehalten tussen verschillende jaren worden veroorzaakt door weers- en groeiomstandigheden (temperatuur en vocht) en verschillen in bemesting. Voor hooi worden vaste voederwaarden aangehouden omdat het aandeel in het rantsoen zeer gering is.

In Tabel 3.1.4 is de hoeveelheid en de samenstelling van het verbruikte voer weergegeven. Voor geconserveerd voer wordt er normaliter van uitgegaan dat tot en met de weideperiode voer wordt verstrekt dat in het voorgaande jaar is geoogst. In de stalperiode van circa half oktober tot en met 31 december wordt dan gerekend met de samenstelling van het voer dat in dat jaar is geoogst. Voor 2019 is ervan uitgegaan dat de oogst van 2018 al eerder in het jaar is verbruikt en er onttrekking heeft plaatsgevonden uit eerder gevormde voorraad van 2017.

In de loop van de tijd is in studies naar de forfaitaire stikstofexcretie de ruwvoersamenstelling gedifferentieerd naar gangbaar en extensief graslandbeheer (Tamminga et al., 2000; 2004; 2009; Heeres-van der Tol, 2002). De samenstelling van extensief beheerd grasland is toegepast in de excretieberekeningen van zoog-, mest- en weidekoeien, jongvee ouder dan 1 jaar en schapen. Vanaf 2015 is de samenstelling van graskuil bestemd voor schapen gebaseerd op de samenstelling van kuilmonsters die zijn geselecteerd op de maaidatum die geldt voor natuurgrasland (na 15 juni) en celwandgehalte (zie ook Van Bruggen, 2016).

3.1.4Verbruik en samenstelling van graasdiervoeders, 2019

Verbruik Samenstelling
stikstof (N) fosfor (P) kalium (K) VEM1)
mln kg g/kg VEM/kg
Ruwvoer (in droge stof)
Graskuil 6 330
oogstjaar 2018 30,5 3,7 32,6 901
oogstjaar 2019 29,1 3,6 30,9 904
Grashooi 104 21,1 2,7 34,1 790
Graskuil en hooi
gangbaar – stalperiode 28,8 3,7 31,6 900
gangbaar – weideperiode 28,7 3,8 32,0 898
extensief – stalperiode rundvee2) 25,8 3,5 31,3 858
extensief – stalperiode schapen 19,7 3,2 20,1 739
Graskuil voor paarden en pony's 78 20,5 3,3 25,2
Grashooi voor paarden en pony's 63 14,1 2,5 18,5
 
Snijmaiskuil 3 120
oogstjaar 2018 12,0 1,9 10,8 984
oogstjaar 2019 12,5 1,9 9,6 984
stalperiode 12,2 1,9 10,3 984
weideperiode 12,0 1,9 10,8 984
 
Weidegras voor rundvee en schapen 2 036
gangbaar 32,2 3,7 31,4 970
extensief3) 25,7 3,3 31,4 905
Weidegras voor paarden en pony's 81 29,1 3,9 29,0
 
Krachtvoer
Rundvee – eiwitarm voer4) 2 127 24,9 3,7 12,4 960
Rundvee – eiwitrijk voer4)5) 1 365 34,6 4,9 14,2 960
Vleesveevoer 455
rosévleeskalveren-opfokvoer 32,5 5,5 12,0
rosévleeskalveren-afmestvoer 25,6 4,5 11,8
vleestieren-opfokvoer 37,6 5,3 12,0
vleesstieren-afmestvoer 25,6 4,5 11,8
Startmelk voor rosévleeskalveren en vleesstieren 18 35,0 6,6 20,4
Kunstmelk voor witvleeskalveren 334 29,4 5,8 15,9
Melkvervangmix witvleeskalveren 364 24,1 3,3 4,0
Vochtrijk krachtvoer (ds) 549 25,7 3,7 8,8 1 000
melkvee 27,2 3,8 8,8
vleesvee 16,1 2,9 8,7
Schapen 25
lammerenkorrel 28,8 4,0 13,1
schapenbrok 24,8 4,0 11,7
Geiten
kunstmelk bokken 4 34,0 7,0 16,0
geitenbrok 215 28,2 4,7 9,0
Paarden en pony's6) 34 22,3 5,5 11,7

1)Voederwaarde uitgedrukt in VoederEenheden Melk (VEM).

2)Mest-, weide- en zoogkoeien en schapen krijgen graskuil en hooi van laag bemest grasland.

3)Jongvee ouder dan 1 jaar, mest-, weide- en zoogkoeien en schapen krijgen weidegras van laag bemest grasland.

4)Inclusief aanvullende voeders en enkelvoudig vervoederde krachtvoedergrondstoffen.

5)Eiwitkernvoeders en overig eiwitrijk voer met minimaal 120 g DVE (Darm Verteerbaar Eiwit) per kg droge stof.

6)Gewogen gemiddelde samenstelling van diverse typen krachtvoeders.

Krachtvoer

Onder krachtvoer vallen mengvoer, enkelvoudig vervoederde krachtvoergrondstoffen, vochtrijk krachtvoer en kunstmelk(poeder). Van de beschikbaarheid aan krachtvoer zijn alleen landelijke gegevens bekend.

Voerleveranciers zijn verplicht om leveringen van mengvoer en enkelvoudig voer te rapporteren aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). In de leveringen van mengvoer wordt aangegeven voor welke diergroep het voer bestemd is. In de overzichten van mengvoerleveringen komen soms ook leveringen voor van ruwvoer en vochtrijk krachtvoer. Om gedeeltelijke dubbeltellingen met gegevens uit andere bronnen te vermijden, wordt hiervoor gecorrigeerd. Voor de afzet van vochtrijk krachtvoer en de verdeling over rundvee en varkens wordt geen gebruik gemaakt van de geregistreerde voerleveringen. Deze gegevens worden jaarlijks beschikbaar gesteld door de Overleggroep Producenten Natte Veevoeders (OPNV).

Bij de berekening van excretiefactoren voor de stal- en weideperiode in de regio’s Noord-West en Zuid-Oost Nederland wordt voor melkvee onderscheid gemaakt in eiwitarm en eiwitrijk krachtvoer. Voor de bepaling van de afzetvolumes aan eiwitarm en eiwitrijk krachtvoer worden gegevens van Wageningen Economic Research gebruikt waarbij de afzet van mengvoer is ingedeeld naar het gehalte aan Darm Verteerbaar Eiwit (DVE). Voeders met een DVE-gehalte tot en met 115 gram DVE per kg zijn beschouwd als eiwitarm en voeders met 120 gram DVE of meer als eiwitrijk. De afzetgegevens zijn gecombineerd met gegevens over de stikstof, fosfor en kaliumgehalten van mengvoer per DVE-gehalte van Wageningen Livestock Research. De berekende samenstelling van eiwitrijk en eiwitarm krachtvoer is ten slotte gekalibreerd met de samenstelling van melkveevoer in de gegevens van RVO.

Voor de verschillende categorieën vleesvee wordt gewerkt met vaste hoeveelheden opfok- en afmestvoer in het rantsoen. De samenstelling van opfok- en afmestvoer voor rosévleeskalveren en vleesstieren is gebaseerd op gegevens van RVO.

De gemiddelde samenstelling van het aan witvleeskalveren verstrekte voer is gebaseerd op voerleveranties aan kalvermesterijen (RVO). Dit voer bestaat uit kunstmelk en melkvervangers.

Het kaliumgehalte van het mengvoer wordt incidenteel bijgesteld.

3.2Dierlijke productie

De vastlegging van mineralen in dierlijke producten is afhankelijk van het productieniveau van melk en vlees en van de mineralengehalten van die producten. Het levend gewicht van graasdieren wordt incidenteel aangepast. De mineralengehalten van dierlijke producten worden jaarlijks afgestemd op de forfaitaire waarden in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Nieuwe gegevens over gehalten aan stikstof, fosfor en kalium in het levend gewicht van graasdieren komen slechts incidenteel beschikbaar. De samenstelling van dierlijke producten is weergegeven Tabel 3.2.1.

3.2.1Vastlegging van mineralen door graasdieren, 2019

Levend gewicht Stikstof
(N)
Fosfor
(P)
Kalium
(K)
kg g/kg
Kalf, geboortegewicht 44 29,4 8,0 2,1
Vleeskalf, begingewicht 45 29,4 8,0 2,1
Vleeskalf, blank 251 27,3 7,2 1,7
Vleeskalf, rose 330 26,4 6,9 1,7
 
Vleesstier
begingewicht 50 29,4 8,0 2,1
12 maanden 450 28,5 7,5 1,9
eindgewicht-kruisling 625 27,0 7,4 1,9
eindgewicht-zuiver vleesras 700 27,0 7,4 1,9
 
Jongvee, 1 jaar 320 24,1 7,4 2,0
Jongvee, 2 jaar en ouder 540 23,1 7,4 2,0
Melkkoe 650 22,5 7,4 2,0
Zoog-, mest- en weidekoe 650 22,5 7,4 2,0
 
Fokstier
1 jaar 400 25,6 7,4 2,0
3,5 jaar 1 100 25,3 7,4 2,0
 
Schapen
Schaap 75 25,0 7,8 1,7
Vleeslam 42 26,2 5,2 1,7
 
Geiten
Melkgeit 75 24,0 7,9 1,7
Vleeslam 9 24,0 6,3 1,7
 
Paard 510 29,9 7,5 2,0
Pony 285 29,9 7,5 2,0
 
kg/dier/jaar g/kg
Koemelk1) 8 869 5,6 0,99 1,6
Geitenmelk 1 000 5,0 1,1 2,0
Wol 3,0 122 0,11 1,5

Bron:WUM (2010)

1)Wordt jaarlijks geactualiseerd. N-gehalte is berekend op basis van het eiwitgehalte van de melk, N = eiwit (g/kg)/6,38.

3.3Mineralenexcretie

De excretiefactoren voor graasdieren zijn weergegeven in Tabel 3.3.1.

3.3.1Excretiefactoren van graasdieren, 2019

Stalperiode Weideperiode1) Gehele jaar
stikstof
(N)
fosfaat
(P2O5)
kali
(K2O)
stikstof
(N)
fosfaat
(P2O5)
kali
(K2O)
stikstof
(N)
fosfaat
(P2O5)
kali
(K2O)
kg/dier.jaar
Zuid- en Oost-Nederland (snijmaïsrantsoen)
Rundvee voor de melkproductie
vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar 28,4 6,5 36,8 3,4 0,7 4,3 31,8 7,2 41,1
vrouwelijk jongvee, 1 jaar en ouder 54,9 14,3 75,7 15,7 4,0 24,9 70,6 18,3 100,6
melk- en kalfkoeien 79,0 22,2 89,0 60,2 16,4 79,6 139,2 38,6 168,6
waarvan
uitscheiding in de stal 79,0 22,2 89,0 46,3 12,6 61,2 125,3 34,8 150,2
uitscheiding in de wei 13,9 3,8 18,4 13,9 3,8 18,4
 
Rundvee voor de vleesproductie
vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar 28,4 6,5 36,8 3,4 0,7 4,3 31,8 7,2 41,1
vrouwelijk jongvee, 1 jaar en ouder 54,9 14,3 75,7 15,7 4,0 24,9 70,6 18,3 100,6
 
Noord- en West-Nederland (graskuilrantsoen)
Rundvee voor de melkproductie
vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar 31,8 7,4 43,3 5,1 1,0 6,5 36,9 8,4 49,8
vrouwelijk jongvee, 1 jaar en ouder 55,5 14,5 77,0 18,6 4,8 29,5 74,1 19,3 106,5
melk- en kalfkoeien 80,3 22,3 99,0 74,1 19,5 98,2 154,4 41,8 197,2
waarvan
uitscheiding in de stal 80,3 22,3 99,0 51,3 13,5 68,0 131,6 35,8 167,0
uitscheiding in de wei 22,8 6,0 30,2 22,8 6,0 30,2
 
Rundvee voor de vleesproductie
vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar 31,8 7,4 43,3 5,1 1,0 6,5 36,9 8,4 49,8
vrouwelijk jongvee, 1 jaar en ouder 55,5 14,5 77,0 18,6 4,8 29,5 74,1 19,3 106,5
 
Nederland
Rundvee voor de melkproductie en fokstieren
vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar 29,8 6,9 39,4 4,1 0,8 5,2 33,9 7,7 44,6
mannelijk jongvee jonger dan 1 jaar 32,7 6,8 44,6
vrouwelijk jongvee, 1–2 jaar 55,1 14,4 76,2 16,8 4,3 26,7 71,9 18,7 102,9
mannelijk jongvee, 1–2 jaar 85,6 23,8 113,6
vrouwelijk jongvee, 2 jaar en ouder 55,2 14,4 76,3 17,0 4,3 26,9 72,2 18,7 103,2
melk- en kalfkoeien 79,6 22,2 93,3 66,1 17,7 87,5 145,7 39,9 180,8
waarvan
uitscheiding in de stal 79,6 22,2 93,3 48,4 13,0 64,1 128,0 35,2 157,4
uitscheiding in de wei 17,7 4,7 23,4 17,7 4,7 23,4
stieren voor de fokkerij, 2 jaar en ouder 85,6 23,8 113,6
 
Rundvee voor de vleesproductie
vleeskalveren voor de witvleesproductie 19,2 5,2 13,3
vleeskalveren voor de rose vleesproductie 27,2 8,6 23,6
vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar 29,2 6,7 38,4 3,8 0,8 4,8 33,0 7,5 43,2
mannelijk jongvee (incl. ossen) jonger dan 1 jaar 28,6 6,7 23,4
vrouwelijk jongvee, 1–2 jaar 55,1 14,4 76,0 16,5 4,2 26,1 71,6 18,6 102,1
mannelijk jongvee (incl. ossen), 1–2 jaar 52,8 15,7 41,0
vrouwelijk jongvee, 2 jaar en ouder 55,1 14,4 76,0 16,4 4,2 26,1 71,5 18,6 102,1
mannelijk jongvee (incl. ossen), 2 jaar en ouder 52,8 15,7 41,0
zoog-, mest- en weidekoeien, 2 jaar en ouder 38,9 11,6 61,3 44,9 12,3 73,0 83,8 23,9 134,3
 
Schapen (ooien)2) 1,4 0,5 1,6 12,8 3,5 21,0 14,2 4,0 22,6
Geiten (melkgeiten)2) 20,5 6,2 17,1
Paarden 40,8 15,6 53,1 35,7 13,1 45,8 76,5 28,7 98,9
Pony's 16,1 6,1 21,7 19,5 6,9 25,4 35,6 13,0 47,1

1)In de weideperiode van melkkoeien (mei-oktober) kan sprake zijn van opstallen of beweiden.

2)Excretie per moederdier, inclusief de excretie van lammeren, mannelijke dieren en opfokdieren.

Melk- en kalfkoeien

De voederbehoefte, de samenstelling van het voerrantsoen en de vastlegging van stikstof en fosfor in de geproduceerde melk worden jaarlijks aangepast (Van Bruggen, 2018; Koning en Šebek, 2019). Voor de meeste andere categorieën runderen, schapen en geiten worden alleen de voederwaarden en de mineralengehalten van het voer jaarlijks aangepast.

De melkproductie per koe wordt normaliter berekend door de totale melkproductie te delen door het aantal melkkoeien in de Landbouwtelling. Met een toe- of afname van het aantal melkkoeien in de loop van het jaar wordt in dat geval geen rekening gehouden. In 2017 en in 2018 is bij de berekening van de melkproductie per koe rekening gehouden met de afname van het aantal dieren in de loop van die jaren (Van Bruggen en Gosseling, 2019). Voor 2019 was een dergelijke correctie niet nodig.

De uitgangspunten voor de berekening van de voederbehoefte van melkkoeien en jongvee en voor de vastlegging van mineralen in dierlijke producten zijn afgestemd met de Handreiking Bedrijfsspecifieke Excretie (BEX). Van het aantal kalveren dat gedurende het leven van de koe wordt geboren, wordt het eerste kalf berekend als vastlegging bij de vaars (jongvee van 1 jaar en ouder).

Om het voerverbruik van melkkoeien te berekenen, wordt gebruik gemaakt van een voerbalans. Daarbij wordt uitgegaan van vaste kengetallen voor het voerverbruik van rundvee (exclusief melk- en kalfkoeien), schapen, geiten, paarden en pony’s (zie ook Van Bruggen et al., 2010). Na verdeling van het benodigde krachtvoer en ruwvoer over rundvee (exclusief melk- en kalfkoeien) en over schapen, geiten, paarden en pony’s wordt de rest van het beschikbare voer (circa 70 procent) aan melk- en kalfkoeien toebedeeld. In de voederbehoefte die bij melk- en kalfkoeien dan nog resteert, wordt voorzien door weidegras. Het verbruik van weidegras door melkkoeien wordt dus berekend als restpost waarin alle onzekerheden in de aannames terechtkomen. Door de trend naar vaker opstallen van melkkoeien is het verbruik van weidegras door melkkoeien inmiddels een kleine voercomponent. Doordat het verbruik van weidegras relatief gering is en het bovendien een restpost is in de berekening van het voerverbruik, kan het verbruik van jaar op jaar forse schommelingen vertonen (zie ook Van Bruggen, 2018). Omdat de vers grasopname in omvang beperkt is, is de invloed daarvan op het eindresultaat gering. De excretie van melkkoeien is weergegeven in Tabel 3.3.2.

3.3.2Mineralenuitscheiding van melk- en kalfkoeien

Noord- en West Nederland Zuid- en Oost Nederland Nederland
2018 2019 2018 2019 2018 2019
VEM-behoefte (kVEM) 6 835 6 860 7 020 7 070 6 940 6 980
 
Ruwvoeropname kg/dier.jaar
weidegras (ds) 1 006 1 020 618 533 781 741
graskuil en hooi (ds) 3 391 3 423 2 441 2 661 2 841 2 987
snijmaïskuil (ds) 739 744 2 217 2 169 1 594 1 560
 
Krachtvoeropname1)
vochtrijk krachtvoer (ds) 348 300 348 300 348 300
eiwitarm krachtvoer 1 569 1 668 584 878 999 1 216
eiwitrijk krachtvoer 492 412 1 477 1 203 1 062 865
 
Vastlegging
vlees 32 32 32 32 32 32
kalf 31 30 31 30 31 30
melk 8 623 8 625 9 011 9 051 8 848 8 869
 
Mineralenbalans
Opname met voer
stikstof (N) 207,1 204,2 191,3 191,6 198,0 196,9
fosfor (P) 27,9 27,3 26,4 26,3 27,0 26,7
kalium (K) 178,1 177,6 151,9 154,5 163,0 164,4
 
Vastlegging
stikstof (N) 49,6 49,9 51,8 52,3 50,9 51,3
fosfor (P) 9,1 9,0 9,5 9,4 9,3 9,2
kalium (K) 13,9 13,9 14,5 14,6 14,3 14,3
 
Uitscheiding
stikstof (N) 157,4 154,4 139,5 139,2 147,1 145,7
fosfor (P) 18,7 18,3 16,9 16,8 17,7 17,4
kalium (K) 164,2 163,7 137,4 139,9 148,7 150,1
fosfaat (P2O5)2) 42,9 41,8 38,6 38,6 40,4 39,9
kali (K2O)3) 197,9 197,2 165,6 168,6 179,3 180,8

1)Inclusief enkelvoudige krachtvoedergrondstoffen en mineralenmengsels.

2)De omrekenfactor voor P in P2Ois 2,29.

3)De omrekenfactor voor K in K2O is 1,205.

Gasvormige stikstofverliezen

Om gasvormige stikstofverliezen uit opgeslagen mest en weidemest van melkkoeien te kunnen berekenen moet de excretie in de stal en in de wei afzonderlijk worden bepaald. Hiertoe worden voor de stal- en voor de weideperiode afzonderlijk excretiefactoren vastgesteld. In de weideperiode van melkkoeien zal een deel van de excretie in de stal plaatsvinden, afhankelijk van de toegepaste vorm van beweiding. De informatie over toegepaste beweiding is afkomstig uit de Landbouwtelling waarin jaarlijks wordt gevraagd naar de periode dat de melkkoeien een bepaalde vorm van beweiding hebben gekregen. De volgende beweidingssystemen worden hierbij onderscheiden: dag en nacht weiden, alleen overdag weiden en permanent opstallen. Bij dag en nacht weiden en bij overdag weiden wordt gevraagd naar het aantal uur weiden per etmaal. Er wordt van uitgegaan dat de hoeveelheid mest die in de stal terechtkomt evenredig is met het aantal uren per etmaal dat de dieren op stal staan.

Voor de verdeling van de mineralenexcretie over stal en weide wordt een eerste versie van de Landbouwtelling gebruikt (Tabel 3.3.3). De definitieve resultaten over beweiding op de website van het CBS kunnen hier licht van afwijken.

3.3.3Beweiding van melkkoeien en jongvee

Nederland gemiddeld Noord en West Nederland Zuid en Oost Nederland Gemiddelde beweidings­duur Mest in opslag1)
2018 2019 2018 2019 2018 2019 2018 2019 2018 2019
Beweidingssystemen bij melkkoeien % van het aantal melkkoeien uren/etmaal %
Dag en nacht weiden 11 11 17 17 7 7 19 18 20 25
Beperkt weiden 57 62 59 63 56 62 7 7 71 71
Dag en nacht opstallen 32 27 24 21 37 31 0 0 100 100
 
Totaal 100 100 100 100 100 100
 
Lengte weideperiode dagen
Melkkoeien 160 160 165 170 155 150
Jongvee jonger dan 1 jaar2) 40 35 45 45 30 30
Jongvee 1 jaar of ouder2) 90 85 95 95 85 80

1)Aandeel van de mestproductie dat in de stal wordt uitgescheiden.

2)Het aandeel bedrijven zonder beweiding van jongvee is in de cijfers verrekend.

N.B. De beweiding van melkkoeien en jongvee in 2019 is berekend op basis van voorlopige resultaten uit de landbouwtelling van 2020.

Vleeskalveren

De uitgangspunten voor de excretieberekening van witvleeskalveren over 2019 zijn herzien. Uit informatie van de sector en uit aanvullende analyses is gebleken dat de uitgangspunten niet meer actueel zijn. In de herziene berekening wordt uitgegaan van een hoger fosforgehalte van het dier en een hoger aflevergewicht. Hierdoor wordt een groter deel van de fosfor in het voer in het dier vastgelegd. Wel is het aantal dagen van een productieronde verhoogd evenals de voeropname per ronde. In Tabel 3.3.4 zijn de vorige en de huidige uitgangspunten weergegeven.

3.3.4Excretieberekening van witvleeskalveren

2018 2019
Produktieperiode (dagen)1) 180 190
Begingewicht (kg)1) 44 45
Eindgewicht (kg)2) 225 251
 
Voedergebruik per ronde1)
Kunstmelkpoeder per ronde (kg) 250 275
startmelk (kg) 40 40
mestmelk (kg) 210 235
Stro per ronde (kg) 15 30
Melkvervangmix, granenmix (Fe-arme brok) kg 300 300
 
Samenstelling begingewicht 3)
N (g/kg) 29,44 29,44
P (g/kg 8,00 8,00
 
Samenstelling eindgewicht
N (g/kg)4) 27,30 27,30
P (g/kg)5) 5,90 7,20
 
Opname op jaarbasis6)
N (kg) 30,0 29,8
P (kg) 5,2 5,1
 
Vastlegging6)
N (kg) 9,8 10,6
P (kg) 2,0 2,8
 
Excretie6)
N (kg) 20,2 19,2
P2O5 (kg) 7,3 5,2

1)2018: handboek KWIN 2018-2019; 2019: Kool et al. (2020).

2)2018: handboek KWIN 2018-2019; 2019: Karkasgewicht (KWIN) en slachtrendement (Berends et al., 2014).

3)Coppoolse et al. (1990).

4)Heeres van der Tol (2002).

5)2018: Heeres van der Tol (2002); 2019: Kemme et al. (2004).

6)Per bij de landbouwtelling geteld dier (jaarrond aanwezig dier).

De uitgangspunten voor overig rundvee, schapen, geiten, paarden en pony’s zijn beschreven in Van Bruggen en Gosseling (2019).

3.4Mestproductievolume

De hoeveelheid mest (mestvolume) per dier is gedefinieerd als de hoeveelheid mest in kilogram die na enkele maanden bewaring aanwezig is in de stalopslag, inclusief voerresten, schoonmaakwater en vermorst drinkwater. Voor weidend vee komt daar nog de hoeveelheid mest bij die deze dieren produceren wanneer ze in de wei lopen. Alle weidemest wordt gerekend als dunne mest.

De mestproductiefactoren voor rundvee zijn afgestemd op de resultaten van het BedrijfsBegrotingsProgramma Rundveehouderij (BBPR) van Wageningen UR Livestock Research (Van Bruggen, 2011, zie ook Van Bruggen en Gosseling, 2019).

De factoren voor de mestproductie per dier zijn weergegeven in Tabel 3.4.1.

3.4.1Mestproductiefactoren van graasdieren, 2019

Dunne mest Vaste mest (stal) Totaal
stalperiode weideperiode1)
kg/dier.jaar
Rundvee voor de melkproductie
vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar 4 500 500 5 000
mannelijk jongvee jonger dan 1 jaar 5 000 5 000
vrouwelijk jongvee, 1 jaar en ouder 10 500 2 000 12 500
melk- en kalfkoeien regio ZuidOost 18 000 12 000 30 000
waarvan
uitscheiding in de stal 18 000 9 000 27 000
uitscheiding in de wei 3 000 3 000
melk- en kalfkoeien regio NoordWest 16 000 13 000 29 000
waarvan
uitscheiding in de stal 16 000 9 500 25 500
uitscheiding in de wei 3 500 3 500
stieren voor de fokkerij, 2 jaar en ouder 12 500 12 500
 
Rundvee voor de vleesproductie
vleeskalveren voor de witvleesproductie 2 800 2 800
vleeskalveren voor de rose vleesproductie 4 500 4 500
vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar 4 500 500 5 000
mannelijk jongvee (incl. ossen) jonger dan 1 jaar 4 500 4 500
vrouwelijk jongvee, 1 jaar en ouder 10 500 2 000 12 500
mannelijk jongvee (incl. ossen), 1 jaar en ouder 10 000 10 000
zoog-, mest- en weidekoeien, 2 jaar en ouder 8 000 7 000 15 000
 
Schapen (ooien)2) 2 400 140 2 540
Geiten (melkgeiten)2) 1 300 1 300
Paarden 3 300 5 200 8 500
Pony's 2 100 2 100 4 200

1)In de weideperiode van melkkoeien (mei-oktober) kan sprake zijn van opstallen of beweiden.

2)Excretie per moederdier, inclusief de excretie van lammeren, mannelijke dieren en opfokdieren.

3.5Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Berends, H., J. J. G. C. van den Borne, H. Mollenhorst, C. G. van Reenen, E. A. M. Bokkers & W. J. J. Gerrits (2014). Utilization of roughages and concentrates relative to that of milk replacer increases strongly with age in veal calves. Journal of Dairy Science Vol. 97 No. 10, 2014.

Coppoolse, J., A.M. van Vuuren, J. Huisman, W.M.M.A. Janssen, A.W. Jongbloed, N.P. Lenis & P.C.M. Simons (1990). De uitscheiding van stikstof, fosfor en kalium door landbouwhuisdieren, Nu en Morgen. Wageningen, Dienst Landbouwkundig Onderzoek.

Heeres-van der Tol, J.J. (2002). Stikstof- en fosfaatexcretie rundvee. Praktijkrapport Rundvee nr. 10. Praktijkonderzoek Veehouderij, Lelystad.

Kemme, P.A., J.Th.M. van Diepen, P.L. van der Togt & A.W. Jongbloed (2004). De gehalten aan stikstof, fosfor en kalium in blanke vleeskalveren. Rapport ID-Lelystad nr. 04/0005643. Animal Sciences Group – Nutrition and Food, Lelystad.

Koning, L. & L.B. Šebek (2019). Jaarrond gemiddeld fosforgehalte in melk; Jaarrond monitoren van het P-gehalte in melk van de Nederlandse melkveestapel en de mogelijkheid het P-gehalte in melk te schatten uit andere melkbestanddelen. Wageningen Livestock Research, Rapport 1166.

Kool, A., L. Kuling & H. Blonk (2020). Trendanalyse milieuprestaties Nederlands kalfsvlees. Blonk consultants, Gouda.

Schröder, J.J., L.B. Šebek, J. Oenema, J.G. Conijn & J. de Boer (2018). Rekenregels van de Kringloopwijzer 2017; Achtergronden van BEX, BEA, BEN, BEP en BEC: Actualisatie van de 2016‑versie. Wageningen Research, Rapport WPR-790.

Tamminga, S., A.W. Jongbloed, M.M. van Eerdt, H.F.M. Aarts, F. Mandersloot, N.J.P. Hoogervorst & H. Westhoek (2000). De forfaitaire excretie van stikstof door landbouwhuisdieren. Rapport ID Lelystad 00-2040R.

Van Bruggen, C. (2011). Dierlijke mest en mineralen 2009. Centraal Bureau voor de Statistiek. Den Haag/Heerlen.

Van Bruggen, C. (2016). Dierlijke mest en mineralen 2015 (C. van Bruggen). Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen.

Van Bruggen, C. (2018). Dierlijke mest en mineralen 2017. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen.

Van Bruggen, C. & M. Gosseling (2019). Dierlijke mest en mineralen 1990–2018. Centraal Bureau voor de Statistiek. Den Haag/Heerlen.

Van Bruggen, C., M.J.C. de Bode, A.G. Evers, K.W. van der Hoek, H.H. Luesink en M.W. van Schijndel (2010). Gestandaardiseerde berekeningsmethode voor dierlijke mest en mineralen. Standaardcijfers 1990–2008. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2019–2020 2019 tot en met 2020
2019/2020 Het gemiddelde over de jaren 2019 tot en met 2020
2019/’20 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2019 en eindigend in 2020
2017/’18–2019/’20 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2017/’18 tot en met 2019/’20

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Cor van Bruggen

Monique Gosseling