Resultaten
De excretie van zowel stikstof als fosfaat lag in 2019 onder het mestproductieplafond dat door de Europese Commissie is vastgesteld.
6.1Stikstof- en fosfaatexcretie
De stikstofexcretie daalde van 503,5 miljoen kilogram in 2018 tot 489,7 miljoen kilogram in 2019. Hierdoor lag de stikstofexcretie in 2019 bijna 3 procent onder het productieplafond van 504,4 miljoen kilogram. De fosfaatexcretie in dierlijke mest daalde in dezelfde periode van 162,0 tot 155,5 miljoen kilogram. Door deze afname ligt de fosfaatexcretie nu ruim 17 miljoen kilogram (10 procent) onder het niveau van het fosfaatplafond van 172,9 miljoen kilogram. Er zijn meerdere oorzaken voor deze dalingen, zoals de afname van het aantal runderen, varkens en kippen en lagere gehalten aan stikstof en fosfor van ruwvoer en krachtvoer. In Tabel 6.1.1 is de excretie van stikstof en fosfaat naar diercategorie weergegeven.
6.1.1Stikstof- en fosfaatexcretie in dierlijke mest
| Stikstof (N) | Fosfaat (P2O5) | |||
|---|---|---|---|---|
| 2018 | 2019 | 2018 | 2019 | |
| mln kg | ||||
| Rundvee-melkvee | 289,9 | 279,7 | 78,7 | 75,5 |
| Rundvee-vleesvee | 37,5 | 36,0 | 12,1 | 10,2 |
| Varkens | 96,8 | 93,7 | 37,7 | 36,8 |
| Pluimvee | 56,7 | 56,0 | 25,9 | 25,1 |
| Overig vee | 22,7 | 24,3 | 7,7 | 7,9 |
| Totaal | 503,5 | 489,7 | 162,0 | 155,5 |
Rundvee
De daling van de stikstof- en fosfaatexcretie in 2019 ten opzichte van 2018 komt, net als in voorgaande jaren, grotendeels voor rekening van de melkveehouderij. Het gemiddelde aantal melkkoeien en het aantal stuks jongvee (vrouwelijk en mannelijk) daalde in 2019 met respectievelijk 0,8 en 8,4 procent ten opzichte van 2018. De melkproductie per koe lag in 2019 met 8 870 kg vrijwel op hetzelfde niveau als in 2018 (8 850 kg). Het stikstofgehalte van het mengvoer voor melkvee daalde van 29,4 tot 28,1 g N/kg. Het fosforgehalte van het mengvoer voor melkkoeien bleef afgerond 4,1 gram P/kg. Het stikstofgehalte van het verbruikte kuilgras lag in 2019 onder het niveau van 2018, het gehalte van weidegras en snijmaïs lag er iets boven. Het fosforgehalte van het verbruikte ruwvoer lag in 2019 over het algemeen onder het niveau van 2018. Zowel de stikstof- als de fosfaatexcretie bleef in de melkveehouderij binnen het productieplafond. Het productieplafond voor stikstof bedraagt 281,8 miljoen kg en voor fosfaat 84,9 miljoen kg.
De stikstof- en fosfaatexcretie van vleesrundvee daalde door een afname van het aantal dieren en lagere excretiefactoren per dier bij met name witvleeskalveren.
Varkens en pluimvee
De Landbouwtelling van 2019 telde een kleine 30 duizend vleesvarkens (0,5 procent) minder dan de Landbouwtelling van 2018. Het aantal fokvarkens (exclusief biggen) daalde met 5,1 procent. De voersamenstelling vertoonde geringe verschillen met 2018.
De daling van de stikstof- en fosfaatexcretie van pluimvee hangt samen met de afname van het aantal leghennen en ouderdieren van vleeskuikens.
Overige vee
Het overige vee bestaat uit schapen, geiten, paarden, pony’s, konijnen en pelsdieren. De stikstof- en fosfaatexcretie van deze groep is in 2019 toegenomen ten opzichte van 2018 door een toename van het aantal schapen en geiten. De stikstof- en fosfaatexcretie van deze groep bedroeg in 2019 5 procent van de totale excretie.
In de periode 1990–2019 daalde de stikstofexcretie met 29 procent en de fosfaatexcretie met 32 procent (Figuur 6.1.2). Door invoering van fosfaatgebruiksnormen, de mestboekhouding en mestproductierechten eind jaren tachtig, werd de daling van de fosfaatexcretie al ingezet vóór de invoering van het mineralenaangiftesysteem Minas in 1998. Bij stikstof werd de sterkste afname juist gerealiseerd na 1997. Tijdens de laatste jaren waarin Minas nog van kracht was, stagneerde de daling van de stikstof- en fosfaatexcretie. Na de invoering van het stelsel van gebruiksnormen in 2006 zijn de mestproductie en de mineralenexcretie weer licht gestegen. In de periode 2013–2017 nam de stikstofexcretie toe door de groei van de melkveestapel en hoge stikstofgehalten van ruwvoer. Door de krimp van de melkveestapel daalde de stikstofexcretie in 2018 en deze daling zette door in 2019. De fosfaatexcretie nam in de periode 2013–2015 toe door de groei van de melkveestapel en hoge fosforgehalten van ruwvoer maar in 2016 daalde deze door lagere fosforgehalten van ruwvoer en krachtvoer. Vanaf 2017 daalde de fosfaatexcretie door de krimp van de melkveestapel en lagere fosforgehalten van ruwvoer en krachtvoer.
| Index (1990=100) | Stikstofexcretie | Fosfaatexcretie |
|---|---|---|
| 1990 | 100 | 100 |
| 2000 | 79 | 83 |
| 2010 | 71 | 78 |
| 2015 | 72 | 79 |
| 2017 | 74 | 74 |
| 2018 | 73 | 71 |
| 2019 | 71 | 68 |
In 2018 en in 2019 lag zowel de stikstofexcretie als de fosfaatexcretie beneden het productieplafond dat door de EU voor Nederland is vastgesteld. Mits deze productieplafonds niet worden overschreden mag Nederland onder voorwaarden meer dierlijke mest gebruiken per hectare landbouwgrond dan de Nitraatrichtlijn voorschrijft (derogatie). De productieplafonds zijn door de EU vastgesteld op het productieniveau van 2002.
6.2Gasvormige stikstofverliezen
Tijdens de opslag van mest verandert de samenstelling door afbraak van organische stof, vervluchtiging van ammoniak en vervluchtiging van overige stikstofverbindingen (N2, N2O, NO) door denitrificatie. De stikstofexcretie verminderd met de stikstofverliezen in stal en opslag wordt aangeduid met stikstofproductie. In figuur 6.2.1 is de stikstofexcretie verdeeld in stikstofproductie, de gasvormige verliezen die optreden tijdens opslag binnen en buiten de stal en de afvoer van stikstof via het spuiwater van luchtwassers. De afvoer van stikstof via het spuiwater van luchtwassers wordt tot de verliezen uit dierlijke mest gerekend omdat deze stikstof niet langer beschouwd wordt als dierlijke mest maar als een anorganische meststof, vergelijkbaar met kunstmest.
Bij de toediening van dierlijke mest aan de bodem, inclusief de mest die dieren produceren als ze in de wei lopen, vervluchtigt opnieuw een deel van de aanwezige stikstof in de vorm van ammoniak. Deze toedieningsverliezen zijn niet Figuur 6.2.1 weergegeven. De cijfers in de figuur zijn berekend met de op TAN-gebaseerde rekenmethodiek zoals beschreven in Lagerwerf et al. (2019).
| Stikstof in de mest | Ammoniak uit stal en opslag (uitgedrukt in N) | Overige gasvormige verliezen | Spuiwater van luchtwassers | |
|---|---|---|---|---|
| 1990 | 598,7 | 80,8 | 11,6 | 0 |
| 2000 | 477,5 | 62 | 9,5 | 0 |
| 2010 | 424,9 | 53,4 | 8,9 | 2,5 |
| 2015 | 434,9 | 46,6 | 8,9 | 7,1 |
| 2018 | 439,7 | 45,2 | 9,5 | 9,1 |
| 2019 | 428 | 43,6 | 9,3 | 8,8 |
6.3Stikstof- en fosfaatexcretie naar regio
Er zijn grote regionale verschillen in de excretie van stikstof en fosfaat. Traditioneel is de stikstof- en fosfaatexcretie in Noord-Brabant het grootst, zowel in absolute hoeveelheid als per hectare cultuurgrond. In Zeeland is de mestproductie het kleinst door de geringe veedichtheid.
Figuur 6.3.1 toont de bijdrage van de verschillende diergroepen in de totale stikstofexcretie per provincie. In alle provincies met uitzondering van Limburg en Noord-Brabant is het aandeel van rundvee in de stikstofexcretie het grootst. In Figuur 6.3.2 is de stikstofexcretie weergegeven per hectare cultuurgrond (exclusief glastuinbouw). Uit de figuur blijkt dat Noord-Brabant en Limburg de provincies zijn met de hoogste excretie per hectare.
| Rundvee | Varkens | Pluimvee | Schapen en geiten | Paardenenpony's | Konijnen en pelsdieren | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Noord-Brabant | 43,52 | 42,60 | 13,38 | 3,08 | 1,08 | 1,20 |
| Gelderland | 52,54 | 14,32 | 10,82 | 3,26 | 1,07 | 0,35 |
| Overijssel | 48,49 | 12,02 | 5,94 | 1,82 | 0,60 | 0,09 |
| Friesland | 56,72 | 0,88 | 3,68 | 1,82 | 0,57 | 0,06 |
| Limburg | 10,14 | 15,36 | 10,39 | 1,06 | 0,48 | 0,28 |
| Drenthe | 19,82 | 2,14 | 3,47 | 0,76 | 0,31 | 0,00 |
| Groningen | 20,40 | 1,83 | 2,94 | 0,78 | 0,19 | 0,00 |
| Utrecht | 18,75 | 1,76 | 1,61 | 0,85 | 0,31 | 0,04 |
| Zuid-Holland | 17,41 | 0,90 | 0,24 | 1,11 | 0,40 | 0,03 |
| Noord-Holland | 17,18 | 0,17 | 0,54 | 1,37 | 0,40 | 0,00 |
| Flevoland | 6,09 | 0,78 | 1,95 | 0,26 | 0,07 | 0,05 |
| Zeeland | 4,58 | 0,93 | 1,05 | 0,34 | 0,13 | 0,06 |
| Rundvee | Varkens | Pluimvee | Schapen en geiten | Paarden en pony's | Konijnen en pelsdieren | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Noord-Brabant | 183 | 179 | 56 | 13 | 5 | 5 |
| Limburg | 106 | 161 | 109 | 11 | 5 | 3 |
| Gelderland | 232 | 63 | 48 | 14 | 5 | 2 |
| Overijssel | 247 | 61 | 30 | 9 | 3 | 0 |
| Utrecht | 267 | 25 | 23 | 12 | 4 | 1 |
| Friesland | 252 | 4 | 16 | 8 | 3 | 0 |
| Zuid-Holland | 155 | 8 | 2 | 10 | 4 | 0 |
| Drenthe | 134 | 14 | 23 | 5 | 2 | 0 |
| Groningen | 126 | 11 | 18 | 5 | 1 | 0 |
| Noord-Holland | 136 | 1 | 4 | 11 | 3 | 0 |
| Flevoland | 68 | 9 | 22 | 3 | 1 | 1 |
| Zeeland | 38 | 8 | 9 | 3 | 1 | 1 |
6.4Stikstof- en fosfaatproductie naar bedrijfstype
Nederland mag meer dierlijke mest gebruiken per hectare landbouwgrond dan de 170 kilogram stikstof die de Nitraatrichtlijn voorschrijft (derogatie) mits minimaal 80 procent van het bedrijfsareaal bestaat uit grasland. In dat geval mag op percelen met zand- of lössgrond in Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg 230 kilogram stikstof per hectare per jaar in de vorm van graasdierenmest gebruikt worden. Voor de overige provincies is de norm verruimt tot 250 kilogram stikstof per hectare.
Bij het berekenen van de plaatsingsruimte is uitgegaan van de hiervoor genoemde voorwaarden. De plaatsingsruimte voor stikstof is in de loop van de tijd gedaald door aanscherping van de derogatievoorwaarden en door afname van de hoeveelheid cultuurgrond.
De hoeveelheid stikstof in dierlijke mest die beschikbaar is voor toediening aan de bodem (stikstofproductie) is berekend door de stikstofexcretie te verminderen met stikstofverliezen die optreden in stallen en mestopslagen, inclusief de afvoer van stikstof via het spuiwater van luchtwassers. De verliezen in stallen en mestopslagen zijn berekend volgens de nationale rekenmethodiek voor emissies uit dierlijke mest. De gasvormige stikstofverliezen van 2019 zijn nog voorlopige cijfers. In Figuur 6.4.1 is de stikstofproductie en de plaatsingsruimte voor stikstof uit dierlijke mest van enkele bedrijfstypen weergegeven. De indeling in bedrijfstypen is gebaseerd op het economisch zwaartepunt van de bedrijfsactiviteiten.
| Stikstofproductie - totaal | Plaatsingsruimte stikstof - totaal | Stikstofproductie - melkveebedrijven | Plaatsingsruimte stikstof - melkveebedrijven | Stikstofproductie - varkensbedrijven | Plaatsingsruimte stikstof - varkensbedrijven | Stikstofproductie - pluimveebedrijven | Plaatsingsruimte stikstof - pluimveebedrijven | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2010 | 424,9 | 399,1 | 221 | 200,3 | 73,1 | 9,6 | 48,5 | 3,5 |
| 2015 | 434,9 | 389,7 | 241,2 | 201,5 | 72,7 | 7,7 | 50,2 | 3,3 |
| 2018 | 439,7 | 380,2 | 246,7 | 202,1 | 71,1 | 7 | 45,4 | 3,1 |
| 2019 | 428 | 384,3 | 239 | 199,1 | 69,7 | 7 | 44,8 | 3 |
In figuur 6.4.2 is voor enkele jaren de fosfaatproductie en de plaatsingsruimte weergegeven naar bedrijfstype.
De plaatsingsruimte voor fosfaat is het wettelijk toegestane gebruik van fosfaat in kilogram per hectare (gebruiksnorm) vermenigvuldigd met de oppervlakte van het areaal in hectare. Voor grasland en bouwland gelden verschillende gebruiksnormen die geleidelijk zijn aangescherpt. Met ingang van 2010 zijn de gebruiksnormen voor fosfaat gedifferentieerd naar de fosfaattoestand van de bodem. De gemeten fosfaattoestand is hierbij ingedeeld in een aantal klassen (arm, laag, neutraal of hoog) met een bijbehorende fosfaatgebruiksnorm. Als er geen gegevens zijn over de fosfaattoestand is, in overeenstemming met het mestbeleid, uitgegaan van een hoge fosfaattoestand en geldt dus de laagste fosfaatgebruiksnorm. Globaal is van 40 procent van de cultuurgrond de fosfaattoestand niet bekend. Vooral van bouwland ontbreken gegevens.
| Fosfaatproductie - totaal | Plaatsingsruimte fosfaat - totaal | Fosfaatproductie - melkveebedrijven | Plaatsingsruimte fosfaat - melkveebedrijven | Fosfaatproductie - varkensbedrijven | Plaatsingsruimte fosfaat - varkensbedrijven | Fosfaatproductie - pluimveebedrijven | Plaatsingsruimte fosfaat - pluimveebedrijven | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2010 | 178,9 | 158,8 | 78,5 | 74 | 40,5 | 4,3 | 26,2 | 1,6 |
| 2015 | 180,1 | 135,1 | 87,6 | 71 | 37,1 | 2,7 | 26,6 | 1,2 |
| 2018 | 162 | 134,5 | 74,4 | 71,1 | 34,9 | 2,5 | 24 | 1,2 |
| 2019 | 155,5 | 133,5 | 71,7 | 69,4 | 34,5 | 2,5 | 23,1 | 1,1 |
6.5Mestproductievolume
Zowel in 2018 als in 2019 bedroeg de totale mestproductie afgerond 75 miljard kg. In Figuur 6.5.1 is de ontwikkeling weergegeven van de mestproductie per diersoort. Tabel 6.5.2 toont de mestproductie per diersoort uitgesplitst naar dunne en vaste mest.
| Rundvee - melkvee | Rundvee - vleesvee | Varkens | Pluimvee | Overig vee | |
|---|---|---|---|---|---|
| 1990 | 57,8 | 8,4 | 16,4 | 2,5 | 2,4 |
| 2000 | 49,1 | 7,7 | 14,1 | 2,1 | 2,6 |
| 2010 | 49,4 | 6,6 | 11,8 | 1,5 | 2,9 |
| 2015 | 55,8 | 5,9 | 10,5 | 1,4 | 2,8 |
| 2018 | 55,2 | 6 | 10 | 1,3 | 2,6 |
| 2019 | 54,9 | 5,8 | 9,8 | 1,3 | 2,8 |
6.5.2Mestproductie door de Nederlandse veestapel
| 1990 | 2000 | 2010 | 2018 | 2019 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| dunne mest | vaste mest | dunne mest | vaste mest | dunne mest | vaste mest | dunne mest | vaste mest | dunne mest | vaste mest | |
| mld kg | ||||||||||
| Rundvee, excl. vleeskalveren | 63,3 | 0,8 | 52,6 | 1,1 | 52,0 | 0,8 | 57,3 | 0,5 | 56,8 | 0,4 |
| Vleeskalveren | 2,1 | 0,0 | 3,0 | 0,0 | 3,1 | 0,0 | 3,4 | 0,0 | 3,4 | 0,0 |
| Varkens | 16,4 | 0,0 | 14,1 | 0,0 | 11,8 | 0,0 | 10,0 | 0,0 | 9,8 | 0,0 |
| Pluimvee | 1,5 | 1,0 | 0,5 | 1,6 | 0,0 | 1,5 | 0,0 | 1,3 | 0,0 | 1,3 |
| Schapen en geiten1) | 1,6 | 0,3 | 1,4 | 0,3 | 1,3 | 0,4 | 1,2 | 0,6 | 1,3 | 0,6 |
| Pelsdieren en konijnen | 0,0 | 0,0 | 0,0 | 0,1 | 0,1 | 0,0 | 0,2 | 0,0 | 0,2 | 0,0 |
| Paarden en pony's1) | 0,2 | 0,3 | 0,3 | 0,5 | 0,4 | 0,6 | 0,3 | 0,4 | 0,3 | 0,4 |
| Gehele veestapel | 84,9 | 2,5 | 71,9 | 3,6 | 68,9 | 3,3 | 72,4 | 2,8 | 71,9 | 2,7 |
1)De weidemest van schapen, paarden en pony's is gerekend als dunne mest.
6.6Literatuur
Literatuur
Lagerwerf, L.A., A. Bannink, C. van Bruggen, C.M. Groenestein, J.F.M. Huijsmans, J.W.H. van der Kolk, H.H.Luesink, S.M. van der Sluis, G.L. Velthof & J. Vonk (2019). Methodology for estimating emissions from agriculture in the Netherlands. Calculations of CH4, NH3, N2O, NOx, NMVOC, PM10, PM2.5 and CO2 with the National Emission Model for Agriculture (NEMA) – update 2019. Wageningen, The Statutory Research Tasks Unit for Nature and the Environment. WOt-technical report 148.