Foto omschrijving: Kinderen van asielzoekers op school

Statushouders huisvesting en integratie

Dit hoofdstuk behandelt de eerste stappen die statushouders zetten in de richting van integratie in de Nederlandse samenleving. Hierbij is gekeken naar statushouders die in de periode 2014 tot en met de eerste helft van 2019 een verblijfsvergunning asiel hebben gekregen. De meeste statushouders zijn hun verblijf in Nederland begonnen in de asielopvang. In totaal kregen in de periode 2014 tot en met de eerste helft van 2019 bijna 143 duizend mensen een verblijfsvergunning.

In dit hoofdstuk kijken we onder andere hoe het statushouders vergaat op het gebied van onderwijs, het inburgeringsexamen, sociale zekerheid, werk, gezondheidszorg en geregistreerde criminaliteit.

3.1Verblijfsvergunningen asiel

Aantal verleende vergunningen daalt verder

In 2014 krijgen 20 duizend personen een zogeheten verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd, in 2015 zijn dit er 33 duizend, in 2016 37 duizend, in 2017 29 duizend, 2018 17 duizend, en in de eerste helft van 2019 zijn dit er 8 duizend. Sinds de start van dit cohortonderzoek zien we dat na 2017 het jaarlijks aantal verleende verblijfsvergunningen is gedaald. Ook nareizigers van statushouders ontvangen een (afgeleide) asielvergunning en behoren net als gezinsherenigers in dit onderzoek tot de statushouders. Net als bij de asielverzoeken bestaat de groep status­houders vooral uit Syriërs en Eritreeërs. Van de in 2014 verleende verblijfsvergunningen werd 53 procent verleend aan personen met de Syrische nationaliteit.noot1 Dit percentage loopt op naar 71 procent in 2016 en daalt daarna naar 41 procent in 2018. In de eerste helft van 2019 is het weer licht gestegen naar 43 procent. Ongeveer 20 procent van de verleende vergunningen in 2014 en 2015 werd verstrekt aan personen met Eritrese nationaliteit. Dit percentage daalt naar 14 in 2016, maar stijgt daarna weer naar 25 procent in 2018. In de eerste helft van 2019 is het weer iets gedaald: 20 procent.

In 2017 is het aantal verleende verblijfsvergunningen aan Iraniërs grofweg verdubbeld ten opzichte van die in voorgaande jaren. Dit komt doordat staatssecretaris Dijkhoff in 2017 een aantal risicogroepen uit Iran heeft toegevoegd aan de groepen mensen die sneller kans maken op asiel in Nederland.noot2 Het gaat onder andere om afvallige moslims, politici, journalisten en mensenrechtenactivisten. Inmiddels is het aantal verleende vergunningen aan asielzoekers uit Iran weer flink gedaald.

3.2Nationaliteiten

Top 5 nationaliteitennoot3 recent veranderd

De tabel laat per jaar zien wat de top vijf van nationaliteiten is van de personen aan wie een vergunning is verleend. In alle jaren staan de Syrische en de Eritrese nationaliteiten op de plaatsen één en twee. In 2014 en 2015 staan daarnaast Somalië, Irak en Afghanistan in de top 5. In 2016, 2017 en 2018 heeft Iran Somalië uit de top 5 verdreven. In de eerste helft van 2019 zijn Turkije en Jemen nieuwkomers in de top 5.

De groep statushouders met een ‘Overige’ (of onbekende) nationaliteitnoot4 is na 2016 relatief sterk gegroeid (van 8 procent in 2016, naar 29 procent in de eerste helft van 2019) en bestaat voor een groot deel uit Turken en Nigerianen. De toename in het aantal verleende verblijfs­vergunningen aan personen met een Nigeriaanse nationaliteit is opvallend. In de periode 2014 tot en met 2016 kregen 700 personen uit Nigeria een verblijfsvergunning, in de periode 2017 tot en met de eerste helft van 2019 waren dat er 2 100. Ook na de recent gehouden verkiezingen zijn Boko Haram en andere gewelddadige groeperingen nog altijd actief en veroorzaken regelmatig incidenten waarbij slachtoffers vallen. Mensenhandel speelt bij de uitstroom uit Nigeria ook vaak een grote rol.noot5

3.2.1Top vijf verleende vergunningen naar nationaliteit, 2014 tot en met eerste helft 2019

2014 2015 2016 2017 2018 Eerste helft 2019
1 Syrië 10 375 Syrië 21 700 Syrië 26 020 Syrië 16 970 Syrië 6 830 Syrië 3 620
2 Eritrea 3 960 Eritrea 6 235 Eritrea 5 055 Eritrea 4 975 Eritrea 4 185 Eritrea 1 675
3 Somalië 1 365 Somalië 580 Irak 1 320 Irak 1 310 Afghanistan 715 Turkije 405
4 Irak 705 Irak 545 Afghanistan 745 Iran 1 010 Iran 605 Jemen 275
5 Afghanistan 600 Afghanistan 535 Iran 585 Afghanistan 940 Irak 530 Iran 265

Bron:CBS

3.3Nareis

Minder nareizigers onder met name Syrische statushouders

Net als bij de asielverzoeken, betreffen ook de statushouders, na een aanvankelijke toename, in steeds mindere mate nareizigers. In 2014 wordt 27 procent van de verblijfs­vergunningen aan een nareiziger verleend. In 2017 is dat aandeel toegenomen tot 49 procent. Dit aandeel is vervolgens gedaald tot 21 procent voor de mensen met een verleende vergunning in de eerste helft van 2019. Het aandeel nareizigers verschilt sterk per nationaliteit.noot6 Vooral onder Irakezen en Eritreeërs betreft een relatief groot deel nareizigers (respectievelijk 34 en 46 procent in de eerste helft van 2019). Van de verleende verblijfs­vergunningen aan Iraniërs en overige nationaliteiten betreft een relatief klein deel nareizigers (in de eerste helft van 2019 10 procent). Vooral onder Syriërs is het aandeel verleende vergunningen aan nareizigers afgenomen (van 58 procent in 2016 naar 16 procent in de eerste helft van 2019).

3.4Wachttijd tot vergunning

Gemiddelde wachttijd Eritreeërs laagst door komst van nareizigers

Gemiddeld genomen hebben statushouders die in de periode 2014 tot en met de eerste helft van 2019 een vergunning kregen (en via een COA-opvang locatie zijn ingestroomd), 108 dagen gewacht op het verkrijgen van een verblijfsvergunning asiel sinds het moment van eerste opvang in een COA-opvanglocatie. Vooral Syriërs en Eritreeërs kregen relatief snel een verblijfsvergunning (na respectievelijk 67 en 81 dagen). Irakezen, Iraniërs en Afghanen wachtten gemiddeld ongeveer 11 maanden. De wachttijd hangt samen met de kansen dat asielzoekers, uit de verschillende landen, hun asielverzoek gehonoreerd krijgen; voor Irakezen, Afghanen en Iraniërs worden lang niet alle verzoeken gehonoreerd. Voor deze groep geldt dat verblijfsvergunningen relatief vaak via tweede of volgende aanvragen of na een beroep zijn verkregen, waardoor de wachttijd tot het verkrijgen van de verblijfs­vergunning langer is. Bovendien bestaan deze groepen voor een veel groter deel uit referenten dan de andere nationaliteitennoot7: nareizigers hebben al een vergunning op het moment dat zij bij het COA instromen, referenten moeten daar nog op wachten. Nareizigers brengen de gemiddelde wachttijd dus omlaag. Voor vergunningscohort 2016 liepen de wachttijden voor verschillende groepen behoorlijk op. Dit had te maken met de grote aantallen mensen die in het najaar van 2015 instroomden, waardoor de IND vervolgens veel aanvragen om een verblijfsvergunning asiel te verwerken had. De figuur laat zien hoe lang de statushouders per vergunningscohort gemiddeld op hun verblijfsvergunning asiel hebben gewacht.

3.5Vestigingsgemeente

Weinig regionale verschillen

Van de 143 duizend mensen die in 2014 tot en met de eerste helft van 2019 een verblijfs­vergunning ontvingen, zijn er in deze periode 132 duizend zelfstandig gehuisvest in een gemeente (en wonen dus niet meer in de asielopvang van het COA). Onderstaande figuren laten zien dat statushouders in de tweede maand dat ze niet meer in de COA-opvang zitten, redelijk verspreid wonen over Nederland. De verschillen tussen gemeenten, uitgedrukt per 10 duizend inwoners, zijn klein. De uitschieters die wel zichtbaar zijn, zijn gemeenten met een opvang­locatie (bijvoorbeeld Westerwolde), waar we statushouders kort na vertrek uit de COA-opvang nog terugvinden.noot8 Na een jaar zijn deze uitschieters er niet meer. Er is weinig verschil in spreiding tussen de diverse nationaliteiten en vergunnings­cohorten. Ook één of twee jaar na het verlaten van de COA-opvang wonen de statushouders nog steeds verspreid over Nederland.

Statushouders wonen steeds een beetje stedelijker

Wel zien we dat de statushouders naarmate ze langer in Nederland verblijven steeds iets stedelijker gaan wonen. Van het cohort 2014 woonde na twee maanden 51,9 procent in sterk of zeer sterk stedelijk gebied, na 48 maanden is dat toegenomen naar 55,9 procent. Voor cohort 2015 zien we een vergelijkbare toename: van 53,7 procent na 2 maanden naar 57,4 procent na 36 maanden. Ook de vergunningscohorten van 2016 en 2017 zijn al iets stedelijker gaan wonen: van 53,8 procent na twee maanden naar 55,8 procent na 24 maanden (cohort 2016) en van 52,2 na 2 maanden naar 53,8 na 12 maanden (cohort 2017). Ter vergelijking: van alle Nederlanders woonde in 2018 54,4 procent in sterk of zeer sterk verstedelijkt gebied.

3.6Huishoudenssamenstelling

Steeds meer statushouders thuiswonend kind

De figuur laat zien dat de jongere vergunningscohorten (2016, 2017, 2018 en de eerste helft van 2019) voor een steeds groter deel bestaan uit thuiswonende kinderen en stellen (met en zonder kinderen). Van het vergunningscohort 2014, gemeten in de eerste maand buiten de asielopvang, is 27 procent een thuiswonend kind. Van het vergunningscohort 2019 (de eerste helft) is dit 64 procent. Deze toename wordt vooral veroorzaakt door de toename van het aantal nareizigers en gezinsherenigers.

Het aandeel alleenstaanden neemt steeds verder af. Een groot deel van de asielzoekers komt als ‘alleenstaande’ naar Nederland. Van de mensen die in 2014 een verblijfsvergunning krijgen, is 39 procent alleenstaand op het moment dat zij worden gehuisvest in een gemeente. Op het moment dat statushouders uit 2017 of 2018 worden gehuisvest in een gemeente (en zij dus uit de COA opvanglocatie vertrekken), is 13 procent alleenstaand. Voor statushouders uit de eerste helft van 2019, is 11 procent alleenstaand. De afname van het aandeel alleenstaanden wordt veroorzaakt door de nareis van familieleden. Het aandeel partners (zowel met als zonder kinderen) stijgt in de periode tussen het verkrijgen van de vergunning en het moment dat mensen een woning toegewezen krijgen.

3.7Onderwijs

Steeds meer statushouders volgen onderwijs

Van alle statushouders die in 2014 hun vergunning kregen, volgt 28 procent onderwijs op 1 oktober 2015 en een jaar later (op 1 oktober 2016) volgt 31 procent van hen onderwijs. Dit percentage stijgt naar 37 procent in 2019. Van de statushouders die in 2015 een vergunning kregen volgt 43 procent op 1 oktober 2019 onderwijs en voor degenen die in 2016 een vergunning kregen is dit 41 procent. Voor het cohort 2017 is dit 46 procent. Een interessant gegeven is dat niet-leerplichtige jongeren vanaf 18 jaar oud vaker onderwijs volgen naarmate ze langer in Nederland zijn. Zij volgen vaak een opleiding binnen het middelbaar beroepsonderwijs.

Steeds meer mbo

Naarmate statushouders langer in Nederland zijn, stromen zij van het voortgezet onderwijs vooral uit naar het middelbaar beroepsonderwijs en het praktijkonderwijs. Waar er van de personen die in 2014 een verblijfsvergunning asiel ontvingen ongeveer 340 personen (14 procent) praktijkonderwijs of vmbo volgen in 2015, zijn dat er in 2019 ongeveer 745 (18 procent). Het praktijkonderwijs is bedoeld voor leerlingen die beter zijn in het opdoen van praktische kennis dan van theoretische kennis, en moeite hebben om een vmbo-diploma te halen vanwege een leerachterstand op de gebieden taal en rekenen. Statushouders die het voortgezet onderwijs verlaten, stromen met name door naar het middelbaar beroeps­onderwijs. Het aandeel statushouders uit 2014 dat een mbo-opleiding volgt is gestegen van 14 procent in 2015 naar 54 procent in 2019.

Steeds hoger mbo-niveau

Met betrekking tot het niveau van de mbo-opleiding volgt men in de eerste jaren met name niveau 1 (ca. 70% van alle statushouders van het cohort 2014 die mbo volgen in 2016), maar dat verandert geleidelijk naar niveau 2. In oktober 2018 en 2019 volgen er meer status­houders niveau 2 dan niveau 1. Ook de andere niveaus (3 en 4) nemen in aantal toe, zij het niet zo hard als niveau 2. Relatief gezien volgen veel statushouders uit Eritrea een mbo-opleiding (75 procent van alle onderwijsvolgende Eritrese statushouders in 2018). Dat heeft te maken met de leeftijdsverdeling van de statushouders: er zijn relatief veel Eritrese statushouders in de leeftijd van 18 tot 23 jaar.

3.8Inburgering

30 procent van cohort 2014 niet inburgeringsplichtig

De meeste personen die een verblijfsvergunning asiel ontvangen en tussen de 18 en 65 jaar oud zijn, zijn inburgeringsplichtig. De figuur laat per nationaliteitnoot9 zien hoe het met de inburgerings­plicht staat op 1 oktober 2019, voor iedereen die in 2014 een vergunning ontving. De groep niet-inburgeringsplichtigen betreft vrijwel altijd kinderen tot 18 jaar of personen die 65 jaar of ouder zijn. Zij zijn uitgesloten van de inburgeringsplicht. Een statushouder krijgt een ontheffing als hij of zij een psychische of lichamelijke beperking of een verstandelijke handicap heeft. Ook is het mogelijk om een ontheffing te krijgen als de inburgeraar aangetoond heeft zich voldoende ingespannen te hebben om aan de inburgerings­vereiste te voldoen. Slechts een klein deel van de statushouders heeft binnen de gestelde termijn van drie jaar het inburgerings­examen nog niet gehaald: dit gaat om 250 mensen, of 1,3 procent van alle mensen in het totale vergunningscohort van 2014. Deze personen hebben een overschrijding en krijgen een boete. In totaal 715 statushouders (4%) van het totale vergunningscohort 2014 hebben nog niet voldaan aan de inburgerings­plicht, maar hebben ook (nog) geen overschrijding. Zij kregen een verlenging van de inburgeringstermijn. Een statushouder kan bijvoorbeeld een verlenging krijgen als hij of zij bezig is met een alfabetiseringscursus, bij zwangerschap of als de aanmelding van het examen is vertraagd. Verlengingen komen het meest voor bij Eritreeërs. Ruim 80 procent van de Eritreeërs die op 1 oktober 2019 nog moesten voldoen aan hun inburgeringsplicht hebben een verlenging gekregen. Voor de totale groep ligt dit percentage op 74 procent.

93 procent van de inburgeringsplichtigen cohort 2014 heeft voldaan aan de inburgeringsplicht

Wanneer alleen wordt gekeken naar inburgeringsplichtigen (inclusief mensen met ontheffing of vrijstelling), dan heeft 68 procent van het vergunningscohort 2014 in oktober 2019 het inburgeringsexamen behaald of een vrijstelling gekregen. Een vrijstelling kun je bijvoorbeeld krijgen als je een Nederlands diploma hebt van de universiteit, hbo, mbo (vanaf niveau 2), vwo, havo, mavo of vmbo. 27 procent heeft een ontheffing. 4 procent heeft het examen nog niet gehaald, maar heeft nog wel tijd om dat alsnog te doen. Twee procent van de inburgerings­plichtigen heeft het examen nog niet gehaald en heeft daarmee de inburgeringstermijn overschreden. Voor de jongere cohorten liggen de cijfers met geslaagden aanzienlijk lager: 77 procent van het vergunningscohort van 2015 en 45 procent van het vergunningscohort van 2016, en 7 procent van het vergunningscohort van 2017 heeft in oktober 2019 het inburgeringsexamen gehaald of een ontheffing of vrijstelling gekregen. Dit komt uiteraard doordat de recentere cohorten minder tijd hebben gehad om het examen te halen. Voor de meeste van hen is de inburgeringstermijn ook nog niet overschreden in oktober 2019.

3.9Werk

Inhaalslag aandeel werkende Eritreese statushouders

Afghanen die in 2014 een verblijfsvergunning asiel hebben gekregen, hebben tot 4 jaar na het verkrijgen van de vergunning vaker een baan dan statushouders met een andere nationaliteit.noot10 Deze bevinding zagen we eerder terug bij de vluchtelingen uit de jaren negentig. Ook toen waren Afghanen twee jaar na aankomst in Nederland vaker aan het werk dan Irakezen of Iraniërs (Sprangers e.a., 2004). Na vier-en-een-half jaar zijn het juist de Eritreese statushouder uit 2014 die (na een achterstand in de eerste drie jaar) op dit punt vooruit lopen.

Als we kijken tweeënhalf jaar na het verkrijgen van de verblijfsvergunning asiel dan heeft het vergunningscohort 2016 iets vaker een baan dan het vergunningscohort van 2015 (respectievelijk 19 en 14 procent). De mensen uit het vergunningscohort 2015 hebben op hun beurt weer iets vaker een baan na tweeënhalf jaar dan de mensen uit het vergunningscohort van 2014 (respectievelijk 14 en 11 procent). Statushouders gaan dus steeds iets sneller aan het werk.

Het vergunningscohort 2014 kunnen we nu het langst in de tijd volgen. Voor dit cohort zien we dat na vier-en-een-half jaar 38 procent van alle 18- tot 65‑jarige statushouders een baan heeft. Niet alleen stijgt de arbeidsdeelname van deze statushouders gestaag; we zien ook dat de verschillen in arbeidsdeelname tussen de nationaliteiten kleiner worden.

Als we kijken naar de meest recente baan dan hebben de meeste statushouders een baan in deeltijd (75 procent) en met een tijdelijk contract (88 procent). Van de werkenden, werkt gemiddeld twee procent als zelfstandige. Bijna 32 procent van de statushouders met een baan werkt in de uitzendbranche, daarnaast komen banen in de horeca (25 procent) en de handel (17 procent) veel voor. Wel zijn er verschillen te zien tussen de cohorten: mensen uit de oudste cohorten werken minder vaak in de horeca en vaker in de uitzendbranche. Van diegenen die werken uit het vergunningscohort 2018 werkt 39 procent in de horeca en 25 procent in de uitzendbranche. Voor het vergunningscohort 2014 zijn die percentages respectievelijk 19 en 35 procent.

3.10Uitkering

Aandeel bijstandsgerechtigden daalt verder

Anderhalf jaar na het verkrijgen van de verblijfsvergunning, ontvangt 90 procent van de 18 tot 65‑jarigen die in 2014 een vergunning hebben gekregen, een bijstandsuitkering. Drie jaar later – vier-en-een-half jaar na het verkrijgen van een vergunning – is dit percentage gedaald naar 51 procent. Dit kunnen ook statushouders met een (deeltijd)baan zijn. Zoals in de figuur is te zien, ontvangt niet iedereen meteen een bijstandsuitkering. Veel statushouders verblijven de eerste maanden nog in de asielopvang, waar zij geen uitkering ontvangen, maar leefgeld. Pas wanneer statushouders zelfstandig zijn gehuisvest in een gemeente, komen ze in aan­merking voor een bijstandsuitkering. Met het verstrijken van de tijd worden de verschillen tussen de verschillende groepen steeds kleiner. In dit onderzoek is ook gekeken naar werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, maar die komen, zoals verwacht mag worden wegens het ontbreken van een arbeidsverleden, in de eerste vier-en-een-half jaar na verkrijgen van de vergunning nauwelijks voor.

3.11Voornaamste inkomstenbron

Bijstandsafhankelijkheid neemt verder af

Het aandeel statushouders met werk als voornaamste inkomstenbron loopt voor cohort 2014 langzaam op tot 18 procent vier jaar na het verkrijgen van de verblijfsvergunning. Voor de statushouders uit 2015 en 2016 zien we vergelijkbare patronen. Hoewel steeds meer statushouders een (deeltijd) baan hebben, leveren die banen vaak onvoldoende inkomsten op. Hierdoor kan een uitkering ook voor deze groep de voornaamste inkomstenbron zijn. Veel statushouders hebben nog geen inkomsten in de eerste maanden na het verkrijgen van een vergunning. Dit komt doordat veel van hen na het verkrijgen van hun vergunning nog in een opvanglocatie wonen, waar ze leefgeld ontvangen. In de loop van de tijd neemt het aandeel zonder inkomsten af en krijgen steeds meer statushouders een uitkering (of pensioen). Na anderhalf jaar geldt dat voor 63 procent van de statushouders uit 2014 een uitkering of pensioen de voornaamste bron van inkomsten is. Na vier jaar is het percentage gedaald naar 41 procent. Het gaat dan in de meeste gevallen om een bijstandsuitkering. Na 12 maanden is een kleiner deel van het cohort van 2017 afhankelijk van een uitkering (45 procent) dan de voorgaande cohorten (55 procent voor 2015 en 2016 en 60 procent voor 2014). Het aandeel schoolgaandennoot11 is juist wat hoger voor het meest recente cohort (48 procent) dan voor dat van 2015 (37 procent) en die van 2014 (33 procent).

Als we naar de verschillen tussen de groepen uit 2014 kijken zien we dat 48 maanden na het verkrijgen van de vergunning het aandeel personen waarvan de voornaamste bron van inkomsten werk is, het hoogst is onder de Eritreeërs (26 procent) en het laagst onder de Irakezen (11 procent). Tegelijkertijd is het aandeel Eritreeërs waarvan de voornaamste bron van inkomsten een uitkering is, ook hoog: ongeveer 49 procent van de statushouders uit Eritrea heeft vier jaar na het verkrijgen van zijn of haar vergunning een uitkering of pensioen als belangrijkste inkomstenbron. Een relatief klein deel van de groep Eritreeërs (21 procent) is schoolgaand. Van de Afghaanse statushouders heeft na vier jaar ongeveer 37 procent een uitkering als belangrijkste inkomstenbron en gaat 38 procent naar school. Syriërs lijken na vier jaar op de Afghanen wat betreft hun voornaamste bron van inkomsten: voor 16 procent van de Syriërs is dat werk, voor 40 procent een uitkering of pensioen en 38 procent gaat naar school. Hoewel het voor Iraniërs om kleine aantallen gaat, is een uitkering als voornaamste bron van inkomen 48 maanden na het verkrijgen van de vergunning met 52 procent het hoogst voor Iraanse statushouders.

3.12Inkomen

Nog altijd weinig inkomensverschillen

Het gemiddeld gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomen van statushouders die een vergunning kregen in 2014 bedroeg 12,3 duizend euro in 2015, 12,7 duizend euro in 2016 , 13,5 duizend euro in 2017 en 14,7 duizend euro in 2018. Statushouders uit 2015 kregen in 2016 gemid­deld 12,3 duizend euro, 13 duizend euro in 2017 en 13,9 duizend euro in 2018. Zoals in de tabel te zien is, zijn er tussen de verschillende nationaliteitennoot12 geen grote verschillen in het gestandaardiseerd huishoudinkomen. Dit komt doordat verreweg het grootste deel van de statushouders een bijstandsuitkering ontvangt en dat zijn vaste bedragen, afhankelijk van de gezinssituatie.

3.12.1Gemiddeld gestandaardiseerd huishoudinkomen in duizenden euro’s, voor statushouders niet meer in COA-opvang naar nationaliteit, vergunningscohort en verslagjaar

Cohort 2014 Cohort 2015
2015 N 2016 N 2017 N 2018 N 2016 N 2017 N 2018 N
Syrië 12,0 4 295 12,6 9 645 13,3 9 895 14,4 9 925 12,2 12 815 12,9 20 295 13,8 20 680
Irak 12,2 450 13,0 635 13,6 655 14,7 650 12,5 285 13,4 490 14,4 510
Afghanistan 12,9 350 13,4 575 14,2 575 15,8 575 12,5 300 13,3 500 14,5 505
Eritrea 13,0 925 13,0 3 530 13,5 3 855 15,0 3 845 12,4 1 340 12,8 5 630 13,8 6 000
Iran 13,3 265 13,6 400 14,0 405 15,7 400 13,5 270 14,2 405 15,2 405
Overig/onbekend 12,4 2 090 12,8 3 165 13,7 3 220 15,1 3 195 12,7 1 920 13,4 2 880 14,4 2 900
Totaal 12,3 8 375 12,7 17 950 13,5 18 605 14,7 18 590 12,3 16 935 13,0 30 195 13,9 31 005

Bron:CBS

3.12.2Gemiddeld gestandaardiseerd huishoudinkomen in duizenden euro’s, voor statushouders niet meer in COA-opvang naar nationaliteit, vergunningscohort en verslagjaar

Cohort 2016 Cohort 2017
2017 N 2018 N 2018 N
Syrië 12,8 17 180 13,4 24 720 13,0 13 000
Irak 13,2 805 14,1 1 230 13,0 745
Afghanistan 11,8 415 13,8 670 13,1 620
Eritrea 12,1 3 210 13,2 4 705 12,0 3 335
Iran 13,6 310 14,6 560 14,1 600
Overig/onbekend 13,1 1 740 14,0 2 390 13,4 1 845
Totaal 12,7 23 665 13,5 34 275 12,9 20 150

Bron:CBS

3.13Zorggebruik

Zorggebruik neemt niet verder toe

Zodra statushouders een verblijfsvergunning hebben verkregen en niet meer in een COA-opvanglocatie verblijven, kunnen zij van de reguliere zorgsystemen gebruik maken. Zij zijn daarnaast ook verplicht een basisverzekering af te sluiten. Van alle statushouders die in 2014 een vergunning hebben ontvangen, 18 jaar of ouder zijn en eind 2015 niet meer in een COA-opvang verblijven, heeft 81 procent kosten gemaakt voor de huisarts in 2015, waarvan 77 procent ook daadwerkelijk een consult heeft gehad en 23 procent alleen inschrijvings­kosten heeft gemaakt. In 2015 heeft nog niet iedereen zich ingeschreven bij een huisarts. Die 81 procent is minder dan de totale Nederlandse bevolkingnoot13, waarbij ruim 98 procent kosten heeft gemaakt bij de huisarts. Twee jaar later (in 2017) heeft 95 procent van de statushouders uit cohort 2014 kosten gemaakt voor de huisarts. Deze stijging wordt nagenoeg geheel veroorzaakt door een stijging in inschrijvingen bij de huisarts; bijna iedere statushouder die in 2014 een vergunning asiel ontving, 18 jaar of ouder is en niet meer in een COA-opvanglocatie verblijft, staat in 2016 ingeschreven bij de huisarts. De figuur laat de duidelijke trend zien dat statushouders uit cohort 2014 meer kosten maken voor zorg in 2016 ten opzichte van 2015. De verschillen een jaar later, tussen 2016 en 2017, zijn echter klein. Van de statushouders die in 2015 een vergunning hebben ontvangen maken er na één jaar meer statushouders kosten voor zorg dan van de statushouders die in 2014 een vergunning hebben ontvangen.

Een vorige editie van dit onderzoek liet zien dat Eritrese statushouders verreweg de minste kosten maken voor gebruik van zorg. Deze bevinding werd al eerder geconstateerd door het Kennisplatform Integratie & Samenleving (KIS), waar zij in een rapportnoot14 schrijven dat ‘hun gebrek aan kennis over de oorzaken en medische risico’s van gezondheidsproblemen, culturele verschillen, taboes, taalbarrières en hun onbekendheid met de mogelijkheden voor preventie en behandeling de medische zelfredzaamheid van Eritrese vluchtelingen in de weg staan’. Het is echter ook zo dat Eritreeërs langer dan de mensen met een andere natio­naliteitnoot15 in COA-opvang verblijven na het krijgen van hun vergunning, waardoor zij in 2015 een kortere periode hebben gehad om kosten te maken onder de basisverzekering. De nieuwe cijfers laten zien dat nu meer Eritrese statushouders gebruik maken van zorg: in 2015 maakte 67 procent kosten voor de huisarts, in 2016 is dat voor dezelfde groep gestegen tot 91 procent en in 2017 tot 94 procent. Het aandeel Eritreeërs dat kosten maakt voor huisartsenzorg, is nu ongeveer net zo hoog als voor de andere statushouders die in 2014 een verblijfsvergunning asiel ontvingen. Voor Eritreeërs die in 2015 een vergunning hebben ontvangen is eenzelfde patroon zichtbaar: in 2016 maakte 70 procent kosten voor de huisarts en in 2017 is dat 87 procent. Voor het gehele cohort is dit respectievelijk 84 en 92 procent.

3.14Jeugdzorg

Aandeel jongeren met jeugdzorg neemt toe

Van alle jongeren die in 2014 of 2015 een verblijfsvergunning asiel ontvingen, niet meer bij een opvanglocatie van COA verblijven en eind 2016 niet ouder zijn dan 21 jaar, maakt ongeveer 3,5 procent in 2016 gebruik van een vorm van jeugdzorg. Een jaar later is dat percentage gestegen tot 5 procent en nog een jaar later naar bijna 6 procent. Bij jeugdhulp betreft het hulp en zorg aan jongeren en hun ouders bij psychische, psychosociale en/of gedragsproblemen, een verstandelijke beperking van de jongere, of opvoedingsproblemen van de ouders. De jongere kan daarbij thuis verblijven, in het eigen gezin, en bij ernstigere situaties kan de jongere worden opgenomen in een pleeggezin of gesloten instelling. Verreweg de meeste jongeren met jeugdzorg ontvangen jeugdhulp; slechts 0,3 procent krijgt hulp van jeugdbescherming in 2016 (bijvoorbeeld de onder voogdij plaatsing van alleenstaande minderjarige statushouders) en 0,1 procent heeft te maken jeugdreclassering (begeleiding en controle voor jongeren die met de politie in aanraking zijn geweest en een proces-verbaal hebben gekregen). De stijging van het gebruik van jeugdzorg zit ook bijna volledig in het gebruik van jeugdhulp: dat stijgt van 3,3 procent in 2016 naar 5,5 procent in 2018. Deze percentages liggen nog wel lager dan het aandeel onder Nederlandse jongeren dat jeugdhulp ontvangt (ruim 9 procent in 2018). Jongeren uit Iran en Afghanistan maken het vaakst gebruik van jeugdhulp. Hun aandeel in jeugdhulp is relatief ongeveer even groot als het aandeel jongeren met jeugdhulp in heel Nederland (circa 9 procent).

3.15Geregistreerde verdachten

Weinig ontwikkeling in aandeel geregistreerde verdachten

Mannelijke statushouders zijn in verhouding vaker verdacht van een misdrijf dan mannen met een Nederlandse of westerse migratieachtergrond, maar minder vaak dan mannen met een niet-westerse migratie-achtergrond.noot16 In de figuur wordt het aandeel verdachten in 2018 onder statushouders die in 2016 een vergunning ontvingen, vergeleken met andere bevolkingsgroepen, waarbij rekening is gehouden met geslacht en leeftijd. De figuur met geregistreerde verdachten in het rapport van vorig jaarnoot17 betrof het aandeel verdachten in 2017 onder statushouders die in 2015 een vergunning ontvingen. De figuren zijn vrijwel identiek aan elkaar.

In dit onderzoek is geen rekening gehouden met andere factoren die oververtegen­woordiging in criminaliteitsstatistieken kunnen verklaren, zoals inkomen en opleidings­niveau. Het aantal verdachte statushouders is te klein om verder te kijken naar het type misdrijf of een verdere verdeling naar nationaliteit.noot18

3.16Dashboard

Naast deze rapportage is er een interactief dashboard, met daarin nog meer cijfers over de integratie van statushouders. In dit dashboard kunt u zelf kiezen over welke onderwerpen en voor welke nationaliteitennoot19 u cijfers (visueel) gepresenteerd wilt zien.

3.17Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Sprangers, A., Zorlu, A., Hartog, J. & Nicolaas, H. (2004) Immigranten op de arbeidsmarkt. Bevolkingstrends 2e kwartaal 2004. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Noten

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oude nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oude nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oude nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oude nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oude nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Het is aannemelijk dat het hier om administratieve vervuiling gaat.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oude nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oude nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Hier wordt schoolgaand gedefinieerd als scholieren/studenten in door overheid bekostigd onderwijs, of met studiefinanciering van de Nederlandse overheid (WSF) in overige onderwijsinstellingen (evt. buitenland). Studenten ouder dan 16 jaar in particulier of buitenlands onderwijs zonder WSF ontbreken. De onderwijsvolgenden in voorgaande figuren zijn exclusief de personen die studiefinanciering krijgen van de Nederlandse overheid maar in ‘overige onderwijsinstellingen’ onderwijs volgen.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oude nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Omdat er onder het vergunningscohort 2014 heel weinig ouderen zijn – slechts 1,5 procent is 65 jaar of ouder – hebben we voor de vergelijking met de Nederlandse bevolking gekeken naar de bevolking tussen 18 jaar en 65 jaar oud.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oude nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Statushouders worden hier dubbel geteld, omdat zij zowel tot de mensen met een migratieachtergrond als tot de statushouders behoren. Het gaat in deze figuur om het aantal verdachte personen, niet om het aantal misdrijven. Personen kunnen van meerdere misdrijven worden verdacht. Deze cijfers zijn niet gecorrigeerd (voor bijvoorbeeld leeftijd, opleidingsniveau of sociaaleconomische positie).

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oude nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oude nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2019–2020 2019 tot en met 2020
2019/2020 Het gemiddelde over de jaren 2019 tot en met 2020
2019/’20 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2019 en eindigend in 2020
2017/’18–2019/’20 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2017/’18 tot en met 2019/’20

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Nathalie Boot

Zoë Driessen

Corina Huisman

Luc Verschuren (projectleider)

Stephan Verschuren

Dankwoord

We danken de medewerkers van de volgende instanties voor hun constructieve bijdrage aan deze editie van het Asielcohorten onderzoek:

Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)

Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)

Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)

Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV)

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW)

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW)

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)

Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP)

Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC)