Foto omschrijving: Geïnteresseerden lopen rondom rode Tesla in winkel

Ongelijkheid in inkomen en vermogen

Hoe ontwikkelde zich de ongelijkheid in inkomen en de ongelijkheid in vermogen gedurende de crisisjaren en daarop volgende jaren van economische voorspoed? Welke rol speelde de herverdeling via sociale uitkeringen, belastingen en premies in de ontwikkeling van de inkomensongelijkheid? Zijn er regionale verschillen in inkomens- en vermogensongelijkheid?

8.1Inkomensongelijkheid

Het primaire inkomen, het inkomen dat huishoudens ontvangen uit arbeid en kapitaal, wordt door de overheid herverdeeld door de heffing van premies en belasting en de verstrekking van uitkeringen en toelagen. Doel hiervan is te komen tot een gelijkmatigere inkomensverdeling: huishoudens met geen of weinig primair inkomen, zoals ouderen die gestopt zijn met werken of werklozen, krijgen compensatie via de inkomensherverdeling. Uit het proces van verwerving en herverdeling resulteert het besteedbaar inkomen. In hoofdstuk 2 en in Bos, Van den Brakel en Otten (2018) staat meer uitleg over de inkomenscomponenten.

080101

Primair inkomens ongelijker dan besteedbaar inkomens

Het maakt veel uit hoeveel mensen binnen een huishouden van een bepaald inkomen moeten leven. Het heeft dan ook weinig zin om inkomensongelijkheid te bepalen zonder rekening te houden met de omvang van het huishouden. Om het inkomen van huishoudens van verschillende grootte en samenstelling vergelijkbaar te maken, wordt het gestandaardiseerd (zie Bijlage A). Uit de Lorenz-curven is in een oogopslag duidelijk dat de verschillen in het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen kleiner zijn dan in het gestandaardiseerd primair inkomen: de Lorenz curve van het primair inkomen ligt immers verder van de gelijkheidslijn af. De Gini-coëfficiënt, de meest gangbare maat voor het meten van ongelijkheid (zie kader), is gerelateerd aan de Lorenz-curve en is gelijk aan twee keer het oppervlak tussen de gelijkheidslijn en de curve. De Gini-coëfficiënt was in 2017 gelijk aan 0,55 voor het primair inkomen. Voor het bruto inkomen was dat 0,36 en voor het besteedbaar inkomen 0,29.

Meten van ongelijkheid

In deze publicatie wordt de inkomens- en vermogensongelijkheid afgemeten aan de genormaliseerde Gini-coëfficiënt. Deze maatstaf is gepubliceerd ruim een eeuw nadat Corrado Gini in 1912 zijn inmiddels alom gebruikte Gini-coëfficiënt introduceerde. De genormaliseerde Gini-coëfficiënt houdt, anders dan de traditionele Gini-coëfficiënt, rekening met (veel) negatieve waarden in een verdeling (zie Bos et al., 2018). Op een schaal van 0 tot 1 geeft de genormaliseerde Gini-coëfficiënt weer hoe groot de ongelijkheid is, waarbij 0 staat voor volkomen gelijke huishoudens (iedereen heeft evenveel) en 1 voor volkomen ongelijke (één huishouden heeft alles).

Net als de Lorenz-curve is de parade van reuzen en dwergen, in 1971 geïntroduceerd door de Nederlandse econoom Jan Pen, ook een sprekende manier om de inkomensverdeling in kaart te brengen. In de parade van Pen komen huishoudens op volgorde van de hoogte van hun inkomen in één uur tijd voorbij. De lengte van de huishoudensleden is evenredig gemaakt aan hun inkomen, waarbij het gemiddelde huishoudensinkomen overeen komt met de gemiddelde lengte in Nederland (1,74 meter). Zie Inkomensparade van Pen.

Lichte daling van ongelijkheid in primair inkomen na 2014

De ongelijkheid in primair inkomen liep tussen 2011 en 2014 licht op: de Gini-coëfficiënt ging omhoog van bijna 0,55 naar 0,57. Die stijging komt voor rekening van de toegenomen vergrijzing in combinatie met de conjuncturele neergang in die jaren (zie Van den Brakel en Otten, 2017). Door de vergrijzing kwamen er steeds meer AOW’ers en door de verslechterde economie groeide de groep met een werkloosheids- of bijstandsuitkering. Dit had tot gevolg dat er steeds meer huishoudens rond moesten komen van geen of een gering primair inkomen, waardoor de inkomensongelijkheid toenam. De toename in 2014 komt vooral door een fiscale maatregel die het voor directeur-grootaandeelhouders aantrekkelijk maakte zich in dat jaar veel dividend uit te keren. Met het herstel van de economie vanaf 2014 nam de ongelijkheid in primair inkomen iets af, doordat de groep uitkeringsontvangers weer kromp.

Ongelijkheid in besteedbaar inkomen vrijwel onveranderd

De ongelijkheid van het besteedbaar inkomen bleef tussen 2011 en 2017 vrij stabiel. Uitgezonderd de uitschieter in 2014 was de Gini-coëfficiënt steeds 0,29. Door steeds iets meer (2011–2013) dan wel iets minder (2015–2017) inkomensherverdeling werden de veranderingen in de primaire inkomensongelijkheid teniet gedaan. Ook in het eerste decennium van deze eeuw veranderde de ongelijkheid van het besteedbaar inkomen vrijwel niet (Bos et al., 2018).

Herverdelend effect AOW-uitkeringen het grootst

Door herverdeling zakte de Gini-coëfficiënt in 2017 van 0,55 (primair inkomen) naar 0,29 (besteedbaar inkomen). Dit komt neer op een reductie van de primaire-inkomensongelijkheid met bijna 48 procent. AOW-uitkeringen en aanvullende pensioenen zorgden samen voor de grootste afname in de ongelijkheid in het primair inkomen: met respectievelijk 17 procent en 12 procentnoot1. Andere sociale uitkeringen en ook premies en belastingen speelden een kleinere rol. Terwijl AOW-uitkeringen sinds 2011 door de vergrijzing een steeds groter aandeel kregen in de ongelijkheidsreductie, werd dat voor aanvullende pensioenen juist iets kleiner. Dit komt doordat aanvullende pensioenen werden gekort, dan wel niet of beperkt geïndexeerd werden. Het herverdelend effect van premies en belastingen was vooral in 2017 wat sterker dan het jaar ervoor (zie hoofdstuk 10).

Meeste inkomensongelijkheid in rijke gemeenten

In gemeenten met een gemiddeld hoog gestandaardiseerd besteedbaar inkomen, zoals Laren, Wassenaar en Blaricum (CBS StatLine, 2019a), ligt de inkomensongelijkheid met een Gini-coëfficiënt van rond de 0,5 ver boven de landelijke van 0,29. Echter niet alleen in rijke gemeenten, maar ook in studentensteden, inclusief de vier grote steden, lopen de inkomens vaak bovenmatig uiteen. Daar is relatief veel verschil tussen het doorgaans geringe inkomen van studentenhuishoudens en dat van andere inwoners.

In gemeenten met relatief veel ouderen met overwegend lage inkomens liggen de inkomens doorgaans juist dicht bij elkaar. Zo hebben vergrijsde gemeenten in de regio Parkstad Limburg, zoals Brunssum, Landgraaf en Kerkrade, een naar verhouding kleine ongelijkheid. Ook in andere gemeenten zoals Pekela en Stadskanaal is de ongelijkheid om die reden beperkt.

Inkomensverschillen in Nederland relatief klein

Vergeleken met andere EU-lidstaten is de inkomensongelijkheid in Nederland klein. In Slowakije is de minste ongelijkheid, gevolgd door Slovenië en Tsjechië. In deze Oost-Europese lidstaten gaat een verhoudingsgewijs laag gemiddeld inkomen samen met weinig inkomensverschillen. In andere Oost-Europese landen is het inkomen eveneens gering, maar is de ongelijkheid juist groot. Bulgarije spant daarbij de kroon. Ook Zuid-Europese lidstaten, zoals Griekenland, Portugal en Spanje, zijn minder welvarend terwijl de inkomensverschillen groot zijn.

Opvallend is dat ook in het relatief rijke Verenigd Koninkrijk sprake is van grote inkomensverschillen. Door een sober vangnet aan uitkeringen is de kloof tussen rijk en arm er groot.

080106 1 000 euro Gini-coëfficiënt Bron: Eurostat. Gemiddeld inkomen (linkeras) Slowakije Slovenië Tsjechië Finland België Nederland Denemarken Oostenrijk Zweden Hongarije Malta Duitsland Polen Frankrijk Kroatië Ierland Cyprus Luxenburg Estland Italië Roemenië Verenigd Koninkrijk Griekenland Portugal Spanje Letland Litouwen Bulgarije 0 5 10 15 20 25 30 35 40 45 0 0,05 0,10 0,15 0,20 0,25 0,30 0,35 0,40 0,45 Inkomensongelijkheid (rechteras)

8.2Vermogensongelijkheid

Kleine groep met veel geld

Huishoudens in Nederland hadden in 2017 gezamenlijk een vermogen van 1 260 miljard euro. Dit geldbedrag is niet evenredig verdeeld: de rijkste 10 procent heeft 64 procent van het vermogen in handen, waardoor 36 procent overblijft voor de 90 procent overige huishoudens. Een aanzienlijk deel van deze huishoudens heeft bovendien een negatief vermogen. De 10 procent huishoudens met de laagste vermogens hebben samen meer schulden dan bezittingen. Per saldo heeft deze groep een negatief vermogen van 51 miljard euro.

Net als voor de inkomensverdeling (zie paragraaf 8.2) kan de parade van Pen ook opgesteld worden voor de vermogensverdeling. In een stoet van één uur trekken eerst de onvermogende dwergen en uiteindelijk de steenrijke reuzen voorbij die de vermogensverdeling weerspiegelen.

Een lange stoet van vermogensdwergen

De parade speelt zich de eerste twaalf minuten onder de grond af. Deze huishoudens hebben een negatief vermogen en daardoor ook een negatieve lengte. Het gaat hier vooral om werknemersgezinnen met een eigen woning waarvan de hypotheekschuld hoger is dan de waarde van de woning. Tevens omvat deze groep betrekkelijk veel zelfstandigen met een negatief vermogen (zie Vermogensparade van Pen). Hierna komt een ander type huishouden voorbij, het zijn minuscule dwergen van nog geen 2 centimeter. Deze huishoudens hebben een vermogen van hooguit 2 duizend euro en zijn voor hun levensonderhoud vooral aangewezen op een uitkering. Daarna volgt nog een hele stoet dwergen met nog altijd een zeer gering vermogen. Onder hen bevinden zich steeds meer gepensioneerden die een bescheiden spaarpotje hebben opgebouwd.

Gemiddeld vermogen passeert in de 44ste minuut

Na een half uur, op de helft van de stoet, komen dwergen voorbij met een vermogen van 26,1 duizend euro. Pas in de 44e minuut passeren mensen van 1,74 meter, de lengte van de gemiddelde Nederlander. Zij behoren tot de huishoudens met een gemiddelde vermogen van 163,8 duizend euro.

In de laatste minuten van de parade neemt de lengte van de mensen snel toe. In de voorlaatste minuut passeren de eerste reuzen met een gemiddeld vermogen van bijna 1 miljoen euro. De laatste minuut is weggelegd voor de echte giganten. Zij hebben een gemiddeld vermogen van 3,2 miljoen euro. In deze groep is 1 op de 6 zelfstandig ondernemer, terwijl de rest werknemer of gepensioneerd is.

080202 -500 0 1 000 2 000 3 000 31,88 21,25 10,63 0 –5,31 Minuut Lengte (m) Vermogen (1 000 euro) 8.2.2 Parade van Pen: vermogen, 1 januari 2017* 1e 10e 20e 30e 40e 50e 60e

Vermogensongelijkheid sinds 2015 weer afgenomen

Volgens de Gini-coëfficiënt bedroeg de ongelijkheid van vermogennoot2 0,79 in 2017. Daarmee is de vermogensongelijkheid in Nederland aanmerkelijk hoger dan de inkomensongelijkheid (0,29). Tussen 2011 en 2014 is de vermogensongelijkheid tussen huishoudens toegenomen: de Gini-coëfficiënt steeg van 0,77 naar 0,81, zie StatLine. Dit was vooral het gevolg van de daling van de huizenprijzen tijdens de economische crisis. Bijna 6 op de 10 huishoudens hebben een eigen woning. Veel huishoudens hebben deze met een hoge hypotheek gefinancierd, waardoor hun vermogen erg gevoelig is voor de ontwikkeling van huizenprijzen. Aangezien het eigen huis voor de lagere en middengroepen het belangrijkste vermogensbestanddeel is (zie figuur 8.2.1), trof de huizencrisis hen relatief harder dan de rijkeren bij wie overige vermogensbestanddelen een groter aandeel van hun vermogen uitmaken. Hierdoor groeiden de vermogensverschillen tussen de huishoudens. Vanaf 2014 trok de woningmarkt weer aan. Dat jaar bleef de vermogensongelijkheid nog gelijk, maar in 2015 nam de ongelijkheid voor het eerst sinds het uitbreken van de crisis weer af. Deze daling zette in 2016 en 2017 door.

Hoge vermogensongelijkheid in grote steden

In grote steden is de vermogensongelijkheid hoger dan landelijk (Gini-coëfficiënt 0,79). Zo is de Gini-coëfficiënt in Rotterdam gelijk aan 0,89, in Amsterdam 0,87, en die in Den Haag 0,85. In grote steden wonen relatief veel jongeren, uitkeringsontvangers en personen met een niet-westerse migratieachtergrond met een vermogen dat een stuk lager is dan dat van de andere inwoners (CBS StatLine, 2019b).

In gemeenten die door een relatief hoog doorsnee vermogen worden gekenmerkt, is de vermogensongelijkheid veelal betrekkelijk laag, zoals in Staphorst, Ameland en Edam-Volendam. Ook in gemeenten waarin naar verhouding veel ouderen wonen die gedurende hun leven een vermogen hebben kunnen opbouwen, zijn de vermogensverschillen doorgaans klein. Dit zijn meestal kleine gemeenten, zoals Bergeijk en Sint Anthonis in Noord-Brabant. De waarde van de Gini-coëfficiënt is in deze gemeenten lager dan 0,64.

8.3Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Bos, W., M. van den Brakel en F. Otten (2018). Meten van inkomen en inkomensongelijkheid. Statistische Trends, juni 2018.

Brakel, M. van den en F. Otten (2017). Door crisis en vergrijzing stijgt ongelijkheid in primair inkomen. ESB, jaargang 102 (4756), pp. 579–582.

Caminada, C.L.J., K.P. Goudswaard en J. Been (2017). De ontwikkeling van inkomensongelijkheid en inkomensherverdeling in Nederland 1990–2014. Rapport. Universiteit Leiden.

StatLine

CBS StatLine (2019a). Inkomen van huishoudens; huishoudenskenmerken, regio (indeling 2018).

CBS StatLine (2019b). Vermogen van huishoudens; huishoudenskenmerken, regio (indeling 2018).

Noten

Het herverdelingseffect is bepaald volgens de decompositiemethode zoals toegepast door Caminada, Goudswaard en Been (2017).

Anders dan inkomen wordt vermogen niet gestandaardiseerd.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2018–2019 2018 tot en met 2019
2018/2019 Het gemiddelde over de jaren 2018 tot en met 2019
2018/’19 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2018 en eindigend in 2019
2016/’17–2018/’19 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2016/’17 tot en met 2018/’19

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Koos Arts

Wim Bos

Marion van den Brakel

Kai Gidding

Daniël Herbers

Reinder Lok

Jasper Menger

Jeroen Nieuweboer

Ferdy Otten

Noortje Pouwels-Urlings

Jan Walschots

Eindredactie

Marion van den Brakel en Ferdy Otten