Foto omschrijving: Vrouw is bezig de administratie op orde te krijgen.

Regionale verschillen in thuiswerk en woon-werkverkeer

4.1Inleiding

De afgelopen jaren is het steeds drukker geworden op de weg.noot1 Dit hangt samen met de economische groei en de toegenomen arbeidsparticipatie. Tijdens de economische crisis liep het aantal mensen met betaald werk van 8,4 miljoen in 2008 terug tot 8,1 miljoen begin 2014. Sindsdien is dit aantal weer toegenomen tot 9,0 miljoen in het derde kwartaal van 2019.noot2 Iets meer dan de helft van alle werkenden gaat met de auto naar het werk.

Zeker niet elke werkende reist elke dag naar een werkplek. In 2018 werkte 49 procent van de werkzame beroepsbevolking in deeltijd. Daarnaast zijn er thuiswerkers. In 2018 werkte 37 procent van de werkzame beroepsbevolking thuis. Hieronder zijn mensen die gewoonlijk thuiswerken, zoals de huisarts of tandarts met een praktijk aan huis. Daarnaast zijn er mensen die incidenteel thuiswerken, dat wil zeggen: niet elke dag. Dat zijn werkenden die doorgaans naar ‘kantoor’ (of een andere werkplek) gaan en één of meerdere dagen in de week thuiswerken. De mogelijkheid om thuis te werken geeft werkgevers én werknemers meer flexibiliteit. Door thuiswerken mogelijk te maken, kunnen bedrijven het aantal fysieke werkplekken verminderen en werknemers kunnen werk en privé beter op elkaar afstemmen.

Thuiswerken draagt in potentie bij aan vermindering van de verkeersdrukte, al is hierbij een relativering op zijn plaats. Weliswaar neemt het woon-werkverkeer af op de dagen dat er wordt thuisgewerkt, maar uit onderzoek komt ook naar voren dat incidentele thuiswerkers op ‘kantoordagen’ langer onderweg kunnen zijn.noot3 Omdat ze een of meerdere dagen in de week thuis kunnen blijven, aanvaarden ze een gemiddeld langere reistijd op dagen dat ze wel naar ‘kantoor’ gaan. Dit draagt op deze dagen dan juist bij aan meer drukte op de weg.

Bepaalde werkzaamheden lenen zich beter voor thuiswerk dan andere. Werk achter een computer kan meestal goed thuis worden gedaan, terwijl thuiswerk zich minder goed leent voor degene die dagelijks werkt met mensen (zoals in de zorg) of machines (zoals in de industrie). Omdat de aard van het werk net als de verkeersdrukte regionaal verschillen, zijn er op regionaal niveau ook verschillen in het aandeel thuiswerkers.

Dit hoofdstuk gaat in op die regionale verschillen in het aandeel thuiswerkers en de relatie met het woon-werkverkeer. De indeling die hierbij wordt gehanteerd is in die naar 40 COROP-gebieden. Eerst wordt de populariteit van thuiswerken in de verschillende regio’s gepresenteerd. Vervolgens wordt onderzocht in hoeverre het aandeel thuiswerkers samenhangt met reisduur, de afstand tot het werk en de verkeersintensiteit.noot4 Ook wordt ingegaan op de vraag met welk vervoermiddel mensen naar het werk gaan. Het ligt voor de hand te denken dat de populariteit van thuiswerken sterk samenhangt met de verkeersdrukte. Er zijn echter ook andere factoren die een rol kunnen spelen en deze worden ook besproken. Aan de orde komen hier het onderwijsniveau van de werkenden, de aard van het werk, de mogelijkheden tot thuiswerken en de bedrijfstak.

Er is gebruik gemaakt van verschillende gegevens van het CBS. Het gaat om de volgende onderzoeken:

  • Enquête Beroepsbevolking (EBB),
  • Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA), CBS/TNO,
  • Onderzoek Verplaatsingen in Nederland (OVIN),
  • Verkeersintensiteit op rijkswegen in Nederland (NDW).

4.2Hoe hangt thuiswerken samen met diverse regiokenmerken?

3,3 miljoen thuiswerkers in 2018

In 2018 werkten 3,3 miljoen personen van 15 jaar tot 75 jaar gewoonlijk of incidenteel thuis. Dat is 37 procent van de werkzame beroepsbevolking. Het aantal thuiswerkers is de afgelopen jaren toegenomen. In 2013 waren het er nog 2,8 miljoen, 34 procent van de toenmalige werkzame beroepsbevolking.

Incidentele thuiswerkers, mensen die niet dagelijks thuiswerken, vormen de grootste groep. In 2018 ging het om 2 miljoen mensen. Bijna 400 duizend deden het thuiswerk op vaste dagen in de week, terwijl ruim 1,6 miljoen dit niet op vaste dagen deed. Daarnaast werkten er 834 duizend mensen gewoonlijk thuis met de eigen woning als uitvalbasis, waar ook werkzaamheden worden verricht. Dit zijn bijvoorbeeld vertegenwoordigers die naar verschillende klanten gaan en de afspraken thuis voorbereiden. Tot slot is er de groep die gewoonlijk thuiswerkt. In 2018 waren dit 408 duizend personen. Dat zijn bijvoorbeeld de eerder genoemde huisartsen en tandartsen met een praktijk aan huis.

4.2.1Thuiswerkers in Nederland van 15 tot 75 jaar

  2013 2018
x 1 000
Thuiswerkers 2 848 3 254
waarvan:
thuiswerkers gewoonlijk thuis als uitvalsbasis 701 834
thuiswerkers gewoonlijk thuis 359 408
thuiswerkers incidenteel vaste dagen p.w. 278 392
thuiswerkers incidenteel niet op vaste dagen p.w. 1 510 1 620
Geen thuiswerker 5 416 5 521
Onbekend 3 0
 
Werkzame beroepsbevolking 8 266 8 774

Thuiswerkers zijn veel vaker hoog opgeleid dan niet-thuiswerkers. Van de thuiswerkers was 65 procent hoogopgeleid in 2018, van de niet-thuiswerkers was dit 24 procent. Daarnaast zijn thuiswerkers relatief vaak werkzaam als zelfstandige. Hierbij gaat het met name om degenen die gewoonlijk thuis werken. Verder komt naar voren dat thuiswerkers op dagen dat ze naar ‘kantoor’ gaan doorgaans een grotere afstand afleggen dan degenen die niet thuiswerken. De woon-werkafstand is met name hoog onder thuiswerkers die dit op vaste dagen in de week doen. Dit sluit aan bij het eerder genoemde onderzoek waaruit naar voren kwam dat thuiswerkers een gemiddeld langere reistijd aanvaarden op dagen dat ze wel naar ‘kantoor’ gaan.

4.2.2Kenmerken van thuiswerkers, 15 tot 75 jaar, 2018

Hoogopgeleid Zelfstandige Pendel >20 km1)
%
Thuiswerkers 64,5 27,0 20,0
waarvan:
thuiswerkers gewoonlijk thuis als uitvalsbasis 59,1 41,2 0
thuiswerkers gewoonlijk thuis 57,8 65,1 0
thuiswerkers incidenteel vaste dagen p.w. 72,2 13,1 44,8
thuiswerkers incidenteel niet op vaste dagen p.w. 67,1 13,4 29,8
Geen thuiswerker 24,0 9,3 14,9
 
Totaal 39,0 15,9 16,8

1)Afstand in kilometers (hemelsbreed) tussen de woon- en werkgemeente op basis van x-/y-coördinaten

Het aandeel thuiswerkers loopt uiteen van 25 procent in Zuidoost-Drenthe tot 46 procent in het Gooi- en Vechtstreek (cijfers 2018). Ook in de provincie Utrecht en in Groot-Amsterdam is het aandeel thuiswerkers hoog, terwijl in Oost-Groningen maar 26 procent van de werkzame beroepsbevolking gewoonlijk of incidenteel thuiswerkt. Vooral in de Randstad is thuiswerken populair. Dit in tegenstelling tot Groningen, Friesland en Limburg waar het aandeel thuiswerkers relatief laag is. Uitzondering hier vormt ‘Overig Groningen’, waar de stad Groningen toe behoort. Hier wordt door 38 procent van de werkzame beroepsbevolking thuisgewerkt.

Reisduur het langst in de Randstad en Flevoland

In 2017 bedroeg de reisduur van woon- naar werkadres gemiddeld 28 minuten.noot5 Deze was het langst in de Agglomeratie ’s-Gravenhage (36 minuten) en in Flevoland (35 minuten). In veel gebieden in de Randstad, zoals de Agglomeratie ’s-Gravenhage, hebben mensen een bovengemiddeld lange reisduur naar het werk. De reisafstand van en naar het werk was echter voor deze gebieden meestal niet langer dan gemiddeld. Een deel van de mensen uit Flevoland pendelt naar de Randstad. Voor hen is de reisafstand met 24 kilometer wel meer dan gemiddeld. De bovengemiddelde reisduur in de Randstad hangt samen met de drukte op de weg (zie de verkeersintensiteit verderop in dit hoofdstuk). Een uitzondering voor de Randstad is de Agglomeratie Haarlem waar de reisduur met 21 minuten het laagst was. Hier speelt mee dat mensen daar doorgaans relatief dicht bij het werk wonen. De gemiddelde reisafstand in de Agglomeratie Haarlem is maar 12 kilometer.

Tegenover de relatief lange reisduur in de Randstad en Flevoland staan Limburg, Groningen, Zeeland en Friesland waar de reisduur naar het werk doorgaans lager is. In veel regio’s van deze provincies bedroeg deze in 2017 minder dan 25 minuten. Ook veel regio’s in Gelderland, Overijssel en Noord-Brabant kennen een gemiddelde reisduur die lager is dan het gemiddelde van 28 minuten voor Nederland. Overigens kunnen er binnen provincies behoorlijke verschillen zijn in de reistijd naar het werk. Voor mensen die wonen in Zuidwest-Drenthe bedroeg deze bijvoorbeeld 33 minuten, terwijl mensen in Zuidoost- en Noord-Drenthe ongeveer 25 minuten nodig hebben om op het werk te komen. Hier is vooral de reisafstand van belang, die voor mensen van Zuidwest-Drenthe met gemiddeld 31 kilometer het hoogst is van Nederland. Bovendien is voor mensen in Noord-Drenthe de stad Groningen dichterbij.

Wordt in gebieden waar de reisduur hoog is ook meer thuisgewerkt? Met een spreidingsdiagram wordt inzichtelijk gemaakt in hoeverre beide samengaan (zie figuur 4.2.5). Hieruit komt naar voren dat er inderdaad een samenhang is tussen de reisduur en het aandeel thuiswerken in de regio (de correlatie is 0,48). Bovendien wordt duidelijk dat er uitzonderingen bestaan, zoals de Agglomeratie Haarlem. Ondanks dat de reisduur hier kort is, wordt er relatief veel thuisgewerkt.

Verkeersintensiteit hoogst in Utrecht

Hoe druk het is op de weg kan worden bepaald aan de hand van gegevens over de verkeersintensiteit.noot6 Deze gaan over de verkeersintensiteit van individuele rijkswegen buiten de bebouwde kom. Het betreffen de A-wegen alsmede enkele/specifieke N-wegen die door Rijkswaterstaat ‘de status’ rijksweg hebben gekregen. De verkeersintensiteit is van belang omdat mag worden verwacht dat de reisduur naar het werk per regio mede wordt bepaald door de verkeersintensiteit. De verkeersintensiteit kwam in 2017 gemiddeld voor Nederland uit op 2,3 duizend voertuigen per uur. Deze was veruit het hoogst in Utrecht, met bijna 4,4 duizend voertuigen per uur. Daarna volgen de Agglomeratie ’s-Gravenhage, Groot-Amsterdam en Oost-Zuid-Holland. Ook hier zijn het vooral de gebieden in de Randstad die hoog ‘scoren’, wat ook mag worden verwacht aangezien deze gebieden tot de meest dichtbevolkte van Nederland behoren. Los van het vervoersmiddel dat mensen gebruiken naar het werk, sluit dit bijvoorbeeld aan bij het gegeven dat in de Agglomeratie ’s-Gravenhage de reisafstand weliswaar kort is, maar de reisduur doorgaans hoog. De verkeersintensiteit is het laagst in Delfzijl en omgeving (0,3 duizend voertuigen per uur) en Zeeuws-Vlaanderen (0,5 duizend voertuigen per uur).

In veel gebieden in Nederland gaat een hoge verkeersintensiteit samen met een hoge mate van thuiswerken. De correlatie is zelfs nog een fractie hoger dan die met de reisduur (0,55 tegenover 0,48). Vooral in de Randstad gaat een hoge verkeersintensiteit samen met een hoog aandeel thuiswerkers. Zo kent Utrecht veel thuiswerkers en wordt ook in de Agglomeratie ’s-Gravenhage en Groot-Amsterdam meer dan gemiddeld thuisgewerkt. Opnieuw zijn er weer uitzonderingen, zoals de Agglomeratie Haarlem. Zowel de reisduur- als afstand en de verkeersintensiteit is voor deze regio laag. Toch wordt in de beide gebieden meer dan gemiddeld thuisgewerkt. Andere factoren als onderwijsniveau en de bedrijfstak waarin wordt gewerkt – die later worden besproken – spelen hierin een rol.

Een uitzondering in de minder verkeersdrukke gebieden vormt Zeeuws-Vlaanderen. Deze regio kent een zeer lage verkeerintensiteit, terwijl het aandeel thuiswerkers er bovengemiddeld is. Hetzelfde geldt ook voor Delfzijl en Omgeving. Mensen in Delfzijl reizen gemiddeld verder voor het werk, bijvoorbeeld naar de stad Groningen, waar meer werkgelegenheid is. Die grotere reisafstand naar het werk gaat in dit geval dus samen met een hoger percentage thuiswerkers.

Hoe druk het is op de weg wordt mede bepaald door de vervoerswijze van mensen naar het werk. Gaan ze met de auto, het openbaar vervoer, de fiets of op een andere manier? In 2017 werden 54 procent van de verplaatsingen van en naar het werk gedaan met de auto (als bestuurder).noot7 Daarna is de fiets (25 procent) het meest gebruikte vervoermiddel, gevolgd door trein, bus en tram (10 procent) en een klein deel (4 procent) deed dit met de auto als passagier.

Stedelijkheid blijkt een belangrijke factor te zijn de vervoerswijze naar het werk. In zeer stedelijke gebieden werd in 2017 minder gebruik gemaakt van de auto (als bestuurder), namelijk 37 procent. Hier gingen relatief veel mensen met het openbaar vervoer (19 procent) of de fiets (30 procent) naar ‘kantoor’. In Noord-Holland werd het minst vaak de auto gebruikt. Daarna volgen Flevoland en Utrecht. Kortom, in meer stedelijke gebieden is niet zozeer de reisafstand hoog, maar wel de reisduur. Werkzame personen gaan hier vaker op andere wijze dan met de auto naar ‘kantoor’. De fiets of het openbaar vervoer is dan een alternatief om bijvoorbeeld drukte op de weg te vermijden.

In minder stedelijke gebieden is daarentegen de auto het meest gangbare vervoermiddel om naar het werk te gaan. In niet stedelijke gebieden ging bijna 7 van de 10 werkenden met de auto (als bestuurder) naar het werk in 2017. Werkenden in Drenthe deden dit het vaakst. Verder is dit ook terug te zien in Gelderland, Overijssel en Noord-Brabant. Deze gebieden hebben meestal een gemiddelde reisduur en -afstand naar het werk en de verkeersintensiteit is meestal lager dan in de Randstad. In deze regio’s wordt vaker dan gemiddeld de auto gebruikt om naar ‘kantoor’ te gaan.

Hoogopgeleiden werken het vaakst thuis

Vooral hoogopgeleiden werken vaak thuis. Op regionaal niveau is er dan ook een grote samenhang tussen thuiswerk en onderwijsniveau (zie spreidingsdiagram figuur 4.2.9, correlatie = 0,79). In het Gooi- en Vechtstreek – waar het meest wordt thuisgewerkt – was het aandeel werkzame hoogopgeleiden met 43 procent ruim boven het gemiddelde. Hetzelfde geldt voor Utrecht en Groot-Amsterdam die relatief veel hoogopgeleiden kennen. Eerder was al aangegeven dat de reisduur en verkeersintensiteit in veel van de gebieden in de Randstad hoog was. Thuiswerken kan dan een uitkomst zijn en gaat in deze gebieden dan vaak ook samen, als het werk zich hiervoor leent. Blijkbaar leent het werk dat hoogopgeleiden uitvoeren zich goed om thuis te werken. Dat laatste is goed zichtbaar in de Agglomeratie Haarlem. De regio kent ondanks een lage reisduur naar het werk en een lage verkeersintensiteit veel thuiswerkers. De helft van de mensen daar met betaald werk was in 2018 hoogopgeleid. Dat is ver boven het gemiddelde voor Nederland.

Ook in de gebieden binnen Drenthe doet zich iets vergelijkbaars voor. Zowel de mensen in Zuid-Oost-Drenthe als Noord-Drenthe hebben een relatief korte reisafstand naar het werk (25 kilometer). Dit terwijl in Noord-Drenthe veel vaker wordt thuisgewerkt. De laatste regio kent dan ook meer werkenden die hoogopgeleid zijn (35 procent) dan Zuid-Oost-Drenthe (23 procent). Interessant hierbij is de regio Zuid-West-Drenthe die in aandeel hoogopgeleiden hier tussen in zit (30 procent), maar waar binnen Drenthe het vaakst wordt thuisgewerkt. In deze regio is echter de reisafstand het hoogste van heel Nederland. Ook in Delfzijl en Omgeving en Zeeuws-Vlaanderen is de reisafstand hoog en het aandeel hoogopgeleiden juist niet (25 procent en 27 procent), maar wordt er toch relatief vaak thuisgewerkt.

Welk werk leent zich voor thuiswerk?

In de bedrijfstak ‘Informatie en communicatie’ wordt het vaakst thuisgewerkt. Van de mensen die werkzaam zijn in deze bedrijfstak was 68 procent thuiswerker in 2018. Bij informatie en communicatie wordt in het werk de computer veelvuldig gebruikt. Daarnaast wordt in de bedrijfstakken, ‘Onderwijs’ en ‘Financiële dienstverlening’ vaak thuisgewerkt. Verder is het aandeel thuiswerkers laag voor bedrijfstakken waar werknemers op de werkplek moeten zijn omdat ze machines bedienen of met mensen werken. Naast de ‘Horeca’ gaat het om ‘Landbouw en visserij’, ‘Handel’ ‘Vervoer en opslag en ‘Industrie’, maar ook de ‘Bouw’ en de ‘Zorg’.

Om te kunnen thuiswerken dient er in ieder geval aan twee voorwaarden te worden voldaan. Al genoemd is dat de soort werkzaamheden, zoals computergebruik, zich goed lenen voor thuiswerk. Daarnaast dient de werkgever de werknemers de mogelijkheid te bieden om thuis te werken (telewerken). Een indicatie voor dit laatste is dat werknemers (incidenteel) thuis verbinding maken met het netwerk van het bedrijf. Dit geeft ook een indicatie van in welke bedrijfstakken vooral werkzaamheden worden verricht met de computer. In figuur 4.2.10 is per bedrijfstak het aandeel werknemers weergegeven dat verbinding met het netwerk van het bedrijf kan maken. Daarbij ‘scoren’ de bedrijfstakken met relatief veel thuiswerkers doorgaans ook hoog op verbinding maken met het netwerk van het bedrijf. Dat laatste is met uitzondering van mensen die werken in het onderwijs. Dat dit aandeel hier wat lager is, komt waarschijnlijk doordat leraren thuis lessen voorbereiden of nakijkwerk verrichten. Daarvoor is het meestal niet nodig om op het netwerk in te loggen. Kortom, in bedrijfstakken waarin veel wordt thuisgewerkt, wordt veel met de computer gewerkt en is dit door de werkgever ook meestal mogelijk gemaakt.

De bedrijfstakken zijn echter niet gelijk verdeeld over de regio’s in Nederland. Dat geldt bijvoorbeeld voor de ‘Financiële dienstverlening’.noot8 Veel banken, pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen zijn te vinden in de regio’s Amsterdam, Utrecht en omgeving. Daarnaast bevinden de ministeries zich in Den Haag. In deze regio is de bedrijfstak ‘Openbaar bestuur en overheidsdiensten’ dan ook oververtegenwoordigd. Deze bedrijfstak kent relatief veel thuiswerkers en hoogopgeleiden. De verdeling van bedrijfstakken draagt dan ook bij aan regionale verschillen in thuiswerkers. Figuur 4.2.11 geeft dit aan, waarbij per regio is vermeld welk aandeel de vijf bedrijfstakken met het hoogste aandeel thuiswerkers (≥60 procent) innemen in de totale werkgelegenheid. In 2018 maakten deze bedrijfstakken 28 procent uit van de totale werkgelegenheid in Groot-Amsterdam. Deze regio ‘scoorde’ hiermee het hoogst. Verder was dit aandeel ook in veel gebieden van de Randstad hoog. Dit in tegenstelling tot Oost-Groningen, Zuid-Oost-Drenthe en Noord-Limburg, waar deze vijf bedrijfstakken nog geen 12 procent van de totale werkgelegenheid innemen. Het aandeel dat deze bedrijfstakken innemen in de totale werkgelegenheid correleert zeer sterk met het aandeel thuiswerkers in de regio (0,84).

4.3Conclusie

54 procent van de verplaatsingen van en naar het werk werden in 2017 gedaan met de auto (als bestuurder). In samenhang met de groei van de bevolking en het aantal werkenden nam de verkeersintensiteit de afgelopen jaren alsmaar toe. Gemiddeld hadden Nederlanders daarbij 28 minuten nodig om naar het werk te komen. Thuiswerken kan een rol spelen in het verminderen van de verkeersdrukte en de reistijd. In 2018 werkte 3,3 miljoen van de 8,7 miljoen werkenden steevast of incidenteel thuis. Regionaal gezien is er een verband tussen thuiswerken en de tijd die het vergt om naar het werk te komen: het aandeel thuiswerkers correleert met de reistijd en zelfs nog iets meer met de verkeersintensiteit.

Factoren die van invloed zijn op de mogelijkheid tot thuiswerken correleren echter sterker met het aandeel thuiswerkers. Hoogopgeleiden hebben bijvoorbeeld vaker banen die niet direct gerelateerd zijn aan de omgang met mens of machine, een van de voorwaarden voor thuiswerk. Ook leent de ene bedrijfstak, zoals de financiële dienstverlening, zich beter voor thuiswerk dan de andere, zoals de horeca.

Het aandeel thuiswerkers varieert regionaal van 25 tot 46 procent. Het gangbaarst is thuiswerken in de Randstad en in stedelijke gebieden daarbuiten. Niet alleen is de verkeersdrukte hier hoog, ook wordt er vaker voldaan aan de voorwaarden voor thuiswerk. Zo wonen en werken er relatief veel hoogopgeleiden en zijn de bedrijfstakken waarin veel wordt thuisgewerkt er sterk vertegenwoordigd. In de omgeving Haarlem is bijvoorbeeld het aandeel hoogopgeleiden relatief hoog en is er een bedrijfsstructuur waarbij veel wordt thuisgewerkt. De verkeersintensiteit ligt hier aanmerkelijk lager dan elders in het westen.

Regio’s waar gegeven de omstandigheden veel wordt thuisgewerkt zijn Zeeuws-Vlaanderen, de omgeving Delfzijl en Zuidwest-Drenthe. Hier speelt een relatief grote gemiddelde afstand tot het werk. Ondanks een lage verkeersintensiteit is het hier blijkbaar toch aantrekkelijk om thuis te werken. Omgekeerd wordt er relatief weinig thuisgewerkt in Flevoland. De verkeersintensiteit in Flevoland is weliswaar niet hoog, maar vanwege de gerichtheid op de Randstand hebben Flevolanders toch een hoge gemiddelde reisduur.

4.4Toelichting

Enquête Beroepsbevolking (EBB)

Informatie over thuiswerkers is gebaseerd op gegevens van de Enquête Beroepsbevolking (EBB).

Op basis van de EBB zijn jaarcijfers samengesteld over thuiswerkers. Het gaat om personen van 15 tot 75 jaar met betaald werk die hiervoor zijn ingedeeld in gewoonlijk, incidenteel of niet thuiswerken. Personen die gewoonlijk thuiswerken zijn verder onderverdeeld in degenen die de eigen woning wel en degenen die de eigen woning niet als uitvalbasis gebruiken. Personen die incidenteel thuiswerken zijn verder onderverdeeld in degenen die dit op vaste dagen doen en degenen die hier geen vaste dag voor hebben. De cijfers over thuiswerkers zijn beschikbaar voor de jaren 2013–2018.

Daarnaast zijn de gegevens in deze bijdrage over hoogopgeleiden, zelfstandigen, bedrijfstak en pendel afkomstig van de EBB. Meer informatie over de EBB is hier te vinden.

Onderzoek Verplaatsingen in Nederland (OViN)

De reisduur van mensen van en naar werkadres is gebaseerd op gegevens van het Onderzoek Verplaatsingen in Nederland (OViN). Dit onderzoek geeft informatie over het verplaatsingsgedrag van de Nederlandse bevolking (exclusief tehuisbewoners) op Nederlands grondgebied. Bij de reisduur gaat het om de gemiddelde reisduur per inwoner van Nederland per dag.

De reisafstand betreft het gemiddelde aantal kilometers dat een inwoner van Nederland op een dag aflegt binnen Nederland. Bij de reisduur- en afstand van en naar het werk gaat het om een enkele verplaatsing van en naar het werk (niet de heen én terugreis samen). Deze wordt in dit hoofdstuk beschreven van mensen met werk van meer dan twaalf uur per week. Hierdoor worden vooral kleine banen waarin veel scholieren en studenten werkzaam zijn buiten beschouwing gelaten. Voor scholieren en studenten is dit werk vaak een bijbaan, en is hun voornaamste bezigheid het volgen van onderwijs.

Daarnaast is ook de vervoerswijze van en naar werkadres aan de hand van gegevens van OViN bepaald. Meer informatie over OViN is hier te vinden.

Verkeersintensiteit rijkswegen

Verkeersintensiteit is het gemiddeld aantal gepasseerde motorvoertuigen per tijdseenheid op een (vast) meetpunt. Deze is bepaald voor rijkswegen in Nederland. Dit zijn wegen in beheer en onderhoud van Rijkswaterstaat. Het betreffen de A-wegen alsmede enkele specifieke N-wegen die door Rijkswaterstaat de ‘status rijksweg’ hebben gekregen. Het meetpunt is een vaste locatie op een weg waar 365 dagen per jaar en 24 uur per dag (Nederlandse en buitenlandse) gepasseerde motorvoertuigen elektronisch geteld worden. De data worden opgeslagen in de Nationale Databank Wegverkeersgegevens (in het zogenaamde NDW-bestand).

De cijfers over verkeersintensiteit zijn voorlopig. Meer informatie over verkeersintensiteit en de onderzoeksmethode is hier te vinden.

Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA)

Informatie over telewerken is afkomstig uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA). Daarin is gevraagd of men wel eens werkt vanuit huis of een andere locatie buiten bedrijf, via een verbinding met het netwerk van uw bedrijf. Hierbij gaat het om werknemers, ongeacht het aantal uren dat ze werken per week.

Meer informatie over de NEA is hier te vinden.

Noten

Duco de Vos, Evert Meijers, & Maarten van Ham (2018). Minder vaak, maar langer op de weg door thuiswerken.

Thuiswerk en woon-werkverkeer worden in samenhang beschreven, het gaat hierbij niet om het verband tussen beide te verklaren.

Het gaat hier om een verplaatsing tussen woon- en werkadres (niet om de duur of afstand van de heen- én terugreis samen). De cijfers zijn samengesteld voor mensen met werk van minimaal 12 uur per werk. Het COROP-gebied is hierbij gebaseerd op de woonplaats.

Het CBS stelt deze cijfers samen op basis van gegevens van de Nationale Databank Wegverkeersgegevens (NDW).

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2018–2019 2018 tot en met 2019
2018/2019 Het gemiddelde over de jaren 2018 tot en met 2019
2018/’19 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2018 en eindigend in 2019
2016/’17–2018/’19 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2016/’17 tot en met 2018/’19

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Redactie

Annelie Hakkenes-Tuinman

Lieneke Hoeksma

Michel van Kooten

Hans Langenberg

Sidney Vergouw

Hoofdstuk 1

Lieneke Hoeksma

Hoofdstuk 2

Joy Sie Cheung

Jaap Jansen

Hoofdstuk 3

Edgar Angus

Mark Ramaekers

Hoofdstuk 4

Lolke Schakel

Maartje Tummers

Robert de Vries

Hoofdstuk 5

Sidney Vergouw

Hoofdstuk 6

Harry Bierings

Myrte ter Horst

Beeldredactie

Irene van Kuik

Karolien van Wijk