Wisselend beeld SDG’s

Foto omschrijving: Meisje staat in het water dat over de weg de Limburgse uiterwaarden instroomt

Duurzame ontwikkelingsdoelen (SDG’s) in de Nederlandse context

Inleiding

Hier wordt de informatie over SDG's uit het kernhoofdstuk Brede-welvaarttrends verder uitgediept, waarbij de SDG-indicatoren per dashboard in vier categorieën gegroepeerd zijn:

  • middelen die worden ingezet en de daardoor ontstane mogelijkheden,
  • het gebruik van die mogelijkheden,
  • de uitkomsten van het gebruik, en
  • de beleving daarvan door burgers.

Deze indeling is gebaseerd op theoretische literatuur, in het bijzonder de combinatie van concepten uit beleidsontwikkeling en beleidsevaluatie met de pijlers onder het CES-meetsysteem. Zoals eerder opgemerkt, geven sommige indicatoren aanleiding tot discussie over de effecten ervan op de brede welvaart, vooral bij middelen en mogelijkheden. Dit kan echter alleen worden bepaald in het beleidsdebat. De selectie van indicatoren naar type is niet gebaseerd op een causaal model van het betreffende thema. De selectie geeft alleen een gebalanceerd en beknopt overzicht van de basisinformatie over een thema.

De figuur hieronder geeft per SDG een overzicht van de trends van alle gemeten indicatoren naar type indicator. Het is een verdieping van de figuur in de samenvatting aan het begin van deze publicatie. De kleuren hebben daarbij dezelfde betekenis: groen wijst op een trend die in richting van het doel beweegt, en rood op een trend die juist van het doel af beweegt. Enkele voorbeelden:

  • Relatief veel trends van SDG 2 kleuren groen en dit komt vooral door de indicatoren voor gebruik. De indicatoren voor middelen en mogelijkheden kleuren echter rood. Of hier sprake is van mogelijke disbalans zou onderzocht kunnen worden.
  • Voor SDG 9 dashboard 1 (infrastructuur en mobiliteit) valt op dat het beeld gemengd is. Vrijwel alle typen indicatoren kennen rode, groene of neutrale trends.
  • Voor SDG 15 (leven op het land) valt op dat de middelen en mogelijkheden en de uitkomsten veelal afnemen. Bij gebruik is er een indicator die trendmatig toeneemt (groen).
  • Bij SDG 16 dashboard 2 (instituties) zijn middelen en mogelijkheden, gebruik en uitkomsten veelal rood tot neutraal, terwijl de subjectieve beleving een groene trend heeft.
Trends van gemeten indicatoren per SDGplus naar type indicator

SDG 1   Geen armoede

SDG 1 is gericht op de afname van alle vormen van armoede, zowel de financiële aspecten als de impact van armoede op het leven. De SDG-agenda vraagt speciale aandacht voor sociale bescherming, gelijke economische rechten en weerbaarheid van arme en kwetsbare groepen. Omdat armoede in Nederland van een andere orde is dan in de armste landen van de wereld, zijn voor de Nederlandse context indicatoren toegevoegd. Het beleid in Nederland richt zich op het voorkomen en tegengaan van armoede en problematische schulden, met speciale aandacht voor kinderen die in armoede leven.noot1 Deze armoedeproblematiek is door de coronacrisis extra actueel.

Het dashboard laat zien hoe de inkomens in Nederland zich ontwikkelen, hoe groot het risico op inkomensarmoede of sociale uitsluiting is en in hoeverre mensen financiële zorgen hebben. Voor de materiële welvaart van personen wordt het (gestandaardiseerd) besteedbaar inkomen van het huishouden gebruikt. Dit inkomen is de basis voor hun bestedingen, besparingen, ontsparingen en beleggingen. Bij huishoudens met een laag besteedbaar inkomen in combinatie met weinig vermogen is er een verhoogde kans op armoede. Als mensen in zo’n huishouden naast weinig inkomen ernstige financiële beperkingen hebben of niet of weinig werken, lopen ze ook het risico van sociale uitsluiting. Naast besteedbaar inkomen, kijkt het dashboard ook naar de bestaanszekerheid die mensen ervaren.

Bij enkele indicatoren wordt de eenheid jaarlijks aangepast, de bedragen worden in de Monitor Brede Welvaart & de SDG’s 2022 uitgedrukt in constante prijzen met basisjaar 2020.

De ontwikkeling van de brede welvaart op basis van de trends in dit dashboard is positief. Alle indicatoren duiden op stijgende dan wel stabiele brede welvaart. Er zijn echter nog weinig cijfers over 2021 beschikbaar, omdat inkomensgegevens grotendeels gebaseerd zijn op belastingaangiftes. De effecten van de coronacrisis op inkomen, vermogen en schulden worden dan ook pas op langere termijn goed zichtbaar. Bij SDG 1 wijzen de posities binnen de EU dezelfde kant op: bij bijna alle indicatoren die vergeleken konden worden, heeft Nederland een plaats in de Europese voorhoede.

SDG 1   Geen armoede  

Middelen en mogelijkheden

€ 32 400
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
5e
€ 28 600
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
5e
2,2%
€ 64 600
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart

Uitkomsten

16,1%
6e
30
13,4%
7e
17,6%
8e
3,1%
6,9%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
7,9%

Beleving

22,5%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart

Middelen en mogelijkheden hebben betrekking op de financiële middelen die mensen tot hun beschikking hebben en de eventuele ondersteuning daarbij. Hier is het beeld positief, met drie stijgende middellangetermijntrends over de periode 2014–2021 en hoge posities vergeleken met andere EU-landen.

Het gemiddeld gestandaardiseerd besteedbaar inkomen per huishouden steeg in 2020 verder, naar 32,4 duizend euro. De mediaan van het besteedbaar inkomen ging ook omhoog maar komt lager uit (28,6 duizend euro) dan het gemiddelde omdat de zeer hoge inkomens het gemiddelde omhoog trekken. Nederland heeft bij beide indicatoren een hoge positie op de Europese ranglijst.

Bij de mediane (jaar-op-jaar) koopkrachtverandering verandert de trend niet noemenswaardig. De 2,2 procent groei in 2020, was wel de sterkste sinds 2016. Vooral werknemers gingen erop vooruit: een groot deel van hun cao-loonafspraken was al gemaakt voor het uitbreken van de coronacrisis en geldig tijdens de pandemie. (Steun)maatregelen van de overheid droegen eveneens bij aan de gunstige koopkrachtontwikkeling. Voor 2021 zijn nog geen cijfers over de mediane koopkracht beschikbaar. Voorlopige cijfers over het reëel beschikbaar inkomen van de huishoudens in 2021 zijn er al wel, deze wijzen op een toename van 2,6 procent.

Niet alleen bij de inkomens, maar ook bij het vermogen is de langjarige trend stijgend. De almaar stijgende huizenprijzen zijn een belangrijke motor hierachter. Het mediane vermogen van Nederlandse huishoudens was op 1 januari 2020 64,6 duizend euro. Met andere woorden de helft van de huishoudens heeft minder dan dit bedrag aan vermogen opgebouwd, de andere helft meer.

Gebruik betreft het gebruik van verschillende vormen van financiële ondersteuning. Er zijn voor deze categorie geen indicatoren bekend die voldoen aan de kwaliteitseisen van deze publicatie.

Uitkomsten hebben hier betrekking op het aandeel mensen met risico op armoede of sociale uitsluiting. Slechts één trend laat een significante verandering zien. Waar Nederland internationaal vergeleken kan worden is de positie doorgaans hoog. Het aantal daklozen per 10 duizend inwoners in dezelfde leeftijdscategorie (18–64 jaar) is recent niet toegenomen. Hier zet de stijgende trend in de periode 2013–2020 niet door. Veilige en betaalbare zelfstandige woonruimte wordt gezien als een basisbehoefte. In januari 2021 sliepen van elke 10 duizend inwoners van 18–64 jaar er dertig op straat, in laagdrempelige opvang of tijdelijk bij familie of vrienden. Vooral mannen lopen het risico dakloos te worden. Overigens worden daklozen van 65 jaar of ouder hier niet meegeteld omdat zij niet voorkomen in de bronnen die het CBS gebruikt.

Iets meer dan 900 duizend mensen leefden in 2020 in een huishouden onder de lage-inkomensgrens. Zo’n 376 duizend huishoudens hadden al ten minste vier jaar achtereen een laag inkomen (3,1 procent). Ondanks de coronacrisis en de economische krimp hoefden in 2020 relatief minder huishoudens dan in 2019 langdurig rond te komen van een laag inkomen, mogelijk vanwege de steunpakketten van de overheid. In 2020 woonden 221 duizend kinderen tot 18 jaar in een huishouden met een inkomen onder de lage-inkomensgrens, het laagste aantal in 25 jaar. Dit komt neer op 6,9 procent van alle kinderen, gemiddeld twee per schoolklas. Bij ruim 95 duizend kinderen (3,1 procent) moest het gezin al vier jaar of langer rondkomen van een laag inkomen.

Volgens Eurostat liep 16,1 procent van de Nederlandse bevolking in 2020 risico op armoede of sociale uitsluiting, 0,4 procentpunt minder dan in 2019. Met dit percentage steekt Nederland gunstig af tegen andere landen in de EU. De relatieve armoede, het deel van de bevolking met een inkomen beneden de Europese armoedegrens, is tussen 2019 en 2020 met 0,2 procentpunt toegenomen, naar 13,4 procent. Nederland stond in 2020 op de zevende plaats binnen de EU-27, nog net in de bovenste groep. De armoedekloof – hoever het mediane inkomen onder de Europese armoedegrens ligt – was in 2020 (17,6 procent) iets groter dan in 2019 (17,1 procent). Hier heeft Nederland in de EU een middenpositie met een achtste plek. Een flink deel van de huishoudens (7,9 procent) kampte in 2020 met geregistreerde problematische schulden. De trend is stabiel.

Beleving gaat over de ervaren bestaanszekerheid. Het percentage mensen dat zegt zich veel zorgen te maken over hun financiële toekomst kwam in 2021 uit op 22,5. Het aandeel daalt weliswaar, maar is nog steeds aanzienlijk.

SDG 2   Geen honger

SDG 2 heeft tot doel honger te beëindigen, voedselzekerheid te garanderen en betere voeding en duurzame landbouw te stimuleren. Omdat in Nederland ondervoeding en voedselonzekerheid niet vaak voorkomen, kijkt dit dashboard meer naar hoe wij voedsel produceren: hoe duurzaam doen we dat? En welk impact heeft dat op de leefomgeving? Het dashboard bevat ook een aspect dat officieel in SDG 12 (verantwoorde consumptie en productie) hoort: voedselverspilling.

Het Nederlandse beleid dekt alle targets van SDG 2 en is primair opgesteld door het ministerie van LNV met raakvlakken met gezondheidsbeleid (VWS), innovatiebeleid (EZK) en visserijbeleid (IenW).noot2 De belangrijkste inzet richt zich op het voedselbeleid en de kringlooplandbouw. Volgens het Nationaal Programma Landbouwbodems (NPL) moet in 2030 alle Nederlandse landbouwgrond duurzaam worden beheerd, zodat de bodem optimaal kan functioneren en de kwaliteit optimaal is en blijft voor volgende generaties. Dit is overigens ook van belang voor SDG 15 (leven op het land).noot3

Het beeld bij de trends in Nederland is overwegend positief, met uitzondering van de middelen en mogelijkheden waar beide trends rood kleuren. Bij de positie in de EU is het beeld minder gunstig; daar staat Nederland vaak in de achterhoede.

Nederland lijkt achter te blijven met meer duurzame productievormen. Boeren gebruiken bijvoorbeeld relatief weinig landbouwgrond voor biologische landbouw en de teelt van eiwitrijke gewassen. Verder hebben we meer landbouwdieren per hectare cultuurgrond dan alle andere EU-landen. Twee trends zijn bij SDG 2 in een positieve richting gekeerd: bij veestapeldichtheid en bij weidegang van melkvee zijn de neutrale trends omgeslagen naar groen. Bij de productie van de landbouw daarentegen slaat de trend om van neutraal naar rood.

SDG 2   Geen honger  

Middelen en mogelijkheden

43,6%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
14e
€ 169
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
2e

Gebruik

3,41
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
27e
4,0%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
21e
0,5%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
18e
369,3
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
3e
74,0%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
0,063
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart

Uitkomsten

85%
11e
59%
11e
3%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
34,0%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
123

Middelen en mogelijkheden betreffen de hoeveelheid land en arbeid die beschikbaar zijn voor voedselproductie. Beide indicatoren hebben een dalende, rode, trend. Het areaal cultuurgrond was in 2021 gelijk aan 43,6 procent van de totale oppervlakte (land en water) van Nederland. Ook de productiewaarde van de landbouw loopt terug, hoewel Nederland met 169 miljoen euro (prijzen 2010) per duizend arbeidsjaren na Denemarken wel op de tweede plaats in de EU staat. Nederland is een grote exporteur van landbouwproducten: in 2021 was de waarde van de landbouwexport voor het eerst meer dan 100 miljard euro. De Nederlandse economie verdiende naar schatting 46 miljard euro aan de export van deze producten, waarbij sierteeltproducten en vlees(producten) het meest opbrachten.

Gebruik betreft hoe – en hoe duurzaam – voedsel geproduceerd wordt. Hier ontwikkelen alle zes de trends zich gunstig, maar staat Nederland internationaal soms op een zeer lage positie. De arealen met biologische landbouw en eiwitrijke gewassen groeiden verder, naar 4,0 en 0,5 procent van het totale areaal cultuurgrond in respectievelijk 2020 en 2021. Door biologische landbouw en de teelt van gewassen als peulvruchten en sojabonen, komt er meer diervriendelijk, milieuvriendelijk en vleesvervangend voedsel ter beschikking. Het areaal is wel bescheiden vergeleken met andere EU-landen. Het laatste Europees vergelijkbare cijfer over de veestapeldichtheid dateert alweer uit 2016; in dat jaar had Nederland de hoogste veestapeldichtheid van Europa. Hoewel dit leidt tot hogere voedselproductie, wordt het in de context van duurzame productie en brede welvaart (dierenwelzijn en druk op het milieu) toch primair als negatief geduid. In 2020 ging 74 procent van de melkkoeien de weide in, dit is 5 procentpunt meer dan in 2015 en 2016. De trend is omgeslagen van neutraal naar stijgend. Boeren met melkvee gebruiken bijna de helft van de totale oppervlakte cultuurgrond in Nederland. 

Per miljoen euro aan landbouwproductievolume lijken boeren minder chemische bestrijdingsmiddelen in te zetten. De afzet daalt trendmatig, al werd in 2020 nog altijd 369 kilo per miljoen euro aan landbouwproductievolume verkocht. In EU-perspectief is dit weinig en presteert Nederland dus beter dan veel andere EU-landen. Door de grootschalige productie van de landbouw in Nederland levert het gebruik van bestrijdingsmiddelen wel milieuschade op. In verhouding tot het gebruikte landbouwareaal komt Nederland er bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen slechter uit dan per verdiende euro.

Na een piek in 2007 is het gebruik van antibiotica in de Nederlandse veehouderij sterk gedaald. Ook hier kleurt de trend groen. Het op grote schaal (of onzorgvuldig) toedienen van antibiotica kan leiden tot resistente bacteriën, met gevolgen voor de gezondheid van zowel dier als mens. De voorgenomen reductie van 70 procent in 2020 ten opzichte van 2009 is inmiddels gehaald. In vervolg daarop zijn door overheid en veehouderij samen sectorspecifieke reductiedoelen gesteld voor 2024.

Uitkomsten beschrijven de betaalbaarheid van voedsel en de impact van voedselproductie op de leefomgeving en het dierenwelzijn. Het effect op het lokale milieu en de waterkwaliteit is gerelateerd aan onder andere de benuttingspercentages van stikstof en fosfor. Van de totale stikstofaanvoer via meststoffen in 2021 is ruim 59 procent opgenomen door gewassen. Dit betekent dat er ruim 40 procent meer mest wordt uitgereden dan landbouwgewassen nodig hebben. Wat niet wordt opgenomen verdampt of blijft achter in de bodem, waarna het uitspoelt naar grond- en oppervlaktewater. Het benuttingspercentage van fosfor lag met bijna 85 procent een stuk hoger dan dat van stikstof; hier komt evenwicht in zicht. Benuttingscijfers zijn niet voorhanden voor bijna de helft van de EU-landen, maar van de landen waarmee wel vergeleken kan worden, staat Nederland zowel bij fosfor als bij stikstof in de achterhoede.

Consumenten kopen steeds vaker duurzame voedingsproducten. Zowel het marktaandeel van biologisch voedsel (3 procent in 2020) als het aandeel van vlees met een duurzaamheidskenmerk (34 procent van het verkochte vlees in 2020) heeft een stijgende trend, zo blijkt uit de Monitor Duurzaam Voedsel van de WUR. De bestedingen aan biologisch voedsel in supermarkten, speciaalzaken voor duurzame voeding en bij horeca en catering waren in 2020 wel iets lager dan een jaar eerder.

In de SDG-agenda wordt voor 2030 toegewerkt naar een halvering van de voedselverspilling ten opzichte van 2015. De meest recente cijfers voor Nederland (2018) komen uit de Monitor voedselverspilling, eveneens gepubliceerd door de WUR, en schatten de voedselverspilling op minimaal 96 en maximaal 149 kilo per persoon. De hoeveelheid verspild voedsel lijkt, afgaand op de afval- en veevoerstatistieken, niet af te nemen. De trend stijgt of daalt niet significant.

Beleving betreft tevredenheid met de kwaliteit en het aanbod van voedsel en tevredenheid met de leefomgeving en het dierenwelzijn. Er zijn voor deze categorie op dit moment geen indicatoren bekend die voldoen aan de kwaliteitseisen van deze publicatie.

SDG 3   Goede gezondheid en welzijn

SDG 3 wil dat iedereen de kans heeft in zo goed mogelijke gezondheid te leven, door behandeling van ziektes en psychische problemen en preventie van voortijdige sterfte. Daarnaast moeten onderzoek en vaccinatie in 2030 een einde hebben gemaakt aan epidemieën van bekende besmettelijke ziekten. Aandachtspunten zijn verder verslavingspreventie en -zorg, verkeersdoden en geboorteplanning.

Het Nationaal Preventieakkoord bevat maatregelen op het gebied van roken, overgewicht en problematisch alcoholgebruik. Bij preventie en behandeling van verslaving zet Nederland in op het voorkomen van gebruik (en op de bestrijding van vaak met gebruik samengaande criminaliteit). Zie voor meer informatie over de beleidsinzet.noot4

Wat de volksgezondheid en de gezondheidszorg betreft, waren 2020 en 2021 zware jaren. De komst van COVID-19, een besmettelijke ziekte veroorzaakt door een nieuw coronavirus, leidde tot een groot aantal ziekenhuisopnames, en veel langdurige zorg op intensive care. De reguliere zorg werd noodgedwongen uitgesteld en afgeschaald. Ook in de verpleeg- en verzorgingstehuizen was de druk groot, vooral aan het begin van de pandemie. Uit de doodsoorzaakverklaringen blijkt COVID-19 in 2020 de oorzaak van 12 procent van de sterfgevallen. In 2021 was dit iets minder, maar nog altijd 11 procent. Of deze mensen al kampten met een zwakke gezondheid kan worden afgeleid uit het gebruik van zorg vanuit de Wet Langdurige Zorg (Wlz). In 2021 ging het volgens een eerste inschatting om 46 procent van de aan corona overleden patiënten; in 2020 was 58 procent van de overledenen aan COVID-19 een Wlz-zorggebruiker.

Deze recente ontwikkelingen wegen uiteraard mee in de uitkomsten, maar de Monitor Brede Welvaart & de SDG’s, en daarmee ook het dashboard van SDG 3, richt zich vooral op de middellange termijn, de periode 2014–2021. Van de indicatoren die een duidelijke trendmatige ontwikkeling laten zien, bewegen er drie in de richting van de doelen en een van de doelen af. Kijkend naar de positie in de EU, blijkt Nederland voor zeven indicatoren een hoge en dus gunstige plaats in te nemen. Slechts bij één indicator, de vaccinatiegraad voor mazelen, is er een positie in de achterhoede.

SDG 3   Goede gezondheid en welzijn  

Middelen en mogelijkheden

11,2%
5e
104,9
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
3e

Gebruik

50,8%
5e
8,2
4e
19,4%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
5e
93,6%
15e

Uitkomsten

4,7%
5,3
1e
65,4
11e
65,1
18e
34,5%
2,9
15e
10,5
14e
4,3%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
4e
84,9%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
11e

Beleving

80,5%
3e

Middelen en mogelijkheden betreffen de middelen die worden ingezet om het zorgstelsel te onderhouden en te verbeteren. De uitgaven aan gezondheidszorg als percentage van het bbp piekten in 2020 onder invloed van de coronacrisis. In 2021 werden er in de zorg – zowel de gezondheidszorg (cure) als verzorging en welzijn (care) – duidelijk meer uren gewerkt per inwoner (104,9) dan in 2020 (102,0). Deze stijgende trend wordt in de context van SDG 3 gezien als welvaart verhogend voor de individuele burger die zorg ontvangt. Nederland heeft hiermee binnen de EU-27 een hoge positie op de ranglijst.

Gebruik betreft gedrag dat van invloed is op gezondheid en het gebruik dat mensen maken van de zorg. Overgewicht, alcoholgebruik en roken zijn drie belangrijke leefstijlindicaties. In 2014, het begin van de trendperiode, had voor het eerst meer dan de helft van de bevolking van 20 jaar en ouder (50,3 procent) een BMI van 25 of meer, en was dus te zwaar.noot5 In 2021 was dit 50,8 procent. De trend is omgeslagen van stijgend naar neutraal. Vergeleken met andere landen valt het overgewicht overigens mee: Nederland staat in 2019 vijfde in de EU. De positie bij het relatief lage alcoholgebruik (vierde van 21 EU-landen in 2019) is ook betrekkelijk gunstig. Het percentage rokers blijft dalen: in 2021 rookte 19,4 procent van de bevolking van 12 jaar en ouder, tegen 24,2 procent aan het begin van de trendperiode.

De vaccinatiegraad voor mazelen is een indicator voor het gebruik van het zorgaanbod. Hier slaat de trend om van dalend naar neutraal, maar de WHO-norm van 95 procent, nodig om mazelen uit te roeien, wordt in Nederland niet gehaald. Van de kinderen die zijn geboren in 2018 was in 2020 – op tweejarige leeftijd – 93,6 procent ingeënt. De vaccinatiegraad is laag vergeleken met andere EU-landen (15e van 22 landen in 2018). Cijfers over vaccinatie van kinderen geboren in 2019 – die in 2021 twee jaar werden – zijn nog niet beschikbaar. Hoewel het rijksvaccinatieprogramma de afgelopen twee jaar doorging, rekent het RIVM op een lichte afname bij de vaccinatie van baby’s geboren tijdens de pandemie.

Uitkomsten gaan over de fysieke en psychische gezondheid van de bevolking in samenhang met de kwaliteit van de zorg. Diabetes is in Nederland een van de meest voorkomende chronische ziekten en bovendien verantwoordelijk voor een forse ziektelast. In 2020 gebruikte 4,7 procent van de bevolking diabetesmedicatie, de middellangetermijntrend stijgt of daalt niet significant. De gemiddelde verpleegduur bij ziekenhuisopname is in Nederland korter dan in alle andere EU-landen. Met 5,3 dagen in 2020 was de gemiddelde ligduur in het eerste jaar van de coronapandemie iets langer dan in 2019 (5,2 dagen). Voor de indicator wachttijden voor poliklinische zorg kon geen trend berekend worden, omdat de cijfers uit een andere bron (de Nederlandse Zorgautoriteit) komen dan eerdere cijfers. In 2020 lag de wachttijd tussen de eerste afspraak en de start van de behandeling in 34,5 procent van de gevallen boven de ‘Treeknorm’ van maximaal vier weken. Het is aannemelijk dat door corona uitgestelde reguliere zorg de wachttijden heeft opgestuwd en dat de werkdruk in de zorg het rapporteren heeft beïnvloed.

Ten opzichte van 2019, het laatste jaar voor de coronapandemie, was de levensverwachting voor mannen in 2021 negen maanden korter, en voor vrouwen zeven maanden korter. Na eerdere perioden met hoge sterfte, zoals de tijdens Spaanse griep en de Tweede Wereldoorlog, was de levensverwachting betrekkelijk snel weer terug op het oude niveau. De coronapandemie zal de al jaren stijgende lijn in de levensverwachting – ondanks de daling in 2020 en 2021 – naar verwachting uiteindelijk niet nadelig beïnvloeden.noot6 Het is niet alleen belangrijk hoe oud mensen worden, maar ook hoe lang ze in goede gezondheid verkeren. De gezonde levensverwachting combineert sterftekansen en ongezondheid. Dat kan op verschillende manieren; hier gebruiken we de levensverwachting (bij geboorte) in als goed of zeer goed ervaren gezondheid.

Hoewel de sterfte in 2020 en 2021 hoger was, bleken mensen hun eigen gezondheid – vooral in 2020 – relatief hoog te waarderen. Door deze combinatie kwam de gezonde levensverwachting in 2021 bij mannen uit op 65,4 en bij vrouwen op 65,1 jaren, iets lager dan in 2020. Nederlandse mannen en vrouwen nemen in Europa een middenpositie in. De cijfers voor de internationale vergelijking gebruiken een iets andere definitie van de gezonde levensverwachting dan de cijfers voor de trend in Nederland: bij de internationale vergelijking gaat het om de levensverwachting zonder beperkingen.

In 2021 kampte 4,3 procent van de bevolking van 16 jaar en ouder met ernstige beperkingen bij het dagelijks functioneren als gevolg van langdurige gezondheidsklachten. Het gaat daarbij om beperkingen die al een half jaar of langer duren. Het aandeel wordt kleiner, en is in vergelijking met andere EU-landen bescheiden. Een aanzienlijk deel van mensen die COVID hebben gehad blijkt nog lang daarna klachten te houden. Of deze long-COVID- of post-COVID-klachten in de toekomst gaan leiden tot een toename van de groep mensen met ernstige beperkingen valt op dit moment niet goed te zeggen.

De psychische gesteldheid van de bevolking wordt in zijn meest extreme vorm weergegeven door de ontwikkeling van het aantal zelfdodingen. Hier slaat de dalende (groene) trend om naar een neutrale. Het aantal zelfdodingen is stabiel: ongeveer 10,5 per 100 duizend inwoners. In 2020 maakten 1 229 mannen en 596 vrouwen een einde aan hun leven, gemiddeld vijf zelfdodingen per dag. Een tweede indicator voor mentale gezondheid is het aandeel van de ‘psychisch gezonde bevolking’. Hiervoor worden de vijf vragen van de Mental Health Inventory gebruikt, die ingaan op hoe men zich voelde in de voorafgaande vier weken. Het cijfer voor 2021, het tweede jaar van de coronapandemie, laat een opmerkelijke verslechtering zien (–3,2 procentpunt): van de bevolking van 12 jaar en ouder behaalde 84,9 procent een MHI-5‑score van 60 of meer. Deze groep wordt als psychisch gezond beschouwd. De al dalende trend van deze indicator zet versterkt door. Nederland verkeert binnen de EU in de middengroep (in 2017).

Beleving betreft de tevredenheid met zowel de eigen gezondheid als het Nederlandse zorgstelsel. Het aandeel van de bevolking dat de eigen gezondheid als goed of zeer goed ervaart steeg van 78,7 procent in 2019 naar 81,5 procent in 2020. In 2021 was dit weer iets minder (80,5 procent), maar nog altijd meer dan voor de coronapandemie. De trend stijgt of daalt niet noemenswaardig. Nederland neemt bij deze indicator binnen Europa een relatief hoge positie in.

SDG 4   Kwaliteitsonderwijs

Het doel van SDG 4 is dat iedereen toegang heeft tot goed onderwijs. Passende en toegankelijke scholing is voor alle leeftijdsgroepen en in alle levensfasen van belang, van kleuter- en basisonderwijs tot beroeps- en hoger onderwijs, en daarna via ‘leven lang ontwikkelen’. Vaardigheden van leerlingen en de bevolking als geheel worden voor een groot deel bepaald door de kwaliteit van het genoten onderwijs. Bovendien zorgt onderwijs ervoor dat de bevolking nu en in de toekomst over de goede vaardigheden beschikt om te functioneren in een kennisintensieve omgeving en volwaardig mee te draaien in de maatschappij.

In Nederland is het beleid gericht op het waarborgen en verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs en het scheppen van kansen voor jongeren via onderwijs, training of werk. Er zijn ook maatregelen genomen op het gebied van ‘leven lang ontwikkelen’ (eerder ook wel ‘leven lang leren’ genoemd). Het ministerie van OCW is verantwoordelijk voor het meeste beleid op het gebied van SDG 4, maar SZW, BZK en VWS hebben ook beleidsvoornemens geformuleerd.noot7

De trends in het dashboard wijzen merendeels op een stabiele of stijgende brede welvaart. Waar genoeg datapunten beschikbaar zijn om een trend te bepalen voor de periode 2014–2021, is deze bij vier indicatoren gunstig en bij één ongunstig. Op de EU-ranglijst heeft Nederland bij zeven indicatoren een positie in de kopgroep. Er zijn drie trendomslagen: twee verbeteringen en één verslechtering vanuit de optiek van de SDG-agenda.

SDG 4   Kwaliteitsonderwijs  

Middelen en mogelijkheden

5,3%
11e
43,8
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
18e

Gebruik

97,2%
7e
7,0%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
7e
18,8%
4e

Uitkomsten

37,9%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
20e
35,5%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
9e
47,1%
2e
77,9%
13e
284,0
2e
280,3
3e
79,0%
1e

Beleving

84,8%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
14e

Middelen en mogelijkheden betreffen de omvang en betaalbaarheid van onderwijs. Bij de overheidsuitgaven aan onderwijs als percentage van het bbp (5,3 procent in 2020) was er een positieve trendomslag: van dalend naar neutraal. Dit is positief voor de brede welvaart van de mensen die onderwijs krijgen, en Nederland neemt hiermee binnen de EU een middenpositie in. Eveneens gunstig vanuit het oogpunt van brede welvaart en het behalen van de SDG’s is de stijgende trend bij gewerkte uren in het onderwijs: tot bijna 44 uur per inwoner in 2021. Ook hier neemt Nederland binnen de EU een middenpositie in.

Gebruik heeft betrekking op de deelname aan het onderwijs. In 2019 nam 97,2 procent van de kinderen in de leeftijdsgroep vanaf vier jaar tot het begin van de leerplicht deel aan onderwijs (vroegschoolse educatie). Dit percentage is hoog en de voorheen dalende trend is nu stabiel, Nederland neemt binnen de EU-27 een zevende plek in. Bij het voorkomen dat kinderen voortijdig met school stoppen verkeert Nederland ook in de voorste groep van de EU, bovendien is de trend hier gunstig (dalend). In 2020 verliet 7,0 procent van de jongeren van 18–24 jaar het onderwijs voortijdig, dus zonder startkwalificatie (ten minste havo, vwo, of mbo niveau 2). Het betreft de totale groep voortijdig schoolverlaters van 18–24 jaar, en deelname aan zowel het door de overheid bekostigde als het niet-bekostigde onderwijs. Wat deelname aan ‘leven lang ontwikkelen’ betreft, is er een omslag van een stijgende trend naar een neutrale. De coronamaatregelen kunnen de mogelijkheden voor mensen om zich te blijven ontwikkelen geremd hebben. Ook hier heeft Nederland binnen de EU een hoge positie.

Uitkomsten betreffen het hoogst behaalde onderwijsniveau en het niveau van specifieke vaardigheden. Van de bevolking van 15–74 jaar was in 2021 35,5 procent hoogopgeleid, en de trend is opwaarts. Dit kan zorgen voor krapte op de arbeidsmarkt, als functies waar een beroeps- of vakopleiding vereist is moeilijk te vervullen zijn. De tegenhanger is dan ook het teruglopende aandeel van middelbaar opgeleiden, de enige indicator met een rode trend. Binnen Europa neemt Nederland met het onderwijsniveau een middenpositie in. Hierbij past wel een kanttekening: hoewel alle EU-landen rapporteren volgens dezelfde internationale classificatie (ISCED), verschillen de onderwijssystemen sterk van land tot land. Bij de interpretatie van de uitkomsten moet dan ook rekening gehouden worden met verschil in beleid en organisatie.

Het is moeilijk een goed beeld te krijgen van de vaardigheden van leerlingen en van de bevolking in het algemeen. Omdat steeds andere toetsen worden afgenomen was het bijvoorbeeld lang lastig zicht te krijgen op de taal- en rekenvaardigheid van leerlingen in groep 8. De Inspectie van het Onderwijs publiceerde daarom over schooljaar 2018/’19 een nulmeting om onder meer te zien of leerlingen aan het eind van hun basisschooltijd goed genoeg kunnen lezen en rekenen. Hierbij werd voor het eerst naar de resultaten van alle vijf eindtoetsen gekeken. Als gevolg van de coronacrisis werd in 2020 echter geen eindtoets afgenomen. Scholen waren tijdens de coronapandemie geregeld gesloten en thuisonderwijs was de norm. Het is moeilijk de impact van het wegvallen van fysiek onderwijs op de leerresultaten te meten. De nulmeting heeft daarom nog geen vervolg gekregen. Om de internationale positie te kunnen bepalen voor lees- en rekenvaardigheid maakt de monitor gebruik van het driejaarlijkse PISA-onderzoek onder 15‑jarigen in de OESO-landen. De wiskundevaardigheden van 15‑jarigen zijn groot vergeleken met leerlingen in andere EU-landen.

Het is ook lastig zicht te krijgen op de vaardigheden van de volwassen bevolking. Om deze te toetsen houdt de OESO eens in de tien jaar het zogenoemde PIAAC-onderzoek. In 2018 is een nieuwe ronde gestart; de resultaten daarvan worden op zijn vroegst in 2023 verwacht. De PIAAC-indicator wordt in het dashboard getoond, maar is dus niet recent (2012). Ten tijde van de laatste meting waren de Nederlandse scores met betrekking tot taal- en rekenvaardigheid van volwassenen hoog, met een tweede en derde plaats van 16 EU-landen. Digitale vaardigheden tot slot zijn in een kennisintensieve economie onmisbaar; op dit punt voert Nederland in 2019 de Europese ranglijst aan.

Beleving heeft betrekking op hoe mensen onderwijs en opleidingskansen ervaren. De tevredenheid met de opleidingskansen was niet eerder zo groot als in 2021. Bijna 85 procent van de volwassen bevolking was hier content over, en de trend is stijgend. Mogelijk speelt de huidige krapte op de arbeidsmarkt hierbij ook een rol, en zorgen werkgevers voor extra scholingsfaciliteiten voor hun werknemers.

SDG 5   Gendergelijkheid

Volgens SDG 5 moeten mannen en vrouwen gelijk behandeld worden en een gelijkwaardige positie in de samenleving hebben. Hiervoor moet een eind komen aan achterstand van vooral vrouwen en meisjes op allerlei terreinen, waaronder dwang en geweld, werk en zorg, maar ook invloed in het openbare leven.

Het Nederlandse beleid dekt SDG 5 grotendeels. De belangrijkste beleidsinzet krijgt vorm via de Emancipatienota, de aanpak van huiselijk geweld en maatregelen om zorgtaken gelijker te kunnen verdelen. De meeste beleidsvoornemens en -maatregelen op het gebied van SDG 5 zijn opgesteld door de ministeries van OCW en VWS. Het beleid op het terrein van inclusie en non-discriminatie dekt ook bepaalde aspecten van SDG 10.noot8

De Emancipatiemonitor van het CBS en het SCP bevat de resultaten van tweejaarlijks onderzoek naar de emancipatie van vrouwen in Nederland.

Van de meeste indicatoren in dit dashboard is de trend groen: acht van de dertien indicatoren ontwikkelen zich in de richting van een toename van brede welvaart en het behalen van de SDG-targets. Bij de internationale positie van Nederland is het beeld meer gemengd. Bij drie indicatoren staan we bij de top drie, bij twee indicatoren staan we in de achterhoede.

Vanaf verslagjaar 2021 gebruikt het CBS een nieuwe meetmethode voor de beroepsbevolking, om zo werklozen en werkenden beter in beeld te brengen. Volgens de nieuwe methode zijn beide groepen toegenomen. Het was niet mogelijk om alle onderliggende verdelingen van de beroepsbevolking, waaronder die naar geslacht, te corrigeren voor deze nieuwe methode. Daarom is de trendberekening bij sommige indicatoren in het dashboard van SDG 5 nog gebaseerd op de niet-herziene reeks tot en met 2020. Het cijfer voor 2021 kan niet goed met de bestaande reeks vergeleken worden, maar wordt wel genoemd in de tekst. Zodra drie verslagjaren beschikbaar zijn volgens de nieuwe methode zodat een trend berekend kan worden, zal ook daar worden overgestapt op de herziene reeksen.

SDG 5   Gendergelijkheid  

Gebruik

52,9%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
23e
66,5%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
1e
74,3%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
1e

Uitkomsten

34,3%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
14e
34,7%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
3e
64,3%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
80,2%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
13,2%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
12e
25,9%
25e
33,3%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
10e
65,1
18e
65,4
11e
1,3

Middelen en mogelijkheden gaan over rechten en vrijheden van mannen en vrouwen en de mogelijkheid deze te gebruiken. Er zijn voor deze categorie op dit moment geen indicatoren bekend die voldoen aan de kwaliteitseisen van deze publicatie.

Gebruik betreft de mate waarin vrouwen en mannen maatschappelijk en economisch participeren. Omdat er wereldwijd achterstanden zijn bij vrouwen in het hoger onderwijs, gaat de SDG-agenda uit van hoe hoger het aandeel vrouwen hoe beter. In het Nederlandse hoger onderwijs was in het studiejaar 2021/’22 het merendeel (52,9 procent) van de studenten vrouw. De trend is bovendien stijgend. In de meeste andere Europese landen ligt het percentage vrouwelijke studenten zelfs nog wat hoger dan in Nederland. Er is geen achterstand van vrouwen op dit punt. Als er binnen de EU al sprake is van een achterstand, dan is dat bij de mannen. Ook de nettoarbeidsparticipatie (het aandeel werkenden in de leeftijd van 15–74 jaar) neemt bij zowel mannen als vrouwen trendmatig toe. Wel liep de arbeidsdeelname in coronajaar 2020 terug ten opzichte van 2019. In 2021 lag de participatie van mannen (74,3 procent) nog 7,8 procentpunt boven die van vrouwen (66,5 procent). Het verschil is in de periode 2014–2021 wel kleiner geworden. Met de hoge percentages ging Nederland in 2020 aan kop in de EU.

Uitkomsten betreffen de effecten van participatie en arbeidsduur op gendergelijkheid. De indicatoren met betrekking tot opleidingsniveau en economische zelfstandigheid ontwikkelen zich gunstig vanuit het oogpunt van brede welvaart. De trends kleuren groen. Mannen zijn vaker economisch zelfstandig dan vrouwen, maar het percentage vrouwen dat met werk minstens het bijstandsniveau verdient en daarmee economisch zelfstandig is, is sinds het begin van de trendperiode (2014) wel harder gegroeid dan dat bij mannen. Het gaat hier, anders dan bij arbeidsparticipatie, om mannen en vrouwen van 15 jaar tot de AOW-leeftijd, exclusief scholieren en studenten. Dankzij de inhaalslag is het verschil in economische zelfstandigheid teruggelopen van ruim 20 procentpunt in 2014 naar minder dan 16 procentpunt in 2020.

Het verschil in bruto-uurloon tussen mannen en vrouwen wordt ook geleidelijk kleiner. Het uurloonverschil is sinds 2014 met 2,9 procentpunt afgenomen naar 13,2 procent in 2021, waarmee Nederland binnen de EU een middenpositie inneemt. Het lagere uurloon van vrouwen is voor een deel toe te schrijven aan andere verschillen met hun mannelijke collega’s: in leeftijd, in deeltijd werken, het beroepsniveau, en het al dan niet leidinggeven. Het loonverschil in Nederland is in de loop der jaren onder andere afgenomen doordat vrouwelijke werknemers steeds hoger opgeleid zijn. 

Bij zowel vrouwen als mannen neemt het percentage hoogopgeleiden toe. Het aandeel is bij vrouwen vrijwel gelijk aan dat bij de mannen. Toch hebben Nederlandse vrouwen internationaal een positie in de middengroep: in de andere EU-landen is het percentage hoogopgeleide vrouwen nog hoger. Met het aandeel hoogopgeleide mannen staat Nederland juist in de Europese voorhoede.

Bij vrouwen in leidinggevende functies is de trend omgeslagen van opwaarts (groen) naar neutraal. Vergeleken met andere EU-landen is het aandeel vrouwen dat deze posities bezet laag, getuige de 25e plaats in 2020. Vanwege de mogelijke breuk in de tijdreeks als gevolg van de nieuwe meetmethode bij de beroepsbevolking is de trend gebaseerd op de oude meting. Volgens de nieuwe meting bezetten vrouwen in 2021 25,4 procent van de posities in het hogere management en middenkader.

Het aandeel vrouwelijke volksvertegenwoordigers neemt af, de trend kleurt rood. Op 1 februari 2021, de peildatum van het onderzoek, was een derde van de Tweede Kamerleden vrouw. Dit zorgde voor een middenpositie binnen de EU. Na de verkiezingen op 17 maart 2021 gingen overigens 59 van de 150 zetels in de Tweede Kamer naar vrouwen.

De gezonde levensverwachting – de levensverwachting in als goed of zeer goed ervaren gezondheid – is voor vrouwen (65,1 jaar) en mannen (65,4 jaar) redelijk vergelijkbaar. Hier speelt de gezondheidsparadox: de totale levensverwachting van vrouwen is hoger dan die van mannen. Dat is op zich mooi voor vrouwen, maar betekent wel dat zij een iets groter deel van hun leven doorbrengen in minder goede gezondheid. Vergeleken met vrouwen in andere EU-landen bevinden Nederlanders zich in de middengroep. Daarbij hebben de cijfers voor de internationale vergelijking een iets andere definitie dan de cijfers die voor de trend in Nederland gebruikt zijn: bij de internationale vergelijking gaat het over de levensverwachting zonder beperkingen.

Bij het streven naar sociale veiligheid voor alle burgers is minder intimidatie en geweld tegen vrouwen een van de speerpunten van deze SDG. Fysiek en/of seksueel geweld door de huidige of ex-partner is hier een aspect van. In 2019 gaven 1,3 op de duizend vrouwen van 15 jaar of ouder aan slachtoffer te zijn geweest van fysiek of seksueel geweld door de huidige of ex-partner. In 2014, aan het begin van de trendperiode, ging het nog om 2,2 op de duizend vrouwen. De Veiligheidsmonitor, waar dit cijfer aan ontleend is, heeft in 2021 een geheel nieuwe opzet gekregen. De uitvraag naar geweld is nu heel anders dan voorheen en de uitkomsten zijn dus onvergelijkbaar met die uit eerdere edities. Het 2021 cijfer volgens de vernieuwde uitvraag (2,4 op de duizend vrouwen) staat dan ook niet in het dashboard en de trend is nog bepaald met de oude reeks.

Beleving gaat om de persoonlijke ervaring van gender(on)gelijkheid. Er zijn voor deze categorie op dit moment geen indicatoren bekend die voldoen aan de kwaliteitseisen van deze publicatie.

SDG 6   Schoon water en sanitair

Toegang tot drinkwater en sanitaire voorzieningen en duurzaam beheer van water vormen de kern van SDG 6. Vrijwel iedereen in Nederland heeft toegang tot schoon drinkwater en goed sanitair. Het dashboard omvat wel indicatoren over de betaalbaarheid van drinkwater. De vraag naar drinkwater is tijdens de afgelopen droge en hete zomers gestegen. Ook de groeiende bevolking en de behoefte aan meer woningen, en daarmee meer aansluitingen, zorgen voor meer vraag. Omdat er weinig opties zijn om meer water te winnen, concurreren drinkwaterbedrijven steeds vaker met de belangen van natuur, landbouw en klimaatactie. Naar mate droge zomers vaker voorkomen, kan de leveringszekerheid van drinkwater op termijn onder druk komen. De focus van dit dashboard ligt op waterkwaliteit en de efficiëntie van watergebruik. Minder schadelijke lozingen, hergebruik van water en een lager watergebruik moeten de waterkwaliteit verhogen en waterschaarste tegengaan. Lozingen van vervuilende stoffen, direct of via de bodem, beïnvloeden de kwaliteit van binnenwateren en het grondwater. Waterzuivering helpt de gevolgen van vervuiling tegen te gaan en verbetert de kwaliteit. Zuiniger zijn met water, ten slotte, vermindert de druk op zoetwaterbronnen bij groeiende economische activiteit.

Het beleid voor SDG 6 is geformuleerd door met name de ministeries van IenW en LNV, maar er zijn ook bijdragen van BZ, BZK en VWS. De inzet is hoofdzakelijk gericht op het geïntegreerd zoetwaterbeheer om de beschikbaarheid van water zeker te stellen, en op het tegengaan van watervervuiling.noot9

De trendmatige ontwikkeling in Nederland duidt bij SDG 6 in het algemeen op een stijgende of stabiele brede welvaart. Er zijn drie uitzonderingen: de toenemende onttrekking van grondwater, de achteruitgang van diersoorten die kenmerkend zijn voor zoetwaternatuur, en de verslechterende chemische waterkwaliteit. Een vergelijking met andere EU-landen is hier voor maar een paar indicatoren mogelijk, en die geeft aan dat Nederland doorgaans in de middengroep staat.

SDG 6   Schoon water en sanitair  

Middelen en mogelijkheden

€ 1,17
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
€ 1,61

Gebruik

85%
88%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
409
16e
67
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
10e
€ 85
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
9e

Uitkomsten

15,8%
13e
155
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
3,6%
5,1%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
4,5
72,7%
17e

Beleving

8,7

Middelen en mogelijkheden betreffen de middelen waarmee huishoudens worden voorzien van schoon en betaalbaar drinkwater. De drinkwatervoorziening is in Nederland zeer goed geregeld. De drinkwaterbedrijven zijn erin geslaagd hun kosten omlaag te brengen (van 1,24 euro per kubieke meter in 2014 naar 1,17 euro in 2020). Naast deze dalende trend staat een stabiele trend bij de gemiddelde prijs voor gebruikers van drinkwater, die ook kosten voor grondwaterheffing, precario, belasting op leidingwater en btw omvat. Eindgebruikers betaalden in 2020, net als aan het begin van de trendperiode in 2014, gemiddeld een bedrag van 1,61 euro per kubieke meter.

Gebruik betreft de zuivering van afvalwater, de onttrekking van water aan het milieu en de efficiëntie van watergebruik (waterproductiviteit). Bij de trends is het beeld gemengd. Het zuiveringsrendement voor stikstof en fosfor bij de zuivering van stedelijk afvalwater was in 2020 respectievelijk 85 en 88 procent. Deze hoge percentages zijn een maat voor de efficiëntie van de waterzuivering. Bij fosfor neemt het percentage zelfs nog verder toe, bij stikstof is de voorheen stijgende trend omgeslagen in een neutrale, maar ook daar is nog ruimte voor lichte verbetering.

Zowel huishoudens als bedrijven gebruiken water. Als de totale onttrekking van zoetwater wordt omgeslagen over het aantal inwoners, is er in 2020 per inwoner 409 kubieke meter zoet oppervlaktewater gewonnen. In 2014, aan het begin van de trendperiode, was dit 502 kubieke meter. De voorheen dalende trend is inmiddels omgeslagen naar een neutrale. Vergeleken met andere EU-landen onttrekt Nederland per inwoner veel zoet oppervlaktewater, mede omdat ons land veel koelwater-intensieve bedrijven telt. Dat koelwater komt na lozing overigens weer beschikbaar voor gebruik. Voor economische activiteiten en verbruik door huishoudens wordt ook grondwater onttrokken. De hoeveelheid onttrokken grondwater was, omgeslagen per inwoner, in 2018, 2019 en 2020 veel groter dan in de jaren ervoor. Vooral de droge zomer van 2018 leidde tot flink meer waterverbruik door de landbouw en drinkwaterbedrijven; de trend is stijgend (rood). De waterproductiviteit – een maatstaf voor efficiëntie van het watergebruik door het bedrijfsleven – is tussen 2014 en 2020 flink verbeterd, van 67 euro toegevoegde waarde per kubieke meter (in prijzen 2015) naar 85 euro. Nederland heeft qua waterproductiviteit binnen de EU een positie in de middengroep.

Uitkomsten hebben bij deze SDG betrekking op de kwaliteit van het oppervlaktewater en de duurzaamheid van watergebruik. De trends duiden op gelijkblijvende of zelfs dalende brede welvaart. Bij het niveau van waterstress (hoeveel water onttrokken wordt) is de voorheen neerwaartse (groene) trend omgeslagen in een neutrale. Het gaat hier om de verhouding tussen het zoetwater dat wordt onttrokken en de beschikbare hernieuwbare zoetwaterbronnen. Bij diersoorten die typerend zijn voor zoete wateren en moerassen is vanaf 2014 (na een lange periode van gestage stijging) sprake van een afname. De oorzaken van deze daling zijn divers en per soortgroep verschillend. De waterkwaliteit is kennelijk nog lang niet overal voldoende voor deze specifieke diersoorten. Ook verdroging kan een rol spelen.

De biologische waterkwaliteit (voor algen, waterplanten, vissen en macrofauna) en de chemische waterkwaliteit (op basis van 53 chemische stoffen of groepen van stoffen) worden in dit dashboard beoordeeld conform de Europese Kaderrichtlijn Water. In de Natuurlijk Kapitaalrekeningen rekent het CBS de data over aantallen waterlichamen om naar het percentage oppervlaktewater met een goede kwaliteit. Heel veel kleine waterlichamen voldoen namelijk op zich wel, maar qua totaaloppervlak voldoet maar een relatief klein deel van het Nederlandse water. Dit laat onverlet dat veel soorten van de macrofauna en waterplanten zich juist in de kleine beekjes en slootjes bevinden. In 2020 had 3,6 procent van het oppervlaktewater een goede biologische kwaliteit en voldeed 5,1 procent aan de normen voor chemische kwaliteit. De trend in chemische kwaliteit is dalend: in 2015, het eerste jaar van de meting, was het nog 10,4 procent.

De kwaliteit van het zwemwater in het binnenland is goed, in 2021 had bijna driekwart (72,7 procent) van het binnenwater de kwalificatie ‘uitstekend’. Deze indicator is zijdelings ook relevant voor de productie van drinkwater omdat in Nederland naast grondwater vooral ook oppervlaktewater onttrokken wordt voor drinkwaterproductie.

Beleving betreft tevredenheid over het drinkwater. In 2019 gaven klanten van waterleidingbedrijven hun water het rapportcijfer 8,7, hoger dan ooit. Deze tevredenheid wordt echter maar eens in de drie jaar gemeten, waardoor er niet genoeg datapunten zijn in de periode 2014–2021 om de trend te kunnen vaststellen.

SDG 7   Betaalbare en duurzame energie

SDG 7 focust op energiezekerheid, verduurzaming en energie-efficiëntie, onderwerpen die behoren tot de belangrijkste in het maatschappelijke en politieke debat van de afgelopen jaren en die met de oplopende geopolitieke spanningen zeer actueel zijn. Het beleid voor SDG 7 is voornamelijk opgesteld door het ministerie van EZK. Het energiebeleid wordt vormgegeven in de context van het Klimaatakkoord: het Integraal Nationaal Energie- en Klimaatplan bevat het beleid in de periode 2021–2030 (zie ook SDG 13). Daarnaast zijn er ook beleidsdoelen geformuleerd en initiatieven ontplooid door BZK, LNV, IenW en BZ vanuit de innovatie-agenda, omgevingsbeleid en landbouwbeleid.noot10 Inmiddels is een minister aangesteld die specifiek de regie heeft over het beleid rond klimaat en energie, en is een Klimaatfonds ingesteld om economie en samenleving te verduurzamen. Ook zeer relevant voor Nederland is het zich steeds sterker ontwikkelende energiebeleid vanuit de Europese Unie.

In Nederland is de energiezekerheid altijd groot geweest. Naar mate de gaswinning in Groningen verder afgebouwd werd, raakte Nederland echter steeds afhankelijker van ingevoerde energie. Bijna 70 procent van de energie komt inmiddels uit het buitenland, wat ons land kwetsbaar maakt bij geopolitieke spanningen. Een goede verstandhouding met de belangrijkste landen van herkomst (Rusland, Midden-Oosten) is niet vanzelfsprekend.

De indicatoren in SDG 7 zijn vooral gericht op hernieuwbare energie en energie-efficiëntie.

Verbranding van fossiele brandstoffen door elektriciteitscentrales, de industrie, auto’s, woningen en andere gebouwen gaat gepaard met veel uitstoot van broeikasgassen (zie ook SDG 13 Klimaatactie). De ontwikkeling en het gebruik van technologieën voor energiebesparing en hernieuwbare energiebronnen zijn een belangrijk middel om het energieverbruik en de afhankelijkheid van (ingevoerde) fossiele brandstoffen te verminderen. Dit heeft een positief effect op zowel de huidige als de toekomstige brede welvaart. In de praktijk betekent verduurzaming in veel gevallen een overstap naar elektrische installaties, waarvoor elektriciteit nodig is.

De trendmatige ontwikkelingen (2014–2021) bij SDG 7, duiden merendeels op een beweging in de richting van de doelen van de SDG-agenda en stijgende of stabiele brede welvaart. Gunstig vanuit dit perspectief is de groei van de investeringen in hernieuwbare energie en energiebesparingen als percentage van het bbp. Ook het toenemen van het opgesteld vermogen voor hernieuwbare elektriciteit, het gestegen gebruik van hernieuwbare energie en de afnemende energie-intensiteit van de economie betekenen in dit kader goed nieuws. Er zijn wel zorgen over de leveringszekerheid van energie: de eigen minerale reserves nemen af en de afhankelijkheid van invoer van energie is sterk toegenomen. Deze trends kleuren rood.

In vergelijking met de andere EU-landen verkeert Nederland bij een deel van de indicatoren in de middengroep of (ver) in de achterhoede.

SDG 7   Betaalbare en duurzame energie  

Middelen en mogelijkheden

1,4%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
0,6%
0,4
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
10e
1 255,5
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
11e
68,5%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
19e
3,5%
5e

Gebruik

4 035
23e
115,0
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
10e

Uitkomsten

3,1
10,8
27e
21
11,5%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
23e

Middelen en mogelijkheden betreffen de beschikbaarheid en betaalbaarheid van energie en, vooral voor Nederland relevant, investeringen in duurzame energievoorziening. De trend van investeringen in hernieuwbare energie en energiebesparing is opwaarts. In 2019 ging het om 1,4 procent van het bbp, tegen 1,0 procent aan het begin van de trendperiode in 2014. De duurzame-energiesector was in 2020 goed voor 0,6 procent van de totale werkgelegenheid, het aandeel is vrijwel gelijk aan dat in 2014.

Het in Nederland opgestelde vermogen voor hernieuwbare elektriciteit is in de trendperiode toegenomen van 231 megawatt per miljoen inwoners in 2014 naar 1 256 megawatt in 2021. De stijging is onder meer het gevolg van uitbreiding van het windmolenpark op land en voor de kust. Maar ook het elektrisch vermogen van installaties om zonnestroom op te wekken groeide fors. Met een 11e positie van 27 EU-landen bezette Nederland in 2020 een middenpositie binnen de EU. Het gaat bij deze indicator overigens om het opgestelde vermogen, en niet om de daadwerkelijke opwekking van energie. Met name bij zonne-energie blijft de opgewekte energie duidelijk achter bij het potentiële vermogen.

Naast groene trends zijn er bij de categorie middelen en mogelijkheden ook twee rode. Omdat de huidige energievoorziening in Nederland nog grotendeels gebaseerd is op fossiele brandstoffen, is het belangrijk dat er voldoende fossiele energiereserves zijn. De reserves die vanuit economisch en maatschappelijk oogpunt als winbaar beschouwd worden, liepen in 2021 verder terug, en de trend kleurt dan ook rood. Voorlopig hebben we gas nodig: vrijwel alle Nederlandse huishoudens zijn aangesloten op gas, en daarbij heeft Nederland afgesproken gas voor Duitse huishoudens te leveren. Gezien de bodemgesteldheid en omwille van de veiligheid van de inwoners, moet de gaswinning in Groningen afgebouwd worden. Vanuit oogpunt van klimaatdoelstellingen is dit minder het geval, omdat – gegeven de behoefte – Gronings gas een relatief betere CO2‑footprint heeft dan bijvoorbeeld Russisch gas of vloeibaar gas uit de Verenigde Staten. Omdat de gasbehoefte er nog is maar de eigen reserves dalen, stijgt de afhankelijkheid van de invoer, wat kwetsbaar maakt voor geopolitieke spanningen, zeker omdat er weinig mogelijkheden zijn voor Europa om het Russische gas te vervangen door gas uit andere landen. Ook deze indicator duidt op kwetsbaarheid en heeft een rode trend. In 2020 werd al bijna 70 procent van de energie geïmporteerd, terwijl dit aan het begin van de trendperiode, in 2014, nog een derde was. Nederland staat in de EU-middengroep, met een 19e positie van 27 landen. In de hele EU is deze kwetsbaarheid overigens groot: de gasmarkt in de EU is sterk verweven en landen hebben afgesproken elkaar te helpen bij schaarste. De energieafhankelijkheid van de EU als geheel is daarmee ook een factor van betekenis.

Als indicator voor de betaalbaarheid van energie kijken we naar wat huishoudens aan hun energierekening uitgeven als percentage van hun totale consumptieve uitgaven. Onder invloed van de sterk gestegen energieprijzen nam dit in 2021 toe naar 3,5 procent. De trend is neutraal. De energieprijzen stegen onder invloed van geopolitieke spanningen in de laatste maanden van 2021 en aan het begin van 2022 flink door, en zorgden voor een hoge inflatie. Betaalbaarheid van energie is dan ook een groot punt van zorg. De eigen Nederlandse gasvoorraden in het Groninger veld zijn niet goed meer winbaar, de gas- en olievoorraden in Europa zijn relatief laag en de mogelijkheden tot extra import gering. Deze krapte op de Europese markt drijft de prijzen op. Elektriciteit was in 2021 gemiddeld 22,2 procent duurder dan een jaar eerder (maar was in 2020 door een grote korting op de energiebelasting nog 39,6 procent goedkoper dan het jaar ervoor). Gas was gemiddeld 16,7 procent duurder, na een stijging van 2,6 procent in 2020. Voor zowel elektriciteit als gas valt de prijsstijging toe te schrijven aan de stijging van de variabele leveringstarieven. Ook benzine (16,2 procent) en diesel (18,5 procent) waren in 2021 duurder, na prijsdalingen in 2020.

Gebruik betreft de hoeveelheid energie die wordt gebruikt en bespaard. Bij het totale energieverbruik is er een trendomslag van dalend naar neutraal. Nederland bezet een plek in de achterhoede in de vergelijking met andere EU-landen. Hier speelt de productiestructuur mee: Nederland maakt energie-intensieve producten als basismetaal en basischemicaliën, die vervolgens in andere landen verder worden verwerkt.

Positief is de trendmatige afname van de energie-intensiteit, een maat voor de energie-efficiëntie van de economie: hoeveel energie wordt verbruikt in verhouding tot de omvang van de economie. Hier spelen zowel een verandering van de productiestructuur (verschuiving van maakindustrie naar diensteneconomie) als een verbetering van de energie-efficiëntie (bijvoorbeeld door energiebesparing en isolatie) een rol. Nederland bezette in 2020 binnen de EU een positie in de middengroep. Bij deze internationale vergelijking past wel de kanttekening dat de samenstelling van de economische activiteiten en het energieverbruik in de bijbehorende productieprocessen van land tot land sterk verschilt.

Uitkomsten betreffen de duurzaamheid en verspilling van energie. De langjarige trend bij de invoer van fossiele energiedragers stijgt of daalt niet significant, maar Nederland staat als belangrijkste importeur van fossiele brandstoffen in 2020 helemaal onderaan de EU-ranglijst. Vanuit het perspectief van duurzaamheid wordt veel invoer namelijk als negatief getypeerd. Een groot deel van deze invoer wordt overigens wel weer uitgevoerd.

Het aandeel hernieuwbare energie groeit gestaag: van 5,4 procent aan het begin van de trendperiode in 2014 naar 11,5 procent in 2020. Als doel voor het Europese en nationale beleid voor hernieuwbare energie geldt 14 procent in 2020. Om aan de doelstelling te voldoen mogen landen onderling een administratieve overdracht toepassen. Nederland heeft hiervan gebruik gemaakt en in 2020 het verschil tussen de gerealiseerde 11,5 en de gewenste 14 procent verrekend met Denemarken, waar het verbruik van hernieuwbare energie hoger is dan de afgesproken doelstelling. Ook na deze verrekening verkeert Nederland echter binnen de EU nog in de onderste regionen, met een 23e plaats in 2020. Vergeleken met andere landen, zoals Duitsland, is de Nederlandse overheid lang terughoudend geweest met het financieel stimuleren van hernieuwbare energie. Bovendien kunnen we in Nederland weinig gebruik maken van waterkracht en gebruiken huishoudens hier relatief weinig hout voor verwarming.

Onder meer vanwege de energietransitie neemt de vraag naar elektriciteit in de toekomst naar verwachting fors toe. Hierbij is een goed functionerend stroomnetwerk essentieel voor het functioneren van de samenleving. De aan het dashboard toegevoegde indicator stroomstoringen geeft een indicatie van de betrouwbaarheid en leveringszekerheid van elektriciteit. Al met al blijkt deze in Nederland zeer groot: in 2020 hadden huishoudens en zakelijke gebruikers gemiddeld 21 minuten geen stroom als gevolg van storingen. De trend is neutraal.

Beleving betreft de tevredenheid met de prijs en beschikbaarheid van energiebronnen. Er zijn voor deze categorie op dit moment geen indicatoren bekend die voldoen aan de kwaliteitseisen van deze publicatie.

SDG 8   Waardig werk en economische groei: economie en productiefactoren

De doelstelling van SDG 8 is tweeledig. Het eerste dashboard van SDG 8 gaat in op het duurzamer en efficiënter maken van economische groei, met aandacht voor innovatie, ondernemerschap en milieu. Het volume van het bbp is een maat voor de omvang van de economie; het kan worden berekend vanuit de productie, de inkomens of de bestedingen. Een toename van het bbp zorgt op korte termijn doorgaans voor meer materiële welvaart: een hoger mediaan besteedbaar inkomen en hogere individuele consumptie. Er is wel een keerzijde: economische activiteiten kunnen op lange termijn schadelijk zijn voor de brede welvaart, de leefomgeving en het welbevinden. Voor de productie van goederen en diensten is input nodig van kapitaal, arbeid en grondstoffen. Worden deze duurzaam en productief ingezet? En hoe worden de winsten en inkomens verdeeld worden over burgers en bedrijven? Al deze factoren bepalen samen hoe efficiënt en duurzaam economische groei is. Het tweede aspect van SDG 8, zorgen dat iedereen waardig werk heeft, wordt behandeld in een apart dashboard.

Het Nederlandse beleid voor SDG 8 is voornamelijk opgesteld door het ministerie van SZW. Daarnaast zijn beleidsmaatregelen en voornemens geformuleerd door tal van andere departementen.noot11 Zo is in 2019 de Groeistrategie gelanceerd met het oog op economische groei en het verhogen van het verdienvermogen. Een ander belangrijk beleidsvoornemen betreft het Programma Circulaire Economie 2050, dat getrokken wordt door IenW, met bijdragen vanuit LNV (kringlooplandbouw) en EZK (verduurzaming van de Nederlandse basisindustrie).

Bij vijf van de vijftien indicatoren in dit dasboard, waaronder het bbp per capita (in constante prijzen 2015), is de middellangetermijntrend (2014–2021) stijgend en groen. Deze ontwikkeling wordt geassocieerd met een hogere brede welvaart en een beweging in de richting van de SDG-doelen. Er zijn bij dit dashboard geen trendomslagen, en geen indicatoren met een trend die duidt op verminderde welvaart. De Nederlandse economie kromp in 2020 fors onder invloed van de coronamaatregelen, maar vergeleken met andere EU-landen bleef de schade binnen de perken. In 2021 herstelde de economie zich, en was het bbp per hoofd van de bevolking vrijwel terug op het niveau van 2019. In de internationale vergelijking heeft Nederland bij zes indicatoren een score in de Europese voorhoede, terwijl het bij één indicator een positie onderaan de ranglijst inneemt. Deze laatste, investeringen in materiële vaste activa, is een belangrijke indicator voor de toekomstige brede welvaart.

SDG 8   Waardig werk en economische groei: economie en productiefactoren  

Middelen en mogelijkheden

17,0%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
13e
785,1
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
16e
€ 28 600
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
5e

Gebruik

€ 50
7e
€ 152
7e
€ 11,10
6e
€ 4,91
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
1e
€ 25 754
5e

Uitkomsten

€ 43 538
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
5e
76,3%
1e
31,8%
12e
7,4

Beleving

-14
8e
8,3
9e
8,6

Middelen en mogelijkheden betreffen de hoeveelheid arbeid, kapitaal en kennis die wordt ingezet bij de productie van goederen en diensten, en de mogelijkheid deze productie uiteindelijk te (ver)kopen voor consumptie of anderszins. De trends in dit deel van het dashboard kleuren groen: het aantal gewerkte uren, de investeringen in materiële activa en het mediaan besteedbaar inkomen stijgen. Bij de internationale positie loopt het beeld uiteen: qua gewerkte uren per inwoner neemt Nederland een middenpositie in, en bij het mediaan besteedbaar inkomen staat Nederland juist bovenin de ranglijst. Dat de Nederlandse investeringen in materiële vaste activa achterlopen is een aandachtspunt, omdat het een belangrijke indicator is voor de toekomstige materiële welvaart.

Gebruik betreft de productiviteit en duurzaamheid van de inzet van productiefactoren, en consumptie. Deze zijn mede af te lezen uit een aantal economische ratio’s. De arbeidsproductiviteit (toegevoegde waarde per gewerkt uur), grondstoffenproductiviteit en de individuele consumptie zijn relatief hoog vergeleken met andere EU-landen. Bij grondstoffenproductiviteit gaat Nederland aan kop. Van alle EU-landen wordt hier al het meest efficiënt omgegaan met de verbruikte grondstoffen, en de efficiëntie verbetert nog verder gezien de stijgende trend.

Uitkomsten hebben betrekking op het tempo, de efficiëntie en de houdbaarheid van economische groei. In 2021 volgde economisch herstel, nadat het totale volume van het bbp in het eerste coronajaar 3,8 procent was gekrompen. Het bbp per inwoner kromp toen zelfs iets meer, met 4,3 procent. Met een bbp-stijging van 4,8 procent (voor de monitor wordt de eerste jaarraming gebruikt) werd de achteruitgang van het bbp in een jaar tijd volledig goedgemaakt. Ook het bbp per hoofd van de bevolking kwam in 2021 met een toename van 4,2 procent weer vrijwel terug op het pre-corona niveau. De middellangetermijntrend van het bbp per inwoner blijft stijgend. Bovendien heeft Nederland een hoge positie op de Europese ranglijst. Bijna een derde van het bbp komt tot stand dankzij de uitvoer naar andere landen, dit aandeel stijgt of daalt niet significant.

Als aandeel van de beloning van arbeid (werknemers en zelfstandigen) in het totale verdiende inkomen, geeft de arbeidsinkomensquote (aiq) een beeld van de verdeling van winsten en beloning in de economie. Voor werkenden is een hogere aiq gunstig. Volgens de definitie gehanteerd door het CBS, het CPB en DNB kwam de aiq in 2021 uit op 76,3 procent. De hier gegeven positie ten opzichte van andere landen is alleen indicatief; de vergelijking is lastig omdat er veel definitieverschillen zijn. De aiq van Nederland lijkt evenwel relatief hoog te zijn (cijfers 2017). De grondstoffenvoetafdruk ten slotte, kwam in 2020 uit op 7,4 ton per inwoner. De trend is stabiel. Het CBS werkt momenteel aan het verbeteren van de methoden om deze en andere voetafdrukken te berekenen.

Beleving gaat om vertrouwen van consumenten en producenten. Hierbij speelt de conjuncturele ontwikkeling een rol, maar ook het gevoerde beleid is van invloed: door de coronamaatregelen gedupeerde ondernemers werden bijvoorbeeld tijdens de pandemie geholpen met steunpakketten. Het sentiment onder consumenten kan sterk wisselen. In 2020 daalde het consumentenvertrouwen fors, het jaargemiddelde kwam uit op –20. In de eerste helft van 2021 volgde echter herstel, en in de zomer hielden optimisten en pessimisten elkaar weer bijna in evenwicht. Daarna verslechterde de stemming, zodanig dat het jaargemiddelde op –14 uitkwam. Ook het vertrouwen van industriële producenten maakte na de eerste coronamaatregelen aanvankelijk een duikvlucht, maar in de maanden na april 2020 nam de somberheid gestaag af. Het jaarcijfer voor 2020 kwam uit op –7,6. De stemming in de industrie was daarmee veel minder somber dan bijvoorbeeld ten tijde van de kredietcrisis. In 2021 waren de ondernemers weer overwegend positief, het jaargemiddelde kwam uit op 8,3. De derde stemmingsindicator, het sentiment onder alle ondernemers in het niet-financiële bedrijfsleven, herstelde zich in 2021 eveneens van de omslag een jaar eerder, met 8,6 tegen –13,5. Binnen de EU stonden Nederlandse producenten en consumenten met deze jaargemiddelden in 2021 in de middengroep.

SDG 8   Waardig werk en economische groei: arbeid en vrije tijd

De doelstelling van SDG 8 is tweeledig. Duurzamer en efficiënter economische groei met aandacht voor innovatie, ondernemerschap en milieu is behandeld in het eerste dashboard van SDG 8. Het tweede aspect van deze SDG is het realiseren van waardig werk en goede arbeidsomstandigheden voor iedereen, vooral voor kwetsbare groepen. Passend en zinvol werk is belangrijk: mensen verdienen er geld mee, nemen deel aan de samenleving en krijgen meer eigenwaarde. Voor veel mensen is het een uitdaging een baan te vinden en te houden, en daarmee voldoende te verdienen om rond te komen. Daarnaast zijn goede arbeidsomstandigheden, relevante en interessante werkzaamheden en een goede werk-privébalans belangrijk. Vrije tijd is ook belangrijk in dit opzicht, denk hierbij aan ontspanning, sociale contacten en persoonlijke ontwikkeling.

Het Nederlandse beleid voor SDG 8 wordt grotendeels gemaakt bij het ministerie van SZW. Daarnaast dragen ook de departementen BZK, EZK, OCW, VWS, SZW, JenV, LNV, IenW en BZ bij.noot12 Naast de Groeistrategie die economische groei en het verhogen van de verdienvermogen betreft, worden diverse maatregelen ingezet om waardig werk voor iedereen te realiseren en mensen te ondersteunen die niet in staat zijn om zelf regie over hun loopbaan te nemen.

In overleg met experts binnen en buiten het CBS, zijn twee indicatoren toegevoegd aan dit dashboard. Ten eerste de indicator zelf beslissen in het werk, die aangeeft hoeveel werknemers van 15–74 jaar regelmatig zelf kunnen beslissen hoe ze hun werk uitvoeren. De tweede nieuwe indicator geeft een beeld van werknemers met een flexibele arbeidsrelatie.

Het beeld bij dit dashboard is positief. Zeven indicatoren laten over de middellange termijn (2014–2021) een trendmatige verbetering van de welvaart en een beweging richting de SDG-doelen zien, terwijl slechts één indicator (psychische vermoeidheid door werk) zich ongunstig ontwikkelt. Ook de posities op de Europese ranglijst zijn veelal hoog. Alleen met het relatief lage aantal gewerkte uren en het hoge percentage flexwerkers verkeert Nederland vanuit het perspectief van brede welvaart in de achterhoede van de EU.

SDG 8   Waardig werk en economische groei: arbeid en vrije tijd  

Middelen en mogelijkheden

43
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
3e
4,2%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
6e
1,0%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
2e
13,2%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
18e

Gebruik

70,4%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
1e
27,3
25e

Uitkomsten

€ 27,63
4e
33,0%
25e
1 327
16e
17,3%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart

Beleving

9,1%
1e
12,9%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
79,0%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
7e
60,7%
8e
76,1%
6e

Middelen en mogelijkheden betreffen mogelijkheden voor deelname aan de arbeidsmarkt, en het aantal beschikbare banen. De middellangetermijntrends (2014–2021) in dit deel van het dashboard ontwikkelen zich allemaal positief. Een hoge vacaturegraad is positief voor werkzoekenden: aan het eind van 2021 waren er per duizend banen 43 vacatures, de hoogste stand sinds 1997. Door de aanhoudende vacaturegroei en een verdere daling van de werkloosheid, is de spanning op de arbeidsmarkt wel toegenomen. Het CBS gebruikt sinds begin 2022 een nieuwe meetmethode voor de cijfers over de beroepsbevolking. Hiermee worden zowel werklozen als werkenden beter in beeld gebracht. De werkloosheid is in 2021 gedaald, naar 4,2 procent van de beroepsbevolking. Ook langdurige werkloosheid komt steeds minder vaak voor: 1,0 procent van de beroepsbevolking was in 2021 een jaar of langer werkloos. Van het arbeidspotentieel bleef in 2021 13,2 procent onbenut. Dit zijn mensen zonder betaald werk die zouden kunnen werken, personen met betaald werk die recent naar werk hebben gezocht en/of direct aan de slag kunnen, en personen met betaald werk die meer uren willen werken en daarvoor per direct beschikbaar zijn. Aan het begin van de trendperiode, in 2014, ging het nog om 21,6 procent van het totale arbeidspotentieel van 15–74‑jarigen.

Hoewel de werkloosheid in 2021 in alle EU-landen daalde, is de werkloosheid in Nederland nog altijd relatief laag. We zakten met de herziene, hogere, cijfers over de beroepsbevolking iets in de lijst van landen met het laagste werkloosheidspercentage, maar behoren nog steeds tot de kopgroep. Ook de langdurige werkloosheid is relatief laag: er zijn voor Nederlandse werkzoekenden relatief veel vacatures.

Gebruik betreft de nettoarbeidsparticipatie. In 2021 was 70,4 procent van alle 15–74‑jarigen aan het werk. Dit is meer dan in 2020, toen de nettoarbeidsparticipatie voor het eerst in lange tijd afnam (69,6 procent). Tussen maart en mei 2020, net na het uitbreken van de coronacrisis, was de afname van het aantal werkenden en de arbeidsparticipatie uitzonderlijk groot, maar later in het jaar herstelde zich dit weer. Nederland heeft de hoogste nettoarbeidsparticipatie van de EU, en de trend is stijgend (groen). De gemiddelde arbeidsduur komt in 2020 uit op 27,3 gewerkte uren per werkende per week; dit is laag vergeleken met andere Europese landen. De materiële welvaart zou kunnen toenemen als mensen meer uren gaan werken. Er is wel een positief (tweede-orde) effect van dit relatief lage aantal gewerkte uren, namelijk dat er tijd en aandacht overblijft voor bijvoorbeeld mensen die een zorgtaak hebben of hun vrije tijd nodig hebben voor andere activiteiten.

Uitkomsten betreffen de opbrengsten van werk, arbeidsomstandigheden en veiligheid op het werk. Na correctie voor koopkracht, is het gemiddelde Nederlandse uurloon hoog vergeleken met andere EU-lidstaten. Volgens cijfers van het CBS en TNO was 17,3 procent van de werknemers in 2021 een paar keer per maand of vaker psychisch vermoeid door het werk. Na een piek in 2018 liep het percentage in 2019 iets terug. In 2020 volgde een relatief sterke afname, maar in 2021 keerde het aandeel dus weer terug naar het hoge niveau van 2018. De middellangetermijntrend is opwaarts en daarmee rood. Een nieuwe indicator in het dashboard is het percentage werknemers dat een tijdelijk arbeidscontract heeft óf een flexibel aantal uren per week werkt. Deze groep werknemers heeft minder inkomenszekerheid, wat van invloed kan zijn bij het nemen van grote beslissingen als het kopen van een huis of gezinsuitbreiding. In 2021 werkte 33 procent van de werknemers op deze basis. Een hoog aandeel wordt gezien als ongunstig voor de brede welvaart van de betrokken werknemers, en Nederland staat daarmee dan ook in de staartgroep van de EU. Voor ondernemers is een zekere mate van flexibiliteit op de arbeidsmarkt overigens wel gunstig, maar dit tweede-orde-effect wordt in het perspectief van dit dashboard niet meegenomen.

Beleving betreft de vraag of mensen tevreden zijn met hun arbeidsomstandigheden, hun werk en hun vrije tijd, en of ze zich zorgen maken over werk en financiën. Met de toenemende krapte op de arbeidsmarkt daalt de trend bij het percentage werknemers dat zich zorgen maakt om baanbehoud. Het aandeel werknemers dat vindt dat werk en privé niet in balans zijn, nam in 2020 af tot 7,6 procent. In 2021 steeg het percentage flink, naar 9,1, maar deze groep is nog altijd kleiner dan voor de uitbraak van de coronapandemie (9,7 procent in 2019). In hoeverre thuiswerken, minder reistijd, thuisonderwijs van kinderen of krappe behuizing de uitkomsten hebben beïnvloed valt hierbij niet te zeggen. In geen enkel EU-land is deze groep zo klein als in Nederland. Ook de tevredenheid van werknemers met hun werk is groot vergeleken met andere landen. Van elke vijf werknemers zijn er vier zeer content en de trend is stijgend. De tevredenheid met vrije tijd is eveneens groot. Nederlanders horen ook hier tot de Europese voorhoede.

SDG 9.1   Industrie, innovatie en infrastructuur: infrastructuur en mobiliteit

Deze veelomvattende SDG bevat drie hoofdcomponenten: infrastructuur en mobiliteit, industrie en duurzame bedrijvigheid, en kennis en innovatie. Hier bespreken we de eerste invalshoek: een toegankelijke infrastructuur en mobiliteit voor iedereen. De tweede en derde componenten komen aan bod in dashboards SDG 9.2 en SDG 9.3.

Naast de fysieke infrastructuur – die al sterk ontwikkeld is in Nederland – gaat dashboard 9.1 ook over de mobiliteit van personen en vrachtvervoer. Mobiliteit en infrastructuur stellen mensen in staat zich te verplaatsen, bijvoorbeeld van en naar het werk, goederen te vervoeren, contacten te onderhouden en hun vrije tijd in te vullen. Dit alles heeft echter ook nadelige effecten voor samenleving en milieu: mensen staan soms lang in de file, de verkeersveiligheid neemt af en de druk op het milieu wordt groter.

Het beleid met betrekking tot infrastructuur en mobiliteit ligt op het terrein van verschillende ministeries, maar de meeste maatregelen zijn afkomstig van IenW en EZK.noot13 De schets Mobiliteit naar 2040 streeft naar een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem, met minimale negatieve invloed op de leefomgeving, zoals minder geluidshinder, luchtvervuiling en energiegebruik. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zet in op optimale bereikbaarheid van steden en economische kerngebieden. Bewust kiezen voor combinaties van lopen, fietsen, openbaar vervoer (ov) en minder autogebruik draagt bij aan een gezonde leefomgeving en een gezonde leefstijl en daarmee aan brede welvaart.

Bij dit dashboard zijn enkele aanpassingen gedaan aan de indicatoren. Zo wordt nu het onderzoek Onderweg in Nederland (ODiN) gebruikt bij het berekenen van de indicatoren over reizigerskilometers afgelegd per fiets, auto en ov. Waar voorgaande edities alleen naar de trein is gekeken, zijn nu alle vormen van ov (trein, bus, tram en metro) meegenomen.

De uitbraak van corona en de daaropvolgende maatregelen hadden in 2020 en 2021 grote gevolgen voor de mobiliteit. Lang was het advies om zoveel mogelijk thuis te werken, in de eigen omgeving te blijven en weinig bezoek te ontvangen. In een deel van 2021 gold ook een avondklok. De files en luchtvervuiling namen af, de tevredenheid over woon-werkreistijd nam toe. De indicatoren van het mobiliteitsdashboard bij SDG 9 laten een gemengd beeld zien. Bij de trend ontwikkelen vier indicatoren zich richting verminderde brede welvaart, terwijl drie zich juist gunstig ontwikkelen. Bij twee indicatoren staat Nederland in de Europese voorhoede, bij drie juist achteraan. Er zijn geen omslagen in de trend over de periode 2014–2021 vergeleken met die over 2013–2020. Er zijn nog te weinig cijfers voor 2021 beschikbaar om een compleet beeld te geven.

SDG 9   Industrie, innovatie en infrastructuur: infrastructuur en mobiliteit  

Middelen en mogelijkheden

2,3%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
4,20
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart

Gebruik

90,5
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
15e
96,4
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
9e
89,1%
4e
10,9%
24e
961,7
8,1%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart

Uitkomsten

1,36
35,0
4e
1 798,3
519,3
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
25e

Beleving

27,4%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
24e
85,0%

Middelen en mogelijkheden gaan over de beschikbare middelen voor onderhoud en ontwikkeling van de infrastructuur en de mogelijkheden die dit biedt voor mobiliteit van personen en goederen. De dichtheid van het openbare wegennet neemt trendmatig toe, wat gunstig is voor de bereikbaarheid. Een vitale schakel voor bereikbaarheid is verder goed en toegankelijk openbaar vervoer, maar hiervoor is nog geen passende indicator gevonden. Het aandeel van de investeringen in grond-, weg- en waterbouw in het bbp kwam in 2021 uit op 2,3 procent. De trend is neerwaarts (rood).

Gebruik beschrijft de vervoersbewegingen met verschillende vervoermiddelen. Het is duidelijk dat de maatregelen om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan de mobiliteit ernstig hebben beperkt. In 2021 reisden er bijvoorbeeld meer luchtvaartpassagiers van en naar de vijf belangrijkste luchthavens in Nederland dan in 2020, maar nog altijd veel minder dan in 2019. Ook op de weg was het tijdens de pandemie rustiger: veel mensen werkten thuis en beperkten het bezoek aan anderen.

Er is een trendmatige afname in de verhouding tussen het volume van personenmobiliteit en het bbp. Ook bij het vrachtvervoer is de trend neerwaarts. Dit betekent dat het vervoer in kilometers minder snel toenam dan de groei van de economie (de cijfers lopen tot en met 2019). Dit wordt in het kader van mobiliteit als negatief gezien voor brede welvaart.

Binnen Nederland gebruikten mensen in het coronajaar 2020 veel minder vaak de auto en het ov. Als we kijken naar het totaalaantal reizigerskilometers afgelegd met auto en ov samen, zien we dat het aandeel ov hierin daalde van 17,5 procent in 2019 naar 10,9 procent in 2020. Hoewel mensen dus verhoudingsgewijs vaker in de auto stapten, reden ze in absolute zin minder kilometers in 2020 dan in 2019. Op de fiets (al dan niet elektrisch) leggen inwoners van zes jaar en ouder ook nog een kleine duizend kilometer per jaar af. In Europa hoort Nederland bij de koplopers als het om het aandeel van de auto gaat in de reizigerskilometers afgelegd met auto en ov, maar in de achterhoede als gekeken wordt naar het aandeel van alle vormen van ov. Overigens reizen Nederlanders relatief meer per trein dan andere Europeanen.

De overheid stimuleert elektrisch autorijden en autorijden op waterstof, waarmee zuiniger en schoner kan worden gereden dan met een conventionele auto. Het aandeel hybride- en elektrische auto’s in het totale aantal auto’s is flink toegenomen: van 2,0 procent eind 2014 naar 8,1 procent eind 2021. Hoewel elektrische voertuigen schoner zijn in gebruik, wordt bij de productie van deze auto’s wel beslag gelegd op grondstoffen als lithium en kobalt, die zeldzaam zijn en niet altijd onder goede arbeidsomstandigheden gewonnen worden.

Uitkomsten betreffen de effecten van het verkeer en vervoer, zoals files en vertragingen, ongelukken, vervuiling en geluidshinder. De CO2‑uitstoot van de Nederlandse luchtvaartmaatschappijen in kilo per inwoner, daalt trendmatig, maar is wel relatief hoog vergeleken met die van nationale maatschappijen van andere EU-landen. In coronajaar 2020 werd het vliegverkeer vanaf maart ernstig beperkt en kwam het in april zelfs vrijwel tot stilstand. De CO2‑emissies van de Nederlandse luchtvaartmaatschappijen daalden dat jaar met bijna veertig procent. In 2021 herstelde de luchtvaart zich en nam ook de uitstoot weer toe, maar per saldo was de CO2‑uitstoot van Nederlandse maatschappijen, omgeslagen per inwoner, in 2021 nog altijd een kwart lager dan in 2019.

Ook het verkeer op het hoofdwegennet was in 2020 door coronamaatregelen fors minder, met minder files en vertraging tot gevolg. In 2020 vielen er in het verkeer 35 doden per miljoen inwoners, tegen 38 in 2019. Met het relatief lage aantal dodelijke verkeersslachtoffers vergeleken met andere EU-landen heeft Nederland in 2019 een vierde positie.

Beleving betreft geluidshinder en de tevredenheid met de woon-werkreistijd. Een toenemend deel van de huishoudens kampt met geluidsoverlast van verkeer of buren: in 2021 had meer dan een kwart (27,4 procent) hier last van. De trend is opwaarts en rood en binnen de EU was het in 2020 alleen in Malta hoger. Mensen waren natuurlijk door de coronamaatregelen meer thuis dan in eerdere jaren, maar het is niet vast te stellen of ze meer last hadden van de buren, of juist van het verkeersgeluid. De tevredenheid van de Nederlandse bevolking met de reistijd naar het werk was niet eerder zo groot als in 2021: 85,0 procent. Het vele thuiswerken en de relatieve rust op de weg en in het ov zullen hieraan bijgedragen hebben.

SDG 9.2   Industrie, innovatie en infrastructuur: duurzame bedrijvigheid

Deze veelomvattende SDG bevat drie hoofdcomponenten: infrastructuur en mobiliteit, duurzame bedrijvigheid, en kennis en innovatie. Dit tweede dashboard voor SDG 9 beschrijft de versterking en verduurzaming van het bedrijfsleven en de toegang van kleine bedrijven tot hoogwaardige markten en tot financiering. De SDG-agenda bevat relevante indicatoren voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo) en bedrijvigheid in ontwikkelde landen als Nederland. Mvo raakt overigens ook andere SDG’s: toegang tot krediet voor kleine bedrijven, aandacht voor werknemers, duurzame productieprocessen, en inclusieve en duurzame waardeketens, ook over landsgrenzen heen. In een ontwikkelde economie als die van Nederland zijn vooral de relaties tussen bedrijven en werknemers, de rol van het midden- en kleinbedrijf (mkb) en de grote bedrijven, en duurzame productieprocessen en producten van belang. Sommige onderwerpen uit de SDG-agenda zijn voor Nederland minder relevant, bijvoorbeeld het vergroten van het aandeel van de industrie in de economie.

Verschillende ministeries zijn verantwoordelijk voor het beleid rond dit deel van SDG 9, waarbij de focus meer ligt op duurzaamheid en inclusiviteit. De meeste beleidsmaatregelen zijn afkomstig van de ministeries van IenW en EZK.noot14

Het beeld bij dit dashboard is tamelijk rooskleurig. Bij zes van de twaalf indicatoren beweegt de trend in de richting van de doelen voor 2030 en een hogere brede welvaart. In de andere gevallen is de trend stabiel. Nederland heeft daarbij posities in de bovenste en middengroep van de EU.

SDG 9   Industrie, innovatie en infrastructuur: duurzame bedrijvigheid  

Middelen en mogelijkheden

5,2%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
3e
2,5%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
10e
1,9%
88%
6e

Gebruik

115,0
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
10e
9 505
3e

Uitkomsten

62,7%
10e
0,27
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
8e
76,3%
1e

Beleving

76,9%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
2e
39,2%
48,7%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
11e

Middelen en mogelijkheden betreffen de mogelijkheden voor bedrijven om hun productieprocessen, energieverbruik en waardeketens duurzaam te maken. Twee van de vier indicatoren ontwikkelen zich gunstig vanuit het oogpunt van brede welvaart. In 2021 noemde 5,2 procent van de mkb-ondernemers toegang tot financiering als grootste belemmering voor de bedrijfsvoering, tegen 14,1 procent aan het begin van de trendperiode (2014). In de EU behoort Nederland met dit lage percentage tot de kopgroep. Het belang van bedrijven actief op het gebied van milieubescherming en beheer van natuurlijke hulpbronnen neemt gestaag toe. In 2021 bedroeg de toegevoegde waarde van deze milieusector 2,5 procent van het bbp, en de trend is opwaarts. De milieusector is inmiddels goed voor 1,9 procent van de totale werkgelegenheid.

Van de qua omzet honderd grootste bedrijven in Nederland publiceerden er 88 in 2020 een duurzaamheidsverslag. Bij de vorige meting, in 2017, waren dit er volgens KPMG 82 van de 100.

Gebruik heeft betrekking op de inspanning van bedrijven om hun productieprocessen, energieverbruik en waardeketens duurzaam te maken. De energie-intensiteit van de economie – een maat voor de efficiëntie van energiegebruik – daalt trendmatig. De trend van het binnenlands materialenverbruik is stabiel – ruim 9 500 kilo per inwoner in 2019; Nederland staat met dit relatief lage verbruik in de kopgroep van de EU-ranglijst.

Uitkomsten hebben betrekking op de feitelijke duurzaamheid van productieprocessen en waardeketens. Het Nederlandse bedrijfsleven bestaat grotendeels uit middelgrote en kleine bedrijven (tot 250 medewerkers). Met de ruim 60 procent van de toegevoegde waarde van de gehele niet-financiële sector die zij in 2020 genereerden, heeft Nederland binnen Europa een middenpositie. De broeikasgasintensiteit van de economie daalt trendmatig: per eenheid productie worden minder broeikasgassen uitgestoten. Dit duidt op een voortgaande verbetering van de milieu-efficiëntie van de economie. Hoewel Nederland bij de arbeidsinkomensquote (aiq) bovenaan de EU-ranglijst staat, is dit slechts indicatief: een vergelijking met andere landen is lastig vanwege definitieverschillen.

Beleving geeft een beeld van hoe tevreden werkenden zijn met de arbeidsomstandigheden en hoeveel vertrouwen mensen hebben in banken en grote bedrijven. In 2020 steeg het percentage mensen dat veel vertrouwen heeft in grote bedrijven met 1,6 procentpunt, naar 39,1 procent. In 2021 bleef het vertrouwen vrijwel gelijk. Het vertrouwen in banken nam zowel in 2020 als 2021 flink toe, met 5,1 respectievelijk 2,1 procentpunt. Hier is de trend stijgend. Volgens cijfers van het CBS en TNO is ruim driekwart van de werknemers tevreden met de arbeidsomstandigheden. Met een toename van telkens 2 procentpunt steeg de tevredenheid vooral in 2019 en 2020 aanzienlijk. Uit de laatste cijfers over andere landen, voor 2015, blijkt dat de tevredenheid met de arbeidsomstandigheden in Nederland groot is.

SDG 9.3   Industrie, innovatie en infrastructuur: kennis en innovatie

Deze brede SDG omvat drie hoofdcomponenten: infrastructuur en mobiliteit, duurzame bedrijvigheid, en kennis en innovatie. Dit derde dashboard bij SDG 9 focust op kennis, die essentieel is om economische prestaties te verbeteren en grote maatschappelijke problemen op te lossen. Kennis kan worden omgezet in nieuwe technologieën en processen waarmee producten en productieprocessen beter en duurzamer kunnen worden. Daarnaast heeft kennis sociaal-culturele en intrinsieke waarde. In dit verband is het belangrijk dat overheid en bedrijfsleven investeren in kennis, dat ICT en andere technologie uitgebreid worden en dat de kenniskapitaalgoederenvoorraad toeneemt. Toegang tot het internet is essentieel voor de toegang tot kennis.

De meeste beleidsmaatregelen voor SDG 9 komen voor rekening van de ministeries van IenW en EZK.noot15 Het beeld bij dit dashboard is overwegend positief: bij alle indicatoren stijgt de trend of is die stabiel. Ook de positie op de EU-ranglijst is doorgaans tamelijk gunstig. Nederland staat slechts bij één indicator in de achterhoede: de bruto-investeringen in materiële vaste activa.

SDG 9   Industrie, innovatie en infrastructuur: kennis en innovatie  

Middelen en mogelijkheden

2,3%
8e
0,8%
11e
1,5%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
9e
17,0%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
13e
3,7%
5e
4,1
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
6e
99%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
1e
99%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
1e

Gebruik

3 584
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
5e
229
5e
37%
17e

Uitkomsten

€ 152
7e
€ 11,10
6e

Beleving

7,4

Middelen en mogelijkheden betreffen het geld, de menskracht en de infrastructuur voor het ontwikkelen, delen en toepassen van kennis en innovatie. Vijf van de acht indicatoren bewegen zich in de richting van de doelen. De bruto-investeringen in materiële vaste activa – vooral investeringen in machines en werktuigen – kwamen in 2021 uit op 17,0 procent van het bbp. Vergeleken met andere EU-landen is dit laag (13e van 16 EU-landen in 2020). Het aantal gewerkte uren in speur- en ontwikkelingswerk heeft eveneens een opwaartse trend, net als de toegang van huishoudens tot internet. Nederland voert de Europese ranglijst aan bij breedbandinternetverbinding en toegang tot internet: in 2021 beschikte vrijwel de hele bevolking van twaalf en ouder over deze voorzieningen.

Bedrijven, instellingen en het hoger onderwijs gaven in 2020 samen bijna 18,4 miljard euro uit aan research en development (R&D) met eigen en ingehuurd personeel. De R&D-intensiteit (R&D-uitgaven als percentage van het bbp) was 2,3 procent. Bij de totale en de publieke uitgaven is de trend stabiel; bij het private deel van de R&D-uitgaven (1,5 procent van het bbp) is die stijgend. Qua positie bevindt Nederland zich in 2020 bij deze drie indicatoren in de middengroep van de EU.

Gebruik betreft de geproduceerde kennis, de ingevoerde innovaties en de gevormde kennisnetwerken. De trend in het aantal wetenschappelijke publicaties is stijgend. In 2020 lag het aantal publicaties per miljoen inwoners bijna 500 hoger dan in 2014, het begin van de trendperiode. Ruim een derde van de Nederlandse bedrijven met meer dan tien werknemers werd in 2018 als technologisch innoverend gezien. Hoewel het aantal PCT-patentaanvragen per miljoen inwoners recent wat terugliep, is de trend in de periode 2014–2021 nog neutraal. Met de aantallen wetenschappelijke publicaties en octrooien per miljoen inwoners staat Nederland in de bovenste groep van de Europese ranglijst.

Uitkomsten hebben betrekking op de mate waarin nieuwe technologieën en kennis worden ingebed in de kapitaalgoederenvoorraad. De kapitaalgoederenvoorraad (machines, werktuigen en andere productiemiddelen) wordt berekend per gewerkt uur. Zowel de fysieke kapitaalgoederenvoorraad als de kenniskapitaalgoederenvoorraad heeft een neutrale trend. Nederland heeft voor beide een middenpositie tussen de elf andere EU-landen waarmee in 2020 vergeleken kon worden.

Beleving heeft betrekking op het vertrouwen van mensen in wetenschap en innovatie. Het vertrouwen in de wetenschap wordt eens in de drie jaar gemeten door het Rathenau Instituut en uitgedrukt op een schaal van 1 (geen enkel vertrouwen) tot 10 (volledig vertrouwen). Het gemiddelde vertrouwen in de wetenschap steeg van 7,1 in 2018 naar 7,4 in 2021. De trend is neutraal. In 2021 bevatte de enquête ook vragen over de impact van het coronavirus op het vertrouwen in de wetenschap. Bijna een kwart van de respondenten gaf aan dat hun vertrouwen is toegenomen, vooral door de snelle ontwikkeling van vaccins. Bij 16 procent zorgde de snelheid waarmee vaccins beschikbaar kwamen juist voor een afname van het vertrouwen.

SDG 10.1   Ongelijkheid verminderen: sociale samenhang en ongelijkheid

Minder ongelijkheid binnen en tussen landen is het doel van SDG 10. Meer sociale en economische gelijkheid versterkt de sociale samenhang binnen een land, en verbetert daarmee de kansen voor en inclusie van iedereen. Dit eerste dashboard van SDG 10 is gericht op sociale samenhang, inclusie en gelijkheid. Sociale samenhang is onontbeerlijk voor het goed functioneren van een samenleving. De sociale infrastructuur – familie, buren, vrienden, verenigingen en hulp en ondersteuning – vormt hiervan de basis. Mensen moeten mee kunnen doen, zodat ze zich deel van een groep kunnen voelen. Migratie verdient hierbij bijzondere aandacht. De financiële houdbaarheid van onze welvaart en de financiële situatie van huishoudens komen aan bod in het tweede SDG 10‑dashboard.

Het inkomensbeleid in Nederland is er traditioneel op gericht een evenwichtige inkomensverdeling te bewerkstelligen. Daartoe wordt het inkomen van huishoudens – uit werk en vermogen – herverdeeld door het heffen van premies en belasting aan de ene kant, en het verstrekken van uitkeringen aan de andere. Bekijken we welvaart breder dan alleen inkomen, dan is het beleid niet zo structureel en samenhangend. In Nederland is het verbod op discriminatie vastgelegd in zowel de Grondwet als de Algemene Wet Gelijke Behandeling. Het meeste beleid op het gebied van SDG 10 is opgesteld door de ministeries van SZW, FIN, VWS, OCW en BZK. Daarnaast zijn ook beleidsvoornemens geformuleerd door de departementen van EZK, LNV en BZ.noot16

Het beeld bij dit dashboard is gemengd. Veel indicatoren vertonen een stabiele of trend of gaan richting meer brede welvaart en de SDG-doelen, maar er bewegen ook trends van het doel af: contact met familie, verenigingsleven en vrijwilligerswerk. De tijd die wordt besteed aan sociale contacten loopt dus terug. Deze daling is zichtbaar over een langere periode en waarschijnlijk in de coronajaren 2020 en 2021 versterkt onder invloed van de maatregelen. Waar voor de indicatoren in het dashboard een vergelijking is met andere Europese landen, doet Nederland het op het terrein van sociale samenhang en ongelijkheid gemiddeld tot goed.

SDG 10   Ongelijkheid verminderen: sociale samenhang en ongelijkheid  

Middelen en mogelijkheden

4,36
11e
0,29
11e
0,76
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
5,4%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
56
9e
13,4%
7e

Gebruik

70,8%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
2e
41,0%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
2e
38,9%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
1e
34,9%

Uitkomsten

5,9%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
8,0
14e
33,1%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
7e

Beleving

66,3%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
3e
8,7%
17e
43,3%
48,0%
3e

Middelen en mogelijkheden gaan in principe over sociaal kapitaal, sociale structuren en inkomens- en vermogensongelijkheid. Er zijn bij deze categorie alleen indicatoren opgenomen voor materiële ongelijkheid.

Op persoonsniveau was de som van alle inkomens in de groep met de bovenste twintig procent in 2020 bijna 4,4 keer zo groot als de som van de onderste twintig procent van de inkomens. De trend van deze zogenoemde 80/20 ratio is stabiel. De inkomensongelijkheid werd recentelijk groter doordat directeuren-grootaandeelhouders profiteerden van gunstige fiscale maatregelen. Nederland is daardoor gezakt naar een positie in de middengroep van de EU. De Gini-coëfficiënt voor inkomensongelijkheid is gebaseerd op het aan de persoon toegekende gestandaardiseerd besteedbaar inkomen van het huishouden. De waarde ligt tussen 0 en 1: hoe dichter bij nul, hoe gelijker de inkomens verdeeld zijn. In 2020 kwam de Gini-coëfficiënt uit op 0,29, ook hier is de trend stabiel en heeft Nederland een positie in de middengroep. Een laag inkomen kan volwaardige deelname aan de samenleving in de weg staan: 13,4 procent van de bevolking leeft onder de Europese armoedegrens (60 procent van het mediane inkomen). Binnen de EU heeft Nederland hiermee een zevende positie van 26 landen in 2020.

Bij beide indicatoren over de vermogenspositie van huishoudens is de trend groen. Huishoudens met een laag inkomen en weinig of geen vermogen om dit te compenseren zijn kwetsbaar. Hun aandeel is verder afgenomen, naar 5,4 procent in 2020. De Gini-coëfficiënt voor vermogensongelijkheid ligt ook tussen 0 en 1, en ook hier hoe dichter bij nul, hoe gelijker het vermogen verdeeld is. Deze Gini-coëfficiënt kwam in 2020 uit op 0,76, een relatief hoge waarde. De stijging van de huizenprijzen heeft de vermogensongelijkheid tussen huishoudens verkleind. Voor de lagere en middeninkomens vormt een eigen huis het belangrijkste vermogensbestanddeel. Bij rijkeren maken andere vermogensbestanddelen, die minder hard in waarde stijgen, een groter deel van hun vermogen uit.

Gebruik betreft sociale interacties en deelname aan de samenleving via organisaties en verenigingen, en vrijwilligerswerk. Hier kleuren drie van de vier trends rood, maar heeft Nederland internationaal een zeer hoge positie. Zeven van de tien Nederlanders hadden in 2021 minstens één keer per week contact met familie, vrienden of buren. Daarnaast nam 41 procent van de bevolking minstens een keer per maand deel aan activiteiten van een vereniging, en verrichtte bijna 39 procent georganiseerd vrijwilligerswerk. Sociale samenhang leunt ten slotte ook op hulp aan anderen buiten het eigen huishouden, zoals mantelzorg. Een op de drie Nederlanders verleende in 2021 een vorm van informele hulp; dit aandeel is stabiel.

Uitkomsten hebben betrekking op armoederisico, de mate van sociale samenhang en op uitsluiting en discriminatie. Anders dan mensen in loondienst, zijn zzp-ers zelf verantwoordelijk voor inkomensverzekeringen zoals arbeidsongeschiktheids- en pensioenvoorzieningen. Veel van hen verdienen echter niet genoeg om deze voorzieningen te betalen. In 2020 leefde 5,9 procent van de zzp-ers in een huishouden onder de lage-inkomensgrens. De trend is wel dalend. Bij de huidige krapte op de arbeidsmarkt kan het voor zzp-ers die weinig verdienen aantrekkelijk zijn weer (parttime) in loondienst te treden. Ter vergelijking: van de werknemers leeft 1,2 procent in een huishouden dat onder de armoedegrens zit. Hoewel werknemers in loondienst een aanzienlijk lager risico lopen op armoede, is deze groep wel veel groter dan de groep zzp-ers.

In 2018, het laatste jaar waarvoor cijfers beschikbaar zijn, oordeelde een derde van de Nederlanders positief over immigranten, de trend is stijgend. Tussen de 23 EU-landen waarvoor dit cijfer beschikbaar is, neemt Nederland een zevende plek in.

Beleving betreft het vertrouwen van mensen in elkaar, gevoelens van gedeelde normen en waarden en sociale uitsluiting. In Nederland is het vertrouwen in andere mensen groot vergeleken met andere EU-landen, en de trend is opwaarts. Desalniettemin beschouwde 8,7 procent van de bevolking zichzelf in 2018 als onderdeel van een gediscrimineerde groep. Hiermee plaatst Nederland zich in de middengroep van de EU. Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau was ruim 43 procent van de bevolking in 2019 van mening dat de normen en waarden gelijk waren gebleven of vooruit waren gegaan. De trend is stabiel. Bijna de helft van de Nederlanders voelde in 2019 een grote mate van vrijheid om zelf te beslissen hoe ze hun leven inrichten. Vergeleken met de 26 andere EU-landen is dit aandeel vrij groot (derde positie). Voor deze laatste twee indicatoren zijn geen recentere cijfers beschikbaar omdat het statistische veldwerk vanwege corona moest worden uitgesteld.

SDG 10.2   Ongelijkheid verminderen: financiële houdbaarheid

SDG 10 streeft naar het verminderen van ongelijkheid binnen en tussen landen. Voor de Nederlandse beleidscontext zijn zoveel indicatoren toegevoegd, dat we een tweede dashboard voor deze SDG hebben gemaakt. Dit onderdeel behandelt de financiële houdbaarheid van onze welvaart en de financiële situatie van huishoudens.

Zowel collectief als individueel worden schulden en vermogens opgebouwd. De financiële verplichtingen van de overheid en die van de huishoudens hebben effect op de brede welvaart van volgende generaties. Financiële systemen kunnen kwetsbaar blijken als ze worden geconfronteerd met vergrijzing, economische crises, geopolitieke spanningen of globalisering, maar ook met afnemende solidariteit tussen generaties en tussen bevolkingsgroepen. Het beeld bij dit dashboard is minder rooskleurig met vijf rode en drie groene trends. Bij slechts één indicator (groene druk) heeft Nederland binnen de EU een positie in de bovenste groep.

SDG 10   Ongelijkheid verminderen: financiële houdbaarheid  

Middelen en mogelijkheden

33,7%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
13e
36,4%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
7e
9,9%
€ 154 100
114,3%
8,0%
19e
17,4%
11e

Gebruik

51%
12e
60,4
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart

Uitkomsten

52,1%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
11e
€ 102 452
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
22e
€ 191 900
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
€ 61 946
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
9e
89,80

Beleving

22,5%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart

Middelen en mogelijkheden betreffen de duurzame financiering van de welvaartstaat en de opbouw van pensioenen en vermogens, zonder druk te leggen op toekomstige generaties. De demografische druk geeft inzicht in de verhouding tussen het werkende en het niet-werkende deel van de bevolking. De toenemende grijze druk (verhouding tussen 65‑plussers en 20–64‑jarigen) en dalende groene druk (verhouding tussen jongeren onder de 20 en 20–64‑jarigen) zijn ongunstig voor houdbaarheid van brede welvaart op langere termijn. Nederland bevindt zich binnen de EU bij groene druk wel in de bovenste groep.

Pensioenvermogen opgebouwd via pensioenfondsen is niet vrij beschikbaar en niet overdraagbaar, maar draagt wel bij aan de financiële zekerheid van huishoudens op lange termijn. Het CBS heeft op basis van onder meer de levensverwachting en een verwacht rendement op de ingelegde pensioenpremies een inschatting gemaakt van de omvang van dit pensioenvermogen. Na correctie voor inflatie en uitgedrukt in constante prijzen (van 2019) was dit in 2020 gemiddeld 154 duizend euro per huishouden.

Nederlandse werknemers bouwen doorgaans pensioen op via hun werkgever, die dit vervolgens inlegt bij een pensioenfonds. De dekkingsgraad – de verhouding van bezittingen (pensioenvermogen) en verplichtingen (pensioenaanspraken van alle deelnemers) – geeft een indicatie of fondsen in staat zijn huidige en toekomstige pensioenen uit te keren. De financiële positie van de pensioenfondsen is in 2021 sterk verbeterd. De actuele dekkingsgraad kwam in het vierde kwartaal van 2021 uit op 114,3 procent, tegen 100,3 procent eind 2020. De overheid hanteert in het kader van het toezicht op de pensioenfondsen een minimumbeleidsdekkingsgraad, gerelateerd aan het gemiddelde van twaalf maandelijkse dekkingsgraden. Pensioenfondsen die hieronder komen moeten een herstelplan uitvoeren om hun dekking te verbeteren. De beleidsdekkingsgraad verbeterde volgens de Nederlandsche Bank eveneens sterk, van 95 procent in 2020 naar 108,2 procent eind 2021.

Gebruik betreft de onttrekking van middelen uit opgebouwde vermogens. Tegenover elke honderd deelnemers die in 2020 bij pensioenfondsen pensioenrechten opbouwden, stonden zo’n 60 personen die een uitkering van een pensioenfonds ontvingen. De trend van deze indicator is stijgend. Niet alle werkenden bouwen pensioen op bij een pensioenfonds. Het aantal zelfstandigen neemt toe, en anders dan werknemers in loondienst zijn zij zelf verantwoordelijk voor hun pensioenvoorziening. Een deel van deze groep bouwt in de praktijk weinig of geen pensioen op, wat een extra risico vormt voor de toekomstige brede welvaart. Het te verwachten pensioen uit werk (geschat met het mediane brutopensioeninkomen van personen van 65–74 jaar) kwam in 2020 uit op 51 procent van het inkomen uit werk (benaderd door het mediane bruto-inkomen uit werk van 50–59‑jarigen). Het gaat alleen om pensioen opgebouwd tijdens het werkzame leven, dus zonder de AOW.

Uitkomsten betreffen de opgebouwde schulden en de duurzaamheid van financiële stelsels. Nederlandse huishoudens hadden in 2020 gemiddeld ruim een ton aan schuld. De trend is stijgend en Nederland staat hiermee onderin de EU-ranglijst (22e van 24 landen). Huishoudens met een lening voor een woning hadden in 2020 gemiddeld een hypotheekschuld van bijna 192 duizend euro. De hoogte van de hypotheekschuld heeft eveneens een stijgende trend. Tegenover de schulden staat het spaargeld van huishoudens en hun niet-financiële bezittingen, zoals een woning. Voor spaargeld is de trend stijgend; Nederland neemt in 2020 met gemiddeld bijna 62 duizend euro per huishouden een middenpositie in binnen Europa.

De overheidsfinanciën stonden er aan het begin van de pandemie relatief goed voor, maar coronaregelingen als NOW en TOZO lieten de uitgaven in 2020 sterk oplopen. Er kwam bovendien minder geld in de staatskas door het verlenen van uitstel van betaling van belastingen, een andere coronasteunmaatregel van het kabinet. Al met al nam de schuld in één jaar met 40 miljard euro toe, naar 435 miljard euro. De schuldquote kwam in 2020 op 54,3 procent van het bbp. In 2021 waren er nog volop coronasteunmaatregelen, maar herstelde de economie ook krachtig. De overheidsschuld liep terug naar 52,1 procent van het bbp, duidelijk onder de formele Europese norm van maximaal 60 procent van het bbp. De Europese Commissie heeft de begrotingsregels overigens tijdelijk losgelaten in verband met de kosten die lidstaten maakten voor het bestrijden van de coronapandemie.

Beleving heeft betrekking op onzekerheid over en vertrouwen in de toekomst. Het percentage mensen dat zegt zich veel zorgen te maken over zijn of haar financiële toekomst nam opmerkelijk genoeg ook in 2020 en 2021 af. Deze positieve ontwikkeling laat onverlet dat het percentage nog altijd hoog is: bijna een op de vijf volwassenen had in 2021 veel financiële zorgen.

SDG 11.1   Duurzame steden en gemeenschappen: wonen

SDG 11 is gericht op duurzaam wonen en leven in steden en gemeenschappen. De focus van dit dashboard ligt op adequate huisvesting. Een groot deel van het leven speelt zich af in en rond onze woning en daarom verhoogt goede, passende, veilige en betaalbare woonruimte de brede welvaart. Waar mensen komen te wonen hangt af van waar ze werken of studeren, waar hun vrienden en familie wonen, maar zeker ook van waar geschikte en betaalbare woningen beschikbaar zijn. Door betere mogelijkheden om vanuit huis te werken, lijkt de reisafstand naar het werk inmiddels wat minder bepalend. Beweging op de woningmarkt is belangrijk voor starters en doorstromers. Verder heeft ook de beleving van het woongenot en de woonlasten een duidelijk effect op brede welvaart.

Voor alle targets van SDG 11 is beleid geformuleerd. Hierbij zijn gezien de reikwijdte en variëteit aan subdoelen verschillende ministeries betrokken (BZK, EZK, IenW, LNV, OCW, VWS en BZ).noot17 Nieuw is de ministerspost voor Volkshuisvesting en ruimtelijke ordening in het kabinet Rutte IV, met als speerpunten de Nationale Woon-en Bouwagenda en het Programma Woningbouw. Beleid dat samenhangt met de Omgevingswet, het erfgoed, bereikbaarheid (zie ook SDG 9), de (Europese) Agenda Stad, de City Deals en de Regio Deals gaat verhoudingsgewijs meer over de leefomgeving, zie daarvoor het tweede dashboard van SDG 11.

Voor het thema wonen is het beeld niet rooskleurig, met zes opwaartse trends die een vermindering van de brede welvaart met zich meebrengen. Hier staan drie trends tegenover die de brede welvaart verhogen en die bewegen in de richting van de SDG-doelen. De internationale positie van Nederland laat een mix zien van hoge en lage scores. Nederland presteert binnen de EU goed als het gaat om tevredenheid met de woonomgeving, ervaren woonlasten en de woonruimte die ter beschikking staat. Met de woonquote (het aandeel van de woonkosten in het besteedbaar inkomen) en de prijsontwikkeling van uitgaven aan koopwoningen verkeert Nederland echter in de staartgroep van de EU. Vergeleken met de andere EU-landen ervaart verder een relatief groot deel van de Nederlanders overlast van de buren of van verkeersgeluid.

SDG 11   Duurzame steden en gemeenschappen: wonen  

Middelen en mogelijkheden

457
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
113,6
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
18e
140,9
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
23e
1,06
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
22,3%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
22e

Gebruik

15,5%
4,8%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
3e
€ 191 900
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart

Uitkomsten

69,1%
19e
7,0%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
1e
85,5%
15e

Beleving

27,4%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
24e
85,6%
8e
86,3%
1e

Middelen en mogelijkheden betreffen de voorraad en de betaalbaarheid van koop- en huurwoningen. Er is steeds minder dynamiek op de koopwoningmarkt. De vraag is groot: de rente is lang laag geweest en het is ook voor beleggers aantrekkelijk om in woningen te investeren en vervolgens te verhuren. Na een hoogtepunt in 2008 daalden de prijzen van bestaande koopwoningen tot een dieptepunt in 2013. Sindsdien stijgen de prijzen: de prijsindex bestaande koopwoningen bereikte in 2021 het hoogste niveau sinds de meting in 1995 begon. Een bestaande koopwoning was in 2021 gemiddeld 15,2 procent duurder dan een jaar eerder, en deze prijsstijging was bijna twee keer zo groot als die in 2020. In navolging van het teruglopende aanbod nemen ook de transacties af: in 2021 wisselden ruim 226 duizend koopwoningen van eigenaar, vier procent minder dan een jaar eerder. Ook tijdens de kredietcrisis liepen de verkopen hard terug. Toen was de vraag gering als gevolg van een vertrouwenscrisis, bij de huidige daling is de vraag juist groot, maar is er onvoldoende aanbod van passende woningen.

De woningvoorraad groeide in 2021 met 1,0 procent naar meer dan 8 miljoen woningen. Het aantal beschikbare woningen per duizend inwoners kwam uit op 457 en de trend is stijgend. Ondanks de toename is er spanning op de woningmarkt, want de woningvoorraad voorziet niet in de totale behoefte. Er werden in 2021 bijna 69 duizend nieuwbouwwoningen opgeleverd, minder dan in 2019 en 2020, maar meer dan het gemiddelde in de jaren 2012–2018. De woningvoorraad verandert verder nog door sloop, splitsing of samenvoeging van woningen en door transformatie van bestaande gebouwen. Dit laatste gebeurt bijvoorbeeld als bedrijfspanden worden omgebouwd tot wooneenheden. Het aantal vergunningen voor nieuwbouw is een indicator voor wat er in de nabije toekomst aan woningen gebouwd zal worden: de gemiddelde doorlooptijd vanaf vergunningverlening tot oplevering is namelijk circa twee jaar. Onder invloed van de stikstof- en pfas-problematiek was het aantal afgegeven bouwvergunningen in 2019 relatief laag. In 2020 werd een bouwvergunning afgegeven voor 67 duizend nieuwbouwwoningen en in 2021 voor 75 duizend, dat is respectievelijk 16 en 11 procent meer dan een jaar eerder. 

De betaalbaarheid van woningen wordt gemeten aan de hand van zowel de prijsontwikkeling van de woninghuur als van de kosten van de aanschaf en het bezit van koopwoningen. Hier zijn de trends rood. De woninghuur stijgt trendmatig, al was de toename over 2021 (1,8 procent) wat minder groot dan in voorgaande jaren omdat de huurstijging voor de zittende bewoners tijdens de coronapandemie tijdelijk begrensd werd. Met de prijsindex voor woninghuur staat Nederland bij de vergelijking met andere EU-landen in de middengroep. Ook de kosten voor aanschaf en bezit van koopwoningen en de mediane ratio tussen de vraagprijs en de verkoopprijs stijgen trendmatig. Na een situatie van evenwicht tussen de mediane verkoopprijs en de mediane vraagprijs in 2019 en 2020, lag de mediane verkoopprijs in 2021 voor het eerst – en met een ratio van 1,057 meteen ruimschoots – boven de mediane vraagprijs. Nederland hoort tot de landen in de EU met de grootste stijging van de transactieprijzen voor nieuwe en bestaande koopwoningen. De prijsindex voor uitgaven aan en bezit van een koopwoning is dan ook relatief hoog vergeleken met andere EU-landen en Nederland staat onderin de ranglijst. De woonquote – het percentage van hun inkomen dat huishoudens uitgeven aan huisvesting – is hoog in vergelijking met andere EU-landen (22e plaats van 26 landen in 2020). Het aandeel heeft wel een dalende trend, wat positief is vanuit het perspectief van de SDG-agenda.

Gebruik gaat over de woningen waarin mensen wonen en over de kans op doorstroming naar een andere woning. Er zijn twee vormen van scheefhuur: financieel (woonlasten niet passend bij het inkomen) en fysiek (woonruimte niet passend bij de huishoudensgrootte). In 2018 woonde 15,5 procent van de huishoudens in een sociale huurwoning met een huur die in verhouding tot het inkomen te laag was (goedkope scheefhuur). Er kan geen trend berekend worden, maar in 2018 was het aandeel 1 procentpunt lager dan in 2015.

De krapte op de woningmarkt bemoeilijkt het vinden van betaalbare passende huisvesting. Bijna vijf procent van de bevolking leefde in 2020 in een woning met te weinig kamers. Dit percentage neemt trendmatig toe, al is het nog altijd laag vergeleken met andere EU-landen. Huishoudens met een hypotheek hadden in 2020 een gemiddelde hypotheekschuld van bijna 192 duizend euro, ruim 7 duizend euro meer dan aan het begin van de trendperiode in 2014. Dit betreft de volledige woningschuld waarover rente is verschuldigd. Opgebouwde tegoeden voor de aflossing van de hypotheek via kapitaalverzekeringen, spaar-, beleggingshypotheken enz. kunnen niet worden waargenomen en zijn dus niet in mindering gebracht. Ook hier is de trend opwaarts.

Uitkomsten betreffen de kwaliteit van de woning, de woonomgeving en ervaren woonlasten. De kwaliteit van woningen is over het algemeen goed: 85,5 procent van de Nederlandse bevolking woonde in 2021 in een woning zonder ernstige gebreken als een lekkend dak, rottende kozijnen of vochtige muren, of problemen met vloeren en funderingen. Door zeven procent van de bevolking worden de woonlasten als erg zwaar ervaren, maar dit aandeel neemt af. Het percentage is het laagste van de EU.

Beleving heeft betrekking op de tevredenheid van mensen met hun woning en hun woonomgeving. De tevredenheid met de woning nam in 2021 met 1,9 procentpunt af, terwijl de tevredenheid met de woonomgeving licht steeg (0,4 procentpunt). Per saldo lijkt de tevredenheid van de volwassen bevolking met zowel de woning (85,6 procent) als de woonomgeving (86,3 procent) groot. In het dichtbevolkte Nederland zegt echter meer dan een kwart van de bevolking last te hebben van geluidshinder van buren of verkeer. Vergeleken met andere EU-landen is dit percentage hoog, en de trend is stijgend.

SDG 11.2   Duurzame steden en gemeenschappen: leefomgeving

SDG 11 heeft niet alleen betrekking op wonen (dashboard 11.1), maar ook op de omgeving waarin gewoond en geleefd wordt. Gezien de grote druk op de schaarse beschikbare ruimte: hoe houden we de lokale leefomgeving veilig, betaalbaar, toegankelijk en duurzaam?

Bij het beleid voor SDG 11 zijn veel verschillende ministeries betrokken: BZK, EZK, IenW, LNV, OCW, VWS en BZ.noot18 Er zijn ook duidelijke raakvlakken met andere SDG’s, zoals 6 (Water en sanitair), 9 (Industrie, innovatie en Infrastructuur) en 13 (Klimaatactie). De overheid werkt aan de Nationale Omgevingsvisie om vraagstukken met gevolgen voor de fysieke leefomgeving als verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie in samenhang aan te pakken. Hierbij hoort de Nationale Omgevingswet, die alle huidige wetten over de leefomgeving bundelt, maar waarvan de invoering vooralsnog is uitgesteld. Verder zijn hier het erfgoedbeleid, mobiliteitsbeleid, de (Europese) Agenda Stad rond vraagstukken als snelle verstedelijking en de impact van verstedelijking op het milieu, de City Deals en de Regio Deals van belang. Weerbaarheid tegen verschillende rampen is terug te vinden in het beleid op integraal waterbeheer en bij klimaatadaptatie.

In dit tweede dashboard van SDG 11 ligt de focus op de omgevingsfactoren: de hoeveelheid ruimte per persoon, afvalverwerking, en overheidsuitgaven voor het milieu. Andere indicatoren betreffen stedelijke fijnstofconcentraties en slachtoffers van misdaad. Een nieuwe indicator in dit dashboard is het rapportcijfer dat men geeft voor de sociale cohesie in de woonbuurt. De binding met de eigen woonomgeving wordt daarbij afgeleid uit het aantal en de aard van de contacten met andere buurtbewoners, de tevredenheid met de bevolkingssamenstelling en de mate waarin men zich thuis voelt in de buurt.

Vier van de tien indicatoren in dit dashboard ontwikkelen zich in de richting van de doelen. Bij drie beweegt de trend van de doelen af. Nederland hoort binnen de EU doorgaans tot de middengroep of zelfs achterhoede.

SDG 11   Duurzame steden en gemeenschappen: leefomgeving  

Middelen en mogelijkheden

2 377
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
26e
1,5%
2e

Gebruik

583
15e

Uitkomsten

0,91
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
10e
10,4
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
8e
17,1%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
14e
6,4
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
93,4
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart

Beleving

27,4%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
24e
2,0%

Middelen en mogelijkheden betreffen de beschikbare ruimte en de uitgaven aan de bescherming van de kwaliteit van de leefomgeving. Omdat de bevolking van Nederland blijft toenemen, wordt de totale ruimte per inwoner steeds kleiner. In 2021 was er per inwoner gemiddeld 91 vierkante meter minder ruimte dan aan het begin van de trendperiode in 2014. Naar de toegankelijkheid of aantrekkelijkheid van de beschikbare ruimte is dan nog niet gekeken, maar wel is duidelijk dat de groene en blauwe ruimte per inwoner ook trendmatig afneemt. Nederland is het op een na dichtstbevolkte land van de EU: alleen op Malta hebben mensen minder ruimte ter beschikking. De overheidsuitgaven aan milieubescherming zijn redelijk constant: 1,5 procent van het bbp in 2020. Nederland geeft verhoudingsgewijs veel uit aan milieubescherming, waarmee het binnen de EU bij de kopgroep hoort. Het CBS onderzoekt momenteel in het kader van de Natuurlijk Kapitaalrekeningen de relatie tussen de inrichting van de leefomgeving en brede welvaart, zie het rapport Natuurlijk kapitaal en brede welvaart in Nederland - leefomgeving in verandering.

Gebruik gaat over hoe mensen hun leefomgeving gebruiken. In 2020 haalden gemeenten gemiddeld 583 kilo afval per inwoner op, flinke meer dan in 2019 (553 kilo per persoon). Onder invloed van de coronamaatregelen waren mensen meer thuis en lieten zij ook meer producten thuisbezorgen, wat veel verpakkingsafval met zich meebracht. Binnen Europa neemt Nederland een middenpositie in. Mogelijke verschillen in de soorten afval die gemeentelijke diensten in verschillende landen ophalen, kunnen de ranking overigens beïnvloeden.

Uitkomsten hebben betrekking op de kwaliteit en veiligheid van de leefomgeving. Er zijn per inwoner steeds minder emissies van verzurende stoffen (zwaveloxide, stikstofoxide en ammonia), de trend is neerwaarts. Vanaf 2020 zijn er nieuwe EU-regels voor het bepalen van de emissieplafonds en de toetsing van de emissies aan deze plafonds (EU-richtlijn Nationale Emissieplafonds). Ook gunstig is de gestage en trendmatige afname van de stedelijke achtergrondconcentratie van fijnstof. Fijnstof is een verzamelbegrip voor zwevende deeltjes in de lucht. Deze monitor bevat de fijnere fractie van fijnstof, namelijk PM2,5 (deeltjes met een diameter kleiner dan 2,5 micrometer).

Een ander gewaardeerd aspect van de leefomgeving is de aanwezigheid van natuur. De indicator stadsvogels is een maatstaf voor natuur in de stad. Sommige vogelsoorten voelen zich meer thuis tussen mensen en bebouwing dan in het buitengebied. Met de vogelsoorten die kenmerkend zijn voor de bebouwde omgeving, gaat het niet goed. De populatie van 83 voor de stad kenmerkende inheemse broedvogelsoorten die zijn aangetroffen in het Meetnet Urbane Soorten (MUS) is sinds het startjaar van de index in 2007 ruim vijf procent achteruitgegaan. Dit wijst erop dat de stedelijke omgeving als broedplek voor deze vogels minder geschikt wordt.

De veiligheid in de leefomgeving lijkt toe te nemen: steeds minder Nederlanders geven aan slachtoffer van een misdaad te zijn geweest, en de trend is neerwaarts. In 2021 ging het om 17,1 procent van de bevolking van 15 jaar en ouder. In 2014 was dat nog bijna 29 procent. Deze cijfers zijn afkomstig uit de Veiligheidsmonitor 2021. Door wijzigingen in de vraagstelling en onderzoeksopzet zijn de uitkomsten van de Veiligheidsmonitor 2021 niet zonder meer te vergelijken met die van de eerdere edities. Hier hebben we gebruik gemaakt van cijfers uit de vernieuwde Veiligheidsmonitor die voor deze wijziging gecorrigeerd zijn.

Een nieuwe indicator in dit dashboard is het rapportcijfer dat bewoners geven voor de sociale cohesie in hun woonbuurt. De binding met de eigen woonomgeving wordt daarbij afgeleid uit het aantal en de aard van de contacten met andere buurtbewoners, de tevredenheid met de bevolkingssamenstelling en de mate waarin men zich thuis voelt in de buurt. In 2021 waardeerden mensen de sociale cohesie in hun woonbuurt met het rapportcijfer 6,4. De tevredenheid heeft een stijgende trend.

Beleving gaat over hoe mensen hun leefomgeving ervaren. In 2021 voelde 2,0 procent van de inwoners zich vaak niet veilig in de eigen buurt, de trend is omgeslagen van dalend naar neutraal. In vergelijking met andere EU-landen heeft een groot deel van de huishoudens hinder van geluidsoverlast door buren en verkeer. Hier is de trend stijgend.

SDG 12   Verantwoorde consumptie en productie

SDG 12 concentreert zich op de transitie naar een circulaire economie: hoe gaan we efficiënter gebruikmaken van grondstoffen, meer hergebruiken en afval verminderen? Bedrijven, overheid en consumenten worden aangespoord om bewuste keuzes te maken om de druk op het milieu te verlagen en de minder afhankelijk te zijn van grondstoffen. Zo beperken we de negatieve gevolgen van ons consumptie voor volgende generaties.

Het Nederlandse beleid dekt alle onderdelen van SDG 12 en is voornamelijk afkomstig van de ministeries van IenW, EZK en LNV, met stukken vanuit BZK en BZ.noot19 Het rijksbrede programma Circulaire Economie 2050 wordt getrokken door IenW, met bijdragen van LNV (kringlooplandbouw) en EZK (verduurzaming basisindustrie). Daarnaast is er het regio- en stedenbeleid (LNV, BZK), draagt de rijksoverheid zelf bij via het beleid op maatschappelijk verantwoord inkopen (MVI) en wordt het bedrijfsleven aangemoedigd om op een maatschappelijk verantwoorde manier te ondernemen (mvo). Er zijn belangrijke dwarsverbanden tussen SDG 12 en met name SDG’s 2, 6, 7, 13 en 15. Om hier meer zicht op te krijgen heeft het CBS aanvullend onderzoek gedaan.noot20

De trends van de indicatoren in dit dashboard laten een stabiele tot stijgende welvaart zien, met uitzondering van de afnemende trend voor gerecycled bedrijfsafval. Bij toegevoegde waarde van de milieusector, grondstoffenproductiviteit en recycling van gemeentelijk afval beweegt de trend zich in de richting van de doelen van de SDG-agenda. Ook binnen de EU presteert Nederland tamelijk goed, met vier posities in de Europese voorhoede. Alleen bij de hoeveelheid gevaarlijk afval neemt Nederland een zeer lage positie in.

SDG 12   Verantwoorde consumptie en productie  

Middelen en mogelijkheden

2,5%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
10e
1,9%
88%
6e

Gebruik

9 505
3e
1 399
583
15e
299
21e

Uitkomsten

€ 4,91
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
1e
7,4
73,9%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
56,8%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
3e
63,9%
7e
0,6

Beleving

15,9%
18e

Middelen en mogelijkheden gaan over de mogelijkheden om duurzaam te produceren en consumeren. Bijna negentig van de honderd bedrijven in Nederland met de hoogste omzet publiceerden in 2020 een duurzaamheidsjaarverslag. Daarnaast wordt het belang van de milieusector in de economie groter. Bedrijven in deze sector produceren goederen en verlenen diensten op het gebied van milieubescherming en het beheer van natuurlijke hulpbronnen. De trend in hun toegevoegde waarde is opwaarts: in 2021 ging het om 2,5 procent van het bbp. De trend van de werkgelegenheid in de milieusector is neutraal: 1,9 procent van de totale werkgelegenheid in 2021. In internationaal opzicht nam Nederland (in 2018) nog wel een middenpositie in qua toegevoegde waarde van de milieusector.

Gebruik betreft de hoeveelheid verbruikte grondstoffen en andere materialen en gegenereerde afval. De overheid wil het gebruik van abiotische grondstoffen tussen 2014 en 2030 halveren, en streeft naar een volledig circulaire economie in 2050. Omdat het grondstoffenverbruik echter niet snel genoeg lijkt te dalen om abiotische grondstoffen te halveren voor 2030, vraagt het Planbureau voor de Leefomgeving om meer en concretere maatregelen. Met de relatief lage hoeveelheid binnenlands materialenverbruik stond Nederland in 2019 op de derde plaats binnen de EU. Een ander beleidsdoel is de ontkoppeling van afvalproductie en de economie. Dit houdt in dat economische groei gepaard gaat met relatief – of zelfs absoluut – minder afval. De trend van de hoeveelheid gemeentelijk afval per inwoner is neutraal. Wel steeg het van ruim 550 kilo per inwoner in 2019 tot 583 kilo in 2020. Mensen waren tijdens de coronapandemie vaker en langer thuis en bestelden meer online, wat tot meer verpakkingsafval leidde. Ook bij de hoeveelheden bedrijfsafval en gevaarlijk afval per inwoner blijft de trend neutraal. In 2020 produceerde Nederland omgerekend per inwoner 1 399 kilo bedrijfsafval en in 2018 bijna 300 kilo gevaarlijk afval. De hoeveelheid bedrijfsafval is recent wel afgenomen. Bij gevaarlijk afval staat Nederland met een 21e positie laag op de EU-ranglijst (2018). Bij gemeentelijk afval staat Nederland in de middengroep.

Uitkomsten gaan over efficiëntie van grondstoffengebruik en hergebruik van afval. Nederlandse producenten gaan steeds efficiënter om met grondstoffen: de trend van de grondstoffenproductiviteit is groen en Nederland voert in 2020 de EU-ranglijst aan. Bij de grondstoffenvoetafdruk – de totale hoeveelheid gebruikte grondstoffen per inwoner – is de trend neutraal. Het CBS werkt momenteel met andere instanties samen om deze en andere voetafdrukken beter te kunnen berekenen.

Tussen 2012 en 2022 moet de hoeveelheid afval die niet wordt gerecycled, gecomposteerd of in energie omgezet zijn gehalveerd. In 2020 werd 73,9 procent van het bedrijfsafval opnieuw gebruikt, waarbij meestal recyclingbedrijven of handelaren in afval- en schroot worden ingeschakeld. Dit percentage omvat ook nuttige toepassingen van bedrijfsafval als funderingsmateriaal voor wegverharding of als afdekmateriaal op stortplaatsen, maar niet het gebruik als (secundaire) brandstof met energieterugwinning. De trend slaat om van neutraal naar dalend.

Het hergebruik- en composteerpercentage van het gemeentelijk afval heeft juist een stijgende trend. In 2020 bedroeg het aandeel 56,8 procent. Van het gevaarlijk afval werd in 2018 bijna twee derde apart ingezameld. Nederland heeft bij de gescheiden inzameling van gemeentelijk afval en bij recycling van gevaarlijk afval al een aantal jaren een hoge Europese ranking.

De landvoetafdruk is een maatstaf voor het landgebruik ten behoeve van Nederlandse consumptie: hoeveel land in de wereld is nodig om te voorzien in de Nederlandse consumptie door burgers en overheid? Bij een groeiende bevolking en toenemende welvaart kan bijvoorbeeld de vraag naar biobrandstoffen toenemen. Of zullen meer natuurlijke gebieden worden ontgonnen, als bestaande landbouwgrond onbruikbaar wordt door erosie, verzilting, verstedelijking of woestijnvorming. Dit met achteruitgang van de biodiversiteit tot gevolg. Het meest recente jaar waarvoor deze voetafdruk beschikbaar is, is 2017: 0,6 hectare per inwoner. Voor deze indicator kan geen trend berekend worden voor de periode 2014–2021.

Beleving betreft de zorgen van mensen over vervuiling, verspilling, grondstoffenverbruik en andere aspecten van duurzaamheid. In 2021 ervoer 15,9 procent van de volwassen bevolking hinder van afval, verontreiniging of andere milieuproblemen. De overlast was duidelijk groter dan in 2020 (14,3 procent).

SDG 13   Klimaatactie

Hoe gaan we klimaatverandering tegen? Daar probeert SDG 13 antwoord op te geven, door doelen te stellen voor weerbaarheid en klimaatadaptatie, nationaal klimaatbeleid, en middelen om bewustwording en draagvlak te creëren voor de klimaatmaatregelen. In Nederland wordt het beleid voorbereid bij de ministeries van IenW en EZKnoot21 en centreert het zich om het Klimaatakkoord en de daaruit voortvloeiende Klimaatwet. Daarnaast is er het Deltaprogramma, dat Nederland moet beschermen tegen overstromingen en de gevolgen van extreem weer. De komst van een minister voor Klimaat en Energie in het kabinet Rutte IV, voor het eerst in de geschiedenis, weerspiegelt de urgentie van het klimaatprobleem. Het beleid rond klimaatactie hangt nauw samen met de inzet op hernieuwbare energie (SDG 7), circulariteit (SDG 12), kringlooplandbouw (SDG 2), industrie, infrastructuur en mobiliteit (SDG 9), stedelijke ontwikkeling (SDG 11) en water (SDG 6).

In dit dashboard ligt de focus op de vermindering van uitstoot van broeikasgassen, waarbij energiebesparing en hernieuwbare energie (zie SDG 7) ook een rol spelen. Nederlandse huishoudens en bedrijven veroorzaken ook indirect uitstoot van broeikasgassen in andere landen: denk aan goederen en diensten die in het buitenland geproduceerd worden en ingevoerd worden voor consumptie in Nederland. Hoewel de trends over de periode 2014–2021 een overwegend positief beeld geven, heeft Nederland binnen de EU bij meerdere indicatoren een plek in de achterhoede. Alleen bij de cumulatieve CO2‑emissies ontwikkelt de trend zich ongunstig vanuit het perspectief van brede welvaart. Deze indicator geeft het gemiddelde aan van de CO2 die per inwoner per jaar in Nederland aan de atmosfeer is toegevoegd sinds het begin van de industriële revolutie.

SDG 13   Klimaatactie  

Middelen en mogelijkheden

0,4%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart

Gebruik

9,6
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
23e
-23,9%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
17e
-19,0%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
26e

Uitkomsten

7,7
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
13e
0,27
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
8e
15,3

Beleving

75,9%
7e

Middelen en mogelijkheden hebben betrekking op de middelen die in Nederland worden ingezet om klimaatverandering tegen te gaan en de gevolgen ervan te ondervangen. De trend van de overheidsuitgaven gerelateerd aan het verminderen van de Nederlandse impact op het klimaat (klimaatmitigatie) is stijgend, wat de brede welvaart vergroot. In 2021 ging het om 0,4 procent van het bbp.

Gebruik betreft de manieren waarop Nederland klimaatverandering tegengaat. De Nederlandse bijdrage aan het mondiaal afgesproken doel – de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder 2oC en het liefst tot 1,5oC – kreeg vorm in het Klimaatakkoord van juni 2019. De nationale klimaatdoelen voor 2030 en 2050 zijn vastgelegd in de Klimaatwet, die oorspronkelijk stelde dat de uitstoot van broeikasgassen in 2030 49 procent lager moet zijn dan in 1990. Aanvankelijk was dit ambitieuzer dan de 40 procent die voor Europa gold, maar in 2020 besloot de EU de 2030‑reductiedoelstelling voor Europa te verhogen naar 55 procent. Nu heeft de Nederlandse regering ook het 2030‑doel aangescherpt: in het Coalitieakkoord van 2021 streeft Nederland, net als de EU, naar minstens 55 procent reductie. Zekerheidshalve richt het Nederlandse beleid zich op circa 60 procent reductie. Het Coalitieakkoord stelt ook dat Nederland in 2050 klimaatneutraal moet zijn.

In 2020 was de broeikasgasuitstoot 25,5 procent lager dan in 1990, zo blijkt uit berekeningen van het CBS en RIVM/Emissieregistratie. De Urgenda-doelstelling – minimaal 25 procent afname tussen 1990 en 2020 – was daarmee net gehaald, vooral doordat elektriciteitscentrales minder kolen gebruikten en mensen zich minder verplaatsten tijdens de coronacrisis. De afname na 1990 is met name bereikt door een halvering van de uitstoot van methaan en lachgas. In 2021 steeg de uitstoot echter weer: in de eerste helft van het jaar was het kouder dan een jaar eerder en stookten mensen meer. Dit leidde tot meer uitstoot, vooral door meer aardgasverbruik in de bebouwde omgeving. De totale afname van de broeikasgasuitstoot ten opzichte van 1990 was in 2021 volgens een eerste raming 23,9 procent.

Trendmatig neemt de uitstoot van broeikasgassen per inwoner af. Volgens de eerste voorlopige berekeningen van CBS en Emissieregistratie ging het in 2021 om 9,6 ton CO2‑equivalenten per inwoner. Deze trenddaling is positief vanuit oogpunt van brede welvaart, maar vergeleken met andere EU-landen is de uitstoot in Nederland nog altijd hoog (23e positie van 27 landen in 2019).

Bedrijven met de hoogste uitstoot van broeikasgassen zijn verplicht deel te nemen aan het emissiehandelssysteem (EU ETS). Met dit systeem wil de EU de uitstoot van broeikasgassen verminderen conform de afspraken in het Kyoto Protocol. Houders van emissierechten mogen een vastgestelde hoeveelheid broeikasgassen uitstoten. Het ETS kent geen nationale doelstellingen, alleen een totaaldoelstelling voor de uitstoot van betreffende sectoren: in 2020 moet deze uitstoot 21 procent lager zijn dan in 2005. In 2020 was de ETS-reductie voor de hele EU-27 43 procent, waarmee de EU-doelstelling ruimschoots is behaald. Nederland was in 2020, na Cyprus, de hekkensluiter in Europa met een reductie van 19 procent.

Uitkomsten betreffen alle Nederlandse bijdragen aan de mondiale uitstoot van broeikasgassen. De indicator cumulatieve CO2‑emissies wordt berekend door, vanaf 1860, jaarlijks de som te nemen van de CO2‑uitstoot gedeeld door de som van het inwonertal. De hoeveelheid opgebouwde CO2‑emissies stijgt gestaag, omdat per inwoner nu meer wordt uitgestoten dan in het verleden. De cumulatieve CO2‑emissies geven een indicatie van het Nederlandse aandeel in de wereldwijde historische CO2‑uitstoot. En dat is relatief hoog: Nederland heeft een 13e positie van 16 EU-landen waarvoor de cijfers beschikbaar waren in 2019. Bij de broeikasgasintensiteit van de economie – een maat voor de hoeveelheid uitstoot per euro bbp – daalt de trend, hetgeen positief is voor de brede welvaart.

De broeikasgasvoetafdruk geeft aan hoeveel broeikasgassen uitgestoten worden ten behoeve van de Nederlandse consumptie. Het omvat de uitstoot van CO2, methaan en distikstofoxide veroorzaakt door economische activiteiten in Nederland, plus de uitstoot van deze stoffen in het buitenland tijdens de productie van goederen die door Nederland worden ingevoerd. Uitstoot in Nederland veroorzaakt door de productie van goederen die uitgevoerd worden, worden hiervan afgetrokken. De broeikasgasafdruk kwam in 2021 uit op 15,3 ton CO2‑equivalenten per inwoner.

Beleving betreft de zorgen over het klimaat en de mate waarin mensen klimaatverandering als een probleem zien. Volgens CBS-onderzoek maakte in 2020 ruim driekwart van de bevolking van 18 jaar en ouder zich enige of veel zorgen over de gevolgen van klimaatverandering voor toekomstige generaties. De European Social Survey van 2016 heeft hier ook eenmalig een vraag over gesteld. Toen zei ook ruim driekwart van de Nederlandse bevolking zich zorgen te maken over klimaatverandering en de effecten daarvan. Nederland scoorde daarmee gemiddeld binnen de 17 EU-landen waar het onderzoek gehouden is.

SDG 14   Leven in het water

SDG 14 richt zich op de bescherming van zeeën en oceanen, en op duurzaam gebruik van mariene hulpbronnen. Zeewater bedekt ongeveer driekwart van de planeet en vormt het grootste ecosysteem ter wereld. De toenemende negatieve effecten van klimaatverandering, overbevissing en vervuiling vormen een bedreiging voor de intrinsieke waarde van het ecosysteem zelf en voor het gebruik dat ervan gemaakt wordt. Dit dashboard besteedt aandacht aan het waterkwaliteit van en de duurzaamheid van de visserij in de Noordzee.

Hoewel er veel meetgegevens zijn over de verschillende mariene wateren van Nederland (een deel van de Noordzee, de Waddenzee en de zeearmen), zijn er nog weinig onomstreden samenvattende indicatoren die vaak en tijdig genoeg worden gemeten om hier opgenomen te worden. Omdat weinig EU-landen grenzen aan de Noordzee is het ook niet goed mogelijk een internationale vergelijking te maken. Het CBS en Rijkswaterstaat doen momenteel samen onderzoek naar het natuurlijk kapitaal van de Noordzee, voornamelijk naar de ecosysteemdiensten die de Noordzee levert. Dit onderzoek kijkt ook expliciet naar de biodiversiteit en milieukwaliteit van het gebied, en de druk hierop. Daarnaast is een pilotproject van start gegaan om data over het Waddenzeegebied te inventariseren, eveneens met het doel om de milieukwaliteit en biodiversiteit in dit gebied in indicatoren te vatten.

Beleidsmaatregelen voor SDG 14 zijn afkomstig van de departementen IenW en LNV.noot22 De Beleidsnota Noordzee 2016–2021 bevat het overkoepelende beleid voor de Noordzee, waaraan veel internationale afspraken gekoppeld zijn. Er zijn veel dwarsverbanden met andere SDG’s: 2, 7, 12, 13 en 15; zo richt het Akkoord voor de Noordzee zich op transities (natuur, voedsel, energie). Het Europese visserijbeleid richt zich vooral op verduurzaming van de sector. Het Kustpact is van belang voor klimaatadaptatie en het zwerfvuilbeleid raakt circulariteit. Voor de Waddenzee geldt de Ontwerp Agenda voor het Waddengebied 2050.

SDG 14   Leven in het water  

Uitkomsten

59,8
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
19e
4
82,2%
15e
65,7

Middelen en mogelijkheden betreffen de omvang van het zeegebied en de middelen die worden ingezet om het te onderhouden en beschermen. Hoewel een groot deel van de Nederlandse zeewateren beschermd gebied is, vinden er nog veel activiteiten plaats. Omdat verschillende vormen van bescherming en gebruik elkaar overlappen, is de bescherming niet overal volledig doorgevoerd en is het nog niet mogelijk een eenduidig beeld van de ontwikkelingen te geven.

Gebruik geeft aan hoe we de zee gebruiken voor economische activiteiten en recreatie en hoe we de natuur daar beschermen. De Nederlandse zeewateren worden intensief gebruikt voor scheepvaart, visserij en recreatie. Daarnaast worden in steeds meer delen van de Noordzee windmolenparken aangelegd en experimenten met andere vormen van duurzame energie gedaan. Voor deze verschillende vormen van gebruik zijn nog geen indicatoren bekend die een beeld geven voor het gehele Nederlandse zeegebied en die voldoen aan de kwaliteitseisen van deze publicatie.

Uitkomsten gaan over de kwaliteit van het zeewater en het natuurlijke leven in en rondom de Nederlandse zeegebieden. Visbestanden vormen een natuurlijke hulpbron, die door meerdere landen geëxploiteerd wordt. Het Europese visserijbeleid is gericht op een duurzaam en evenwichtig gebruik en het voorkomen van overbevissing, door middel van vangstlimieten. De monitor toont de stand van zes belangrijke commerciële vissoorten, waarbij de huidige visstand vergeleken wordt met de duurzame visstand (de visstand die nodig is voor het behouden van een gezonde populatie). De trend is stabiel. In 2021 waren de populaties van haring, schol, schelvis en na lange tijd ook weer van tong volgens ICES (International Council for the Exploration of the Sea) groot genoeg om van een duurzame visstand te spreken; voor kabeljauw en voor het eerst in jaren ook voor koolvis was dat niet het geval.

In 2020 was 82,2 procent van het zwemwater langs de Nederlandse kust van uitstekende kwaliteit, de trend is stabiel. Nederland staat hiermee onderin de middengroep van de Europese ranglijst. Bij de meer algemene ‘Clean Water Index’ wijkt de score nogal af van die in eerdere jaren. Dit komt door een revisie van de Ocean Health Index, de basis van de Clean Water Index; de uitkomsten zijn nu gebaseerd op andere data en methoden. De trend in de periode 2014–2021 is stijgend: de waterkwaliteit verbetert.

Een maatstaf voor biodiversiteit van water en bodemleven, inclusief zeevogels, is de Trend fauna Noordzee. Het meest recente cijfer is voor 2015, en er kan geen trend berekend worden voor de periode 2014–2021. In de periode 1990–2015 was de gemiddelde populatie-omvang van dieren in de Noordzee met bijna een derde achteruitgegaan. Van de in totaal 140 soorten in deze indicator namen er 57 significant in aantal af en 35 toe. Vooral van de bodemfaunasoorten – met 85 soorten de grootste groep in deze indicator – nam het aantal af. Deze indicator wordt slechts incidenteel geactualiseerd, maar in 2022 wordt een update verwacht en dan is te zien of de biodiversiteit van de diepe Noordzee verder onder druk staat.

Beleving heeft betrekking op de zorgen van mensen over de vervuiling van en het leven in zee. Ook voor deze categorie zijn geen indicatoren beschikbaar.

SDG 15   Leven op het land

SDG 15 betreft bescherming, herstel en duurzaam beheer van alle vormen van leven op het land. Bescherming en herstel van ecosystemen en biodiversiteit versterken de weerbaarheid tegen toenemende bevolkingsdruk, intensivering van landgebruik en klimaatverandering. Gezonde ecosystemen staan aan de basis van processen die grote invloed hebben op de brede welvaart, zoals de beschikbaarheid van schoon water en schone lucht, de aanwezigheid van insecten voor bestuiving en de mogelijkheden voor ontspanning, recreatie en educatie. Natuur heeft een intrinsieke waarde voor de brede welvaart ‘hier en nu’ en voor toekomstige generaties. Het is tegelijkertijd een kritieke factor: als ecosystemen eenmaal verwoest zijn, kan de schade onherstelbaar blijken.

Het beleid voor SDG 15 wordt vooral gemaakt op de departementen IenW en LNV, op onderdelen samen met BZ.noot23 In het Klimaatakkoord staan doelen voor broeikasgasreductie voor landbouw en landgebruik. Deze doelen raken overigens ook SDG 13. Het Nationaal Programma Landbouwbodems (NPL) stelt dat in 2030 alle Nederlandse landbouwgrond duurzaam moet worden beheerd, zodat de bodem optimaal kan functioneren en de kwaliteit zo hoog mogelijk is en blijft voor volgende generaties. Duurzaam beheerde bodems zijn ook van belang voor SDG 2.

De trends in dit dashboard zijn overwegend neerwaarts of neutraal. Een daling van de welvaart is zichtbaar bij indicatoren voor de beschikbare ruimte en de biodiversiteit. Bij de internationale vergelijking staat Nederland in de helft van de gevallen in de achterhoede. Wel zijn de uitgaven voor milieu en milieubescherming vergeleken met andere EU-landen relatief hoog.

SDG 15   Leven op het land  

Middelen en mogelijkheden

1,5%
2e
2,5%
4e
2 377
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
26e
907,3
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
14,9%
26e

Gebruik

20,7%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
5
13e
172
14e

Uitkomsten

71,4%
60,8%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
60,8
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
5e
82
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart

Beleving

15,9%
18e

Middelen en mogelijkheden betreffen de omvang van de natuurlijke ruimte en de middelen voor herstel en bescherming. In 2020 bedroegen de overheidsuitgaven aan milieubescherming 1,5 procent van het bbp, veel vergeleken met andere EU-landen. Ook de totale milieu-uitgaven (milieukosten en investeringen van overheden en bedrijfsleven) zijn relatief hoog vergeleken met die in de andere EU-landen.

De bevolking groeit door en daarmee neemt de beschikbare oppervlakte per persoon verder af, de trend is rood. Binnen de EU hebben alleen de inwoners van Malta per persoon minder land en water ter beschikking. Nog geen 15 procent van het Nederlandse landoppervlak is bedekt met natuur en bos, waarmee Nederland vrijwel onderaan de EU-ranglijst staat. Er zijn niet genoeg data om voor de periode 2014–2021 om een trend te kunnen bepalen.

De ‘groen-blauwe’ ruimte per inwoner, exclusief reguliere landbouw, is afgenomen naar 907 vierkante meter in 2020. Deze indicator uit de Natuurlijk Kapitaalrekeningen van het CBS heeft een dalende trend. Het totale areaal van deze ruimte laat tussen 2015 en 2020 wel een kleine toename zien, maar het inwonertal groeit ook. Steeds meer boeren passen een vorm van natuurbeheer toe op hun akkers en graslanden, maar deze groei maskeert de afname van landschapselementen als heggen, bomenrijen, hagen, en ook bos in Nederland. De indicator groen-blauwe ruimte is exclusief de Noordzee en de reguliere landbouw omdat deze door hun oppervlak zo zouden domineren dat de ontwikkeling bij alle andere landschapseenheden niet meer zichtbaar zou zijn. Het is ook niet representatief voor de beschikbare ruimte per inwoner om het gehele Nederlandse deel van de Noordzee mee te rekenen. Het oppervlak van de Waddenzee en het IJsselmeer is wel meegeteld, dit verklaart het relatief hoge aantal vierkante meters per inwoner.

Gebruik betreft de bescherming en benutting van de natuurlijke ruimte en haar ecosystemen en de druk op het natuurlijke systeem door menselijke activiteiten. Natuur wordt in Nederland beschermd binnen het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Dit betreft zowel bestaande als nieuw aan te leggen natuur in nationale parken en Natura 2000‑gebiedenen en terrein aangekocht voor natuurontwikkeling. Eind 2020 besloeg het NNN-areaal 20,7 procent van het landoppervlak. Het areaal neemt trendmatig toe, in lijn met de afspraak van de provincies om eind 2027 80 000 hectare nieuwe natuur ingericht hebben. Om het doel daadwerkelijk te halen hebben Rijk en provincie inmiddels een taskforce ‘Versnelling inrichting restopgave 80 000 ha extra natuur’ ingesteld. Er resteert nu nog een opgave van 35 000 ha nog concreet in te plannen NNN, zie het rapport Natuurlijk kapitaal en brede welvaart in Nederland - leefomgeving in verandering.

Een teveel aan fosfor en stikstof, vooral afkomstig uit de landbouw, heeft negatieve gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater en ecosystemen zoals heide, bos en duinen. Deze cijfers zijn slechts voor de helft van de EU-landen beschikbaar, maar daar behoorde Nederland zowel bij het fosfor- als bij het stikstofoverschot in 2019 tot de hekkensluiters van de EU.

Uitkomsten hebben betrekking op de kwaliteit van ecosystemen en biodiversiteit. Nederland is het tweede landbouwexportland ter wereld. De hoge productie die hiervoor nodig is heeft een keerzijde: een zeer hoge depositie van stikstof. Als er meer stikstof neerslaat dan de natuurlijke begroeiing aankan, spreken we van een overschrijding van de kritische depositiewaarde: de natuur wordt dan in haar voortbestaan bedreigd en specifieke soorten zullen verdwijnen. Naarmate de overschrijding groter is en langer duurt, nemen de nadelige effecten toe. In Nederland werd de kritische depositiewaarde bij ruim 71 procent van alle landnatuur overschreden, een zeer hoog percentage. De trend is neutraal en laat dus geen verbetering zien. De beschikbare cijfers dateren overigens uit 2018, RIVM en WUR publiceren naar verwachting medio 2022 nieuwe data.

De indicator voor boerenlandvogels (weide-, akker- en erfvogels) geldt als maatstaf voor de kwaliteit van het agrarisch gebied. Hier duidt de trendmatige daling op sterk verslechterde leefomstandigheden voor deze soorten: de index was in 2020 bijna veertig procent lager dan in het startjaar (2000). De ganzenpopulatie floreert overigens wel, maar deze vogels hebben een veel bredere verspreiding dan alleen het boerenland. Voor de biodiversiteit gebruiken we hier verder de rode-lijstindicator. Die geeft aan dat 60,8 procent van de soorten (verdeeld over zeven soortgroepen dieren en hogere planten) in Nederland niet wordt bedreigd. De trend is ook hier rood: het aandeel bedreigde soorten neemt toe. Met de fauna van het land gaat het ook niet goed: de trend is hier eveneens rood. In 2020 lag deze index 18 procent onder het niveau van het basisjaar 1990.

Beleving gaat over de beleving van de kwaliteit van de natuurlijke ruimte en zorgen over vervuiling en de verdwijning van soorten. In 2021 ervoer 15,9 procent van de volwassen bevolking hinder van afval, verontreiniging of andere milieuproblemen. De trend is neutraal, maar de overlast was duidelijk groter dan in 2020 (14,3 procent). Binnen Europa neemt Nederland een middenpositie in.

SDG 16.1   Vrede, justitie en sterke publieke diensten: veiligheid en vrede

Een vreedzame en veilige samenleving is het hoofdonderwerp van SDG 16. Naast vrede en veiligheid dekken de doelen hier ook instituties. Dit eerste dashboard (16.1) gaat over veiligheid en vrede; instituties komen aan bod in een tweede dashboard bij deze SDG (16.2).

Voor veiligheid en vrede moeten alle vormen van geweld en de sterfte die daarvan het gevolg is teruggedrongen worden. Speciale aandacht gaat uit naar geweld tegen kinderen en naar georganiseerde misdaad. In een veilige samenleving heeft iedereen toegang tot het rechtssysteem, en wordt corruptie tegengegaan. Het ervaren van onveiligheid – met de daarmee samengaande gevoelens van kwetsbaarheid en onzekerheid – kan een grote impact hebben op het persoonlijke leven. (On)veiligheid heeft daarom, zowel objectief als subjectief, effect op de brede welvaart ‘hier en nu’.

Het leger, de politie en justitie hebben de taak om de veiligheid te vergroten en te handhaven, preventief en via het rechtssysteem. Vertrouwen van burgers in deze instanties kan het gevoel van veiligheid vergroten.

Het Nederlandse beleid dekt SDG 16 grotendeels. De meeste beleidsmaatregelen en -voornemens zijn opgesteld door de ministeries van JenV en BZK, maar ook de departementen SZW, VWS, OCW en BZ hebben beleid geformuleerd voor onderdelen van deze SDG. De belangrijkste inzet vindt plaats in het kader van het beleid op veiligheid en tegen ondermijning. Daarnaast is er aandacht voor rechtstoegang.noot24

Het dashboard bevat een nieuwe indicator: vermoedens van kindermishandeling. Verder wijken de cijfers in dit dashboard soms af van die in vorige edities van de Monitor Brede Welvaart & de SDG’s. Door wijzigingen in de vraagstellingen en de onderzoeksopzet zijn de uitkomsten van de Veiligheidsmonitor 2021 niet zonder meer te vergelijken met die van de eerdere edities. Het beeld bij dit dashboard is voor de trendmatige ontwikkelingen tamelijk positief: de meeste indicatoren wijzen op een stabiele of toenemende welvaart. Alleen bij de operationele sterkte van de politie en het vertrouwen in de rechtsstaat beweegt de trend van het doel af. Bij drie indicatoren neemt Nederland binnen de EU een koppositie in, alleen met de minderjarige verdachten staat Nederland achterin de EU-ranglijst. Een internationale vergelijking is overigens niet mogelijk voor alle indicatoren in dit dashboard.

SDG 16   Vrede, justitie en sterke publieke diensten: veiligheid en vrede  

Middelen en mogelijkheden

2,0%
12e
1,3%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
13e
290
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
18e

Gebruik

67
4e
10,5%
19e

Uitkomsten

0,6
5e
43,2
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
17,1%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
14e
13,0%
5,8
11,0%
2,0%
349,0

Beleving

1,76
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
6e
2,0%

Middelen en mogelijkheden zijn in deze context middelen die worden ingezet om een eerlijke rechtsgang en de nationale veiligheid te garanderen. Bij de overheidsuitgaven aan openbare orde en veiligheid is de trend stabiel. Bij de uitgaven aan landsverdediging is de trend stijgend, hoewel het aandeel, 1,3 procent, nog duidelijk onder de 2 procent ligt waar binnen de NAVO naar wordt gestreefd. Het kabinet maakt momenteel geld vrij om in 2024 op 1,85 procent van het bbp uit te komen.

De operationele sterkte van de politie – het aantal politiebeambten per inwoner – neemt trendmatig af. Het aantal agenten dat direct contact heeft met burgers en/of direct bijdraagt aan kerntaken is na een piek van 307 vte per 100 duizend inwoners in 2012 en 2013 afgenomen naar 290 vte in 2020. Nederland neemt in 2019 bij alle drie indicatoren een middenpositie in binnen de EU-27.

Gebruik betreft voor deze SDG het aantal mensen dat in aanraking komt met of een beroep doet op justitie. Internationaal gezien zitten er relatief weinig mensen in gevangenissen, penitentiaire en tuchtinstellingen. In 2019 steeg het aantal naar 67 per 100 duizend inwoners. Het percentage minderjarigen onder de verdachten die in beeld zijn gekomen bij de politie, is vergeleken met andere EU-landen juist hoog (Nederland staat 19e van 22 landen in 2019). Het percentage schommelt al jaren rond de 10 à 11 procent.

Uitkomsten betreffen gepleegde misdrijven en slachtoffers daarvan. Steeds minder Nederlanders geven aan slachtoffer te zijn geweest van criminaliteit zoals geweld, inbraak, diefstal en vernieling: 17,1 procent van de bevolking van 15 jaar of ouder in 2021. Dit was in 2014, aan het begin van de trendperiode nog 28,8 procent. De politie registreerde dan ook minder van deze misdrijven: 43,2 misdrijven per 100 duizend inwoners in 2021, tegen 60,9 in 2014. Bij beide indicatoren is de trend neerwaarts. Nederland heeft bij het slachtofferschap van misdaad een middenpositie binnen de EU. Een deel van de criminaliteit blijft overigens buiten beeld van registraties. Zo wordt niet altijd aangifte gedaan, maar van land tot land kan het ook verschillen welke delicten worden geregistreerd.

De neutrale trend in de cijfers over slachtoffers van cybercriminaliteit is nog gebaseerd op de Veiligheidsmonitor oude stijl. In 2019 was 13 procent van de bevolking slachtoffer van cybercrime (digitale vormen van identiteitsfraude, koop- en verkoopfraude, hacken en cyberpesten). De Veiligheidsmonitor 2021 heeft een nieuwe, meer uitgebreide meting gedaan naar slachtofferschap van online criminaliteit, die laat zien dat in 2021 16,9 procent van de bevolking slachtoffer was van online criminaliteit. Door de nieuwe opzet kan dit cijfer niet worden vergeleken met de uitkomsten voor eerdere jaren.

Mensenhandel is een delict waar moeilijk zicht op is te krijgen. De opgenomen data zijn van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en betreffen geregistreerde slachtoffers. De kwaliteit van de cijfers is onvoldoende voor het bepalen van een trend. Het aantal lag in 2020 duidelijk onder dat van de piek in 2019. De pandemie speelde hier waarschijnlijk een rol: reizen was maar beperkt mogelijk, en ook de opsporingsdiensten ondervonden hinder van de maatregelen. Daarnaast is in 2019 regelgeving gewijzigd, waardoor slachtoffers ontmoedigd kunnen zijn zich te melden. Het WODC, het kennisinstituut voor het ministerie van Justitie en Veiligheid, liet de universiteiten van Tilburg en Utrecht onderzoek doen naar mensenhandel. Zij ramen het aantal slachtoffers op zo’n vijf duizend, en daarmee zijn er dus aanwijzingen dat maar een relatief klein deel van de slachtoffers in beeld komt bij instanties.

Bij de laatste meting van het Rutgers Kenniscentrum Seksualiteit in 2017 was het aandeel jonge mannen dat slachtoffer was van seksueel grensoverschrijdend gedrag 2 procentpunt lager dan in 2012, dit is een halvering. Bij de jonge vrouwen daalde het percentage van 17 in 2012 naar 11 in 2017. De meetfrequentie van deze indicator is te laag om een trend te bepalen. Ook zijn er geen internationale gegevens beschikbaar.

Een nieuwe indicator in het dashboard betreft het aantal meldingen over (vermoedens van) kindermishandeling bij de 26 Veilig Thuis-organisaties in Nederland. Het ging in 2021 om 349 meldingen per 100 duizend inwoners. Bij één melding kunnen meerdere kinderen betrokken zijn, en kunnen naast vermoedens van kindermishandeling ook vermoedens over andere vormen van huiselijk geweld zijn geuit.

Beleving heeft betrekking op het vertrouwen in justitie en politie en het gevoel van veiligheid. Het vertrouwen in de rechtstaat is een van de zes aspecten van deugdelijk bestuur die de Wereldbank meet door middel van de Worldwide Governance Indicators. Hoewel de trend dalend is, hebben Nederlanders nog altijd veel vertrouwen in het rechtssysteem, waaronder de politie en de rechtbanken. Alleen in de Scandinavische landen, Luxemburg en Oostenrijk is het vertrouwen groter. Het percentage mensen dat zich vaak onveilig voelt in de eigen buurt daalt niet langer trendmatig.

SDG 16.2   Vrede, justitie en sterke publieke diensten: instituties

Naast veiligheid en vrede (zie vorige dashboard) heeft SDG 16 ook betrekking op instituties. Het gaat daarbij om verantwoording en transparantie op elk niveau, met inclusieve en representatieve besluitvorming. Ook publieke toegang tot informatie en bescherming van fundamentele vrijheden zijn belangrijke doelen binnen SDG 16. Doeltreffende, verantwoordelijke en transparante instituties zijn essentieel voor het ontwikkelen en behouden van brede welvaart: de kwaliteit van deze instellingen bepaalt mede de samenhang en effectiviteit van beleid. In een open en democratische samenleving is het ook belangrijk dat instituties verantwoording afleggen; als burgers vertrouwen hebben in de overheid zullen ze makkelijker meedoen in de maatschappij.

In dit tweede dashboard van SDG 16 zijn relatief veel extra indicatoren toegevoegd in de Nederlandse beleidscontext. Het meeste beleid op het gebied van SDG 16 is opgesteld door de ministeries van JenV en BZK, maar ook de departementen SZW, VWS, OCW en BZ hebben beleid voor onderdelen van SDG 16 geformuleerd. Voor instituties betreft dit in het bijzonder de openheid van de overheid en toegankelijkheid van overheidsdiensten.noot25

Het beeld bij dit dashboard is voor de trendmatige ontwikkelingen minder gunstig, met drie rode tegen één groene trend; wel is er een trendomslag die een verbetering aangeeft (bij inspraak en verantwoordingsplicht: van rood naar grijs). Vergeleken met andere Europese landen scoort Nederland op het gebied van deze SDG echter erg goed: met vrijwel alle indicatoren staat Nederland bovenin de EU-ranglijst.

SDG 16   Vrede, justitie en sterke publieke diensten: instituties  

Middelen en mogelijkheden

4,1%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
22e

Gebruik

75,6%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
8e
78,7%
6e

Uitkomsten

1,75
4e
1,85
3e
82
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
4e
1,53
2e
3,5
1e

Beleving

66,9%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
3e

Middelen en mogelijkheden zijn middelen die de overheid heeft om haar taken uit te voeren en diensten te verlenen aan burgers. De uitgaven van de overheid aan algemeen bestuur als percentage van het bbp zijn verder teruggelopen: 4,1 procent in 2020, 1 procentpunt minder dan aan het begin van de trendperiode in 2014. De trend kleurt rood: minder middelen voor de overheid wordt bij deze SDG gezien als negatief voor de brede welvaart en het behalen van de doelen. Europees gezien staat Nederland in achterhoede (22e van 25 EU-landen in 2020).

Gebruik is hier het gebruik door burgers van diensten van de overheid en maatschappelijke organisaties. Actieve deelname van burgers in de samenleving is essentieel voor het functioneren van een democratie. Een indicator om dit te meten is de dekkingsgraad van de collectieve arbeidsovereenkomsten (cao’s). Deze dekkingsgraad is gerelateerd aan het aantal vakbondsleden, maar ook aan de rechtsgeldigheid van een cao voor andere bedrijven en werknemers in een sector. Het aandeel werknemers dat valt onder een cao daalt trendmatig, naar 75,6 procent in 2019. Aan het begin van de trendperiode, in 2014, was dit nog 85,9 procent. Een meer directe indicator voor actieve participatie is de opkomst bij parlementsverkiezingen. In 2021 was deze opkomst 78,7 procent, iets minder dan de 81,9 procent in 2017. Het is moeilijk te zeggen of coronamaatregelen een effect hadden op de opkomst in 2021. Er kon op drie dagen gestemd worden en 70‑plussers mochten hun stem per post uitbrengen. Vergeleken met andere Europese landen is de opkomst hoog en Nederland staat dan ook in de kopgroep. Van alle landen wordt de opkomst genomen in het laatste jaar waarin parlementsverkiezingen plaatsvonden. (In sommige landen is er een opkomst- of stemplicht die niet wordt afgedwongen.)

Uitkomsten betreffen de kwaliteit van publieke dienstverlening, de openheid en efficiëntie van de overheid en inspraak van burgers. Nederland staat bovenin de EU-ranglijst bij alle vijf indicatoren in deze categorie. De trends zijn overwegend neutraal, met uitzondering van die van de Corruptie Perceptie Index. Volgens de hoge notering in deze index van Transparency International in 2021 – vierde in de EU en achtste van de in totaal 180 landen – kan de Nederlandse publieke sector in hoge mate (score 82 van maximaal 100 punten) als vrij van corruptie beschouwd worden. Hier is echter wel een dalende trend. Transparency International maakt zich wel zorgen over het opschorten of ontbreken van procedures rond inspraak en verantwoordingsplicht bij het nemen van COVID-19‑maatregelen wereldwijd. Als maatstaf voor de efficiëntie van de overheid gebruiken we hier het aantal dagen dat minimaal nodig is om legaal een bedrijf te starten. Dit kan in Nederland in drie en een halve dag (2019), waarmee Nederland samen met Denemarken en Estland koploper is binnen de EU. De dalende trend die Nederland tot vorig jaar had bij inspraak en verantwoordingsplicht is veranderd in een stabiele.

Beleving betreft hier de vraag of burgers vertrouwen hebben in de overheid. Het vertrouwen in instituties (percentage dat 6 of hoger aangeeft op een schaal van 0–10) is vergeleken met andere Europese landen groot en neemt trendmatig toe. In 2021 gaf 66,9 procent van de bevolking aan vertrouwen te hebben in de instituties politie, Tweede Kamer en rechters. Dit is weliswaar minder dan in 2020 (69,5 procent), maar van 2019 op 2020 was het aandeel dat vertrouwen heeft ook heel fors toegenomen (van 63,1 naar 69,5 procent). Het vertrouwen is dus nog altijd een stuk groter dan in 2019, voor de coronacrisis.

SDG 17   Partnerschap om doelstellingen te bereiken

De zeventiende en laatste SDG heeft een wat ander karakter dan de overige zestien. De focus ligt hier op de vorming en behoud van partnerschappen, om zo de andere doelstellingen te helpen bereiken. (Internationale) samenwerking is onmisbaar om de capaciteit en middelen vrij te maken om de duurzame-ontwikkelingsagenda uit te voeren. Dit vereist samenhangend beleid, een coöperatieve omgeving en de bereidheid tot aangaan van nieuwe mondiale partnerschappen. Het gaat er bij SDG 17 om welk effect ontwikkelingen in Nederland op andere landen hebben; op basis hiervan worden de kleuren groen, grijs en rood in het dashboard toegekend.

Helaas zijn voor de meeste subdoelen van SDG 17 geen goed meetbare indicatoren voorhanden. Zo is een aantal doelen gericht op de ontwikkeling van beleidsinstrumenten om de duurzame ontwikkeling in andere landen te ondersteunen. Voor deze doelen worden geen statistische indicatoren gebruikt, maar moeten landen aangegeven of deze beleidsinstrumenten in hun land bestaan. Overal ter wereld worstelen statistische bureaus met de vraag hoe SDG 17 beter meetbaar te maken. Het CBS is met het Ministerie van Buitenlandse Zaken in gesprek om te kijken hoe we deze SDG voor Nederland met aanvullende indicatoren beter in kaart kunnen brengen. SDG 17 kan dan ook niet op eenzelfde manier worden beschreven als de andere SDG’s.

Het Nederlandse beleid dekt het grootste deel van SDG 17. Het is – net als dit doel – grotendeels onderdeel van het Nederlandse buitenlandbeleid, in het bijzonder het beleid voor buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking. Het grootste deel van het beleid is dan ook opgesteld door het ministerie van BZ. Daarnaast zijn er bijdragen van de departementen BZK en FIN. Nederland werkt ook in Europees verband samen om SDG’s te halen, zowel buiten als binnen Europa. Nederland zet in de EU met name in op internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO) en beleidscoherentie voor (duurzame) ontwikkeling.noot26

Voor deze SDG meet het CBS momenteel slechts vier indicatoren, voor een klein aantal subdoelen. Daardoor is er geen indeling naar middelen en mogelijkheden, gebruik, uitkomsten en beleving, en kan ook geen algemeen beeld gegeven worden van de richting van deze SDG. Daarom geven we hier alleen de beschrijving van trends en posities voor de vier individuele indicatoren.

SDG 17   Partnerschap om doelstellingen te bereiken  

Algemeen

0,6%
5e
1,5%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
4e
€ 189
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
2e
14,4%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart

Bij ontwikkelingshulp en overdrachten (de lonen en salarissen van niet-ingezetenen als percentage van het bruto nationaal inkomen) staat Nederland vrij hoog op de EU-ranglijst: 0,6 procent van het Nederlandse bni ging naar ontwikkelingshulp in 2020, en de overdrachten hadden een waarde van 1,5 procent van het bbp. Beide indicatoren worden hier in de context van de SDG-agenda gepresenteerd. Meer uitgaven wordt vanuit dit perspectief geïnterpreteerd als stijgende welvaart in de landen die de hulp of overdrachten ontvangen.

Bij het percentage overdrachten past een flinke kanttekening in verband met een aantal meetproblemen. De overdrachten van lonen en salarissen van niet-ingezetenen bevatten mogelijk ook geldstromen van particuliere beleggers. Tot de landen met het hoogste percentage overdrachten behoren Luxemburg en, in mindere mate, Malta en Cyprus. Fiscale voordelen kunnen ook van invloed zijn. Verder kunnen niet-ingezetenen die langer dan twaalf maanden in een land wonen moeilijk onderscheiden worden, en worden overdrachten via niet-officiële instanties niet gemeten. In hoeverre deze meetproblemen de cijfers beïnvloeden is niet duidelijk, omdat het betaalverkeer per land sterk verschilt.

Bij de totale invoer uit de LDC’s is de trend stijgend en staat Nederland bovenin de Europese ranglijst. Dit laatste is niet verbazingwekkend omdat Nederland met zijn grote zeehavens traditioneel intensieve handelsrelaties met de allerarmste landen onderhoudt. De betekenis van de handelsstromen voor Nederland kan overigens overschat zijn doordat de cijfers ook wederuitvoer omvatten. Bij wederuitvoer gaat het om goederen die hier worden ingevoerd en vervolgens in (vrijwel) onbewerkte staat weer uitgevoerd. Het is technisch lastig deze wederuitvoer uit de totale invoercijfers te halen.

Er komen steeds meer studenten uit landen buiten de Europese Economische Ruimte (EER, oftewel de 27 EU-lidstaten, Noorwegen, IJsland en Liechtenstein) in Nederland studeren. Relatief fors meer studenten uit niet-EER-landen stonden op 1 oktober voor het eerst ingeschreven voor een universitaire bachelor- of masteropleiding (groene trend). In 2014, aan het begin van de trendperiode, ging het om 9,9 procent, in 2021 was dit 14,4 procent. Uitgaande van kennisoverdracht aan andere landen worden de toename van Engelstalige studieprogramma’s en van het aantal internationale studenten beschouwd als gunstig voor de brede welvaart elders in de wereld. De brede welvaartseffecten kunnen daarnaast ook voor Nederland positief zijn: hoogopgeleide buitenlandse studenten die in Nederland blijven en werken zullen bijdragen aan de Nederlandse economie.

Noten

CBS, 2021, Vijf jaar implementatie SDG’s in Nederland, 2016–2020. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS, 2021, Vijf jaar implementatie SDG’s in Nederland, 2016–2020. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS, 2021, Vijf jaar implementatie SDG’s in Nederland, 2016–2020. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS, 2021, Vijf jaar implementatie SDG’s in Nederland, 2016–2020. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.

De BMI (Body Mass Index) is een internationaal gebruikte maat die een inschatting geeft van hoe gezond je lichaamsgewicht is. De BMI zelf is het lichaamsgewicht in kilo’s gedeeld het kwadraat van de lichaamslengte in meters

CBS, 2021, Vijf jaar implementatie SDG’s in Nederland, 2016–2020. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS, 2021, Vijf jaar implementatie SDG’s in Nederland, 2016–2020. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS, 2021, Vijf jaar implementatie SDG’s in Nederland, 2016–2020. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS, 2021, Vijf jaar implementatie SDG’s in Nederland, 2016–2020. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS, 2021, Vijf jaar implementatie SDG’s in Nederland, 2016–2020. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS, 2021, Vijf jaar implementatie SDG’s in Nederland, 2016–2020. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS, 2021, Vijf jaar implementatie SDG’s in Nederland, 2016–2020. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS, 2021, Vijf jaar implementatie SDG’s in Nederland, 2016–2020. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS, 2021, Vijf jaar implementatie SDG’s in Nederland, 2016–2020. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS, 2021, Vijf jaar implementatie SDG’s in Nederland, 2016–2020. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS, 2021, Vijf jaar implementatie SDG’s in Nederland, 2016–2020. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS, 2021, Vijf jaar implementatie SDG’s in Nederland, 2016–2020. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS, 2021, Vijf jaar implementatie SDG’s in Nederland, 2016–2020. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.

Zie het CBS-rapport Circulaire economie en de SDG’s.

CBS, 2021, Vijf jaar implementatie SDG’s in Nederland, 2016–2020. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS, 2021, Vijf jaar implementatie SDG’s in Nederland, 2016–2020. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS, 2021, Vijf jaar implementatie SDG’s in Nederland, 2016–2020. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS, 2021, Vijf jaar implementatie SDG’s in Nederland, 2016–2020. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS, 2021, Vijf jaar implementatie SDG’s in Nederland, 2016–2020. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS, 2021, Vijf jaar implementatie SDG’s in Nederland, 2016–2020. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

De Samenvatting biedt een beknopt overzicht van de ontwikkelingen bij de welvaartsthema’s ‘hier en nu’, ‘later’ en ‘elders’ en laat zien hoe Nederland presteert op het gebied van de 17 Sustainable Development Goals (SDG’s).

In hoofdstuk 2, Brede-welvaarttrends, worden de indicatoren bij de welvaartsthema’s ‘hier en nu’, ‘later’ en ‘elders’ meer in detail beschreven. Dit hoofdstuk gaat ook kort in op de relatie met uitkomsten uit de Natuurlijk Kapitaalrekeningen over het gebruik van de – in Nederland schaarse – ruimte<> en de samenhang tussen circulaire economie en de SDG’s

De brede welvaart in het ‘hier en nu’ is niet gelijk verdeeld over de bevolkingsgroepen en de regio’s binnen Nederland. Zie hiervoor Hoofdstuk 3 Verdeling van brede welvaart en de Regionale monitor brede welvaart.

Hoofdstuk 4, Duurzame ontwikkelingsdoelen (SDG’s) in de Nederlandse context, beschrijft afzonderlijke thema’s binnen de brede welvaart, gegroepeerd naar de 17 duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN.

Hoofdstuk 5, ten slotte, gaat in op de vraag hoe schokbestendig de onderliggende systemen van onze brede welvaart zijn, nu en in de toekomst.

De uitkomsten van de Monitor Brede Welvaart & de Sustainable Development Goals 2022 kunnen niet zonder meer vergeleken worden met de cijfers uit voorgaande edities. Bijvoorbeeld omdat voorlopige cijfers vervangen zijn door definitieve, ander bronnen zijn gebruikt, of tijdreeksen zijn gereviseerd.

De afsluitdatum van de gegevensverwerking was 24 maart 2022.

Op de website van het CBS is alle onderliggende informatie toegankelijk gemaakt, inclusief een technische toelichting bij de Monitor Brede Welvaart & de SDG’s, en tabellen met de gebruikte data.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.