Wisselend beeld SDG’s

Foto omschrijving: Rijtje arbeiderswoningen tegen de achtergrond van rokende Tata Steel-fabriek in IJmuiden.

Duurzame ontwikkelingsdoelen (SDG’s) in de Nederlandse context

Na de beschouwing over brede welvaart in zijn geheel in hoofdstuk 2 en de verdeling over bevolkingsgroepen in hoofdstuk 3, richt dit hoofdstuk zich op afzonderlijke thema’s binnen de brede welvaart. Hierbij staan de 17 Sustainable Development Goals (de duurzaamheids­doelen van de Verenigde Naties) centraal. De VN hebben 17 mondiale doelen vastgesteld en aan ieder doel meerdere concrete doelstellingen verbonden. In september 2015 committeerden regeringsleiders van 193 landen zich aan deze agenda voor duurzame ontwikkeling die loopt tot 2030.

In februari 2021 bracht het CBS op verzoek van het Ministerie van BZ een rapport uit dat in kaart brengt waar Nederland staat, vijf jaar na de nationale implementatie en tien jaar voor de doelen behaald moeten zijn (CBS, 2021a). Dat rapport bevat naast monitoring ook de geformuleerde beleidsdoelen per SDG-doel. Er is ook een eerste aanzet gedaan om te inventariseren hoe de verschillende doelen van de SDG-agenda zich tot elkaar verhouden. Naast de afruilen waarvan in een deel van de SDG-agenda sprake is (het proberen te behalen van één doel kan nadelig uitwerken voor het realiseren van andere doelen), zijn er ook tal van mogelijke synergie-effecten in de agenda. Met het systematischer identificeren van zogenaamde ‘verknopingen’ wil het CBS tegemoet komen aan een wens vanuit het beleid. Hiervoor is wel meer onderzoek nodig.

In hoofdstuk 4 van de Monitor worden per SDG de trends in Nederland en de positie van Nederland in de EU beschreven. Dit aan de hand van indicatoren die zijn gegroepeerd naar middelen die worden ingezet en bestaande mogelijkheden, het gebruik daarvan, uitkomsten, en de beleving daarvan door burgers. Voor de doelstellingen zijn, naast de internationaal vastgelegde indicatoren uit de SDG-agenda, indicatoren gezocht die passen in de Nederlandse context (SDGplus).

Voor een groot deel van de indicatoren zijn cijfers van 2020 opgenomen. 2020 was een uitzonderlijk jaar door het uitbreken van de coronapandemie en de genomen maatregelen om verspreiding van het virus tegen te gaan. De focus van de Monitor Brede Welvaart ligt echter niet zozeer op de korte termijn, als wel op de middellange termijn en de trends over de afgelopen acht jaar (2013–2020). Hierbij wordt aangetekend dat om de indicatoren internationaal vergelijkbaar te maken ratio’s berekend worden, waarbij gedeeld wordt door bijvoorbeeld het aantal inwoners, het oppervlak van Nederland, het bbp of de gewerkte uren. Dit verhoudingsgetal kan door de sterke krimp van het bbp in 2020 fors beïnvloed zijn. Bij het bekijken van trends is zowel de teller als de noemer van belang.

De dashboards van SDG 1, SDG 6, en de twee dashboards van SDG 10 zijn in de Monitor Brede Welvaart 2021 vernieuwd, in samenspraak met inhoudelijk experts, de klankbordgroep met departementen en de planbureaus, en de SDG-alliantiecoördinatoren. Ook bij andere dashboards zijn er soms wijzigingen: revisies van de gebruikte reeksen, verlegging van basisjaren, aanpassing van leeftijdsgrenzen of gebruik van andere bronnen. Het is daarom niet altijd mogelijk de huidige stand van de indicatoren direct met die in de voorgaande Monitor te vergelijken. Om dit te ondervangen publiceert het CBS jaarlijks op de website Excel-tabellen met de volledige tijdreeks en de bijbehorende metadata. Waar gesproken wordt over een trendomslag is de trend over de periode 2013–2020 vergeleken met de trend over de jaren 2012–2019, de referentieperiode van de vorige Monitor, waarbij beide trends zijn berekend op grond van de huidige datareeksen.

4.1Samenvattend beeld

De figuren 4.1.1 en 4.1.2 geven een indruk hoe Nederland er voorstaat op het gebied van de SDG’s, tien jaar voor de doelen behaald moeten zijn (in 2030). Hierbij moet worden opgemerkt dat de rapportage focust op de voor Nederland relevante SDG-targets en er feitelijk sprake is van een SDG-’plus’ rapportage. Aan de officiële SDG-indicatoren zoals vastgesteld door de VN, zijn door het CBS namelijk indicatoren uit het CES-raamwerk toegevoegd, in lijn met de opdracht van de Monitor Brede Welvaart. In paragraaf 4.3 wordt dieper ingegaan op de vraag hoe de indicatoren gekozen zijn waarmee de voortgang bij de 17 SDG’s gemonitord wordt.

Bij de trendmatige ontwikkeling in de periode 2013–2020 valt op dat er relatief veel indicatoren een groene trendkleur hebben (en zich daarmee in de richting van het doel bewegen) bij SDG 2 (geen honger), SDG 4 (kwaliteitsonderwijs), SDG 5 (gendergelijkheid), SDG 6 (schoon water en sanitair), SDG 7 (betaalbare en duurzame energie), SDG 11 (tweede dashboard, duurzame steden en gemeenschappen: leefomgeving) en SDG 13 (klimaatactie).

In SDG 3 (goede gezondheid en welzijn), SDG 9 (industrie, innovatie en infrastructuur: eerste dashboard, mobiliteit), SDG 10 (ongelijkheid verminderen: tweede dashboard, financiële houdbaarheid), SDG 11 (duurzame steden en gemeenschappen: eerste dashboard, wonen), SDG 15 (leven op het land) en SDG 16 (vrede, justitie en sterke publieke diensten: tweede dashboard, instituties) is er juist een relatief groot aantal indicatoren met een rode trendkleur. Dit is een signaal dat deze SDG’s verder van het doel verwijderd raken.

4.1.1   Trends in Nederland van de 17 SDGplus-doelstellingen
Deze figuur toont per doelstelling het aandeel in het totale aantal gemeten indicatoren.
Gesorteerd op SDG
Gesorteerd percentage groene trends, hoog naar laag
Gesorteerd percentage rode trends, hoog naar laag
SDG 1: Geen armoede
41,7%
41,7%
16,7%
SDG 2: Geen honger
46,2%
46,2%
7,7%
SDG 3: Goede gezondheid en welzijn
12,5%
56,3%
31,3%
SDG 4: Kwaliteitsonderwijs
60%
20%
20%
SDG 5: Gendergelijkheid
76,9%
15,4%
7,7%
SDG 6: Schoon water en sanitair
46,2%
38,5%
15,4%
SDG 7: Betaalbare en duurzame energie
45,5%
27,3%
27,3%
SDG 8: Waardig werk en economische groei
33,3%
60%
6,7%
40%
53,3%
6,7%
SDG 9: Industrie, innovatie en infrastructuur
30,8%
30,8%
38,5%
41,7%
58,3%
38,5%
46,2%
15,4%
SDG 10: Ongelijkheid verminderen
40%
40%
20%
26,7%
40%
33,3%
SDG 11: Duurzame steden en gemeenschappen
30,8%
30,8%
38,5%
55,6%
22,2%
22,2%
SDG 12: Verantwoorde consumptie en productie
30,8%
69,2%
SDG 13: Klimaatactie
71,4%
14,3%
14,3%
SDG 14: Leven in het water
100%
SDG 15: Leven op het land
8,3%
41,7%
50%
SDG 16: Vrede, justitie en sterke publieke diensten
33,3%
58,3%
8,3%
12,5%
50%
37,5%
SDG 17: Partnerschap om doelstellingen te bereiken
50%
50%
SDG 5: Gendergelijkheid
76,9%
15,4%
7,7%
SDG 13: Klimaatactie
71,4%
14,3%
14,3%
SDG 4: Kwaliteitsonderwijs
60%
20%
20%
SDG 11: Duurzame steden en gemeenschappen
55,6%
22,2%
22,2%
SDG 17: Partnerschap om doelstellingen te bereiken
50%
50%
SDG 2: Geen honger
46,2%
46,2%
7,7%
SDG 6: Schoon water en sanitair
46,2%
38,5%
15,4%
SDG 7: Betaalbare en duurzame energie
45,5%
27,3%
27,3%
SDG 1: Geen armoede
41,7%
41,7%
16,7%
SDG 9: Industrie, innovatie en infrastructuur
41,7%
58,3%
SDG 8: Waardig werk en economische groei
40%
53,3%
6,7%
SDG 10: Ongelijkheid verminderen
40%
40%
20%
SDG 9: Industrie, innovatie en infrastructuur
38,5%
46,2%
15,4%
SDG 8: Waardig werk en economische groei
33,3%
60%
6,7%
SDG 16: Vrede, justitie en sterke publieke diensten
33,3%
58,3%
8,3%
SDG 9: Industrie, innovatie en infrastructuur
30,8%
30,8%
38,5%
SDG 11: Duurzame steden en gemeenschappen
30,8%
30,8%
38,5%
SDG 12: Verantwoorde consumptie en productie
30,8%
69,2%
SDG 10: Ongelijkheid verminderen
26,7%
40%
33,3%
SDG 3: Goede gezondheid en welzijn
12,5%
56,3%
31,3%
SDG 16: Vrede, justitie en sterke publieke diensten
12,5%
50%
37,5%
SDG 15: Leven op het land
8,3%
41,7%
50%
SDG 14: Leven in het water
100%
SDG 15: Leven op het land
8,3%
41,7%
50%
SDG 9: Industrie, innovatie en infrastructuur
30,8%
30,8%
38,5%
SDG 11: Duurzame steden en gemeenschappen
30,8%
30,8%
38,5%
SDG 16: Vrede, justitie en sterke publieke diensten
12,5%
50%
37,5%
SDG 10: Ongelijkheid verminderen
26,7%
40%
33,3%
SDG 3: Goede gezondheid en welzijn
12,5%
56,3%
31,3%
SDG 7: Betaalbare en duurzame energie
45,5%
27,3%
27,3%
SDG 11: Duurzame steden en gemeenschappen
55,6%
22,2%
22,2%
SDG 4: Kwaliteitsonderwijs
60%
20%
20%
SDG 10: Ongelijkheid verminderen
40%
40%
20%
SDG 1: Geen armoede
41,7%
41,7%
16,7%
SDG 6: Schoon water en sanitair
46,2%
38,5%
15,4%
SDG 9: Industrie, innovatie en infrastructuur
38,5%
46,2%
15,4%
SDG 13: Klimaatactie
71,4%
14,3%
14,3%
SDG 16: Vrede, justitie en sterke publieke diensten
33,3%
58,3%
8,3%
SDG 2: Geen honger
46,2%
46,2%
7,7%
SDG 5: Gendergelijkheid
76,9%
15,4%
7,7%
SDG 8: Waardig werk en economische groei
33,3%
60%
6,7%
40%
53,3%
6,7%
SDG 9: Industrie, innovatie en infrastructuur
41,7%
58,3%
SDG 12: Verantwoorde consumptie en productie
30,8%
69,2%
SDG 14: Leven in het water
100%
SDG 17: Partnerschap om doelstellingen te bereiken
50%
50%

Vergeleken met de EU-landen is het beeld grotendeels onveranderd: Nederland behoort bij de kopgroep bij SDG 1 (geen armoede), SDG 8 (waardig werk en economische groei: tweede dashboard, arbeid en vrije tijd), SDG 9 (industrie, innovatie en infrastructuur: tweede dashboard, duurzame bedrijvigheid) en SDG 9 (industrie, innovatie en infrastructuur: derde dashboard, kennis en innovatie), SDG 10 (ongelijkheid verminderen: eerste dashboard, sociale samenhang en ongelijkheid), SDG 16 (vrede, justitie en sterke publieke diensten: tweede dashboard, instituties) en SDG 17 (partnerschap om doelstellingen te bereiken).

Nederland blijft achter bij SDG 13 (klimaatactie). Bij SDG 14 (leven in het water) zijn er maar weinig indicatoren beschikbaar en is de positie moeilijk te bepalen. Niet alle EU-landen liggen immers aan (dezelfde) zee. Bij SDG 7 (betaalbare en duurzame energie), en SDG 15 (leven op het land) is inmiddels een positie in de middengroep bereikt.

4.1.2   Positie van Nederland binnen de EU per SDGplus-doelstelling
Deze figuur toont per doelstelling het gemiddelde over de gemeten indicatoren.
Gesorteerd op SDG
Gesorteerd op positie, hoog naar laag
Gesorteerd op positie, laag naar hoog
Laatste in EU
Eerste in EU
0%
100%
SDG 1: Geen armoede
80%
80%
SDG 2: Geen honger
50%
50%
SDG 3: Goede gezondheid en welzijn
66%
66%
SDG 4: Kwaliteitsonderwijs
70%
70%
SDG 5: Gendergelijkheid
59%
59%
SDG 6: Schoon water en sanitair
48%
48%
SDG 7: Betaalbare en duurzame energie
41%
41%
SDG 8: Waardig werk en economische groei
70%
70%
75%
75%
SDG 9: Industrie, innovatie en infrastructuur
58%
58%
78%
78%
75%
75%
SDG 10: Ongelijkheid verminderen
80%
80%
52%
52%
SDG 11: Duurzame steden en gemeenschappen
53%
53%
49%
49%
SDG 12: Verantwoorde consumptie en productie
68%
68%
SDG 13: Klimaatactie
39%
39%
SDG 14: Leven in het water
35%
35%
SDG 15: Leven op het land
44%
44%
SDG 16: Vrede, justitie en sterke publieke diensten
61%
61%
80%
80%
SDG 17: Partnerschap om doelstellingen te bereiken
90%
90%
SDG 17: Partnerschap om doelstellingen te bereiken
90%
90%
SDG 1: Geen armoede
80%
80%
SDG 10: Ongelijkheid verminderen
80%
80%
SDG 16: Vrede, justitie en sterke publieke diensten
80%
80%
SDG 9: Industrie, innovatie en infrastructuur
78%
78%
SDG 8: Waardig werk en economische groei
75%
75%
SDG 9: Industrie, innovatie en infrastructuur
75%
75%
SDG 4: Kwaliteitsonderwijs
70%
70%
SDG 8: Waardig werk en economische groei
70%
70%
SDG 12: Verantwoorde consumptie en productie
68%
68%
SDG 3: Goede gezondheid en welzijn
66%
66%
SDG 16: Vrede, justitie en sterke publieke diensten
61%
61%
SDG 5: Gendergelijkheid
59%
59%
SDG 9: Industrie, innovatie en infrastructuur
58%
58%
SDG 11: Duurzame steden en gemeenschappen
53%
53%
SDG 10: Ongelijkheid verminderen
52%
52%
SDG 2: Geen honger
50%
50%
SDG 11: Duurzame steden en gemeenschappen
49%
49%
SDG 6: Schoon water en sanitair
48%
48%
SDG 15: Leven op het land
44%
44%
SDG 7: Betaalbare en duurzame energie
41%
41%
SDG 13: Klimaatactie
39%
39%
SDG 14: Leven in het water
35%
35%
SDG 14: Leven in het water
35%
35%
SDG 13: Klimaatactie
39%
39%
SDG 7: Betaalbare en duurzame energie
41%
41%
SDG 15: Leven op het land
44%
44%
SDG 6: Schoon water en sanitair
48%
48%
SDG 11: Duurzame steden en gemeenschappen
49%
49%
SDG 2: Geen honger
50%
50%
SDG 10: Ongelijkheid verminderen
52%
52%
SDG 11: Duurzame steden en gemeenschappen
53%
53%
SDG 9: Industrie, innovatie en infrastructuur
58%
58%
SDG 5: Gendergelijkheid
59%
59%
SDG 16: Vrede, justitie en sterke publieke diensten
61%
61%
SDG 3: Goede gezondheid en welzijn
66%
66%
SDG 12: Verantwoorde consumptie en productie
68%
68%
SDG 4: Kwaliteitsonderwijs
70%
70%
SDG 8: Waardig werk en economische groei
70%
70%
75%
75%
SDG 9: Industrie, innovatie en infrastructuur
75%
75%
78%
78%
SDG 1: Geen armoede
80%
80%
SDG 10: Ongelijkheid verminderen
80%
80%
SDG 16: Vrede, justitie en sterke publieke diensten
80%
80%
SDG 17: Partnerschap om doelstellingen te bereiken
90%
90%

4.2Het meten van de SDG’s in Nederland

De VN hebben de doelstellingen (goals) van de 17 SDG’s verder uitgewerkt in 169 sub-doelstellingen (targets). De regeringen van de VN-lidstaten zijn verantwoordelijk voor de monitoring van de voortgang ten aanzien van de goals en de targets. Uiteraard spelen de nationale statistiekbureaus hierin een belangrijke rol. Het CBS publiceerde voor Nederland al in 2016 de eerste meting (CBS, 2016).

Inmiddels zijn de meetsystemen van de brede welvaart (CES-raamwerk) en de SDG’s door het CBS geïntegreerd binnen één publicatie. Dit kent grote voordelen: zowel inhoudelijk als beleidsmatig bestrijken beide kaders eenzelfde terrein. Waar de benadering van de brede welvaart een algemene intentie uitspreekt (een brede welvaart die inclusief en duurzaam is in het ‘hier en nu’, ‘later’ en ‘elders’), wordt deze in de SDG-agenda vertaald in concrete doelstellingen. Dit geeft beleidsmakers concrete handvatten. De beide agenda’s kunnen elkaar dan ook in belangrijke mate versterken. Dit blijkt ook duidelijk uit de positieve reacties die er zijn gekomen vanuit de samenleving en ook vanuit de overheid. Tal van ministeries hebben aangegeven de koppeling van brede welvaart en SDG’s zeer relevant te vinden voor hun werk. Brede welvaart komt ook prominent aan de orde in verkiezingsprogramma’s van politieke partijen, het werk van de planbureaus en bij de keuze van organisaties als VNO-NCW en MKB-Nederland voor een nieuwe koers: behalve economische groei stelt ook het bedrijfsleven een inclusieve samenleving – met werk en gelijke kansen – en een duurzame leefomgeving als prioriteit.noot1

De koppeling van het brede-welvaartsraamwerk en de SDG’s heeft het CBS ook geholpen om de SDG-agenda te kunnen vertalen naar de Nederlandse context. Met de brede-welvaartsindicatoren is het mogelijk om belangrijke onderliggende principes van de SDG-agenda, die moeilijk meetbaar zijn, toch inzichtelijk te maken. Hierbij gaat het vooral om het streven van de 2030‑agenda naar evenwicht tussen de brede welvaart ‘hier en nu’, voor mensen ‘elders’ en het zorgvuldig omgaan met de belangen van toekomstige generaties (‘later’). Verder helpt de integratie van de beide meetsystemen ook om de voortgang op de verschillende beleids­terreinen beter in kaart te brengen, dankzij de concrete doelen die met de SDG’s gesteld worden. Ten slotte geven de brede-welvaartindicatoren in hoofdstuk 3 een duidelijk beeld of (groepen) mensen kunnen profiteren van welvaartsontwikkelingen of juist achterblijven. Deze concrete invulling helpt om het ‘leave no one behind’-principe in de SDG’s te meten.

4.3Selectie van thema’s en indicatoren

Voor elke SDG is een selectie gemaakt van indicatoren, die gezamenlijk een zogenaamd dashboard vormen. De dashboards laten aan de linkerzijde voor elke indicator het meest actuele cijfer zien, en de richting van de middellangetermijntrend (voor deze editie berekend uit data voor de periode 2013–2020). Aan de rechterzijde van het dashboard is informatie opgenomen over de internationale positie van Nederland in de EU-27.noot2

De SDG-dashboards in dit hoofdstuk zijn relevant voor de Nederlandse beleidscontext en kunnen worden gezien als SDGplus-dashboards, aangezien er meer dan alleen de officiële VN-indicatoren in opgenomen zijn. De selectie van indicatoren doet recht aan de volgende aspecten:

  • Een evenwichtige verdeling tussen middelen die worden ingezet en de mogelijkheden die dit creëert, het gebruik dat van middelen en mogelijkheden wordt gemaakt, de uitkomsten die aan dat gebruik zijn gerelateerd, en de beleving van burgers (zie CBS, 2021b voor een toelichting).
  • Vrijwel alle indicatoren waarmee in hoofdstuk 2 de staat van de brede welvaart en schokbestendigheid zijn beschreven en die aan het CES-raamwerk zijn ontleend zijn opgenomen. Sommige SDG’s zijn daarbij beter gedekt dan andere: het valt op dat er in het werk van de VN een grote nadruk ligt op ‘hier en nu’-indicatoren, terwijl indicatoren die iets zeggen over het gebruik van hulpbronnen minder sterk vertegenwoordigd zijn. Daarnaast staan er relatief veel ‘input’-indicatoren in de SDG-lijst, maar komen indicatoren die iets zeggen over de uitkomsten er meer bekaaid vanaf. Daar waar nodig zijn dus in de dashboards CES-indicatoren opgenomen om de balans in de indicatorenset te waarborgen.
  • Waar mogelijk zijn indicatoren opgenomen uit de SDG-agenda van de VN, mits ze in het huidige Nederlandse beleidsdebat relevant zijn. Hierbij is voortgebouwd op eerder werk dat het CBS op het gebied van de SDG’s heeft uitgevoerd. Om daadwerkelijk alle indicatoren op te kunnen nemen zou echter aanvullend dataonderzoek verricht moeten worden. Zo is bij deze indicatoren niet altijd tijdige informatie voorhanden, ook al tracht het CBS dit waar mogelijk te realiseren. Verder ontbreekt het vaak aan consistente tijdreeksen met voldoende datapunten, of aan internationale vergelijkingen. Deze informatie is noodzakelijk om, conform de in deze Monitor gehanteerde systematiek, na te gaan in hoeverre indicatoren een significant stijgende of dalende trend vertonen en hoe de situatie in Nederland zich verhoudt tot die in het buitenland. Alleen met dergelijke informatie is het mogelijk de dashboards zinvol te vullen.

Het aantal potentiële indicatoren was voor sommige van de thema’s in hoofdstuk 4 zo groot, en de SDG-agenda zo breed, dat een aantal doelen in verschillende thema’s en bijbehorende dashboards opgedeeld is. Voor iedere SDG is een verzameling indicatoren van beperkte omvang samengesteld. De selectie van indicatoren is gebaseerd op een systematiek van beslisregels (zie CBS, 2021b). Het doel van deze systematiek is om de verzameling indicatoren zo evenwichtig en neutraal mogelijk te maken.

Bij sommige indicatoren in de dashboards kan er aanleiding zijn tot discussie over de interpretatie ervan. Ten eerste is er bij een aantal indicatoren voor middelen en mogelijkheden de vraag wat het verwachte effect is op brede welvaart. Voorbeelden zijn uitgaven aan gezondheidszorg, ontwikkelingssamenwerking, gewerkte uren in het onderwijs en milieu-investeringen. Een stijgende trend geeft niet aan dat er per definitie sprake is van een welvaartsstijging. Het ligt er aan of de verhoogde inzet van middelen ook daadwerkelijk vruchten afwerpt. Of deze uitgaven, investeringen of gewerkte uren doelmatig zijn of ‘nodig’, hangt af van de gewenste uitkomsten en wordt bepaald door het beleidsdebat. Het meetsysteem hanteert het uitgangspunt dat in dit debat al deze aspecten (middelen, mogelijkheden, gebruik, uitkomsten en beleving) in samenhang bezien worden.

De selectie van indicatoren, de statistische methoden waarmee de dashboards zijn samengesteld, en de beslisregels voor de observaties die in de tekst worden beschreven, zijn belicht in de toelichting bij deze publicatie (CBS, 2021b). Voor sommige indicatoren is de internationale vergelijking noodgedwongen gebaseerd op data die conceptueel iets afwijken van de Nederlandse data die zijn gebruikt om de trendmatige ontwikkeling in kaart te brengen.

Bij alle beleidsthema’s is gezocht naar indicatoren die afkomstig zijn uit een betrouwbare bron, zo tijdig mogelijk zijn, internationaal vergelijkbaar en door de tijd heen consistent gemeten worden. Bij gelijke geschiktheid van indicatoren gaf datakwaliteit de doorslag. In een aantal gevallen woog de beleidsrelevantie echter zwaarder dan de datakwaliteit.

Voor een deel van de indicatoren is geen internationale vergelijking mogelijk omdat vergelijkbare data voor andere landen niet voorhanden zijn.

Kleurcodes

De Monitor gebruikt kleuren om de uitkomsten van verschillende indicatoren inzichtelijk te maken. Voor iedere indicator wordt gekeken naar de richting van de trend in Nederland in de periode 2013–2020 en naar de positie van Nederland in de EU-27 in het meest recente jaar met voldoende observaties.

Voor trends is de betekenis van kleuren: Voor posities is de betekenis van kleuren:
Groen Groen
De trend beweegt in de richting die wordt geassocieerd met een stijging van de brede welvaart. Nederland staat in het bovenste kwartiel van de EU-ranglijst.
Grijs Grijs
De trend stijgt of daalt niet significant. Nederland staat in het midden van de EU-ranglijst, tussen het eerste en het derde kwartiel van de frequentieverdeling.
Rood Rood
De trend beweegt in de richting die wordt geassocieerd met een daling van de brede welvaart. Nederland staat in het onderste kwartiel van de EU-ranglijst.

Bij het bepalen van de kleurcodes wordt alleen gekeken naar de eerste-orde-effecten. Zo is een stijging van de individuele consumptie in de eerste orde goed voor de consument. In de tweede orde gaat hogere consumptie gepaard met milieuvervuiling, obesitas, waterverbruik en CO2‑uitstoot in andere landen, enzovoorts.

Wanneer Nederland voor een indicator een middellangetermijntrend heeft die zich beweegt in de richting die wordt geassocieerd met een daling van de brede welvaart en binnen Europa een positie in het laagste kwartiel heeft, dan observeert het CBS in deze Monitor een ‘rode’ trend en een ‘rode’ positie. De kleurcode geeft de lezer het signaal dat hij of zij goed moet kijken naar het fenomeen waarvoor de indicator een indicatie geeft. Hetzelfde geldt overigens voor een volledig groene indicator. Middelen en mogelijkheden worden niet geduid in de context van meer of minder brede welvaart, maar alleen in termen van meer of minder beschikbare middelen.

De kleuraanduidingen hebben slechts een signaalfunctie. Er is nadrukkelijk geen sprake van een normatieve duiding. De Monitor geeft aan hoe Nederland er op de uiteenlopende aspecten van brede welvaart voorstaat, en toont hierbij de afruilen waarmee we als samenleving worden geconfronteerd. Het is aan politiek en beleid om op basis van deze informatie te komen tot afwegingen en beleidsconclusies.

Betekenis van noten in de dashboards:

  1. Het CBS heeft voor de Monitor Brede Welvaart een jaarcijfer voor het meest recente jaar geraamd om het politieke debat te faciliteren. Dit is een voorlopige eerste berekening.
  2. Bij deze indicator zijn binnen de periode 2013–2020 niet genoeg datapunten beschikbaar om een trend te kunnen berekenen.
  3. Datakwaliteit onvoldoende voor trendbepaling.
  4. Eerste voorlopige uitkomsten uit de Natuurlijk Kapitaalrekeningen (NKR).
  5. Deze indicator krijgt in hoofdstuk 4 bij SDG 17, i.t.t. hoofdstuk 2 (figuur 2.4.2 wiel ‘elders’), wel een welvaartsduiding. Deze indicator is in de SDG-agenda gedefinieerd. Iedere SDG-indicator heeft een gewenste richting. Meer uitgaven wordt vanuit dit perspectief gezien als stijgende welvaart.

SDG 1   Geen armoede

SDG 1 is gericht op de afname van armoede in al haar vormen. Dit betreft zowel financiële aspecten als de impact van armoede op het leven van mensen. De SDG-agenda vraagt speciale aandacht voor sociale bescherming, gelijke economische rechten en weerbaarheid van arme en kwetsbare groepen. De armoede­problematiek in Nederland is van een andere orde dan die in de allerarmste landen van de wereld maar ook hier lopen mensen risico op (relatieve) armoede. Daarom zijn voor de Nederlandse context meerdere indicatoren toegevoegd. In het rijksbeleid ligt de nadruk op het voorkomen en tegengaan van armoede en problematische schulden, met speciale aandacht voor kinderen die in armoede leven (CBS, 2021a). De problematiek is door de coronacrisis extra actueel. Armoede en schulden worden versneld aangepakt door gemeenten en maatschappelijke organisaties, en corona-gerelateerde steunpakketten als TOZO, NOW en TONK.

Het dashboard laat zien hoe de inkomens in Nederland zich ontwikkelen, hoe groot het risico op inkomensarmoede of sociale uitsluiting is en in hoeverre mensen financiële zorgen hebben. De materiële welvaart van personen is hier afgebakend als het (gestandaardiseerd) besteedbaar inkomen van het huishouden waar ze deel van uitmaken. Dit inkomen is de basis voor hun bestedingen, besparingen of beleggingen. Bij een laag besteedbaar inkomen en weinig vermogen is er kans op armoede. Als het huishouden naast weinig inkomen kampt met ernstige financiële beperkingen of weinig actief is op de arbeidsmarkt, bestaat voor personen die er deel van uitmaken ook het risico van sociale uitsluiting. Verder adresseert het dashboard naast de hoogte van het besteedbaar inkomen ook de bestaanszekerheid die mensen ervaren.

Voor deze editie van de Monitor is het dashboard vernieuwd. Bij enkele indicatoren is de eenheid aangepast. De bedragen worden daar nu uitgedrukt in constante prijzen met basisjaar 2019.noot3 De uitkomsten kunnen daarom niet direct vergeleken worden met die in de vorige editie.

De indruk op basis van de trendmatige ontwikkelingen is vrij gunstig. Tien van de twaalf indicatoren laten een stijgende dan wel een neutrale welvaartstrend zien. Nog niet overal zijn er cijfers voor 2020. De effecten van de coronacrisis op inkomen, vermogen en schulden worden pas op langere termijn goed zichtbaar. De posities op de EU-ranglijst geven een eenduidig beeld: bij bijna alle indicatoren die internationaal vergeleken konden worden, heeft Nederland een plaats in de Europese voorhoede.

SDG 1   Geen armoede  

Middelen en mogelijkheden

€ 30 800
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
6e
€ 27 500
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
6e
1,3%
€ 49 800
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart

Uitkomsten

16,3%
6e
34
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
13,6%
8e
17,1%
7e
3,4%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
7,8%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
8,3%

Beleving

24,2%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart

Middelen en mogelijkheden hebben betrekking op financiële middelen die mensen tot hun beschikking hebben en de eventuele ondersteuning daarbij. Hier is het beeld op de middellange termijn positief, met drie gunstige (groene) trends over de periode 2013–2020. Het gemiddeld gestandaardiseerd besteedbaar inkomen per huishouden kwam in 2019 uit op 30,8 duizend euro. Zeer hoge inkomens trekken het gemiddelde omhoog: met 27,5 duizend euro was de mediaan van het besteedbaar inkomen daarom lager dan het gemiddelde. Nederland heeft een hoge positie op de Europese ranglijst bij deze indicatoren. Het mediane vermogen van huishoudens is trendmatig gestegen en bedroeg op 1 januari 2019 49,8 duizend euro. Dat is 12 duizend euro meer dan een jaar eerder. De toename komt vooral doordat koopwoningen in waarde bleven stijgen.

De mediane koopkracht van de bevolking was in 2019 1,3 procent hoger dan het jaar ervoor. In 2017 en 2018 was de toename half zo groot.noot4 Er zijn nog geen cijfers over de impact van corona op de mediane koopkracht. In elk geval was het voor mensen in loondienst gunstig dat in 2020 de stijging van de cao-lonen (3,0 procent) de inflatie (1,3 procent) ruimschoots overtrof. Deze loonstijging komt wel voort uit afspraken die grotendeels vóór de coronacrisis zijn gemaakt. De eerste uitkomsten van de nationale rekeningen wijzen op een toename van het reëel beschikbaar inkomen met 2,4 procent in 2020.

Gebruik betreft het gebruik van verschillende vormen van financiële ondersteuning. Er zijn voor deze categorie op dit moment geen indicatoren bekend die voldoen aan de kwaliteitseisen van deze publicatie.

Uitkomsten hebben bij deze SDG betrekking op het aandeel mensen met risico op armoede of sociale uitsluiting. Hier is het beeld meer gemengd. Er zijn twee ongunstige middellangetermijntrends: het aantal daklozen en de langdurige armoede stijgen. Het hebben van betaalbare zelfstandige woonruimte wordt gerekend tot de basis­behoeften. Aan het begin van 2020 sliepen 34 van elke 10 duizend inwoners in de leeftijd van 18 tot en met 64 jaar in een tijdelijke opvang, de open lucht of een overdekte openbare ruimte. Het betrof vooral mannen. Over het effect van de coronacrisis valt nog niets te zeggen, de meting is van net voor het uitbreken van de pandemie. Ruim 3 procent van de huishoudens leefde in 2019 al ten minste vier jaar achtereen onder de lage-inkomensgrens, dat zijn bijna 400 duizend huishoudens. Wel gunstig is de geleidelijke daling van het aandeel kinderen onder de 18 dat leeft in een huishouden dat ten minste één jaar een inkomen onder de lage-inkomensgrens heeft. In 2019 betrof dit 7,8 procent van de minderjarigen, tegen 9,9 procent aan het begin van de trendperiode in 2013.

Bij de volgende indicatoren is de trend neutraal. Volgens de eerste berekeningen van Eurostat, het statistisch bureau van de EU, liep 16,3 procent van de bevolking in 2020 risico op armoede of sociale uitsluiting, iets minder dan in 2019.noot5 Nederland steekt met dit relatief lage percentage gunstig af tegen andere landen in de EU. De relatieve armoede, het deel van de bevolking dat rond moet komen van een inkomen beneden de Europese armoedegrens, is tussen 2019 en 2020 met 0,4 procentpunt toegenomen naar 13,6 procent.noot6 Nederland stond in 2019 op de achtste plaats binnen de EU-27. De armoedekloof – ofwel hoever het mediane inkomen van armen onder de armoedegrens ligt – was in 2020 even groot als in 2019. Binnen de EU bezet Nederland met een zevende plek ook hier een relatief gunstige positie. Het CBS heeft voor het eerst becijferd welk deel van de huishoudens kampt met geregistreerde problematische schulden. Deze indicator toont dat in 2018 8,3 procent van de huishoudens in deze situatie verkeerde.

Beleving gaat over de ervaren bestaanszekerheid. Het percentage mensen dat zegt zich veel zorgen te maken over hun financiële toekomst is, ook in 2020, afgenomen. In 2020 kampte bijna een op de vier volwassenen met dergelijke zorgen, in 2013 – het eerste jaar van deze meting – was dit nog een op de drie.

SDG 2   Geen honger

SDG 2 heeft tot doel honger te beëindigen, voedselzekerheid te garanderen en betere voeding en duurzame landbouw te stimuleren. Vergeleken met andere landen komt ondervoeding en voedsel­onzekerheid in Nederland niet vaak voor. In dit dashboard wordt daarom het accent gelegd op de duurzaam­heid van de voedselproductie en de impact van de voedsel­productie op de kwaliteit van de leefomgeving en het dierenwelzijn. Het dashboard omvat ook een aspect van SDG 12 (verantwoorde consumptie en productie), namelijk voedselverspilling.

Het Nederlandse beleid dekt alle targets van SDG 2 en is primair opgesteld door het ministerie van LNV, met raakvlakken naar gezondheidsbeleid (VWS), missiegedreven innovatiebeleid (EZK) en visserijbeleid (IenW) (CBS, 2021a). De belangrijkste inzet is vormgegeven met de vijf actielijnen van het Voedselbeleid en met de inzet op kringlooplandbouw voor 2030. Het Nationaal Programma Landbouwbodems (NPL) is erop gericht dat in 2030 alle Nederlandse landbouwbodems duurzaam worden beheerd, zodat de bodem optimaal kan functioneren en de kwaliteit zo hoog mogelijk is en blijft voor volgende generaties. Duurzaam beheerde bodems zijn behalve voor SDG 2 ook van belang voor SDG 15 (leven op het land).

Het beeld bij de trends in Nederland is overwegend positief, maar bij de positie ten opzichte van andere EU-landen is het meer gemengd. Er zijn zowel plaatsen in de voor- als in de achterhoede. De productie van de landbouw is zeer hoog in vergelijking met andere landen in de EU, maar bij meer duurzame productievormen blijft Nederland soms achter. Het areaal biologische landbouw en het areaal voor eiwitrijke gewassen zijn bijvoorbeeld relatief klein en de veestapeldichtheid is relatief hoog.

SDG 2   Geen honger  

Middelen en mogelijkheden

43,7%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
14e
€ 172,00
2e

Gebruik

3,48
27e
3,8%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
22e
0,5%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
18e
347,3
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
2e
73,0%
0,061
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart

Uitkomsten

87,6%
9e
58,9%
13e
3%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
33,0%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
127

Middelen en mogelijkheden betreffen de hoeveelheid land en arbeid die ter beschikking staat ten behoeve van de voedselproductie. Het areaal cultuurgrond neemt trendmatig af en besloeg in 2020 iets minder dan 44 procent van de totale oppervlakte (land en water) van Nederland. Bij de productiewaarde van de landbouw is de trend weliswaar neutraal, maar de internationale positie is hoog: in 2020 tweede binnen de EU, met ruim 170 miljoen euro productiewaarde (prijzen 2010) per duizend arbeidsjaren.

Gebruik betreft de wijze waarop en de mate van duurzaamheid waarmee voedsel geproduceerd wordt. Hier zijn veel gunstige trends, maar staat Nederland internationaal soms op een zeer lage positie. De arealen met biologische landbouw en eiwitrijke gewassen zijn verder vergroot, naar respectievelijk 3,8 en 0,5 procent van het totale areaal cultuurgrond. Door biologische landbouw en de teelt van gewassen als peulvruchten en soja­bonen, komt er meer diervriendelijk, milieuvriendelijk en vleesvervangend voedsel ter beschikking. Maar het areaal is nog altijd klein vergeleken met andere EU-landen. Verder kent Nederland de hoogste veestapeldichtheid van Europa. Hoewel dit leidt tot hogere voedselproductie, wordt het in de context van duurzame productie (dierenwelzijn en druk op het milieu) als negatief geduid.

De afzet van chemische gewas­beschermingsmiddelen (per miljoen euro aan landbouwproductievolume), daalt trendmatig, al is dit in 2019 nog altijd bijna 350 kg per miljoen euro aan landbouwproductievolume. In vergelijking met andere EU-landen werden er daarmee relatief weinig gewasbeschermings­middelen gebruikt. Ook het antibiotica­gebruik in de veehouderij neemt af. Toediening van antibiotica in de veehouderij kan leiden tot resistentie van bacteriën, met kwalijke gevolgen voor zowel mens als dier.

Uitkomsten beschrijven de betaalbaarheid van voedsel en de impact van voedselproductie op de leefomgeving en het dierenwelzijn. Het effect op het lokale milieu en de waterkwaliteit is gerelateerd aan onder andere de benuttings­percentages van stikstof en fosfor. Van de totale stikstofaanvoer via meststoffen in 2020 is 59 procent opgenomen door gewassen. Het overige deel van de stikstof vervluchtigt na mesttoediening naar de lucht of blijft achter in de bodem, waarna het uitspoelt naar grond- en oppervlaktewater. Het benuttingspercentage van fosfor lag met bijna 88 procent een stuk hoger dan bij stikstof. Hier komt evenwicht in zicht. Internationaal neemt Nederland een middenpositie in.

Consumenten maken gebruik van het ruimere aanbod aan duurzamer geproduceerde voeding. Zowel het marktaandeel van biologisch voedsel (3 procent in 2019) als het aandeel vlees met een duurzaamheidskenmerk (33 procent in 2019) neemt trendmatig toe. Nederland heeft een streefdoel van maximaal 63 kg voedselverspilling per inwoner in 2030. Hiervan zijn we nog ver verwijderd: in 2018 was de geraamde hoeveelheid verspild voedsel weliswaar lager dan in 2013 (127 kg versus bijna 134 kg), maar afgaand op de afval- en veevoerstatistieken zet de daling de laatste jaren niet verder door. De trend slaat dan ook om van groen naar grijs.

Beleving betreft tevredenheid met de kwaliteit en het aanbod van voedsel en tevredenheid met de leefomgeving en het dierenwelzijn. Er zijn voor deze categorie op dit moment geen indicatoren bekend die voldoen aan de kwaliteitseisen van deze publicatie.

SDG 3   Goede gezondheid en welzijn

SDG 3 streeft naar een goede gezondheid voor mensen van alle leeftijden. Het voorkómen van voortijdige sterfte veroorzaakt door slechte zorg voor moeder en kind maakt hier deel van uit, net als het aanpakken van lichamelijke ziektes en psychische problemen.

Het Nederlandse beleid richt zich op het nog verder terugdringen van neonatale sterfte en kindersterfte. Verder ligt de focus bij het beleid op het voorkomen van overdraagbare ziekten in zijn algemeenheid. Daarnaast is er speciale aandacht voor niet-overdraagbare ziekten, onder meer door in te zetten op preventie en verbeterde toegang tot de geestelijke gezondheidszorg. De maatregelen uit het Nationaal Preventieakkoord op het gebied van roken, overgewicht en problematisch alcoholgebruik dragen hieraan bij. Bij preventie en behandeling van overmatig gebruik van verslavende middelen zet Nederland in op het voorkomen van gebruik en de bestrijding van vaak met gebruik samengaande criminaliteit (CBS, 2021a).

Voor de algemene volksgezondheid en de gezondheidszorg was 2020 een zwaar jaar door de komst van COVID-19, een besmettelijke ziekte die wordt veroorzaakt door een nieuw coronavirus. Het aantal ziekenhuisopnames van coronapatiënten was hoog en de reguliere zorg werd noodgedwongen afgeschaald. Ook in de verpleeg- en verzorgingstehuizen was de druk hoog. Wat sterfte betreft gaat het CBS in een eerste voorlopige raming over 2020 uit van in totaal 20 030 coronadoden. Hiervan overleden er 17 357 aan vastgestelde COVID-19 en nog eens 2 673 aan vermoedelijke COVID-19 (vooral aan het begin van de pandemie werd minder getest). Deze cijfers zijn gebaseerd op doodsoorzaakverklaringen van artsen. Bijna zes op de tien mensen die in 2020 aan COVID-19 overleden, waren gebruikers van zorg vanuit de Wet Langdurige Zorg (Wlz).

De recente ontwikkeling weegt mee in de uitkomsten, maar het dashboard van SDG 3 richt zich vooral op de middellange termijn, de periode 2013–2020. Het beeld is gemengd. Van de indicatoren die een duidelijk trendmatige ontwikkeling laten zien, is er bij twee sprake van een stijgende welvaart en bij vijf van een welvaartsdaling. Kijken we naar de positie in de EU, dan blijkt Nederland voor vijf indicatoren een hoge en dus gunstige plaats in te nemen, en voor twee indicatoren in de lagere regionen van de lijst te staan.

SDG 3   Goede gezondheid en welzijn  

Middelen en mogelijkheden

10,0%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
7e
100,5
3e

Gebruik

51,1%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
10e
8,3
4e
18,9%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
5e
93,6%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
15e

Uitkomsten

4,7%
5,2
1e
66,5
15e
65,9
21e
28,7%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
2,7
15e
10,4
14e
4,6%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
5e
88,1%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
11e

Beleving

81,5%
6e

Middelen en mogelijkheden betreffen de middelen die worden ingezet om het zorgstelsel te onderhouden en te verbeteren. De uitgaven aan gezondheidszorg als percentage van het bbp nemen geleidelijk af, naar 10 procent van het bbp in 2019. De trend is rood. Het aantal in de zorg gewerkte uren per inwoner was in 2020 iets lager dan in 2019. De zorg omvat hier zowel de gezondheidszorg (cure) als verzorging en welzijn (care). De trend is neutraal. Nederland staat bij deze indicator hoog in de Europese ranglijst, en zet dus relatief veel uren in voor zorg.

Gebruik betreft gedrag dat van invloed is op gezondheid en het gebruik dat mensen maken van de zorg. Drie belangrijke indicaties voor het wel of niet hebben van een gezonde leefstijl zijn overgewicht, alcoholgebruik en roken. Een toenemend deel van de bevolking van 20 jaar en ouder is te zwaar: in 2020 had 51,1 procent van de bevolking van 20 jaar en ouder een BMI van 25,0 kg/m2 of meer, gebaseerd op zelf­rapportage over lichaamslengte en gewicht. Dit is een stijging van bijna 3 procentpunt sinds 2013, het begin van de trendperiode, en de trend is dan ook rood. Bij het alcoholgebruik slaat de trend om van groen naar neutraal. Wel steekt het verbruik gunstig af bij dat in andere EU-landen, met een vierde plaats van 21 EU-landen in 2018. Het percentage rokers blijft trendmatig dalen. In 2020 rookte iets minder dan 19 procent van de bevolking van 12 jaar en ouder, aan het begin van de trendperiode in 2013 was dat nog iets meer dan 23 procent.

De vaccinatiegraad voor mazelen is een indicator voor het gebruik van het zorgaanbod. De landelijke vaccinatiegraad was voor het eerst sinds vijf jaar hoger dan een jaar eerder: van de kinderen die zijn geboren in 2017 was in 2019 – op tweejarige leeftijd – 93,6 procent ingeënt. De trend is echter rood. De WHO propageert voor mazelen een vaccinatiegraad van 95 procent, daar zit Nederland nog onder. De vaccinatiegraad is ook laag vergeleken met andere EU-landen (15e van 22 landen in 2018). Cijfers over 2020 zijn er nog niet, maar tijdens de coronapandemie is het inentingsprogramma conform planning doorgegaan.

Uitkomsten gaan over de fysieke en psychische gezondheid van de bevolking in samenhang met de kwaliteit van de zorg. Diabetes is een van de meest voorkomende chronische ziekten en is bovendien verantwoordelijk voor een forse ziektelast.noot7 In 2019 gebruikte 4,7 procent van de bevolking diabetesmedicatie. De gemiddelde verpleegduur bij klinische opnamen is in Nederland stabiel, en korter dan in de andere EU-landen. Deze cijfers lopen tot en met 2019, corona-opnamen zijn hier dus nog niet in meegenomen. De wachttijden voor poliklinische zorg liepen tot in 2018 op, de trend is rood. In 2018 lag de wachttijd tussen de eerste afspraak en de start van de behandeling in bijna 29 procent van de gevallen boven de ‘Treeknorm’ van maximaal vier weken. Aannemelijk is dat uitgestelde zorg door corona de wachttijden nog langer heeft gemaakt.

De gezonde levensverwachting is een maat waarin sterftekansen en ongezondheid worden gecombineerd. Dat kan op verschillende manieren. Hier wordt de levens­verwachting (bij geboorte) in als goed of zeer goed ervaren gezondheid gebruikt. In 2020 was de sterfte vanwege corona 10 procent hoger dan verwacht kon worden op grond van de sterfte in eerdere jaren en demografische ontwikkelingen. Het totaal aantal coronadoden in 2020 kwam volgens voorlopige cijfers uit op 20 030. Dit leidde tot een daling in de levensverwachting. De waardering van de eigen gezondheid was echter bijzonder goed. Door deze combinatie – beide elementen worden in de berekening gebruikt – kwam de gezonde levensverwachting in 2020 bij zowel de mannen als de vrouwen flink hoger uit dan in 2019. Vergeleken met vrouwen in andere EU-landen is de gezonde levensverwachting voor Nederlandse vrouwen relatief laag. Nederlandse mannen nemen in Europa een middenpositie in. De cijfers die gebruikt zijn voor het maken van de internationale vergelijking hebben overigens betrekking op een andere variant van de gezonde levensverwachting dan de cijfers die voor de trend in Nederland gebruikt zijn. Bij de internationale vergelijking gaat het om de levensverwachting zonder beperkingen.noot8

In 2020 kampte 4,6 procent van de bevolking van 16 jaar en ouder met ernstige beperkingen bij het dagelijks functioneren vanwege langdurige gezondheidsklachten. Het gaat daarbij om beperkingen die al een half jaar of langer duren. Deze groep wordt kleiner, de trend is omgeslagen van grijs naar groen (dus neerwaarts). Ook binnen de EU is de positie gunstig. De psychische gezondheid van de bevolking wordt in de meest extreme vorm gemeten door te kijken naar de ontwikkeling van het aantal zelfdodingen. Een tweede indicator is de ‘psychisch gezonde bevolking’, die laat zien hoe men zich voelde in de vier weken voorafgaand aan het onderzoek, aan de hand van de vijf vragen van de Mental Health Inventory-5 (MHI-5). Van de bevolking van 12 jaar en ouder behaalde in 2020 iets meer dan 88 procent een MHI-5‑score van 60 of meer, en wordt daarmee als psychisch gezond beschouwd. Bij deze indicator is de middellangetermijntrend sinds 2013 dalend (rood), en staat Nederland in de middengroep in de EU (in 2017).

Beleving betreft de tevredenheid van burgers met zowel de eigen gezondheid als het Nederlandse zorgstelsel. In het pandemiejaar 2020 is duidelijk positiever geoordeeld over de eigen gezondheid. Het percentage van de bevolking dat de eigen gezondheid als goed of zeer goed ervaart is gestegen van 78,7 procent in 2019 naar 81,5 in 2020. De trend slaat om van rood naar grijs. Nederland neemt bij deze indicator binnen Europa een relatief hoge positie in.

SDG 4   Kwaliteitsonderwijs

SDG 4 streeft naar goed onderwijs voor iedereen. Adequate en toegankelijke scholing zijn voor mensen in alle leeftijds­categorieën en in alle levensfasen van belang, van voorschoolse educatie en funderend onderwijs tot beroeps- en hoger onderwijs, en daarna via ‘leven lang leren’. Vaardigheden van leerlingen en de bevolking als geheel kunnen worden gerelateerd aan de kwaliteit van het genoten onderwijs. Onderwijs zorgt er bovendien voor dat de huidige en toekomstige werkenden over de vaardigheden beschikken die zij nodig hebben om te functioneren in een kennisintensieve omgeving.

Voor alle targets is in Nederland beleid geformuleerd. Het Nederlandse beleid richt zich op het waarborgen en verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs en jongeren kansen geven via onderwijs, training of werk. Toegang tot onderwijs voor alle jongens en meisjes is in Nederland al gerealiseerd. Op het gebied van ‘leven lang leren’ (ook wel leven lang ontwikkelen genoemd), is een aantal maatregelen genomen. Het meeste beleid op het gebied van SDG 4 is opgesteld door het Ministerie van OCW, maar er zijn ook beleidsvoornemens geformuleerd door de departementen SZW, BZK en VWS (CBS, 2021a).

Het beeld bij dit dashboard is gemengd, maar overwegend gunstig. Van de indicatoren die een trendmatige ontwikkeling kennen, is voor zes indicatoren vanuit welvaarts­optiek (zoals geformuleerd in de SDG-agenda) de trend als positief te duiden en voor twee als negatief. Op de EU-ranglijst neemt Nederland bij zeven indicatoren een positie in de kopgroep in, en staat het bij slechts één in de achterhoede.

SDG 4   Kwaliteitsonderwijs  

Middelen en mogelijkheden

5,0%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
12e
40,7
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
21e

Gebruik

96,9%
6e
7,0%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
11e
19,5%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
5e

Uitkomsten

37,8%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
20e
34,2%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
10e
53,1%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
6e
47,1%
2e
77,9%
13e
284,0
2e
280,3
3e
79,0%
1e

Beleving

82,7%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
14e

Middelen en mogelijkheden betreffen de omvang en betaalbaarheid van onderwijs. De overheids­uitgaven aan onderwijs als percentage van het bbp (5,0 procent in 2019) dalen trendmatig, wat ongunstig is voor de brede welvaart. Nederland neemt hier binnen Europa een middenpositie in. Het aantal gewerkte uren in het onderwijs per inwoner is de afgelopen trendperiode juist toegenomen, tot bijna 41 uur per inwoner in 2020, maar dit is vergeleken met andere EU-landen laag (21e van 26 landen in 2019).

Gebruik heeft betrekking op de participatie in het onderwijs. In 2018 neemt bijna 97 procent van de kinderen in de leeftijdsgroep vanaf 4 jaar tot het begin van de leerplicht deel aan onderwijs (voorschoolse educatie). De trend is omgeslagen van rood naar neutraal. Nederland staat binnen de EU redelijk hoog met een zesde plek van 26 landen. Bij voortijdig schoolverlaters heeft ons land een middenpositie en is de trend dalend (en dus positief). Het Nederlandse beleidsdoel van minder dan 8 procent schooluitval in 2020 is behaald: in 2020 verliet 7,0 procent van de jongeren van 18 tot 25 jaar het onderwijs voortijdig, dus zonder startkwalificatie (ten minste havo of vwo, basisberoepsopleiding (mbo niveau 2) of een oude opleiding van vergelijkbaar niveau). Voor voortijdig schoolverlaters zijn er twee doelstellingen, een internationale en een afgeleide nationale. De indicator in deze Monitor betreft de internationale doelstelling. Het betreft de totale groep voortijdig schoolverlaters van 18 tot 25 jaar, en deelname aan zowel het door de overheid bekostigde als het niet-bekostigde onderwijs. Ook de trend bij deelname aan ‘leven lang leren’ is gunstig: het ging in 2019 om 19,5 procent van de 25-64‑jarigen. Binnen de EU neemt Nederland een hoge positie in.

Uitkomsten betreffen het hoogst behaalde onderwijsniveau en het niveau van specifieke vaardigheden. Bij deze indicatoren zijn in de Monitor van 2021 de leeftijdsgrenzen aangepast. De uitkomsten gelden voor de bevolking van 15 tot 75 jaar en zijn daarmee in lijn met de statistieken over de beroepsbevolking, waar de bovengrens ook op 75 jaar gesteld is, en met de verdeling naar bevolkingsgroepen in hoofdstuk 3.

Het beleidsdoel van meer dan 40 procent hoogopgeleiden onder 30–34‑jarigen in 2020 is in 2010 al gehaald. Inmiddels is meer dan de helft van deze leeftijdsgroep hoogopgeleid (53,1 procent). Dit doel komt nu binnen bereik van een veel ruimere leeftijdsgroep. Van de bevolking van 15 tot 75 jaar was in 2020 34,2 procent hoogopgeleid. De trend is bij beide leeftijdsgroepen opwaarts. Het aandeel middelbaar­ opgeleiden is de laatste jaren teruggelopen, hier is de trend neerwaarts (rood). Binnen Europa neemt Nederland met het onderwijsniveau een middenpositie in, al is er wel een hoge notering bij hoogopgeleiden van 30 tot 35 jaar. Bij de internationale vergelijking van het onderwijsniveau past een kanttekening: hoewel alle EU-landen over het onderwijsniveau rapporteren op basis van dezelfde internationale classificatie (ISCED), verschillen de onderwijssystemen sterk van land tot land.

De scores op de eindtoetsen van leerlingen in groep 8, de PISA-scores van 15‑jarigen en de PIAAC-onderzoeken (onder de volwassen bevolking van 16 tot 66 jaar) geven een indruk van specifieke vaardigheden. De Inspectie van het Onderwijs hanteert voor schooljaar 2018/’19 een nulmeting waarbij voor het eerst naar de resultaten van alle vijf de eindtoetsen gekeken wordt om te zien of leerlingen aan het eind van hun basisschooltijd voldoende vaardig zijn in lezen en rekenen. Er kan daardoor niet teruggekeken worden naar eerdere jaren. De internationale positie bij deze twee indicatoren is ontleend aan het driejaarlijkse PISA-onderzoek onder 15‑jarigen in de OESO-landen.

De Nederlandse PIAAC-scores met betrekking tot vaardigheden van volwassenen zijn hoog vergeleken met andere landen, maar de laatste meting dateert alweer uit 2012. PIAAC is een internationaal OESO-onderzoek onder de volwassen bevolking, dat slechts één keer in de tien jaar plaatsvindt. In 2018 is een nieuwe ronde gestart; de resultaten daarvan worden eind 2023 gepubliceerd. Digitale vaardigheden tot slot zijn in een kennisintensieve economie onmisbaar. Op dit punt voert Nederland in 2019 de Europese ranglijst aan.

Beleving heeft betrekking op hoe mensen onderwijs en opleidingskansen ervaren. Met de opleidingskansen zijn Nederlanders behoorlijk content: bijna 83 procent van de volwassen bevolking was hier in 2020 tevreden over, en de trend is stijgend.

SDG 5   Gendergelijkheid

SDG 5 streeft naar gelijke behandeling van mannen en vrouwen en een gelijk­waardige positie in de samenleving. Hiervoor moet een eind komen aan achterstand van vooral vrouwen en meisjes op allerlei terreinen: dwang en geweld, werk en zorg, en invloed in het openbare leven.

Het Nederlandse beleid dekt SDG 5 grotendeels. De belangrijkste beleidsinzet krijgt vorm via de Emancipatienota, de aanpak van huiselijk geweld en maatregelen om zorgtaken gelijker te kunnen verdelen binnen het gezin. De meeste beleidsvoornemens en -maatregelen op het gebied van SDG 5 zijn opgesteld door de Ministeries van OCW en VWS. Ook in het kader van SDG 10 wordt er beleid gevoerd op de punten inclusie en non-discriminatie, maar meer in het algemeen (CBS, 2021a).

Bij de trend in Nederland kleurt de meerderheid van de indicatoren in dit dashboard groen. Bij de internationale positie van Nederland is het beeld gemengd. Bij drie indicatoren heeft Nederland een sterke positie, maar bij drie andere indicatoren is er een plaats in de Europese achterhoede.noot9

SDG 5   Gendergelijkheid  

Gebruik

52,4%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
23e
64,2%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
3e
72,5%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
1e

Uitkomsten

34,3%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
13e
34,1%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
4e
63,8%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
81,1%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
13,7%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
11e
25,9%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
22e
33,3%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
10e
65,9
21e
66,5
15e
1,3
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart

Middelen en mogelijkheden gaan over rechten en vrijheden van mannen en vrouwen en de mogelijkheid deze te gebruiken. Er zijn voor deze categorie op dit moment geen indicatoren bekend die voldoen aan de kwaliteitseisen van deze publicatie.

Gebruik betreft de mate waarin vrouwen en mannen maatschappelijk en economisch participeren. In het Nederlandse hoger onderwijs was in het studiejaar 2020/’21 het merendeel (ruim 52 procent) van de studenten vrouw. De trend is omgeslagen van neutraal naar stijgend. In de meeste andere Europese landen is het percentage vrouwelijke studenten zelfs nog hoger dan in Nederland; als hier al sprake is van een achterstand, dan is dit bij mannen.

Bij zowel mannen als vrouwen neemt de nettoarbeidsparticipatie (het aandeel werkenden in de leeftijd van 15 tot 75 jaar) trendmatig toe. Wel was er in 2020 sprake van een kleine afname, vooral bij de mannen. Met 72,5 procent lag de participatie­graad van mannen in 2020 nog ruim 8 procentpunt boven die van vrouwen (64,2 procent). Het verschil is sinds 2013 wel kleiner geworden. In de EU-27 bevindt Nederland zich in 2019 in de voorhoede, zowel bij de vrouwen als de mannen.

Uitkomsten betreffen de effecten van participatie op gendergelijkheid. De uitkomsten ontwikkelen zich gunstig vanuit oogpunt van brede welvaart: veel trends kleuren groen. Het percentage vrouwen dat met betaald werk minstens het bijstandsniveau verdient en daarmee economisch zelfstandig is, is sinds het begin van de trendperiode (2013) harder gegroeid dan dat bij mannen. Het gaat hier, anders dan bij arbeidsparticipatie, om mannen en vrouwen van 15 jaar tot de AOW-leeftijd, exclusief scholieren en studenten. Dankzij deze inhaalslag is het verschil teruggelopen van bijna 21 procentpunt in 2013 naar ruim 17 procentpunt in 2019.

Het verschil in beloning tussen mannen en vrouwen wordt ook geleidelijk kleiner. Het uurloonverschil is sinds 2013 met 3 procentpunt afgenomen naar 13,7 procent in 2020. Nederland neemt daarmee binnen de EU een middenpositie in. Voor zowel vrouwen als mannen geldt dat het percentage hoogopgeleiden toeneemt. Bij vrouwen is het aandeel net iets groter dan bij mannen. Wel nemen de Nederlandse vrouwen hiermee een gemiddelde internationale positie in, terwijl de Nederlandse mannen in de Europese voorhoede staan. Vrouwen in sommige andere EU-landen verbeterden hun opleidingsniveau nog meer.

Bij vrouwen in leidinggevende functies is de trend omgeslagen van neutraal naar groen (opwaarts). Vrouwen bezetten in 2020 iets meer dan een kwart van de posities in het hogere management en middenkader. Vergeleken met andere EU-landen is dit echter nog weinig (22e positie). Het aandeel vrouwelijke volksvertegen­woordigers neemt af, de trend kleurt rood. In 2020 was een derde van de Tweede Kamerleden vrouw, dit zorgt voor een midden­positie binnen de EU. Het percentage gekozen vrouwen is na de verkiezingen van 2021 fors toegenomen. Bij de installatie van de nieuwe Tweede Kamer waren vier op de tien leden vrouw.

De gezonde levensverwachting, ofwel de levens­verwachting in als goed of zeer goed ervaren gezondheid, is voor vrouwen (65,9 jaar) en mannen (66,5 jaar) redelijk vergelijkbaar. Vergeleken met vrouwen in andere EU-landen bevinden Nederlandse vrouwen zich onderin de ranglijst, terwijl de Nederlandse mannen een middenpositie innemen. De cijfers die gebruikt zijn voor het maken van de internationale vergelijking hebben overigens betrekking op een andere variant van de gezonde levensverwachting dan de cijfers die voor de trend in Nederland gebruikt zijn. Bij de internationale vergelijking gaat het over de levensverwachting zonder beperkingen.noot10

Minder intimidatie en geweld tegen vrouwen is een van de speerpunten in het streven van deze SDG naar sociale veiligheid voor alle burgers. Fysiek en/of seksueel geweld door de huidige of ex-partner is hier een aspect van. Hier is de trend dalend, dit is gunstig. In 2019 gaven 1,3 op de duizend vrouwen van 15 jaar of ouder aan slachtoffer te zijn geweest van fysiek of seksueel geweld door de huidige of ex-partner. In 2013 ging het nog om meer dan 2 op de duizend vrouwen.

Beleving gaat om de persoonlijke ervaring van gender(on)gelijkheid. Er zijn voor deze categorie op dit moment geen indicatoren bekend die voldoen aan de kwaliteitseisen van deze publicatie.

SDG 6   Schoon water en sanitair

Toegang tot drinkwater en sanitaire voorzieningen en duurzaam beheer van water vormen de kern van SDG 6. De toegang is goed geregeld in Nederland, maar er zijn wel indicatoren opgenomen over de betaalbaarheid van drinkwater. De focus van dit dashboard ligt op waterkwaliteit en de efficiëntie van watergebruik. Het beleid voor SDG 6 is geformuleerd door met name de ministeries van IenW en LNV, maar er zijn ook bijdragen van BZ, BZK en VWS. De inzet hiervan is hoofdzakelijk gericht op het geïntegreerd zoetwaterbeheer om de beschikbaarheid van water zeker te stellen, en op het tegengaan van watervervuiling (CBS, 2021a). Minder schadelijke lozingen, hergebruik van water, en een lager watergebruik moeten de waterkwaliteit verhogen en waterschaarste tegengaan. Lozingen van vervuilende stoffen, direct of via de bodem, beïnvloeden de kwaliteit van binnen­wateren en het grondwater. Met waterzuivering wordt vervuiling teruggebracht en wordt de waterkwaliteit verbeterd. Zuiniger zijn met water ten slotte vermindert de druk op zoetwaterbronnen bij groeiende economische activiteit.

Voor deze editie zijn er indicatoren toegevoegd aan dit dashboard. De trendmatige ontwikkeling in Nederland is overwegend positief. Uitzonderingen hierop zijn de ontwikkeling bij diersoorten die kenmerkend zijn voor zoetwaternatuur, en de chemische waterkwaliteit. Een vergelijking met andere EU-landen is voor deze SDG voor maar een paar indicatoren mogelijk, en die geeft aan dat Nederland slechts gemiddeld tot laag scoort.

SDG 6   Schoon water en sanitair  

Middelen en mogelijkheden

€ 1,15
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
€ 1,59

Gebruik

85%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
87%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
401
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
14e
69
8e
€ 88,00
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
8e

Uitkomsten

15,4%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
11e
139
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
3,6%
5,1%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
3,9
73,5%
15e

Beleving

8,7

Middelen en mogelijkheden betreffen de middelen waarmee huishoudens worden voorzien van schoon en betaalbaar drinkwater. De drinkwatervoorziening is in Nederland zeer goed geregeld. De drinkwaterbedrijven zijn erin geslaagd hun kosten omlaag te brengen (van 1,23 euro per m3 in 2013 naar 1,15 euro in 2019). De trend bij de gemiddelde prijs voor afnemers van drinkwater is echter neutraal omdat naast de productiekosten ook kosten voor grondwaterheffing, precario, belasting op leidingwater en btw in rekening worden gebracht. Dit deel van de kosten is dus gestegen.

Gebruik betreft de mate van zuivering van stedelijk afvalwater, de onttrekking van water aan het milieu, en de efficiëntie van watergebruik (waterproductiviteit). Bij vrijwel alle indicatoren zijn de trends positief. De zuiverings­rendementen voor stikstof en fosfor bij stedelijk afvalwater zijn hoog: in 2019 respectievelijk 85 procent en 87 procent. De stijgende trends duiden op voortdurende verbetering van de efficiëntie van de waterzuivering. Als men het gebruik in de hele economie optelt, werd in 2018 omgerekend per inwoner 401 m3 zoet oppervlaktewater gewonnen. In 2013, het begin van de trendperiode, was dit nog 575 m3. Daarnaast is in 2018 door de hele economie omgerekend bijna 70 m3 grondwater per inwoner onttrokken, een stuk meer dan de jaren ervoor (gemiddeld rond de 60 m3). De droge zomer van 2018 leidde tot substantieel meer waterverbruik door de landbouw en drinkwaterbedrijven. Omdat energiebedrijven daarentegen steeds minder zoetwater nodig hebben om te koelen, vlakt de winning per inwoner iets af. Vergeleken met andere EU-landen onttrekt Nederland per inwoner vrij veel zoet oppervlaktewater, mede omdat ons land veel koelwaterintensieve bedrijven telt. Dat koelwater komt na lozing wel weer beschikbaar voor gebruik. De waterproductiviteit – een maatstaf voor efficiëntie van het watergebruik door het bedrijfsleven – is flink verbeterd tussen 2013 en 2018, van minder dan 60 euro toegevoegde waarde per m3 (prijzen 2015) naar bijna 90 euro. De Nederlandse waterproductiviteit is nog wel vrij gemiddeld vergeleken met andere EU-landen.

Uitkomsten hebben betrekking op de kwaliteit van oppervlaktewater en duurzaamheid van watergebruik. Alleen het niveau van waterstress lijkt trendmatig de goede kant op te gaan, met een daling van zo’n 5 procentpunt vanaf 2013 naar 15,4 procent in 2018. Hier gaat het om de verhouding tussen het zoetwater dat wordt onttrokken en de beschikbare hernieuwbare zoetwaterbronnen, ofwel wateronttrekkingsintensiteit of waterstress. De overige indicatoren vertonen een stabiele trend, of zelfs een rode.

Bij diersoorten die typerend zijn voor zoete wateren en moerassen, is na een lange periode van gestage stijging, vanaf 2013 sprake van een afname. De oorzaken van deze daling zijn divers en per soortgroep verschillend. De waterkwaliteit is kennelijk nog lang niet overal voldoende voor deze specifieke diersoorten.

De biologische water­kwaliteit (voor algen, waterplanten, vissen en macrofauna) en chemische waterkwaliteit (op basis van 53 chemische stoffen of groepen van stoffen) worden in dit dashboard beoordeeld volgens de systematiek van de Europese Kaderrichtlijn Water. Het CBS rekent deze data in de Natuurlijk Kapitaalrekeningen om naar het percentage oppervlaktewater met een goede kwaliteit. Heel veel kleine waterlichamen voldoen namelijk, maar qua oppervlak voldoet maar een relatief klein deel van het Nederlandse water. In 2020 had 3,6 procent van het oppervlaktewater een goede biologische kwaliteit en voldeed 5,1 procent aan de normen voor chemische kwaliteit. De trend in chemische kwaliteit is dalend; in 2013 was het percentage nog boven de 10.

De trend van de kwaliteit van het zwemwater in het binnenland is omgeslagen van groen naar neutraal. In 2020 kreeg 73,5 procent van het binnenwater de kwalificatie ‘uitstekend’. Deze indicator is zijdelings ook relevant voor de productie van drinkwater omdat in Nederland naast grondwater vooral ook oppervlaktewater onttrokken wordt ten bate van de drinkwater­productie.

Beleving betreft tevredenheid over het drinkwater. In 2019 gaven klanten van waterleidingbedrijven hun water een 8,7. Zo hoog was de waardering niet eerder. Deze tevredenheid wordt eens in de drie jaar gemeten, daardoor zijn er niet genoeg datapunten in de periode 2013–2020 voor een trendberekening.

SDG 7   Betaalbare en duurzame energie

SDG 7 focust op energiezekerheid, verduurzaming en energie-efficiëntie. Deze behoren tot de belangrijkste onderwerpen in het maatschappelijke en politieke debat van de afgelopen jaren. Het meeste beleid voor SDG 7 is opgesteld door het ministerie van EZK. Het energiebeleid wordt vormgegeven in de context van het Klimaatakkoord: het Integraal Nationaal Energie- en Klimaatplannoot11 bevat het beleid in de periode 2021–2030 (zie ook SDG 13). Daarnaast zijn er ook beleidsdoelen geformuleerd en initiatieven ontplooid door BZK, LNV, IenW en BZ vanuit de innovatie-agenda, omgevingsbeleid en landbouwbeleid (CBS, 2021a).

In Nederland is de energiezekerheid groot. Daarom is het dashboard van SDG 7 voor Nederland gericht op hernieuwbare energie en energie-efficiëntie. De uitstoot van broeikasgassen (zie SDG 13 over klimaat) is vooral een gevolg van de verbranding van fossiele brandstoffen in elektriciteits­centrales, industrie, auto’s, huizen en andere gebouwen. De ontwikkeling en het gebruik van technologieën voor energiebesparing en hernieuwbare energiebronnen zijn een wezenlijk middel om energie­verbruik en de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verminderen. Dit heeft een positief effect op de brede welvaart in de toekomst.

Het beeld voor de trendmatige ontwikkelingen in Nederland (2013–2020) is overwegend positief, met onder andere een toename van werkgelegenheid en investeringen in de groeiende duurzame-energie­sector en het gebruik van hernieuwbare energie, en een afname van de energie-intensiteit van de economie. In vergelijking met de andere EU-landen blijft Nederland voor een deel van deze indicatoren echter ver achter.

SDG 7   Betaalbare en duurzame energie  

Middelen en mogelijkheden

1,1%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
0,8%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
0,4
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
9e
964,3
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
18e
64,3%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
13e
3,3%
6e

Gebruik

4 195
23e
116,4
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
10e

Uitkomsten

2,9
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
12,2
27e
8,8%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
25e

Middelen en mogelijkheden betreffen de beschikbaarheid en betaalbaarheid van energie, en vooral voor Nederland relevant, investeringen in duurzame energievoorziening. De trend van investeringen in hernieuwbare energie en energiebesparing is opwaarts: in 2018 ging het om 1,1 procent van het bbp. Ook de werkgelegenheid in de duurzame-energiesector is trendmatig toegenomen tot 0,8 procent van de totale werkgelegenheid in 2019.noot12

Het in Nederland opgestelde vermogen voor hernieuwbare elektriciteit is in de trendperiode 2013–2020 toegenomen van 202 naar 964 megawatt per miljoen inwoners. Vooral de laatste jaren is de groei uitzonderlijk: in 2020 was het vermogen 43 procent groter dan in 2019. De stijging is onder meer het gevolg van uitbreiding van het windmolenpark met twee nieuwe, grote parken voor de Zeeuwse kust. Ook het elektrisch vermogen van installaties om zonnestroom op te wekken groeide fors. In 2019 bezette Nederland voor deze indicator echter de 18e positie van 27 EU-landen. Bij deze indicator gaat het om het opgestelde vermogen, niet om de daadwerkelijke opwekking van energie. Met name bij zonne-energie is dit laatste aanmerkelijk kleiner dan het potentiële vermogen. Van de totaal geproduceerde hernieuwbare elektriciteit werd in 2020 bijna de helft opgewekt met windmolens (45 procent). Biomassa kwam met 29 procent op de tweede plaats en zonnepanelen namen 26 procent voor hun rekening.

Naast deze drie groene trends zijn er ook twee rode. De huidige energievoorziening in Nederland is nog grotendeels gebaseerd op de verbranding van fossiele brandstoffen. Vanuit dit perspectief is het van belang dat er voldoende fossiele energiereserves zijn. Daarom kleurt de trend in de fossiele energiereserves die vanuit economisch en maatschappelijk oogpunt winbaar geacht worden rood: deze zijn verder teruggelopen. Dit hangt samen met het besluit tot afbouw van de gaswinning in Groningen. Vanuit het oogpunt van de bodemgesteldheid in het wingebied is dit wel gunstig, vanuit oogpunt van klimaatdoelstellingen minder, omdat – gegeven de behoefte aan fossiele brandstof – het Groningse gas een relatief goede CO2‑footprint heeft in vergelijking met bijvoorbeeld Russisch gas.noot13 Omdat de energiebehoefte er nog is maar de eigen reserves dalen, stijgt de afhankelijkheid van de invoer van energie, wat niet wenselijk is (rode trend). In 2019 werd in bijna twee derde van de energie voorzien door middel van import. In 2013, het begin van de trendperiode, was dit nog geen kwart. In 2019 staat Nederland hiermee op de 13e positie binnen de EU.

Als indicator voor de betaalbaarheid van energie is gekeken naar de uitgaven aan energie door huishoudens als percentage van de totale consumptieve uitgaven. Dit aandeel lag in 2020 op 3,3 procent, vergeleken met de andere EU-landen een laag percentage. De trend is hier wel omgeslagen van groen naar grijs, waarbij opgemerkt moet worden dat het percentage waarschijnlijk niet veel verder kan teruglopen.

Gebruik betreft de hoeveelheid energie die wordt gebruikt en bespaard. Bij het totale energieverbruik is er een trendomslag van groen naar grijs. Nederland bezet een plek in de achterhoede in de vergelijking met andere EU-landen. De energie-intensiteit, een maat voor de energie-efficiëntie van de economie ofwel hoeveel energie er wordt verbruikt in verhouding tot de omvang van de economie, neemt trendmatig af, wat positief is. Nederland bezette in 2019 een gemiddelde positie binnen de EU. Bij deze internationale vergelijking past wel een kanttekening: de samenstelling van de bedrijvigheid en het energieverbruik in de bijbehorende productieprocessen kan van land tot land sterk verschillen.

Uitkomsten betreffen de duurzaamheid en verspilling van energieHet verbruik van aardolieproducten stijgt trendmatig (rood), ondanks een afname van bijna 19 procent in 2020. De trend bij de invoer van fossiele energiedragers is neutraal, maar Nederland staat als belangrijkste importeur van fossiele brandstoffen in 2019 helemaal onderaan de EU-ranglijst. Een groot deel van deze invoer wordt overigens wel weer uitgevoerd. Positief is de trend bij het aandeel hernieuwbare energie. Dit groeide verder, van minder dan 5 procent in 2013 naar bijna 9 procent in 2019. Er is dus een inhaalslag gaande, maar Nederland verkeert bij deze indicator binnen de EU nog steeds in de onderste regionen met een 25e plaats in 2019. Hier speelt mee dat de Nederlandse overheid, vergeleken met andere landen zoals bijvoorbeeld Duitsland, jarenlang terughoudend is geweest met het financieel stimuleren van hernieuwbare energie. De laatste jaren is daar zeker verandering in gekomen. Verder heeft de lage positie van Nederland ook te maken met het lage verbruik van hout door huishoudens en de lage beschikbaarheid van waterkracht.

Beleving betreft de tevredenheid met de prijs en beschikbaarheid van energiebronnen. Er zijn voor deze categorie op dit moment geen indicatoren bekend die voldoen aan de kwaliteitseisen van deze publicatie.

SDG 8.1   Waardig werk en economische groei: economie en productiefactoren

De doelstelling van SDG 8 is tweeledig. Het eerste dashboard van SDG 8 adresseert het duurzamer en efficiënter maken van economische groei, met aandacht voor innovatie, ondernemerschap en milieu. Het bbp is een maat voor de omvang van de economie. Het kan worden berekend vanuit de productie, inkomens of bestedingen. Een toename van het bbp zorgt op de korte termijn doorgaans voor meer materiële welvaart, gemeten in termen van het mediaan besteedbaar inkomen en de individuele consumptie. Er is wel een keerzijde: economische activiteiten kunnen op lange termijn schadelijk zijn voor de brede welvaart, de leefomgeving en het welbevinden. Voor de productie van goederen en diensten is input nodig van de productiefactoren kapitaal, arbeid en grondstoffen. Een belangrijke vraag is of deze duurzaam en productief worden ingezet. Een tweede vraag is hoe de winsten en inkomens verdeeld worden over burgers en bedrijven. Al deze factoren bepalen samen in hoeverre economische groei efficiënt en duurzaam is. Het tweede aspect van SDG 8, het bewerkstelligen van waardig werk voor iedereen, wordt afzonderlijk behandeld, in een volgend dashboard van SDG 8.

Het Nederlandse beleid dekt het grootste deel van SDG 8. Het meeste beleid op het gebied van SDG 8 is opgesteld door het ministerie van SZW. Daarnaast zijn ook beleidsmaatregelen en voornemens geformuleerd door de departementen BZK, EZK, OCW, VWS, SZW, JenV, LNV, IenW en BZ (CBS, 2021a). In 2019 is de Groeistrategienoot14 gelanceerd met het oog op economische groei en het verhogen van het verdienvermogen.

Er zijn bij dit dashboard zes trendomslagen, alle van groen naar neutraal. De economie kromp in 2020 fors onder invloed van de coronamaatregelen. Vergeleken met andere EU-landen bleef de schade echter binnen de perken. Bij vijf indicatoren, waaronder het bbp per capita, is de middellangetermijntrend (2013–2020) groen, en bij slechts één rood. In internationale vergelijkingen noteert Nederland voor zes indicatoren een score in de Europese voorhoede, terwijl voor één indicator een positie onderaan de ranglijst resulteert.

SDG 8   Waardig werk en economische groei: economie en productiefactoren  

Middelen en mogelijkheden

16,9%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
12e
762,3
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
18e
€ 27 500
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
6e

Gebruik

€ 49,00
6e
€ 146,00
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
7e
€ 10,74
5e
€ 4,42
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
1e
€ 24 789
6e

Uitkomsten

€ 41 671
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
5e
77,6%
1e
33,5%
12e
7,5

Beleving

-20
15e
-7,6
10e
-13,5

Middelen en mogelijkheden betreffen de hoeveelheid arbeid, kapitaal en kennis die wordt ingezet bij de productie van goederen en diensten, en de mogelijkheid deze productie uiteindelijk te (ver)kopen voor consumptie of anderszins. De trends in dit deel van het dashboard zijn opwaarts (groen): gewerkte uren, investeringen in materiële activa en het mediaan besteedbaar inkomen (beschikbaar tot en met 2019). Het aantal gewerkte uren nam in 2020 wel significant af, naar 762. In 2019 was dit nog 795 uur. Bij de positie is het beeld gemengd: het aandeel van de bruto-investeringen in materiële vaste activa in het bbp is relatief klein, qua gewerkte uren per inwoner neemt Nederland een midden­positie in en bij het mediaan besteedbaar inkomen staat Nederland juist bovenin de ranglijst.

Gebruik betreft de productiviteit en duurzaamheid van de inzet van productiefactoren, en consumptie. Dit is mede af te lezen uit een aantal economische ratio’s. Hier zijn drie trendomslagen van groen naar neutraal: bij de kenniskapitaalgoederenvoorraad, bij arbeidsproductiviteit en bij de individuele consumptie door huishoudens. Wel zijn de arbeidsproductiviteit (toegevoegde waarde per gewerkt uur) en de individuele consumptie hoog vergeleken met andere EU-landen. De fysieke kapitaalgoederenvoorraad per gewerkt uur daalt trendmatig, hier is de trend rood. Hier staat tegenover dat Nederland van alle EU-landen het meest efficiënt omgaat met de in het productieproces verbruikte grondstoffen. De grondstoffenproductiviteit verbetert bovendien trendmatig.

Uitkomsten hebben betrekking op het tempo, de efficiëntie en de houdbaarheid van economische groei. Het volume van het bbp was in het coronajaar 2020 3,7 procent kleiner dan in 2019. Het bbp omgerekend per inwoner kromp met 4,3 procent nog iets meer, maar de middellangetermijntrend blijft stijgend. Hier heeft Nederland ook een hoge positie op de Europese ranglijst. Een derde van het bbp komt tot stand dankzij de uitvoer naar andere landen, dit aandeel is stabiel. De arbeidsinkomensquote (aiq) geeft een beeld van de verdeling van winsten en beloning in de economie, als ratio van het aandeel van de beloning van arbeid (van werknemers en zelfstandigen) in het totale verdiende inkomen. Voor werkenden is een hogere aiq gunstig. Volgens de definitie gehanteerd door het CBS, het CPB en DNB kwam de aiq in 2020 uit op 77,6 procent. De positie van de Nederlandse aiq ten opzichte van andere landen is alleen indicatief. Een vergelijking met andere landen is lastig omdat er veel definitieverschillen zijn. De aiq van Nederland lijkt evenwel relatief hoog te zijn (cijfers 2017). De grondstoffenvoetafdruk ten slotte, bedroeg in 2019 7,5 ton per inwoner en de trend is stabiel. Het CBS werkt momenteel aan het verbeteren van de methoden om deze voetafdruk te berekenen.

Beleving betreft het vertrouwen van consumenten en producenten. Vertrouwen in hoe het met de economie gaat, wordt in belangrijke mate door de conjunctuur bepaald, maar ook door het gevoerde beleid (bijvoorbeeld coronamaatregelen en steunpakketten voor ondernemers). Bij de drie stemmingsindicatoren overheerste in 2020 het pessimisme en sloeg de trend om van groen naar grijs.

Het sentiment kan sterk fluctueren, zowel in positieve als negatieve zin. Het saldo van het consumentenvertrouwen kwam in 2020 uit op –20. Het vertrouwen in het algemeen economisch klimaat kreeg de grootste klap, de koopbereidheid van consumenten daalde veel minder hard. In 2013, het begin van de trendperiode, hadden pessimistische gevoelens onder de consumenten overigens ook de overhand. Het saldo stond in dat jaar op –31. Het vertrouwen van industriële producenten maakte na de eerste coronamaatregelen een duikvlucht, maar in de maanden na april nam de somberheid weer gestaag af. Het jaarcijfer voor 2020 kwam uit op –7,6. De stemming in de industrie was fors negatief, maar beduidend minder somber dan in 2009, ten tijde van de kredietcrisis (jaarcijfer –13,9). Ook de derde stemmingsindicator, die van het sentiment onder alle ondernemers in het niet-financiële bedrijfsleven, sloeg om. Ook hier was de stemming echter minder bedrukt dan in 2009, met –13,5 tegen –22,8.

SDG 8.2   Waardig werk en economische groei: arbeid en vrije tijd

De doelstelling van SDG 8 is tweeledig. Economische groei moet duurzamer en efficiënter worden, met aandacht voor innovatie, ondernemerschap en milieu. Dit aspect is behandeld in het eerste dashboard van SDG 8. Het tweede aspect van deze SDG is het bewerkstelligen van waardig werk voor iedereen, vooral voor kwetsbare groepen, in goede arbeidsomstandigheden. Het hebben van waardig werk is belangrijk voor het genereren van inkomsten, voor deelname aan de samenleving en voor de eigenwaarde van mensen. De vraag of ze aan werk kunnen komen en blijven, en of ze daarmee voldoende kunnen verdienen is voor veel mensen belangrijk. Mensen willen bovendien kunnen werken onder goede arbeids­omstandig­heden, met relevante en interessante werkzaamheden en in een goede balans met hun privéleven. Ook vrije tijd geeft zin aan het leven, door ontspanning, sociale contacten en persoonlijke ontwikkeling.

Het Nederlandse beleid dekt SDG 8 grotendeels. De meeste beleidsmaatregelen en -voornemens op het gebied van SDG 8 zijn opgesteld door het Ministerie van SZW. Daarnaast dragen ook de departementen BZK, EZK, OCW, VWS, SZW, JenV, LNV, IenW en BZ bij (CBS, 2021a). Naast de Groeistrategie die economische groei en het verhogen van de verdienvermogen betreft, worden diverse maatregelen ingezet om waardig werk voor iedereen te realiseren en mensen te ondersteunen die niet in staat zijn om zelf regie over hun loopbaan te nemen.

Het beeld bij dit dashboard is overwegend positief te noemen. Voor veel indicatoren zijn er al 2020‑cijfers maar daarbij moet worden opgemerkt dat sommige effecten van de coronacrisis misschien pas later merkbaar worden. Zes indicatoren laten over de middellange termijn (2013–2020) een trendmatige verbetering van de welvaart zien, bij slechts één is de ontwikkeling ongunstig vanuit het perspectief van brede welvaart. Ook de posities op de Europese ranglijst zijn in de meeste gevallen hoog.

SDG 8   Waardig werk en economische groei: arbeid en vrije tijd  

Middelen en mogelijkheden

25
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
3e
3,8%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
4e
0,9%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
7e
11,5%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
10e

Gebruik

68,4%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
1e
26,9
25e

Uitkomsten

€ 26,20
5e
1 432
17e
15,7%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart

Beleving

7,6%
1e
17,7%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
-3
14e
76,5%
2e
79,2%
7e
76,4%
6e

Middelen en mogelijkheden betreffen mogelijkheden voor deelname aan de arbeidsmarkt, en het aantal beschikbare banen. De middellangetermijntrends vanaf 2013 in dit deel van het dashboard ontwikkelen zich allemaal positief. Hierbij past de kanttekening dat sommige effecten van de coronacrisis misschien pas later duidelijk worden. Een hoge vacaturegraad is positief voor werkzoekenden: aan het eind van 2020 waren er per duizend banen 25 vacatures (weliswaar tegen 33 in 2019, maar in 2013 waren dit er slechts 12). De werkloosheid was met 3,8 procent van de beroepsbevolking relatief laag ondanks de impact van de coronacrisis op de arbeidsmarkt. Langdurig werkloos zijn (twaalf maanden of langer) komt minder vaak voor, nog geen 1 procent in 2020. Van het arbeidspotentieel bleef in 2020 11,5 procent onbenut. Dit is weliswaar 1 procentpunt meer dan in 2019, maar duidelijk minder dan de ruim 18 procent in 2013. Vergeleken met andere EU-landen steekt Nederland gunstig af: de werkloosheid is laag en er zijn voor Nederlandse werk­zoekenden relatief veel vacatures.

Gebruik betreft participatie op de arbeidsmarkt. In 2020 was ruim 68 procent van alle 15–74‑jarigen aan het werk. Dit is iets minder dan in 2019, toen de hoogste nettoarbeidsparticipatie in vijftig jaar gemeten werd. Wel was de afname van het aantal werkenden en de arbeidsparticipatie tussen maart en mei 2020 uitzonderlijk groot, maar later in het jaar herstelde dit zich deels weer. Voor deze indicator is de trend stijgend (groen). Vergeleken met andere EU-landen is de Nederlandse nettoarbeidsparticipatie het hoogst. De gemiddelde arbeidsduur komt in 2020 uit op bijna 27 gewerkte uren per werkende per week. De arbeidsduur is zeer laag vergeleken met die in andere Europese landen. De trend is omgeslagen van groen naar neutraal. Voor de materiële welvaart betekent dit dat deze niet verder toeneemt dankzij werk. Er is wel een mogelijk positief (tweede-orde) effect van dit relatief lage aantal gewerkte uren, namelijk dat werk niet teveel aandacht opeist bij bijvoorbeeld mensen die zorgen voor kinderen of andere familieleden, en/of vrije tijd hoog waarderen.

Uitkomsten betreffen de opbrengsten van werk, arbeidsomstandigheden en veiligheid op het werk. Het gemiddelde Nederlandse uurloon is vergeleken met dat in de andere EU-lidstaten hoog (gecorrigeerd voor koopkracht). Volgens het CBS en TNO was in 2020 15,7 procent van de werknemers enkele keren per maand of vaker psychisch vermoeid door het werk (burn-outklachten). Dit is het jaar waarin veel vanuit huis gewerkt is. In 2019 was dit nog 17 procent. Toch is de middellangetermijntrend opwaarts en rood.

Beleving betreft de vraag of mensen tevreden zijn over hun arbeidsomstandigheden, hun werk en hun vrije tijd, en of ze zich zorgen maken over werk en financiën. Bijna 18 procent van de werknemers maakte zich in 2020 zorgen om het behoud van zijn of haar baan. Dit percentage ligt hoger dan in 2019 (16,5 procent) maar de middellangetermijntrend is dalend (groen). In april 2020 kwam er door de coronamaatregelen een abrupt einde aan de positieve verwachtingen van huishoudens over hun financiële situatie voor de komende twaalf maanden. Het saldo van de positieve en negatieve antwoorden zakte in deze maand naar –17. Na de eerste schrik werden de consumenten echter geleidelijk aan minder somber. Het jaarcijfer voor 2020 komt uit op –3. De trend tussen 2013 en 2020 is wel omgeslagen van groen naar neutraal.

Bij de overige indicatoren zijn er positieve ontwikkelingen tussen 2019 en 2020, en staat Nederland relatief hoog op de EU-ranglijst. Het aandeel werknemers dat een disbalans tussen werk en privé ervaart nam af van 9,7 procent in 2019 naar 7,6 procent in 2020, mogelijk als gevolg van het vele thuiswerken en de verminderde reistijd. Nederlanders gaan op dit punt aan kop binnen Europa. Ruim driekwart van de werknemers was in 2020 tevreden over zijn of haar arbeidsomstandigheden, hier was Nederland in 2015, het meest recente jaar waarvoor een vergelijking gemaakt kan worden, tweede van de EU. Ook was de tevredenheid van werknemers met hun werk (bijna vier op de vijf in 2020) redelijk hoog vergeleken met andere landen. De trend bij vrije tijd is omgeslagen van dalend (rood) naar grijs. Nederland bevindt zich in de groep EU-landen met de grootste tevredenheid over vrije tijd.

SDG 9.1   Industrie, innovatie en infrastructuur: infrastructuur en mobiliteit

Deze brede SDG omvat drie componenten: infrastructuur en mobiliteit, industrie en duurzame bedrijvigheid, en kennis en innovatie. De eerste opdracht is zorgen voor een toegankelijke infrastructuur en mobiliteit voor iedereen. Dit dashboard gaat daarom behalve over de fysieke infrastructuur (die al sterk ontwikkeld is in Nederland), ook over de mobiliteit van personen en vrachtvervoer. Mobiliteit en infrastructuur stellen mensen in staat om te werken, contacten te onderhouden en hun vrije tijd in te vullen. Een deel van de personenmobiliteit betreft verkeer van en naar het werk. Mobiliteit heeft echter ook nadelige effecten voor samenleving en milieu, onder andere tijdverlies als gevolg van files, onveiligheid in het verkeer en druk op het milieu.

Het deel van deze SDG over infrastructuur en mobiliteit ligt op het terrein van verschillende ministeries, de meeste maatregelen zijn afkomstig van IenW en EZK. Daarnaast is er beleid geformuleerd door BZK, BZ, en LNV (CBS, 2021a). Uit de schets Mobiliteit naar 2040noot15 volgt het streven naar een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem, met minimale negatieve invloed op de leefomgeving, zoals minder geluidshinder, luchtvervuiling of energiegebruik. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI)noot16 wordt ingezet op optimale bereikbaarheid van steden en economische kerngebieden in het Stedelijk Netwerk Nederland. Bewust kiezen voor combinaties van lopen, fietsen, het openbaar vervoer en vermindering van autogebruik draagt bij aan een gezonde leefomgeving en een gezonde leefstijl.

De coronamaatregelen hadden in 2020 grote gevolgen voor de mobiliteit. Het advies was om zoveel mogelijk thuis te werken en in de eigen omgeving te blijven. Dit heeft invloed gehad op de filezwaarte en luchtvervuiling. Eerste cijfers van Rijkswaterstaat over 2020 laten zien dat het aantal files en de filezwaarte in vergelijking met 2019 sterk zijn afgenomen, vooral sinds de oproep van het kabinet om thuis te blijven werken (de periode van 13 maart tot en met 31 december).noot17

De indicatoren van het eerste dashboard bij SDG 9 geven een gemengd beeld. Bij de trend laten vijf indicatoren een vermindering van de brede welvaart zien, terwijl vier zich gunstig ontwikkelen. Bij drie indicatoren staat Nederland in de voorhoede, en bij twee juist achteraan. Slechts van een beperkt aantal indicatoren zijn cijfers voor 2020 beschikbaar, het beeld is dus nog niet compleet.

SDG 9   Industrie, innovatie en infrastructuur: infrastructuur en mobiliteit  

Middelen en mogelijkheden

2,4%
4,20
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart

Gebruik

91,9
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
15e
96,1
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
14e
85,7%
5e
11,2%
2e
1 014,7
5,9%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart

Uitkomsten

4,09
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
38,1
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
4e
1 919,5
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
335,0
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
23e

Beleving

25,6%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
26e
84,3%

Middelen en mogelijkheden gaan over de beschikbare middelen voor onderhoud en ontwikkeling van het netwerk van infrastructuur en de mogelijkheden die dit biedt voor mobiliteit van personen en goederen. De dichtheid van het openbare wegennet neemt trendmatig toe, hetgeen gunstig is voor de bereikbaarheid. Een vitale schakel voor bereikbaarheid is goed en toegankelijk openbaar vervoer, hiervoor is nog geen indicator opgenomen. Het aandeel van de investeringen in grond-, weg- en waterbouw in het bbp kwam in 2020 uit op 2,4 procent. De trend is omgeslagen van neerwaarts (rood) naar neutraal.

Gebruik beschrijft het volume van vervoersbewegingen met verschillende vervoermiddelen. Deze Monitor bevat voor gebruik nog geen zeer recente cijfers, maar duidelijk is dat het coronavirus de mobiliteit ernstig heeft beperkt. Het vliegverkeer lag grotendeels stil en er is veel minder ingecheckt bij het openbaar vervoer. Ook op de weg is het rustiger, veel mensen werkten thuis en beperkten het bezoek aan anderen.

Er is een trendmatige afname in de verhouding tussen het volume van personen­vervoer en het bbp. Ook bij het vrachtvervoer is de trend neerwaarts, hier is een omslag van neutraal naar rood. Het betreft hier maatstaven van vervoersintensiteit, die tonen dat het vervoer in passagierskilometers minder snel toenam dan de groei van de economie (de cijfers lopen tot en met 2018). Dit wordt in het kader van mobiliteit als negatief gezien voor brede welvaart. De meeste gemotoriseerde mobiliteit uitgedrukt in reizigerskilometers vond in 2018 plaats per personenauto (86 procent) of trein (11 procent). Deze verhouding is door de jaren heen vrij constant. De cijfers hierboven zijn afkomstig van Eurostat, het statistisch bureau van de EU. De afgelegde kilometers per fiets komen uit een andere databron en kunnen niet rechtstreeks vergeleken worden met die over andere vervoerswijzen. Er zijn bij deze indicator nog niet genoeg datapunten in de periode 2013 tot en met 2020 voor een trendberekening.

De overheid stimuleert elektrisch autorijden en autorijden op waterstof, waarmee zuiniger en schoner kan worden gereden dan met een conventionele auto omdat de directe uitstoot van COminder is. De directe uitstoot van een volledig elektrische auto wordt beschouwd als nul. Het energiegebruik en de uitstoot daarbij voor de productie van (elektrische) auto’s en het beslag op (zeldzame) grondstoffen (bijvoorbeeld lithium en kobalt) alsook de wijze waarop die in ontwikkelingslanden gedolven worden, zijn in deze Monitor niet meegenomen. Het aandeel volledig of deels elektrische personenauto’s ten opzichte van het totale aantal personenauto’s is flink toegenomen, van 1,6 procent op 31 december 2013 tot 5,9 procent eind december 2020.

Uitkomsten betreffen de effecten van al het verkeer op het hoofdwegennet, zoals files en vertragingen, ongelukken, vervuiling en geluidshinder. Vanaf 2013 kostte reizen op het hoofdwegennet door files en vertraging steeds meer tijd, de trend is rood. Voor deze indicator zijn nog geen volledige 2020 cijfers beschikbaar, maar het verkeersaanbod op het hoofdwegennet was door de coronamaatregelen fors kleiner met minder files en vertraging tot gevolg.noot18 In 2019 vielen er in het verkeer 38 doden per miljoen inwoners, terwijl dit er 34 waren in 2013. De trend is omgeslagen van neutraal naar rood (stijgend). Het aantal dodelijke verkeersslachtoffers is wel relatief laag (vierde positie) vergeleken met dat in andere EU-landen (in 2018). Tegenover deze rode trends staan groene trends bij de CO2‑uitstoot per inwoner van het binnenlands verkeer en vervoer en van de Nederlandse luchtvaart. De emissies van de luchtvaart zijn relatief hoog vergeleken met de andere EU-landen: in 2019 (het laatste jaar waarvoor deze vergelijking op basis van de luchtemissierekeningen beschikbaar is) bezette Nederland een 23plek. In coronajaar 2020 halveerde de uitstoot van de Nederlandse luchtvaart. Het vliegverkeer werd vanaf maart van dat jaar ernstig beperkt en kwam in april zelfs vrijwel volledig stil te liggen.

Beleving betreft geluidshinder en de tevredenheid met de reistijd voor woon-werkverkeer. Een toenemend deel van de huishoudens kampt met geluidsoverlast van verkeer of buren, in 2020 meer dan een kwart. De trend is ook rood. Binnen de EU in 2019 was het percentage alleen in Malta hoger. De tevredenheid over de woon-werkreistijd is groot: 84,3 procent in 2020. De trend is omgeslagen van rood naar grijs.

SDG 9.2   Industrie, innovatie en infrastructuur: duurzame bedrijvigheid

Deze brede SDG omvat drie componenten: infrastructuur en mobiliteit, duurzame bedrijvigheid, en kennis en innovatie. Dit tweede dashboard is gericht op versterking en verduurzaming van het bedrijfsleven en de toegang van kleine bedrijven tot hoogwaardige markten en financiering. Aan de SDG-agenda zijn indicatoren toegevoegd die (beleids-)relevant zijn voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo) en bedrijvigheid in ontwikkelde landen als Nederland. Mvo heeft overigens ook raakvlakken met andere SDG’s: toegang tot krediet voor kleinere bedrijven, aandacht voor werknemers, verduurzaming van productieprocessen, en inclusieve en duurzame waardeketens van inkoop tot afnemers, al dan niet over de landsgrenzen heen. In Nederland zijn vooral de relaties tussen bedrijven en werknemers, de rol van het midden- en kleinbedrijf (mkb) en de grote bedrijven, en duurzame productieprocessen en producten van belang.

De beleidsinzet op SDG 9 ligt op het terrein van verschillende ministeries, omdat het vele facetten omvat. Een deel van de doelen onder SDG 9 is voor Nederland minder relevant. Zo is er in Nederland niet sprake van specifiek beleid gericht op het vergroten van het aandeel van de industrie in de economie. De focus ligt meer op duurzaamheid en inclusiviteit. De meeste beleidsmaatregelen zijn afkomstig van de ministeries van IenW en EZK. Daarnaast is er beleid geformuleerd door BZK, BZ, en LNV (CBS, 2021a).

Het beeld bij dit dashboard is rooskleurig. In alle gevallen is de trend stabiel of groen, en neemt Nederland op de EU-ranglijst een gemiddelde of zelfs hoge positie in.

SDG 9   Industrie, innovatie en infrastructuur: duurzame bedrijvigheid  

Middelen en mogelijkheden

7,1%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
5e
2,4%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
10e
2,3%
88%
6e

Gebruik

116,4
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
10e
9 505
3e

Uitkomsten

61,1%
9e
0,28
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
9e
77,6%
1e

Beleving

76,5%
2e
39,1%
46,6%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
11e

Middelen en mogelijkheden betreffen de mogelijkheden voor bedrijven om hun productie­processen, energieverbruik en waardeketens duurzaam te maken. Twee van de vier indicatoren ontwikkelen zich gunstig vanuit het perspectief van brede welvaart. Toegang tot financiering werd in 2020 door ruim 7 procent van de ondernemingen in het mkb genoemd als grootste beperking voor de bedrijfsvoering. Dit was aan het begin van de trendperiode, in 2013, nog bijna 20 procent. Vergeleken met andere landen in de EU is het percentage bedrijven dat kampt met deze problematiek laag. Het belang van bedrijven die actief zijn op het gebied van milieubescherming en het beheer van natuurlijke hulpbronnen neemt gestaag toe. In 2020 bedroeg de toegevoegde waarde van de milieusector 2,4 procent van het bbp, en de trend is groen (stijgend). De milieusector is inmiddels goed voor 2,3 procent van de totale werkgelegenheid. Van de honderd bedrijven in Nederland met de grootste omzet waren er in 2020 88 transparant over hun bedrijfsvoering ten aanzien van mvo: zij publiceerden een duurzaam­heidsverslag. Dit is 6 procentpunt meer dan bij de voorlaatste meting in 2017.

Gebruik heeft betrekking op de inspanning van bedrijven om hun productieprocessen, energie­verbruik en waardeketens duurzaam te maken. De energie-intensiteit van de economie – een maat voor de efficiëntie van energiegebruik – daalt trendmatig. Bij het binnenlands materialenverbruik stond Nederland in 2019 in de kopgroep van de EU-ranglijst, met ruim 9 500 kg per inwoner. Er is wel sprake van een trendomslag. Waar deze indicator eerder nog een verbetering te zien gaf (groen), is de trend nu neutraal.

Uitkomsten hebben betrekking op de feitelijke duurzaamheid van productieprocessen en waardeketens. Het merendeel van het Nederlandse bedrijfsleven bestaat uit middelgrote en kleine bedrijven (tot 250 medewerkers). Zij genereerden in 2019 iets meer dan 61 procent van de toegevoegde waarde van de gehele niet-financiële sector. Daarmee neemt Nederland binnen Europa een middenpositie in. De broeikasgasintensiteit van de economie daalt trendmatig: er worden per eenheid productie minder broeikasgassen uitgestoten. Dit duidt op een verbetering van de milieu-efficiëntie van de economie. De hoge positie van Nederland ten opzichte van andere landen bij de arbeidsinkomensquote (aiq) is indicatief: een internationale vergelijking van deze maatstaf voor de verdeling van het verdiende inkomen over aanbieders van respectievelijk arbeid en kapitaal is lastig te maken omdat er veel definitieverschillen zijn.

Beleving geeft een beeld van de tevredenheid met de arbeidsomstandigheden en het vertrouwen in banken respectievelijk grote bedrijven. In 2020 maakte het vertrouwen in banken een grote sprong, en ook het vertrouwen in grote bedrijven nam toe. Bij beide indicatoren is sprake van een trendomslag. Bij vertrouwen in grote bedrijven was de trend voorheen rood, maar is deze nu stabiel, en bij vertrouwen in banken ging deze van neutraal naar stijgend. Volgens cijfers van het CBS en TNO was in 2020 meer dan driekwart van de werknemers content met de arbeidsomstandigheden. Met een toename van telkens 2 procentpunt steeg de tevredenheid zowel in 2019 als in 2020 aanzienlijk. Uit de laatste cijfers over andere landen, voor 2015, blijkt dat de tevredenheid met de arbeidsomstandigheden in Nederland groot is.

SDG 9.3   Industrie, innovatie en infrastructuur: kennis en innovatie

Deze brede SDG omvat drie componenten: infrastructuur en mobiliteit, duurzame bedrijvigheid, en kennis en innovatie. Dit laatste dashboard bij SDG 9 focust op kennis, die essentieel is voor het verhogen van economische prestaties en het vinden van oplossingen voor grote maatschappelijke problemen. Kennis kan worden omgezet in nieuwe technologieën en processen waarmee productieprocessen en producten kunnen worden verbeterd en verduurzaamd. Daarnaast heeft kennis sociaal-culturele en intrinsieke waarde. Van belang in dit verband is het investeren in kennis door publieke en private partijen, het uitbreiden van ICT en andere technologie en het vergroten van de kenniskapitaalgoederen­voorraad. Toegang tot het internet is essentieel voor de toegang tot kennis.

De beleidsinzet op SDG 9 ligt op het terrein van verschillende ministeries, omdat deze een vrij breed terrein bestrijkt. De meeste beleidsmaatregelen zijn afkomstig van de ministeries van IenW en EZK. Verder is er beleid geformuleerd door BZK, BZ, en LNV (CBS, 2021a).

Het beeld bij dit dashboard is overwegend positief. Los van de trenddaling bij de fysieke kapitaal­goederen­voorraad per gewerkt uur en de publieke uitgaven aan R&D, laten alle indicatoren een stabiele of zelfs stijgende trend zien. Ook de positie op de EU-ranglijst is gunstig. Nederland staat slechts bij één indicator in de achterhoede: de bruto-investeringen in materiële vaste activa.

SDG 9   Industrie, innovatie en infrastructuur: kennis en innovatie  

Middelen en mogelijkheden

2,2%
8e
0,7%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
10e
1,5%
9e
16,9%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
12e
3,8%
4e
3,9
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
6e
96,3%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
1e
97,0%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
1e

Gebruik

3 389
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
6e
234
5e
37%
4e

Uitkomsten

€ 146,00
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
7e
€ 10,74
5e

Beleving

7,1

Middelen en mogelijkheden betreffen het geld, de menskracht en de infrastructuur voor het ontwikkelen, delen en toepassen van kennis en innovatie. De bruto-investeringen in materiële vaste activa als percentage van het bbp (dit zijn vooral investeringen in machines en werktuigen) nemen trendmatig toe tot bijna 17 procent in 2020, maar vergeleken met andere EU-landen is het aandeel nog altijd laag (12e van 15 EU-landen in 2019). Verhoudingsgewijs wordt in Nederland wel veel in ICT geïnvesteerd, bijna 4 procent van het bbp in 2020. Het aantal gewerkte uren in speur- en ontwikkelingswerk stijgt trendmatig door, maar hier wordt een middenpositie ingenomen binnen 16 EU-landen in 2019. Nederland voert de Europese ranglijst aan in breedbandinternetverbinding en toegang tot internet, en de trend blijft stijgen. Beide indicatoren liggen al boven 96 procent van de bevolking van 12 jaar en ouder in 2019.

De R&D-intensiteit (ofwel R&D-uitgaven als percentage van het bbp) kwam in 2019 uit op 2,2 procent. Voor Nederland als geheel en voor de private uitgaven van de bedrijvensector is de R&D-intensiteit stabiel. Het publieke deel van de R&D-uitgaven (0,7 procent van het bbp) heeft een afnemende trend (rood). Internationaal gezien staat Nederland in 2019 in de middengroep op alle drie de R&D-indicatoren.

Gebruik betreft de kennis die wordt geproduceerd, de innovaties die worden geïntroduceerd en de kennisnetwerken die worden gevormd. De trend in wetenschappelijke publicaties is stijgend (groen). Er zijn in 2019 zo’n 350 publicaties per miljoen inwoners meer geproduceerd dan in 2013 (toen 3 038). In 2018 was meer dan een derde van de Nederlandse bedrijven met meer dan 10 werknemers technologisch innoverend. Hoewel het aantal octrooiaanvragen per miljoen inwoners in 2019 wat afnam, is de trend sinds 2013 nog neutraal. Bij alle drie de gebruiksindicatoren staat Nederland in de top zes van de Europese ranglijst in 2016 of 2019.

Uitkomsten hebben betrekking op de mate waarin nieuwe technologieën en kennis worden ingebed in de kapitaalgoederenvoorraad die de huidige en toekomstige generaties nodig hebben. De fysieke kapitaalgoederenvoorraad (machines, werktuigen en andere productiemiddelen) wordt berekend per gewerkt uur. Het aantal gewerkte uren is tot en met 2019 flink toegenomen, meer dan het volume van de kapitaalgoederenvoorraad zelf, wat bij deze indicator tot een trenddaling leidt. Bij de kenniskapitaalgoederenvoorraad slaat de trend om van stijgend naar neutraal. Ook deze indicator is berekend per gewerkt uur. Nederland scoort met beide typen kapitaalgoederenvoorraden gemiddeld, vergeleken met 11 andere EU-landen in 2019.

Beleving heeft betrekking op het vertrouwen van mensen in wetenschap en innovatie. Het vertrouwen in de wetenschap wordt eens in de drie jaar gemeten door het Rathenau Instituut. In 2018 was de score 7,1 op een schaal van 1–10. Het vertrouwen is door de jaren heen tamelijk constant, maar er zijn in de periode 2013–2020 niet genoeg datapunten om een trend te berekenen.

SDG 10.1   Ongelijkheid verminderen: sociale samenhang en ongelijkheid

SDG 10 betreft het verminderen van ongelijkheid binnen en tussen landen. De sociale samenhang binnen landen wordt bevorderd door vermindering van sociale en economische ongelijkheid, en door vergroting van kansen en inclusie van alle mensen. Voor de Nederlands beleidscontext zijn veel indicatoren toegevoegd. Dit eerste dashboard bij SDG 10 is gericht op sociale samenhang, inclusie en gelijkheid. Sociale samenhang is onontbeerlijk voor het goed functioneren van een samenleving. De sociale infrastructuur, zoals familieverbanden, buren, vrienden, verenigingen en hulp en ondersteuning, vormt hiervan de basis. Mensen moeten in staat zijn hieraan mee te doen, zodat ze zich deel van een groep kunnen voelen. Een bijzondere plaats in dit alles wordt ingenomen door migratievraagstukken. De aan SDG 10 gerelateerde financiële houdbaarheid van onze welvaart en de financiële situatie van huishoudens komen aan bod in een afzonderlijk dashboard: 10.2.

Van oudsher is het inkomensbeleid in Nederland erop gericht tot op zekere hoogte een evenwichtige inkomensverdeling te bewerkstelligen. Daartoe wordt het verdieninkomen van huishoudens – het inkomen uit werk en vermogen – herverdeeld door de heffing van premies en belasting aan de ene kant, en door het verstrekken van uitkeringen aan de andere kant. Voor wat betreft de welvaart breder dan alleen inkomen is er niet zozeer sprake van een structureel en samenhangend beleid. Beleidsvorming rondom verminderen van ongelijkheid is belegd bij veel afzonderlijke SDG’s, wat het voeren van een samenhangende agenda bemoeilijkt. Non-discriminatie is vastgelegd in zowel de Grondwet als de Algemene Wet Gelijke Behandeling. Het meeste beleid op het gebied van SDG 10 is opgesteld door de ministeries van SZW, FIN, VWS, OCW en BZK. Daarnaast zijn ook beleidsvoornemens geformuleerd door de departementen van EZK, LNV en BZ (CBS, 2021a).

Het beeld bij dit dashboard is tamelijk positief. Veel indicatoren vertonen een stabiele of stijgende trend. Toch zijn er ook dalende trends: bij contact met familie, vrienden of buren, bij deelname aan het verenigingsleven en bij het verrichten van vrijwilligerswerk. De tijd die wordt besteed aan sociale contacten loopt dus terug. Deze tendens is zichtbaar over een langere periode en waarschijnlijk in het coronajaar 2020 versterkt onder invloed van de maatregelen om verspreiding van het virus tegen te gaan. In vergelijking met andere Europese landen doet Nederland het op het terrein van sociale samenhang en ongelijkheid gemiddeld tot goed.

SDG 10   Ongelijkheid verminderen: sociale samenhang en ongelijkheid  

Middelen en mogelijkheden

4,23
6e
0,28
6e
0,76
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
6,0%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
13,6%
8e

Gebruik

71,2%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
2e
41,7%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
2e
43,8%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
1e
32,9%

Uitkomsten

6,9%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
8,0
14e
33,1%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
7e

Beleving

63,0%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
3e
8,7%
17e
43,3%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
48,0%
3e

Middelen en mogelijkheden gaan in principe over sociaal kapitaal, sociale structuren en materiële (inkomens­- en vermogens-) ongelijkheid. In de context van deze SDG wordt gestreefd naar een lagere ­ongelijkheid. Alleen voor materiële ongelijkheid zijn er indicatoren beschikbaar. De inkomens­ongelijkheid is in Nederland niet groot vergeleken met andere EU-landen. De som van alle inkomens (op persoonsniveau) in de categorie met de bovenste twintig procent was in 2019 ruim vier keer zo groot als de som in de categorie met onderste twintig procent van de inkomens (de 80/20 ratio). De Gini-coëfficiënt voor inkomensongelijkheid, die is gebaseerd op het aan de persoon toegekende gestandaardiseerd besteedbaar inkomen van het huishouden, heeft een waarde tussen 0 en 1: hoe dichter bij nul, hoe gelijker de inkomens verdeeld zijn. In 2019 bedroeg deze voor Nederland 0,28. Beide maatstaven tonen al jaren een stabiele waarde. Een laag inkomen kan volwaardige deelname aan de samenleving in de weg staan. De relatieve armoede is volgens een eerste cijfer van Eurostat in 2020 gestegen naar 13,6 procent.

Aan deze rubriek binnen het dashboard zijn twee nieuwe indicatoren toegevoegd over de vermogenspositie van huishoudens. Voor beide indicatoren is de trend omgeslagen van stabiel naar dalend (groen). Kwetsbaar zijn huishoudens met de combinatie van een laag inkomen en weinig of geen (liquide) vermogen om dit te compenseren. Hun aandeel is afgenomen van 7 procent in 2013 naar 6 procent in 2019. De Gini-coëfficiënt voor vermogensongelijkheid ligt ook tussen 0 (volkomen gelijk) en 1 (totale ongelijkheid). Deze Gini-coëfficient kwam in 2019 uit op 0,76, een relatief hoge waarde. De vermogensongelijkheid tussen huishoudens daalt mede onder invloed van de stijging van de huizenprijzen. Voor de groepen met lagere en middeninkomens vormt het eigen huis het belangrijkste vermogensbestanddeel. Bij rijkeren maken andere vermogens­bestanddelen een groter aandeel van hun vermogen uit.noot19

Gebruik betreft sociale interacties en deelname aan de samenleving via organisaties en verenigingen, en vrijwilligerswerk. Hier kleuren drie trends rood, maar staat Nederland wel hoog in internationaal perspectief. Zeven van de tien Nederlanders hadden in 2020 minstens één keer per week contact met familie, vrienden of buren. Daarnaast nam bijna 42 procent van de bevolking minstens een keer per maand deel aan activiteiten van een vereniging, en verrichtte bijna 44 procent vrijwilligerswerk. Sociale samenhang leunt ten slotte ook op informele hulp aan anderen buiten het eigen huishouden, zoals mantelzorg. Een op de drie Nederlanders verleent in 2020 een vorm van informele hulp; dit aandeel is stabiel.

Uitkomsten hebben betrekking op de mate van sociale samenhang en op uitsluiting en discriminatie. Opvallend is dat een derde van de Nederlanders in 2018 relatief positief oordeelt over immigranten, en de trend is omgeslagen van grijs naar groen.noot20 In de lijst van 23 EU-landen waarvoor dit cijfer beschikbaar is, neemt Nederland een zevende plek in. Een nieuwe indicator in dit dashboard is het armoederisico van zzp’ers. In 2018 leefde bijna 7 procent van hen in een huishouden onder de lage-inkomensgrens, maar dit percentage neemt trendmatig af (in 2013 was dit nog meer dan 10 procent). In aanvulling daarop: uit het onderzoek naar het armoederisico onder werkenden blijkt verder dat in 2018 1,5 procent van de 15–74‑jarigen met hoofdzakelijk inkomen uit loondienst deel uitmaakte van een huishouden met een inkomen onder de lage-inkomensgrens. Werknemers hebben weliswaar een lager armoederisico, maar zij vormen wel de grootste groep werkenden. Daarom is bij hen het absolute aantal met een laag inkomen groter.

Beleving betreft het vertrouwen dat mensen in elkaar hebben, gevoelens van gedeelde normen en waarden en sociale uitsluiting. In Nederland is het vertrouwen in andere mensen groot vergeleken met andere EU-landen, en de trend is opwaarts. Wel beschouwt bijna 9 procent van de bevolking zich als lid van een gediscrimineerde groep, en scoort Nederland hiermee gemiddeld in de EU. In 2019 had ruim 43 procent van de bevolking de perceptie dat de normen en waarden gelijk zijn gebleven of vooruit zijn gegaan. Dit is wat minder dan in 2018, maar de middellangetermijntrend (2013–2020) is stijgend, en die trend is omgeslagen van grijs (stabiel) naar groen (stijgend). Bijna de helft van de Nederlandse bevolking ervaart grote vrijheid om zelf te beslissen hoe ze hun leven inrichten. Vergeleken met de 26 andere EU-landen is dit aandeel vrij hoog (derde positie).

SDG 10.2   Ongelijkheid verminderen: financiële houdbaarheid

SDG 10 streeft naar het verminderen van ongelijkheid binnen en tussen landen. Voor de Nederlands beleidscontext zijn veel indicatoren toegevoegd, wat heeft geleid tot dit tweede dashboard voor deze SDG. Het behandelt de financiële houdbaarheid van onze welvaart en de financiële situatie van huishoudens. Zowel collectief als individueel worden schulden en vermogens opgebouwd. De financiële verplichtingen van overheid en huishoudens hebben effect op de brede welvaart van volgende generaties. Financiële systemen kunnen kwetsbaar blijken als ze worden geconfronteerd met vergrijzing, economische crises en globalisering, en met veranderingen in solidariteit tussen generaties en tussen bevolkingsgroepen.

Het beeld bij dit dashboard is gemengd, met vijf rode en vier groene trends. Bij slechts een indicator (groene druk) heeft Nederland een hoge positie binnen de EU.

SDG 10   Ongelijkheid verminderen: financiële houdbaarheid  

Middelen en mogelijkheden

33,1%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
13e
36,9%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
7e
9,1%
€ 161 006
100,3%
7,7%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
20e
15,4%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
10e

Gebruik

51%
14e
58,5
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart

Uitkomsten

54,5%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
13e
€ 101 459
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
22e
€ 198 200
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
€ 55 286
10e
89,80

Beleving

24,2%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart

Middelen en mogelijkheden betreffen de duurzame financiering van de welvaartstaat en de opbouw van pensioenen en vermogens zonder druk te leggen op toekomstige generaties. De demografische druk geeft inzicht in de verhouding tussen het werkende en het niet-werkende deel van de bevolking. De grijze druk (verhouding tussen 65‑plussers en 20–64‑jarigen) en de groene druk (verhouding tussen jongeren onder de 20 en 20–64‑jarigen) ontwikkelen zich – vooral in het afgelopen decennium – beide ongunstig voor houdbaarheid van brede welvaart op langere termijn. Nederland bevindt zich binnen de EU bij groene druk wel in de bovenste groep EU-landen. Zowel bij het aandeel van de overheids­uitgaven aan volksgezondheid als die aan sociale bescherming uitgedrukt als percentage van het bbp, is de trend neerwaarts. (Cijfers over 2020 zijn nog niet beschikbaar.) Vanuit het perspectief van houdbaarheid is dit gunstig en dus groen.

Pensioenvermogen dat is opgebouwd via pensioenfondsen is niet vrijelijk beschikbaar en niet overdraagbaar. Het draagt wel bij aan de financiële zekerheid van huishoudens. Het geraamde pensioenvermogen is daarom als indicator toegevoegd aan het dashboard. Het pensioenvermogen is geschat op basis van onder meer de levensverwachting en het verwachte rendement op de ingelegde pensioenpremie (gecorrigeerd voor inflatie). Het bedroeg in 2018 ruim 160 duizend euro gemiddeld per huishouden. Zou het pensioenvermogen bij hun overig vermogen opgeteld worden dan komt het overeen met bijna de helft van het totale vermogen van huishoudens.noot21

De dekkingsgraad van de pensioenfondsen, ofwel de verhouding van bezittingen (pensioenvermogen) en verplichtingen (pensioenaanspraken van alle deelnemers) geeft een indruk of de fondsen in staat zijn huidige en toekomstige pensioenen uit te keren. De actuele dekkingsgraad kwam in het vierde kwartaal van 2020 uit op 100,3 procent, tegen 104,0 procent eind 2019. De overheid hanteert in het kader van het toezicht op de pensioenfondsen een minimum beleidsdekkingsgraad, gerelateerd aan het gemiddelde van twaalf maandelijkse dekkingsgraden. Pensioenfondsen die hieronder komen moeten een herstelplan uitvoeren om de dekking te verbeteren. De beleidsdekkingsgraad lag volgens de Nederlandsche Bank eind 2020 op 95,0 procent (tegen 102,2 procent in 2019).

Gebruik betreft de onttrekking van middelen uit opgebouwde vermogens. Tegenover elke honderd deelnemers die in 2019 bij pensioenfondsen pensioenrechten opbouwden, stonden zo’n 58 personen die een uitkering van een pensioenfonds ontvingen. De trend van deze indicator is stijgend en rood door de vergrijzing. Overigens neemt het aantal zelfstandigen toe, en anders dan werknemers in loondienst zijn zij zelf verantwoordelijk voor hun pensioenvoorziening. Een deel van deze groep bouwt weinig of geen pensioen op, wat een extra risico vormt voor de toekomstige brede welvaart. Bij de indicator pensioenaanspraken is de trend omgeslagen van groen naar neutraal. Het te verwachten pensioen uit werk (geschat met het mediane brutopensioeninkomen van personen van 65–74 jaar) was in 2020 51 procent van het inkomen uit werk (benaderd door het mediane bruto-inkomen uit werk van 50–59 jarigen). Het gaat alleen om pensioen opgebouwd tijdens het werkzame leven, en is dus exclusief overheidspensioenvoorzieningen. (De eerste pijler van de pensioenen in Nederland is de overheid. Elke Nederlander ontvangt een basispensioen, de AOW. Dit is vastgelegd in de Algemene Ouderdomswet.)

Uitkomsten betreffen de omvang van opgebouwde schulden en de mate van duurzaamheid van financiële stelsels. Tegenover de schulden staan het spaargeld van huishoudens (chartaal geld en deposito’s) en hun niet-financiële bezittingen, zoals een woning. Nederlandse huishoudens hadden in 2019 gemiddeld iets meer dan een ton aan schuld. De trend is stijgend (omgeslagen van neutraal naar rood) en Nederland staat hiermee onderin de EU-ranglijst (22e van 24). Huishoudens met een lening voor een woning hebben gemiddeld een hypotheekschuld van bijna twee ton (in 2019). De hoogte van deze schulden neemt trendmatig toe (rood). Voor spaargeld is de trend neutraal; Nederland neemt in 2019 met gemiddeld 55 duizend euro per huishouden een middenpositie in binnen Europa.

De overheidsschuld als percentage van het bbp – de schuldquote – lag eind 2019 op nog geen 49 procent. Daarmee was deze belangrijke indicator voor de toestand van de overheids­financiën bijna 20 procentpunt lager dan op de top in 2014. Dit zorgde voor een relatief gunstige uitgangspositie toen de coronaregelingen (vooral de NOW en de TOZO) de uitgaven in 2020 sterk lieten oplopen. Verder kwam er minder geld in de staatskas door het verleende uitstel van betaling van belastingen, ook één van de coronasteunmaatregelen van het kabinet. De schuld nam in één jaar met 40 miljard euro toe, tot 435 miljard euro, oftewel 54,5 procent van het bbp. De formele Europese norm is maximaal 60 procent van het bbp, maar door de uitzonderlijke omstandigheden heeft de Europese Commissie de Europese begrotingsregels tijdelijk opgeschort.

Beleving heeft betrekking op onzekerheid over en vertrouwen in de toekomst. Het percentage mensen dat zegt zich veel zorgen te maken over zijn of haar financiële toekomst is opmerkelijk genoeg ook in 2020 afgenomen (de trend is groen), maar het is nog wel hoog. In 2020 kende bijna een kwart van de volwassen bevolking dergelijke zorgen.

SDG 11.1   Duurzame steden en gemeenschappen: wonen

SDG 11 richt zich op duurzaam wonen en leven in steden en gemeenschappen. De focus van dit dashboard ligt op adequate huisvesting. Een groot deel van het leven speelt zich af in en rond onze woning. Het hebben van kwalitatief goede, passende, veilige en betaalbare woonruimte verhoogt de brede welvaart. Naast gebondenheid aan de werklocatie en sociale relaties, bepaalt het aanbod van geschikte en betaalbare woningen in hoge mate waar mensen komen te wonen. Beweging op de woningmarkt is belangrijk voor starters en doorstromers. Daarnaast is er de beleving van het woongenot en de woonlasten; die heeft ook een duidelijk effect op brede welvaart.

Voor alle targets van SDG 11 is beleid geformuleerd. Hier zijn gezien de reikwijdte en variëteit aan subdoelen verschillende ministeries betrokken (BZK, EZK, IenW, LNV, OCW, VWS en BZ) (CBS, 2021a). Een belangrijk beleidsinitiatief in dit dashboard is het woningbeleid. Beleid dat samenhangt met de Omgevingswet, het erfgoed, mobiliteit (zie ook SDG 9), de (Europese) Agenda Stad, de City Deals en de Regio Deals, gaat verhoudingsgewijs meer over de leefomgeving, zie daarvoor het tweede dashboard van SDG 11.

Voor het thema wonen is de trend gemengd, met vijf negatieve trends tegenover vier positieve. Ook de internationale positie van Nederland is een mix van hoge en lage scores. Nederland presteert binnen de EU goed als het gaat om tevredenheid met de woonomgeving, ervaren woonlasten en de woonruimte die ter beschikking staat. Het aandeel van de totale woonkosten in het besteedbaar huishoudinkomen is vergeleken met andere EU-landen echter hoog.

SDG 11   Duurzame steden en gemeenschappen: wonen  

Middelen en mogelijkheden

456
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
111,5
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
18e
130,9
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
22e
1,00
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
22,3%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
23e

Gebruik

15,5%
4,8%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
4e
€ 198 200
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart

Uitkomsten

69,1%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
20e
10,0%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
3e
85,1%
18e

Beleving

18,5%
25e
87,5%
8e
85,9%
1e

Middelen en mogelijkheden betreffen de voorraad en de betaalbaarheid van koop- en huurwoningen. Het aantal beschikbare woningen per duizend inwoners kwam in 2020 uit op 456, en de trend is stijgend. Ondanks deze toename is er spanning op de woningmarkt, want de woningvoorraad voorziet nog niet in de totale behoefte. Door nieuwbouw groeide de woningvoorraad in 2020 met 69 duizend woningen. De woningvoorraad verandert ook door sloop, splitsing of samenvoeging van woningen en door transformatie van bestaande gebouwen. Dit laatste gebeurt bijvoorbeeld als een bedrijfspand wordt omgebouwd tot wooneenheden. In 2020 werden anders dan door nieuwbouw nog eens 23 duizend woningen toegevoegd aan de woningvoorraad.noot22 Op grond van prognoses van het Economisch Instituut voor de Bouw wordt verwacht dat de woningbouw in 2021 zal terugvallen. Vanaf 2019 is het aantal afgegeven bouwvergunningen relatief laag, onder invloed van de stikstof- en pfas-problematiek en later de coronacrisis.

De betaalbaarheid van woningen staat onder druk. Deze wordt gemeten aan de hand van zowel de prijsontwikkeling van de woninghuur als van de kosten van de aanschaf en het bezit van koopwoningen. Voor beide indicatoren is er sprake van een trendmatige stijging, dus een daling van de brede welvaart. Ook in 2020 kan voor beide indicatoren een dalende welvaart worden opgetekend. Ook de mediane ratio tussen de vraagprijs en de verkoopprijs is tussen 2015, de start van de meting, en 2020 trendmatig toegenomen. In 2020 was de mediane verkoopprijs wel, net als in 2019, gelijk aan de mediane vraagprijs. Internationaal gezien is de prijsindex voor uitgaven aan en bezit van een koopwoning vrij hoog, Nederland staat op een 22plaats op de ranglijst van 26 EU-landen in 2019. Met de prijsindex voor woninghuur staat Nederland in de middengroep (18e in 2020).

In 2020 ging ruim 22 procent van het inkomen op aan huisvesting. Bij dit aandeel, de woonquote, is de trend is omgeslagen van neutraal naar dalend. Dit is positief vanuit het perspectief van betaalbaarheid. In 2016 was de woonquote nog 24,7 procent. De woonquote is nog wel hoog in vergelijking met andere EU-landen (23e plaats in 2019).

Gebruik gaat over de koop- of huurwoningen die mensen hebben en over de kans op doorstroming. Scheefhuur kan op twee manieren worden gemeten: financieel (niet passend bij het inkomen) en fysiek (woonruimte niet passend bij de huishoudensgrootte). In 2018 bewoonde 15,5 procent van de huishoudens een sociale huurwoning met een huur die in verhouding tot het inkomen te laag was (goedkope scheefhuur). Er zijn niet genoeg datapunten om een trend te berekenen, maar wel is het aandeel in 2018 met 1 procentpunt gedaald ten opzichte van 2015. Bijna vijf procent van de bevolking had in 2020 naar internationale maatstaven een woning met te weinig kamers. Dit percentage neemt trendmatig toe, maar is nog altijd laag vergeleken met andere EU-landen (in 2019). Huishoudens met een woninghypotheek hadden in 2019 een gemiddelde hypotheekschuld van ruim 198 duizend euro. Dit was bijna 9 duizend euro meer dan aan het begin van de trendperiode in 2013. Dit betreft de volledige schuld waarover rente is verschuldigd. Opgebouwde tegoeden voor de aflossing van de hypotheek via kapitaalsverzekeringen, spaar-, beleggingshypotheken en dergelijke kunnen niet worden waargenomen en zijn daarop niet in mindering gebracht. Ook hier is de trend opwaarts (rood).

Uitkomsten betreffen de kwaliteit van de woning, de woonomgeving en ervaren woonlasten. De kwaliteit van woningen is over het algemeen goed: ruim 85 procent van de Nederlandse bevolking woonde in 2020 in een woning zonder ernstige gebreken als een lekkend dak, rottende raamkozijnen, of problemen met vochtige muren, vloeren of funderingen. Door één op de tien huis­houdens worden de woonlasten als erg zwaar ervaren. Dit gevoel is wel verminderd: de trend is groen. Vergeleken met andere EU-landen is dit percentage relatief laag (derde plaats in 2019). Bijna 70 procent van de bevolking woont in een koopwoning. Hoewel dat aandeel trendmatig toenam tussen 2013 en 2020, neemt Nederland binnen de EU een middenpositie in.

Beleving heeft betrekking op de tevredenheid van mensen met hun woning en hun woonomgeving. Met 87,5 en 85,9 procent is de tevredenheid van de volwassen bevolking met respectievelijk de woning en de woonomgeving in 2020 groot, voor beide is de uitkomst vrijwel gelijk aan die in 2019. Wel is het percentage huishoudens dat in het dichtbevolkte Nederland onaangenaamheden in de buurt ervaart relatief hoog (18,5 procent in 2020).

SDG 11.2   Duurzame steden en gemeenschappen: leefomgeving

SDG 11 heeft niet alleen betrekking op wonen (dashboard 11.1), maar ook op de omgeving waarin gewoond en geleefd wordt. De SDG is erop gericht de lokale leefomgeving veilig, betaalbaar, toegankelijk en duurzaam te maken. Er is veel druk op de leefomgeving en de beschikbare ruimte.

Hier zijn veel verschillende ministeries bij betrokken: BZK, EZK, IenW, LNV, OCW, VWS en BZ (CBS, 2021a). Er zijn ook veel raakvlakken met andere SDG’s, zoals 6, 9 en 13. Vanuit de overheid wordt gewerkt aan de Nationale Omgevingsvisie om vraagstukken met gevolgen voor de fysieke leefomgeving als verstedelijking, verduurzaming en klimaat­adaptatie in samenhang aan te pakken. Hierbij hoort de Nationale Omgevingswet die alle huidige wetten over de leefomgeving bundelt en naar verwachting op 1 januari 2022 in werking treedt. Verder zijn hier het erfgoedbeleid, mobiliteitsbeleid, de (Europese) Agenda Stad rond vraagstukken als snelle verstedelijking en de impact van verstedelijking op het milieu, de City Deals en de Regio Deals van belang. Weerbaarheid tegen rampen is terug te vinden in het beleid op integraal waterbeheer en bij klimaatadaptatie.

In dit tweede dashboard bij SDG 11 ligt de focus op de omgevingsfactoren: de hoeveelheid ruimte per persoon, afvalverwerking en overheidsuitgaven voor het milieu. Andere indicatoren betreffen stedelijke fijnstofconcentraties en slachtoffers van misdaad. Het beeld is gemengd. Bij de trend in Nederland ontwikkelen vijf indicatoren zich in de richting van het SDG-doel, en twee duiden op een verwijdering van het doel. Ten opzichte van andere EU-landen neemt Nederland overwegend een midden­positie of een plaats onderin de lijst in.

SDG 11   Duurzame steden en gemeenschappen: leefomgeving  

Middelen en mogelijkheden

2 387
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
26e
1,4%
2e

Gebruik

552
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
15e

Uitkomsten

0,95
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
13e
10,4
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
8e
13,7%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
14e
42,9
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart

Beleving

18,5%
25e
1,4%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart

Middelen en mogelijkheden betreffen de beschikbare ruimte en de uitgaven aan de bescherming van de kwaliteit van de leefomgeving. Omdat de bevolking van Nederland blijft toenemen, wordt de totale ruimte (land- en wateroppervlak) per inwoner bijna automatisch steeds kleiner. In 2020 was er per inwoner 89 m2 minder ruimte dan aan het begin van de trendperiode in 2013. Nederland is het op een na dichtstbevolkte land van de EU: alleen in Malta hebben mensen minder ruimte. Hierbij is overigens niet gekeken naar de toegankelijkheid of aantrekkelijkheid van de ruimte. Het CBS werkt momenteel in het kader van de Natuurlijk Kapitaalrekeningen aan aanvullende indicatoren om ruimtelijke druk te meten.

De overheidsuitgaven aan milieubescherming, uitgedrukt als percentage van het bbp, zijn redelijk constant en staan nu op 1,4 procent van het bbp. Nederland geeft verhoudingsgewijs veel uit aan milieubescherming, getuige de tweede plek van 24 EU-landen in 2019.

Gebruik gaat over hoe mensen hun leefomgeving gebruiken. Positief is dat gemeenten in de loop der jaren minder afval hoefden op te halen, de trend is dan ook groen. In 2013 ging het om 563 kg per persoon, in 2019 was dit 552 kg. Binnen Europa neemt Nederland echter een middenpositie in. Hierbij wordt aangetekend dat mogelijke verschillen in de soorten afval die gemeentelijke diensten in verschillende landen ophalen invloed kunnen hebben op de ranking.

Uitkomsten hebben betrekking op de kwaliteit en veiligheid van de leefomgeving. Er vinden omgerekend per inwoner steeds minder emissies van verzurende stoffen (zwaveloxide, stikstofoxide en ammonia) plaats, de trend is neerwaarts. De EU-richtlijn Nationale Emissieplafonds voor de uitstoot van verzurende stoffen stelt vanaf 2020 nieuwe regels voor het bepalen van de emissieplafonds en de toetsing van de emissies aan deze plafonds. Ook gunstig is de gestage en trendmatige afname van de stedelijke achtergrondconcentratie van fijnstof. Fijnstof is een verzamelbegrip en duidt op zwevende deeltjes in de lucht. In deze Monitor is de fijnere fractie van fijnstof opgenomen, namelijk PM2,5; dit zijn de deeltjes met een diameter kleiner dan 2,5 micrometer.

Een ander aspect van de leefomgeving is de natuur. De indicator stadsvogels is een maatstaf voor natuur in de stad. Met deze vogels gaat het niet goed: de stadse broedvogels zijn als groep sinds 1990 met méér dan de helft achteruitgegaan. Hoewel sommige vogelsoorten zich meer thuis voelen tussen mensen en bebouwing dan in het buitengebied, is de index flink gedaald. Dit wijst erop dat de stedelijke omgeving als broedplek voor stadsvogels minder geschikt is geworden. Het CBS werkt momenteel aan een revisie van deze indicator. De nieuwe uitkomsten zullen naar verwachting in het voorjaar van 2021 beschikbaar komen. Een Europese vergelijking is niet mogelijk voor deze indicator.

Voor wat betreft veiligheid in de leefomgeving geven steeds minder Nederlanders aan slachtoffer van een misdaad te zijn; de trend sinds 2013 is neerwaarts (groen). In 2019 ging het om 13,7 procent van de bevolking van 15 jaar en ouder. Dit was in 2013 nog bijna 20 procent.

Beleving gaat over hoe mensen hun leefomgeving ervaren. In 2019 voelde 1,4 procent van inwoners zich vaak niet veilig in de eigen buurt, en de trend sinds 2013 is dalend, dus groen. In vergelijking met andere EU-landen heeft een groot deel van de huishoudens last van onaangenaamheden als geluidsoverlast, vandalisme, criminaliteit en vervuiling in de directe woonomgeving. Het percentage was in 2020 (18,5 procent) wel wat minder hoog dan in 2019.

SDG 12   Verantwoorde consumptie en productie

SDG 12 concentreert zich op de transitie naar een circulaire economie met minder afhankelijkheid van grondstoffen. Het streven is efficiënter gebruik te maken van grondstoffen (waaronder hoogwaardig hergebruik van materialen), en het aanmoedigen van reductie en hergebruik van afval. Verder dient voedselverspilling tegengegaan te worden. Ten slotte worden bedrijven, overheid en consumenten aangespoord om bewuste keuzes te maken. Dit alles verlaagt de druk op het milieu en vermindert de afhankelijkheid van grondstoffen, en beperkt daarmee de negatieve gevolgen voor volgende generaties.

Het Nederlandse beleid dekt alle onderdelen van SDG 12. Het meeste beleid voor SDG 12 is opgesteld door de ministeries van IenW, EZK en LNV, maar er zijn ook beleidsstukken gemaakt vanuit BZK en BZ (CBS, 2021a). Het rijksbrede programma Circulaire Economie 2050noot23 (IenW) biedt de overkoepelende strategie, met bijdragen van bijvoorbeeld LNV (kringlooplandbouw) en EZK (verduurzaming van de Nederlandse basisindustrie). Daarnaast is er regio- en stedenbeleid (LNV, BZK) en draagt de rijksoverheid zelf bij via het beleid op maatschappelijk verantwoord inkopen (MVI). Het bedrijfsleven wordt aangemoedigd via maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo). Er zijn belangrijke dwarsverbanden tussen SDG 12 en met name SDG’s 2, 6, 7, 13 en 15.

Het beeld bij deze SDG voor de middellange termijn (2013–2020) is neutraal tot positief. Bij de trend in Nederland scoren vier indicatoren groen. Ook binnen de EU presteert Nederland tamelijk goed, met vier posities in de Europese voorhoede. Alleen bij de hoeveelheid gevaarlijk afval (omgerekend per inwoner) neemt Nederland een zeer lage positie in.

SDG 12   Verantwoorde consumptie en productie  

Middelen en mogelijkheden

2,4%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
10e
2,3%
88%
6e

Gebruik

9 505
3e
1 423
552
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
15e
299
21e

Uitkomsten

€ 4,42
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
1e
7,5
74,6%
56,9%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
4e
63,9%
7e
0,611

Beleving

14,2%
18e

Middelen en mogelijkheden gaan over de mogelijkheden om duurzaam te produceren en consumeren. Van de honderd bedrijven in Nederland met de hoogste omzet publiceerden er in 2020 bijna negentig een duurzaamheidsjaarverslag. Een dergelijk mvo-jaarverslag biedt inzicht in de mate waarin een bedrijf duurzaam produceert. Daarnaast is te zien dat het belang van de milieusector in de economie groter wordt. Bedrijven in deze sector produceren goederen en verlenen diensten die ten goede komen aan de bescherming van het milieu of het beheer van natuurlijke hulpbronnen. De trend in hun toegevoegde waarde is positief; in 2020 ging het om 2,4 procent van het bbp. De trend van de werkgelegenheid in de milieusector is neutraal, hier ging het in 2020 om 2,3 procent van de totale werkgelegenheid. In internationaal opzicht nam Nederland in 2018 nog wel een middenpositie in met betrekking tot de toegevoegde waarde van de milieusector.

Gebruik betreft de hoeveelheid grondstoffen en andere materialen die worden verbruikt en het afval dat wordt geproduceerd. De overheid wil het gebruik van abiotische grondstoffen tussen 2014 en 2030 halveren, en streeft naar een volledig circulaire economie in 2050. Bij het binnenlands materialenverbruik heeft in 2019 een trendomslag plaatsgevonden van groen naar grijs, omdat het verbruik recentelijk niet verder is gedaald; in dat jaar ging het om ruim 9 500 kg per inwoner. De internationale positie van Nederland is hier wel hoog: derde in de EU in 2019.

Ontkoppeling tussen afvalproductie en de economie is eveneens een beleidsdoel. Dit houdt in dat economische groei gepaard gaat met relatief of zelfs absoluut minder afvalproductie. De trend van de hoeveelheid gemeentelijk afval per inwoner is dalend. In 2019 ging het om ruim 550 kg. De hoeveelheden bedrijfsafval en gevaarlijk afval per inwoner blijven trendmatig stabiel: in 2019 produceerde Nederland ruim 1 400 kg bedrijfsafval en in 2018 bijna 300 kg aan gevaarlijk afval per inwoner. Het bedrijfsafval is recentelijk wel afgenomen (met ruim 4 procent ten opzichte van 2018). Bij gevaarlijk afval staat Nederland laag (rood), als 21e in de EU in 2018. Bij gemeentelijk afval staat Nederland midden op de Europese ladder, voor bedrijfsafval is geen internationale vergelijking gemaakt.

Uitkomsten gaan over efficiëntie van grondstoffengebruik en hergebruik van afval. Nederlandse producenten gaan steeds efficiënter om met de benodigde grondstoffen: de trend van de grondstoffenproductiviteit is groen en stijgend. Nederland voert in 2019 de EU-ranglijst aan. Bij de grondstoffenvoetafdruk – de totale hoeveelheid gebruikte grondstoffen per inwoner – is de trend neutraal. Het CBS werkt overigens aan het verbeteren van de methode om deze voetafdruk te berekenen.

De regering streeft naar halvering tussen 2012 en 2022 van de hoeveelheid afval die niet wordt gerecycled, gecomposteerd of in energie omgezet. In 2019 werd driekwart van het bedrijfsafval als product of als materiaal opnieuw gebruikt. Hierbij worden meestal recyclingbedrijven of handelaren in afval- en schroot ingeschakeld. Bij dit percentage zijn ook nuttige toepassingen van bedrijfsafval als funderingsmateriaal voor wegverharding of als afdekmateriaal op stortplaatsen inbegrepen, maar niet het gebruik van afval als (secundaire) brandstof met energieterugwinning.

Het hergebruik- en composteer­percentage van het gemeentelijk afval is verder gestegen, naar 56,9 procent. Van het gevaarlijk afval werd in 2018 ongeveer twee derde apart ingezameld. Nederland heeft bij de gescheiden inzameling van gemeentelijk afval en zelfs ook gevaarlijk afval al een aantal jaren een hoge Europese ranking. Voor recycling van bedrijfsafval is geen internationale vergelijking gemaakt.

De landvoetafdruk is een maatstaf voor het landgebruik ten behoeve van Nederlandse consumptie, ofwel de hoeveelheid land die wereldwijd nodig is om te voorzien in de Nederlandse consumptie door burgers en overheid. Bij groeiende bevolking en welvaart kan bijvoorbeeld de vraag naar biobrandstoffen toenemen. En als landbouwgrond onbruikbaar wordt door erosie, verzilting, verstedelijking of woestijnvorming zullen meer natuurlijke gebieden worden ontgonnen, met achteruitgang van de biodiversiteit tot gevolg. Het meest recente jaar waarvoor deze voetafdruk beschikbaar is, is 2017. Bij deze indicator zijn binnen de periode 2013–2020 niet genoeg datapunten beschikbaar om een trend te kunnen berekenen.

Beleving betreft de zorgen van mensen over vervuiling, verspilling, grondstoffenverbruik en andere aspecten van duurzaamheid. In 2020 ervoer ruim 14 procent van de volwassen bevolking hinder van afval, verontreiniging of andere milieuproblemen.

SDG 13   Klimaatactie

SDG 13 is gericht op de aanpak van door mensen veroorzaakte klimaatverandering. Daarbij ligt de focus op weerbaarheid en klimaatadaptatie, het uitvoeren van nationaal beleid met maatregelen om klimaatverandering tegen te gaan en bewustwording en capaciteitsopbouw ten aanzien van klimaatverandering. Dit beleid is afkomstig van de ministeries van IenW en EZK (CBS, 2021a). Het Klimaatakkoord en de daaruit voortvloeiende Klimaatwet vormen de kern. Daarnaast is er het Deltaprogramma, dat ten doel heeft Nederland te beschermen tegen overstromingen en de gevolgen van extreem weer. Het beleid hangt nauw samen met de inzet op hernieuwbare energie (SDG 7), circulariteit (SDG 12), kringlooplandbouw (SDG 2), industrie, infrastructuur en mobiliteit (SDG 9), stedelijke ontwikkeling (SDG 11) en water (SDG 6).

In dit dashboard ligt de focus op de vermindering van uitstoot van broeikas­gassen. Energiebesparing en hernieuwbare energie (zie SDG 7) dragen bij aan deze vermindering. Door goederen en diensten te importeren voor binnenlands verbruik, beïnvloeden Nederlandse economische activiteiten ook de uitstoot van broeikasgassen elders in de wereld.

Bij de middellangetermijntrend in Nederland (2013–2020) is het beeld overwegend neutraal tot positief. Alleen de cumulatieve CO2‑emissies ontwikkelen zich ongunstig vanuit het perspectief van brede welvaart. Het beeld bij de internationale vergelijking is minder florissant, ondanks de veelal positieve trends heeft Nederland in vergelijking met andere EU-landen voor meerdere indicatoren een plek in de achterhoede.

SDG 13   Klimaatactie  

Middelen en mogelijkheden

0,3%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart

Gebruik

9,5
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
23e
-24,5%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
18e
-8,5%
27e

Uitkomsten

7,7
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
13e
0,28
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
9e
14,4
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart

Beleving

76,8%
7e

Middelen en mogelijkheden hebben betrekking op de middelen die in Nederland worden ingezet om klimaatverandering tegen te gaan en de gevolgen ervan te ondervangen. De trend van de overheidsuitgaven gerelateerd aan het verminderen van de Nederlandse impact op het klimaat (klimaatmitigatie) is stijgend. In 2020 ging het om 0,3 procent van het bbp. Een internationale vergelijking is niet voorhanden.

Gebruik betreft de manieren waarop Nederland bijdraagt aan klimaatverandering. De Nederlandse bijdrage aan het mondiaal afgesproken doel de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder 2 graden Celsius en te streven naar 1,5 graden Celsius, kreeg vorm in het Klimaatakkoord van juni 2019. De nationale klimaatdoelen voor 2030 en 2050 zijn vastgelegd in de Klimaatwet. Voor 2030 geldt dat de uitstoot van broeikasgassen 49 procent lager dient te zijn dan in 1990. Tot voor kort was dit ambitieuzer dan de 40 procent reductie die voor Europa gold, maar op 11 december 2020 is door de EU besloten om de 2030‑reductiedoelstelling voor Europa te veranderen naar 55 procent. Voor 2050 is de Nederlandse reductiedoelstelling 95 procent en dient de elektriciteitsproductie 100 procent CO2‑neutraal te zijn.

In 2020 was de broeikasgasuitstoot 24,5 procent lager dan die in 1990, conform een eerste berekening (maart 2021) door CBS en RIVM/Emissieregistratie. Dit benadert de Urgenda-doelstelling: een afname van minimaal 25 procent tussen 1990 en 2020. Het verschil is klein en ligt binnen de onzekerheidsbandbreedte van de broeikasgasemissies. Mede dankzij een lager steenkoolverbruik in de elektriciteitssector en minder vervoersbewegingen in 2020 vanwege de coronacrisis slaat de trend om van neutraal naar groen. Het is een open vraag hoeveel hoger de uitstoot wordt zodra de beperkende maatregelen worden afgeschaald of opgeheven. De reductie sinds 1990 is met name bereikt door een halvering van de uitstoot van methaan en lachgas. In 2020 was de CO2‑uitstoot 14 procent lager dan in 1990; in 2019 was het nog 6 procent lager. De broeikasgasuitstoot per inwoner heeft een neerwaartse trend en was 9,5 ton in 2020. Deze trenddaling is positief, maar vergeleken met andere EU-landen is de uitstoot nog altijd hoog (23e van 27 landen).

Bedrijven met de hoogste uitstoot van broeikasgassen zijn verplicht deel te nemen aan het emissiehandels­systeem (EU ETS), een instrument waarmee de EU de uitstoot van broeikasgassen wil verminderen conform de afspraken in het Kyoto Protocol. Houders van emissierechten mogen een vastgestelde hoeveelheid broeikasgassen uitstoten. In 2020 moest de uitstoot van sectoren die vallen onder EU ETS 21 procent lager zijn dan in 2005. Voor ETS zijn er geen nationale doelstellingen. In 2019 was de ETS reductie voor de hele EU-27 33 procent. Dit is ruim voldoende om de EU doelstelling voor 2020 te halen. Nederland was in 2019 de hekkensluiter in Europa met een ETS reductie van slechts 8,5 procent.

Uitkomsten betreffen het geheel aan Nederlandse bijdragen aan de mondiale uitstoot van broeikasgassen. De indicator cumulatieve CO2‑emissies wordt berekend door, vanaf 1860, jaarlijks de som te nemen van de CO2‑uitstoot gedeeld door de som van het inwonertal. De hoeveelheid opgebouwde CO2‑emissies stijgt gestaag, omdat per inwoner nu meer wordt uitgestoten dan in het verleden. De cumulatieve CO2‑emissies geven een indicatie van het Nederlandse aandeel in de wereldwijde historische CO2‑uitstoot. De Nederlandse bijdrage aan deze uitstoot is relatief hoog, 13van 16 EU-landen. Bij de broeikasgasintensiteit van de economie – een maat voor de hoeveelheid uitstoot per euro bbp – daalt de trend, hetgeen positief is.

Bij de broeikasgasvoetafdruk is de trend eveneens dalend. Deze voetafdruk, een maatstaf voor de totale broeikasgas­emissies ten behoeve van de Nederlandse consumptie, kwam in 2020 uit op 14,4 ton CO2‑equivalenten per inwoner. Dit is duidelijk minder dan in 2019; de daling was 8,2 procent.

Beleving betreft de zorgen over het klimaat en de mate waarin mensen klimaatverandering als een probleem ervaren. Hierover is in de European Social Survey eenmalig een vraag gesteld, in 2016. Ruim driekwart van de Nederlandse bevolking maakte zich toen zorgen over klimaatverandering en de effecten daarvan. Daarmee scoorde Nederland gemiddeld van 17 EU-landen.

SDG 14   Leven in het water

SDG 14 richt zich op de bescherming van zeeën en oceanen, en op duurzaam gebruik van mariene hulpbronnen. Zeewater bedekt ongeveer driekwart van de planeet en vormt het grootste ecosysteem ter wereld. De toenemende negatieve effecten van klimaatverandering, overbevissing en vervuiling vormen een bedreiging voor de intrinsieke waarde van het ecosysteem zelf en voor het gebruik dat er van gemaakt wordt. Dit dashboard besteedt aandacht aan onder andere het voorkomen en verminderen van vervuiling van en de duurzaamheid van de visserij in de Noordzee.

Hoewel er veel meetgegevens voorhanden zijn over de verschillende mariene wateren van Nederland (een deel van de Noordzee, de Waddenzee en de zeearmen), zijn er vooralsnog weinig samenvattende indicatoren met een voldoende meetfrequentie, tijdigheid en onomstreden duiding die in de monitoring opgenomen kunnen worden. Omdat slechts weinig EU-landen grenzen aan de Noordzee is het ook niet goed mogelijk om een internationale vergelijking te maken. Dit jaar starten het CBS en Rijkswaterstaat een onderzoek naar het natuurlijk kapitaal van de Noordzee. Hierin ligt de nadruk op de ecosysteemdiensten die de Noordzee levert, en hun monetaire waarde. Ook wordt expliciet gekeken naar de biodiversiteit en milieukwaliteit van het gebied, en de druk hierop. Daarnaast is een pilotproject van start gegaan om data over het Waddenzeegebied te inventariseren, eveneens met het doel om de milieukwaliteit en biodiversiteit in dit gebied in indicatoren te vatten.

Beleidsmaatregelen voor SDG 14 zijn afkomstig van de departementen IenW en LNV (CBS, 2021a). De Beleidsnota Noordzee 2016–2021 bevat het overkoepelende beleid voor de Noordzee, waaraan veel internationale afspraken gekoppeld zijn. Er zijn veel dwarsverbanden met andere SDG’s: 2, 7, 12, 13 en 15. Zo richt het Akkoord voor de Noordzee zich op transities (natuur, voedsel, energie). Verduurzaming van de sector is een speerpunt van het Europese visserijbeleid. Het Kustpact is van belang voor klimaatadaptatie en het beleid op het tegengaan van zwerfvuil raakt circulariteit. Voor de Waddenzee geldt de Ontwerp Agenda voor het Waddengebied 2050.

SDG 14   Leven in het water  

Uitkomsten

45,5
16e
3
75,8%
16e
65,7

Middelen en mogelijkheden betreffen de omvang van het mariene areaal en de middelen die worden ingezet om het te onderhouden en beschermen. Een groot deel van de Neder­landse mariene wateren is beschermd gebied, desalniettemin vinden er nog veel activiteiten plaats. Zo wordt er langs de randen van de Doggersbank (een Natura 2000‑gebied) nog veel gevist. Omdat verschillende vormen van bescherming en gebruik elkaar overlappen, is niet overal de bescherming volledig geïmplementeerd. Daardoor is het nog niet mogelijk een eenduidig beeld van de ontwikkelingen hieromtrent te geven.

Gebruik betreft de benutting van de zee voor economische activiteiten en recreatie en natuur­beschermingsaspecten. Het Nederlandse mariene areaal wordt intensief gebruikt voor scheepvaart, visserij en recreatie. Daarnaast wordt een toenemend areaal van de Noordzee gebruikt voor de aanleg van windmolenparken en zijn er experimenten met andere vormen van duurzame energie. Op dit moment zijn voor deze verschillende vormen van gebruik geen indicatoren bekend die een beeld geven voor het gehele Nederlandse mariene areaal en die voldoen aan de kwaliteitseisen van deze publicatie.

Uitkomsten gaan over de kwaliteit van het zeewater en het natuurlijke leven in en rondom de Nederlandse mariene wateren. De duurzaamheid van bevissing is voor vier belangrijke soorten consumptievis bepaald door de huidige visstand te vergelijken met de duurzame visstand (de visstand die nodig is voor het in stand houden van een gezonde populatie). In 2019 gold voor drie van de vier vissoorten (haring, schol en tong) dat de populatie groot genoeg was om van een duurzame visstand te spreken; voor kabeljauw was dat niet het geval.

In 2020 was ruim driekwart van het zwemwater langs de Nederlandse kust van uitstekende kwaliteit. Nederland staat met de zwemwaterkwaliteit van het kustwater en de meer algemene ‘clean water index’ onderin de middengroep van de Europese ranglijst. Een – niet heel recente – indicator voor biodiversiteit van water en bodemleven inclusief zeevogels is de Trend fauna Noordzee. Het CBS hoopt deze indicator in het najaar van 2021 te actualiseren. Kijkend naar de reeks die beschikbaar is voor 1990–2015 blijkt de gemiddelde populatie-omvang van dieren in de open (offshore) Noordzee met bijna een derde te zijn achteruitgegaan. Van de in totaal 140 soorten in deze indicator namen er 57 significant af en 35 toe (in aantal). Vooral van de bodemfaunasoorten – met 85 soorten de grootste groep in deze indicator – nam het aantal af. De biodiversiteit van de diepe Noordzee staat dus onder druk.

Beleving heeft betrekking op de zorgen van mensen over de vervuiling van en het leven in zeeën en oceanen. Ook hiervoor zijn nog geen indicatoren beschikbaar.

SDG 15   Leven op het land

SDG 15 betreft bescherming, herstel en duurzaam beheer van alle vormen van leven op het land. Bescherming en herstel van ecosystemen en biodiversiteit kunnen de weer­baarheid versterken tegen toenemende bevolkingsdruk, intensivering van landgebruik en klimaat­verandering. Gezonde ecosystemen staan aan de basis van processen die grote invloed hebben op de brede welvaart, zoals de beschikbaarheid van schoon water en schone lucht, de aanwezig­heid van insecten voor bestuiving en de mogelijkheden voor ontspanning, recreatie en educatie. Natuur heeft een intrinsieke waarde voor de brede welvaart ‘hier en nu’ en voor toekomstige generaties. Het is tegelijkertijd een kritieke factor: als ecosystemen eenmaal verwoest zijn kan de schade onherstelbaar blijken.

Het beleid voor SDG 15 wordt vooral gemaakt op de departementen IenW en LNV, op onderdelen samen met BZ (CBS, 2021a). In het Klimaatakkoord staan doelen voor CO₂-reductie (en equivalenten daarvan als methaan en lachgas) voor landbouw en landgebruik. Het Nationaal Programma Landbouwbodems (NPL) is erop gericht dat in 2030 alle Nederlandse landbouwgrond duurzaam wordt beheerd, zodat de bodem optimaal kan functioneren en de kwaliteit zo hoog mogelijk is en blijft voor volgende generaties. Duurzaam beheerde bodems zijn ook van belang voor SDG 2, en het Klimaatakkoord raakt ook SDG 13.

In het dashboard is bij de trend in Nederland het beeld overwegend rood en grijs. Negatieve ontwikkelingen zijn zichtbaar bij indicatoren voor ruimte voor de natuur, en de biodiversiteitsindicatoren. Bij de internationale vergelijking is het beeld gemengd. Alleen de uitgaven voor milieu en voor milieubescherming zijn relatief hoog.

SDG 15   Leven op het land  

Middelen en mogelijkheden

1,4%
2e
2,3%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
4e
2 387
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
26e
907,6
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
14,8%
27e

Gebruik

20,7%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
1,2
12e
176,4
19e

Uitkomsten

71,4%
60,9%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
60,7
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
9e
83
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart

Beleving

14,2%
18e

Middelen en mogelijkheden betreffen de omvang van de natuurlijke ruimte en de middelen voor herstel en bescherming. De overheidsuitgaven aan milieubescherming waren in 2019 1,4 procent van het bbp. Nederland geeft hier relatief veel aan uit vergeleken met andere EU-landen. Ook de totale milieu-uitgaven (milieukosten en investeringen van overheden en bedrijfsleven) zijn relatief hoog vergeleken met andere EU-landen, maar deze dalen wel trendmatig. De beschikbare oppervlakte per persoon is op Malta na de kleinste van alle EU-landen en deze blijft dalen, de bevolking groeit immers nog. Nog geen 15 procent van het landoppervlak is bedekt met natuur en bos, waarmee Nederland van 26 EU-landen onderaan de ranglijst staat.

Een nieuwe indicator is het areaal ‘groen-blauwe ruimte, exclusief reguliere landbouw’ per inwoner. Deze indicator uit de Natuurlijk Kapitaalrekeningen heeft een dalende trend. Het totale areaal van deze ruimte in hectare laat tussen 2015 en 2018 overigens een kleine toename zien, die vrijwel geheel valt toe te schrijven aan akkers en grasland met een vorm van agrarisch natuurbeheer. Deze groei maskeert echter de afname in omvang van een groot aantal andere landschapseenheden als heggen, bomenrijen en hagen, en van bos in Nederland. Bij de indicator groen-blauwe ruimte is ervoor gekozen om zowel het oppervlak van de Noordzee als het areaal in gebruik voor reguliere landbouw niet mee te nemen. Zij zouden door hun omvang zo domineren dat de ontwikkeling bij alle andere landschapseenheden niet meer zichtbaar zou zijn. Daarnaast is het niet representatief voor de beschikbare ruimte per inwoner om de gehele Noordzee mee te rekenen. Het oppervlak van de Waddenzee en het IJsselmeer is wel meegeteld, dit verklaart het relatief hoge aantal vierkante meters per inwoner.

Gebruik betreft de bescherming en benutting van de natuurlijke ruimte en haar ecosystemen en de druk op het natuurlijke systeem door menselijke activiteiten. Natuur wordt in Nederland beschermd binnen het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Het NNN omvat bestaande en nieuw aan te leggen natuur, en bevat zowel de nationale parken en de Natura 2000‑gebieden als agrarisch natuurbeheer en terrein aangekocht voor natuurontwikkeling. Eind 2019 besloeg het NNN-areaal 20,7 procent van het land­oppervlak. Het areaal neemt trendmatig toe, inmiddels is ruim 41 duizend hectare gerealiseerd van de beoogde 80 duizend hectare extra natuur in 2027.

Een teveel aan fosfor en stikstof, vooral afkomstig uit de landbouw, heeft negatieve gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater en ecosystemen zoals heide, bos en duinen. Het stikstofoverschot, dat wil zeggen het deel van de stikstof uit mest dat niet door landbouwgewassen wordt opgenomen maar uitspoelt naar bodem en grond- en oppervlaktewater, was in Nederland het hoogst vergeleken met 18 andere EU- landen in 2017.

Uitkomsten hebben betrekking op de kwaliteit van ecosystemen en biodiversiteit. Nederland is het tweede landbouwexportland ter wereld. Die productie heeft een keerzijde: een zeer hoge depositie van stikstof. Daar waar de neerslag van stikstof groter is dan de natuurlijke vegetatie aankan, is sprake van een overschrijding van de kritische depositiewaarde. Natuur die hieraan blootgesteld wordt, wordt in haar voort­bestaan bedreigd en specifieke soorten zullen verdwijnen. In Nederland werd in 2018 bij ruim 71 procent van alle landnatuur de kritische depositiewaarde overschreden.noot24 De trend is neutraal, maar het percentage is hoog.

De indicator voor boerenlandvogels (weide-, akker- en erfvogels) geldt als maat voor de kwaliteit van het agrarisch gebied. De trendmatige daling duidt op minder goede leefomstandigheden voor deze soorten. Deze index is in 2019 bijna veertig procent lager dan in het startjaar (2000=100). Vogels die zich wel goed handhaven zijn overigens de ganzen, maar deze behoren niet tot de kenmerkende boerenlandvogels. De rode-lijstindicator geeft aan dat 60,9 procent van de soorten (verdeeld over zeven soortgroepen dieren en hogere planten) in Nederland niet wordt bedreigd, maar dat de trend rood is: het aandeel bedreigde soorten nam tussen 2013 en 2020 dus trendmatig toe. Ook met de fauna van het land gaat het niet goed: de trend is hier eveneens rood. In 2019 was deze index 17 procent lager dan in het basisjaar 1990.

Beleving gaat over de beleving van de kwaliteit van de natuurlijke ruimte en zorgen over vervuiling en de verdwijning van soorten. In 2020 had 14,2 procent van de bevolking last van vuil en verontreiniging of andere milieuproblemen. Dit is een kleine daling ten opzichte van 2019. Binnen Europa neemt Nederland een middenpositie in.

SDG 16.1   Vrede, justitie en sterke publieke diensten: veiligheid en vrede

SDG 16 richt zich op het bevorderen van een vreedzame en veilige samenleving. De doelen betreffen zowel veiligheid en vrede als instituties. Dit eerste dashboard (16.1) gaat over veiligheid en vrede; instituties komen aan bod in een tweede dashboard bij deze SDG (16.2). Bij veiligheid en vrede hoort het terugdringen van alle vormen van geweld en de sterfte die hiervan het gevolg is. Speciale aandacht gaat uit naar geweld tegen kinderen en naar georganiseerde misdaad. In een veilige samenleving heeft iedereen toegang tot het rechtssysteem, en wordt corruptie tegengegaan. Het ervaren van onveiligheid – met de daarmee samengaande gevoelens van kwetsbaarheid en onzekerheid – kan een grote impact hebben op het persoonlijke leven. (On)veiligheid heeft daarom, zowel objectief als subjectief, effect op de brede welvaart ‘hier en nu’. Het leger, de politie en justitie hebben de taak om de veiligheid te vergroten en te handhaven, preventief en via het rechtssysteem. Vertrouwen van burgers in deze instanties kan het gevoel van veiligheid vergroten.

Het Nederlandse beleid dekt SDG 16 grotendeels. De meeste beleidsmaatregelen en -voornemens op het gebied van deze SDG zijn opgesteld door de ministeries van JenV en BZK. Ook de departementen SZW, VWS, OCW en BZ hebben beleid geformuleerd voor onderdelen van SDG 16. De belangrijkste inzet vindt plaats in het kader van het beleid op veiligheid en tegen ondermijning. Daarnaast is er aandacht voor rechtstoegang (CBS, 2021a).

Het beeld bij dit dashboard is voor de trendmatige ontwikkelingen positief. De meeste indicatoren wijzen op een stabiele of toenemende welvaart. Bij de Nederlandse positie op de Europese ranglijst is het beeld meer gemengd. Bij drie indicatoren neemt Nederland een koppositie in, met twee andere staat Nederland laag op de EU-ranglijst. Niet voor alle indicatoren in dit dashboard kan overigens een internationale vergelijking gemaakt worden.

SDG 16   Vrede, justitie en sterke publieke diensten: veiligheid en vrede  

Middelen en mogelijkheden

1,8%
8e
1,3%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
10e
288
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
20e

Gebruik

65
4e
10,5%
21e

Uitkomsten

0,6
5e
46,4
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
13,7%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
14e
13,0%
9,6
11,0%
2,0%

Beleving

1,81
5e
1,4%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
2,1%

Middelen en mogelijkheden hebben in deze context betrekking op de middelen die worden ingezet om een eerlijke rechtsgang en de nationale veiligheid te garanderen. De overheids­uitgaven aan openbare orde en veiligheid laten geen dalende tendens meer zien: de trend is omgeslagen van rood naar grijs. Bij de uitgaven aan landsverdediging is er eveneens een omslag, van neutraal naar een stijgende (ofwel groene) trend. Nederland neemt bij beide indicatoren in Europa een middenpositie in. De operationele sterkte van de politie, omgerekend per inwoner, neemt af. Het aantal agenten dat direct contact heeft met burgers en/of direct bijdraagt aan kerntaken, is na een piek van 307 vte per 100 duizend inwoners in 2013 afgenomen naar 288 vte in 2020. Dit is weinig (20e plaats) in vergelijking met 24 andere EU-landen.

Gebruik betreft voor deze SDG het aantal mensen dat in aanraking komt met of een beroep doet op justitie. Het aantal personen in gevangenissen, penitentiaire en tucht­instellingen is in internationaal perspectief relatief laag. Wel is de trend omgeslagen van groen (dalend) naar neutraal; het aantal is in 2018 gestegen naar 65 per 100 duizend inwoners. Het aantal minderjarige verdachten (als percentage van alle verdachten) dat in beeld is gekomen bij de politie is vergeleken met andere EU-landen juist hoog (21e van 24 in 2018). Het percentage schommelt al jaren rond 10 à 11 procent.

Uitkomsten betreffen misdrijven die worden gepleegd en het aantal slachtoffers daarvan. Steeds minder Nederlanders geven te kennen slachtoffer te zijn geweest van traditionele vormen van criminaliteit zoals geweld, inbraak, diefstal en vernieling: 13,7 procent van de bevolking van 15 jaar of ouder in 2019. Dit was nog 19,8 procent in 2013, het begin van de trendperiode. De politie registreerde ook minder van deze misdrijven: 46,4 misdrijven per 100 duizend inwoners in 2020 vergeleken met 65,9 in 2013. Bij beide indicatoren is de trend groen ofwel neerwaarts. Het slachtofferschap van misdaad is internationaal gezien gemiddeld. Slachtofferschap van cybercrime (digitale vormen van identiteitsfraude, koop- en verkoopfraude, hacken en cyberpesten) dat apart wordt geregistreerd, stond op 13 procent in 2019. Een deel van de criminaliteit blijft overigens buiten beeld van registraties. Zo wordt niet altijd aangifte gedaan, maar kan ook per land enigszins verschillen welke delicten worden geregistreerd. Nieuwe cijfers over slachtofferschap zijn voor deze Monitor niet voorhanden, het betreft namelijk een tweejaarlijkse enquête.

Op mensenhandel is moeilijk zicht te krijgen daar veel slachtoffers niet in beeld komen bij instanties. Dit maakt de datakwaliteit onvoldoende voor bepaling van een trend. De in de Monitor opgenomen data van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel betreffen geregistreerde slachtoffers.noot25 Met 1 661 slachtoffers (9,6 per 100 duizend inwoners) waren dat er in 2019 fors meer dan in 2018, toen met 780 het laagste aantal sinds de start van de meting in 2009 bereikt werd. Er zijn aanwijzingen dat maar een relatief klein deel van de slachtoffers in beeld komt bij instanties. De Nationaal Rapporteur heeft namelijk samen met experts op het gebied van omvangschattingen van verborgen populaties en met UNODC voor 2017 een eerste betrouwbare schatting gemaakt van de totale populatie van slachtoffers van mensenhandel. Hieruit bleek dat er in Nederland vermoedelijk jaarlijks tussen de 5 000 en 7 500 slachtoffers van mensenhandel zijn.

Het aandeel jonge mannen dat zich geconfronteerd zag met seksueel grensoverschrijdend gedrag was bij de laatste meting van het Rutgers Kenniscentrum Seksualiteitnoot26 in 2017 2 procentpunt lager dan bij de voorlaatste meting in 2012, dit is een halvering. Bij de jonge vrouwen was er in 2017 een afname van 6 procentpunt ten opzichte van de vorige meting in 2012, het percentage daalde daar van 17 naar 11 procent. De meetfrequentie van deze indicator is te laag om een trend te bepalen. Ook zijn er geen internationale gegevens beschikbaar.

Beleving heeft betrekking op het vertrouwen in justitie en politie en het gevoel van veiligheid. Het vertrouwen in de rechtstaat is een van de zes aspecten van deugdelijk bestuur die worden gemeten met de Worldwide Governance Indicators van de Wereldbank. Nederlanders hebben relatief veel vertrouwen in het rechtssysteem, waaronder de politie en de rechtbanken. Alleen in de Scandinavische landen en Oostenrijk is het vertrouwen groter.

Er is sprake van een duidelijke afname bij het percentage mensen dat zich vaak onveilig voelt in de eigen buurt; deze trend is groen.

SDG 16.2   Vrede, justitie en sterke publieke diensten: instituties

Naast veiligheid en vrede (zie vorige dashboard) heeft SDG 16 ook betrekking op instituties. Het gaat daarbij om verantwoording en transparantie op elk niveau, met inclusieve en representatieve besluitvorming. Ook publieke toegang tot informatie en bescherming van fundamentele vrijheden zijn belangrijke doelen binnen SDG 16. Doeltreffende, verantwoordelijke en transparante instituties zijn essentieel voor het ontwikkelen, maar ook het behouden van brede welvaart. De kwaliteit van deze instellingen bepaalt mede de samenhang en effectiviteit van beleid. In een open en democratische samenleving is het ook belangrijk dat instituties verantwoording afleggen; vertrouwen van burgers in de overheid bevordert tenslotte de actieve participatie van burgers in de samenleving.

In dit tweede dashboard van SDG 16 zijn relatief veel extra indicatoren toegevoegd ten bate van de Nederlandse beleidscontext. Het meeste beleid op het gebied van SDG 16 is opgesteld door de ministeries van JenV en BZK. Ook de departementen SZW, VWS, OCW en BZ hebben beleid voor onderdelen van SDG 16 geformuleerd. Voor instituties betreft dit in het bijzonder de openheid van de overheid en toegankelijkheid van overheidsdiensten (CBS, 2021a).

Het beeld bij dit dashboard is voor de trendmatige ontwikkelingen minder gunstig, met drie rode tegen één groene trend en twee trendomslagen van groen naar stabiel. Vergeleken met andere Europese landen scoort Nederland op het gebied van deze SDG echter erg goed: met vrijwel alle indicatoren staat Nederland bovenin de EU-ranglijst.

SDG 16   Vrede, justitie en sterke publieke diensten: instituties  

Middelen en mogelijkheden

4,1%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart