Foto omschrijving: Bezoekers bekijken oldtimer tijdens tentoonstelling.

Ongelijkheid in financiële welvaart

Hoe ontwikkelde zich de ongelijkheid in inkomen en in vermogen gedurende de crisisjaren en daarop volgende jaren van economische voorspoed? Welke rol speelt de herverdeling via sociale uitkeringen, belastingen en premies in de inkomens­ongelijkheid? Wat zijn de regionale verschillen in inkomens- en vermogens­ongelijkheid? En in hoeverre verschillen huishoudens in financiële welvaart, afgemeten aan een samenvoeging van inkomens- en vermogensgegevens?

7.1Inkomensongelijkheid

Het primaire inkomen, het inkomen dat huishoudens ontvangen uit arbeid en kapitaal, wordt door de overheid herverdeeld door de heffing van premies en belasting en de verstrekking van uitkeringen en toelagen. Doel hiervan is te komen tot een gelijkmatigere inkomensverdeling: huishoudens met geen of weinig primair inkomen, zoals ouderen die gestopt zijn met werken of werklozen, krijgen compensatie via de inkomensherverdeling. Uit het proces van inkomens­verwerving en -herverdeling resulteert het besteedbaar inkomen. In hoofdstuk 2 en in Bos, Van den Brakel en Otten (2018) staat meer uitleg over de inkomenscomponenten.

7.1.1 Samenstelling inkomens van huishoudens + 1. Inkomen als werk- nemer 2. Inkomen als zelf- 3. Inkomen uitvermogen standige 5. Uitkering inkomens- verzekeringen 6. Uitkering sociale verzekeringen 7. Ontvangen gebonden overdrachten 8. Ontvangen inkomens- overdrachten 10. Betaalde inkomens- overdrachten 14. Besteedbaar inkomen 11. Premies inkomens- verzekeringen 12. Premies ziektenkosten verzekeringen 13. Belastingen 4. Primair inkomen 9. Bruto inkomen

Primair inkomen ongelijker dan besteedbaar inkomen

Het maakt veel uit hoeveel mensen binnen een huishouden van een bepaald inkomen moeten leven. Het heeft dan ook weinig zin om inkomensongelijkheid te bepalen zonder rekening te houden met de omvang van het huishouden. Om de inkomens van huishoudens van verschillende grootte en samenstelling vergelijkbaar te maken, worden ze gestandaardiseerd (zie Bijlage A). Uit de Lorenz-curvennoot1 is in een oogopslag duidelijk dat de verschillen in het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen kleiner zijn dan in het gestandaardiseerd primair inkomen: de Lorenz curve van het primair inkomen ligt immers verder van de gelijkheidslijn af. De Gini-coëfficiënt, de meest gangbare maat voor het meten van ongelijkheid (zie kader), is gerelateerd aan de Lorenz-curve en is gelijk aan twee keer het oppervlak tussen de gelijkheidslijn en de curve. De Gini-coëfficiënt was in 2018 gelijk aan 0,55 voor het primair inkomen. Voor het bruto inkomen was dat 0,36 en voor het besteedbaar inkomen 0,29.

Meten van ongelijkheid

In deze publicatie wordt de inkomens- en vermogensongelijkheid afgemeten aan de genormaliseerde Gini-coëfficiënt. Deze maatstaf is gepubliceerd ruim een eeuw nadat Corrado Gini in 1912 zijn inmiddels alom gebruikte Gini-coëfficiënt introduceerde. De genormaliseerde Gini-coëfficiënt houdt, anders dan de traditionele Gini-coëfficiënt, rekening met (veel) negatieve waarden in een verdeling (zie Bos et al., 2018). Op een schaal van 0 tot 1 geeft de genormaliseerde Gini-coëfficiënt weer hoe groot de ongelijkheid is, waarbij 0 staat voor volkomen gelijke huishoudens (iedereen heeft evenveel) en 1 voor volkomen ongelijke (één huishouden heeft alles).

7.1.2 Lorenz-curven gestandaardiseerde inkomens, 2018* (Cumulatief inkomensaandeel (%))
Populatieaandeel (%) Gelijk inkomen Primair inkomen Bruto inkomen Besteedbaar inkomen
0 0 0 0 0
1 1 -0,14 -0,02 -0,13
2 2 -0,15 0,07 -0,03
3 3 -0,15 0,22 0,15
4 4 -0,15 0,43 0,42
5 5 -0,15 0,69 0,75
6 6 -0,15 1 1,13
7 7 -0,15 1,32 1,55
8 8 -0,15 1,67 1,99
9 9 -0,15 2,03 2,45
10 10 -0,15 2,4 2,93
11 11 -0,15 2,78 3,41
12 12 -0,15 3,16 3,91
13 13 -0,15 3,56 4,42
14 14 -0,15 3,96 4,95
15 15 -0,15 4,37 5,48
16 16 -0,14 4,79 6,02
17 17 -0,14 5,22 6,58
18 18 -0,13 5,65 7,15
19 19 -0,11 6,1 7,73
20 20 -0,07 6,55 8,32
21 21 -0,01 7,01 8,92
22 22 0,07 7,49 9,53
23 23 0,16 7,97 10,15
24 24 0,27 8,46 10,79
25 25 0,39 8,96 11,43
26 26 0,52 9,48 12,08
27 27 0,66 10 12,73
28 28 0,81 10,54 13,4
29 29 0,96 11,09 14,08
30 30 1,14 11,65 14,76
31 31 1,32 12,22 15,46
32 32 1,51 12,81 16,16
33 33 1,72 13,4 16,87
34 34 1,94 14,01 17,6
35 35 2,18 14,64 18,33
36 36 2,44 15,27 19,07
37 37 2,74 15,92 19,83
38 38 3,06 16,58 20,59
39 39 3,43 17,26 21,37
40 40 3,83 17,95 22,15
41 41 4,27 18,66 22,95
42 42 4,75 19,38 23,75
43 43 5,28 20,11 24,57
44 44 5,84 20,86 25,4
45 45 6,44 21,62 26,24
46 46 7,08 22,39 27,08
47 47 7,76 23,18 27,94
48 48 8,48 23,98 28,81
49 49 9,23 24,8 29,69
50 50 10,01 25,63 30,58
51 51 10,82 26,48 31,49
52 52 11,67 27,34 32,4
53 53 12,55 28,22 33,32
54 54 13,47 29,11 34,26
55 55 14,41 30,01 35,2
56 56 15,38 30,94 36,16
57 57 16,39 31,87 37,12
58 58 17,42 32,82 38,1
59 59 18,48 33,79 39,09
60 60 19,57 34,77 40,1
61 61 20,69 35,77 41,11
62 62 21,83 36,78 42,14
63 63 23,01 37,81 43,17
64 64 24,21 38,86 44,22
65 65 25,44 39,92 45,29
66 66 26,7 41 46,36
67 67 27,98 42,1 47,45
68 68 29,3 43,22 48,55
69 69 30,64 44,35 49,66
70 70 32,01 45,51 50,78
71 71 33,41 46,68 51,92
72 72 34,84 47,87 53,08
73 73 36,3 49,08 54,25
74 74 37,79 50,32 55,43
75 75 39,32 51,57 56,63
76 76 40,87 52,85 57,84
77 77 42,46 54,15 59,07
78 78 44,09 55,48 60,32
79 79 45,75 56,83 61,59
80 80 47,44 58,21 62,87
81 81 49,18 59,61 64,18
82 82 50,95 61,04 65,5
83 83 52,77 62,51 66,85
84 84 54,63 64 68,21
85 85 56,54 65,53 69,61
86 86 58,5 67,1 71,03
87 87 60,5 68,7 72,47
88 88 62,57 70,34 73,95
89 89 64,69 72,03 75,46
90 90 66,88 73,77 77,01
91 91 69,15 75,56 78,6
92 92 71,49 77,42 80,23
93 93 73,93 79,35 81,91
94 94 76,47 81,36 83,66
95 95 79,15 83,47 85,49
96 96 81,99 85,71 87,41
97 97 85,04 88,12 89,47
98 98 88,4 90,78 91,74
99 99 92,34 93,91 94,39
100 100 100 100 100

Net als de Lorenz-curve is de parade van reuzen en dwergen, in 1971 geïntroduceerd door de Nederlandse econoom Jan Pen, ook een sprekende manier om de inkomensverdeling in kaart te brengen. In de parade van Pen komen huishoudens op volgorde van de hoogte van hun inkomen in één uur tijd voorbij. De lengte van de huishoudensleden is evenredig gemaakt aan hun inkomen, waarbij het gemiddelde huishoudensinkomen overeen komt met de gemiddelde lengte in Nederland (1,74 meter). Zie Inkomensparade van Pen.

Lichte daling van ongelijkheid in primair inkomen na 2014

De ongelijkheid in primair inkomen liep tussen 2011 en 2014 licht op: de Gini-coëfficiënt ging omhoog van bijna 0,55 naar 0,57. Die stijging komt voor rekening van de toegenomen vergrijzing in combinatie met de conjuncturele neergang in die jaren (zie Van den Brakel en Otten, 2017). Door de vergrijzing kwamen er steeds meer AOW’ers en door de verslechterde economie groeide de groep met een werkloosheids- of bijstandsuitkering. Dit had tot gevolg dat er steeds meer huishoudens rond moesten komen van geen of een gering primair inkomen, waardoor de inkomensongelijkheid toenam. De toename in 2014 komt vooral door een fiscale maatregel die het voor directeur-grootaandeelhouders aantrekkelijk maakte zich in dat jaar veel dividend uit te keren. Met het herstel van de economie vanaf 2014 nam de ongelijkheid in primair inkomen iets af, doordat de groep uitkeringsontvangers weer kromp.

Ongelijkheid in besteedbaar inkomen vrijwel onveranderd

De ongelijkheid van het besteedbaar inkomen bleef tussen 2011 en 2018 vrij stabiel: door de inkomensherverdeling werden de veranderingen in de primaire-inkomensongelijkheid teniet gedaan. Uitgezonderd de uitschieter in 2014 en in mindere mate in 2017 was de Gini-coëfficiënt steeds 0,29. De weliswaar bescheiden piek in 2017 had te maken met een afkoopregeling voor pensioen in eigen beheer(zie hoofdstuk 3). Ook in het eerste decennium van deze eeuw veranderde de ongelijkheid van het besteedbaar inkomen vrijwel niet (Bos et al., 2018).

7.1.3 Ongelijkheid gestandaardiseerd inkomen (Gini-coëfficiënt)
Primair inkomen Besteedbaar inkomen
'11 0,546 0,286
'12 0,551 0,288
'13 0,555 0,288
'14 0,566 0,302
'15 0,556 0,288
'16 0,555 0,289
'17 0,554 0,296
'18* 0,548 0,288

Herverdelend effect AOW-uitkeringen het grootst

Door herverdeling zakte de Gini-coëfficiënt in 2018 van 0,55 (primair inkomen) naar 0,29 (besteedbaar inkomen). Dit komt neer op een reductie van de primaire-inkomensongelijkheid met ruim 47 procent. AOW-uitkeringen en aanvullende pensioenen zorgden samen voor de grootste afname in de ongelijkheid in het primair inkomen: met respectievelijk bijna 17 procent en bijna 13 procent.noot2 Andere sociale uitkeringen speelden een kleinere rol. Premies en belastingen bewerkstelligden een reductie van nog eens ruim 12 procent.

Terwijl AOW-uitkeringen sinds 2011 door de vergrijzing een steeds groter aandeel kregen in de ongelijkheidsreductie, werd dat voor aanvullende pensioenen juist iets kleiner (CBS, 2019). Dit komt doordat aanvullende pensioenen niet of beperkt geïndexeerd werden.

7.1.4 Reductie ongelijkheid primair inkomen, 2018*
Aandeel in ongelijkheid
AOW-verstrekking 16,6
Aanvullend pensioenen 12,5
Overige sociale uitkeringen 6
Premie- en belastingheffing 12,3
Besteedbaar inkomen 52,6

Meeste inkomensongelijkheid in rijke gemeenten

In gemeenten met een gemiddeld hoog gestandaardiseerd besteedbaar inkomen, zoals Bloemendaal, Blaricum en Wassenaar (CBS StatLine, 2019a), ligt de inkomensongelijkheid met een Gini-coëfficiënt van bijna 0,50 ver boven de landelijke van 0,29. Echter niet alleen in rijke gemeenten, maar ook in studentensteden, inclusief de vier grote steden, lopen de inkomens vaak bovenmatig uiteen. Daar is relatief veel verschil tussen het doorgaans geringe inkomen van studentenhuishoudens en dat van andere inwoners.

In gemeenten met relatief veel ouderen met overwegend lage inkomens liggen de inkomens doorgaans juist dicht bij elkaar. Zo hebben vergrijsde gemeenten in de regio Parkstad Limburg, zoals Brunssum en Kerkrade, een naar verhouding kleine ongelijkheid. Ook in andere gemeenten zoals Pekela en Stadskanaal is de ongelijkheid om die reden beperkt.

7.1.5 Ongelijkheid (Gini-coëfficiënt) inkomen, 2018*
Gini-coëfficiënt
Appingedam 0,24
Delfzijl 0,24
Groningen 0,37
Loppersum 0,24
Almere 0,26
Stadskanaal 0,23
Veendam 0,23
Zeewolde 0,28
Achtkarspelen 0,22
Ameland 0,26
Harlingen 0,25
Heerenveen 0,26
Leeuwarden 0,28
Ooststellingwerf 0,24
Opsterland 0,25
Schiermonnikoog 0,3
Smallingerland 0,24
Terschelling 0,33
Vlieland 0,32
Weststellingwerf 0,24
Assen 0,24
Coevorden 0,25
Emmen 0,24
Hoogeveen 0,23
Meppel 0,25
Almelo 0,25
Borne 0,24
Dalfsen 0,24
Deventer 0,26
Enschede 0,3
Haaksbergen 0,23
Hardenberg 0,23
Hellendoorn 0,23
Hengelo 0,25
Kampen 0,24
Losser 0,24
Noordoostpolder 0,25
Oldenzaal 0,24
Ommen 0,25
Raalte 0,23
Staphorst 0,24
Tubbergen 0,25
Urk 0,25
Wierden 0,25
Zwolle 0,28
Aalten 0,22
Apeldoorn 0,27
Arnhem 0,3
Barneveld 0,27
Beuningen 0,25
Brummen 0,26
Buren 0,27
Culemborg 0,25
Doesburg 0,25
Doetinchem 0,25
Druten 0,25
Duiven 0,24
Ede 0,27
Elburg 0,23
Epe 0,27
Ermelo 0,28
Harderwijk 0,25
Hattem 0,27
Heerde 0,24
Heumen 0,26
Lochem 0,28
Maasdriel 0,27
Nijkerk 0,27
Nijmegen 0,34
Oldebroek 0,24
Putten 0,27
Renkum 0,29
Rheden 0,28
Rozendaal 0,37
Scherpenzeel 0,23
Tiel 0,25
Voorst 0,26
Wageningen 0,41
Westervoort 0,23
Winterswijk 0,25
Wijchen 0,25
Zaltbommel 0,27
Zevenaar 0,23
Zutphen 0,25
Nunspeet 0,25
Dronten 0,26
Amersfoort 0,28
Baarn 0,36
De Bilt 0,33
Bunnik 0,26
Bunschoten 0,24
Eemnes 0,26
Houten 0,26
Leusden 0,26
Lopik 0,25
Montfoort 0,26
Renswoude 0,26
Rhenen 0,28
Soest 0,28
Utrecht 0,34
Veenendaal 0,25
Woudenberg 0,24
Wijk bij Duurstede 0,25
IJsselstein 0,26
Zeist 0,36
Nieuwegein 0,24
Aalsmeer 0,3
Alkmaar 0,25
Amstelveen 0,34
Amsterdam 0,37
Beemster 0,28
Bergen (NH.) 0,35
Beverwijk 0,25
Blaricum 0,47
Bloemendaal 0,45
Castricum 0,28
Diemen 0,33
Edam-Volendam 0,26
Enkhuizen 0,27
Haarlem 0,29
Haarlemmermeer 0,27
Heemskerk 0,25
Heemstede 0,34
Heerhugowaard 0,23
Heiloo 0,28
Den Helder 0,23
Hilversum 0,32
Hoorn 0,25
Huizen 0,3
Landsmeer 0,3
Langedijk 0,25
Laren 0,44
Medemblik 0,25
Oostzaan 0,26
Opmeer 0,24
Ouder-Amstel 0,31
Purmerend 0,24
Schagen 0,25
Texel 0,26
Uitgeest 0,24
Uithoorn 0,26
Velsen 0,26
Weesp 0,28
Zandvoort 0,32
Zaanstad 0,25
Alblasserdam 0,24
Alphen aan den Rijn 0,25
Barendrecht 0,26
Drechterland 0,25
Brielle 0,25
Capelle aan den IJssel 0,26
Delft 0,39
Dordrecht 0,27
Gorinchem 0,27
Gouda 0,27
's-Gravenhage 0,33
Hardinxveld-Giessendam 0,25
Hellevoetsluis 0,24
Hendrik-Ido-Ambacht 0,25
Stede Broec 0,23
Hillegom 0,25
Katwijk 0,24
Krimpen aan den IJssel 0,27
Leiden 0,36
Leiderdorp 0,26
Lisse 0,26
Maassluis 0,25
Nieuwkoop 0,29
Noordwijk 0,32
Oegstgeest 0,32
Oudewater 0,27
Papendrecht 0,24
Ridderkerk 0,25
Rotterdam 0,31
Rijswijk 0,28
Schiedam 0,27
Sliedrecht 0,25
Albrandswaard 0,27
Westvoorne 0,33
Vlaardingen 0,26
Voorschoten 0,29
Waddinxveen 0,25
Wassenaar 0,48
Woerden 0,27
Zoetermeer 0,25
Zoeterwoude 0,25
Zwijndrecht 0,26
Borsele 0,24
Goes 0,27
West Maas en Waal 0,26
Hulst 0,26
Kapelle 0,23
Middelburg 0,26
Reimerswaal 0,25
Terneuzen 0,26
Tholen 0,24
Veere 0,27
Vlissingen 0,25
De Ronde Venen 0,31
Tytsjerksteradiel 0,23
Asten 0,25
Baarle-Nassau 0,29
Bergen op Zoom 0,25
Best 0,26
Boekel 0,24
Boxmeer 0,24
Boxtel 0,26
Breda 0,31
Deurne 0,26
Pekela 0,21
Dongen 0,24
Eersel 0,28
Eindhoven 0,31
Etten-Leur 0,24
Geertruidenberg 0,25
Gilze en Rijen 0,24
Goirle 0,25
Grave 0,23
Haaren 0,29
Helmond 0,26
's-Hertogenbosch 0,29
Heusden 0,27
Hilvarenbeek 0,25
Loon op Zand 0,25
Mill en Sint Hubert 0,24
Nuenen, Gerwen en Nederwetten 0,27
Oirschot 0,26
Oisterwijk 0,31
Oosterhout 0,26
Oss 0,26
Rucphen 0,24
Sint-Michielsgestel 0,27
Someren 0,26
Son en Breugel 0,27
Steenbergen 0,27
Waterland 0,28
Tilburg 0,29
Uden 0,25
Valkenswaard 0,25
Veldhoven 0,26
Vught 0,35
Waalre 0,3
Waalwijk 0,25
Woensdrecht 0,25
Zundert 0,27
Wormerland 0,26
Landgraaf 0,23
Beek 0,24
Beesel 0,23
Bergen (L.) 0,23
Brunssum 0,22
Gennep 0,23
Heerlen 0,25
Kerkrade 0,23
Maastricht 0,35
Meerssen 0,26
Mook en Middelaar 0,27
Nederweert 0,24
Roermond 0,26
Simpelveld 0,23
Stein 0,23
Vaals 0,28
Venlo 0,25
Venray 0,25
Voerendaal 0,26
Weert 0,26
Valkenburg aan de Geul 0,26
Lelystad 0,25
Horst aan de Maas 0,24
Oude IJsselstreek 0,23
Teylingen 0,29
Utrechtse Heuvelrug 0,32
Oost Gelre 0,23
Koggenland 0,25
Lansingerland 0,28
Leudal 0,24
Maasgouw 0,25
Gemert-Bakel 0,25
Halderberge 0,25
Heeze-Leende 0,26
Laarbeek 0,25
Reusel-De Mierden 0,24
Roerdalen 0,23
Roosendaal 0,25
Schouwen-Duiveland 0,27
Aa en Hunze 0,26
Borger-Odoorn 0,24
Cuijk 0,25
Landerd 0,27
De Wolden 0,26
Noord-Beveland 0,24
Wijdemeren 0,33
Noordenveld 0,25
Twenterand 0,23
Westerveld 0,26
Sint Anthonis 0,25
Lingewaard 0,24
Cranendonck 0,25
Steenwijkerland 0,25
Moerdijk 0,25
Echt-Susteren 0,24
Sluis 0,27
Drimmelen 0,25
Bernheze 0,25
Alphen-Chaam 0,26
Bergeijk 0,26
Bladel 0,24
Gulpen-Wittem 0,25
Tynaarlo 0,26
Midden-Drenthe 0,24
Overbetuwe 0,25
Hof van Twente 0,26
Neder-Betuwe 0,24
Rijssen-Holten 0,26
Geldrop-Mierlo 0,26
Olst-Wijhe 0,24
Dinkelland 0,25
Westland 0,27
Midden-Delfland 0,28
Berkelland 0,23
Bronckhorst 0,3
Sittard-Geleen 0,26
Kaag en Braassem 0,28
Dantumadiel 0,23
Zuidplas 0,27
Peel en Maas 0,23
Oldambt 0,23
Zwartewaterland 0,24
S�dwest-Frysl?n 0,25
Bodegraven-Reeuwijk 0,29
Eijsden-Margraten 0,25
Stichtse Vecht 0,3
Hollands Kroon 0,24
Leidschendam-Voorburg 0,3
Goeree-Overflakkee 0,25
Pijnacker-Nootdorp 0,27
Nissewaard 0,24
Krimpenerwaard 0,26
De Fryske Marren 0,25
Gooise Meren 0,37
Berg en Dal 0,27
Meierijstad 0,26
Waadhoeke 0,23
Westerwolde 0,23
Midden-Groningen 0,25
Beekdaelen 0,24
Montferland 0,24
Altena 0,26
West Betuwe 0,26
Vijfheerenlanden 0,25
Hoeksche Waard 0,26
Het Hogeland 0,24
Westerkwartier 0,24
Noardeast-Frysl?n 0,23
Molenlanden 0,27

Inkomensverschillen in Nederland relatief klein

Vergeleken met andere EU-lidstaten is de inkomensongelijkheid in Nederland klein. In Slowakije is de minste ongelijkheid, gevolgd door Slovenië en Tsjechië. In deze Oost-Europese lidstaten gaat een verhoudingsgewijs laag gemiddeld inkomen samen met weinig inkomensverschillen. In andere Oost-Europese landen is het inkomen eveneens gering, maar is de ongelijkheid juist groot. Bulgarije spant daarbij de kroon. Ook Zuid-Europese lidstaten, zoals Griekenland, Portugal en Spanje, zijn minder welvarend, terwijl de inkomens­verschillen groot zijn. Opvallend is dat ook in het relatief rijke Verenigd Koninkrijk sprake is van aanmerkelijke inkomensverschillen. Door een sober vangnet aan uitkeringen is de kloof tussen rijk en arm er groot.

7.1.6 Gestandaardiseerd inkomen1) en inkomensongelijkheid in EU-lidstaten, 20182)
land Inkomensongelijkheid, Gini-coefficiënt Gemiddeld inkomen
Slowakije 0,209 11,3
Slovenië 0,234 16,9
Tsjechië 0,24 14,8
België 0,256 22,8
Finland 0,259 22,4
Oostenrijk 0,268 25,6
Zweden 0,270 22,1
Nederland 0,274 24,0
Denemarken 0,278 24,3
Polen 0,278 13,0
Frankrijk 0,285 23,2
Hongarije 0,287 9,7
Malta 0,287 20,5
Ierland 0,289 22,5
Cyprus 0,291 19,6
Kroatië 0,297 10,9
Estland 0,306 15,0
Duitsland 0,311 24,9
Portugal 0,321 12,9
Griekenland 0,323 10,6
Spanje 0,332 18,3
Luxemburg 0,332 38,0
Italië 0,334 19,0
Verenigd Koninkrijk 0,342 21,6
Roemenië 0,351 7,3
Letland 0,356 12,0
Litouwen 0,369 13,0
Bulgarije 0,396 9,4
Bron: Eurostat
1) Gestandaardeerd besteedbaar inkomen, gecorrigeerd voor nationale verschillen in koopkracht (PPP).2) De uitkomsten voor Nederland verschillen met andere uitkomsten in dit artikel vanwege bron-, populatie en definitieverschillen (zie Bos et al., 2018).

7.2Vermogensongelijkheid

Vermogen scheef verdeeld

In 2018 bedroeg het gemiddeld vermogen van een Nederlands huishouden 182,7 duizend euro. Bij een volkomen gelijke verdeling zou iedereen over dit vermogen beschikken. Slechts weinig huishoudens zullen zich echter herkennen in dit bedrag. Er is een grote groep die beduidend minder heeft, terwijl de meest vermogende één procent huishoudens zelfs 25 keer zo veel heeft.

Begin 2018 had de rijkste 10 procent huishoudens 876 miljard euro aan vermogen in handen. Dat komt overeen met 62 procent van het totale vermogen. De 90 procent overige huis­houdens moesten het doen met de rest ofwel 541 miljard euro. Een aanzienlijk deel van deze huishoudens heeft bovendien een negatief vermogen. De 10 procent huishoudens met de laagste vermogens hebben samen meer schulden dan bezittingen.

7.2.1 Bezittingen en schulden naar vermogensgroepen, 1 januari 2018* (mld euro)
Eigen woning Overige bezittingen Hypotheekschuld Overige schulden
1e (laagste) 83,8 17,4 -116,6 -29,4
2e 16,1 2,1 -17 -2,4
3e 7,2 2 -7,4 -0,6
4e 29,1 7,9 -29 -1,6
5e 69,7 17,6 -65,3 -2,5
6e 131 28,9 -108,9 -4,1
7e 172,2 40,9 -113 -5,5
8e 201,2 56,9 -92 -6,4
9e 247,7 99 -78,6 -9,6
10e (hoogste) 375,5 657,2 -98,2 -58,5

Net als voor de inkomensverdeling (zie paragraaf 7.2) kan de parade van Pen ook opgesteld worden voor de vermogensverdeling. In een stoet van één uur trekken eerst de onvermogende dwergen en uiteindelijk de steenrijke reuzen voorbij die de vermogens­verdeling weerspiegelen. Zie Vermogensparade van Pen.

Vermogensongelijkheid sinds 2015 weer afgenomen

Volgens de Gini-coëfficiënt bedroeg de ongelijkheid van vermogennoot3 0,77 in 2018. Daarmee is de vermogensongelijkheid in Nederland aanmerkelijk hoger dan de inkomensongelijkheid (0,29). Tussen 2011 en 2014 is de vermogensongelijkheid tussen huishoudens toegenomen: de Gini-coëfficiënt steeg van 0,77 naar 0,81, zie StatLine. Dit was vooral het gevolg van de daling van de huizenprijzen tijdens de economische crisis. Bijna 6 op de 10 huishoudens hebben een eigen woning. Veel huishoudens hebben deze met een hoge hypotheek gefinancierd, waardoor hun vermogen erg gevoelig is voor de ontwikkeling van huizen­prijzen. Aangezien het eigen huis voor de lagere en middengroepen het belangrijkste vermogensbestanddeel is (zie figuur 7.2.1), trof de huizencrisis hen relatief harder dan de rijkeren bij wie overige vermogens­bestanddelen een groter aandeel van hun vermogen uitmaken. Hierdoor groeiden de vermogensverschillen tussen de huishoudens. Vanaf 2014 trok de woningmarkt weer aan. Dat jaar bleef de vermogensongelijkheid nog gelijk, maar in 2015 nam de ongelijkheid voor het eerst sinds het uitbreken van de crisis weer af. Deze daling zette daarna door.

7.2.2 Ongelijkheid vermogen (Gini-coëfficiënt)
Vermogen
'11 0,767
'12 0,783
'13 0,804
'14 0,806
'15 0,800
'16 0,797
'17 0,787
'18* 0,772

Hoge vermogensongelijkheid in grote steden

In grote steden is de vermogensongelijkheid hoger dan landelijk (Gini-coëfficiënt 0,77). Zo is de Gini-coëfficiënt in Rotterdam gelijk aan 0,87, in Amsterdam 0,86, en die in Den Haag 0,85. In grote steden wonen relatief veel jongeren, uitkeringsontvangers en personen met een niet-westerse migratieachtergrond met een vermogen dat een stuk lager is dan dat van de andere inwoners (CBS StatLine, 2019b).

In gemeenten die door een relatief hoog doorsnee vermogen worden gekenmerkt, is de vermogensongelijkheid betrekkelijk laag, zoals in Staphorst en Edam-Volendam. Ook in gemeenten waarin naar verhouding veel ouderen wonen die gedurende hun leven een vermogen hebben kunnen opbouwen, liggen de vermogens doorgaans dichter bij elkaar. Dit zijn meestal kleine gemeenten, zoals Bergeijk en Hilvarenbeek in Noord-Brabant. De waarde van de Gini-coëfficiënt is in deze gemeenten lager dan 0,64.

7.2.3 Ongelijkheid (Gini-coëfficiënt) vermogen, 1 januari 2018*
Gini-coëfficiënt
Appingedam 0,79
Delfzijl 0,79
Groningen 0,84
Loppersum 0,77
Almere 0,78
Stadskanaal 0,77
Veendam 0,78
Zeewolde 0,8
Achtkarspelen 0,69
Ameland 0,63
Harlingen 0,79
Heerenveen 0,74
Leeuwarden 0,8
Ooststellingwerf 0,71
Opsterland 0,69
Schiermonnikoog 0,7
Smallingerland 0,76
Terschelling 0,69
Vlieland 0,87
Weststellingwerf 0,72
Assen 0,76
Coevorden 0,72
Emmen 0,77
Hoogeveen 0,73
Meppel 0,75
Almelo 0,81
Borne 0,72
Dalfsen 0,62
Deventer 0,78
Enschede 0,83
Haaksbergen 0,7
Hardenberg 0,71
Hellendoorn 0,69
Hengelo 0,77
Kampen 0,74
Losser 0,73
Noordoostpolder 0,79
Oldenzaal 0,73
Ommen 0,7
Raalte 0,66
Staphorst 0,6
Tubbergen 0,64
Urk 0,66
Wierden 0,69
Zwolle 0,77
Aalten 0,72
Apeldoorn 0,76
Arnhem 0,84
Barneveld 0,71
Beuningen 0,71
Brummen 0,73
Buren 0,7
Culemborg 0,72
Doesburg 0,77
Doetinchem 0,77
Druten 0,71
Duiven 0,74
Ede 0,75
Elburg 0,68
Epe 0,71
Ermelo 0,73
Harderwijk 0,74
Hattem 0,71
Heerde 0,64
Heumen 0,65
Lochem 0,71
Maasdriel 0,7
Nijkerk 0,71
Nijmegen 0,83
Oldebroek 0,64
Putten 0,68
Renkum 0,75
Rheden 0,78
Rozendaal 0,67
Scherpenzeel 0,64
Tiel 0,78
Voorst 0,67
Wageningen 0,82
Westervoort 0,76
Winterswijk 0,76
Wijchen 0,71
Zaltbommel 0,71
Zevenaar 0,74
Zutphen 0,75
Nunspeet 0,72
Dronten 0,78
Amersfoort 0,75
Baarn 0,75
De Bilt 0,75
Bunnik 0,62
Bunschoten 0,67
Eemnes 0,68
Houten 0,66
Leusden 0,69
Lopik 0,68
Montfoort 0,72
Renswoude 0,72
Rhenen 0,73
Soest 0,71
Utrecht 0,8
Veenendaal 0,75
Woudenberg 0,67
Wijk bij Duurstede 0,7
IJsselstein 0,74
Zeist 0,8
Nieuwegein 0,72
Aalsmeer 0,72
Alkmaar 0,74
Amstelveen 0,79
Amsterdam 0,86
Beemster 0,67
Bergen (NH.) 0,7
Beverwijk 0,76
Blaricum 0,83
Bloemendaal 0,76
Castricum 0,66
Diemen 0,77
Edam-Volendam 0,61
Enkhuizen 0,76
Haarlem 0,74
Haarlemmermeer 0,73
Heemskerk 0,7
Heemstede 0,67
Heerhugowaard 0,71
Heiloo 0,66
Den Helder 0,79
Hilversum 0,78
Hoorn 0,77
Huizen 0,78
Landsmeer 0,66
Langedijk 0,69
Laren 0,82
Medemblik 0,71
Oostzaan 0,68
Opmeer 0,65
Ouder-Amstel 0,72
Purmerend 0,72
Schagen 0,7
Texel 0,66
Uitgeest 0,64
Uithoorn 0,73
Velsen 0,72
Weesp 0,74
Zandvoort 0,79
Zaanstad 0,76
Alblasserdam 0,77
Alphen aan den Rijn 0,75
Barendrecht 0,72
Drechterland 0,78
Brielle 0,74
Capelle aan den IJssel 0,78
Delft 0,83
Dordrecht 0,79
Gorinchem 0,81
Gouda 0,77
's-Gravenhage 0,85
Hardinxveld-Giessendam 0,75
Hellevoetsluis 0,75
Hendrik-Ido-Ambacht 0,73
Stede Broec 0,71
Hillegom 0,73
Katwijk 0,69
Krimpen aan den IJssel 0,76
Leiden 0,8
Leiderdorp 0,71
Lisse 0,72
Maassluis 0,76
Nieuwkoop 0,7
Noordwijk 0,77
Oegstgeest 0,7
Oudewater 0,71
Papendrecht 0,74
Ridderkerk 0,78
Rotterdam 0,87
Rijswijk 0,77
Schiedam 0,86
Sliedrecht 0,74
Albrandswaard 0,75
Westvoorne 0,74
Vlaardingen 0,8
Voorschoten 0,72
Waddinxveen 0,75
Wassenaar 0,81
Woerden 0,72
Zoetermeer 0,77
Zoeterwoude 0,65
Zwijndrecht 0,79
Borsele 0,72
Goes 0,75
West Maas en Waal 0,67
Hulst 0,66
Kapelle 0,66
Middelburg 0,75
Reimerswaal 0,74
Terneuzen 0,72
Tholen 0,73
Veere 0,63
Vlissingen 0,77
De Ronde Venen 0,74
Tytsjerksteradiel 0,67
Asten 0,69
Baarle-Nassau 0,66
Bergen op Zoom 0,73
Best 0,69
Boekel 0,62
Boxmeer 0,67
Boxtel 0,72
Breda 0,77
Deurne 0,69
Pekela 0,78
Dongen 0,68
Eersel 0,65
Eindhoven 0,8
Etten-Leur 0,7
Geertruidenberg 0,74
Gilze en Rijen 0,69
Goirle 0,7
Grave 0,7
Haaren 0,67
Helmond 0,8
's-Hertogenbosch 0,76
Heusden 0,68
Hilvarenbeek 0,61
Loon op Zand 0,71
Mill en Sint Hubert 0,64
Nuenen, Gerwen en Nederwetten 0,64
Oirschot 0,61
Oisterwijk 0,75
Oosterhout 0,76
Oss 0,75
Rucphen 0,67
Sint-Michielsgestel 0,64
Someren 0,69
Son en Breugel 0,67
Steenbergen 0,76
Waterland 0,67
Tilburg 0,8
Uden 0,72
Valkenswaard 0,71
Veldhoven 0,67
Vught 0,76
Waalre 0,72
Waalwijk 0,75
Woensdrecht 0,67
Zundert 0,63
Wormerland 0,71
Landgraaf 0,72
Beek 0,68
Beesel 0,71
Bergen (L.) 0,7
Brunssum 0,75
Gennep 0,72
Heerlen 0,83
Kerkrade 0,76
Maastricht 0,81
Meerssen 0,66
Mook en Middelaar 0,73
Nederweert 0,66
Roermond 0,78
Simpelveld 0,69
Stein 0,63
Vaals 0,74
Venlo 0,77
Venray 0,73
Voerendaal 0,66
Weert 0,71
Valkenburg aan de Geul 0,71
Lelystad 0,82
Horst aan de Maas 0,66
Oude IJsselstreek 0,73
Teylingen 0,75
Utrechtse Heuvelrug 0,71
Oost Gelre 0,68
Koggenland 0,65
Lansingerland 0,73
Leudal 0,65
Maasgouw 0,64
Gemert-Bakel 0,71
Halderberge 0,69
Heeze-Leende 0,63
Laarbeek 0,69
Reusel-De Mierden 0,72
Roerdalen 0,66
Roosendaal 0,73
Schouwen-Duiveland 0,73
Aa en Hunze 0,67
Borger-Odoorn 0,74
Cuijk 0,74
Landerd 0,64
De Wolden 0,64
Noord-Beveland 0,72
Wijdemeren 0,73
Noordenveld 0,67
Twenterand 0,7
Westerveld 0,66
Sint Anthonis 0,64
Lingewaard 0,68
Cranendonck 0,66
Steenwijkerland 0,73
Moerdijk 0,72
Echt-Susteren 0,66
Sluis 0,71
Drimmelen 0,67
Bernheze 0,66
Alphen-Chaam 0,64
Bergeijk 0,62
Bladel 0,63
Gulpen-Wittem 0,66
Tynaarlo 0,66
Midden-Drenthe 0,7
Overbetuwe 0,72
Hof van Twente 0,73
Neder-Betuwe 0,72
Rijssen-Holten 0,73
Geldrop-Mierlo 0,72
Olst-Wijhe 0,7
Dinkelland 0,66
Westland 0,74
Midden-Delfland 0,7
Berkelland 0,68
Bronckhorst 0,67
Sittard-Geleen 0,75
Kaag en Braassem 0,71
Dantumadiel 0,69
Zuidplas 0,75
Peel en Maas 0,68
Oldambt 0,8
Zwartewaterland 0,77
S�dwest-Frysl?n 0,73
Bodegraven-Reeuwijk 0,72
Eijsden-Margraten 0,65
Stichtse Vecht 0,77
Hollands Kroon 0,73
Leidschendam-Voorburg 0,75
Goeree-Overflakkee 0,73
Pijnacker-Nootdorp 0,68
Nissewaard 0,77
Krimpenerwaard 0,73
De Fryske Marren 0,7
Gooise Meren 0,76
Berg en Dal 0,74
Meierijstad 0,72
Waadhoeke 0,74
Westerwolde 0,72
Midden-Groningen 0,78
Beekdaelen 0,68
Montferland 0,73
Altena 0,7
West Betuwe 0,69
Vijfheerenlanden 0,73
Hoeksche Waard 0,73
Het Hogeland 0,76
Westerkwartier 0,69
Noardeast-Frysl?n 0,73
Molenlanden 0,73

7.3Welvaartsongelijkheid

Om de financiële welvaart van huishoudens in kaart te brengen, worden meestal cijfers over de inkomens- en vermogensverdeling naast elkaar gepresenteerd. Het CBS heeft een maat voor financiële welvaart ontwikkeld die de inkomens- en vermogenspositie van een huishoudens weergeeft met één indicator. De welvaartsmaat gaat uit van de relatieve inkomens- en vermogenspositie.

Welvaartsmaat

De welvaartsmaat bevat informatie over zowel het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen als het vermogen van huishoudens. De rangschikkingen van huishoudens naar hoogte van het inkomen en van het vermogen zijn hierbij het uitgangspunt. De welvaart van een huishouden is vastgesteld als de som van het cumulatieve aandeel in het totale inkomen van alle huishoudens en het cumulatieve aandeel in het totale vermogen (zie Van den Brakel en Gidding, 2019). Op grond van de optelling zijn huishoudens opnieuw geordend over de welvaartsladder. Het resultaat hiervan is dat huishoudens in de laagste welvaartsgroep een laag inkomen én een laag vermogen hebben. Naarmate het inkomen of vermogen hoger is, wordt een huishouden in een hogere groep ingedeeld. Huishoudens in de hoogste welvaartsgroep hebben een hoog inkomen én een hoog vermogen. Met de welvaartsmaat wordt een realistischer beeld van de welvaarts­verdeling gepresenteerd dan wanneer alleen inkomen in beschouwing wordt genomen. Zo worden de lage welvaartsgroepen niet vertekend door vermogende zelfstandigen met een incidenteel verlies, en de hoge welvaartsgroepen niet door hoge inkomens met een huis onder water.

Welvaart ongelijker verdeeld dan inkomen, maar gelijker dan vermogen

De welvaartsverdeling is gelijker dan de vermogensverdeling, maar schever dan de inkomens­verdeling. De Lorenzcurve van inkomen ligt immers het dichtst bij die van de gelijke verdeling, en die van vermogen het verst daar vandaan. In 2018 was de ongelijkheid volgens de genormaliseerde Gini-coëfficiënt van de inkomens-, vermogens- en welvaartsverdeling respectievelijk 0,29, 0,77 en 0,45. Dit bevestigt nogmaals de tussenpositie van de welvaarts­verdeling. Anders dan de vermogensverschillen, maar analoog aan de inkomens­verschillen zijn de welvaartsverschillen sinds 2011 nauwelijks veranderd.

7.3.1 Lorenzcurven, 2018* (Cumulatief inkomen/vermogen/welvaart (%))
% huishoudens Gelijke verdeling Inkomen Vermogen Welvaart
0 0 0 0 0
1 1 -0,14 -1,82 -0,01
2 2 -0,03 -2,41 -0,01
3 3 0,15 -2,8 0
4 4 0,41 -3,1 0,01
5 5 0,73 -3,34 0,03
6 6 1,11 -3,53 0,07
7 7 1,52 -3,69 0,11
8 8 1,96 -3,83 0,16
9 9 2,42 -3,94 0,23
10 10 2,89 -4,02 0,3
11 11 3,38 -4,09 0,39
12 12 3,87 -4,15 0,49
13 13 4,38 -4,19 0,6
14 14 4,91 -4,22 0,73
15 15 5,44 -4,24 0,87
16 16 5,98 -4,25 1,02
17 17 6,53 -4,26 1,18
18 18 7,1 -4,26 1,36
19 19 7,68 -4,26 1,56
20 20 8,26 -4,26 1,77
21 21 8,86 -4,26 1,99
22 22 9,47 -4,26 2,24
23 23 10,09 -4,26 2,49
24 24 10,72 -4,26 2,77
25 25 11,36 -4,25 3,05
26 26 12,01 -4,25 3,36
27 27 12,67 -4,24 3,68
28 28 13,33 -4,23 4,01
29 29 14,01 -4,22 4,37
30 30 14,69 -4,21 4,74
31 31 15,39 -4,19 5,13
32 32 16,09 -4,18 5,54
33 33 16,8 -4,16 5,98
34 34 17,52 -4,13 6,43
35 35 18,25 -4,1 6,91
36 36 18,99 -4,07 7,41
37 37 19,74 -4,03 7,93
38 38 20,5 -3,99 8,48
39 39 21,27 -3,94 9,05
40 40 22,05 -3,88 9,65
41 41 22,85 -3,82 10,26
42 42 23,65 -3,74 10,9
43 43 24,46 -3,66 11,57
44 44 25,29 -3,57 12,26
45 45 26,12 -3,47 12,97
46 46 26,97 -3,35 13,7
47 47 27,82 -3,23 14,46
48 48 28,69 -3,09 15,25
49 49 29,57 -2,95 16,05
50 50 30,45 -2,78 16,88
51 51 31,35 -2,6 17,73
52 52 32,26 -2,41 18,61
53 53 33,18 -2,19 19,51
54 54 34,11 -1,95 20,44
55 55 35,05 -1,69 21,39
56 56 36 -1,4 22,37
57 57 36,97 -1,09 23,37
58 58 37,94 -0,74 24,4
59 59 38,93 -0,37 25,45
60 60 39,93 0,04 26,53
61 61 40,94 0,48 27,63
62 62 41,96 0,96 28,76
63 63 42,99 1,48 29,92
64 64 44,04 2,04 31,11
65 65 45,1 2,64 32,32
66 66 46,17 3,28 33,56
67 67 47,25 3,96 34,82
68 68 48,35 4,69 36,12
69 69 49,46 5,47 37,44
70 70 50,58 6,29 38,79
71 71 51,72 7,16 40,17
72 72 52,87 8,08 41,58
73 73 54,03 9,05 43,02
74 74 55,21 10,07 44,49
75 75 56,41 11,15 45,99
76 76 57,62 12,28 47,52
77 77 58,85 13,47 49,09
78 78 60,1 14,71 50,68
79 79 61,36 16,02 52,31
80 80 62,64 17,39 53,98
81 81 63,94 18,83 55,68
82 82 65,27 20,34 57,41
83 83 66,61 21,93 59,19
84 84 67,98 23,59 61
85 85 69,37 25,35 62,85
86 86 70,79 27,2 64,75
87 87 72,23 29,15 66,69
88 88 73,71 31,23 68,67
89 89 75,22 33,43 70,71
90 90 76,77 35,77 72,81
91 91 78,35 38,28 74,98
92 92 79,99 40,99 77,23
93 93 81,67 43,94 79,56
94 94 83,42 47,16 81,99
95 95 85,25 50,75 84,54
96 96 87,18 54,82 87,21
97 97 89,25 59,58 90,04
98 98 91,53 65,47 93,06
99 99 94,22 73,65 96,32
100 100 100 100 100

7.4Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Bos, W., M. van den Brakel en F. Otten (2018). Meten van inkomen en inkomensongelijkheid. Statistische Trends, juni 2018.

Brakel, M. van den en K. Gidding (2019). Hoe is de financiële welvaart verdeeld? Statistische Trends.

Brakel, M. van den en F. Otten (2017). Door crisis en vergrijzing stijgt ongelijkheid in primair inkomen. ESB, jaargang 102 (4756), pp. 579–582.

Caminada, C.L.J., K.P. Goudswaard en J. Been (2017) De ontwikkeling van inkomensongelijkheid en inkomensherverdeling in Nederland 1990–2014. Rapport. Universiteit Leiden.

CBS (2019). Welvaart in Nederland 2019. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS StatLine (2019a). Inkomen van huishoudens; huishoudenskenmerken, regio (indeling 2019).

CBS StatLine (2019b). Vermogen van huishoudens; huishoudenskenmerken, regio (indeling 2019).

Noten

In de Lorenzcurven is het cumulatieve aandeel van het gestandaardiseerd inkomen afgezet tegen het cumulatieve aandeel (oplopend gerangschikte) huishoudens. Voor elk percentage huishoudens geeft de curve aan welk percentage van het totale inkomen zij bezitten.

Het herverdelingseffect is bepaald volgens de decompositiemethode zoals toegepast door Caminada, Goudswaard en Been (2017).

Anders dan inkomen wordt vermogen niet gestandaardiseerd. Pensioenaanspraken worden niet in het vermogen meegeteld, omdat deze niet vrij opneembaar zijn.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2019–2020 2019 tot en met 2020
2019/2020 Het gemiddelde over de jaren 2019 tot en met 2020
2019/’20 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2019 en eindigend in 2020
2017/’18–2019/’20 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2017/’18 tot en met 2019/’20

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Koos Arts

Wim Bos

Marion van den Brakel

Kai Gidding

Daniël Herbers

Bart Huynen

Koen Link

Reinder Lok

Jasper Menger

Jeroen Nieuweboer

Ferdy Otten

Noortje Pouwels-Urlings

Eindredactie

Marion van den Brakel en Ferdy Otten

Erratum

Ondanks de zorgvuldigheid waarmee deze publicatie is samengesteld, zijn er achteraf enkele onvolkomenheden geconstateerd. Onze excuses hiervoor.

Datum: 16 november 2020

In de figuur “Samenstelling van bezittingen, 1 januari 2018*” was een fout opgetreden. De labels van de staven, t.w. “Miljonairs” en “Niet-miljonairs”, stonden verkeerd om. De bovenste staaf betreft dus “Niet-miljonairs” en de onderste staaf betreft “Miljonairs”. Het gaat om de laatste figuur in het kader “Aantal miljonairs opnieuw toegenomen” in paragraaf “5.3 Vermogensverdeling” van de publicatie “Materiële Welvaart in Nederland 2020”.

Foutieve versie:

Created with Highcharts 7.0.3%Samenstelling van bezittingen, 1 januari 2018*Bank- en spaartegoedenEffectenEigen woningOverig onroerend goedOndernemingsvermogenAanmerkelijk belangOverige bezittingenMiljonairsNiet-miljonairs020406080100

Gecorrigeerde versie:

Created with Highcharts 7.0.3%Samenstelling van bezittingen, 1 januari 2018*Bank- en spaartegoedenEffectenEigen woningOverig onroerend goedOndernemingsvermogenAanmerkelijk belangOverige bezittingenNiet-miljonairsMiljonairs020406080100