De Sustainable Development Goals in de Nederlandse context
Deel 1 van de Monitor beschrijft de staat van de brede welvaart in het hier en nu, de verdeling ervan, en de effecten van ons welvaartsniveau op de brede welvaart later en elders. In deel 2 van de Monitor gaat het niet om de brede welvaart als geheel maar om beleidsthema’s die invloed hebben op onderdelen van de brede welvaart. Uitgangspunt hierbij vormen de 17 Sustainable Development Goals (SDG’s), de duurzame ontwikkelingsdoelen die zijn opgesteld door de VN en ondertekend door 193 landen waaronder Nederland.
4.1Inleiding
In de eerste helft van dit decennium hebben de VN gewerkt aan de vaststelling van de 17 SDG’s. In september 2015 verbonden regeringsleiders van 193 landen zich aan deze agenda voor duurzame ontwikkeling, waaronder ook Nederland. De agenda loopt tot 2030. De doelen zelf zijn globaal, maar ze kennen meerdere concrete subdoelstellingen. Het CBS heeft voor deze doelstellingen indicatoren gezocht die passen in de Nederlandse context. Deze zoektocht loopt overigens al langer, en er is door het CBS al twee keer eerder over gerapporteerd. Naast de SDG-doelstellingen wordt in dit hoofdstuk ook verwezen naar beleidsdoelen die door de Nederlandse overheid of de EU zijn opgesteld.
Voor ieder van de 17 SDG’s worden indicatoren gepresenteerd die informatie geven over middelen die worden ingezet, over bestaande mogelijkheden en het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, over uitkomsten, en over de beleving daarvan door de bevolking. Waar deze bestaan, worden per thema kwantitatieve beleidsdoelen vermeld.
4.2Het meten van de SDG’s in Nederland
De 17 SDG’s zijn uitgewerkt in 169 subdoelstellingen (targets). De regeringen van de 193 VN-lidstaten zijn verantwoordelijk voor de monitoring van de voortgang ten aanzien van de doelen en de targets. Uiteraard spelen de nationale statistiekbureaus hierbij een belangrijke rol.
Na het vaststellen van de doelen en subdoelen is er in VN-verband in 2016 gewerkt aan het ontwerpen van een meetsysteem voor de rapportage over de voortgang van de SDG’s. Het Report of the Inter-Agency and Expert Group on Sustainable Development Indicators (UN, 2016) geeft een eerste set met indicatoren die nodig zijn voor de monitoring. Een eerste herziening (op circa tien punten) verscheen in 2017 (UN, 2017). Na deze herziening telt deze set 232 unieke indicatoren.
In 2016 rapporteerde het CBS voor het eerst en als eerste statistische bureau over de duurzame ontwikkelingsdoelen (CBS, 2016a). Lang niet alle indicatoren uit de VN-set konden worden opgenomen. Er werd destijds gerapporteerd over 64 indicatoren uit de officiële indicatorenlijst, 35 indicatoren als een alternatief voor officiële indicatoren en 30 extra indicatoren om een meer compleet beeld te geven of om missende thema’s aan te vullen. Het CBS probeerde hierbij de internationale indicatorenlijst zoveel mogelijk te volgen.
Na publicatie van het eerste rapport vond een uitgebreide consultatie plaats met meer dan dertig partijen waaronder ministeries, planbureaus, kennisinstituten en maatschappelijke organisaties. Ook binnen het CBS zijn acties ondernomen om een deel van de indicatoren die ontbraken in de nulmeting alsnog te kunnen opnemen. Dit leidde in 2018 tot een tweede publicatie (CBS, 2018a).
Na het verschijnen van de eerste Monitor Brede Welvaart (2018) is het CBS gevraagd om de indicatoren voor de duurzaamheidsdoelen te integreren in de Monitor. Hierdoor zal er niet langer een aparte publicatie verschijnen waarin over alle SDG’s wordt gerapporteerd. In plaats daarvan is het hoofdstuk met beleidsthema’s zoals dat in de Monitor Brede Welvaart 2018 stond, omgevormd tot een hoofdstuk dat bespiegelt op de 17 SDG’s. Wel worden er buiten de Monitor om nog artikelen over specifieke onderwerpen uit het SDG-dossier gepresenteerd. Ook de statistische bijlagen uit de afzonderlijke SDG-publicatie worden gecontinueerd, in de vorm van maatwerk op de website.
Het CBS beschouwt de integratie van de duurzaamheidsdoelen in de Monitor Brede Welvaart, zoals die gestalte heeft gekregen in deze editie, als een eerste aanzet. In de komende edities van de Monitor zal deze integratie verder vormgegeven worden.
In dit hoofdstuk worden de SDG-dashboards gepresenteerd die relevant zijn voor de Nederlandse beleidscontext. Eigenlijk zijn het SDGplus-dashboards, aangezien er meer dan alleen officiële SDG-indicatoren in vermeld worden. Omdat sommige SDG’s voor de Nederlandse situatie meerdere thema’s beslaan, worden deze behandeld in meerdere dashboards.
De dashboards zijn gebaseerd op een set indicatoren. De volgende soorten indicatoren zijn opgenomen:
- indicatoren van de SDG’s die in het huidige Nederlandse beleidsdebat relevant zijn. Hierbij wordt voortgebouwd op het eerdere werk dat het CBS op het gebied van de SDG’s heeft uitgevoerd. Zoveel mogelijk van alle voor Nederland relevante indicatoren zijn in deze publicatie meegenomen. Voor een aantal indicatoren moet nog aanvullend dataonderzoek worden verricht.
- vrijwel alle indicatoren waarmee in hoofdstuk 2 de staat van de brede welvaart is beschreven en die aan het CES-raamwerk zijn ontleend staan tevens onder de 17 verschillende SDG’s gerangschikt. Zo wordt de plaats zichtbaar van de verschillende aspecten van de brede welvaart binnen de 17 duurzame ontwikkelingsdoelen. Sommige SDG’s zijn wel beter gedekt dan andere. Daarbij valt uit de confrontatie tussen brede welvaart en de SDG’s op dat de SDG’s nogal gericht zijn op het ‘hier en nu’, terwijl indicatoren die iets zeggen over het gebruik van hulpbronnen minder sterk vertegenwoordigd zijn. Ook zijn er relatief veel ‘inputindicatoren’ opgenomen in de SDG-lijst, maar komen indicatoren die iets zeggen over de uitkomsten er bekaaider vanaf. Daar waar nodig worden in de dashboards CES-indicatoren toegevoegd om de balans in de indicatorenset te versterken.
- aanvullende indicatoren met betrekking tot middelen die worden ingezet, de mogelijkheden die deze creëren, het gebruik dat van die mogelijkheden wordt gemaakt, de uitkomsten die aan dat gebruik zijn gerelateerd en de beleving van burgers.
Bij alle beleidsthema’s is gezocht naar indicatoren die afkomstig zijn uit een betrouwbare bron, die tijdig en internationaal vergelijkbaar zijn, en door de tijd heen consistent gemeten worden. Bij gelijke geschiktheid van indicatoren gaf datakwaliteit doorgaans de doorslag. In een aantal gevallen woog de beleidsrelevantie echter zwaarder dan de datakwaliteit. Voor een deel van de indicatoren is geen internationale vergelijking mogelijk omdat vergelijkbare data voor andere landen niet voorhanden zijn.
De selectie van subdoelen onder de SDG’s en relevante indicatoren is besproken met de planbureaus (CPB, SCP en PBL), een interdepartementale klankbordgroep waaraan vrijwel alle ministeries deelnemen, de gebruikersraden van het CBS en externe wetenschappelijk experts. De eindverantwoordelijkheid voor de keuzes ligt uiteraard bij het CBS.
Het aantal potentiële indicatoren was voor sommige van de thema’s in hoofdstuk 4 zo groot, dat een selectie moest worden gemaakt. Voor iedere SDG is een verzameling indicatoren van beperkte omvang samengesteld. De selectie van indicatoren is gebaseerd op een systematiek met beslisregels. Het doel van deze systematiek is om de verzameling indicatoren zo evenwichtig en neutraal mogelijk te maken.
De selectie van indicatoren, de statistische methoden waarmee de dashboards zijn samengesteld, en de beslisregels voor de observaties in de tekst worden beschreven in CBS (2019a). Voor sommige indicatoren is de internationale vergelijking gedaan op basis van data die conceptueel afwijken van de Nederlandse data waarmee de trendmatige ontwikkeling is bepaald.
Sommige indicatoren in de dashboards kunnen aanleiding geven tot discussie over de interpretatie ervan. Voor middelen en mogelijkheden kan de vraag gesteld worden wat het verwachte effect is op brede welvaart. Voorbeelden zijn uitgaven aan gezondheidszorg, ontwikkelingssamenwerking, gewerkte uren in het onderwijs, en milieu-investeringen. Een stijgende trend geeft niet aan dat er per definitie sprake is van een welvaartsstijging. Het ligt er aan of de verhoogde inzet van middelen ook daadwerkelijk vruchten afwerpt. Of deze uitgaven, investeringen of gewerkte uren doelmatig worden besteed of ‘nodig’ zijn, hangt af van de gewenste uitkomsten en is aan het beleidsdebat. Het meetsysteem hanteert het uitgangspunt dat al deze aspecten (middelen, mogelijkheden, gebruik, uitkomsten en waardering) in samenhang bezien worden in dit debat.
4.3Samenvattend beeld
De figuren 4.3.1 en 4.3.2 geven een samenvattend overzicht over hoe Nederland er op het gebied van de SDG’s voorstaat.
Vergeleken met andere EU-28 landen blijkt Nederland voor vijf SDG’s een positie in de voorhoede in te nemen: geen armoede (SDG 1); industrie, innovatie en infrastructuur: kennis en innovatie (SDG 9); ongelijkheid verminderen: sociale samenhang en ongelijkheid (SDG 10): vrede, justitie en sterke publieke diensten: instituties (SDG 16) en partnerschap om doelstellingen te bereiken (SDG 17). Bij vier SDG’s staat Nederland bij diverse indicatoren in de onderste regionen van de Europese ranglijst: betaalbare en duurzame energie (SDG 7); klimaatactie (SDG 13); leven in het water (SDG 14) en leven op het land (SDG 15).
Voor wat betreft de trendmatige ontwikkeling van de SDG’s, valt op dat relatief veel indicatoren een stijgende trend vertonen bij einde aan honger (SDG 2); gendergelijkheid (SDG 5); schoon water en sanitair (SDG 6); eerlijk werk en economische groei: economie en productiefactoren (SDG 8) en industrie, innovatie en duurzame infrastructuur: kennis en innovatie (SDG 9). Een dalende trend komt relatief vaak voor bij goede gezondheid en welzijn (SDG 3); industrie, innovatie en infrastructuur: mobiliteit (SDG 9); ongelijkheid verminderen (SDG 10); duurzame steden en gemeenschappen: wonen (SDG 11); en leven op het land en leven in het water (SDG’s 14 en 15).
Kleurcodes
De Monitor gebruikt kleuren om de resultaten van verschillende indicatoren vergelijkbaar te maken. Voor iedere indicator wordt gekeken naar de richting van de langetermijntrend in Nederland in de periode 2011–2018 en naar de positie van Nederland in de EU-28 in het meest recente jaar met voldoende observaties.
| Voor trends is de betekenis van kleuren: | Voor posities is de betekenis van kleuren: |
| Groen | Groen |
| De trend beweegt in de richting die wordt geassocieerd met een stijging van de brede welvaart. | Nederland staat in het bovenste kwart van de EU-ranglijst. |
| Rood | Rood |
| De trend beweegt in de richting die wordt geassocieerd met een daling van de brede welvaart. | Nederland staat in het onderste kwartiel van de EU-ranglijst. |
| Grijs | Grijs |
| De trend stijgt of daalt niet significant. | Nederland staat in het midden van de EU-ranglijst, tussen het eerste en het derde kwartiel van de frequentieverdeling |
Bij het bepalen van de kleurcodes kijken we alleen naar de eerste-orde-effecten. Zo is een stijging van de individuele consumptie in de eerste orde goed voor de consument. In de tweede orde gaat hogere consumptie gepaard met milieuvervuiling, obesitas, waterverbruik en CO2‑uitstoot in andere landen, enzovoorts.
Wanneer Nederland voor een indicator een trend heeft die zich beweegt in de richting die wordt geassocieerd met een daling van de brede welvaart en binnen Europa een positie in het laagste kwart heeft, dan observeert het CBS in de monitor een ‘rode’ trend en een ‘rode’ positie. De kleurcode geeft de lezer het signaal dat hij of zij goed moet kijken naar het fenomeen waarvoor de indicator een indicatie geeft. Er is blijkbaar iets aan de hand. Hetzelfde geldt overigens voor een volledig groene indicator: daar gaat blijkbaar iets goed. Middelen en mogelijkheden worden niet geduid in de context van meer of minder brede welvaart, maar alleen in termen van meer of minder beschikbare middelen.
De kleuraanduidingen hebben slechts een signaalfunctie. Er is nadrukkelijk geen sprake van een normatieve duiding. De Monitor geeft aan hoe Nederland er op de uiteenlopende aspecten van brede welvaart voorstaat, en toont hierbij de afruilen waar we als samenleving mee worden geconfronteerd. Het is aan politiek en beleid om op basis van deze informatie te komen tot afwegingen en beleidsconclusies.
Voor dit hoofdstuk zijn de officiële SDG-indicatoren die gemeten zijn op basis van de VN-richtlijn een uitzondering. Deze zijn door de VN wel normatief geduid. In dit hoofdstuk wordt de duiding die de VN geeft aan deze indicatoren weergegeven.
Betekenis voetnoten
- Het CBS heeft voor de Monitor Brede Welvaart een jaarcijfer voor 2018 geraamd om het politieke debat te faciliteren. Dit geeft een eerste indicatie.
- Bij deze indicator zijn binnen de periode 2011–2018 niet genoeg datapunten beschikbaar om een trend te kunnen berekenen.
SDG 1 Geen armoede
SDG 1 beoogt de afname van armoede in al haar vormen. De materiële welvaart van personen wordt in belangrijke mate bepaald door het (gestandaardiseerd) besteedbaar inkomen van het huishouden waar ze deel van uitmaken. Hiermee kunnen ze consumeren, investeren, sparen of beleggen. Bij een laag (gestandaardiseerd) besteedbaar inkomen heeft men kans op armoede. Als daarnaast het huishouden kampt met ernstige financiële problemen of gekenmerkt wordt door een lage economische activiteit loopt de persoon tevens risico op sociale uitsluiting. Verder is de hoogte van het besteedbaar inkomen van invloed op de ervaren bestaanszekerheid. De armoedeproblematiek in Nederland is van een andere orde dan die in de allerarmste landen, maar ook in Nederland lopen mensen risico op (relatieve) armoede. Dit dashboard laat zien hoe de inkomens zich in Nederland ontwikkelen, hoe het hier zit met het risico op inkomensarmoede of sociale uitsluiting en of mensen financiële zorgen hebben (SDG 1.2).
Middelen en mogelijkheden gaan over de financiële middelen die mensen tot hun beschikking hebben en de eventuele ondersteuning daarbij. De mediaan van het besteedbaar inkomen ligt onder het gemiddeld besteedbaar inkomen. Dit betekent dat enkele (zeer) hoge inkomens het gemiddelde omhoog trekken.
Gebruik betreft het gebruik van verschillende vormen van financiële ondersteuning. Er zijn voor deze categorie op dit moment geen indicatoren bekend die voldoen aan de kwaliteitseisen van deze publicatie.
Uitkomsten hebben betrekking op het aandeel mensen met risico op armoede of sociale uitsluiting.noot1 Het percentage van de bevolking dat leeft in relatieve inkomensarmoede is opgelopen tot 13,2 in 2017. Waar Nederland in 2011 nog het op een na laagste percentage had, is het inmiddels gezakt tot de vijfde plaats. De armoedekloof (hoever ligt het mediane inkomen van armen onder de Nederlandse armoedegrens) komt in 2017 uit op 17,8 procent. Binnen de EU valt Nederland wat dit betreft in de middenmoot.
Het aandeel mensen met risico op armoede of sociale uitsluiting is in Nederland toegenomen, naar 17 procent van de bevolking. Het gaat hier om mensen die te maken hebben met inkomensarmoede of lage economische activiteit, of die materieel sterk achtergesteld zijn. In de meeste andere EU-lidstaten daalt dit aandeel licht, maar dat is onvoldoende om de EU2020 doelstelling van een significante daling nu al te halen (Ministerie van Economische Zaken, 2017a; Europese Commissie, 2010). Wel is het risico op armoede of sociale uitsluiting in Nederland laag vergeleken met andere EU-landen.
Beleving gaat over de ervaren bestaanszekerheid. Het percentage mensen dat zegt zich veel zorgen te maken over zijn of haar financiële toekomst is afgenomen, zowel trendmatig als gedurende het laatste meetjaar. In 2018 kende ruim een kwart van de bevolking dergelijke zorgen.
Meer lezen over Armoede en sociale uitsluiting.
SDG 2 Geen honger
SDG 2 betreft een einde aan honger. Vergeleken met andere landen komt ondervoeding en voedselonzekerheid hier niet vaak voor. Binnen dit dashboard wordt daarom het accent gelegd op de duurzaamheid van de voedselproductie (SDG 2.4) en de impact van de voedselproductie op de kwaliteit van de leefomgeving en het dierenwelzijn. In dit hoofdstuk wordt tevens ingegaan op SDG 12.3, die tot doel heeft om in 2030 de voedselverspilling per inwoner ten opzichte van 2015 te halveren (Ministerie van Economische Zaken, 2017b).
Middelen en mogelijkheden betreffen de hoeveelheid land en vee die ter beschikking staat ten behoeve van de voedselproductie. De productie van de landbouw per arbeidsjaar stijgt trendmatig. Internationaal gezien staat Nederland hiermee aan de top (tweede binnen de EU). De veestapeldichtheid neemt trendmatig toe en was de hoogste van alle EU-landen in 2016. Hoewel een hoge veestapeldichtheid vanuit het perspectief van voedselproductie als positief geduid wordt, heeft deze vanuit het perspectief van dierenwelzijn en druk op het milieu ongewenste gevolgen.
Gebruik betreft de wijze waarop en de mate van duurzaamheid waarmee voedsel geproduceerd wordt. Het areaal waarop biologische landbouw wordt toegepast neemt trendmatig toe en besloeg in 2017 3,1 procent van het totale areaal cultuurgrond. Internationaal gezien is dat een klein aandeel. Eiwitrijke gewassen zoals peulvruchten en sojabonen worden in toenemende mate geteeld, waarmee meer vleesvervangend voedsel ter beschikking komt. Het areaal van deze gewassen besloeg 0,5 procent van het totale areaal cultuurgrond in 2018. Weidegang van melkvee en antibioticagebruik in de veehouderij zijn trendmatig gedaald. Minder weidegang wordt gezien als negatief voor het dierenwelzijn. Ruim twee derde van het melkvee had weidegang in 2017.
Uitkomsten beschrijven de betaalbaarheid van voedsel en de impact van voedselproductie op de leefomgeving en het dierenwelzijn. Het effect van productiemethoden in de landbouw op het lokale milieu en de waterkwaliteit is gerelateerd aan onder andere de benuttingspercentages voor stikstof en fosfor. De opname van stikstof in gewassen ten opzichte van de totale stikstofaanvoer via meststoffen was 60 procent in 2017. Het overige deel van de stikstof vervluchtigt naar de lucht (6 procent) of blijft achter in de bodem (34 procent), waarna het uitspoelt naar grond- en oppervlaktewater. Nederland staat qua stikstofbenutting internationaal gezien laag, als dertiende van zestien EU-landen in 2015. Het benuttingspercentage van fosfor ligt met 94 procent een stuk hoger. Daarmee is evenwichtsbemesting bij fosfor in zicht.
Het SDG-doel op het terrein van voedselverspilling betekent voor Nederland een streefdoel van 63 kilo per inwoner in 2030. Tussen 2011 en 2016 nam voedselverspilling af van 143 kilo naar 125 kilo per inwoner.
Beleving betreft tevredenheid met de kwaliteit en het aanbod van voedsel en tevredenheid met leefomgeving en dierenwelzijn. Er zijn voor deze categorie op dit moment geen indicatoren bekend die voldoen aan de kwaliteitseisen van deze publicatie.
Meer lezen over Groene groei.
Meer lezen over Duurzame agrogrondstoffen.
Meer lezen over Duurzame landbouw.
SDG 3 Goede gezondheid en welzijn
SDG 3 streeft naar een goede gezondheid voor mensen van alle leeftijden. De VN wil voortijdige sterfte veroorzaakt door overdraagbare en niet-overdraagbare ziektes of mentale problemen voorkomen. Deze wereldwijde doelstellingen komen in Nederland onder andere terug in het Nationaal Preventieakkoord. Hierin worden roken, overgewicht en problematisch alcoholgebruik uitgelicht, leefstijlelementen die op dit moment de belangrijkste oorzaken van ziektelast en vroegtijdige sterfte zijn (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2018a). Het akkoord streeft er onder meer naar dat Nederland in 2040 een rookvrije generatie kent en het aandeel volwassenen met overgewicht is gedaald tot 38 procent of lager. Hoog op de agenda staat ook het voorkomen van ernstige infectieziekten. In de brief ‘Verder met vaccineren’ (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2018b) roept de staatsecretaris zorgprofessionals en andere betrokkenen op om zich in te zetten voor het vaccineren, om zo de samenleving zo goed mogelijk te beschermen tegen uitbraken van infectieziekten.
Middelen en mogelijkheden betreffen de middelen die worden ingezet om het zorgstelsel te onderhouden en te verbeteren. Nederland blijft aan de top van de Europese ranglijst wat betreft de uitgaven aan gezondheidszorg als percentage van het bbp en het aantal in de zorg gewerkte uren per inwoner. Trendmatig zijn hier geen veranderingen.
Gebruik betreft gedrag dat van invloed is op gezondheid en het gebruik dat mensen maken van de zorg. Twee belangrijke indicatoren voor een gezonde leefstijl zijn overgewicht en roken. Het aandeel van mensen met overgewicht stijgt al enkele jaren en bedroeg in 2018 ruim 50 procent. Het percentage rokers daalt: in 2018 rookte 21 procent. Europees gezien neemt Nederland een positie in de middenmoot in. Een indicator voor het gebruik van het zorgaanbod is de basisvaccinatiegraad voor mazelen. Deze vaccinatiegraad is trendmatig gedaald. In 2017 was ongeveer 93 procent van de kinderen gevaccineerd. Dit percentage is Europees gezien relatief laag hetgeen ook gezondheidsrisico’s oplevert, vooral voor jonge kinderen.
Uitkomsten hebben betrekking op de actuele fysieke en mentale gezondheid van de bevolking in samenhang met de kwaliteit van de zorg. De meest directe manier om de actuele gezondheid te beoordelen is de levensverwachting. De gezonde levensverwachting bij mannen neemt trendmatig toe, bij vrouwen blijft deze op hetzelfde niveau. De mentale gezondheid wordt in de meest extreme vorm gemeten door te kijken naar de ontwikkeling van het aantal zelfdodingen. Deze nemen trendmatig toe. De kwaliteit van de gezondheidszorg wordt onder andere gemeten door te kijken naar sterfte van pasgeborenen; het betreft 2,7 kinderen per 1 000 levendgeborenen (zie ook Broersen, 2018), een aantal dat trendmatig stabiel is. Nederland staat hiermee in de Europese middenmoot.
Beleving beschrijft de tevredenheid van burgers met de eigen gezondheid en het Nederlandse zorgstelsel. Het aantal mensen dat de eigen gezondheid als heel goed ervaart neemt af. Overigens scoort Nederland Europees gezien hoog op deze indicator.
Meer lezen over Overgewicht.
Meer lezen over Roken.
Meer lezen over Langdurige zorg.
SDG 4 Kwaliteitsonderwijs
SDG 4 betreft goed onderwijs voor iedereen. Onderwijs gaat dwars door alle levensfasen heen, van voorschoolse educatie (SDG 4.2) tot ‘een leven lang leren’ (SDG 4.3). Vaardigheden van leerlingen (SDG 4.1) en de bevolking (SDG 4.6) kunnen worden gerelateerd aan de kwaliteit van het onderwijs. Ook voorziet onderwijs de huidige en toekomstige werkenden van vaardigheden die nodig zijn om te werken in een kennisintensieve omgeving (SDG 4.4).
Middelen en mogelijkheden betreffen de omvang en betaalbaarheid van onderwijs. De overheidsuitgaven aan het onderwijs als percentage van het bbp dalen trendmatig. Nederland staat momenteel binnen de EU in de middenmoot. Het aantal gewerkte uren in het onderwijs per inwoner is trendmatig stabiel, maar Europees gezien is sprake van een daling van de Nederlandse positie.
Gebruik heeft betrekking op de participatie in het onderwijs. De deelname aan onderwijs van kinderen vanaf 4 jaar tot het begin van de leerplichtige leeftijd bedroeg in 2017 97,6 procent. Nederland staat op de zesde plaats binnen de EU. Tijdens de schoolloopbaan valt 7,4 procent van de jongeren voortijdig uit het onderwijs. Het beleidsdoel van minder dan 8 procent schooluitval in 2020 is hiermee al bereikt (Ministerie van Economische Zaken, 2017a).noot1 De deelname aan ‘leven lang leren’ neemt trendmatig toe en kwam in 2018 uit op 19,5 procent. Hiermee is de Nederlandse doelstelling van 20 procent in 2020 bijna gehaald (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2018a). Binnen de EU neemt Nederland op dit punt een vierde positie in.
Uitkomsten betreffen het bereikte opleidingsniveau en het niveau van specifieke vaardigheden. Het beleidsdoel van meer dan 40 procent tertiair of hoger opgeleiden onder de 30- tot 35‑jarigen in 2020 was in 2018 met 49,2 procent al behaald (Ministerie van Economische Zaken, 2017a; Europese Commissie, 2010). Voor de bevolking 25 tot 65 jaar was dit percentage 38,1 in 2018. De trends zijn bij beide leeftijdsgroepen opwaarts. Het aandeel middelbaaropgeleiden, waaronder mensen met een praktijkonderwijsdiploma, is stabiel gebleven. De toetsen van de onderwijsinspectie (voor leerlingen in groep 8) en de PIAAC-toetsen (16- tot 66‑jarigen) geven een goede indicatie van opgedane vaardigheden.noot2 Voor wiskunde en leesvaardigheid scoren Nederlandse jongeren hoog. Beide scores zijn lager dan de resultaten uit 2012. De Nederlandse bevolking van 15 tot 66 jaar is zeer vaardig in taal en rekenen, gezien de hoge internationale positie. Voor een kennisintensieve economie zijn digitale vaardigheden onmisbaar. Ook hier scoort Nederland zeer hoog: tweede van 27 EU-landen in 2017.
Beleving gaat over hoe mensen onderwijs en opleidingskansen ervaren. Van de volwassen bevolking was 81,5 procent in 2018 (zeer) tevreden met de opleidingskansen in Nederland. Deze tevredenheid is trendmatig toegenomen.
Meer lezen over Onderwijs.
Meer lezen over de Jeugd en onderwijs.
Meer lezen over Volwasseneneducatie.
SDG 5 Gendergelijkheid
SDG 5 heeft betrekking op gelijke behandeling van mannen en vrouwen en op hun gelijkwaardige positie in de samenleving. Deze worden onder meer afgemeten aan het verschil in loon, aan arbeidsdeelname en aan de positie van vrouwen in bedrijfsleven en bestuur (SDG 5.5). Ook het terugdringen van tegen vrouwen gericht geweld vormt een specifieke SDG-doelstelling (5.2). Vanuit het streven naar een meer gelijke positie van vrouwen en mannen heeft het kabinet verschillende beleidsdoelen geformuleerd: meer economisch zelfstandige vrouwen, betere doorstroming van vrouwen naar hogere functies, dichten van de loonkloof tussen mannen en vrouwen en minder intimidatie en geweld tegen vrouwen (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2018b).
Middelen en mogelijkheden gaan over rechten en vrijheden van mannen en vrouwen en de mogelijkheid deze te gebruiken. Er zijn voor deze categorie op dit moment geen indicatoren bekend die voldoen aan de kwaliteitseisen van deze publicatie.
Gebruik betreft de mate waarin vrouwen en mannen maatschappelijk en economisch participeren. Bij de nettoarbeidsparticipatie van zowel mannen als vrouwen is de trend stabiel. In 2018 kwam de arbeidsdeelname van vrouwen uit op 63,2 procent, vergeleken met 72,5 procent voor mannen. In de EU-28 bevindt Nederland zich zowel bij vrouwen als mannen in de voorhoede. Hier moet worden aangemerkt dat deze rangschikking geen rekening houdt met het aantal gewerkte uren: veel vrouwen (en relatief veel mannen) in Nederland werken in deeltijd. In het Nederlandse hoger onderwijs zijn vrouwelijke studenten al een aantal jaren in de meerderheid: in 2017 was ruim 52 procent van de studenten vrouw. In de meeste andere Europese landen ligt het percentage vrouwelijke studenten hoger.
Uitkomsten betreffen de effecten van participatie op gendergelijkheid. Ruim een kwart van de posities in het hogere management en middenkader werd door een vrouw bezet in 2017. Nederland is daarmee een van de laagst scorende EU-landen. Het percentage vrouwelijke Tweede Kamerleden daalt trendmatig en kwam in 2018 uit op 36. Nederland is op dit punt gedaald in de EU-rangorde. Het uurloonverschil tussen mannen en vrouwen is trendmatig gedaald naar 15 procent in 2017. Daarmee zit Nederland in de Europese middenmoot. Voor zowel vrouwen als mannen geldt dat een toenemend percentage hoogopgeleid is, waarbij de toename van hoogopgeleide vrouwen sneller gaat dan bij de mannen. Het kabinet heeft zich ten doel gesteld dat meer vrouwen economisch zelfstandig worden, d.w.z. minimaal het bijstandsniveau verdienen. Het aandeel neemt vooral sinds 2014 toe en was in 2017 ruim 60 procent. In het kabinetsstreven naar sociale veiligheid voor alle burgers, is een van de focuspunten minder intimidatie en geweld tegen vrouwen. Fysiek en/of seksueel geweld door de (ex-)partner is hier een aspect van. In 2017 gaven 1,7 op de duizend vrouwen aan na hun vijftiende slachtoffer te zijn geweest van fysiek of seksueel geweld door de huidige of ex-partner. De gezonde levensverwachting voor vrouwen (d.w.z. zonder beperkingen in het functioneren) is sinds 2011 vrijwel stabiel, bij mannen is het aantal verwachte gezonde levensjaren gestegen met ruim één jaar in dezelfde periode. Daarmee is het verschil tussen mannen en vrouwen groter geworden.
Beleving gaat om de persoonlijke ervaring van gender(on)gelijkheid. Er zijn voor deze categorie op dit moment geen indicatoren bekend die voldoen aan de kwaliteitseisen van deze publicatie.
Meer lezen over Emancipatie.
SDG 6 Schoon water en sanitair
De toegang tot schoon drinkwater en sanitaire voorzieningen is goed geregeld in Nederland. De focus van dit dashboard ligt daarom op waterkwaliteit (SDG 6.3) en de efficiëntie van watergebruik. Lozing van vervuilende stoffen in binnenlandse wateren en op de bodem beïnvloedt de kwaliteit van natuurlijke binnenwateren en het grondwater. Met waterzuivering wordt emissie teruggebracht en de kwaliteit verbeterd. Zuiniger zijn met water (een hogere waterproductiviteit) is bijvoorbeeld van belang voor het verminderen van de druk op zoetwaterbronnen bij groeiende economische activiteit.
Middelen en mogelijkheden betreffen de middelen waarmee huishoudens worden voorzien van schoon en betaalbaar drinkwater. De drinkwatervoorziening is in Nederland zeer goed geregeld. De productiekosten van drinkwaterbedrijven zijn de laatste jaren licht gedaald.
Gebruik betreft de hoeveelheid onttrekking van water aan het milieu, de efficiëntie van drinkwatergebruik en de mate van zuivering van afvalwater. De zuiveringsrendementen voor stikstof en fosfor bij stedelijk afvalwater zijn hoog. In 2016 werd 85 procent van alle stikstof en 87 procent van het fosfor uit het afvalwater verwijderd. De trend is bij stikstof positief, wat duidt op een nog efficiëntere zuivering. De winning van zoetwater uit oppervlaktewater en grondwater bedroeg 469 m3 per inwoner in 2016. Trendmatig is deze winning gedaald in de periode 2011–2016. Een aanzienlijk deel van deze zoetwaterwinning betreft de onttrekking voor gebruik als koelwater, dat daarna grotendeels weer beschikbaar komt. Bij koelwater is echter een verschuiving zichtbaar van zoet- naar zoutwateronttrekking, hetgeen de afname van de totale zoetwaterwinning deels verklaart. Vergeleken met andere EU-landen onttrekt Nederland vrij veel water aan het oppervlakte- en grondwater. De waterproductiviteit – een maatstaf voor de efficiëntie van het watergebruik door het bedrijfsleven – lag in 2016 op 78 euro per m3. Dit betekent dat er per kubieke meter water 78 euro aan toegevoegde waarde werd gegenereerd. Dit was in 2012 nog 56 euro. De waterproductiviteit hangt deels samen met de samenstelling van het bedrijfsleven. Zo hebben landen met een relatief grote dienstensector (laag waterverbruik) al snel een hogere waterproductiviteit dan landen met waterintensieve industrie zoals Nederland (waar met name veel koelwater wordt gebruikt).
Uitkomsten hebben betrekking op de kwaliteit, betaalbaarheid en duurzaamheid van het drinkwater. De kwaliteit van het zwemwater in de Nederlandse binnenwateren is een alternatief voor de infrequente gegevens over chemische en biologische waterkwaliteit uit de Kaderrichtlijn Water. De kwaliteit van het zwemwater stijgt trendmatig. In 2018 heeft bijna 73 procent de kwalificatie ‘uitstekend’ gekregen. Deze indicator is relevant voor de productie van drinkwater omdat in Nederland naast grondwater ook oppervlaktewater onttrokken en gezuiverd wordt ten bate van drinkwaterproductie.
Beleving betreft de tevredenheid met het drinkwater. De klanttevredenheid met het drinkwater was in 2015 hoog.
Meer lezen over Waterrekeningen.
Meer lezen over Waterindicatoren in de SDG’s.
SDG 7 Betaalbare en duurzame energie
De beschikbaarheid, duurzaamheid en betaalbaarheid van energie behoren tot de belangrijkste onderwerpen in de maatschappelijke en politieke debatten van de afgelopen jaren. In Nederland is de beschikbaarheid van energie goed geregeld. Daarom is het dashboard van SDG 7 gericht op SDG’s 7.2 (hernieuwbare energie) en 7.3 (energie-efficiëntie). De uitstoot van broeikasgassen (zie SDG 13 over klimaat) is vooral een gevolg van de verbranding van fossiele brandstoffen in elektriciteitscentrales, industrie, auto’s, huizen en andere gebouwen. De ontwikkeling en het gebruik van technologieën voor energiebesparing en hernieuwbare energiebronnen zijn een wezenlijk middel om energieverbruik en de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verminderen. Dit heeft een positief effect op de brede welvaart in de toekomst.
Middelen en mogelijkheden betreffen de beschikbaarheid en betaalbaarheid van energie en de investeringen in duurzame energievoorziening. Als indicator voor de betaalbaarheid van energie is gekeken naar de uitgaven aan energie door huishoudens als aandeel van de totale consumptieve uitgaven. Dit aandeel is in 2018, met 3,3 procent, iets hoger dan het jaar ervoor. Internationaal geven Nederlanders relatief weinig uit aan energie. Nederland staat in 2017 op de zevende plaats op de ranglijst van 27 EU-landen. De investeringen in hernieuwbare energie en energiebesparingen zijn trendmatig gestegen naar 0,9 procent van het bbp in 2016. Het in Nederland opgestelde vermogen voor hernieuwbare elektriciteit is in de periode 2011–2018 toegenomen van 150 naar bijna 500 megawatt per miljoen inwoners. De fossiele energiereserves zijn afgenomen in de periode 2011–2017.
Gebruik betreft de hoeveelheid energie die wordt gebruikt en bespaard.noot3 Het bruto binnenlands energieverbruik per inwoner en de energie-intensiteit van de economie dalen trendmatig. Vergeleken met de andere EU-landen heeft Nederland echter nog altijd een hoog energieverbruik per inwoner (23e positie in 2016). Dit heeft te maken met een relatief energie-intensieve industrie.
Uitkomsten betreffen de betaalbaarheid, duurzaamheid en verspilling van energie. Het aandeel hernieuwbare energie is trendmatig toegenomen naar 6,6 procent in 2017, minder dan de helft van de doelstelling van 14 procent hernieuwbare energie in 2020. Op de EU-ranglijst staat Nederland vrijwel onderaan op een 27e positie. De invoer van fossiele energiedragers is trendmatig toegenomen, hetgeen deels samenhangt met de afname van gaswinning in Groningen. Nederland staat hiermee laatste op de EU-ranglijst in 2017, waarbij de kanttekening gemaakt moet worden dat een deel van deze invoer weer wordt uitgevoerd. Het verbruik van aardolieproducten is gestegen.
Beleving betreft de tevredenheid met de prijs en beschikbaarheid van energiebronnen. Er zijn voor deze categorie op dit moment geen indicatoren bekend die voldoen aan de kwaliteitseisen van deze publicatie.
Meer lezen over de Nationale energieverkenning.
Meer lezen over Opvattingen en gedrag m.b.t. milieu en duurzame energie.
Meer lezen over Hernieuwbare energie.
SDG 8 Waardig werk en economische groei: economie en productiefactoren
Hoewel brede welvaart veel meer omvat dan het bbp, vormt een hoog bbp (SDG 8.1) een belangrijke factor. Voor de productie van goederen en diensten is input nodig van de productiefactoren kapitaal, arbeid en grondstoffen. Een belangrijke vraag is of deze duurzaam en productief worden ingezet (SDG 8.2 en 8.4). Een tweede vraag is hoe de winsten en inkomens verdeeld worden tussen burgers en bedrijven. Al deze factoren bepalen tezamen of de economische groei efficiënt en duurzaam is.
Middelen en mogelijkheden betreffen de hoeveelheid arbeid, kapitaal en kennis die wordt ingezet bij de productie van goederen en diensten. De bruto-investeringen in materiële vaste activa laten een stabiele trend zien in de periode 2011–2018. In het laatste jaar laten deze een stijging zien. Europees gezien investeert Nederland relatief weinig. Het aantal gewerkte uren per inwoner is in 2018 gestegen. Vergeleken met andere landen in de EU worden er in Nederland per inwoner gemiddeld weinig uren gewerkt.
Gebruik betreft de productiviteit en duurzaamheid van de inzet van middelen. Hoe duurzaam en efficiënt productiefactoren worden ingezet, is mede af te meten aan diverse economische ratio’s. De arbeidsproductiviteit, ofwel de toegevoegde waarde per gewerkt uur (een maat voor de efficiëntie van arbeidsuren) is sinds de crisis geleidelijk toegenomen. Europees gezien kent Nederland een relatief hoge arbeidsproductiviteit. De grondstoffenproductiviteit is eveneens trendmatig toegenomen. Nederland staat wat dit betreft al jaren bovenaan in de EU-ranglijst. Nederland haalt dus relatief veel rendement uit de verbruikte grondstoffen.
Uitkomsten hebben betrekking op het tempo, de efficiëntie en de duurzaamheid van economische groei. Het bbp per inwoner stijgt trendmatig. Nederland staat nu op een vijfde positie in de EU. Deze positie is al jaren vrij stabiel. Een actueel beleidsthema is de verdeling van winsten en beloning in de economie. De arbeidsinkomensquote (AIQ) geeft een indicatie hiervan. Voor werkenden is een hogere AIQ gunstig. Trendmatig bleef de AIQ vlak in de voorbije acht jaar. In 2017 nam zij af met 0,2 procentpunt. De grondstoffenvoetafdruk geeft aan hoeveel grondstoffen er mondiaal worden verbruikt als gevolg van de Nederlandse binnenlandse vraag. Deze voetafdruk is trendmatig toegenomen.
Beleving betreft het vertrouwen van consumenten en producenten. Vertrouwen in hoe het met de economie gaat wordt in belangrijke mate door de conjunctuur bepaald, maar ook door economisch beleid. Alle trends in de drie stemmingsindicatoren in het dashboard staan op groen. Wel zijn er kortetermijnschommelingen te zien; zo daalde het consumentenvertrouwen in de tweede helft van 2018 plotseling zeer sterk.
Meer lezen over de Nederlandse economie.
Meer lezen over de Conjunctuur.
SDG 8 Waardig werk en economische groei: arbeid en vrije tijd
Eerlijk werk is belangrijk voor het genereren van inkomen, deelname aan de samenleving en de eigenwaarde van mensen. Voor veel mensen is het van belang of ze aan werk kunnen komen en blijven, en voldoende kunnen verdienen (SDG 8.5). Daarnaast willen ze kunnen werken onder goede arbeidsomstandigheden, met relevante en interessante werkzaamheden en in een goede balans met hun privéleven (SDG 8.8). Vrije tijd geeft zin aan het leven door ontspanning, sociale contacten en persoonlijke ontwikkeling.
Middelen en mogelijkheden betreffen mogelijkheden voor deelname aan de arbeidsmarkt, het aantal beschikbare banen en de opbrengsten van werk. De werkloosheid in Nederland was met 3,8 procent in 2018 relatief laag vergeleken met die in andere EU-landen. Op langdurige werkloosheid nam Nederland in 2017 een middenpositie op de Europese ranglijst in. In 2018 daalde de langdurige werkloosheid naar 1,3 procent van de beroepsbevolking. De vacaturegraad stijgt trendmatig en recentelijk nog zeer sterk, naar 30 vacatures per duizend banen eind 2018. Voor werkzoekenden is dit gunstig. Nederland staat hier op de derde plek.
Gebruik betreft participatie op de arbeidsmarkt. De nettoarbeidsparticipatie bedroeg in 2018 bijna 68 procent van de bevolking van 15 tot 75 jaar. Internationaal gezien heeft Nederland een relatief hoge arbeidsparticipatie. De doelstelling van een brutoarbeidsparticipatie van ten minste 80 procent voor 20- tot 65‑jarigennoot5 werd een aantal jaren geleden al behaald. In 2018 bedroeg de brutoarbeidsparticipatie 82 procent. Hier staat tegenover dat de gemiddelde arbeidsduur met 27,5 gewerkte uren per werkende per week relatief laag is vergeleken met die in andere Europese landen. Wel is het trendmatig aan het stijgen.
Uitkomsten gaan over arbeidsomstandigheden, veiligheid op het werk en de balans tussen werk en vrije tijd. Het gemiddelde Nederlandse uurloon is hoog binnen de EU. Het aantal niet-fatale arbeidsongevallen is trendmatig gedaald, hoewel in het meest recente jaar weer sprake is van een stijging.
Beleving betreft de vraag of mensen tevreden zijn over hun werk, hun arbeidsomstandigheden en hun vrije tijd. Het CBS en TNO rapporteerden dat 16,3 procent van de werknemers zich zorgen maakt om het behoud van zijn of haar baan. Dit percentage daalt trendmatig. De verwachting voor de eigen financiële situatie stijgt trendmatig, maar werd in 2018 wat minder positief. Volgens cijfers van het CBS en TNO was bijna 73 procent van de werknemers in 2018 tevreden over zijn of haar arbeidsomstandigheden. Nederland stond wat dit betreft in 2015 tweede binnen de EU. In 2018 was bijna drie kwart van de bevolking tevreden met de vrije tijd.
Meer lezen over de Arbeidsmarkt.
Meer lezen over Arbeidsdeelname.
SDG 9 Industrie, innovatie en infrastructuur: infrastructuur en mobiliteit
SDG 9 betreft bedrijven, innovatie en infrastructuur. Dit dashboard gaat over de infrastructuur, maar is breder in opzet dan SDG 9.1, omdat er ook de persoonsmobiliteit in is opgenomen. Mobiliteit en infrastructuur stellen mensen in staat om te werken, contacten te onderhouden en vrije tijd in te vullen. Een groot deel van de persoonsmobiliteit betreft woon-werkverkeer met verschillende vervoerswijzen. Mobiliteit heeft ook nadelige effecten voor samenleving en milieu, onder andere tijdverlies als gevolg van files, onveiligheid in het verkeer en de druk op het milieu.
Middelen en mogelijkheden gaan over de beschikbare middelen voor onderhoud en ontwikkeling van het netwerk van infrastructuur en de mogelijkheden die biedt voor betaalbaar, veilig en efficiënt transport van personen en goederen. De totale lengte van zowel de openbare wegen als het spoor is trendmatig gestegen. In 2018 bedroegen investeringen in de infrastructuur 2,4 procent van het bbp.
Gebruik beschrijft het volume van vervoersbewegingen met verschillende vervoersmiddelen. Er is geen trendmatige toename van de verhouding tussen het volume van personenvervoer en het bbp en die tussen het vrachtvervoer en het bbp. Dit betekent dat er een directe relatie is tussen de omvang van de economie en het aantal vervoersbewegingen. Idealiter zou het aantal vervoersbewegingen achterblijven bij de groei van het bbp. Nederland staat bij het personenvervoer ten opzichte van het bbp al jaren zeer laag op de EU-ranglijst. Bij het vrachtvervoer staat Nederland juist relatief hoog. Het gemotoriseerde personenvervoer is het grootst per auto (86 procent), gevolgd door de trein (11 procent). Hierin is niet veel veranderd ten opzichte van 2011. De afgelegde kilometers per fiets komen uit een andere databron en kunnen daardoor niet rechtstreeks vergeleken worden. Het aandeel elektrische auto’s in het totale autobezit in Nederland is gestegen van 0,7 procent in 2011 tot 3,2 procent in 2018.
Uitkomsten betreffen de effecten van mobiliteit, zoals files en vertragingen, ongelukken, vervuiling en geluidshinder. Het overheidsstreven is nul verkeersdoden in 2050 (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, SPV 2018).noot6 In 2017 vielen er 35,8 dodelijke verkeersslachtoffers per miljoen inwoners. Dit is vergeleken met andere EU-landen een laag aantal. In Nederland ervaart, na een trendmatige toename, ruim een kwart van de huishoudens geluidshinder van verkeer of van buren. Hiermee behaalt Nederland bijna de laagste score in de EU. Het tijdverlies door files en vertraging is ook trendmatig toegenomen. De CO2‑uitstoot van het binnenlands verkeer en vervoer per inwoner was in 2017 ten opzichte van 2011 stabiel. Wel moet opgemerkt worden dat er in 2014 duidelijk minder uitstoot was en dat sindsdien de uitstoot is toegenomen. Nederlandse luchtvaartmaatschappijen dragen in toenemende mate bij aan CO2‑uitstoot.noot7 De uitstoot van de Nederlandse luchtvaart is al jaren relatief hoog. In 2017 bezet ze hiermee een 26e plek binnen de EU.
Beleving betreft geluidshinder en de tevredenheid met de woon-werkreistijd. Het percentage huishoudens dat geluidshinder van verkeer en/of buren ervaart stijgt. Nederland scoort op dit vlak slecht ten opzichte van andere EU-landen. Het percentage mensen dat tevreden is over de woon-werkreistijd is afgenomen naar 81,5 in 2018.
Meer lezen over Wegvoertuigen
Meer lezen over Transport en mobiliteit.
SDG 9 Industrie, innovatie en infrastructuur: duurzame bedrijvigheid
SDG’s 9.2, 9.3 en 9.4 betreffen de versterking en verduurzaming van de industrie en de toegang van kleine bedrijven tot hoogwaardige markten en externe financiering. Veel van deze onderwerpen vallen onder de noemer maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo). Mvo loopt door veel SDG’s heennoot8: toegang tot krediet voor kleinere bedrijven, aandacht voor werknemers, verduurzaming van productieprocessen, en inclusieve en duurzame waardeketens van inkoop tot afnemers, al dan niet over de landsgrenzen heen. In Nederland zijn vooral de relaties tussen bedrijven en werknemers, de rol van het midden- en kleinbedrijf (mkb) en de grote bedrijven en duurzame productieprocessen en producten van belang.
Middelen en mogelijkheden betreffen de mogelijkheden voor bedrijven om hun productieprocessen, energieverbruik en waardeketens duurzaam te maken. Van de mkb-bedrijven ervaart 6,5 procent de toegang tot financiering als grootste beperking voor hun bedrijfsvoering. Dit percentage is fors gedaald: in 2013 was het nog bijna 20. Hiermee neemt Nederland momenteel een middenpositie op de EU-ranglijst in. De toegevoegde waarde van de milieusector (bedrijven actief op het gebied van milieubescherming en het beheer van natuurlijke hulpbronnen, waaronder energiebesparing) stijgt trendmatig en kwam in 2016 uit op 2,2 procent van het bbp. De werkgelegenheid in deze sector is relatief weinig toegenomen. Van de honderd bedrijven met de grootste omzet publiceerden 82 in 2017 een mvo-jaarverslag. Internationaal gezien scoort Nederland hiermee relatief hoog. Het percentage is sinds 2011 niet of nauwelijks veranderd.
Gebruik gaat over de inspanning van bedrijven om hun productieprocessen, energieverbruik en waardeketens duurzaam te maken. De energie-intensiteit van de economie is een maat voor de efficiëntie van energiegebruik. Deze waarde daalt trendmatig. Internationaal gezien staat Nederland momenteel in de middelste regionen van de EU-ranglijst. Het binnenlands materialenverbruik per inwoner daalt in de laatste jaren. Nederland staat met zijn relatief lage materialenverbruik al jaren hoog op de EU-ranglijst.
Uitkomsten hebben betrekking op de feitelijke duurzaamheid van productieprocessen en waardeketens. Het Nederlandse mkb heeft een aandeel van ruim 62 procent in de toegevoegde waarde van de gehele niet-financiële sector. Hiermee staat Nederland in de Europese middenmoot. De broeikasgasintensiteit (een maat voor de ‘doelmatigheid’ van broeikasgasuitstoot: hoeveelheid CO2 uitgestoten per euro bbp) daalt trendmatig.
Beleving heeft betrekking op de tevredenheid met de arbeidsomstandigheden en het vertrouwen in banken respectievelijk grote bedrijven. Volgens cijfers van het CBS en TNO was bijna 73 procent van de werknemers in 2018 tevreden over zijn of haar arbeidsomstandigheden. In 2015 stond Nederland qua werknemerstevredenheid tweede binnen de EU.
Meer lezen over het Midden- en kleinbedrijf.
SDG 9 Industrie, innovatie en infrastructuur: kennis en innovatie
Kennis is essentieel voor het verhogen van economische prestaties en het vinden van oplossingen voor grote maatschappelijke problemen. Kennis kan worden omgezet in nieuwe technologieën en processen waarmee productieprocessen en producten kunnen worden verbeterd en verduurzaamd. Daarnaast heeft kennis sociaal-culturele en intrinsieke waarde. Van belang in dit verband is het investeren in kennis (door publieke en private partijen), het uitbreiden van ICT en andere technologie en het verbeteren van de (kennis)kapitaalgoederenvoorraad (SDG 9.5). Toegang tot het internet is van groeiend belang voor de toegang tot kennis (SDG 9.c).
Middelen en mogelijkheden betreffen het geld, de menskracht en de infrastructuur voor het ontwikkelen, delen en toepassen van kennis en innovatie. De totale uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling (R&D) zijn sinds 2011 licht gestegen. De stijging zit vooral bij de private uitgaven. De publieke uitgaven stagneren tussen de 0,8 en 0,9 procent van het bbp. De brutoinvesteringen in materiële vaste activa als percentage van het bbp (dat zijn vooral investeringen in machines en werktuigen) zijn na de economische crisis lange tijd gedaald. Deze investeringen groeien weer maar zijn nog altijd relatief lager dan in veel andere EU-landen. De investeringen in ICT zijn daarentegen trendmatig gegroeid. Het percentage was in 2017 hoger dan in andere EU-landen. Ook hebben in Nederland relatief meer huishoudens breedbandinternetverbinding en toegang tot het internet dan in de rest van de EU.
Gebruik betreft de kennis die wordt geproduceerd, de innovaties die worden geïntroduceerd en de kennisnetwerken die worden gevormd. De groei van het aantal wetenschappelijke publicaties per miljoen inwoners stagneert. Voor het eerst in jaren is de trend niet langer stijgend maar neutraal. De ontwikkeling van het aantal octrooiaanvragen per miljoen inwoners stijgt daarentegen trendmatig. Bij beide indicatoren staat Nederland in de top vijf van de EU. Een relatief groot deel van de Nederlandse bedrijven is technologisch innoverend. Ook hier staat Nederland in de top van de EU-ranglijst.
Uitkomsten betreffen de mate waarin nieuwe technologieën en kennis worden ingebed in de kapitaalgoederenvoorraad die de huidige en toekomstige generaties nodig hebben. De fysieke kapitaalgoederenvoorraad (de hoeveelheid machines, werktuigen en andere productiemiddelen) per gewerkt uur is sinds 2013 gedaald, al is de trendmatige ontwikkeling nog stabiel. Deze ontwikkeling deed zich in een groot deel van de EU voor, waardoor Nederland steevast tot de top vijf van de EU-ranglijst behoort. De kenniskapitaalgoederenvoorraad blijft daarentegen trendmatig stijgen. Hier staat Nederland hoog in de EU-ranglijst (tweede van de dertien in 2017).
Beleving heeft betrekking op het vertrouwen van mensen in wetenschap en innovatie. Het vertrouwen in de wetenschap is relatief hoog.
Meer lezen over ICT, kennis en economie.
SDG 10 Ongelijkheid verminderen: sociale samenhang en ongelijkheid
SDG 10 betreft het verminderen van ongelijkheid binnen en tussen landen. Dit dashboard behandelt een belangrijk immaterieel aspect van ongelijkheid binnen landen, te weten de sociale samenhang. Sociale samenhang is onontbeerlijk voor het goed functioneren van een samenleving. De sociale infrastructuur, zoals familieverbanden, buren, vrienden, verenigingen en hulp en ondersteuning vormt hiervan de basis. Mensen moeten in staat zijn hieraan mee te kunnen doen (conform SDG’s 10.1 en 10.2), zodat ze zich deel van een groep kunnen voelen (SDG 10.3). Een bijzondere plaats in dit alles wordt ingenomen door migratievraagstukken (SDG 10.7).
Middelen en mogelijkheden gaan over sociaal kapitaal, sociale structuren en inkomensongelijkheid. In de context van deze SDG wordt gestreefd naar een lagere inkomensongelijkheid. De inkomensongelijkheid (gemeten met behulp van zowel de ratio-80/20 als de Gini-coëfficiënt) is in Nederland vergeleken met andere EU-landen niet groot. Volgens de ratio-80/20 was de som van alle inkomens in de hoogste 20 procent inkomens in 2017 ruim vier keer zo groot als de som in de laagste 20 procent inkomens. De meerjarige trend in deze ratio is relatief stabiel. Een laag inkomen kan een beperkende factor zijn voor deelname in de samenleving. De relatieve armoede is in 2017 licht opgelopen naar 13,2 procent. Nederland scoort internationaal gezien goed hiermee, maar is wel gedaald van een tweede plaats in 2011 naar de huidige vijfde positie. Het resultaat van het beleid ten aanzien van immigranten wordt gemeten met de index voor migratiebeleid.noot9 De index laat voor Nederland een trendmatige daling zien in 2014. Ook in de internationale vergelijking daalde Nederland naar een zesde positie.
Gebruik betreft sociale interacties, deelname aan organisaties en verenigingen, en vrijwilligerswerk. Van de Nederlanders heeft bijna 73 procent minstens één keer per week contact met familie, vrienden of buren. Hiermee staat Nederland hoog ten opzichte van de andere EU-landen. Daarnaast is bijna 44 procent van de mensen actief in een vereniging. De sociale infrastructuur steunt ook op vrijwilligerswerk en informele hulp aan anderen buiten het eigen huishouden, zoals mantelzorg. Met vrijwilligerswerk staat Nederland bovenaan binnen de EU. Het percentage mensen dat vrijwilligerswerk verricht is relatief stabiel. In 2017 ging het om bijna de helft van de bevolking.
Uitkomsten hebben betrekking op de mate van sociale samenhang en op uitsluiting en discriminatie. Bijna 62 procent van de bevolking heeft vertrouwen in andere mensen. Dat is internationaal gezien een hoog percentage.
Beleving betreft het vertrouwen dat mensen in elkaar hebben, gevoelens van gedeelde normen en waarden en sociale uitsluiting. In 2016 voelde 7,6 procent van de bevolking zich lid van een gediscrimineerde groep. Daarmee neemt Nederland een middenpositie op de Europese ranglijst in. Ruim 46 procent van de bevolking vindt dat de normen en waarden gelijk zijn gebleven of vooruit zijn gegaan. In Nederland ervaart bijna 46 procent in hoge mate de vrijheid om te beslissen hoe ze hun eigen leven leiden. Hiermee stond Nederland in 2017 op de vierde plaats binnen de EU.
Meer lezen over Inkomensverdeling.
Meer lezen over Armoede en sociale uitsluiting.
SDG 10 Ongelijkheid verminderen: financiële houdbaarheid
Dit deel van SDG 10 behandelt de financiële houdbaarheid van onze welvaart en de balans van huishoudens. Er wordt schuld en vermogen opgebouwd, zowel collectief als individueel. De financiële verplichtingen van overheid en huishoudens hebben effect op de brede welvaart van volgende generaties. Financiële systemen kunnen kwetsbaar blijken als ze worden geconfronteerd met vergrijzing, economische crises en globalisering, en met veranderingen in solidariteit tussen generaties en tussen bevolkingsgroepen.
Middelen en mogelijkheden betreffen de duurzame financiering van de welvaartstaat en de opbouw van pensioenen en vermogens zonder druk op toekomstige generaties. De grijze druk (de ratio tussen 65‑plussers en 20 tot 65‑jarigen) en de groene druk (de ratio tussen jongeren onder de 20 en 20- tot 65‑jarigen) vertonen een negatieve trend: de groene druk daalt voortdurend, terwijl de vergrijzing juist toeneemt. Tot 2011 stond Nederland qua vergrijzing in de top tien van de EU maar sindsdien is het gedaald naar de vijftiende plaats in 2018. Wat betreft de groene druk staat Nederland momenteel op een middenpositie in de EU. De actuele dekkingsgraad van pensioenfondsen is trendmatig stabiel en bedraagt 103,2 procent in 2018.noot10
Gebruik betreft de onttrekking van middelen uit opgebouwde vermogens. Het aantal pensioengerechtigden neemt trendmatig toe, maar daalde in 2018. Terwijl de vergrijzing voortschrijdt, stijgt het aantal zzp’ers; zij bouwen hun pensioen op een andere manier op dan de meeste werknemers, en de mogelijkheid bestaat dat ze geen pensioen opbouwen.
Uitkomsten betreffen de hoogte van opgebouwde schulden en de mate van duurzaamheid van financiële stelsels. De gemiddelde schuld per huishouden neemt trendmatig af, maar Nederland stond in 2017 nog altijd laag op de EU-ranglijst met 98 duizend euro. Tegenover de schuld staat het spaargeld van huishoudens (chartaal geld en deposito’s) en de niet-financiële bezittingen zoals het huis. Hier is geen trend zichtbaar, al staat Nederland in de EU-ranglijst op een tiende positie met gemiddeld 52,5 duizend euro per huishouden in 2017. De ontwikkeling van de overheidsschuld vertoont geen duidelijke trend. De overheidsschuld is wel gedaald van 67,9 procent van het bbp in 2014 naar 57,0 procent in 2017.noot11 Qua overheidsschuld neemt Nederland in de EU een middenpositie in.
Beleving heeft betrekking op onzekerheid over en vertrouwen in de toekomst. In 2018 maakte een kwart van de bevolking ouder dan 18 jaar zich veel zorgen over de eigen financiële toekomst. Dit percentage neemt trendmatig af.
SDG 11 Duurzame steden en gemeenschappen: wonen
SDG 11 betreft duurzame steden en gemeenschappen. Wonen is een belangrijk aspect van de welvaart van steden en leefgemeenschappen. Een groot deel van het leven speelt zich af in onze woning. Het hebben van kwalitatief goede, passende, veilige en betaalbare woonruimte verhoogt daarmee de brede welvaart. Het aanbod van geschikte en betaalbare woningen bepaalt in hoge mate waar mensen komen te wonen, naast gebondenheid aan de werklocatie of sociale verbanden. Beweging op de woningmarkt is belangrijk voor starters en doorstromers. Daarnaast is er de beleving van het woongenot en de woonlasten; de perceptie hiervan heeft ook een duidelijk effect op brede welvaart.
Middelen en mogelijkheden betreffen het aantal, de kwaliteit en de betaalbaarheid van koop- en huurwoningen. Het aantal beschikbare woningen zou volgens de Nationale Woonagenda (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 2018) tussen 2018 en 2025 netto moeten toenemen met ongeveer 700 duizend. Het aantal beschikbare woningen per duizend inwoners stijgt trendmatig, en was 452 in 2018. De prijzen van woninghuur en van de aanschaf en het bezit van een koopwoning zijn recentelijk sterk gestegen. De spanning op de koopwoningmarkt (hoe lager, des te gunstiger voor kopers), stijgt trendmatig. Dit betekent dat de verkoopprijs steeds dichter bij de vraagprijs komt te liggen, met als gevolg hogere kosten voor kopers. Niettemin is de totale woonquote van huur- en koopwoningen licht gedaald. De woonquote – het aandeel van het inkomen dat besteed wordt aan huisvesting – bedroeg volgens internationale definities 23,4 procent in 2017. Dit aandeel is in Nederland in vergelijking met andere EU-landen hoog.
Gebruik gaat over de koop- of huurwoningen die mensen hebben en over de kans op doorstroming. Scheefhuur kan op twee manieren worden gemeten: fysiek en financieel. Ruim 4 procent van de bevolking woonde in 2017 in een woning met te weinig kamers volgens internationale maatstaven. Op dit punt scoort Nederland in vergelijking met EU-landen goed. De gemiddelde hypotheekschuld van huishoudens met een hypotheekschuld was ruim 191 duizend euro in 2017. Voor de opgebouwde tegoeden voor de aflossing van spaar- en beleggingshypotheken zijn geen cijfers voorhanden.
Uitkomsten betreffen de kwaliteit van de woning, de woonomgeving en ervaren woonlasten. Wat betreft de kwaliteit van woningen bezet Nederland een middenpositie in de EU: 84,2 procent van de Nederlandse bevolking gaf in 2018 aan geen last te hebben van een lekkend dak, vochtige muren, vloeren of funderingen, of rotte raamkozijnen of vloeren. Bijna 70 procent van de bevolking woont in een koopwoning. Daarmee staat Nederland onderin de EU-ranglijst. Het percentage huishoudens dat aangeeft de woonlasten erg zwaar te vinden, schommelt en staat momenteel op 9,5 procent. Dit is relatief laag vergeleken met andere EU-landen. Het percentage huishoudens dat onaangenaamheden in de buurt ervaart is juist vrij hoog. In 2017 was het bijna 18 procent.noot12
Beleving heeft betrekking op de tevredenheid van mensen met hun woning en hun woonomgeving. Een groot deel van de bevolking is tevreden met de woning, maar er is wel een neerwaartse trend. Qua tevredenheid met de woning bezet Nederland een middenpositie ten opzichte van EU-landen.
Meer lezen over de Woningmarkt.
Meer lezen over Alleenwonende ouderen.
SDG 11 Duurzame steden en gemeenschappen: leefomgeving
SDG 11 betreft ook de leefomgeving in steden en leefgemeenschappen. Hoeveel ruimte hebben mensen? Voelen zij zich veilig? Hoe schoon is de lucht die ze inademen? Het kabinet streeft naar een gezonde en veilige leefomgeving met goede omgevingskwaliteit. Een leefomgeving die maatschappelijke functies de ruimte geeft en waar de boven- en de ondergrond efficiënt worden gebruikt (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 2018). In dit dashboard ligt de focus op de omgevingsfactoren: ruimte per persoon (SDG 11.3), afvalverwerking (SDG 11.6) en overheidsuitgaven voor het milieu (SDG 11.4). Andere indicatoren betreffen stedelijke fijnstofconcentraties (SDG 11.6) en slachtoffers van misdaad (SDG 11.7). Concrete beleidsdoelen zijn er niet voor veiligheid en duurzaamheid in Nederlandse steden. Wel moet Nederland voldoen aan de EU-grenswaarde voor fijnstof (PM2,5) voor de bescherming van de gezondheid: 25 microgram/m3.
Middelen en mogelijkheden betreffen in deze context de beschikbare (groene) ruimte en de uitgaven aan de bescherming van de kwaliteit van de leefomgeving. Omdat de bevolking van Nederland blijft toenemen, wordt de beschikbare ruimte per inwoner steeds kleiner. In 2018 was er per inwoner 76 m2 minder beschikbaar dan in 2011, een afname van 3 procent. Nederland is ook het op één na dichtstbevolkte land van de EU: alleen in Malta wonen meer mensen per vierkante kilometer. Hoewel de Nederlandse overheid een steeds kleiner deel van het bbp uitgeeft aan milieubescherming, was het percentage hoger dan in alle andere EU-landen in 2017.
Gebruik gaat over hoe mensen hun leefomgeving gebruiken. Afgaande op wat de gemeentelijke afvaldiensten inzamelen, produceren Nederlanders steeds minder afval. De trend is positief: haalden de afvaldiensten 610 kilogram afval per persoon op in 2011, in 2017 was dit gedaald tot 553 kilogram. In veel andere Europese landen ligt dit wel lager: Nederland is op dit terrein 20e van de 27 waargenomen landen, hoewel moet worden opgemerkt dat er tussen landen verschillen zijn in de soorten afval die gemeentelijke diensten ophalen.
Uitkomsten hebben betrekking op de kwaliteit en veiligheid van de leefomgeving. De gemeten stedelijke achtergrondconcentratie van fijnstof (PM2,5) was in 2018 gemiddeld 12,0 microgram/m3 en daarmee ruim onder de EU-verplichting (RIVM, Compendium voor de Leefomgeving, 2019.noot13) Een ander aspect van de leefomgeving is de natuur. Als maatstaf voor natuur in de stad is een indicator voor stadsvogels toegevoegd aan het dashboard. Hoewel sommige vogelsoorten zich meer thuis voelen tussen mensen en bebouwing dan in natuur- en landbouwgebied, is de index flink gedaald. Een Europese vergelijking is niet mogelijk voor deze indicator.
In de periode 2012–2017 gaven steeds minder Nederlanders aan slachtoffer van misdaad te zijn. In 2017 komt dit percentage net boven de 15 uit. Zoals in het vorige dashboard is vermeld, ervoer in 2017 bijna 18 procent van huishoudens onaangenaamheden zoals geluidsoverlast, vandalisme, criminaliteit en vervuiling in de directe woonomgeving. Met dit percentage staat Nederland zeer laag: 25e van de 28 EU-landen.
Beleving gaat over hoe mensen hun leefomgeving ervaren. Zoals boven vermeld, rapporteerden inwoners minder criminaliteit. In 2017 voelde 1,5 procent van inwoners zich vaak onveilig in de eigen buurt. Dit aandeel is min of meer stabiel gebleven in de laatste jaren.
Meer lezen over Stadsvogels.
SDG 12 Verantwoorde consumptie en productie
SDG 12 heeft betrekking op duurzame productie en consumptie, wat zich vertaalt in een efficiënter gebruik van grondstoffen. Dit vermindert de impact op het milieu en de afhankelijkheid van grondstoffen, en beperkt de gevolgen voor volgende generaties. Ook het hergebruik van afval en het verantwoord verwerken van gevaarlijke stoffen dragen bij aan deze doelstelling. Dit dashboard focust op de transitie naar een circulaire economie, waarin de afhankelijkheid van grondstoffen minimaal is door hoogwaardig hergebruik. SDG 12.2 is het streven naar een minimaal gebruik van grondstoffen. De hoeveelheid geproduceerd afval wordt hierbij zoveel mogelijk verminderd en hergebruikt (SDG’s 12.4 en 12.5) en bedrijven (SDG 12.6) en consumenten worden aangemoedigd om bewuste keuzes te maken.
Middelen en mogelijkheden gaan over de mogelijkheden om duurzaam te produceren en consumeren. Van de 100 bedrijven met de hoogste omzet publiceerden 82 in 2017 een mvo-jaarverslag. Dit percentage is stabiel sinds 2011 en Nederland scoort hiermee relatief hoog binnen de EU. Hiermee krijgen consumenten en beleggers inzicht in hoe duurzaam deze bedrijven produceren. De toegevoegde waarde van de milieusector – milieubescherming en het management van natuurlijke bronnen waaronder energiebesparing – stijgt trendmatig. De werkgelegenheid in die sector bedroeg 1,9 procent van de totale werkgelegenheid in 2016.
Gebruik betreft de hoeveelheid voedsel, grondstoffen en andere materialen die wordt verbruikt en het afval dat wordt geproduceerd. Het binnenlands materialenverbruik (SDG 12.2) heeft een stabiele trend maar is recent afgenomen. De overheid wil het gebruik van abiotische grondstoffen tussen 2014 en 2030 halveren, en streeft naar een volledig circulaire economie in 2050 (Ministerie van Infrastructuur en Milieu, 2016; Ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, en Economische Zaken en Klimaat, 2018). De ontkoppeling van de afvalproductie en de economie is een beleidsdoel (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 2017). Dit houdt in dat economische groei gepaard gaat met minder afvalproductie. De hoeveelheid bedrijfsafval is trendmatig stabiel, maar in de laatste jaren is er weer sprake van een toename. Wat betreft de hoeveelheid gevaarlijk afval staat Nederland laag op de Europese ladder.
Uitkomsten gaan over efficiëntie van grondstoffengebruik, hergebruik van afval en reststoffen en voedselverspilling. De hoeveelheid voedselverspilling is afgenomen (zie SDG 2). De grondstoffenproductiviteit, een maat voor de efficiëntie van het gebruik van grondstoffen, stijgt en daarmee is Nederland is al jaren zeer efficiënt vergeleken met andere EU-landen. Bij de grondstoffenvoetafdruk – de totale hoeveelheid grondstoffen die nodig is voor de Nederlandse consumptie – is de trend ongunstig. Een ander doel is om tussen 2012 en 2022 de hoeveelheid afval dat niet wordt gerecycled, gecomposteerd of in energie omgezet te halveren (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 2017). Het percentage gerecycled bedrijfsafval is bijna 75 procent. Het recycling- en composteerpercentage van het gemeentelijk afval stijgt en is nu ruim 54 procent. Nederland heeft hiermee al een aantal jaren een hoge ranking. Van het gevaarlijk afval wordt ruim twee derde gerecycled en daarmee behaalt Nederland ook een goede internationale positie.
Beleving betreft de zorgen van mensen over vervuiling, verspilling, grondstoffenverbruik en andere aspecten van duurzaamheid. In Nederland geeft 16 procent van de bevolking aan dat ze problemen ervaart met afval en verontreiniging of andere milieuproblemen.
Meer lezen over Groene groei.
Meer lezen over de Circulaire economie.
SDG 13 Klimaatactie
SDG 13 is gericht op de aanpak van door mensen veroorzaakte klimaatverandering. In 2015 is het Parijsakkoord tot stand gekomen dat beoogt klimaatverandering en de nadelige effecten daarvan te verminderen. Deze effecten vormen een potentiële bedreiging voor mens en natuur. In dit dashboard ligt de focus op SDG 13.2, de vermindering van uitstoot van broeikasgassen. Energiebesparing en hernieuwbare energie (zie ook SDG 7) dragen bij aan deze vermindering. Door goederen en diensten te importeren voor binnenlands verbruik beïnvloeden Nederlandse economische activiteiten ook de uitstoot van broeikasgassen elders in de wereld.
Middelen en mogelijkheden hebben betrekking op de middelen die in Nederland worden ingezet om klimaatverandering tegen te gaan en de gevolgen ervan te ondervangen. De overheidsuitgaven gerelateerd aan het verminderen van de Nederlandse impact op het klimaat, bedroegen in 2016 0,2 procent van het bbp.
Gebruik betreft de manieren waarop Nederland bijdraagt aan klimaatverandering. De doelstelling van het kabinet is een reductie van de uitstoot van broeikasgassen in 2030 met 49 procent ten opzichte van 1990 (Rijksoverheid, 2017). Conform de rechterlijke uitspraak in de Urgenda-klimaatzaak (juni 2015), dient de Nederlandse overheid ervoor te zorgen dat de uitstoot in 2020 ten minste 25 procent lager is dan in 1990. In 2018 is in Nederland een reductie van 14,5 procent bereikt. Deze reductie is met name bereikt door een sterke daling van de uitstoot van methaan en lachgas. De CO2‑uitstoot is in deze periode gedaald met 1 procent, en ligt net onder het niveau van 1990. De jaarlijkse broeikasuitstoot per inwoner daalt licht. Nederland scoort laag op de EU-ranglijst voor zowel de reductie als de uitstoot per inwoner. Bedrijven met de hoogste uitstoot van broeikasgassen zijn verplicht deel te nemen aan het emissiehandelssysteem ETS. Voor deze bedrijven geldt een EU-reductiedoelstelling van 21 procent tussen 2005 en 2020.noot14 In 2017 was door de EU een reductie van 26,5 procent bereikt, waarbij Nederland de op één na laatste positie inneemt op de EU-ranglijst met een reductie van 5,8 procent.
Uitkomsten betreffen het geheel aan Nederlandse bijdragen aan de mondiale uitstoot van broeikasgassen. De indicator cumulatieve CO2‑emissies wordt berekend door, vanaf 1860, de som te nemen van de jaarlijkse CO2‑uitstoot gedeeld door de som van het jaarlijkse inwonertal. De hoeveelheid opgebouwde CO2‑emissies stijgt, omdat nu meer per inwoner wordt uitgestoten dan aan het begin van de reeks.noot15 De cumulatieve CO2‑emissies geven een indicatie van het Nederlandse aandeel in de historische CO2‑uitstoot sinds 1860. De Nederlandse bijdrage aan deze uitstoot is in vergelijking met andere EU-landen relatief hoog. De broeikasgasintensiteit van de economie, een maat voor de hoeveelheid uitstoot per euro bbp, daalt, hetgeen positief is. De broeikasgasvoetafdruk, ofwel de totale broeikasgasemissies ten behoeve van de Nederlandse consumptie, is recent toegenomen en bedroeg in 2018 15,8 ton CO2-equivalenten. Dit betekent dat de consumptie door Nederlanders een steeds hogere uitstoot van broeikasgassen tot gevolg heeft.
Beleving betreft de zorgen over het klimaat en de mate waarin mensen klimaatverandering als een probleem ervaren. In 2016 maakte ruim drie kwart van de Nederlandse bevolking zich zorgen over klimaatverandering en de effecten daarvan.
Meer lezen over Broeikasgasemissies.
Meer lezen over het Klimaat in Nederland.
SDG 14 Leven in het water
SDG 14 betreft de bescherming van zeeën en oceanen. Zeewater bedekt ongeveer drie kwart van de planeet en vormt het grootste ecosysteem ter wereld. De toenemende negatieve effecten van klimaatverandering, overbevissing en vervuiling vormen een bedreiging voor zowel de intrinsieke waarde van het ecosysteem zelf, als voor het nut en plezier dat mensen eraan ontlenen. Het Nederlandse mariene areaal omvat een deel van de Noordzee, de Waddenzee en de zeearmen. In dit dashboard wordt onder andere aandacht besteed aan het voorkomen en verminderen van vervuiling van de Noordzee (SDG 14.1) en de duurzaamheid van visserij in de Noordzee (SDG 14.4). Omdat niet alle EU-landen aan zee grenzen is het maken van een Europese vergelijking hier minder goed mogelijk.
Op dit moment zijn voor dit dashboard maar zeer weinig gegevens bekend die een beeld geven voor het gehele mariene areaal en die voldoen aan de kwaliteitseisen voor data van deze publicatie. De komende jaren zal gewerkt worden aan de verbetering van de invulling van dit dashboard.
Middelen en mogelijkheden betreffen de omvang van het mariene areaal en de middelen die worden ingezet om het te onderhouden en beschermen. Een groot deel van de Nederlandse mariene wateren is beschermd gebied. Omdat verschillende vormen van bescherming en gebruik elkaar overlappen is niet overal de bescherming volledig geïmplementeerd. Daardoor is het nog niet mogelijk een eenduidig beeld van de ontwikkelingen hieromtrent te geven.
Gebruik betreft de benutting van de zee voor economische activiteiten, recreatie en natuurbescherming. Het Nederlandse mariene areaal wordt intensief benut voor scheepvaart, visserij en recreatie. Daarnaast wordt een toenemend areaal van de Noordzee gebruikt voor de aanleg van windmolenparken en zijn er experimenten met andere vormen van duurzame energie. Op dit moment zijn voor deze verschillende vormen van gebruik geen indicatoren bekend die een beeld geven voor het gehele Nederlandse mariene areaal én die voldoen aan de kwaliteitseisen van deze publicatie.
Uitkomsten gaan over de kwaliteit van zeewater en het natuurlijke leven in en rondom de Nederlandse mariene wateren. De duurzaamheid van bevissing (SDG 14.4) is voor zes belangrijke soorten consumptievis bepaald door de huidige visstand te vergelijking met de duurzame visstand, die nodig is voor het in stand houden van een gezonde populatie. In 2018 gold voor vijf van de zes vissoorten dat de populatie groot genoeg was om van een duurzame visstand te spreken; voor kabeljauw was dat niet het geval. In 2018 heeft bijna 74 procent van het zwemwater langs de Nederlandse kust een uitstekende kwaliteit. Dit is een afname van 7 procentpunt ten opzichte van het voorgaande jaar, waardoor de trend nu is omgeslagen van positief naar neutraal. Nederland staat hiermee in het midden van de Europese ranglijst. In de meer algemene clean water index (SDG 14.1) staat Nederland in vergelijking met EU-landen laag.
Een indicator voor biodiversiteit van water en bodemleven inclusief zeevogels is de Trend fauna Noordzee. Deze indicator laat een trendmatige daling zien. De meest recent gemeten ontwikkeling is een relatief sterke daling van 9 procent. De indicator heeft betrekking op het offshore deel van de Noordzee, en niet op de kustwateren, de zeearmen en de Waddenzee. De biodiversiteit van de diepe Noordzee staat dus onder druk. Dit geldt met name voor de bodemdieren.
Beleving heeft betrekking op de zorgen van mensen over de vervuiling van en het leven in zeeën en oceanen. Ook hiervoor zijn nog geen indicatoren beschikbaar.
Meer lezen over Noordzee en kustgebieden in Nederland.
Meer lezen over Biodiversiteit in de Noordzee.
SDG 15 Leven op het land
SDG 15 betreft de bescherming, het herstel en duurzaam beheer van het leven op het land in al zijn vormen. Bescherming en herstel van ecosystemen en biodiversiteit kunnen de weerbaarheid tegen toenemende bevolkingsdruk, intensivering van landgebruik en klimaatverandering versterken. Gezonde ecosystemen staan aan de basis van een reeks van processen die grote invloed hebben op de brede welvaart, zoals de beschikbaarheid van schoon water en schone lucht, de aanwezigheid van insecten voor bestuiving en de mogelijkheden voor ontspanning, recreatie en educatie. Natuur heeft een intrinsieke waarde in het hier en nu en voor toekomstige generaties. Dit dashboard kijkt naar de bescherming van natuur (SDG 15.1) en het behoud van biodiversiteit (SDG 15.5).noot16
Middelen en mogelijkheden gaan over de omvang van de natuurlijke ruimte en de middelen voor herstel en bescherming. De overheidsuitgaven aan milieubescherming bedroegen in 2017 1,4 procent van het bbp. Trendmatig zijn deze uitgaven gedaald. Nederland bezet wél een hoge positie in vergelijking met andere EU-landen. De totale milieu-uitgaven dalen ook trendmatig. Het totale landoppervlakte dat bedekt is met natuur en bos bedroeg in 2015 net geen 15 procent. Daarmee heeft Nederland van alle EU-landen het kleinste aandeel bos. De beschikbare oppervlakte per persoon in Nederland is op Malta na het kleinste van alle EU-landen.
Gebruik betreft de bescherming en benutting van de natuurlijke ruimte en haar ecosystemen en de druk op het natuurlijke systeem door menselijke activiteiten. Natuur wordt in Nederland beschermd binnen het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Het NNN omvat bestaande en nieuw aan te leggen natuur, waaronder zowel de nationale parken en de Natura2000‑gebieden als agrarisch natuurbeheer en terrein aangekocht voor natuurontwikkeling. In 2017 besloeg het NNN-areaal ruim 20 procentnoot17 van het landoppervlak. Trendmatig is sprake van een toename.. Het teveel aan fosfor en stikstof, voor het grootste deel afkomstig uit de landbouw, heeft negatieve gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater en gevoelige ecosystemen zoals heide. Het fosforoverschot in de landbouw is in 2017 fors afgenomen. Het stikstofoverschot is hoog, waardoor Nederland op de EU-ranglijst een zeer lage positie inneemt.
Uitkomsten hebben betrekking op de kwaliteit van ecosystemen en biodiversiteit. De rode-lijstindex geeft aan dat meer dan 60 procent van de soorten, verdeeld over zeven soortgroepen (dieren en hogere planten) in Nederland niet wordt bedreigd. Het aandeel bedreigde soorten is onveranderd ten opzichte van 2017. De Living Planet Index (LPI), gebaseerd op de gemiddelde populatieomvang van een groot aantal inheemse soorten, is trendmatig stabiel, hoewel er grote variatie is tussen soortgroepen. De verbeterde waterkwaliteit heeft lange tijd geleid tot een toename van aquatische soorten, maar deze trend stagneert. Terrestrische soorten zijn tegelijkertijd juist achteruitgegaan. De indicator voor boerenlandvogels geeft een beeld van natuurwaarden in het agrarisch gebied en laat een trendmatige daling zien. Ook in 2017 nam deze indicator af, wat duidt op slechtere leefomstandigheden voor boerenlandvogels.
Beleving gaat over de beleving van de kwaliteit van de natuurlijke ruimte en zorgen over vervuiling en de verdwijning van soorten. In Nederland geeft 16 procent van de bevolking aan dat ze problemen ervaart met afval en verontreiniging of andere milieuproblemen.
Meer lezen over Natuurlijk kapitaal.
Meer lezen over Vlinders in Nederland.
Meer lezen over het Ecosysteemconditie in Nederland.
SDG 16 Vrede, justitie en sterke publieke diensten: veiligheid en vrede
SDG 16 streeft naar het bevorderen van een vreedzame en veilige samenleving. Het ervaren van onveiligheid – met daarmee samengaand kwetsbaarheid en onzekerheid – kan een grote impact hebben op het persoonlijke leven. (On)veiligheid heeft daarom, zowel objectief als subjectief, effect op de brede welvaart hier en nu. Het leger, de politie en justitie hebben de taak om de veiligheid te vergroten en te handhaven, preventief én via het rechtssysteem. Het vertrouwen van burgers in deze instanties kan het gevoel van veiligheid vergroten.
Middelen en mogelijkheden hebben in deze context betrekking op de middelen die worden ingezet om een eerlijke rechtsgang en de nationale veiligheid te garanderen. De overheidsuitgaven aan openbare orde en veiligheid en de uitgaven aan landsverdediging blijven trendmatig gelijk. Internationaal scoort Nederland op dit vlak gemiddeld. Het aantal politiebeambten neemt echter af. In 2011 waren er nog 302 politiebeambten per honderdduizend inwoners; dit daalde naar 292 in 2018.
Gebruik betreft voor deze SDG het aantal mensen dat met justitie in aanraking komt of die een beroep doen op justitie. Het aantal gedetineerden neemt trendmatig af, van 84 gedetineerden per honderdduizend inwoners in 2011 naar 62 in 2016. Het aandeel minderjarige verdachten in het totaal aantal van individuele verdachten neemt ook af. Internationaal gezien is het aandeel hoog.
Uitkomsten gaan over het aantal misdrijven dat wordt gepleegd en het aantal slachtoffers van die misdrijven. Het aantal sterfgevallen door moord en doodslag verbetert of verslechtert trendmatig niet. Binnen de EU is het aantal ook relatief laag: in 2016 werden er binnen de EU alleen in Slovenië minder moorden gepleegd dan in Nederland. Zowel het aantal geregistreerde misdrijven als het aantal mensen dat aangeeft slachtoffer te zijn van misdaad neemt trendmatig af. Het aantal geregistreerde misdrijven is in Nederland relatief hoog, terwijl het aandeel van de bevolking dat zelf aangeeft (via enquêtes) slachtoffer te zijn geweest van een misdrijf internationaal gezien gemiddeld is. Een deel van de criminaliteit blijft buiten beeld van registraties. Zo wordt niet altijd aangifte gedaan, maar kan het ook per land enigszins verschillen welke delicten worden geregistreerd. Het aantal mensen dat aangeeft slachtoffer te zijn geweest van cybercrime neemt af. Voor slachtoffers van mensenhandel geldt op basis van de schatting van de Nationaal Rapporteur dat het aantal slachtoffers trendmatig daalt. Internationaal kan alleen een vergelijking worden gemaakt met het aantal geregistreerde slachtoffers van mensenhandel. Dit zijn er in Nederland relatief veel in vergelijking met andere Europese landen. In Nederland wordt geschat dat het aantal werkelijke slachtoffers vier of vijf maal zo hoog is als het aantal geregistreerde slachtoffers. In andere landen is deze verhouding wellicht anders. Het aantal jonge mannen en vrouwen dat te maken heeft gehad met seksueel grensoverschrijdend gedrag was in 2017 de helft lager dan in 2012.
Beleving heeft betrekking op het vertrouwen in justitie en politie en het gevoel van veiligheid. Het aantal mensen in Nederland dat vertrouwen heeft in het rechtssysteem, waaronder de politie en de rechtbanken, blijft stabiel. Alleen in Zweden, Finland en Denemarken is het vertrouwen in het rechtssysteem groter. Ook het aantal mensen dat zich vaak onveilig in de buurt voelt, en het aandeel 15- tot 18-jarigen dat de kans op mishandeling groot acht, verandert trendmatig niet.
Meer lezen over Criminaliteit.
Meer lezen over de Veiligheidsmonitor.
Meer lezen over Jeugdcriminaliteit.
Meer lezen over Cybersecurity.
Meer lezen over Rechtshandhaving.
SDG 16 Vrede, justitie en sterke publieke diensten: instituties
SDG 16 heeft ook betrekking op instituties. Doeltreffende, verantwoordelijke en transparante instellingen zijn essentieel voor het ontwikkelen, maar ook voor het behouden van brede welvaart. De kwaliteit van deze instituten bepaalt mede de samenhang en effectiviteit van beleid. Voor het hebben van een open en democratische samenleving is het ook belangrijk dat de instituten verantwoording afleggen. Het vertrouwen van burgers in de overheid bevordert tenslotte de actieve participatie van burgers in de samenleving.
Middelen en mogelijkheden gaan hier over de middelen die de overheid heeft om haar taken uit te voeren en burgers van diensten te voorzien. De overheidsuitgaven aan algemeen overheidsbestuur daalden trendmatig naar 4,3 procent van het bbp in 2017.
Gebruik betreft in deze context het gebruik door burgers van overheidsdiensten en diensten van maatschappelijke organisaties. Actieve participatie van burgers in de samenleving is essentieel voor het functioneren van een democratie. Een indicator om participatie te meten is de dekkingsgraad van de collectieve arbeidsovereenkomsten. De hoogte van de dekkingsgraad is gelinkt aan het aantal leden van vakbonden, maar ook aan de rechtsgeldigheid van overeenkomsten voor andere bedrijven en werknemers in een sector. Het aandeel van de werknemers dat valt onder collectieve arbeidsovereenkomsten nam trendmatig af tot 78,6 procent in 2016. Een meer directe indicator voor actieve participatie is het aantal mensen dat gaat stemmen tijdens de parlementsverkiezingen. Ten opzichte van de andere Europese landen is de opkomst in Nederland hoog. In 2017 ging 82 procent van de stemgerechtigden naar de stembus, terwijl in 2012 dat nog geen 75 procent was.
Uitkomsten betreffen de kwaliteit van publieke dienstverlening, de openheid en efficiëntie van de overheid en inspraak van burgers. Belangrijk is dat een overheid goed functioneert. Zowel de kwaliteit van de regelgeving als de effectiviteit van het overheidsbestuur namen trendmatig toe. Europees scoort Nederland zeer hoog voor deze indicatoren. De Nederlandse publieke sector wordt ten opzichte van andere EU-landen in hoge mate als vrij van corruptie beschouwd. De laatste jaren zien Nederlanders de publieke sector wel als corrupter dan voorheen. Als benadering voor de efficiëntie van de overheid is gekeken naar het aantal dagen dat minimaal nodig is om een bedrijf te starten. Deze periode nam trendmatig af. In Nederland kost het nu nog geen vier dagen om een bedrijf op te richten. In geen enkel ander Europees land kan dit sneller.
Beleving betreft hier de vraag of burgers vertrouwen hebben in de overheid. Het vertrouwen in instituties in Nederland is hoog vergeleken met andere Europese landen, en neemt trendmatig toe. Bijna 63 procent van de mensen gaf aan vertrouwen te hebben in de politie, het parlement en het rechtssysteem. In 2012 was dat nog 57,5 procent.
Meer lezen over Vertrouwen in instituties.
SDG 17 Partnerschap om doelstellingen te bereiken
Het zeventiende en laatste SDG betreft de vorming en het behoud van partnerschappen om de andere doelstellingen te bereiken. Internationale samenwerking is nodig om de capaciteit en middelen te versterken om de duurzame ontwikkelingsagenda uit te voeren. Het realiseren van de doelen vereist samenhangend beleid, een coöperatieve omgeving en het aangaan van nieuwe mondiale partnerschappen.
Helaas zijn voor de meeste subdoelen opgenomen in SDG 17 geen goede indicatoren voorhanden. Zo is een aantal doelen gericht op de ontwikkeling van beleidsinstrumenten om de duurzame ontwikkeling in ontwikkelingslanden te ondersteunen. Dit zijn targets waarvoor niet een indicator in de klassieke zin van het woord kan worden opgesteld, maar waar eerder wordt aangegeven in hoeverre zulke beleidsinstrumenten al dan niet bestaan.
SDG 17 kan dan ook niet op eenzelfde manier worden beschreven als de eerdere SDG’s. Slechts vier van de officiële SDG-subdoelen kunnen worden gemeten: ontwikkelingshulp (SDG 17.2); overdrachten (SDG 17.3); totale invoer uit de LDC’s (SDG 17.11); en de broeikasgasvoetafdruk (SDG 17.11).
Voor wat betreft ontwikkelingshulp en overdrachten is het beeld stabiel. De relatieve omvang van overdrachten en ontwikkelingshulp is het laatste jaar nagenoeg gelijk gebleven. Voor beide blijft Nederland vrij hoog op de EU-ranglijst staan. Hierbij moet worden opgemerkt dat meer ontwikkelingshulp niet noodzakelijkerwijze welvaart verhogend is. Deze gelden kunnen ondoelmatig worden besteed.
De waarde van de totale invoer van Nederland uit de 48 LDC’s, en daarmee de geldstroom naar deze allerarmste landen, is in het laatste jaar sterk gestegen. Nederland neemt een tweede plaats op de Europese ranglijst in. Dit houdt ook verband met de aanwezigheid van grote havens in Nederland.
Ten slotte blijkt dat de broeikasgasvoetafdruk, ofwel de uitstoot van broeikasgassen gerelateerd aan de Nederlandse consumptie in het laatste jaar sterk is toegenomen. Via onze consumptie droeg Nederland in 2018 meer bij dan in 2017 aan de uitstoot van broeikasgassen in de landen waar deze goederen en diensten geproduceerd worden.
4.4Samenvattend beeld van de SDGplus-doelstellingen in de Nederlandse context
Figuur 4.4.1 geeft een overzicht van de trends van alle gemeten indicatoren per SDG, waarin het onderscheid wordt gemaakt naar type indicator: middelen en mogelijkheden, gebruik, uitkomsten en beleving. Net als in de voorgaande paragrafen betreft het hier de trends voor de gehele set van indicatoren: de SDGplus-indicatorenset. Deze weergave faciliteert een snelle indicatie van mogelijke relaties tussen de verschillende typen indicatoren. Aan de hand van enkele voorbeelden wordt hieronder toegelicht hoe deze figuur gelezen kan worden. Het is vervolgens aan politici en beleidsmakers om te onderzoeken of er sprake is van verbanden tussen de verschillende typen van indicatoren.
Wat valt op? Enkele voorbeelden:
- Voor SDG 9 Mobiliteit valt op dat de middelen en mogelijkheden, in dit geval de dichtheid van zowel het wegennet als het spoorwegnet, trendmatig gestegen zijn. Tegelijkertijd laten de belevingsindicatoren bij dit thema een dalende trend zien. Het betreft hier de toename van de ervaren geluidsoverlast van verkeer en buren, en de afgenomen tevredenheid over de reistijd van woon-werkverkeer.
- Voor SDG 8 Arbeid en vrije tijd valt op dat voor alle indicatoren een neutrale of positieve trend te zien is, behalve voor twee belevingsindicatoren. Het betreft hier de tevredenheid van werknemers met hun werk, en de tevredenheid met vrije tijd.
Noten
De EU2020-doelstelling is 10 procent (Europese Commissie, 2010).
Bij de internationale vergelijking wordt een andere definitie gebruikt. Daar gaat het om wiskundevaardigheden van 15-jarigen.
Er bestaat geen energiebesparingsindicator. De EU2020-doelstelling voor energie-efficiëntie is een besparing van energieverbruik met 20 procent in de periode 1990–2020. Voor Nederland werd het doel vastgesteld op een primaire energieconsumptie van ruim 60 Mton olie-equivalenten in 2020 (Europese Commissie, 2010). In de Nationale Energie-Verkenning 2017 gaat het om een extra reductie van 100 PJ bruto finaal energieverbruik in de periode 2014–2020 (ECN, PBL en CBS, 2017).
De trend 2011–2018 voor de grondstoffenvoetafdruk kan wegens een gebrek aan cijfers hierover niet berekend worden.
Dit is het Nederlandse doel (Ministerie van Economische Zaken, 2017a). De EU2020-doelstelling is een nettoarbeidsparticipatie van 75 procent of hoger voor 20- tot 65-jarigen (Europese Commissie, 2010).
De indicator voor verkeersdoden uit SDG 3 heeft een duidelijke relatie met het thema Mobiliteit en is daarom hier opgenomen.
De indicator is gemeten per inwoner om hiermee de gedeelde verantwoordelijkheid van Nederlanders en Nederlandse bedrijven aan te geven.
Met name SDG’s 2, 6, 7, 8, 9, 12, 13, en 17.
De index voor migratiebeleid (MIPEX) meet het beleid voor integratie van migranten. Het bevat 167 indicatoren die acht beleidsterreinen bestrijken: arbeidsmarkt, onderwijs, politieke participatie, toegang tot nationaliteit, familiehereniging, gezondheid, permanent verblijf, en antidiscriminatiebeleid.
Nederlandse doelstelling: de beleidsdekkingsgraad voor de meeste pensioenfondsen is minimaal 104,2 procent na vijf jaar. Daarnaast hebben de pensioenfondsen een herstelplan voor vereist eigen vermogen dat binnen tien jaar bereikt moet worden. Dit ligt per pensioenfonds op een ander percentage. (Rijksoverheid, 2018).
De overheidsschuld (EMU-schuld) bedraagt maximaal 60 procent van het bbp in het kader van het Stabiliteits- en Groeipact van de eurozone (Ministerie van Financiën, 2018).
Onaangenaamheden in de buurt omvatten geluidsoverlast van buren en/of de straat, vandalisme, criminaliteit of geweld in de directe omgeving, vervuiling, vuil en andere milieuproblemen in de directe omgeving.
Omdat de historische dataset voor fijnstof nog aan wijzigingen onderhevig is, kan de langetermijntrend wijzigen.
Hiermee wordt circa 40 procent van de broeikasgasuitstoot in de EU gereguleerd. Momenteel nemen ongeveer 450 bedrijven uit Nederland deel aan dit ETS-systeem.
In Hoofdstuk 2 is verder toegelicht wat deze indicator inhoudt.
Op basis van de Natuurlijk Kapitaalrekeningen Nederland (opgesteld in samenwerking met de Universiteit Wageningen) is voor komende jaren een sterke verbetering van het huidige dashboard voorzien.
Dit door de provincies gerapporteerde cijfer wordt nadrukkelijk aangemerkt als een voorlopig cijfer (IPO, 2018).
NB: een breuk in de datareeks kan hier op de trend van invloed zijn.