Meeste SDG’s haalbaar

Foto omschrijving: Paraglider zweeft langs de kustlijn en zwaait richting de fotograaf.

De Sustainable Development Goals in de Nederlandse context

Deel 1 van de Monitor beschrijft de staat van de brede welvaart in het hier en nu, de verdeling ervan, en de effecten van ons welvaartsniveau op de brede welvaart later en elders. In deel 2 van de Monitor gaat het niet om de brede welvaart als geheel maar om beleidsthema’s die invloed hebben op onderdelen van de brede welvaart. Uitgangspunt hierbij vormen de 17 Sustainable Development Goals (SDG’s), de duurzame ontwikkelingsdoelen die zijn opgesteld door de VN en ondertekend door 193 landen waaronder Nederland.

4.1Inleiding

In de eerste helft van dit decennium hebben de VN gewerkt aan de vaststelling van de 17 SDG’s. In september 2015 verbonden regeringsleiders van 193 landen zich aan deze agenda voor duurzame ontwikkeling, waaronder ook Nederland. De agenda loopt tot 2030. De doelen zelf zijn globaal, maar ze kennen meerdere concrete subdoelstellingen. Het CBS heeft voor deze doelstellingen indicatoren gezocht die passen in de Nederlandse context. Deze zoektocht loopt overigens al langer, en er is door het CBS al twee keer eerder over gerapporteerd. Naast de SDG-doelstellingen wordt in dit hoofdstuk ook verwezen naar beleidsdoelen die door de Nederlandse overheid of de EU zijn opgesteld.

Voor ieder van de 17 SDG’s worden indicatoren gepresenteerd die informatie geven over middelen die worden ingezet, over bestaande mogelijkheden en het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, over uitkomsten, en over de beleving daarvan door de bevolking. Waar deze bestaan, worden per thema kwantitatieve beleidsdoelen vermeld.

4.2Het meten van de SDG’s in Nederland

De 17 SDG’s zijn uitgewerkt in 169 subdoelstellingen (targets). De regeringen van de 193 VN-lidstaten zijn verantwoordelijk voor de monitoring van de voortgang ten aanzien van de doelen en de targets. Uiteraard spelen de nationale statistiekbureaus hierbij een belangrijke rol.

Na het vaststellen van de doelen en subdoelen is er in VN-verband in 2016 gewerkt aan het ontwerpen van een meetsysteem voor de rapportage over de voortgang van de SDG’s. Het Report of the Inter-Agency and Expert Group on Sustainable Development Indicators (UN, 2016) geeft een eerste set met indicatoren die nodig zijn voor de monitoring. Een eerste herziening (op circa tien punten) verscheen in 2017 (UN, 2017). Na deze herziening telt deze set 232 unieke indicatoren.

In 2016 rapporteerde het CBS voor het eerst en als eerste statistische bureau over de duurzame ontwikkelingsdoelen (CBS, 2016a). Lang niet alle indicatoren uit de VN-set konden worden opgenomen. Er werd destijds gerapporteerd over 64 indicatoren uit de officiële indicatorenlijst, 35 indicatoren als een alternatief voor officiële indicatoren en 30 extra indicatoren om een meer compleet beeld te geven of om missende thema’s aan te vullen. Het CBS probeerde hierbij de internationale indicatorenlijst zoveel mogelijk te volgen.

Na publicatie van het eerste rapport vond een uitgebreide consultatie plaats met meer dan dertig partijen waaronder ministeries, planbureaus, kennisinstituten en maatschappelijke organisaties. Ook binnen het CBS zijn acties ondernomen om een deel van de indicatoren die ontbraken in de nulmeting alsnog te kunnen opnemen. Dit leidde in 2018 tot een tweede publicatie (CBS, 2018a).

Na het verschijnen van de eerste Monitor Brede Welvaart (2018) is het CBS gevraagd om de indicatoren voor de duurzaamheidsdoelen te integreren in de Monitor. Hierdoor zal er niet langer een aparte publicatie verschijnen waarin over alle SDG’s wordt gerapporteerd. In plaats daarvan is het hoofdstuk met beleidsthema’s zoals dat in de Monitor Brede Welvaart 2018 stond, omgevormd tot een hoofdstuk dat bespiegelt op de 17 SDG’s. Wel worden er buiten de Monitor om nog artikelen over specifieke onderwerpen uit het SDG-dossier gepresenteerd. Ook de statistische bijlagen uit de afzonderlijke SDG-publicatie worden gecontinueerd, in de vorm van maatwerk op de website.

Het CBS beschouwt de integratie van de duurzaamheidsdoelen in de Monitor Brede Welvaart, zoals die gestalte heeft gekregen in deze editie, als een eerste aanzet. In de komende edities van de Monitor zal deze integratie verder vormgegeven worden.

In dit hoofdstuk worden de SDG-dashboards gepresenteerd die relevant zijn voor de Nederlandse beleidscontext. Eigenlijk zijn het SDGplus-dashboards, aangezien er meer dan alleen officiële SDG-indicatoren in vermeld worden. Omdat sommige SDG’s voor de Nederlandse situatie meerdere thema’s beslaan, worden deze behandeld in meerdere dashboards.

De dashboards zijn gebaseerd op een set indicatoren. De volgende soorten indicatoren zijn opgenomen:

  • indicatoren van de SDG’s die in het huidige Nederlandse beleidsdebat relevant zijn. Hierbij wordt voortgebouwd op het eerdere werk dat het CBS op het gebied van de SDG’s heeft uitgevoerd. Zoveel mogelijk van alle voor Nederland relevante indicatoren zijn in deze publicatie meegenomen. Voor een aantal indicatoren moet nog aanvullend dataonderzoek worden verricht.
  • vrijwel alle indicatoren waarmee in hoofdstuk 2 de staat van de brede welvaart is beschreven en die aan het CES-raamwerk zijn ontleend staan tevens onder de 17 verschillende SDG’s gerangschikt. Zo wordt de plaats zichtbaar van de verschillende aspecten van de brede welvaart binnen de 17 duurzame ontwikkelingsdoelen. Sommige SDG’s zijn wel beter gedekt dan andere. Daarbij valt uit de confrontatie tussen brede welvaart en de SDG’s op dat de SDG’s nogal gericht zijn op het ‘hier en nu’, terwijl indicatoren die iets zeggen over het gebruik van hulpbronnen minder sterk vertegenwoordigd zijn. Ook zijn er relatief veel ‘inputindicatoren’ opgenomen in de SDG-lijst, maar komen indicatoren die iets zeggen over de uitkomsten er bekaaider vanaf. Daar waar nodig worden in de dashboards CES-indicatoren toegevoegd om de balans in de indicatorenset te versterken.
  • aanvullende indicatoren met betrekking tot middelen die worden ingezet, de mogelijkheden die deze creëren, het gebruik dat van die mogelijkheden wordt gemaakt, de uitkomsten die aan dat gebruik zijn gerelateerd en de beleving van burgers.

Bij alle beleidsthema’s is gezocht naar indicatoren die afkomstig zijn uit een betrouwbare bron, die tijdig en internationaal vergelijkbaar zijn, en door de tijd heen consistent gemeten worden. Bij gelijke geschiktheid van indicatoren gaf datakwaliteit doorgaans de doorslag. In een aantal gevallen woog de beleidsrelevantie echter zwaarder dan de datakwaliteit. Voor een deel van de indicatoren is geen internationale vergelijking mogelijk omdat vergelijkbare data voor andere landen niet voorhanden zijn.

De selectie van subdoelen onder de SDG’s en relevante indicatoren is besproken met de planbureaus (CPB, SCP en PBL), een interdepartementale klankbordgroep waaraan vrijwel alle ministeries deelnemen, de gebruikersraden van het CBS en externe wetenschappelijk experts. De eindverantwoordelijkheid voor de keuzes ligt uiteraard bij het CBS.

Het aantal potentiële indicatoren was voor sommige van de thema’s in hoofdstuk 4 zo groot, dat een selectie moest worden gemaakt. Voor iedere SDG is een verzameling indicatoren van beperkte omvang samengesteld. De selectie van indicatoren is gebaseerd op een systematiek met beslisregels. Het doel van deze systematiek is om de verzameling indicatoren zo evenwichtig en neutraal mogelijk te maken.

De selectie van indicatoren, de statistische methoden waarmee de dashboards zijn samengesteld, en de beslisregels voor de observaties in de tekst worden beschreven in CBS (2019a). Voor sommige indicatoren is de internationale vergelijking gedaan op basis van data die conceptueel afwijken van de Nederlandse data waarmee de trendmatige ontwikkeling is bepaald.

Sommige indicatoren in de dashboards kunnen aanleiding geven tot discussie over de interpretatie ervan. Voor middelen en mogelijkheden kan de vraag gesteld worden wat het verwachte effect is op brede welvaart. Voorbeelden zijn uitgaven aan gezondheidszorg, ontwikkelingssamenwerking, gewerkte uren in het onderwijs, en milieu-investeringen. Een stijgende trend geeft niet aan dat er per definitie sprake is van een welvaartsstijging. Het ligt er aan of de verhoogde inzet van middelen ook daadwerkelijk vruchten afwerpt. Of deze uitgaven, investeringen of gewerkte uren doelmatig worden besteed of ‘nodig’ zijn, hangt af van de gewenste uitkomsten en is aan het beleidsdebat. Het meetsysteem hanteert het uitgangspunt dat al deze aspecten (middelen, mogelijkheden, gebruik, uitkomsten en waardering) in samenhang bezien worden in dit debat.

4.3Samenvattend beeld

De figuren 4.3.1 en 4.3.2 geven een samenvattend overzicht over hoe Nederland er op het gebied van de SDG’s voorstaat.

Vergeleken met andere EU-28 landen blijkt Nederland voor vijf SDG’s een positie in de voorhoede in te nemen: geen armoede (SDG 1); industrie, innovatie en infrastructuur: kennis en innovatie (SDG 9); ongelijkheid verminderen: sociale samenhang en ongelijkheid (SDG 10): vrede, justitie en sterke publieke diensten: instituties (SDG 16) en partnerschap om doelstellingen te bereiken (SDG 17). Bij vier SDG’s staat Nederland bij diverse indicatoren in de onderste regionen van de Europese ranglijst: betaalbare en duurzame energie (SDG 7); klimaatactie (SDG 13); leven in het water (SDG 14) en leven op het land (SDG 15).

Voor wat betreft de trendmatige ontwikkeling van de SDG’s, valt op dat relatief veel indicatoren een stijgende trend vertonen bij einde aan honger (SDG 2); gendergelijkheid (SDG 5); schoon water en sanitair (SDG 6); eerlijk werk en economische groei: economie en productiefactoren (SDG 8) en industrie, innovatie en duurzame infrastructuur: kennis en innovatie (SDG 9). Een dalende trend komt relatief vaak voor bij goede gezondheid en welzijn (SDG 3); industrie, innovatie en infrastructuur: mobiliteit (SDG 9); ongelijkheid verminderen (SDG 10); duurzame steden en gemeenschappen: wonen (SDG 11); en leven op het land en leven in het water (SDG’s 14 en 15).

4.3.1Trends in Nederland van de 17 SDGplus-doelstellingen (aandeel in het totale aantal gemeten indicatoren per SDG)
4.3.2Positie van in Nederland binnen de EU per SDGplus-doelstelling (gemiddelde positie over totale aantal gemeten indicatoren per SDG)
1. Geen armoede2. Geen honger3. Goede gezondheid en welzijn4. Kwaliteitsonderwijs5. Gendergelijkheid6. Schoon water en sanitair7. Betaalbare en duurzame energie8.1 Waardig werk en economische groei: economie en productiefactoren8.2 Waardig werk en economische groei: arbeid en vrije tijd9.1 Industrie, innovatie en infrastructuur: infrastructuur en mobiliteit9.2 Industrie, innovatie en infrastructuur: duurzame bedrijvigheid9.3 Industrie, innovatie en infrastructuur: kennis en innovatieLaatste in EU0%100%Eerste in EULaatste in EU0%100%Eerste in EU11.1 Duurzame steden en gemeenschappen: wonen11.2 Duurzame steden en gemeenschappen: leefomgeving12. Verantwoorde consumptie en productie13. Klimaatactie14. Leven in het water15. Leven op het land16.1 Vrede, justitie en sterke publieke diensten: veiligheid en vrede16.2 Vrede, justitie en sterke publieke diensten: instituties17. Partnerschap om doelstellingen te bereiken10.1 Ongelijkheid verminderen: sociale samenhang en ongelijkheid10.2 Ongelijkheid verminderen: financiële houdbaarheid
1. Geen armoede2. Geen honger3. Goede gezondheid en welzijn4. Kwaliteitsonderwijs5. Gendergelijkheid6. Schoon water en sanitair7. Betaalbare en duurzame energie8.1 Waardig werk en economische groei: economie en productiefactoren8.2 Waardig werk en economische groei: arbeid en vrije tijd9.1 Industrie, innovatie en infrastructuur: infrastructuur en mobiliteit9.2 Industrie, innovatie en infrastructuur: duurzame bedrijvigheid9.3 Industrie, innovatie en infrastructuur: kennis en innovatieLaatste in EU0%100%Eerste in EULaatste in EU0%100%Eerste in EU11.1 Duurzame steden en gemeenschappen: wonen11.2 Duurzame steden en gemeenschappen: leefomgeving12. Verantwoorde consumptie en productie13. Klimaatactie14. Leven in het water15. Leven op het land16.1 Vrede, justitie en sterke publieke diensten: veiligheid en vrede16.2 Vrede, justitie en sterke publieke diensten: instituties17. Partnerschap om doelstellingen te bereiken10.1 Ongelijkheid verminderen: sociale samenhang en ongelijkheid10.2 Ongelijkheid verminderen: financiële houdbaarheid

Kleurcodes

De Monitor gebruikt kleuren om de resultaten van verschillende indicatoren vergelijkbaar te maken. Voor iedere indicator wordt gekeken naar de richting van de langetermijntrend in Nederland in de periode 2011–2018 en naar de positie van Nederland in de EU-28 in het meest recente jaar met voldoende observaties.

Voor trends is de betekenis van kleuren: Voor posities is de betekenis van kleuren:
Groen Groen
De trend beweegt in de richting die wordt geassocieerd met een stijging van de brede welvaart. Nederland staat in het bovenste kwart van de EU-ranglijst.
Rood Rood
De trend beweegt in de richting die wordt geassocieerd met een daling van de brede welvaart. Nederland staat in het onderste kwartiel van de EU-ranglijst.
Grijs Grijs
De trend stijgt of daalt niet significant. Nederland staat in het midden van de EU-ranglijst, tussen het eerste en het derde kwartiel van de frequentieverdeling

Bij het bepalen van de kleurcodes kijken we alleen naar de eerste-orde-effecten. Zo is een stijging van de individuele consumptie in de eerste orde goed voor de consument. In de tweede orde gaat hogere consumptie gepaard met milieuvervuiling, obesitas, waterverbruik en CO2‑uitstoot in andere landen, enzovoorts.

Wanneer Nederland voor een indicator een trend heeft die zich beweegt in de richting die wordt geassocieerd met een daling van de brede welvaart en binnen Europa een positie in het laagste kwart heeft, dan observeert het CBS in de monitor een ‘rode’ trend en een ‘rode’ positie. De kleurcode geeft de lezer het signaal dat hij of zij goed moet kijken naar het fenomeen waarvoor de indicator een indicatie geeft. Er is blijkbaar iets aan de hand. Hetzelfde geldt overigens voor een volledig groene indicator: daar gaat blijkbaar iets goed. Middelen en mogelijkheden worden niet geduid in de context van meer of minder brede welvaart, maar alleen in termen van meer of minder beschikbare middelen.

De kleuraanduidingen hebben slechts een signaalfunctie. Er is nadrukkelijk geen sprake van een normatieve duiding. De Monitor geeft aan hoe Nederland er op de uiteenlopende aspecten van brede welvaart voorstaat, en toont hierbij de afruilen waar we als samenleving mee worden geconfronteerd. Het is aan politiek en beleid om op basis van deze informatie te komen tot afwegingen en beleidsconclusies.

Voor dit hoofdstuk zijn de officiële SDG-indicatoren die gemeten zijn op basis van de VN-richtlijn een uitzondering. Deze zijn door de VN wel normatief geduid. In dit hoofdstuk wordt de duiding die de VN geeft aan deze indicatoren weergegeven.

Betekenis voetnoten

  1. Het CBS heeft voor de Monitor Brede Welvaart een jaarcijfer voor 2018 geraamd om het politieke debat te faciliteren. Dit geeft een eerste indicatie.
  2. Bij deze indicator zijn binnen de periode 2011–2018 niet genoeg datapunten beschikbaar om een trend te kunnen berekenen.

SDG 1 Geen armoede

SDG 1 beoogt de afname van armoede in al haar vormen. De materiële welvaart van personen wordt in belangrijke mate bepaald door het (gestandaardiseerd) besteedbaar inkomen van het huishouden waar ze deel van uitmaken. Hiermee kunnen ze consumeren, investeren, sparen of beleggen. Bij een laag (gestandaardiseerd) besteedbaar inkomen heeft men kans op armoede. Als daarnaast het huishouden kampt met ernstige financiële problemen of gekenmerkt wordt door een lage economische activiteit loopt de persoon tevens risico op sociale uitsluiting. Verder is de hoogte van het besteedbaar inkomen van invloed op de ervaren bestaanszekerheid. De armoedeproblematiek in Nederland is van een andere orde dan die in de allerarmste landen, maar ook in Nederland lopen mensen risico op (relatieve) armoede. Dit dashboard laat zien hoe de inkomens zich in Nederland ontwikkelen, hoe het hier zit met het risico op inkomensarmoede of sociale uitsluiting en of mensen financiële zorgen hebben (SDG 1.2).

Middelen en mogelijkheden gaan over de financiële middelen die mensen tot hun beschikking hebben en de eventuele ondersteuning daarbij. De mediaan van het besteedbaar inkomen ligt onder het gemiddeld besteedbaar inkomen. Dit betekent dat enkele (zeer) hoge inkomens het gemiddelde omhoog trekken.

Gebruik betreft het gebruik van verschillende vormen van financiële ondersteuning. Er zijn voor deze categorie op dit moment geen indicatoren bekend die voldoen aan de kwaliteitseisen van deze publicatie.

Uitkomsten hebben betrekking op het aandeel mensen met risico op armoede of sociale uitsluiting.noot1 Het percentage van de bevolking dat leeft in relatieve inkomensarmoede is opgelopen tot 13,2 in 2017. Waar Nederland in 2011 nog het op een na laagste percentage had, is het inmiddels gezakt tot de vijfde plaats. De armoedekloof (hoever ligt het mediane inkomen van armen onder de Nederlandse armoedegrens) komt in 2017 uit op 17,8 procent. Binnen de EU valt Nederland wat dit betreft in de middenmoot.

Het aandeel mensen met risico op armoede of sociale uitsluiting is in Nederland toegenomen, naar 17 procent van de bevolking. Het gaat hier om mensen die te maken hebben met inkomensarmoede of lage economische activiteit, of die materieel sterk achtergesteld zijn. In de meeste andere EU-lidstaten daalt dit aandeel licht, maar dat is onvoldoende om de EU2020 doelstelling van een significante daling nu al te halen (Ministerie van Economische Zaken, 2017a; Europese Commissie, 2010). Wel is het risico op armoede of sociale uitsluiting in Nederland laag vergeleken met andere EU-landen.

Beleving gaat over de ervaren bestaanszekerheid. Het percentage mensen dat zegt zich veel zorgen te maken over zijn of haar financiële toekomst is afgenomen, zowel trendmatig als gedurende het laatste meetjaar. In 2018 kende ruim een kwart van de bevolking dergelijke zorgen.

van de bevolking van 18+ maakt zich veel zorgen in 201825,1%van de bevolkingin 201717,0%van de bevolking zit onder armoede-grens (60% mediane inkomen) in 201713,2%verschil tussen armoedegrens en mediane inkomen armen in 201717,8%van de huishoudens heeft een langdurig laag inkomen in 20173,3%van kinderen de onder 12 jaar zit in huishouden met ontoereikend inkomen in 20169,7%per huishouden (prijzen 2015)in 2017€ 28 317per huishouden (prijzen 2015)in 2017€ 25 269verandering van koopkrachtin 20170,5%Zorgen over financiële toekomst[SDG1.2.2] Risico op armoede of sociale uitsluiting[SDG1.2.1] Relatieve armoede[SDG1.2.1] ArmoedekloofHuishoudens met een langdurig laag inkomenKinderen in armoedeGemiddeld besteedbaar inkomenMediaan besteedbaar inkomenMediane koopkrachtMiddelen en mogelijkhedenUitkomstenBeleving4evan 28in 20175evan 28in 20178evan 28in 20177evan 28in 20176evan 28in 2017Trend in NLPositie in EU
van de bevolking van 18+ maakt zich veel zorgen in 201825,1%van de bevolkingin 201717,0%van de bevolking zit onder armoede-grens (60% mediane inkomen) in 201713,2%verschil tussen armoedegrens en mediane inkomen armen in 201717,8%van de huishoudens heeft een langdurig laag inkomen in 20173,3%van de kinderen onder 12 jaar zit in huishouden met ontoereikend inkomen in 20169,7%per huishouden (prijzen 2015)in 2017€ 28 317per huishouden (prijzen 2015)in 2017€ 25 269verandering van koopkrachtin 20170,5%Zorgen over financiële toekomst[SDG1.2.2] Risico op armoede of sociale uitsluiting[SDG1.2.1] Relatieve armoede[SDG1.2.1] ArmoedekloofHuishoudens met een langdurig laag inkomenKinderen in armoedeGemiddeld besteedbaar inkomenMediaan besteedbaar inkomenMediane koopkrachtMiddelen en mogelijkhedenUitkomstenBeleving
Zorgen over financiële toekomst[SDG1.2.2] Risico op armoede of sociale uitsluiting[SDG1.2.1] Relatieve armoede[SDG1.2.1] ArmoedekloofHuishoudens met een langdurig laag inkomenKinderen in armoedeGemiddeld besteedbaar inkomenMediaan besteedbaar inkomenMediane koopkrachtMiddelen en mogelijkhedenUitkomstenBeleving4evan 28in 20175evan 28in 20178evan 28in 20177evan 28in 20176evan 28in 2017

Meer lezen over Armoede en sociale uitsluiting.

SDG 2 Geen honger

SDG 2 betreft een einde aan honger. Vergeleken met andere landen komt ondervoeding en voedselonzekerheid hier niet vaak voor. Binnen dit dashboard wordt daarom het accent gelegd op de duurzaamheid van de voedselproductie (SDG 2.4) en de impact van de voedselproductie op de kwaliteit van de leefomgeving en het dierenwelzijn. In dit hoofdstuk wordt tevens ingegaan op SDG 12.3, die tot doel heeft om in 2030 de voedselverspilling per inwoner ten opzichte van 2015 te halveren (Ministerie van Economische Zaken, 2017b).

Middelen en mogelijkheden betreffen de hoeveelheid land en vee die ter beschikking staat ten behoeve van de voedselproductie. De productie van de landbouw per arbeidsjaar stijgt trendmatig. Internationaal gezien staat Nederland hiermee aan de top (tweede binnen de EU). De veestapeldichtheid neemt trendmatig toe en was de hoogste van alle EU-landen in 2016. Hoewel een hoge veestapeldichtheid vanuit het perspectief van voedselproductie als positief geduid wordt, heeft deze vanuit het perspectief van dierenwelzijn en druk op het milieu ongewenste gevolgen.

Gebruik betreft de wijze waarop en de mate van duurzaamheid waarmee voedsel geproduceerd wordt. Het areaal waarop biologische landbouw wordt toegepast neemt trendmatig toe en besloeg in 2017 3,1 procent van het totale areaal cultuurgrond. Internationaal gezien is dat een klein aandeel. Eiwitrijke gewassen zoals peulvruchten en sojabonen worden in toenemende mate geteeld, waarmee meer vleesvervangend voedsel ter beschikking komt. Het areaal van deze gewassen besloeg 0,5 procent van het totale areaal cultuurgrond in 2018. Weidegang van melkvee en antibioticagebruik in de veehouderij zijn trendmatig gedaald. Minder weidegang wordt gezien als negatief voor het dierenwelzijn. Ruim twee derde van het melkvee had weidegang in 2017.

Uitkomsten beschrijven de betaalbaarheid van voedsel en de impact van voedselproductie op de leefomgeving en het dierenwelzijn. Het effect van productiemethoden in de landbouw op het lokale milieu en de waterkwaliteit is gerelateerd aan onder andere de benuttingspercentages voor stikstof en fosfor. De opname van stikstof in gewassen ten opzichte van de totale stikstofaanvoer via meststoffen was 60 procent in 2017. Het overige deel van de stikstof vervluchtigt naar de lucht (6 procent) of blijft achter in de bodem (34 procent), waarna het uitspoelt naar grond- en oppervlaktewater. Nederland staat qua stikstofbenutting internationaal gezien laag, als dertiende van zestien EU-landen in 2015. Het benuttingspercentage van fosfor ligt met 94 procent een stuk hoger. Daarmee is evenwichtsbemesting bij fosfor in zicht.

Het SDG-doel op het terrein van voedselverspilling betekent voor Nederland een streefdoel van 63 kilo per inwoner in 2030. Tussen 2011 en 2016 nam voedselverspilling af van 143 kilo naar 125 kilo per inwoner.

Beleving betreft tevredenheid met de kwaliteit en het aanbod van voedsel en tevredenheid met leefomgeving en dierenwelzijn. Er zijn voor deze categorie op dit moment geen indicatoren bekend die voldoen aan de kwaliteitseisen van deze publicatie.

42,6%€ 1803,703,1%0,5%405,168,0%0,07394,0%60,0%3,0%30,0%125Cultuurgrond (akkerbouw, tuinbouw, veehouderij)[SDG2.3.1] Productie landbouw[SDG2.4.1] Veestapeldichtheid[SDG2.4.1] Biologische landbouwEiwitrijke gewassenChemische gewasbeschermingsmiddelenWeidegang van melkveeAntibioticagebruik veehouderijBenutting fosforBenutting stikstofMarktaandeel biologisch voedselVlees met duurzaamheidskenmerk[SDG12.3.1] VoedselverspillingUitkomstenGebruikMiddelen en mogelijkheden15evan 27in 20172evan 28in 20181evan 28in 201623evan 28in 20172evan 21in 20168evan 17in 201513evan 16in 2015Trend in NLPositie in EU
42,6%€ 1803,703,1%0,5%405,168,0%0,07394,0%60,0%3,0%30,0%125Cultuurgrond (akkerbouw, tuinbouw, veehouderij)[SDG2.3.1] Productie landbouw[SDG2.4.1] Veestapeldichtheid[SDG2.4.1] Biologische landbouwEiwitrijke gewassenChemische gewasbeschermingsmiddelenWeidegang van melkveeAntibioticagebruik veehouderijBenutting fosforBenutting stikstofMarktaandeel biologisch voedselVlees met duurzaamheidskenmerk[SDG12.3.1] VoedselverspillingUitkomstenGebruikMiddelen en mogelijkheden
Cultuurgrond (akkerbouw, tuinbouw, veehouderij)[SDG2.3.1] Productie landbouw[SDG2.4.1] Veestapeldichtheid[SDG2.4.1] Biologische landbouwEiwitrijke gewassenChemische gewasbeschermingsmiddelenWeidegang van melkveeAntibioticagebruik veehouderijBenutting fosforBenutting stikstofMarktaandeel biologisch voedselVlees met duurzaamheidskenmerk[SDG12.3.1] VoedselverspillingUitkomstenGebruikMiddelen en mogelijkheden15evan 27in 20172evan 28in 20181evan 28in 201623evan 28in 20172evan 21in 20168evan 17in 201513evan 16in 2015

Meer lezen over Groene groei.

Meer lezen over Duurzame agrogrondstoffen.

Meer lezen over Duurzame landbouw.

SDG 3 Goede gezondheid en welzijn

SDG 3 streeft naar een goede gezondheid voor mensen van alle leeftijden. De VN wil voortijdige sterfte veroorzaakt door overdraagbare en niet-overdraagbare ziektes of mentale problemen voorkomen. Deze wereldwijde doelstellingen komen in Nederland onder andere terug in het Nationaal Preventieakkoord. Hierin worden roken, overgewicht en problematisch alcoholgebruik uitgelicht, leefstijlelementen die op dit moment de belangrijkste oorzaken van ziektelast en vroegtijdige sterfte zijn (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2018a). Het akkoord streeft er onder meer naar dat Nederland in 2040 een rookvrije generatie kent en het aandeel volwassenen met overgewicht is gedaald tot 38 procent of lager. Hoog op de agenda staat ook het voorkomen van ernstige infectieziekten. In de brief ‘Verder met vaccineren’ (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2018b) roept de staatsecretaris zorgprofessionals en andere betrokkenen op om zich in te zetten voor het vaccineren, om zo de samenleving zo goed mogelijk te beschermen tegen uitbraken van infectieziekten.

Middelen en mogelijkheden betreffen de middelen die worden ingezet om het zorgstelsel te onderhouden en te verbeteren. Nederland blijft aan de top van de Europese ranglijst wat betreft de uitgaven aan gezondheidszorg als percentage van het bbp en het aantal in de zorg gewerkte uren per inwoner. Trendmatig zijn hier geen veranderingen.

Gebruik betreft gedrag dat van invloed is op gezondheid en het gebruik dat mensen maken van de zorg. Twee belangrijke indicatoren voor een gezonde leefstijl zijn overgewicht en roken. Het aandeel van mensen met overgewicht stijgt al enkele jaren en bedroeg in 2018 ruim 50 procent. Het percentage rokers daalt: in 2018 rookte 21 procent. Europees gezien neemt Nederland een positie in de middenmoot in. Een indicator voor het gebruik van het zorgaanbod is de basisvaccinatiegraad voor mazelen. Deze vaccinatiegraad is trendmatig gedaald. In 2017 was ongeveer 93 procent van de kinderen gevaccineerd. Dit percentage is Europees gezien relatief laag hetgeen ook gezondheidsrisico’s oplevert, vooral voor jonge kinderen.

Uitkomsten hebben betrekking op de actuele fysieke en mentale gezondheid van de bevolking in samenhang met de kwaliteit van de zorg. De meest directe manier om de actuele gezondheid te beoordelen is de levensverwachting. De gezonde levensverwachting bij mannen neemt trendmatig toe, bij vrouwen blijft deze op hetzelfde niveau. De mentale gezondheid wordt in de meest extreme vorm gemeten door te kijken naar de ontwikkeling van het aantal zelfdodingen. Deze nemen trendmatig toe. De kwaliteit van de gezondheidszorg wordt onder andere gemeten door te kijken naar sterfte van pasgeborenen; het betreft 2,7 kinderen per 1 000 levendgeborenen (zie ook Broersen, 2018), een aantal dat trendmatig stabiel is. Nederland staat hiermee in de Europese middenmoot.

Beleving beschrijft de tevredenheid van burgers met de eigen gezondheid en het Nederlandse zorgstelsel. Het aantal mensen dat de eigen gezondheid als heel goed ervaart neemt af. Overigens scoort Nederland Europees gezien hoog op deze indicator.

van het bruto binnenlands product in 201710,1%gewerkte uren per inwoner in 201898,0van de bevolking van 20+ heeft overgewicht in 201851,1%liters pure alcohol per inwoner (15+) in 20178,9van de bevolking van 12+ rookt in 201821,0%van de kinderen van 2 jaar is gevaccineerd in 201792,9%van de bevolking heeft diabetesmedicatie in 20174,7%dagen in 20175,2jaren bij geboorte in 201765,0jaren bij geboorte in 201763,8van wachttijden specialistische zorg is langer dan Treeknorm in 201828,7%per 1000 levend geboren kinderen in 20172,7per 100 000 inwoners in 201711,2van de bevolking van 12+ is psychisch ongezond in 201811,9%van de bevolking van 12+ vindt eigen gezondheid (zeer) goed in 201878,3%Uitgaven gezondheidszorgGewerkte uren in de zorg[SDG2.2.2] Overgewicht[SDG3.5.2] Alcoholgebruik[SDG3.5.2] RokenVaccinatiegraad mazelenDiabetesmedicatieGemiddelde verpleegduur van klinische opname[SDG3.4.1] Gezonde levensverwachting mannen[SDG3.4.1] Gezonde levensverwachting vrouwenWachttijden specialistische zorg[SDG3.2.2] Neonatale sterfte[SDG3.4.2] ZelfdodingPsychisch ongezondErvaren gezondheidUitkomstenGebruikBelevingMiddelen en mogelijkheden6evan 23in 20174evan 19in 20176evan 18in 20144evan 20in 20167evan 19in 201416evan 21in 20171evan 20in 201612evan 28in 201623evan 28in 201612evan 22in 201612evan 28in 201517evan 28in 20175evan 28in 2017