Foto omschrijving: Gezin, vader en moeder en 2 kinderen in centrum. Dochter zit in kinderwagen en vader draagt zoon op de arm.

Veranderingen in relatie- en gezinsvorming binnen de tweede generatie

In dit hoofdstuk staan veranderingen in de relatie- en gezinsvorming van de tweede generatie centraal. Hoe verschillen patronen van samenwonen, trouwen en kinderen krijgen tussen de tweede generatie en leeftijdsgenoten met een Nederlandse achtergrond? En zijn deze patronen anders voor personen geboren in 1980 dan voor degenen die later zijn geboren? Ook het aangaan van gemengde relaties onder de verschillende tweede generatie groepen wordt beschreven.

7.1Inleiding

Het aangaan van een relatie en het krijgen van kinderen zijn belangrijke gebeurtenissen in de individuele levensloop. Keuzes rondom relatie- en gezinsvorming hebben niet alleen invloed op het privéleven, maar hangen ook samen met gebeurtenissen in het publieke levensdomein. Zo beïnvloeden ze onder andere opleidings- en carrièremogelijkheden (Koelet, de Valk, Glorieux, Laurijssen & Willaert, 2014). Relatie– en gezinsvorming zijn echter onderhevig aan verandering. Om deze veranderingen in kaart te brengen worden vaak verschillende geboortecohorten met elkaar vergeleken. Een geboortecohort bestaat uit mensen die in een bepaalde periode geboren zijn. Zo’n periode kan uit één of meerdere kalenderjaren bestaan (Bronsema, 1990). Uit eerdere cohortvergelijkingen blijkt dat in Nederland grote verschuivingen hebben plaatsgevonden in de relatie- en gezinsvorming. Tot de jaren zestig was het gebruikelijk om het ouderlijk huis te verlaten, te trouwen en relatief jong kinderen te krijgen (Liefbroer & Dykstra, 2000). Tegenwoordig worden relatie- en gezinsvorming steeds vaker uitgesteld en vinden sommige transities zoals trouwen en kinderen krijgen helemaal niet meer plaats. Direct trouwen is niet langer de norm. Een groot deel van de stellen woont eerst samen of trouwt helemaal niet (Latten, 2004; Van Gaalen, De Vries, Arts & Harmsen, 2013). Daarnaast krijgen vrouwen in Nederland later kinderen en zijn ze inmiddels gemiddeld dertig jaar oud bij de geboorte van hun eerste kind (Te Riele & Loozen, 2017).

Eerder cohortonderzoek naar veranderingen in relatie- en gezinsvorming richtte zich met name op personen met een Nederlandse achtergrond. Hierdoor is tot nu toe nauwelijks iets bekend over veranderingen in relatie- en gezinsvorming onder verschillende geboortecohorten van tweede generatie migrantengroepen. Om veranderingen in relatie- en gezinsvorming in beeld te krijgen is het van belang om ook voor de tweede generatie verschillende geboortecohorten met elkaar te vergelijken. Dit is pas recent mogelijk; tot voor kort was een te klein deel van de tweede generatie volwassen om verschillende cohorten te kunnen vergelijken.

Wat al wel bekend is, is dat er verschillen zijn in de algehele patronen van relatie- en gezinsvorming tussen de tweede generatie en personen met een Nederlandse achtergrond (Hamel et al. 2012; Kleinepier & De Valk 2014; Van Landschoot et al. 2017). Zo is het onder de Turkse en Marokkaanse tweede generatie nog relatief ongebruikelijk om ongehuwd samen te wonen, terwijl dit onder personen met een Nederlandse achtergrond de nieuwe norm lijkt te zijn. Alleenstaand moederschap komt daarentegen vaker voor onder de Surinaamse en Antilliaanse tweede generatie (Kleinepier & De Valk, 2014). Daarnaast krijgen tweede generatie vrouwen uit de vier grootste niet-westerse herkomstgroepen, met uitzondering van Antilliaanse vrouwen, gemiddeld op jongere leeftijd kinderen dan personen met een Nederlandse achtergrond (Van Huis, 2013). Tot nu toe is nauwelijks onderscheid gemaakt tussen geboortecohorten in onderzoek naar verschillen tussen de relatie- en gezinsvorming van de tweede generatie en personen met een Nederlandse achtergrond. Daardoor is niet bekend of de ontwikkeling in gedrag van de tweede generatie steeds meer lijkt op dat van personen met een Nederlandse achtergrond die geboren zijn in hetzelfde cohort. Als dit laatste het geval is dan kan dat een indicatie zijn van toenemende integratie. De vragen die we in dit hoofdstuk willen beantwoorden zijn dan ook: ‘Hoe en op welke punten verschilt de relatie- en gezinsvorming tussen geboortecohorten tweede generatie migranten?’ en ‘In welke mate lijkt de relatie- en gezinsvorming van jongere geboortecohorten tweede generatie migranten meer op die van personen met een Nederlandse achtergrond dan oudere geboortecohorten?’. Tot slot proberen we de verschillen tussen cohorten te verklaren. We kijken in dit hoofdstuk naar patronen van samenwonen, trouwen en kinderen krijgen. In het laatste deel van het hoofdstuk gaan we ook in op het aangaan van gemengde relaties onder de verschillende tweede generatie groepen en over de cohorten.

7.2Onderzoeksopzet

Onze onderzoekspopulatie bestaat uit personen die geboren zijn tussen 1980 en 1995 en die op 31 december 2016 in Nederland ingeschreven stonden. Dat betekent dat we personen kunnen volgen vanaf hun geboorte tot eind 2016 en dat iedereen binnen de onderzoekspopulatie tussen de 21 en 36 jaar oud is. Aangezien we naar relatie- en gezinsvorming kijken, is het niet zinvol om onze observatie uit te breiden naar een jongere leeftijd omdat voor die leeftijd weinig gezinsvormingstransities plaatsvinden. We maken onderscheid tussen tweede generatie jongvolwassenen uit de vier grootste niet-westerse herkomstgroepen (Turks, Marokkaans, Surinaams en Antilliaans) en de Nederlandse vergelijkingsgroep. Andere tweede generatie herkomstgroepen omvatten nog niet voldoende aantallen personen om geboortecohorten te onderscheiden in onze analyses. We refereren naar personen met een Nederlandse achtergrond als beide ouders in Nederland zijn geboren. We maken verder onderscheid naar personen met een of twee in het buitenland geboren ouders. Eerder onderzoek suggereert dat relatie- en gezinsvorming van tweede generatie migranten met een buitenlandse ouder over het algemeen meer lijkt op dat van personen met een Nederlandse achtergrond dan wanneer beide ouders uit het buitenland komen (Kleinepier & De Valk 2014).

Dit hoofdstuk richt zich op veranderingen in de timing van relatie- en gezinsvorming. Daarbij beperken we ons tot het aangaan van heteroseksuele relaties. We onderzoeken op welke leeftijd mensen voor het eerst een huwelijk of samenwoonrelatie aangaan en hun eerste kind krijgen. Wanneer we hiervoor gebruik zouden maken van de gemiddelde leeftijd zouden we een vertekend beeld krijgen; de gemiddelde leeftijd zou door de relatief jonge leeftijd van de onderzoekspopulatie namelijk lager zijn dan werkelijk het geval is, omdat een deel van de populatie simpelweg nog niet ouder is en mogelijk later in hun levensloop een relatie aangaat of kinderen krijgt. Pas als iedereen een leeftijd heeft bereikt waarop redelijkerwijs verwacht kan worden dat men deze transities niet meer gaat doormaken, is de gemiddelde leeftijd een zinvolle indicatie. In plaats van de gemiddelde leeftijd onderzoeken we in dit hoofdstuk welk deel van de onderzoekspopulatie op een bepaalde leeftijd voor het eerst een relatie is aangegaan en een eerste kind heeft gekregen. Afhankelijk van het geboortecohort kunnen we personen tot een bepaalde leeftijd volgen: voor degenen geboren in 1980 is dit tot en met hun 36e levensjaar. Personen uit 1995 kunnen we daarentegen maar tot hun 21e volgen. Een deel van de personen uit geboortecohort 1980 maakt in het jaar 2017 op 36-jarige leeftijd een transitie door. Aangezien onze data maar tot eind 2016 loopt en we deze transities dus niet mee kunnen nemen, is het percentage op 36-jarige leeftijd een kleine onderschatting. Ditzelfde geldt voor het percentage op 31-jarige leeftijd voor cohort 1985 en op 26-jarige leeftijd voor cohort 1990.

De onderzoekspopulatie en hun ouders

Onze onderzoekspopulatie betreft degenen geboren tussen 1980 en 1995 (zie tabel 7.1). Elk geboortecohort bestaat ieder jaar uit ongeveer 170 duizend personen. Dat komt over de totale periode tussen 1980 en 1995 neer op ruim 2,8 miljoen personennoot1. Van hen behoort 16 procent tot de tweede generatie. Over het hele tijdvak maakt de tweede generatie een steeds groter deel uit van alle geborenen; in 1980 was dit ongeveer 13 procent en in 1995 was dit gestegen tot 18 procent. De tweede generatie geboren tussen 1980 en 1995 bestaat voor het grootste deel uit personen met een westerse achtergrond. Dit zijn met name mensen met een Duitse, Indonesischenoot2 en Belgische achtergrond. De vier grootste niet-westerse herkomstgroepen uit de onderzoekspopulatie vormen gezamenlijk bijna 53 procent van de tweede generatie uit deze geboortecohorten. De grootste toename is te zien onder de groep met een overig niet-westerse achtergrond die een enorm diverse populatie aan migratieachtergronden omvat.

Onderzoekspopulatie

  • Geboortecohorten 1980 tot en met 1995

Een geboortecohort bestaat uit alle mensen die in een bepaald kalenderjaar geboren zijn.

We maken onderscheid tussen:

  • Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse tweede generatie

Tweede generatie gedefinieerd als: ‘personen geboren in Nederland met ten minste één in het buitenland geboren ouder’

  • Personen met een Nederlandse achtergrond

Gedefinieerd als: ‘personen van wie beide ouders in Nederland zijn geboren’

7.2.1Onderzoekspopulatie naar achtergrond

Totaal Geboortecohort
1980 1985 1990 1995
x 1 000 % x 1 000 % x 1 000 % x 1 000 % x 1 000 %
Nederlands 2 363 84,0 146 86,5 143 85,3 156 83,3 151 81,8
Westers 150 5,3 10 6,0 9 5,4 9 5,0 10 5,2
Turks 78 2,8 4 2,1 4 2,2 6 3,2 6 3,3
Marokkaans 68 2,4 2 1,5 4 2,1 5 2,7 5 3,0
Surinaams 70 2,5 4 2,1 4 2,6 5 2,5 4 2,4
Antilliaans 21 0,7 1 0,5 1 0,6 2 0,9 2 0,9
Overig niet-westers 62 2,2 2 1,2 3 1,8 5 2,4 6 3,4
Totaal 2 812 100,0 168 100,0 167 100,0 188 100,0 184 100,0

Bron:CBS.

Turkse, Marokkaanse en Surinaamse tweede generatie steeds minder vaak twee buitenlandse ouders

Van alle personen geboren tussen 1980 en 1995 met een tweede generatie migratieachtergrond heeft 56 procent twee buitenlandse ouders. De overige 44 procent heeft één in het buitenland en één in Nederland geboren ouder. Figuur 7.2.2 laat zien dat van de vier grootste niet-westerse herkomstgroepen de Turkse en Marokkaanse tweede generatie relatief vaak twee buitenlandse ouders heeft. Er zijn echter duidelijke verschillen tussen de geboortecohorten. Met name de Turkse en Surinaamse tweede generatie heeft steeds minder vaak twee in het buitenland geboren ouders. Ook voor de Marokkaanse tweede generatie zien we eenzelfde patroon maar is de daling minder sterk. Onder de tweede generatie Antillianen blijft dit aandeel stabiel met zelfs een lichte stijging van het aandeel personen dat twee in het buitenland geboren ouders heeft. Dit heeft te maken met aanhoudende migratiebewegingen tussen de Antillen en Nederland. Aangezien de meeste van deze migranten de Nederlandse nationaliteit hebben, kunnen zij relatief eenvoudig immigreren en ook terugkeren na emigratie uit Nederland. De verticale zwarte lijn in figuur 7.2.2 geeft de grens van onze onderzoekspopulatie aan (geboortecohort 1980–1995): links van de lijn de geboortecohorten binnen onze onderzoekspopulatie en rechts van de lijn de veranderingen voor nog recentere geboortecohorten. Voor deze jongste groep zien we dat de geobserveerde patronen verder doorzetten en het aandeel met twee in het buitenland geboren ouders voor alle groepen, met uitzondering van de Antillianen, afneemt. Voor onze verdere analyses zijn de cohorten geboren na 1995 nog te jong om de timing van relatie- en gezinsvorming op een zinvolle manier mee te nemen en zij vallen dan ook verder buiten het bestek van dit hoofdstuk.

Steeds vaker één ouder uit de eerste generatie en één ouder uit de tweede generatie

Wanneer iemand uit de tweede generatie één ouder heeft die in Nederland is geboren, dan kan die ouder zowel een persoon met een Nederlandse achtergrond zijn als een iemand die zelf ook tot de tweede generatie behoort (figuur 7.2.3). Dit laatste komt steeds vaker voor onder de Turkse, Marokkaanse en Surinaamse tweede generatie. Rechts van de verticale zwarte streep zijn wederom de veranderingen voor recentere geboortecohorten te zien, oftewel voor personen die geboren zijn na 1995 en buiten de onderzoekspopulatie vallen. Binnen deze recentere geboortecohorten zet de trend die al zichtbaar is in de onderzoekpopulatie duidelijk verder door. Van relatief weinig Turkse en Marokkaanse Nederlanders heeft de in Nederland geboren ouder een Nederlandse achtergrond. Binnen de Marokkaanse tweede generatie ligt dit percentage voor elk geboortecohort rond de 6 à 7 procent. Binnen de Turkse tweede generatie ligt dit percentage nog lager, maar is tussen geboortecohort 1980 en 1995 wel bijna verdubbeld. Ook onder Surinaamse Nederlanders neemt dit percentage toe. Het beeld binnen de Antilliaanse groep wijkt opnieuw af van de andere herkomstgroepen. De Antilliaanse tweede generatie heeft namelijk steeds vaker twee eerste generatie ouders. Zoals we hiervoor al opmerkten, hangt dit onder andere samen met aanhoudende migratiebewegingen.

7.3Het aangaan van de eerste relatie

Het starten van een relatie is een belangrijke transitie in de levensloop van mensen. Waar in Nederland voorheen vaak direct gehuwd werd, zien we tegenwoordig dat jongvolwassenen in een eerste relatie vaak eerst samenwonen. In deze paragraaf onderzoeken we wat voor type relatie de onderzoekspopulatie aangaat, daarbij onderscheid makend tussen het huwelijk en een samenwoonrelatie. We richten ons op de timing van het eerste huwelijk en de eerste samenwoonrelatie omdat de onderzoekspopulatie relatief jong is. Eerder onderzoek onder de tweede generatie met een Turkse en Marokkaanse achtergrond suggereert dat de leeftijd waarop met de partner samen een huis betrokken wordt niet veel verschilt van die van de jongvolwassenen met een Nederlandse herkomst, maar dat vooral het type relatie anders is: meer huwelijken onder de Turkse en Marokkaanse tweede generatie en meer samenwoonrelaties onder Nederlandse jongvolwassen (Hamel et al. 2012; Huschek et al. 2010). Voor het eerste huwelijk kan een periode van ongehuwd samenwonen hebben plaatsgevonden met de huwelijkspartner of een andere partner. De eerste huwelijkspartner is dus niet per definitie de partner met wie voor het eerst werd samengewoond. De eerste samenwoonrelatie refereert hier aan het moment waarop iemand voor het eerst is gaan samenwonen. Het kan zijn dat de eerste samenwoonpartner ook de eerste huwelijkspartner is (of later nog wordt), maar dat hoeft niet het geval te zijn.

Surinaamse en Antilliaanse tweede generatie trouwt het minst vaak

Van alle personen in de onderzoekspopulatie (geboortecohort 1980–1995) is ruim 23 procent getrouwd. De Turkse en Marokkaanse tweede generatie is het vaakst getrouwd (respectievelijk 43 en 36 procent), de Surinaamse en Antilliaanse tweede generatie het minst vaak (respectievelijk 14 en 12 procent). Personen met een Nederlandse achtergrond nemen een tussenpositie in (23 procent). De Surinaamse en Antilliaanse tweede generatie heeft het vaakst zowel nog geen samenwoonrelatie als ook geen huwelijksrelatie gehad (63 en 62 procent). Daarna volgt de Marokkaanse en Turkse tweede generatie (58 en 51 procent) en ten slotte personen met een Nederlandse achtergrond (49 procent). De rest van de onderzoekspopulatie is nog nooit getrouwd, maar heeft wel minstens één keer samengewoond.

Oudere geboortecohorten op alle leeftijden vaker getrouwd dan jongere cohorten

Oudere geboortecohorten zijn op elke leeftijd vaker al getrouwd en dit geldt voor alle herkomstgroepen (zie figuur 7.3.1); onder alle groepen wordt in de jongere cohorten het huwelijk uitgesteld. Het grootste verschil tussen geboortecohorten zit binnen de Turkse tweede generatie. Zo is meer dan de helft van de Turkse tweede generatie geboren in 1980 op 25-jarige leeftijd al getrouwd, terwijl dit voor het geboortecohort 1985 ruim 40 procent is en voor het jongste geboortecohort 32 procent. Er is dan ook een sterke daling in het percentage jonggehuwden binnen de Turkse tweede generatie. Binnen geboortecohort 1980 was 23 procent van de Turkse Nederlanders al getrouwd voordat ze 21 jaar waren; dit is gedaald naar 2 procent voor geboortecohort 1995 (niet weergegeven in figuur 7.3.1).

Turkse tweede generatie op elke leeftijd het vaakst getrouwd

De Turkse tweede generatie is op vrijwel elke leeftijd en in ieder geboortecohort vaker getrouwd dan de andere groepen (zie figuur 7.3.1). Het verschil in huwelijksleeftijd tussen de tweede generatie en personen met een Nederlandse achtergrond neemt iets af tussen de geboortecohorten, met name voor de Turkse tweede generatie. Als we het geboortecohort 1980 vergelijken met de cohorten 1985 en 1990, dan zien we dat het verschil tussen Turkse Nederlanders en personen met een Nederlandse achtergrond met name op jongere leeftijden afneemt. Dit komt doordat latere geboortecohorten Turkse Nederlanders steeds minder vaak op jonge leeftijd trouwen.

Onder personen met een Nederlandse achtergrond blijft het percentage jonggehuwden daarentegen vrijwel gelijk tussen de geboortecohorten. Met name het percentage dat voor hun 21e trouwt is stabiel (maar laag) binnen deze groep. Het verschil tussen Turkse Nederlanders en personen met een Nederlandse achtergrond uit geboortecohort 1985 is op latere leeftijd (ouder dan 26 jaar) weer vrijwel gelijk aan het verschil binnen cohort 1980. Het is dus niet zo dat de Turkse tweede generatie uit jongere cohorten niet meer trouwt, maar ze stellen het huwelijk wel langer uit dan oudere cohorten met dezelfde achtergrond.

Surinaamse en Antilliaanse tweede generatie woont wel samen, maar trouwt weinig

Van de Surinaamse en Antilliaanse tweede generatie zijn relatief weinig personen getrouwd. Dat betekent echter niet dat ze niet samenwonen met een partner. Figuur 7.3.2 laat zien dat bijna 63 procent van de Surinaamse en Antilliaanse tweede generatie geboren in 1980 op 35-jarige leeftijd minstens één keer heeft samengewoond. Dit percentage is bijna twee keer zo hoog als het percentage dat op 35-jarige leeftijd getrouwd is (zie figuur 7.3.1). Ook onder personen met een Nederlandse achtergrond is er een groot verschil in het percentage dat getrouwd is of samenwoont. Ongeveer een derde is op 30-jarige leeftijd minstens één keer getrouwd, terwijl rond de 70 procent op 30-jarige leeftijd minstens één keer heeft samengewoond.

Surinaamse tweede generatie woont steeds minder vaak samen

Jongere geboortecohorten Surinaamse Nederlanders gaan minder vaak op jonge leeftijd samenwonen dan oudere cohorten. Van de Surinaamse tweede generatie geboren in 1980 woonde ruim 31 procent op 25-jarige leeftijd al samen. Dit is gedaald naar 23 procent onder Surinaamse Nederlanders uit geboortecohort 1990. Ook onder personen met een Nederlandse achtergrond zien we over het algemeen dat jongere cohorten minder vaak al samenwonen dan oudere cohorten. Bij de Antilliaanse tweede generatie is een ander beeld te zien: de geboortecohorten verschillen minder van elkaar en de jongere cohorten wonen niet op elke leeftijd minder vaak samen dan de oudere cohorten.

De leeftijd waarop de Turkse en Marokkaanse tweede generatie voor het eerst gaat samenwonen, lijkt relatief veel op de leeftijd waarop ze voor het eerst in het huwelijk treden (zie figuur 7.3.1 en 7.3.2). Dit wordt mede verklaard doordat samenwonen en trouwen, voor deze groepen, elkaar binnen een relatief korte periode opvolgen. Driekwart van de Turkse en Marokkaanse tweede generatie uit onze onderzoekspopulatie gaat binnen hetzelfde jaar samenwonen en trouwen. Een deel woont samen voordat ze gaan trouwen, maar het kan ook zo zijn dat ze eerst trouwen en daarna gaan samenwonennoot3. Bij deze groepen lijken de twee transities samenwonen en trouwen dan ook nog sterk met elkaar verbonden.

Vrouwen en mannen trouwen steeds minder vaak op jonge leeftijd

Omdat de Surinaamse en Antilliaanse tweede generatie relatief weinig trouwt, is alleen het verschil in huwelijksleeftijd tussen mannen en vrouwen weergegeven voor de Turkse en Marokkaanse tweede generatie en personen met een Nederlandse achtergrond. Vrouwen zijn op alle leeftijden vaker getrouwd dan mannen. Dit geldt voor alle drie de herkomstgroepen (zie figuur 7.3.3). Het verschil in huwelijksleeftijd tussen mannen en vrouwen is echter wel een stuk groter onder Turkse en Marokkaanse Nederlanders dan onder personen met een Nederlandse achtergrond. Dit geldt vooral voor degenen die op jonge leeftijd huwen. Van de Turkse tweede generatie vrouwen geboren in 1980 is een derde voor het 21e levensjaar getrouwd; bij de mannen ligt dit aandeel rond de 13 procent. Onze analyses laten niet zien met wie de persoon gehuwd is, maar het is mogelijk dat de jonger gehuwde vrouwen vaker een huwelijkspartner in het land van herkomst van hun ouders vinden (Van Landschoot et al. 2017). Binnen de Marokkaanse tweede generatie is ook een duidelijk verschil tussen mannen en vrouwen in het percentage gehuwden voor de leeftijd van 21. Ongeveer 22 procent van de Marokkaans-Nederlandse vrouwen geboren in 1980 is voor het 21e levensjaar getrouwd tegenover 3 procent van de mannen.

Zowel vrouwen als mannen uit latere geboortecohorten trouwen minder vaak op jonge leeftijd. Ook neemt het verschil tussen mannen en vrouwen af tussen de geboortecohorten vooral wat betreft een (zeer) jonge huwelijksleeftijd. Waar het verschil in aandeel getrouwde Turks Nederlandse mannen en vrouwen geboren in 1980 nog 20 procentpunten was, is dit verschil in het geboortecohort 1995 (niet weergegeven in figuur 7.3.3) nog maar 3 procentpunten. Binnen de Marokkaanse tweede generatie is een gelijksoortig patroon zichtbaar.

Surinaams Nederlandse mannen en vrouwen uit jongere cohorten wonen op alle leeftijden minder vaak al samen

Het verschil tussen mannen en vrouwen in de leeftijd waarop men voor het eerst gaat samenwonen, geven we alleen weer voor de Surinaamse en Antilliaanse tweede generatie. Dit doen we omdat de leeftijd van samenwonen en trouwen binnen de Turkse en Marokkaanse tweede generatie sterk samenhangt (zie eerder). Vrouwen uit de Surinaamse tweede generatie hebben op alle leeftijden al vaker samengewoond dan mannen met een Surinaamse achtergrond (figuur 7.3.4). Daarnaast hebben zowel mannen als vrouwen met een Surinaamse achtergrond uit jongere cohorten op alle leeftijden minder vaak al samengewoond dan de oudere cohorten. Binnen de Antilliaanse tweede generatie zijn de patronen tussen de geboortecohorten minder duidelijk. Onder Antilliaans Nederlandse mannen is geen duidelijk patroon tussen de cohorten terwijl we voor vrouwen zien dat niet het oudste (cohort 1980), maar het jongere geboortecohort 1985 op alle leeftijden het vaakst al samenwoont. Overigens moeten we wel concluderen dat de jongste cohorten Antilliaans en Surinaamse Nederlandse vrouwen op alle leeftijden het minst vaak al samenwonen.

Tweede generatie met twee buitenlandse ouders vaker al getrouwd

In figuur 7.3.5 en 7.3.6 wordt weergegeven in hoeverre de tweede generatie met één of twee buitenlandse ouders verschilt van elkaar en van personen met een Nederlandse achtergrond met betrekking tot de huwelijksleeftijd en de leeftijd waarop men voor het eerst gaat samenwonen. Wanneer we kijken welk deel voor hun 21e verjaardag getrouwd is of samenwoont, gebruiken we de gegevens van onze gehele onderzoekspopulatie (1980–1995). Aangezien personen geboren na 1990 nog niet ouder zijn dan 26 en personen geboren na 1985 niet ouder dan 31, kunnen we niet de gehele onderzoekspopulatie meenemen wanneer we tot deze leeftijden kijken. Voor de leeftijden tot 26 en 31 jaar gebruiken we daarom respectievelijk de gegevens van iedereen geboren tussen 1980 en 1990 en tussen 1980 en 1985.

Uit onze analyse wordt duidelijk dat de Turkse en Marokkaanse tweede generatie met twee buitenlandse ouders meer verschilt van personen met een Nederlandse achtergrond dan wanneer slechts één ouder in het buitenland geboren is (zie figuur 7.3.5). De laatste groep huwt later; zij zijn minder vaak getrouwd voordat ze 21 of 26 jaar zijn dan de tweede generatie met twee in het buitenland geboren ouders. Personen met een Nederlandse achtergrond zijn het minst vaak al getrouwd. Ook voor de leeftijd van 31 jaar zien we dat de tweede generatie met twee buitenlandse ouders het vaakst getrouwd is. Personen met een Nederlandse achtergrond nemen in dit geval de tussenpositie in; de tweede generatie met één buitenlandse ouder is namelijk het minst vaak getrouwd voor hun 31e.

Hoewel er duidelijke verschillen zijn in huwelijkspatronen voor degenen met één of twee buitenlandse ouders, is dit verschil relatief klein bij samenwoonrelaties (zie figuur 7.3.6). Hier zien we eerder een tweedeling tussen enerzijds degenen met een migratieachtergrond en degenen met een Nederlandse achtergrond. De Surinaamse en Antilliaanse tweede generatie met twee buitenlandse ouders woont het vaakst (nog) niet samen en verschilt daardoor meer van personen met een Nederlandse achtergrond dan wanneer maar één ouder uit het buitenland komt.

7.4Leeftijd bij het krijgen van het eerste kind

Niet alleen de timing van relatievorming is onderhevig aan verandering. Ook de leeftijd waarop vrouwen in Nederland voor het eerst kinderen krijgen is de afgelopen decennia sterk veranderd. Vrouwen zijn over het algemeen steeds ouder bij de geboorte van hun eerste kind. Net als het merendeel van het onderzoek naar vruchtbaarheidspatronen beperken we ons tot de leeftijd waarop vrouwen kinderen krijgen (en kijken we niet naar mannen). Van alle vrouwen in onze onderzoekspopulatie heeft ruim 38 procent minstens één kind. Surinaams Nederlandse vrouwen hebben het vaakst een kind (41 procent). Turkse en Antilliaanse tweede generatie vrouwen en Marokkaanse tweede generatie en Nederlandse vrouwen verschillen nauwelijks van elkaar; respectievelijk 39 procent en 38 procent heeft tenminste één kind.

Bijna alle jongere cohorten stellen kinderen krijgen uit

Oudere geboortecohorten hebben al vaker een kind dan de jongere geboortecohorten; tweede generatie Antilliaanse vrouwen zijn de enige uitzondering (zie figuur 7.4.1). Hoewel het een klein verschil betreft, zien we voor Antilliaanse vrouwen van de tweede generatie dat juist het jongste cohort op alle leeftijden al vaker een kind heeft dan de oudere geboortecohorten uit 1985 en 1980. Het percentage vrouwen met een Nederlandse achtergrond dat minstens één kind heeft verschilt nauwelijks tussen de geboortecohorten; blijkbaar is onder deze groep geen sprake van verder uitstel. Binnen de tweede generatie is er daarentegen wel een duidelijke verschuiving in de leeftijd waarop vrouwen hun eerste kind krijgen. De demografische transitie die zich eerder al heeft voorgedaan onder vrouwen met een Nederlandse achtergrond, lijkt zich nu ook te manifesteren onder vrouwen met een migratieachtergrond. De grootste verschillen tussen de geboortecohorten zien we wederom binnen de Turkse tweede generatie. Dit is niet verwonderlijk, aangezien Turkse vrouwen vaak getrouwd zijn wanneer ze een kind krijgen en vrouwen met een Turkse achtergrond uit jongere cohorten minder vaak op jonge leeftijd trouwen dan de oudere cohorten (zie ook paragraaf 7.3).

De Turkse tweede generatie heeft op elke leeftijd en in ieder geboortecohort vaker al een kind dan vrouwen met een Nederlandse achtergrond. Het verschil tussen Turks Nederlandse vrouwen en vrouwen met een Nederlandse achtergrond wordt echter wel in elk geboortecohort kleiner. Dit wordt veroorzaakt door veranderingen in de Turkse groep aangezien de patronen van de Nederlandse vrouwen stabiel zijn over de cohorten. Hetzelfde geldt, hoewel in mindere mate, ook voor de Marokkaanse tweede generatie.

Vrouwen met een Nederlandse achtergrond stellen kinderen krijgen het langst uit

Het verschil tussen de Marokkaanse en Surinaamse tweede generatie en vrouwen met een Nederlandse achtergrond in het percentage dat een kind heeft, neemt af tot ongeveer 32-jarige leeftijd. Tot die leeftijd hebben vrouwen met een Nederlandse achtergrond minder vaak al een kind, maar op latere leeftijden is dit andersom. Vrouwen met een Nederlandse achtergrond hebben dan juist vaker al minstens één kind in vergelijking met vrouwen met een Surinaamse of Marokkaanse achtergrond. Ditzelfde patroon geldt ook voor de Antilliaanse tweede generatie, maar bij hen ligt het kantelpunt al bij 28 jaar. Dit wijst erop dat vrouwen met een Nederlandse achtergrond het krijgen van kinderen langer uitstellen dan de tweede generatie, maar niet perse ‘afstellen’. Aangezien iedereen binnen onze onderzoekspopulatie nog in de vruchtbare leeftijd is, kunnen we geen harde uitspraken doen over het uiteindelijke kindertal en of er sprake is van ‘afstel’. Onze resultaten suggereren wel dat een groter deel van de Antilliaanse tweede generatie geen kinderen krijgt vergeleken met vrouwen met een Nederlandse achtergrond. Op 35-jarige leeftijd heeft 31 procent van de vrouwen met een Antilliaanse achtergrond nog geen kinderen, tegenover 24 procent van de vrouwen met een Nederlandse achtergrond. Aangezien de vruchtbaarheid sterk afneemt naarmate vrouwen ouder worden is het waarschijnlijk dat dit verschil ook op latere leeftijd blijft bestaan.

Surinaams en Antilliaans Nederlandse vrouwen met één buitenlandse ouder krijgen later eerste kind

Bestudering van het verschil tussen de tweede generatie met één en twee buitenlandse ouders en het krijgen van het eerste kind, laat zien dat Turks en Marokkaans Nederlandse vrouwen met één buitenlandse ouder vaker voor hun 21e een kind krijgen dan wanneer ze twee buitenlandse ouders hebben (figuur 7.4.2). Aangezien vrouwen met een Nederlandse achtergrond het minst vaak een kind hebben voor hun 21e verjaardag, lijkt de Turkse en Marokkaanse tweede generatie met twee buitenlandse ouders meer op vrouwen met een Nederlandse achtergrond dan wanneer er één ouder uit het buitenland komt. Voor tweede generatie Surinaamse en Antilliaanse vrouwen is dit precies andersom. Het percentage vrouwen met één buitenlandse ouder dat een kind heeft voor de leeftijd van 21 jaar ligt dichter bij dat van vrouwen met een Nederlandse achtergrond dan wanneer beide ouders uit het buitenland komen. Voor dit laatste patroon is geen evidente verklaring voorhanden, maar het zou opnieuw gerelateerd kunnen zijn aan selectieve migratie alsook aan karakteristieken van de partner en de herkomst van de partner met wie de vrouw een kind krijgt (zie ook paragraaf 7.5). Wanneer we het percentage vrouwen met minstens één kind bekijken tot de leeftijd van 26 en 31 jaar, dan zien we voor vrijwel alle herkomstgroepen dat vrouwen met één buitenlandse ouder meer lijken op vrouwen met een Nederlandse achtergrond. Surinaams Nederlandse vrouwen met één of twee buitenlandse ouders verschillen echter nauwelijks van elkaar, met name tot ze 31 jaar oud zijn niet.