Foto omschrijving: Nederland, Bussum, 24 mei 2006. Meisjes en techniek op het Goois Lyceum, 2e klas havo/vwo tijdens natuurkunde prakticum: Leerlingen bouwen een brug van plakband en 1 pak spagetti en onderzoeken hoeveel gewicht de brug kan dragen.

Onderwijs

Ten opzichte van 10 jaar geleden volgt een groter deel van de leerlingen met een niet-westerse migratieachtergrond een hoger onderwijsniveau, zowel in het voortgezet onderwijs als in het middelbaar onderwijs. Ditzelfde geldt voor deelnemers met een Nederlandse achtergrond. Hierdoor neemt het verschil in deelname aan hogere niveaus tussen leerlingen met een Nederlandse achtergrond en een niet-westerse achtergrond vrijwel niet af.
Dit hoofdstuk beschrijft de onderwijsposities, onderwijskeuzes en schooluitval van jongeren met een migratieachtergrond in verschillende fases van het onderwijs. Ook verschillen in opleidingsniveau van de tweede generatie migranten worden besproken.

Leerlingen met Turkse of Antilliaanse achtergrond minst vaak havo-advies of hoger

Het aandeel leerlingen dat in groep 8 van de basisschool een definitief advies krijgt voor havo of vwo verschilt naar (migratie)achtergrond. Het aandeel leerlingen met een Nederlandse achtergrond dat ten minste havo-advies kreeg was 59 procent in 2016/’17. In datzelfde schooljaar kreeg 38 procent van de leerlingen met een Turkse migratieachtergrond ten minste een havo-advies; in de schooljaren 2008/’09 tot en met 2014/’15 schommelde het aandeel rond 30 procent. Eenzelfde ontwikkeling is zichtbaar bij leerlingen met een Marokkaanse achtergrond, alleen liggen hier de percentages 4 procentpunt hoger. In 2016/’17 kreeg 45 procent van de leerlingen met Surinaamse achtergrond ten minste havo-advies en bij leerlingen met een Antilliaanse achtergrond was dit 38 procent. Voor beide groepen is dit 4 procentpunt meer dan in de jaren 2008/’09 tot en met 2014/’15. Voor de leerlingen met een overige niet westerse achtergrond schommelde het aandeel met ten minste havo-advies in de periode 2008/’09–2016/’17 rond 50 procent. Jongens en meisjes krijgen nagenoeg even vaak minimaal een havo-advies, ongeacht hun (migratie)achtergrond.

Schooladvies in groep 8

Leerlingen van groep 8 in het basisonderwijs kregen tot en met het schooljaar 2013/’14 een advies voor het voortgezet onderwijs van de leerkracht nádat de eindtoets was gemaakt. Vanaf het schooljaar 2014/’15 krijgen leerlingen een schooladvies van de leerkracht vóórdat de eindtoets is afgenomen. Dit advies is onder meer gebaseerd op leerprestaties en aanleg en ontwikkeling op de basisschool. Wanneer de eindtoets beter wordt gemaakt dan verwacht, dan moet de basisschool het schooladvies heroverwegen. Een deel van de adviezen wordt daarna herzien. In het definitieve leerkrachtadvies zijn de herziene adviezen meegenomen (Ministerie van Algemene Zaken, 2018).

Bijna 1 op de 3 leerlingen met Marokkaanse achtergrond naar havo/vwo

In het derde leerjaar van het voortgezet onderwijs hebben de meeste leerlingen hun definitieve keuze voor de te volgen onderwijssoort gemaakt. Leerlingen met een niet-westerse achtergrond gaan voornamelijk naar het vmbo, terwijl leerlingen met een Nederlandse achtergrond vrijwel even vaak naar vmbo als naar havo/vwo gaan. Wel gaan leerlingen binnen alle herkomstgroepen langzaamaan steeds vaker naar havo/vwo. Onder leerlingen met een Marokkaanse achtergrond was deze toename de afgelopen twaalf jaar het grootst. In schooljaar 2005/’06 ging een op de vijf van hen naar havo/vwo, in schooljaar 2017/’18 was dat bijna een op drie. Marokkaanse leerlingen gaan daarmee vaker naar havo/vwo dan leerlingen met een Turkse of Antilliaanse achtergrond, maar nog minder vaak dan leerlingen met een andere niet-westerse achtergrond. Bij leerlingen met een Nederlandse achtergrond is het aandeel dat naar havo of vwo gaat de afgelopen twaalf jaren licht gestegen van 45 procent in 2005/’06 tot 49 procent in 2017/’18.

Leerlingen met Iraanse achtergrond vaker naar havo/vwo dan die met Nederlandse achtergrond

Tot de groep leerlingen met een overig niet-westerse achtergrond behoren ook leerlingen uit vluchtelingengroepen uit Afghanistan, Irak, Iran, Syrië en Somalië. Onder hen gaan leerlingen met een Iraanse achtergrond in het derde leerjaar van het voortgezet onderwijs vaker naar havo/vwo dan leerlingen met een Nederlandse achtergrond. Meer dan de helft van de leerlingen uit Iran zat in schooljaar 2017/’18 in een havo- of vwo-klas. Leerlingen met een Somalische achtergrond gaan juist veel minder vaak naar havo/vwo: ruim een op de vijf gaat naar dit type opleiding. Dit is minder dan de helft ten opzichte van leerlingen met een Nederlandse achtergrond. Bij leerlingen met een Syrische achtergrond ging in 2017/’18 ruim een kwart naar havo/vwo.

Bij Syriërs neemt het aandeel leerlingen met havo/vwo af

Voor de meeste vluchtelingengroepen geldt dat het aandeel leerlingen dat in leerjaar 3 naar havo/vwo gaat redelijk stabiel is of heel gestaag toeneemt, ondanks enige fluctuaties. Voor leerlingen met een Syrische achtergrond geldt dit echter niet. In 2013/’14 ging 37 procent van de Syrische leerlingen naar havo of vwo, in 2017/’18 was dat gedaald tot 28 procent. Dit verschil gaat samen met de komst van de recente stroom vluchtelingen uit Syrië. De migratiegeschiedenis van de Syrische leerlingen die in 2017/’18 in leerjaar 3 zaten verschilt sterk van de groep die in 2013/’14 in leerjaar 3 zat. In 2013/’14 was een kwart van de leerlingen met een Syrische achtergrond een migrant van de eerste generatie, terwijl in 2017/’18 ruim 70 procent tot de eerste generatie behoorde. Daarnaast waren de leerlingen die tot de eerste generatie behoorden in 2013/’14 gemiddeld al 9 jaar in Nederland en hadden dus veelal in Nederland basisonderwijs gehad. In 2017/’18 waren Syrische leerlingen van de eerste generatie gemiddeld pas 2 jaar in Nederland.

Niet-westerse leerlingen vaker op lagere vmbo-niveaus

Binnen het vmbo volgen leerlingen met een niet-westerse achtergrond vaker vmbo-basisberoeps dan leerlingen met een Nederlandse achtergrond. Ten opzichte van tien jaar geleden zijn slechts kleine verschuivingen te zien. Het aandeel leerlingen op het vmbo-basisberoeps neemt iets af en het aandeel leerlingen op het vmbo-gemengd en -theoretisch en op de havo neemt licht toe. Dit geldt voor leerlingen van alle (migratie)achtergronden. Leerlingen met een Marokkaanse achtergrond vormen een uitzondering; zij gingen niet alleen relatief vaker naar vmbo-gemengd/theoretisch en havo, maar ook vaker naar vwo. Leerlingen met een Nederlandse of overig niet-westerse achtergrond gaan ongeveer even vaak naar havo als naar vwo. Leerlingen met een Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse achtergrond gaan vaker naar havo dan naar vwo. Onder leerlingen met een Marokkaanse en Turkse achtergrond is dit zelfs bijna twee keer zo vaak.

2.5Voortgezet onderwijs; deelname leerjaar 3, naar achtergrond, 2017/'18*

Neder­lands Turks Marok­kaans Surinaams Antilliaans Overig niet-westers
%
Vmbo-basisberoeps 8 21 19 14 22 14
Vmbo-kaderberoeps 14 22 19 18 20 15
Vmbo gemengd en theoretisch 28 30 30 30 27 26
Havo1) 26 18 21 23 18 24
Vwo 23 9 11 14 12 20

1) Inclusief algemeen leerjaar 3.

Bron:CBS.

Slagingspercentage niet-westerse leerlingen blijf achter

In alle onderwijssoorten binnen het voortgezet onderwijs slagen leerlingen met een Nederlandse achtergrond vaker voor hun eindexamen dan leerlingen met een niet-westerse achtergrond. Leerlingen met een Turkse achtergrond gaan het minst vaak naar havo of vwo en slagen ook minder vaak op deze niveaus. De slagingspercentages op vwo en havo liggen bij leerlingen met een Nederlandse achtergrond rond de 90 procent. Leerlingen met andere achtergronden hebben sinds schooljaar 2005/’06 dit slaginspercentage niet weten te evenaren.

Op het vmbo liggen de slagingspercentages voor zowel leerlingen met een Nederlandse achtergrond als leerlingen met een migratieachtergrond hoger dan op havo en vwo. Voor vmbo- gemengd/theoretisch (vmbo-g/t) slaagt ongeveer 94 procent van de leerlingen met een Nederlandse achtergrond en 84 procent van de leerlingen met een Turkse achtergrond; voor de overige leerlingen is dit 90 procent. Bij vmbo-kaderberoeps (vmbo-k) en vmbo-basisberoeps (vmbo-b) slaagt ongeveer 98 procent van de leerlingen met een Nederlandse achtergrond; voor leerlingen met een niet-westerse migratieachtergrond liggen deze percentages ruim boven de 90 procent.

Gemiddeld eindexamencijfer verschilt weinig tussen herkomstgroepen

Het gemiddelde cijfer over alle eindexamenvakken lag in het schooljaar 2016/’17 voor alle leerlingen in het voortgezet onderwijs vrij dicht bij elkaar ongeacht onderwijssoort en herkomstgroep: gemiddeld was dit cijfer 6,7. Geslaagden op het vwo haalden met 6,8 gemiddeld het hoogste cijfer, die op het vmbo-gemengd het laagste cijfer met gemiddeld 6,5. Voor alle onderwijssoorten geldt dat geslaagden met een Nederlandse achtergrond het hoogste gemiddelde cijfer haalden. Dit cijfer lag 0,2 punt hoger lag dan het laagste gemiddelde cijfer dat geslaagden met een Turkse migratieachtergrond haalden.

Voor de vakken Nederlands en Engels geldt ook dat het gemiddelde eindcijfer van de verschillende herkomstgroepen dicht bij elkaar ligt. Voor iedere onderwijssoort is steeds hetzelfde patroon zichtbaar. Voor het vak Nederlands haalden geslaagden met een Nederlandse achtergrond binnen alle onderwijssoorten het hoogste gemiddelde cijfer, terwijl geslaagden met een Turkse achtergrond gemiddeld overal het laagste cijfer hadden. Het verschil tussen deze gemiddelden is niet groot; tussen de 0,2 en 0,4 punten.

Voor het vak Engels haalden geslaagden met een Antilliaanse achtergrond binnen elke onderwijssoort het hoogste cijfer, gevolgd door geslaagden met een Surinaamse of overig niet-westerse achtergrond. Daarna komen geslaagden met een Nederlandse achtergrond en gevolgd door leerlingen met een Marokkaanse achtergrond. Ook bij Engels halen geslaagden met een Turkse achtergrond gemiddeld het laagste cijfer.

Percentage studenten aan mbo-2 daalt en mbo-4 stijgt

Voor alle herkomstgroepen geldt dat de afgelopen tien jaar de afname van het aandeel studenten aan mbo-2 gelijk is aan de stijging van het aandeel studenten aan niveau 4. In het studiejaar 2017/’18 volgde ongeveer de helft van de mbo-studenten met een Turkse, Marokkaans of Surinaamse achtergrond mbo-4; voor studenten met een Nederlandse achtergrond was dit 56 procent. Het aandeel mbo-3-studenten is in tien jaar tijd vrijwel gelijk gebleven en ligt voor alle groepen rond een kwart. Nog maar relatief weinig studenten doen de entree-opleiding (mbo-niveau 1); voor bijna alle groepen ligt dit lager dan 5 procent. Mbo-studenten met een Antilliaanse of overig niet-westerse achtergrond deden relatief vaker een entree-opleiding: respectievelijk 7 procent en 15 procent. De groep overig niet-westers bestaat hoofdzakelijk uit eerste generatie Syriërs, Eritreeërs of Somaliërs. Van deze groep zullen veel personen een schakelklas hebben gedaan, met extra taallessen, om vervolgens drempelloos de entree-opleiding in te stromen.

Economische studie populair onder niet-westerse mbo’ers

Mbo’ers (mannen en vrouwen) met een niet-westerse achtergrond kiezen veel vaker voor een studie in een economische richting dan mbo’ers met een Nederlandse achtergrond. Ongeveer 45 procent van de studenten met een Surinaamse, Marokkaanse en Turkse achtergrond kiest voor deze richting. Techniek is onder mbo-studenten met niet-westerse achtergrond juist minder in trek dan onder studenten met een Nederlandse achtergrond.

2.10Mbo-studenten1) naar studierichting en achtergrond, 2017/'18*

Nederlands Turks Marokkaans Surinaams Antilliaans Overig niet-westers
%
Economie 30 44 45 46 37 39
Techniek 30 20 15 19 21 18
Zorg en Welzijn 33 32 35 31 34 27
Overig 8 5 5 5 8 16

1) Inclusief extraneï.

Bron:CBS.

Minder voortijdig schoolverlaters vanuit mbo

Het merendeel van de voortijdig schooluitval vindt plaats vanuit een mbo-opleiding. Personen met een niet-westerse achtergrond verlaten vaker voortijdig het onderwijs dan personen met een Nederlandse achtergrond. In 2004/’05 lag dit percentage rond 9 procent voor mbo’ers met een Nederlands achtergrond en 16 procent voor de niet-westerse herkomstgroepen. In 2016/’17 is dit gedaald naar 4 procent voor personen met een Nederlandse achtergrond en gemiddeld bijna 9 procent voor de niet westerse herkomstgroepen.

Voortijdig schoolverlaters en startkwalificatie

Een diploma voor tenminste havo, vwo of mbo-niveau 2 geldt als een startkwalificatie voor de arbeidsmarkt. De kans op (duurzaam) werk is met een startkwalificatie beduidend groter dan zonder startkwalificatie. Leerlingen die het onderwijs verlaten zonder startkwalificatie worden aangeduid als voortijdig schoolverlaters.

Bij mbo-studenten met een Turkse of Surinaamse achtergrond was dit ongeveer 7,5 procent en voor leerlingen met een overig niet-westerse migratieachtergrond ruim 8 procent. Bij de mbo’ers met een Marokkaanse achtergrond is er een gestage afname van het aandeel voortijdig schoolverlaters, maar met 9 procent in 2016/’17 is dit ten opzichte van de andere groepen hoog. De enige groep die ten opzichte van het jaar ervoor een lichte toename laat zien, zijn de studenten met een Antilliaanse achtergrond: in 2016/’17 verliet meer dan 10 procent van hen voortijdig het mbo.

Verschil in onderzoeksmethode bepaling voortijdig schoolverlaters

De gegevens over voortijdig schoolverlaters zijn gebaseerd op de directe door- en uitstroom tussen twee opeenvolgende schooljaren (het basisjaar t en het bestemmingsjaar t+1) binnen het door de overheid bekostigde voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en voortgezet algemeen volwassenenonderwijs. Personen uit het basisjaar die in het bestemmingsjaar geen onderwijs meer volgen én niet in het bezit zijn van een startkwalificatie worden als voortijdig schoolverlaters gekwalificeerd.

Tot en met 2011/’12 werden alle personen die op 1 oktober in het basisjaar (t) stonden ingeschreven in het door de overheid bekostigd onderwijs meegenomen in de onderzoekspopulatie. Vanaf 2012/’13 is dat niet langer het geval. Vanaf dat moment behoren personen die op 1 oktober van het bestemmingsjaar (t+1) staan ingeschreven in het praktijkonderwijs, de Engelse Stroom, het Internationaal Baccalaureaat en het speciaal onderwijs niet tot de onderzoekspopulatie, evenals personen die op dat moment een vrijstelling van de leerplicht hebben.

Vooral minder voortijdig schoolverlaters onder Turkse/Marokkaanse meisjes

Behalve de voortijdige uitval per schooljaar is ook bekend hoe groot de totale groep jongeren van 18 tot 25 jaar zonder startkwalificatie is. Ook de totale groep jongeren zonder startkwalificatie is sterk gedaald ten opzichte van tien jaar geleden, waarbij de daling het grootst is bij jongens en meisjes met een Turks/Marokkaanse achtergrond. Bij de jongens met een Turkse of Marokkaanse achtergrond nam het aandeel zonder startkwalificatie af van 27,0 procent in 2007 naar 18,8 procent in 2017; bij meisjes met een Turkse of Marokkaanse achtergrond was de daling nog groter (van 18,4 procent naar 6,1 procent). Het aandeel Turks/Marokkaanse meisjes zonder startkwalificatie was hierdoor in 2017 lager dan het aandeel jongens met een Nederlandse achtergrond zonder startkwalificatie. Meisjes met een Surinaams/Antilliaanse achtergrond hebben het vaakst een startkwalificatie; 3,8 procent van hen heeft geen startkwalificatie en dit is 0,6 procentpunt lager dan meisjes met een Nederlandse achtergrond en 2,3 procentpunt lager dan meisjes met een Turks/Marokkaanse achtergrond.

Het aandeel dat geen startkwalificatie heeft ligt bij meisjes lager dan bij jongens, ongeacht hun migratieachtergrond. Wel is in 2017 het aandeel jongens met een Nederlandse achtergrond zonder startkwalificatie (8,7 procent) aanzienlijk lager dan dat van de jongens met Turks/Marokkaanse achtergrond (18,8 procent) of Surinaams/Antilliaanse achtergrond (11,5 procent).

Studenten met niet-westerse achtergrond iets ouder bij afstuderen

Studenten met een niet-westerse achtergrond waren gemiddeld ruim een jaar ouder dan studenten met een Nederlandse achtergrond wanneer zij in 2016/’17 afstudeerden voor een voltijdstudie in het hoger onderwijs. Hbo’ers met een Antilliaanse achtergrond die een hbo-bachelor halen zijn ruim 25 jaar oud, terwijl de gemiddelde leeftijd bij de andere herkomstgroepen tussen de 24,5 en 24,8 jaar ligt. Gediplomeerden met een Nederlandse achtergrond zijn gemiddeld ruim 23 jaar als zij een hbo-bachelor diploma halen.

Bij wo-bachelors zijn de verschillen tussen de herkomstgroepen iets kleiner. Studenten met een Nederlandse achtergrond halen op hun 22e een wo-bachelor diploma, terwijl de leeftijd voor studenten met een niet-westerse achtergrond tussen 22,5 en 23,2 jaar ligt. Bij wo-masters zijn de verschillen tussen de groepen nog iets kleiner. Jongeren met een Nederlandse achtergrond zijn gemiddeld 24,6 jaar oud als ze hun wo-master afronden, terwijl jongeren met een Marokkaanse achtergrond iets ouder zijn: gemiddeld 24,9 jaar. Jongeren met een andere niet-westerse achtergrond waren gemiddeld 25,5 jaar oud.

Dit leeftijdsverschil bij afstuderen komt enerzijds doordat studenten met een niet-westerse achtergrond langer over een zelfde studietraject doen dan studenten met een Nederlandse achtergrond en anderzijds doordat personen met een niet-westerse achtergrond meer stapelen. Zij komen bijvoorbeeld in het hbo via de route vmbo-mbo-4 of vmbo-havo in plaats van rechtstreeks vanuit de havo. Van de studenten die in 2016/’17 hun hbo-bachelor haalden, had van de gediplomeerden met een Nederlandse achtergrond ruim 70 procent als vooropleiding havo of vwo en 25 procent mbo-4; bij gediplomeerden met een Turkse, Marokkaanse of Surinaamse achtergrond had 50 procent havo of vwo en 43 procent mbo als vooropleiding. Van de wo-studenten met een Nederlandse achtergrond die in 2016/’17 hun master haalden had ruim driekwart vwo als vooropleiding, terwijl dit bij afgestudeerden met een Turkse of Marokkaanse migratieachtergrond 56 procent was.

Recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening is populair onder niet-westerse studenten

Niet-westerse studenten met een Turkse, Marokkaanse of Surinaamse achtergrond kiezen in het hoger onderwijs vooral voor de richting ‘recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening’. Ook studenten met een Antilliaanse achtergrond en studenten met een overige niet-westerse migratieachtergrond kiezen vaker voor deze richting dan studenten met een Nederlandse achtergrond. Van de studenten met een Marokkaanse achtergrond kiest bijna een kwart voor de gezondheidszorg; voor studenten met Turkse, Surinaamse of Antilliaanse achtergrond is dit ongeveer een vijfde.

Bij alle herkomstgroepen verschilt de keuze in studierichting tussen mannen en vrouwen. Bij alle groepen kiest ongeveer 10 procent van de mannen voor ‘gezondheidszorg en welzijn’, terwijl dit bij vrouwen een stuk hoger ligt: van de vrouwen met een Marokkaanse achtergrond kiest een derde deze richting, bij andere herkomstgroepen ongeveer een kwart. Weinig mannen kiezen de studierichting ‘onderwijs’, variërend van 2 procent bij overig niet-westerse studenten tot 8 procent bij studenten met een Nederlandse achtergrond. Voor vrouwen ligt het aandeel studenten dat onderwijs als studierichting kiest tussen 6 procent voor overig niet-westerse studenten en 10 procent voor studenten met een Turkse of Marokkaanse achtergrond. Mannen kiezen relatief wat vaker voor de richting ‘recht, administratie en zakelijke dienstverlening’. Bij mannelijke studenten met een Marokkaanse achtergrond is dit bijna de helft, en bij Nederlandse bijna een derde. Ongeveer een derde van alle vrouwelijke studenten kiest voor ‘recht, administratie en zakelijke dienstverlening’, met uitzondering van de studenten met een Nederlandse achtergrond waarbij een vijfde van de vrouwen voor deze richting kiest.

2.14Ingeschrevenen1) in het hoger onderwijs naar studierichting en achtergrond, 2016/'17*

Nederlands Turks Marok­kaans Surinaams Antilliaans Overig niet-westers
%
Onderwijs 12 12 13 8 9 4
Journalistiek, gedrag en maatschappij 10 7 6 10 9 11
Recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening 26 39 40 37 32 33
Gezondheidszorg en welzijn 17 19 24 19 19 14
Overig 35 23 17 26 30 38

1) Exclusief internationale studenten.

Bron:CBS.

Relatief veel hoogopgeleiden onder personen met overig niet-westerse achtergrond

Bij het vaststellen van het opleidingsniveau van 25- tot 45-jarigen is een indeling in drie categorieën gehanteerd: laag, middelbaar en hoog opgeleid. Voor alle herkomstgroepen geldt dat het grootste deel middelbaar is opgeleid. Uitzondering zijn de personen met een overig niet-westerse migratieachtergrond van wie bijna de helft hoogopgeleid is. Het opleidingsniveau van personen met een Nederlandse achtergrond en van tweede generatie Antillianen en Arubanen is met 41 procent hoogopgeleiden vrijwel gelijk. Bij de tweede generatie Surinamers is een derde hoogopgeleid; bijna 10 procentpunt lager dan bij de tweede generatie Antillianen en personen met een Nederlandse achtergrond. Het percentage hoogopgeleiden onder tweede generatie Marokkanen en Turken is ongeveer een kwart.

Bij alle herkomstgroepen is het aandeel vrouwen met een hoge opleiding groter dan het aandeel mannen met een hoge opleiding. Vooral bij personen met een Marokkaanse, Antilliaanse, Surinaamse, en overig niet-westerse achtergrond zijn de verschillen tussen mannen en vrouwen groot. Het verschil voor deze groepen is gemiddeld 9 procentpunt. Bij de andere twee groepen (personen met een Nederlandse en Turkse achtergrond) is dit verschil ruim 5 procentpunt.

Opleidingsniveau

Het hier gepresenteerde hoogst behaald opleidingsniveau komt uit het opleidingsniveaubestand van het CBS; stand per 1 oktober 2015. In dit bestand zijn verschillende bronnen gecombineerd (registers en steekproeven). Hoewel de dekking van het opleidingsniveaubestand iedere nieuwe jaargang verder wordt uitgebreid, wordt een selectief deel van de Nederlandse bevolking niet waargenomen. Voor personen uit de jongste leeftijdsgroepen die hun opleiding in Nederland hebben gevolgd is de dekkingsgraad (voldoende) hoog. Daarom is ervoor gekozen het opleidingsniveau te laten zien van de Nederlandse bevolking van 25 tot 45 jaar, en van de personen met een migratieachtergrond alleen die van de tweede generatie. Het gaat dus om personen die in Nederland geboren zijn tussen 1970 en 1990. Personen die nog een opleiding volgen zijn buiten beschouwing gelaten.

Tweede generatie Iraniërs in de leeftijd 25–35 zijn hoog opgeleid

In de jaren tachtig kwamen veel asielmigranten uit Iran, Irak en Afghanistan naar Nederland. De kinderen die zij kregen behoren tot de tweede generatie migranten. De kinderen die geboren werden in de periode 1980–1990 waren in oktober 2015 dus 25 tot 35 jaar. De totale groep tweede generatie ‘kinderen’ in deze leeftijd, die in 2015 geen onderwijs meer volgen en een Irakese of Afghaanse achtergrond hebben, is met 240 personen vrij klein. De groep met een Iraanse achtergrond is ongeveer 400 personen.

Vanuit Iran kwamen in de jaren tachtig vooral hoogopgeleide mensen die het zich konden veroorloven om naar het Westen te vluchten (Dourleijn en Dagevos, 2011). Ook de tweede generatie Iraniërs (25–35 jaar) heeft met 61 procent hoogopgeleiden een hoog opleidingsniveau. De tweede generatie migranten uit Afghanistan en Irak hebben met 50 procent hoogopgeleiden eveneens een relatief hoog opleidingsniveau. Onder personen van 25 tot 35 jaar met een Nederlandse achtergrond is 43 procent hoogopgeleid. Opvallend is het grote verschil in opleidingsniveau tussen mannen en vrouwen. Het aandeel hoogopgeleide vrouwen ligt bijna 20 procentpunt hoger dan het aandeel hoogopgeleide mannen bij de tweede generatie Irakezen en Afghanen en Iraniërs. Bij de groep met een Nederlandse achtergrond is het verschil in aandeel hoogopgeleide vrouwen en mannen bijna 9 procentpunt.

Opleidingsniveau: keuze van de groepen

Bij de keuze van de te onderscheiden groepen (naar achtergrond x geslacht x leeftijd) is rekening gehouden met de grootte van de groep en het betrouwbaarheidsinterval. Tweede generatie Afghanen en Irakezen zijn daarom samengenomen in een groep; zij lijken onderling niet al te veel te verschillen in de verdeling naar onderwijsniveau. De groep tweede generatie Iraniërs is groter en kan wel afzonderlijk worden beschouwd. De groep tweede generatie Somaliërs is te klein om betrouwbare gegevens van te kunnen tonen. Samenvoegen met de hiervoor genoemde groepen is geen optie, omdat zij qua onderwijsniveau nogal af lijken te wijken van die groepen. Bij de tweede generatie Afghanen plus Irakezen en Iraniërs zijn alleen personen in de leeftijd van 25 tot 35 jaar meegenomen.

Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Ooijevaar, J. en C. Bloemendal (red.) (2016). Jaarrapport Integratie 2016. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek. https://www.cbs.nl/nl-nl/publicatie/2016/47/jaarrapport-integratie-2016.

Dourleijn, E. en J. Dagevos (2011). Vluchtelingengroepen in Nederland. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Ministerie van Algemene Zaken. (2018, 27 augustus). Toelating voortgezet onderwijs gebaseerd op definitief schooladvies. Geraadpleegd op 25 september 2018, van https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/toelating-middelbare-school/toelating-voortgezet-onderwijs-gebaseerd-op-schooladvies

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Copyright foto’s: Hollandse Hoogte

Disclaimer en copyright

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2017–2018 2017 tot en met 2018
2017/2018 Het gemiddelde over de jaren 2017 tot en met 2018
2017/’18 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2017 en eindigend in 2018
2015/’16–2017/’18 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2015/’16 tot en met 2017/’18

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Redactie

Martine de Mooij, Caroline Bloemendal en Dion Dieleman

Eindredactie

Annelie Hakkenes-Tuinman

Opmaakcoördinatie

Roel Schaart

Monitordeel

  1. Bevolking
    Carel Harmsen, Vincent de Heij, Niels Kooiman en Dominique van Roon
  2. Onderwijs
    Marijke Hartgers, Nelet Kuipers en Frank Linder
  3. Sociaaleconomische positie
    Ruben van Gaalen, Willem Gielen, Vincent de Heij, Frank Hoekema en Johan van Rooijen
  4. Criminaliteit
    Jurriën de Jong, Rob Kessels, Rianne Kloosterman, Michelle van Rosmalen en Wim Vissers
  5. Gezondheid
    Jan-Willem Bruggink en Laura Voorrips
  6. Sociale samenhang en participatie
    Hans Schmeets

Verdiepend deel

  1. Veranderingen in relatie- en gezinsvorming binnen de tweede generatie
    Gusta Wachter (NIDI/KNAW/RuG) en Helga de Valk (NIDI/KNAW/RuG)
  2. Schooluitval onder de tweede generatie
    Eva van der Heijden (IISG/KNAW/LEI) en Helga de Valk (NIDI/KNAW/RuG)