Foto omschrijving: Een jongen die nog naar school zou moeten gaan wordt aangesproken door de agent en leerplichtambtenaren.

Criminaliteit

Sinds 2005 daalt het percentage geregistreerde verdachten van misdrijven vrij consistent onder alle herkomstgroepen. Ook het aandeel personen dat slachtoffer is van criminaliteit of zich wel eens onveilig voelt neemt af. Dit hoofdstuk beschrijft criminaliteit onder verschillende herkomstgroepen aan de hand van gegevens over geregistreerde verdachten van misdrijven, het aantal veroordeelden door de rechter en de kans dat iemand slachtoffer is van criminaliteit.

Aandeel geregistreerde verdachten daalt bij alle herkomstgroepen

Sinds 2005 daalt het percentage geregistreerde verdachten van misdrijvennoot1 vrij consistent bij alle migratieachtergronden. Zowel bij personen met een Nederlandse achtergrond als bij de vier grootste niet-westerse herkomstgroepen is het aandeel verdachten in de afgelopen 13 jaar met ongeveer de helft afgenomen. Bij personen uit landen die meer recentelijk toetraden tot de Europese Unie daalde dit aandeel met ongeveer een kwart. Ook onder vluchtelingengroepen is na 2005 het aandeel verdachten bijna gehalveerd. Desalniettemin is het aandeel vluchtelingen dat geregistreerd wordt als verdachte van een misdrijf groter dan onder de personen uit nieuwe EU-lidstaten.

Van de vier grootste niet-westerse herkomstgroepen is het aandeel geregistreerde verdachten onder personen met een Antilliaanse achtergrond het grootst: 4,4 procent in 2017. Hiermee zijn ze ruim zes keer vaker verdacht dan personen met een Nederlandse achtergrond (0,7 procent) en ook vaker dan personen uit vluchtelingengroepen en nieuwe EU-landen. Personen met een Turkse achtergrond (2,0 procent) zijn minder vaak geregistreerd als verdachte dan personen met een Irakese, Iraanse en Afghaanse achtergrond (ongeveer 2,4 procent) of een Surinaamse achtergrond (2,8 procent). Inwoners met een Somalische achtergrond zijn met 3,8 procent relatief vaker verdacht van een misdrijf.

Vrouwen met Nederlandse achtergrond minst vaak verdacht

Ongeacht hun migratieachtergrond zijn mannen vaker verdacht van een misdrijf dan vrouwen. De verhouding man-vrouw in de verdachtenpercentages verschilt wel per achtergrond. Nederlandse vrouwen zijn met 0,3 procent het minst vaak verdacht van een misdrijf; mannen met een Nederlandse achtergrond bijna vier maal zo vaak. Bij de groep met een niet-westerse achtergrond is dit verschil tussen mannen en vrouwen nog iets groter (vijf maal). Bij personen met een Turkse achtergrond is het man-vrouw-verschil het grootst: op elke verdachte Turkse vrouw zijn meer dan zeven Turkse mannen verdacht van een misdrijf. Bij personen met een Nederlandse achtergrond is het verschil tussen mannen en vrouwen na 2005 kleiner geworden terwijl het bij de andere herkomstgroepen tot ongeveer 2012–2013 afnam en vervolgens licht toenam.

Bij vrijwel alle leeftijdsgroepen zijn mensen met een Antilliaanse achtergrond naar verhouding het vaakst verdacht van een misdrijf. Alleen bij jongvolwassenen van 18 tot 25 jaar is met 7,8 procent het aandeel verdachten groter bij mensen met een Marokkaanse achtergrond. Dit is bijna tweemaal zo vaak als de gehele niet-westerse groep (4,4 procent) en vijf maal zo vaak als personen met een Nederlandse achtergrond van dezelfde leeftijd (1,6 procent).

Personen met een tweede generatie migratieachtergrond zijn vaker verdacht dan migranten van de eerste generatie. Dit heeft deels te maken met de gemiddeld lagere leeftijd van de tweede generatie. Alleen bij personen uit nieuwe EU-landen of met een Antilliaanse achtergrond is de eerste generatie vaker verdacht dan de tweede generatie. Onder personen met een westerse achtergrond, waar de gemiddelde leeftijd van de tweede generatie nagenoeg gelijk is aan die van de eerste generatie, is het aandeel verdachten van een misdrijf gelijk onder beide generaties (zie tabel 4.2).

4.2Verdachten van misdrijven naar achtergrond en achtergrondkenmerken, 2017*

Neder­lands Westers waar­onder Niet-westers waarvan
nieuwe EU Turks Marok­kaans Surinaams Antilliaans Overig niet-westers
%
Totaal 0,7 1,0 1,5 2,6 2,0 3,7 2,8 4,4 1,9
Mannen 1,1 1,5 2,5 4,2 3,5 6,2 4,8 7,0 3,1
Vrouwen 0,3 0,4 0,7 0,9 0,5 1,0 1,1 1,8 0,7
12 tot 18 jaar 1,1 1,7 2,3 3,0 2,1 3,9 3,6 4,9 2,4
18 tot 25 jaar 1,6 1,6 1,8 4,4 3,6 7,8 4,7 5,7 3,1
25 tot 45 jaar 1,0 1,3 1,7 2,8 2,3 4,0 3,6 5,1 1,8
45 jaar en ouder 0,4 0,6 0,9 1,3 1,0 1,2 1,6 2,6 1,0
Eerste generatie - 1,0 1,6 1,9 1,3 2,0 2,1 4,5 1,7
Tweede generatie - 1,0 1,2 3,7 2,9 5,6 3,7 4,1 2,6

Bron:CBS, BVI.

4.3Verhouding mannen en vrouwen verdacht van misdrijven naar achtergrond

Nederlands Niet-westers waarvan
Turks Marokkaans Surinaams Antilliaans
2005 4,9 5,0 8,2 5,9 4,3 3,8
2006 4,8 4,8 7,7 5,6 4,2 3,6
2007 4,6 4,7 7,3 5,5 4,1 3,6
2008 4,5 4,7 7,1 5,4 4,2 3,9
2009 4,4 4,8 6,8 5,4 4,2 3,8
2010 4,3 4,5 6,7 5,3 4,0 3,6
2011 4,3 4,5 6,7 5,3 3,9 3,7
2012 4,1 4,5 6,5 5,3 3,8 3,5
2013 3,9 4,4 6,4 5,4 3,9 3,5
2014 3,9 4,5 6,7 5,4 3,8 3,5
2015 3,9 4,6 6,4 5,8 4,0 3,7
2016* 3,9 4,7 6,9 6,1 3,9 3,7
2017* 3,9 5,0 7,5 6,1 4,4 3,9

Bron:CBS, BVI.

Migranten in matig stedelijke gemeenten minst verdacht

Personen met een Nederlandse achtergrond zijn naar verhouding vaker verdacht van misdrijven wanneer ze in een dichtbevolkte buurt wonen: hoe stedelijker de buurt, hoe hoger het percentage verdachten. Bij personen met een westerse of niet-westerse migratieachtergrond is dit patroon minder sterk zichtbaar. In dichtbevolkte buurten verschillen de verdachtenpercentages van deze groepen niet veel van minder sterk bevolkte buurten. Bij personen met een niet-westerse migratieachtergrond ligt het aandeel verdachten juist in niet-stedelijke gebieden het hoogst.

Eerste generatie niet-westerse jongeren vaker verdacht dan tweede generatie

Om het leeftijdseffect bij generaties uit te schakelen, toont figuur 4.5 het aandeel verdachten van misdrijven naar generatie voor de groep 12- tot 25-jarigen. Hieruit blijkt dat er binnen dezelfde leeftijdsgroep onder personen met een niet-westerse achtergrond geen grote verschillen zijn tussen de generaties. Turkse jongeren van zowel de eerste als de tweede generatie worden ongeveer twee keer zo vaak verdacht van een misdrijf als jongeren met een Nederlandse achtergrond. Marokkaanse jongeren van de eerste generatie worden bijna vijf keer vaker verdacht dan personen met een Nederlandse achtergrond. Zowel bij Antilliaanse, Marokkaanse en Surinaamse achtergrond is de eerste generatie vaker verdacht dan de tweede. In 2015 was dit nog alleen het geval bij de groep mensen met een Antilliaanse achtergrond. Antilliaanse jongeren van de eerste generatie worden vier keer vaker verdacht dan personen met een Nederlandse achtergrond.

Van verdachte tot veroordeelde

Vanaf het moment dat een persoon door de politie als verdachte wordt geregistreerd, is het nog een lange weg naar een veroordeling door de rechter, ook al komt een minderheid van de zaken voor de rechter. Soms wordt een zaak stopgezet omdat de politie meent dat het geen sluitend bewijs kan vinden tegen een verdachte. De overige zaken gaan door naar het Openbaar Ministerie (OM).

Bijna een kwart van de zaken waarin het OM van 2012 tot en met 2016 een beslissing nam leidde tot een strafbeschikking of transactie. Bij een strafbeschikking legt het OM zelf een straf op. Het OM mag dit zonder tussenkomst van de rechter doen bij zaken waarvoor een maximale gevangenisstraf van 6 jaar of minder geldt, maar kan geen vrijheidsstraf opleggen. Bij een transactie gaat de verdachte akkoord met een door het OM aangeboden sanctie en ziet het OM af van verdere vervolging.

In 4 procent van de gevallen zag het OM onder voorwaarden, het volgen van een cursus bijvoorbeeld, af van verdere vervolging. Ook kan het OM besluiten een zaak te laten vallen (onvoorwaardelijk sepot), bijvoorbeeld als er onvoldoende bewijs is om de zaak af te ronden of omdat er met beperkte middelen keuzes gemaakt moeten worden. Dat gebeurde tussen 2012 en 2016 in 18 procent van de zaken.

Uiteindelijk werden de verdachten in de helft van de door het OM afgehandelde zaken in de periode 2012–2016 gedagvaard. In 8 van elke 9 zaken die tussen 2012 en 2016 voor de rechter kwamen, verklaarde de rechter de verdachte schuldig (al dan niet met straf). Vanwege de doorlooptijd van zaken is het niet mogelijk om aan de hand van al deze cijfers te zeggen welk deel van de zaken (die bij het OM terecht komen) leidt tot een veroordeling.

Het is lastig om de verdachtenpopulatie te vergelijken met die van de schuldig verklaarden. Onder andere in het artikel van Werkmink, Van Wingerden, Van Wilsum en Nieuwbeerta (2015) wordt een aantal factoren genoemd dat van belang zou kunnen zijn. Het verschil tussen de mate waarin een bepaalde groep verdacht is van misdrijven of daaraan door de rechter schuldig bevonden wordt, kan er op wijzen dat (1) leden van deze groep vaker betrokken zijn bij vormen van criminaliteit die vaker leiden tot een veroordeling of (2) dat zij binnen een vorm van criminaliteit betrokken zijn bij relatief zware misdrijven die weer vaker leiden tot een schuldigverklaring.

Als het aandeel van een groep in het totaal van de door de rechter schuldig verklaarden hoger is dan het aandeel van die groep in het totaal van de geregistreerde verdachten, zou je dat ook kunnen interpreteren als een discriminerende tendens binnen de loop van het strafrecht. Wat ook kan meespelen is dat verdachten door hun leeftijd of andere kenmerken meer of minder in aanmerking komen voor alternatieven voor de gang naar de rechter. Welke factoren het verschil verklaren, en in welke mate, is niet onderzocht.

Percentage schuldigverklaringen rechter daalt verder

Tussen 2005 en 2016 daalde het percentage door de rechter schuldig verklaarden in de Nederlandse bevolking van 0,7 naar 0,4. Dat is een afname van 45 procent, terwijl het percentage verdachten in deze periode daalde met 43 procent. Over het algemeen vertoont de populatie van schuldig verklaarden hetzelfde patroon als dat van verdachten.

Het aandeel verdachten en schuldig verklaarden met een Nederlandse achtergrond zijn beide bijna gehalveerd in de periode 2005–2016. Bij de vier grootste niet-westerse herkomstgroepen is het aandeel schuldig verklaarden ook bijna gehalveerd; het aandeel verdachten daalde iets minder sterk.

Onder herkomstgroepen die een hoog aandeel asielzoekers kennen, nam het percentage verdachten en schuldig verklaarden in de bevolking af met 33 procent onder personen met een Afghaanse achtergrond en 46 procent onder personen met een Iraanse achtergrond. Bij personen uit nieuwe EU-landen was de daling in het aandeel verdachten iets meer dan 10 procent en onder schuldig verklaarden iets minder dan 10 procent; het aandeel schuldig verklaarden met een Bulgaarse achtergrond nam toe.

Vrouwen met Antilliaanse achtergrond relatief vaak schuldig bevonden

Vrouwen met een Antilliaanse achtergrond zijn niet alleen relatief het vaakst verdacht van een misdrijf, ze worden ook vaker schuldig verklaard dan vrouwen met een andere achtergrond. Ook vrouwen met een Marokkaanse, Surinaamse of nieuwe-EU achtergrond werden vaker schuldig bevonden aan misdrijven dan vrouwen met een Nederlandse achtergrond. Het aandeel schuldig verklaarde vrouwen met een Turkse migratieachtergrond lag in 2016 op hetzelfde niveau als onder vrouwen met een Nederlandse achtergrond.

De verhouding tussen het aandeel mannen en vrouwen dat schuldig is verklaard aan een misdrijf is nog schever dan die bij de verdachten. De verschillen tussen mannen en vrouwen zijn het grootst bij schuldig verklaarden met een Turkse of Marokkaanse achtergrond. In 2016 waren er zeven keer zoveel mannen als vrouwen van Turkse herkomst verdacht van een misdrijf. Bij de schuldig verklaarden met een Turkse achtergrond stonden 13 mannen tegenover iedere vrouw.

Bij vrouwen met een Antilliaanse achtergrond waren de verschillen het kleinst: 4 mannen voor elke vrouwelijke verdachte en 5 mannen voor elke vrouw die schuldig werd verklaard. Die verhoudingen liggen iets onder die tussen mannen en vrouwen met een Nederlandse of Surinaamse achtergrond.

Migranten uit matig stedelijke gemeenten relatief weinig schuldig verklaard

Onder personen met een Nederlandse achtergrond is er een sterke correlatie tussen het percentage schuldig verklaarden in de bevolking en de stedelijkheid van hun woonbuurt: hoe stedelijker de buurt, hoe hoger het percentage schuldig verklaarden. Bij personen met een migratieachtergrond is het percentage schuldig verklaarden in de bevolking relatief hoog in zowel niet-stedelijke buurten als in zeer stedelijke buurten. Dit geldt zowel voor personen met een westerse als niet-westerse achtergrond, en in alle onderzochte deelgroepen. Bij personen met een Turkse of Marokkaanse herkomst is het percentage schuldig verklaarden juist het hoogst in niet-stedelijke buurten.

Eerste generatie niet-westerse jongeren vaker schuldig verklaard dan tweede generatie

De verschillen tussen 12- tot 25-jarigen van de eerste en tweede generatie zijn groter bij de schuldig verklaarden dan bij de verdachten. In alle vijf bekeken migrantengroepen lagen de percentages schuldig verklaarde jongeren van de eerste generatie hoger dan die van de tweede generatie.

Ook het verschil tussen het aandeel schuldig verklaarden met een Nederlandse achtergrond en een migratieachtergrond is groter dan bij verdachten. Het percentage 12- tot 25-jarigen met een Antilliaanse achtergrond van de eerste of tweede generatie dat in 2016 door de politie verdacht werd van een misdrijf was ongeveer vier keer zo hoog als dat van jongeren met een Nederlandse achtergrond; het percentage schuldig verklaarde Antilliaanse jongeren van de tweede generatie was echter zes maal zo hoog als dat van jongeren met een Nederlandse achtergrond en negen keer zo hoog voor de eerste generatie.

Inwoners met niet-westerse achtergrond vaker slachtoffer van criminaliteit

Steeds minder personen waren in de periode 2012/2013 – 2016/2017 slachtoffer van veelvoorkomende criminaliteit zoals gewelds-, vermogens- of vandalismedelicten. Dit beeld zien we zowel voor personen met een Nederlandse als met een westerse of niet-westerse achtergrond. Onder personen met een Nederlandse achtergrond daalde het aandeel dat slachtoffer werd van criminaliteit van 19 procent naar 16 procent; onder personen met een niet-westerse achtergrond daalde het aandeel van 24 procent naar 20 procent.

Over het algemeen ligt het aandeel slachtoffers bij de vier grootste niet-westerse herkomstgroepen hoger dan bij personen met een Nederlandse achtergrond. Dit niveauverschil is over de tijd niet afgenomen.

Ruim 1 op 5 niet-westerse jongeren slachtoffer van criminaliteit

In de periode 2016/2017 waren mannen met een Nederlandse achtergrond iets vaker slachtoffer van criminaliteit dan vrouwen met een Nederlandse achtergrond. Bij de westerse en niet-westerse groepen kwamen mannen en vrouwen in gelijke mate met criminaliteit in aanraking en speelde leeftijd een meer onderscheidende rol. Voor zowel inwoners met een Nederlandse, westerse en niet-westerse achtergrond geldt dat jongeren van 15 tot 25 jaar ongeveer twee keer zo vaak slachtoffer zijn van criminaliteit als 65-plussers. Het aandeel slachtoffers onder jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond en een Nederlandse achtergrond komt nagenoeg overeen. Ouderen met een niet-westerse migratieachtergrond zijn daarentegen iets vaker slachtoffer dan ouderen met een Nederlandse achtergrond. Verder blijkt het aandeel slachtoffers hoger onder personen met een tweede generatie niet-westerse herkomst (23 procent) dan onder de eerste generatie met dezelfde herkomst (19 procent). Dit verschil is te verklaren door het verschil in leeftijd tussen de eerste en tweede generatie. Bij inwoners met een westerse achtergrond was geen verschil tussen de eerste en tweede generatie.

In zeer sterk stedelijke gemeenten zijn personen met een Nederlandse achtergrond en personen met een westerse of niet-westerse migratieachtergrond ongeveer even vaak slachtoffer van criminaliteit. In minder stedelijke gemeenten is het slachtofferschap onder personen met een niet-westerse migratieachtergrond hoger. Het aandeel slachtoffers in niet-stedelijke gemeenten verschilt niet significant tussen herkomstgroepen. Dit komt doordat in niet-stedelijke gemeenten relatief weinig mensen met een niet-westerse achtergrond wonen, wat zorgt voor een grote betrouwbaarheidsmarge.

Verschil onveiligheidsbeleving tussen herkomstgroepen neemt af

Het verschil in algemene onveiligheidsbeleving tussen herkomstgroepen is de afgelopen jaren afgenomen. In 2012/2013 voelde nog 40 procent van de personen met een niet-westerse achtergrond en 36 procent van de personen met een Nederlandse achtergrond zich in algemene zin wel eens onveilig. In 2016/2017 is dit aandeel gedaald naar respectievelijk 35 en 34 procent. Personen met een Surinaamse achtergrond voelen zich in vergelijking met personen met een Nederlandse achtergrond nog altijd vaker onveilig.

Tweede generatie voelt zich vaker onveilig dan eerste generatie

Migranten van de tweede generatie voelen zich vaker onveilig dan migranten van de eerste generatie. Ook wanneer rekening wordt gehouden met verschillen in leeftijd tussen de eerste en tweede generatie blijft gelden dat de tweede generatie zich vaker onveilig voelt. Bij alle inwoners ongeacht hun herkomst neemt het aandeel dat zich in algemene zin wel eens onveilig voelt af met leeftijd. Wel is het verschil in algemene onveiligheidsbeleving tussen ouderen en jongeren bij personen met een Nederlandse achtergrond groter dan bij personen met een niet-westerse achtergrond. Ruim 40 procent van de 15- tot 25-jarige Nederlandse inwoners voelt zich in algemene zin wel eens onveilig tegen 38 procent van de niet-westerse inwoners in deze leeftijdsgroep. Bij de 65-plussers ervaart een kwart van de personen met een Nederlandse achtergrond wel eens algemene onveiligheidsgevoelens. Van de ouderen met een niet-westerse achtergrond is dit 31 procent.

Verder geldt voor alle herkomstgroepen dat ruim 40 procent van de vrouwen zich in algemene zin wel eens onveilig voelt; bij mannen ligt dit aandeel tussen de 25 en 28 procent. Daarbij voelen mannen van niet-westerse komaf zich iets vaker onveilig dan mannen met een Nederlandse achtergrond.

In zeer sterk stedelijke en in matig stedelijke gemeenten voelen personen met een Nederlandse achtergrond zich vaker wel eens onveilig dan personen met een niet-westerse migratieachtergrond. Er bestaan geen verschillen in algemene veiligheidsbeleving tussen de herkomstgroepen in sterk, weinig of niet stedelijke gemeenten.

Inwoners met Turkse en Marokkaanse achtergrond voelen zich minder onveilig in eigen buurt

Personen met een niet-westerse achtergrond ervaren vaker onveiligheidsgevoelens in de eigen buurt dan personen met een Nederlandse achtergrond. Echter, net als bij de algemene onveiligheidsgevoelens, is dit verschil de laatste jaren afgenomen. Vooral inwoners met een Turkse achtergrond zijn zich veiliger gaan voelen in hun buurt: in 2012/2013 voelde 35 procent van hen zich wel eens onveilig in de eigen buurt tegen 26 procent in 2016/2017. Ook personen van Marokkaanse afkomst ervaren minder vaak onveiligheidsgevoelens in hun buurt dan voorheen. Desalniettemin ervaren Turkse en Marokkaanse inwoners, net als Surinaamse en Antilliaanse inwoners, nog altijd vaker buurtgerelateerde onveiligheidsgevoelens dan personen met een Nederlandse achtergrond.

Vrouwen geven vaker aan dan mannen dat ze zich wel eens onveilig voelen in hun buurt. Vooral vrouwen met een niet-westerse achtergrond hebben deze onveiligheidsgevoelens naar verhouding vaak (26 procent). Van de niet-westerse mannen voelt 20 procent zich wel eens onveilig in hun buurt en van de vrouwen met een Nederlandse achtergrond is dat 19 procent.

Bij personen met een Nederlandse of westerse achtergrond neemt het aandeel dat zich wel eens onveilig voelt in de eigen buurt af met leeftijd. Oudere en jongere niet-westerse inwoners voelen zich daarentegen even vaak onveilig in hun buurt. Tevens is er bij hen geen verschil tussen de eerste en tweede generatie. Bij personen met een westerse achtergrond is dit verschil er wel: de eerste generatie voelt zich vaker onveilig in de eigen buurt dan de tweede generatie. Ook wanneer rekening gehouden wordt met verschillen in leeftijd geldt nog steeds dat onder personen met een westerse achtergrond de eerste generatie zich vaker onveilig voelt in de eigen buurt dan de tweede generatie.

Zowel in stedelijke als in minder stedelijke gemeenten voelen personen met een niet-westerse achtergrond zich vaker wel eens onveilig in hun buurt dan personen met een Nederlandse achtergrond. In niet stedelijke gemeenten is dit verschil er, als gevolg van grote marges, niet.

Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Wermink, H., S. van Wingerden, J. van Wilsem en P. Nieuwbeerta (2015). Etnisch gerelateerde verschillen in de straftoemeting. Raad voor de rechtspraak, Research Memoranda, 1.

Noten

Geregistreerde verdachten zijn personen die door de politie worden geregistreerd wanneer een redelijk vermoeden van schuld aan een misdrijf bestaat. De cijfers hebben betrekking op verdachten die bij een gemeente zijn ingeschreven in de BRP (Basis Registratie Personen).

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Copyright foto’s: Hollandse Hoogte

Disclaimer en copyright

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2017–2018 2017 tot en met 2018
2017/2018 Het gemiddelde over de jaren 2017 tot en met 2018
2017/’18 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2017 en eindigend in 2018
2015/’16–2017/’18 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2015/’16 tot en met 2017/’18

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Redactie

Martine de Mooij, Caroline Bloemendal en Dion Dieleman

Eindredactie

Annelie Hakkenes-Tuinman

Opmaakcoördinatie

Roel Schaart

Monitordeel

  1. Bevolking
    Carel Harmsen, Vincent de Heij, Niels Kooiman en Dominique van Roon
  2. Onderwijs
    Marijke Hartgers, Nelet Kuipers en Frank Linder
  3. Sociaaleconomische positie
    Ruben van Gaalen, Willem Gielen, Vincent de Heij, Frank Hoekema en Johan van Rooijen
  4. Criminaliteit
    Jurriën de Jong, Rob Kessels, Rianne Kloosterman, Michelle van Rosmalen en Wim Vissers
  5. Gezondheid
    Jan-Willem Bruggink en Laura Voorrips
  6. Sociale samenhang en participatie
    Hans Schmeets

Verdiepend deel

  1. Veranderingen in relatie- en gezinsvorming binnen de tweede generatie
    Gusta Wachter (NIDI/KNAW/RuG) en Helga de Valk (NIDI/KNAW/RuG)
  2. Schooluitval onder de tweede generatie
    Eva van der Heijden (IISG/KNAW/LEI) en Helga de Valk (NIDI/KNAW/RuG)