Foto omschrijving: Vrouwen aan het werk in coronatesten fabriek

Wie werkt er voor de Nederlandse exporteconomie?

De kloof tussen mannen en vrouwen in banen en lonen verbonden aan export

Auteurs: Timon Bohn, Tom Notten, Leen Prenen, Khee Fung Wong

De ongelijkheid tussen mannen en vrouwen in banen en lonen is een van de grote maatschappelijke uitdagingen van deze tijd. Deze discussie speelt in Nederland en wereldwijd. Handel kan deze ongelijkheid sterk beïnvloeden en zelfs nieuwe kansen voor vrouwen creëren. Dit hoofdstuk gaat in op de huidige stand van zaken en geeft cijfermatig inzicht rondom exportgerelateerde banen en beloningen. Daarbij belichten we de rol van vrouwen in de Nederlandse handel en laten zien welke kansen de groeiende export biedt. Ook vergelijken we de vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in exportgerelateerde banen en beloningen met de totale werkgelegenheid. Ten slotte brengen we ook nog enkele andere achtergrondkenmerken van werknemers en zelfstandigen die voor de export werken in kaart.

3.1Inleiding

In 2020 beloofde EU-commissievoorzitter Von der Leyen om van de EU een ‘Unie van gelijke kansen’ te maken (Europese Commissie, 2020). Deze belofte moet worden waargemaakt door de ‘gendergelijkheidsstrategie’ van de EU, die als doel heeft om tegen 2025 forse vooruitgang te boeken op het gebied van de gelijkheid van mannen en vrouwen in Europa. Dit omvat onder meer het verkleinen van de kloof tussen de geslachten op de arbeidsmarkt, het bevorderen van gelijkwaardige deelname aan verschillende sectoren van de economie, het aanpakken van de loon- en pensioenkloof, en het bereiken van een betere balans in de verdeling van zorgtaken, besluitvorming en politieke vertegenwoordiging. Ook binnen het EU-handelsbeleid is inclusiviteit een belangrijk thema, in lijn met de Sustainable Development Goals van de Verenigde Naties en ‘inclusive trade’ (UNCTAD, 2024).

De Nederlandse economie leunt sterk op de internationale handel; 35 procent van de Nederlandse welvaart is te danken aan de export(Prenen et al., 2024). Eerdere CBS-onderzoeken lieten zien welke producten het meest in trek zijn in het buitenland (CBS, 2024a), en welke bedrijfstakken in Nederland profiteren van de internationale handel (Prenen et al., 2024). Echter, over de mensen die direct én indirect werkzaam zijn voor de Nederlandse export weten we nog relatief weinig. Hoe ‘inclusief’ is de Nederlandse handel? Globalisering en handelsbeleid hebben namelijk verdelingsconsequenties in een handelsland zoals Nederland. Stijgende export en veranderende handelspatronen kunnen andere effecten hebben voor vrouwen dan voor mannen, omdat de twee geslachten verschillend vertegenwoordigd zijn in sectoren, beroepen en bedrijven. Daardoor worden mannen en vrouwen niet op dezelfde manier blootgesteld aan, en/of bevorderd door deze ontwikkelingen.

Uit eerder CBS-onderzoek blijkt dat vrouwen minder afhankelijk zijn van export en exportgerichte activiteiten dan mannen. Dit is berekend op basis van het aandeel van hun voltijdbanen in de gehele beroepsbevolking dat direct of indirect met export verbonden is (Boutorat et al., 2018). Vrouwen zijn dus minder vertegenwoordigd in de handel dan mannen. In 2016 was bij vrouwen ruim 1 op de 5 voltijdbanen gerelateerd aan de export, terwijl dit bij mannen 1 op de 3 was. De oorzaken van ongelijkheid tussen mannen en vrouwen, en de vertegenwoordiging van vrouwen in zowel de beroepsbevolking als de handel, krijgen bovendien internationaal steeds meer aandacht (zie bijvoorbeeld Kutlina-Dimitrova et al., 2022 en Pechansky et al., 2023).

Tegelijkertijd kan handel bijdragen aan het verkleinen van de kloof tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt (zie Los et al., 2023 voor een overzicht van de literatuur). Dit gebeurt via verschillende economische mechanismen. Ten eerste bevordert handel concurrentie, wat discriminatie tegen vrouwen moeilijker en duurder maakt. Ten tweede kan een versterkte handelsspecialisatie in diensten en dienstverlenende activiteiten – waar cognitieve vaardigheden steeds meer worden gevraagd – bijdragen aan meer gelijkheid tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt. Daarnaast kan de invoering van kapitaalintensieve technologieën, zoals automatisering en robotisering een rol spelen. Deze ontwikkelingen kunnen gelijkheid tussen mannen en vrouwen stimuleren, omdat vrouwen hierdoor minder worden benadeeld in sectoren waar fysieke kracht traditioneel meer vereist is, zoals in de maakindustrie.

De academische literatuur en empirisch onderzoek ondersteunen over het algemeen het idee dat handel een positief effect kan hebben op een gelijkmatigere vertegenwoordiging en beloning tussen mannen en vrouwen (Pieters, 2018). Toch kan export in specifieke gevallen ook nadelig uitvallen voor vrouwen. Bedrijven die beginnen met exporteren vragen soms veel flexibiliteit van het personeel, zoals dienstreizen en het werken buiten reguliere kantooruren vanwege verschillende tijdzones van toeleveranciers en afnemers van goederen en diensten. Werknemers met grote huishoudelijke verantwoordelijkheden, in de praktijk vaker vrouwen, zijn soms minder flexibel omdat ze minder vaak buiten kantooruren kunnen werken; flexibiliteit die bij startende exporteurs belangrijk is. Deze hypothese wordt ondersteund door onderzoek dat een grotere loonkloof tussen mannen en vrouwen bij startende exporteurs in Noorwegen aantoont (Bøler et al., 2018).

In dit hoofdstuk presenteren we cijfers over de werkgelegenheid in Nederland die verband houdt met de export. Hoe ziet de rol en deelname van vrouwen in de Nederlandse handel er tegenwoordig uit? Wordt de handel inclusiever als het gaat om de kloof tussen mannen en vrouwen in exportgerelateerde banen en beloningen? Er is nog weinig bekend over specifieke activiteiten of beroepen waar veranderingen in werkgelegenheidspatronen binnen de export nieuwe kansen voor vrouwen kunnen creëren. Dit hoofdstuk kwantificeert de verschillen in de vertegenwoordiging van mannen en vrouwen bij de export en onderzoekt de factoren die veranderingen in het aantal banen over de tijd heen beïnvloeden. Voor het eerst in een CBS-publicatie wordt ook gekeken naar de verschillen in de gemiddelde beloning van mannen en vrouwen in exportgerelateerde banen, oftewel de loonkloof of loonpremie bij de export.

Hoewel de focus in dit hoofdstuk ligt op de vertegenwoordiging en beloning van mannen en vrouwen in exportgerelateerde banen en in de totale Nederlandse werkgelegenheid, analyseren we tegelijkertijd ook andere achtergrondkenmerken van mensen die in de export werken. We bekijken specifiek dienstverband, opleidingsniveau en leeftijd van werknemers en zelfstandigen. Hebben vrouwelijke werknemers die voor export werken bijvoorbeeld vaker een flexibel arbeidscontract dan mannen?

Specifiek staan de volgende onderzoeksvragen centraal in dit hoofdstuk:

  • In hoeverre heeft de Nederlandse export tussen 2015 en 2022 bijgedragen aan de ontwikkeling van de werkgelegenheid voor zowel mannen als vrouwen? Hoe groot is de kloof tussen de geslachten in banen en beloningen verbonden aan de export?
  • Welke factoren hebben specifiek bijgedragen aan veranderingen in werkgelegenheid als gevolg van export? In hoeverre is de groei in werkgelegenheid voor mannen en vrouwen te danken aan een toegenomen vraag naar Nederlandse producten in het buitenland, of aan veranderingen in productietechnieken die in de productie worden toegepast?
  • Naast geslacht, welke andere achtergrondkenmerken hebben werknemers en zelfstandigen die voor de export werken? Heeft iedereen evenveel voordeel van de export in vergelijking met de totale arbeidsvraag naar dezelfde groep werkenden? In hoeverre kan de verdeling van verschillende groepen werkenden over sectoren hierop inzicht geven?

Leeswijzer

Paragraaf 3.2 beschrijft de kloof in exportgerelateerde banen tussen mannen en vrouwen. Het vergelijkt het aantal voltijdbanen en de beloningen tussen beide geslachten, en plaatst deze gegevens in context van de totale werkgelegenheid. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan de deelname van mannen en vrouwen in verschillende sectoren en de rol van beide geslachten: direct werkzaam bij exporterende bedrijven zelf of op indirect wijze door werkzaam te zijn bij toeleveranciers van exporterende bedrijven. Paragraaf 3.3 onderzoekt de factoren die veranderingen in de werkgelegenheidspatronen bij mannen en vrouwen door export over de tijd verklaren. Paragraaf 3.4 breidt deze analyse uit door naast geslacht ook andere achtergrondkenmerken van exportgerelateerde banen te onderzoeken. Paragraaf 3.5 vat de bevindingen samen en concludeert.

Welke methode en (nieuwe) bronnen worden in dit hoofdstuk gebruikt om voltijdbanen en beloningen verbonden aan export te meten?

Voor de berekeningen in dit hoofdstuk maken we gebruik van input-output analyse met behulp van input-outputtabellen van de nationale rekeningen (NR). Deze worden gecombineerd met geharmoniseerde en gedetailleerde gegevens over voltijdbanen in 135 bedrijfstakken. Voltijdbanen worden berekend door alle banen (voltijd en deeltijd) om te rekenen naar voltijdequivalenten (vte).

Drie bronnen worden geïntegreerd en consistent gemaakt om cijfers over vte-banen te verkrijgen: de arbeidsrekeningen van de NR, de Polisadministratie en de Enquête Beroepsbevolking (EBB).noot1 Cijfers over het totale aantal vte naar geslacht en bedrijfstak voor zowel werknemers als zelfstandigen zijn direct van de NR afkomstig. Data over dienstverband, opleidingsniveau en leeftijd voor werknemers zijn afkomstig van de Polisadministratie, deels gecombineerd met andere bronnen uit het Stelsel van Sociaal Statistische Bestanden (HOOGSTEOPLTAB) en de Basisregistratie Personen. De Polis­administratie is gebaseerd op de loonaangiften van werknemers bij de Belastingdienst en omvat alle loonbetalingen in Nederland. Omdat de cijfers van de Polisadministratie ook naar geslacht en bedrijfstak kunnen worden gesplitst, worden deze aan de vte-cijfers van de NR gekoppeld om de NR-data met uitgebreidere persoonskenmerken te verrijken. Daarbij worden de randtotalen van de arbeidsrekeningen wat betreft geslacht en bedrijfstak als leidend beschouwd en niet door de koppeling aangepast.

Cijfers over dienstverband, opleidingsniveau en leeftijd voor zelfstandigen zijn afkomstig van de EBB en worden op een vergelijkbare manier gekoppeld aan de leidende cijfers van de NR. Ook cijfers over beroepen komen van de EBB en worden gekoppeld aan data van de NR, zowel voor zelfstandigen als voor werknemers. Met betrekking tot de arbeidscompensatie zijn er alleen cijfers beschikbaar voor werknemers en alleen op bedrijfstakniveau van de NR. Om deze cijfers naar geslacht uit te splitsen, gebruiken we gegevens van de Polisadministratie over beloningen. We passen de verdeling van beloningen naar mannen en vrouwen per bedrijfstak op basis van de Polisadministratie naar rato toe op de totale arbeidscompensatie volgens de NR. Deze compensatie bestaat grotendeels uit beloningen, maar ook uit sociale premies. Beloningen voor zelfstandigen zijn een onderdeel van gemengd inkomen in de NR en kunnen niet naar geslacht uitgesplitst worden.

Hoe verschillen de gebruikte bronnen van andere CBS-publicaties, zoals Nederland Handelsland?

Door de integratie van de drie bronnen kunnen in dit hoofdstuk deels nieuwe – in het geval van beloningen – deels veel gedetailleerdere, en deels kwalitatief betere data gebruikt worden dan in methodologisch vergelijkbare analyses in bijvoorbeeld de publicatie Nederland Handelsland (zie Prenen en Rooyakkers (2023) en Prenen et al. (2024), paragraaf 6.3). Dit komt omdat vte-cijfers in Nederland Handelsland, hoewel ook afkomstig van de NR, niet naar persoonskenmerken uitgesplitst worden zoals geslacht. In Nederland Handelsland worden gegevens wel gesplitst op basis van gewerkte uren, maar deze uren zijn volledig gebaseerd op steekproefgegevens uit de EBB. Deze publicatie maakt daarentegen voornamelijk gebruik van de Polisadministratie voor een gedetailleerder overzicht. De cijfers in Nederland Handelsland worden bovendien niet gekoppeld aan (leidende) data van de NR. Daardoor kunnen inzichten in Nederland Handelsland licht afwijken van deze publicatie.

Net zoals in Nederland Handelsland past dit hoofdstuk input-output analyse toe op basis van dezelfde gedetailleerde input-outputtabellen van de NR. In deze zin kan dit hoofdstuk als een uitbreiding en verdieping van de analyses in Nederland Handelsland worden beschouwd.

30,4% van alle exportgerelateerde voltijdbanen in 2022 ingevuld door vrouwen
49,1% groei bij exportgerelateerde technische beroepen voor vrouwen tussen 2015 en 2022

3.2Banen en beloningen voor werknemers dankzij de export naar geslacht

In 2022 waren 2,6 miljoen voltijdbanen (vte) in Nederland gerelateerd aan de rechtstreekse export van goederen en diensten. Dat was goed voor 31,4 procent van de totale Nederlandse werkgelegenheid. Dit betreft niet alleen de werkgelegenheid bij bedrijven die exporteren maar ook bij bedrijven die toeleveren aan exporterende bedrijven. Deze werkgelegenheid omvat zowel werknemers als zelfstandigen (zzp-ers). De uitvoer van diensten, incl. reisverkeer, genereerde de meeste werkgelegenheid met 1,1 miljoen vte. Dit wordt gevolgd door de uitvoer van goederen van Nederlandse makelij, met bijna evenveel 1,1 miljoen vte. De wederuitvoer van goederen was ten slotte goed voor 307 duizend vte (Prenen et al., 2024).

Minder dan een derde van de exportbanen ingevuld door vrouwen

In 2022 waren er 775 duizend voltijdbanen in Nederland die door vrouwen werden ingevuld en gerelateerd waren aan de export. Dit komt neer op 30,4 procent van alle exportgerelateerde voltijdbanen. Dit percentage laat een aanzienlijke kloof zien tussen mannen en vrouwen in exportgerelateerde werkgelegenheid. De omvang van de kloof wordt duidelijk als deze vergeleken wordt met de totale werkgelegenheid. In 2022 werd 42,2 procent van de voltijdbanen in Nederland ingevuld door vrouwen, vergeleken met 30,4 procent van aan de export verbonden voltijdbanen. De analyse laat dus een aanzienlijke man/vrouw kloof zien van 11,8 procentpunten.

Tussen 2015 en 2022 is het aantal exportgerelateerde banen gegroeid (CBS, 2023b). In deze periode is ook het aandeel van vrouwen in de door de export gegenereerde werkgelegenheid gestaag toegenomen, zie figuur 3.2.1. In 2015 werd 28,3 procent van de exportgerelateerde voltijdbanen door vrouwen ingevuld, een verschil van 2,1 procentpunten. Daar staat tegenover dat het aandeel van vrouwen in het totaal aantal voltijdbanen in de Nederlandse economie minder snel is toegenomen: 1,6 procentpunt. De verschillen tussen mannen en vrouwen zijn daarmee ook verkleind; in 2015 bedroeg deze nog 12,2 procentpunten. Deze daling is in lijn met de bevindingen voor Nederland van de Europese Commissie die de kloof tussen mannen en vrouwen in exportgerelateerde en totale werkgelegenheid onderzochten tussen 2010 en 2019 (Kutlina-Dimitrova et al., 2022).

3.2.1 Verschil tussen het aandeel vrouwen in de exportgerelateerde en totale werkgelegenheid (%)
Jaar Vrouwen in totale werkgelegenheid Vrouwen in exportgerelateerde banen Verschil (low) Verschil (high)
2015 40,6 28,3 12,3 12,3
2016 40,7 28,6 12,1 12,1
2017 40,7 28,8 11,9 11,9
2018 41 29,3 11,7 11,7
2019 41,4 29,7 11,7 11,7
2020 41,5 29,3 12,3 12,3
2021 41,9 29,7 12,2 12,2
2022* 42,2 30,4 11,8 11,8

Vrouwen minder afhankelijk van export dan mannen

In 2022 was ruim 1 op de 5 voltijdbanen gerelateerd aan de export. Bij mannen is dat 1 op de 3, zie figuur 3.2.2. Sinds 2015 zijn deze verhoudingen nauwelijks gewijzigd. Uit eerder CBS-onderzoek bleek dat mannen afhankelijker zijn van de export dan vrouwen. De auteurs wezen er destijds al op dat de mannelijke werkgelegenheid meer profiteert ten tijden van economische voorspoed of wanneer de groei in buitenlandse afzetmarkten groter is dan die in Nederland. Omgekeerd ondervindt de mannelijke werkgelegenheid meer hinder dan de vrouwelijke werkgelegenheid ten tijden van stagnerende of afnemende buitenlandse vraag (Boutorat et al., 2018). Ook in andere EU-landen is de mannelijke werkgelegenheid relatief meer afhankelijk van de export dan de vrouwelijke werkgelegenheid (Kutlina-Dimitrova et al., 2022).

3.2.2 Werkgelegenheid verbonden aan export, naar geslacht, 2022* (%)
geslacht Exportgerelateerd Niet-exportgerelateerd
Totaal 31,4 68,6
Mannen 37,8 62,2
Vrouwen 22,6 77,4

De kloof tussen mannen en vrouwen bij voltijdbanen die met de export samenhangen is kleiner bij het reisverkeer

In figuur 3.2.3 zijn de voltijdbanen ten behoeve van de export uitgesplitst naar type export: goederenuitvoer van Nederlandse makelij, wederuitvoer, dienstenuitvoer en reisverkeer. Het aantal voltijdbanen dat gerelateerd is aan de export is in de periode tussen 2015 en 2022 gestaag toegenomen. Wat geslacht betreft waren vrouwen bij elke uitvoerstroom minder vertegenwoordigd dan mannen, hoewel het relatieve verschil kleiner is bij de voltijdbanen die met het reisverkeer samenhangen. Terwijl bij de totale export van goederen en diensten vrouwen een aandeel van 30,4 procent hadden in het totaal aantal exportgerelateerde voltijdbanen, was dit bij het reisverkeer 43,9 procent. Het aandeel vrouwen was het kleinst bij het tot stand komen van de uitvoer van goederen van Nederlandse makelij. Maar 27,4 procent van de voltijdbanen werd door vrouwen ingenomen.

3.2.3 Werkgelegenheid verbonden aan export, naar type export en geslacht, 2022* (1 000 vte)
Jaar Uitvoer van Nederlandse makelij Wederuitvoer Dienstenuitvoer Reisverkeer
Vrouwen 2022, Vrouwen 303,0 91,0 333,8 47,0
Vrouwen 2019, Vrouwen 281,1 86,6 296,2 60,8
Vrouwen 2015, Vrouwen 241,4 71,6 258,4 45,9
Mannen 2022, Mannen 803,5 216,0 696,8 60,0
Mannen 2019, Mannen 786,7 215,4 639,5 77,0
Mannen 2015, Mannen 721,3 190,1 591,3 60,8

Hoe hoger de exportafhankelijkheid, hoe lager het aandeel vrouwelijke banen

Boutorat et al. (2018) en Kutlina-Dimitrova et al. (2022) verklaren de kloof tussen mannen en vrouwen in exportgerelateerde en totale werkgelegenheid door te kijken naar verschillen in het aandeel van vrouwen in de werkgelegenheid tussen bedrijfstakken en de exportafhankelijkheid van deze bedrijfstakken. Exportafhankelijkheid is in deze paragraaf gedefinieerd als het aandeel van de export in de omzet. Figuur 3.2.4 laat een scatterplot zien die de relatie tussen deze twee indicatoren visualiseert. Uit de figuur blijkt dat bedrijfstakken met het hoogste aandeel vrouwen, zoals verzorging en welzijn (83 procent) en gezondheidszorg (75 procent) nauwelijks exporteren en een exportafhankelijkheid van nul procent hebben, of in geval van onderwijs slechts 1 procent. Van alle sectoren waar een meerderheid van de werkenden bestaat uit vrouwen, hebben alleen reisbureaus een hoge exportafhankelijkheid.

Aandeel van vrouwen in werkgelegenheid en exportintensiteit, per bedrijfstak, 2022
Bedrijfstak Aandeel vrouwen in werkgelegenheid (%) Exportafhankelijkheid* (%)
Landbouw 30,4 32,2
Bosbouw en visserij 11,7 73,1
Delfstoffenwinning 14,1 74,3
Voedings-, genotmiddelenindustrie 31,8 58,6
Textiel-, kleding-, lederindustrie 39,3 55,7
Hout-, papier-, grafische industrie 16,7 38,3
Aardolie-industrie 10,7 69,0
Chemische industrie 19,1 68,2
Farmaceutische industrie 37,5 72,1
Rubber- en kunststofproductindustrie 18,4 55,8
Bouwmaterialenindustrie 10,3 21,9
Basismetaalindustrie 9,1 71,3
Metaalproductenindustrie 10,5 24,1
Elektrotechnische industrie 20,8 78,1
Elektrische apparatenindustrie 20,4 51,5
Machine-industrie 12,6 69,2
Auto- en aanhangwagenindustrie 10,8 75,8
Overige transportmiddelenindustrie 13,0 65,5
Meubelindustrie 17,3 22,3
Overige industrie en reparatie 24,7 29,4
Energievoorziening 25,1 8,7
Waterleidingbedrijven 24,8 0,9
Riolering, afvalbeheer en sanering 14,3 18,8
Algemene bouw en projectontwikkeling 8,1 0,9
Grond-, water- en wegenbouw 8,4 11,8
Gespecialiseerde bouw 7,8 2,1
Autohandel en -reparatie 12,0 2,4
Groothandel en handelsbemiddeling 28,3 21,9
Detailhandel (niet in auto's) 53,9 4,2
Vervoer over land 14,0 31,1
Vervoer over water 18,4 77,8
Vervoer door de lucht 42,6 63,8
Opslag, dienstverlening voor vervoer 26,1 32,5
Post en koeriers 29,1 14,3
Logiesverstrekking 49,4 22,0
Eet- en drinkgelegenheden 43,7 8,5
Uitgeverijen 44,5 23,3
Film, TV en radio 34,8 50,7
Telecommunicatie 24,2 27,7
IT- en informatiedienstverlening 21,9 30,7
Bankwezen 38,8 17,9
Verzekeraars en pensioenfondsen 45,3 4,6
Overige financiële dienstverlening 39,0 23,7
Verhuur en handel van onroerend goed 43,8 1,9
Juridisch en managementadvies 37,6 31,4
Architecten-, ingenieursbureaus e.d. 22,0 14,2
Research 41,4 40,3
Reclamewezen en marktonderzoek 40,4 22,6
Overige professionele diensten 50,3 11,0
Verhuur van roerende goederen 23,7 50,8
Uitzendbureaus en arbeidsbemiddeling 37,6 0,7
Reisbureaus, reisorganisatie en -info 54,2 64,4
Overige zakelijke dienstverlening 56,9 14,4
Openbaar bestuur en overheidsdiensten 43,0 1,1
Onderwijs 61,1 1,2
Gezondheidszorg 74,7 0,4
Verzorging en welzijn 83,0 0,0
Kunst, cultuur en kansspelen 47,0 11,5
Sport en recreatie 44,9 6,9
Ideëele, belangen-, hobbyverenigingen 56,4 0,3
Reparatie van consumentenartikelen 19,4 7,9
Overige persoonlijke dienstverlening 77,5 2,0
Huishoudens 73,6 0,0
* Aandeel export in totale omzet

Omgekeerd laat figuur 3.2.4 ook zien dat bij bedrijfstakken met de hoogste exportafhankelijkheid, zoals vervoer over water (78 procent), de elektrotechnische industrie (78 procent), de auto-industrie (76 procent), delfstoffenwinning (74 procent) en bosbouw en visserij (73 procent) het aandeel van vrouwen in de werkgelegenheid niet hoger is dan 25 procent. Deze resultaten wijzen op een negatieve relatie tussen exportintensiteit en het aandeel vrouwen in de werkgelegenheid. Een negatieve correlatiecoëfficiënt van –‍0,4 bevestigt dit verband. Deze resultaten zijn in lijn met de bevindingen van Kutlina-Dimitrova et al. (2022). Vrouwen werken relatief vaker in dienstverlenende sectoren, met name in de niet-commerciële dienstverlening, zoals overheidsdiensten, de gezondheidszorg, welzijnswerk, onderwijs en culturele en recreatieve diensten. Deze sectoren hebben doorgaans geen winstoogmerk en exporteren nauwelijks goederen of diensten. Dit staat in scherp contrast met industriële bedrijven, bedrijven die actief zijn in de groothandel, de vervoer-, informatie- en communicatiebranche en de zakelijke dienstverlening, die vaak sterk exportgericht zijn en waar mannen oververtegenwoordigd zijn (Boutorat et al., 2018). In 2022 waren er binnen de industrie 748 duizend voltijdbanen, waarvan 493 duizend aan de export waren toe te schrijven. Van deze 493 duizend exportgerelateerde banen namen mannen er 397 duizend voor hun rekening en vrouwen slechts 96 duizend.

Vrouwen vooral indirect betrokken bij de export

De 2,6 miljoen voltijdbanen dankzij de export in 2022 bestaan zowel uit directe werkgelegenheid als indirecte werkgelegenheid. De directe werkgelegenheid dankzij de export bestaat uit mensen die werken bij bedrijven die zelf goederen of diensten verkopen aan buitenlandse klanten. In 2022 waren dit 1,1 miljoen voltijdbanen. Daarnaast genereert de export van goederen en diensten indirecte werkgelegenheid. Bedrijven die exporteren hebben doorgaans leveranciers en andere dienstverleners nodig voor hun bedrijfsvoering. Denk hierbij aan bedrijven die intermediaire goederen toeleveren voor in het productieproces, maar ook aan transportbedrijven en schoonmaakbedrijven die diensten leveren aan exporterende bedrijven. De bedrijven die goederen of diensten leveren aan het exporterende bedrijf, genereren daarmee werkgelegenheid. De banen bij bedrijven die niet zelf exporteren maar leveren aan exporterende bedrijven vormen de indirecte werkgelegenheid dankzij de export. De indirecte werkgelegenheid dankzij de export bedroeg 1,4 miljoen voltijdbanen in 2022. Het merendeel van de exportgerelateerde banen zit dus bij toeleverende bedrijven (Prenen et al., 2024).

De directe en indirecte werkgelegenheid dankzij de export kan ook worden onderverdeeld naar geslacht, zie figuur 3.2.5. Vrouwen hadden in 2022 een aandeel van 28,5 procent (315 duizend vte) in de directe werkgelegenheid door export, terwijl mannen 71,5 procent (792 duizend vte) van deze voltijdbanen invulden. Bij de indirecte werkgelegenheid is deze verhouding iets minder scheef; vrouwen waren verantwoordelijk voor 31,8 procent (460 duizend vte) en mannen 68,2 procent (985 duizend vte). Een opvallende uitzondering op dit algemene beeld is te zien bij het reisverkeer, waar het grootste deel van de exportgerelateerde voltijdbanen direct was. Van alle door vrouwen vervulde exportgerelateerde voltijdbanen in het reisverkeer was 55 procent direct, tegenover 50 procent bij mannen. Vrouwen hebben in het reisverkeer dus niet alleen een relatief hogere arbeidsparticipatie, maar waren ook vaker direct betrokken bij de export dan mannen.

Meer indirecte dan directe voltijdbanen door export in industriële sector

In de industriële bedrijfstakken creëert de export meer indirecte voltijdbanen dan directe voltijdbanen. Bij de export door dienstverlenende en overige bedrijfstakken is dit juist omgekeerd. Wat betreft de diensten- en overige sectoren is de verdeling van directe en indirecte voltijdbanen tussen mannen en vrouwen ongeveer gelijk. In de industriële sector is er echter een aanzienlijk verschil zichtbaar: twee derde van alle voltijdbanen van vrouwen die met export samenhangen zijn indirect, terwijl het aandeel bij mannen aanzienlijk lager ligt, op 54 procent. Dit vertaalt zich in 332 duizend indirecte en 284 duizend directe vte voor mannen, en 147 duizend indirecte tegenover 72 duizend directe vte voor vrouwen. Het is aannemelijk dat veel van de indirecte vte voor vrouwen in de dienstensector te vinden zijn. Vrouwen werken namelijk relatief vaker indirect voor de export (59 procent van hun totale voltijdbanen dankzij export) dan mannen (55 procent van hun voltijdbanen dankzij export). Dit sluit aan bij de bevindingen van Pechansky et al. (2023), die dezelfde tendens in OESO-landen identificeren.

Werkgelegenheid (vte) dankzij de export naar geslacht in 2022*. In Nederland zijn er 2,55 miljoen voltijdbanen dankzij de export, ingevuld door 1,78 miljoen mannen en 775 duizend vrouwen. Zowel bij de directe banen (792 duizend mannen en 315 duizend vrouwen) als bij de indirecte banen (985 duizend mannen en 460 duizend vrouwen) dankzij de export, zijn mannen ruim oververtegenwoordigd. 3.2.5 Werkgelegenheid (vte) dankzij de export naar geslacht, 2022* 678 dzd Vrouwelijke werknemers 792 dzd 2,55 mln 315 dzd 259 dzd Zelfstandigen Mannen Vrouwen Mannen Vrouwen 1,78 mln 775 dzd Mannen Vrouwen 985 dzd 460 dzd Mannen Vrouwen Mannen Vrouwen Mannelijke werknemers Zelfstandigen 833 dzd Directe voltijdbanen exporterende branche Indirecte voltijdbanen leveranciers, inputs Voltijdbanen dankzij export 378 dzd 1) Cijfers tellen niet op tot totaal wegens afronding 114 dzd 56 dzd 151 dzd 82 dzd

Vooral bij technische beroepen domineren mannen in exportgerelateerde banen

Naast de exportafhankelijkheid van de bedrijfstak spelen ook de beroepsklassen een rol bij het verklaren van de kloof tussen mannen en vrouwen in de exportgerelateerde werkgelegenheid, zie figuur 3.2.6. Vooral in technische beroepen is het geslachtsverschil opvallend: 409 duizend voltijdbanen zijn ingevuld door mannen die werkzaam zijn voor de export, tegenover 71 duizend voltijdbanen bij vrouwen. Deze beroepsklasse omvat de ingenieurs en onderzoekers in de wis-, natuur- en technische wetenschappen, technici en toezichthouders in de bouw en in de industrie, procesoperators, bouw- en metaalarbeiders en voedselverwerkers. Bij ICT-beroepen zijn er 168 duizend exportgerelateerde banen voor mannen tegenover 26 duizend voor vrouwen. Voor transport en logistieke beroepen zijn de verhoudingen 244 duizend en 25 duizend voltijdbanen bij respectievelijk mannen en vrouwen, en bij managementfuncties zijn er 81 duizend voltijdbanen voor mannen tegenover 28 duizend voor vrouwen.

Het verschil is minder groot bij administratieve beroepen: 278 duizend vte bij mannen tegenover 241 duizend vte bij vrouwen. Ook bij commerciële beroepen is het verschil iets kleiner, met 163 duizend vte voor mannen tegenover 109 duizend voor vrouwen. Binnen de dienstensector, die met de export samenhangt, zien we dat de beroepen onder de mannen meer verspreid zijn; 21 procent bestaat uit bedrijfseconomische en administratieve beroepen, 16 procent uit technische beroepen, 13 procent uit ICT-beroepen, en 12 procent uit commerciële beroepen. Bij de vrouwen daarentegen domineren administratieve beroepen met 40 procent gevolgd door commerciële beroepen met 18 procent. Slechts 6 procent van de beroepen vervuld door vrouwen in de dienstensector ten behoeve van de export zijn technische beroepen.

3.2.6 Exportgerelateerde voltijdbanen, naar beroepsklasse en geslacht, 2022* (1 000 vte)
Vrouwen Mannen
Bedrijfseconomische en administratieve beroepen 241,5 278,4
Commerciële beroepen 109,0 163,3
Technische beroepen 71,2 409,1
Dienstverlenende beroepen 52,5 49,9
Zorg en welzijn beroepen 29,0 26,8
Managers 28,0 81,3
ICT beroepen 26,3 168,2
Transport en logistiek beroepen 25,3 218,9
Openbaar bestuur, veiligheid en juridische beroepen 16,5 24,8
Creatieve en taalkundige beroepen 16,3 25,7
Pedagogische beroepen 10,4 11,0
Agrarische beroepen 9,2 37,9
Overig 1,3 15,9

In het algemeen werken mannen relatief vaker voor de export dan vrouwen. Dit geldt voor de meeste beroepsgroepen, waarbij het aandeel van exportgerelateerde voltijdbanen onder mannen doorgaans hoger is dan onder vrouwen. Er zijn echter ook uitzonderingen: in de agrarische en technische beroepen zijn de aandelen van vrouwen relatief hoger dan mannen, zie figuur 3.2.7. Hoewel het totale aantal voltijdbanen van vrouwen in deze beroepsgroepen aanzienlijk kleiner is dan dat van mannen, zoals eerder weergegeven in figuur 3.2.6, is een groter deel van deze voltijdbanen actief voor de export. Bij technische beroepen geldt evenzeer dat vrouwen deze beroepen beduidend minder uitoefenen dan mannen, maar de vrouwen die werkzaam zijn in een technisch beroep werken relatief vaker voor de export dan mannen. Bij technische beroepen komt dit ook door de verdeling van vrouwelijke voltijdbanen over bedrijfstakken. Vrouwen met technische beroepen werken in bedrijfstakken die gemiddeld een stuk exportafhankelijker zijn dan de mannelijke, bijvoorbeeld in de voedings- en genotmiddelenindustrie, landbouw, groothandel, R&D en uitzendbureaus.

3.2.7 Exportgerelateerde werkgelegenheid (vte) naar beroepsklasse en geslacht, 2022* (%)
beroep Vrouwen Mannen
Totaal 22,6 37,8
Agrarische beroepen 63,9 55,6
Technische beroepen 44,9 37,4
Creatieve en taalkundige beroepen 38,0 45,3
Transport en logistiek beroepen 37,0 51,0
ICT beroepen 36,7 45,8
Bedrijfseconomische en administratieve beroepen 33,1 40,3
Managers 31,5 41,9
Commerciële beroepen 30,7 42,9
Dienstverlenende beroepen 19,7 23,0
Openbaar bestuur, veiligheid en juridische beroepen 19,2 19,2
Pedagogische beroepen 4,5 8,1
Zorg en welzijn beroepen 4,3 11,4
Overig 32,9 44,7

Het loonverschil tussen mannen en vrouwen is groter dan hun vertegenwoordiging bij exportbanen

Er zijn niet alleen absolute en relatieve verschillen tussen mannen en vrouwen bij het aantal voltijdbanen dat gerelateerd is aan de export, maar ook in de beloning voor deze werkzaamheden.noot2 Figuur 3.2.8 toont aan dat vrouwen in 2022 38 procent van de totale loonsom ontvingen, terwijl het aandeel vrouwelijke werknemers uitgedrukt in voltijdbanen in de totale economie 42,9 procent bedroeg. Bij de beloningen die aan de export toegeschreven kunnen worden, is het aandeel dat vrouwelijke werknemers ontvangen 24,9 procent, terwijl hun aandeel in voltijdbanen gelijk is aan 29,6 procent. Dit wijst op een verschil in arbeidscompensatie tussen mannen en vrouwen, zowel in de totale economie als bij exportgerelateerde activiteiten. Kutlina-Dimitrova et al. (2022) wijzen op een loonkloof tussen mannen en vrouwen, waarbij ze specifiek kijken naar het verschil tussen de arbeidscompensatie betaald aan vrouwen in de totale economie en die in exportgerelateerde banen. Gebruikmakend van CBS-cijfers bedroeg deze loonkloof tussen mannen en vrouwen in exportgerelateerde banen voor Nederland 13,2 procentpunt in 2022, vrijwel onveranderd ten opzicht van 2015 (13,1 procentpunt). Volgens de cijfers van Kutlina-Dimitrova et al. (2022) zijn deze loonverschillen in Nederland hoger dan het EU-gemiddelde in 2019.

3.2.8 Voltijdbanen en beloningen voor werknemers dankzij de export, naar geslacht, 2022* (%)
Mannen Vrouwen
Aandeel in totale voltijdbanen 57,1 42,9
Aandeel in exportgerelateerde banen 70,4 29,6
Aandeel in totale beloning voor werknemers 62 38
Aandeel in exportgerelateerde beloning voor werknemers 75,1 24,9
0,1% loonpremie voor vrouwen in exportgerelateerde voltijdbanen in 2022

Exportbanen voor vrouwen zijn gemiddeld niet beter betaald dan niet-exportbanen

Kutlina-Dimitrova en Rueda-Cantuche (2021) laten zien dat banen gerelateerd aan de export beter betaald worden dan het gemiddelde in de gehele economie. Dit verschil in beloningen voor werknemers bedroeg gemiddeld 12 procent in de EU in 2019. Zij noemen dit verschil wage premium, een zogenaamde loonpremie.noot3 Kutlina-Dimitrova et al. (2022) berekenen dit verschil apart voor mannen en vrouwen. Voor mannen was de loonpremie 11,2 procent in 2019 en voor vrouwen 8,5 procent. In Nederland vinden zij voor mannen een loonpremie van 7 procent en voor vrouwen 6 procent. CBS-cijfers wijzen echter op een loonpremie van 3,9 procent in 2022 voor mannen en 0,1 procent voor vrouwen, terwijl het verschil voor mannen en vrouwen samen 5,7 procent bedroeg, zie figuur 3.2.9.noot4 In 2015 was dit verschil nog 6,2 procent. Onze cijfers wijken daarmee af van de bevindingen van Kutlina-Dimitrova et al. (2022) omdat uit onze cijfers blijkt dat exportgerelateerde banen van vrouwen niet beter betaald worden dan andere banen van vrouwen in de gehele economie. De verschillen kunnen o.a. worden verklaard doordat Kutlina-Dimitrova et al. (2022) een dataset voor lonen en voltijdbanen van Eurostat gebruiken die gebaseerd is op een steekproef, terwijl in deze studie data over lonen van de Polisadministratie wordt ingezet die de hele populatie van werknemers omvat.

Vrouwen hebben wel een loonpremie bij de directe export

Wanneer er echter een onderscheid wordt gemaakt tussen werknemers bij bedrijven die rechtstreeks exporteren (directe export) en bedrijven die toeleveren aan exporterende bedrijven (indirecte export), dan blijkt er wel degelijk sprake te zijn van een loonpremie bij vrouwen van 7 procent in 2022, zie figuur 3.2.9. Bij indirecte banen wordt er gemiddeld minder verdiend dan het gemiddelde in de Nederlandse economie. Bij vrouwen was dat 4,6 procent minder en bij mannen 2,3 procent minder. Deze indirecte banen zijn duidelijk lager betaald, ook voor mannen. In het algemeen is de loonpremie positief bij directe export en negatief bij indirecte export. Uit de figuur blijkt ook, dat deze loonpremies niet veel veranderen door de jaren heen.

3.2.9 Loonpremie naar geslacht, totale, directe en indirecte export (%)
jaar Mannen - totale export Vrouwen - totale export Mannen en vrouwen - totale export Mannen - directe export Vrouwen - directe export Mannen en vrouwen directe export Mannen - indirecte export Vrouwen - indirecte export Mannen en vrouwen - indirecte export
2022 3,9 0,1 5,7 11,6 7,0 13,9 -2,3 -4,6 -0,7
2019 3,2 -0,9 5,1 10,9 5,9 13,4 -3,1 -5,6 -1,3
2015 3,5 0,0 6,2 10,9 6,0 14,1 -2,6 -4,1 0,0

3.3De drijfveren achter de werkgelegenheids­ontwikkeling door de export

In paragraaf 3.2 toonden we met figuur 3.2.3 dat de Nederlandse export in de afgelopen jaren heeft bijgedragen aan een groei van de werkgelegenheid voor zowel mannen als vrouwen. In deze paragraaf onderzoeken we welke factoren specifiek bijdragen aan deze werkgelegenheidsgroei door export. We kijken bijvoorbeeld naar de vraag of de groei in werkgelegenheid vooral te danken is aan een toegenomen vraag naar Nederlandse producten in het buitenland, of aan veranderingen in de productietechniek die in de productie worden toegepast. Met deze informatie krijgen we een beter inzicht in de werkgelegenheidspatronen bij mannen en vrouwen, wat kan helpen verklaren waarom de werkgelegenheid door export op bepaalde manieren verandert en welke factoren verantwoordelijk zijn voor eventuele verschillen tussen de geslachten. We onderscheiden in deze paragraaf drie factoren die invloed hebben op de werkgelegenheidsontwikkeling bij mannen en vrouwen door de export:

  • Arbeidsintensiteit: Bij een lagere arbeidsintensiteit is er minder werkgelegenheid nodig om dezelfde hoeveelheid export te produceren. Bij een hogere arbeidsintensiteit is juist meer werkgelegenheid vereist. Een daling in arbeidsintensiteit bij mannen kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van een stijgende arbeidsproductiviteit door digitalisering of andere technologische vooruitgang, of doordat de exportproductie meer vrouwelijke arbeidskrachten inzet.
  • Productietechniek: veranderingen in het productieproces kunnen productie efficiënter of goedkoper maken, wat invloed heeft op de vraag naar arbeid. Als bedrijven bijvoorbeeld meer automatisering en robotisering toepassen – denk bijvoorbeeld aan de toepassing van AI –, kunnen routinematige en repetitieve banen verdwijnen. Aan de andere kant kunnen er nieuwe banen ontstaan in de ontwikkeling, het onderhoud en de bediening van deze technologieën.
  • Export: een hogere vraag naar Nederlandse goederen en diensten vanuit het buitenland kan de werkgelegenheid in Nederland beïnvloeden. Bedrijven moeten namelijk hun productie verhogen om aan de buitenlandse vraag te voldoen, en dit kan leiden tot het aannemen van extra personeel om de productiecapaciteit te vergroten. Een hogere export kan daarnaast leiden tot meer werkgelegenheid in ondersteunende sectoren, zoals transport, logistiek en dienstverlening. We maken in deze paragraaf een verdere onderscheid naar export goederen uit eigen makelij, diensten en wederuitvoer.

Data en methoden in deze paragraaf

Bij het analyseren van werkgelegenheidsontwikkelingen door export gebruiken we Structural Decomposition Analysis (SDA) om de veranderingen in werkgelegenheid op te splitsen in verschillende factoren (Miller & Blair, 2009; Arto & Dietzenbacher, 2014). SDA helpt ons te begrijpen hoe veranderingen in werkgelegenheid door export tussen twee periodes worden veroorzaakt door diverse onderliggende factoren.

In dit geval geeft SDA inzicht in hoeveel van de verandering in werkgelegenheid kan worden toegeschreven aan de groei van de export, versus andere factoren zoals veranderingen in productieprocessen of verschuivingen in arbeidsintensiteit. Als de export stijgt, zou je verwachten dat dit leidt tot meer werkgelegenheid, vooral in exportgerichte sectoren. SDA toont echter of deze extra werkgelegenheid mogelijk verminderd wordt door bijvoorbeeld automatisering of hogere arbeidsproductiviteit. Met andere woorden, zelfs als de export groeit, kan de werkgelegenheid minder sterk groeien – of zelfs afnemen – als bedrijven efficiënter worden en minder werknemers nodig hebben om aan de hogere vraag te voldoen.

Daarnaast maken we in deze analyse gebruik van input-outputtabellen van het CBS voor de jaren 2015–2022, in prijzen van voorgaande jaren om prijseffecten in onze analyse mee te nemen. Met behulp van SDA en deze input-outputtabellen kunnen we de invloed van elke individuele factor op de totale verandering in werkgelegenheid door export berekenen. Dit gebeurt steeds voor twee opeenvolgende jaren. Door de decomposities van de jaar-op-jaar veranderingen na elkaar te plaatsen, kunnen we de invloed van elke factor door de tijd heen volgen.

De werkgelegenheidsgroei van mannen door export verder ontrafeld

Tussen 2015 en 2022 nam de werkgelegenheid dankzij de export onder mannen toe met 213,3noot5 duizend voltijdbanen, een groei van 13,6 procent. Figuur 3.3.1 toont hoe deze verandering van die 213,3 duizend voltijdbanen zich in die periode heeft ontwikkeld en laat de invloed van de verschillende factoren op deze verandering zien. Van alle factoren heeft de exportgroei de grootste invloed gehad op de toename van de werkgelegenheid van mannen. Als de overige factoren constant zijn gebleven, zou de werkgelegenheid door export zijn gegroeid met 336,3 duizend voltijdbanen.

Figuur 3.3.1 laat echter zien dat veranderingen in arbeidsintensiteit en productietechniek een negatieve invloed hebben op de werkgelegenheid. Steeds minder vte voor mannen zijn nodig om voor de export te produceren door een toename in arbeidsproductiviteit, bijvoorbeeld door automatisering, en door het gebruik van efficiëntere en goedkopere intermediaire inputs uit binnen- en/of buitenland.

Daarnaast is het mogelijk dat de lagere arbeidsintensiteit, zoals later in deze paragraaf wordt besproken, mede veroorzaakt wordt door een aanzienlijke groei van de werkgelegenheid bij vrouwen door de export. In 2020 zien we wel in figuur 3.3.1 een stijging van de arbeidsintensiteit, die toegeschreven kan worden aan de scherpe daling in productie in sectoren zoals luchtvaart, die zwaar werden getroffen door de coronapandemie, in combinatie met een relatief lagere daling van de werkgelegenheid in die sectoren. Zo verminderde de output in de luchtvaart drastisch door reisbeperkingen, maar veel luchtvaartmaatschappijen probeerden, vaak met overheidssteun, hun personeel te behouden.

3.3.1 Belangrijkste drijfveren van de verandering in de Nederlandse werkgelegenheid bij mannen door export, 2015-2022* (1 000 vte)
Jaar Totaal Arbeidsintensiteit Productietechniek Export Nederlands product Export diensten Wederuitvoer
2015 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0
2016 10,7 -11,9 0,5 31,4 -18,5 9,2
2017 83,0 -43,4 -5,7 71,3 35,1 25,8
2018 130,1 -63,6 -16,9 95,7 84,1 30,9
2019 160,7 -58,0 -14,2 97,7 101,9 33,4
2020 103,1 7,6 -34,3 79,1 35,7 15,0
2021 146,8 -71,9 -28,3 129,6 75,2 42,2
2022* 213,3 -113,3 -9,8 131,9 150,8 53,6

Hoe hebben de beroepen van mannen dankzij de export zich ontwikkeld?

Tabel 3.3.2 biedt een verdere verdieping van figuur 3.3.1 en laat zien hoe de werkgelegenheid voor mannen in verschillende beroepen zich heeft ontwikkeld, en in hoeverre de verschillende factoren hieraan hebben bijgedragen. Deze kunnen helpen bij het vormgeven van toekomstige handelsbeleid dat gericht is op het bevorderen van de werkgelegenheid bij mannen en/of vrouwen in Nederland die verbonden is met de export.

3.3.2Belangrijkste drijfveren van de verandering in de Nederlandse werkgelegenheid bij mannen door export, naar beroep, 2015–2022*
Ontwikkeling 2015–2022 Arbeids­intensiteit Productie­techniek Export Nederlands product Export van diensten Wederuitvoer
x 1 000 vte
Beroep
Pedagogische beroepen 1,5 –0,5 –0,4 0,7 1,4 0,3
Creatieve en taalkundige beroepen 9,7 –0,6 0,6 2,0 7,0 0,8
Commerciële beroepen 30,7 –10,0 0,9 14,4 15,6 9,9
Bedrijfs­economische en administratieve beroepen 55,0 –7,5 –2,9 21,0 34,7 9,8
Managers 21,0 –10,0 0,5 11,4 14,0 5,1
Openbaar bestuur, veiligheid en juridische beroepen 0,2 –5,0 –1,2 2,0 3,7 0,8
Technische beroepen 25,1 –49,1 –7,5 52,2 18,4 11,1
ICT beroepen 60,1 13,6 2,1 5,0 35,2 4,1
Agrarische beroepen –8,9 –12,5 –0,6 2,2 1,2 0,8
Zorg en welzijn beroepen 3,2 –1,3 –0,5 1,9 2,5 0,7
Dienstverlenende beroepen –4,0 –9,8 0,0 3,4 1,0 1,3
Transport en logistiek beroepen 22,3 –15,4 –0,5 14,0 15,7 8,5
Overig –2,6 –5,1 –0,3 1,8 0,5 0,5
Totaal 213,3 –113,3 –9,8 131,9 150,8 53,6

Sterk toegenomen vraag naar Nederlandse ICT-banen voor mannen

De ICT-sector draagt doorgaans in belangrijke mate bij aan de Nederlandse export en het innovatief vermogen van de Nederlandse economie (CBS, 2023a). Met name onze ICT-diensten blijken in het buitenland zeer gewild, wat ook zichtbaar is in tabel 3.3.2. Bij mannen laten ICT-beroepen de grootste groei zien tussen 2015 en 2022 (+60,1 duizend voltijdbanen; +51,1 procent), vooral gedreven door de export van diensten. Als alle andere factoren gelijk waren gebleven, zou de werkgelegenheid voor mannen in ICT-beroepen door export met 44,3 duizend voltijdbanen (+37,7 procent) zijn toegenomen. In tegenstelling tot wat figuur 3.3.1 op totaalniveau aangaf, blijkt verder dat veranderingen in arbeidsintensiteit en productietechniek een positieve invloed hebben gehad op de werkgelegenheid voor mannen met ICT-beroepen. Dit is te verklaren door de toenemende afhankelijkheid van ICT in de productie van goederen en diensten door bedrijven in Nederland, bijvoorbeeld door automatisering, digitalisering, data-analyse, AI en supply chain management. Gezien de vergaande digitalisering en de voortdurende verschuiving naar een diensteneconomie, is deze ontwikkeling niet verrassend.

Digitalisering pakt negatief uit voor bedrijfseconomische, administratieve en commerciële beroepen bij mannen

Na ICT-beroepen hebben de bedrijfseconomische en administratieve beroepen (+55,0 duizend voltijdbanen; +21,3 procent) en de commerciële beroepen (+30,7 duizend voltijdbanen; +17,7 procent) de grootste groei in voltijdbanen gekend tussen 2015 en 2022. Ook hier speelt de export van zowel goederen als diensten een belangrijke rol als drijfveer voor de groei in deze beroepen. Een belangrijk verschil met ICT-beroepen is wel dat de veranderingen in arbeidsintensiteit en productietechniek een negatieve invloed hebben gehad op de werkgelegenheid voor mannen in deze sectoren. De verdergaande automatisering en digitalisering in de dienstverlening hebben namelijk sterk bijgedragen aan de verminderde arbeidsintensiteit in deze beroepen. Zo is er volgens UWV (2021) en Polder et al. (2023) een aanhoudende trend waarbij routinematige taken binnen de (financiële) administratie steeds vaker vervangen door geprogrammeerde systemen en software. Administratief werk verschuift van gegevensverwerking naar het controleren van gegevens. Dit maakt veel uitvoerend werk, vooral op lager of middelbaar niveau, overbodig. Banen op hbo- of hoger niveau worden juist belangrijker.

Stijgende arbeidsproductiviteit en kwakkelende Duitse industrie drukken op technische beroepen bij mannen

Technische beroepen zijn vooral te vinden in de industrie, waarin vooral mannen werkzaam zijn (Boutorat et al., 2018), maar ook in de uitzendbranche, aangezien de industrie relatief veel technische uitzendkrachten inzet. Vooral productiemedewerkers worden vaak via uitzendbureaus ingehuurd (UWV, 2023a). Als alle andere factoren gelijk waren gebleven, zou de werkgelegenheid voor mannen in technische beroepen door de export van Nederlandse producten zijn toegenomen met 52,2 duizend banen. Deze toename wordt echter vrijwel volledig tenietgedaan door een aanzienlijk afname van de arbeidsintensiteit; bij constante factoren zou de werkgelegenheid in deze beroepen zijn afgenomen met 49,1 duizend banen. Dit is deels het gevolg van een stijgende arbeidsproductiviteit in de industrie, waarbij bedrijven gedwongen zijn om zo efficiënt mogelijk te produceren om wereldwijd te kunnen concurreren (UWV, 2023a). Een deel van de industriële werkgelegenheid verschuift naar andere sectoren, bijvoorbeeld naar de ICT-sector door robotisering en een hogere inzet van software, en verdwijnt dus niet volledig uit Nederland. Daarnaast wordt de lagere arbeidsintensiteit, zoals later in deze paragraaf wordt besproken, mede veroorzaakt door de aanzienlijke groei van technische beroepen die door vrouwen worden vervuld. Tot slot heeft de afnemende vraag vanuit Duitsland, samen met internationale onzekerheden zoals de coronapandemie, protectionistische wetgeving in de VS en China, en de hoge inflatie, invloed gehad op het aantal voltijdbanen binnen technische beroepen die door mannen worden vervuld (UWV, 2023a). Door de tegenvallende industriële export van Nederlandse producten zijn er tussen 2015 en 2022 minder voltijdbanen voor mannen in technische beroepen bijgekomen.

Vrouwen raken steeds meer bij de export betrokken

De werkgelegenheid onder vrouwen is dankzij de export toegenomen met 157,0 duizend voltijdbanen in de periode 2015–2022. Daarmee is de groei bij vrouwen relatief groter dan bij mannen; de werkgelegenheid van vrouwen steeg met iets meer dan een kwart (25,4 procent), terwijl deze bij mannen met 13,6 procent toenam. Net zoals in figuur 3.3.1 toont figuur 3.3.3 hoe deze groei van 157,0 duizend voltijdbanen zich over die periode heeft ontwikkeld en welke factoren hierop van invloed waren. De belangrijkste drijvende kracht achter de werkgelegenheidsgroei bij vrouwen is de export, voornamelijk de dienstenexport. Een opvallend verschil met figuur 3.3.1 is dat de verandering in arbeidsintensiteit een positief effect heeft op de werkgelegenheid van vrouwen door de export. Dit betekent dat de productie voor de Nederlandse export steeds meer gebruikmaakt van activiteiten die door vrouwen worden uitgevoerd.

3.3.3 Belangrijkste drijfveren van de verandering in de Nederlandse werkgelegenheid bij vrouwen door export, 2015-2022* (1 000 vte)
Jaar Totaal Arbeidsintensiteit Productietechniek Export Nederlands product Export van diensten Wederuitvoer
2015 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0
2016 14,1 4,2 0,4 10,2 -4,0 3,3
2017 49,2 0,4 -1,8 22,3 18,7 9,7
2018 85,9 11,1 -9,0 29,1 43,1 11,6
2019 109,7 19,7 -9,2 30,5 56,2 12,5
2020 71,9 60,4 -22,1 23,9 4,8 4,9
2021 104,4 39,0 -16,0 40,6 24,9 15,8
2022* 157,0 26,6 -3,5 41,4 71,9 20,6

Hoe hebben de beroepen van vrouwen dankzij de export zich ontwikkeld?

Tabel 3.3.4 laat zien hoe de werkgelegenheid voor vrouwen in verschillende beroepen zich heeft ontwikkeld en in welke mate diverse factoren hieraan hebben bijgedragen. De grootste absolute groei is te zien bij de bedrijfseconomische en administratieve beroepen, voornamelijk door de export van diensten, maar ook indirect via de export van Nederlandse producten en wederuitvoer. Relatief gezien kennen de ICT-beroepen de grootste toename: tussen 2015 en 2022 is het aantal voltijdbanen in ICT-beroepen voor vrouwen meer dan verdubbeld: van 14,6 duizend naar 29,5 duizend voltijdbanen. Net als bij mannen wordt deze groei sterk gedreven door de toenemende digitalisering van de Nederlandse economie en de sterke groei van de buitenlandse vraag naar onze ICT-diensten.

3.3.4Belangrijkste drijfveren van de verandering in de Nederlandse werkgelegenheid bij vrouwen door export, naar beroep, 2015–2022*
Ontwikkeling 2015–2022 Arbeids­intensiteit Productie­techniek Export Nederlands product Export van diensten Wederuitvoer
x 1 000 vte
Beroep
Pedagogische beroepen –2,1 –4,5 –0,4 0,8 1,7 0,3
Creatieve en taalkundige beroepen 3,2 –3,4 0,6 1,3 4,0 0,7
Commerciële beroepen 18,8 –6,3 1,2 7,2 11,9 4,7
Bedrijfs­economische en administratieve beroepen 50,7 –0,1 –3,8 15,6 31,0 8,0
Managers 17,5 8,2 0,4 2,2 5,5 1,2
Openbaar bestuur, veiligheid en juridische beroepen 7,5 4,5 0,1 1,0 1,4 0,4
Technische beroepen 23,8 13,1 –0,5 5,4 4,3 1,5
ICT beroepen 14,9 9,5 0,1 0,7 4,2 0,5
Agrarische beroepen –0,4 –0,9 –0,2 0,4 0,2 0,2
Zorg en welzijn beroepen 7,5 2,3 –0,9 2,1 3,2 0,9
Dienstverlenende beroepen 10,9 3,6 0,5 3,2 2,2 1,4
Transport en logistiek beroepen 5,2 1,4 –0,2 1,1 2,1 0,8
Overig –0,6 –0,9 –0,2 0,2 0,2 0,1
Totaal 157,0 26,6 –3,5 41,4 71,9 20,6

Forse toename bij technische beroepen voor vrouwen door de export

Vervolgens zien we een aanzienlijke groei bij technische beroepen (+23,8 duizend voltijdbanen; +49,1 procent). Opvallend is dat deze groei bij vrouwen door export wordt gedreven door een toegenomen arbeidsintensiteit, terwijl dit bij mannen een negatief effect had. In industriële sectoren zoals de machine-industrie, evenals in uitzendbureaus en de groothandel, blijkt de verandering in de arbeidsintensiteit een negatieve invloed te hebben op technische voltijdbanen voor mannen, terwijl het tegenovergestelde geldt voor vrouwen: De Nederlandse export heeft tussen 2015 en 2022 gezorgd voor meer technische voltijdbanen voor vrouwen, een beroepsgroep waar werknemers relatief goed betaald worden en waar vrouwen bijzonder ondervertegenwoordigd zijn ten opzichte van mannen (zie figuur 3.2.6). Dit suggereert dat vrouwen in het algemeen steeds meer profiteren van de export, mede dankzij de groei van technische beroepen voor vrouwen.

Ook andere beroepen kennen een hogere werkgelegenheid voor vrouwen

Een vergelijkbare patroon wat betreft een verhoogde arbeidsintensiteit vinden we bij managers, dienstverlenende beroepen, en transport en logistieke beroepen. Ook de verandering van de arbeidsintensiteit in de bedrijfseconomische en administratieve banen hebben geen significant negatief effect op de werkgelegenheid bij vrouwen, terwijl die bij de mannen wel een negatief invloed hebben. Ten slotte volgen commerciële beroepen een vergelijkbare ontwikkeling als bij mannen: automatisering en digitalisering in de dienstverlening hebben sterk bijgedragen aan de verminderde arbeidsintensiteit in deze beroepen.

3.4Kenmerken van banen die met de Nederlandse export samenhangen

In deze paragraaf analyseren we naast geslacht tegelijkertijd ook andere achtergrond­kenmerken van voltijdbanen die met de Nederlandse export samenhangen. We gaan specifiek in op de volgende drie kenmerken van werknemers en zelfstandigennoot6: dienstverband, opleidingsniveau en leeftijd. Voor elk van deze kenmerken geven we antwoord op de volgende vragen: wie werkt voor de export? Heeft iedereen evenveel baat bij de export (ten opzichte van de totale arbeidsvraag naar dezelfde groep werkenden)? Vervolgens splitsen we deze banen uit naar sectoren die betrokken zijn bij de export. Hierbij maken we een onderscheid tussen voltijdbanen die direct verbonden zijn aan exporterende bedrijven in deze sectoren en indirecte banen bij toeleveranciers, ook in andere sectoren, die aan deze bedrijven leveren.

Werkgelegenheid verbonden aan export naar type dienstverband

In paragraaf 3.2 werd al deels onderscheid gemaakt tussen werknemers en zelfstandigen, die samen de volledige werkgelegenheid in Nederland vertegenwoordigen. In 2022 waren er 8,1 miljoen voltijdbanen, waarvan bijna 2,6 miljoen werkzaam voor de export. Nu gaan we dieper in op deze twee groepen, waarbij we werknemers verder uitsplitsen naar werknemers met een vaste arbeidsrelatienoot7 en werknemers met een flexibele arbeidsrelatie.noot8

In 2022 waren er bijna 1,5 miljoen vte met een vaste arbeidsrelatie, 588 duizend vte met een flexibele arbeidsrelatie en 403 duizend vte van zelfstandigen die direct of indirect met de export samenhangen. Daarnaast waren er nog 105 duizend vte waarbij niet bekend was of het om een vaste of flexibele arbeidsrelatie ging. Het aantal voltijdbanen per dienstverband en geslacht wordt in figuur 3.4.1 voor de jaren 2015, 2019 en 2022 getoond. In alle soorten dienstverbanden is het aantal voltijdbanen toegenomen, maar voltijdbanen met een vaste arbeidsrelatie groeiden tussen 2015 en 2022 met 21 procent: meer dan het dubbele van de groei in voltijdbanen met een flexibele arbeidsrelatie (+9,6 procent) en zelfstandigen (+11,8 procent). Dat is in overeenstemming met de trend van een toenemend aandeel vaste voltijdbanen in de Nederlandse werkgelegenheid (CBS, 2024b). Zowel bij vrouwen (+31,8 procent) als bij mannen (+17,4 procent) zijn de voltijdbanen met een vaste arbeidsrelatie fors gegroeid. Het aantal voltijdbanen met een flexibele arbeidsrelatie groeide echter bij vrouwen (+24,9 procent) veel sneller dan bij mannen (+2,1 procent).

Gemiddeld is 37,8 procent van de voltijdbanen van mannen in Nederland gerelateerd aan de export. Mannen die voor de export werken, hebben daarbij vaker een vaste arbeidsrelatie (39,4 procent van alle werkende mannen met een vaste arbeidsrelatie) en zijn aanzienlijk minder vaak werkzaam als zelfstandige (31,3 procent). Bij vrouwen blijkt juist dat zij vaker met een flexibele arbeidsrelatie of als zelfstandige bij de export betrokken zijn. Vrouwen met een flexibele arbeidsrelatie of die als zelfstandige werken, hebben namelijk vaker een baan dankzij de export (respectievelijk 25,1 en 25,9 procent van alle voltijdbanen) dan gemiddeld (22,6 procent van alle voltijdbanen van vrouwen in Nederland is toe te schrijven aan export).

3.4.1 Werkgelegenheid verbonden aan export, naar geslacht en dienstverband (1 000 vte)
geslacht jaar Werknemer met vaste arbeidsrelatie Werknemer met flexibele arbeidsrelatie Zelfstandige Onbekend
Vrouwen 2022, Vrouwen 401,8 219,7 138,3 14,9
Vrouwen 2019, Vrouwen 348,0 225,3 138,9 12,6
Vrouwen 2015, Vrouwen 304,9 176 124,5 12,0
Mannen 2022, Mannen 1053,2 368,1 265,1 89,8
Mannen 2019, Mannen 959,8 423,9 257,5 77,4
Mannen 2015, Mannen 897,0 360,4 236,4 69,8

Tabel 3.4.2 laat zien hoe het aantal voltijdbanen die gerelateerd zijn aan de export in 2022 verdeeld zijn naar type dienstverband en exporterende sector.noot9

Bij de industriële export zijn mensen met een vaste arbeidsrelatie het meest vertegenwoordigd: 64 procent van alle voltijdbanen gerelateerd aan de export in de industrie bestaat uit vaste contracten. Binnen de dienstensector is er meer heterogeniteit tussen exporterende bedrijfstakken te zien. Zo heeft de financiële dienstverlening een hoog aandeel vaste arbeidsrelaties (61 procent), terwijl de zakelijke dienstverlening aanzienlijk minder vaste voltijdbanen kent (48 procent). In sectoren als handel, vervoer en horeca zijn er relatief meer flexibele voltijdbanen verbonden aan de export (26 procent).

37,4% van alle exportgerelateerde voltijdbanen met een flexibele arbeidsrelatie ingevuld door vrouwen in 2022

Vrouwen hebben vaker vaste contracten bij niet-exporteurs, en flexibele contracten bij exporteurs

Opvallend is dat vrouwen ten opzichte van mannen een hoger aandeel hadden in voltijdbanen met een flexibele arbeidsrelatie (37 procent) dan in voltijdbanen met een vaste arbeidsrelatie (28 procent) binnen de exportgerelateerde werkgelegenheid. Dit is deels te verklaren doordat meer mannen werkzaam zijn in de industriële sectoren, waar vaste contracten meer de norm zijn. Vrouwen werken daarentegen vaker in exportgerichte bedrijfstakken binnen de dienstensector, zoals de zakelijke dienstverlening, handel, vervoer en horeca – sectoren waar een hoger aandeel flexibele contracten gebruikelijk is, zie figuur 3.2.4. Een andere factor die deze verdeling beïnvloedt, is dat vrouwen veelal werkzaam zijn in sectoren als openbaar bestuur, onderwijs en gezondheidszorg – zo’n 70 procent van de totale werkgelegenheid van vrouwen in Nederland – waar vaste contracten gangbaar zijn, maar die grotendeels op het binnenland gericht zijn. Dit helpt verklaren waarom vrouwen binnen de waardeketen van de export relatief vaker een flexibele arbeidsrelatie hebben en een stuk minder vaak een vaste arbeidsrelatie, vooral vergeleken met de gemiddelde arbeidsvraag naar vrouwen.

Banen met een vaste arbeidsrelatie komen vaker voor bij bedrijven die zelf exporteren, terwijl banen met een flexibele arbeidsrelatie bij de meeste bedrijfstakken vaker indirect via toeleveranciers aan de export zijn gekoppeld. Zoals eerder opgemerkt in paragraaf 3.2, zijn vrouwen vaker indirect via de keten verbonden aan de export, met name via dienstverlenende banen (zoals administratieve beroepen), waar het vaak gaat om flexibele arbeidsrelaties.

3.4.2Werkgelegenheid verbonden aan export, naar dienstverband en sector, 2022*
Vaste arbeidsrelatie Flexibele arbeidsrelatie Zelfstandige
x 1 000 vte
Sector
Totaal 1 455 588 403
Industrie 532 186 93
Diensten 602 265 201
Overig 80 35 58
Landbouw, bosbouw, visserij 41 21 47
Delfstoffenwinning, energievoorziening, waterbedrijven, afvalbeheer 22 9 3
Voeding, textiel, hout, papier, drukkerijen, meubel, overige industrie 181 68 54
Raffinaderijen, chemie, kunststof, bouw­materialen, basismetaal, metaal­producten 171 54 22
Elektrotechniek, elektrische apparaten, machines, transportmiddelen 180 63 18
Bouw 17 5 8
Handel, vervoer, horeca 264 121 63
Informatie en communicatie 105 38 34
Financiële dienstverlening 24 7 4
Zakelijke dienstverlening, verhuur en handel van onroerend goed 190 91 89
Openbaar bestuur, onderwijs, gezondheids­zorg 12 4 2
Cultuur, recreatie, overige diensten 8 5 10

Werkgelegenheid verbonden aan export naar opleidingsniveau

In figuur 3.4.3 verdelen we de Nederlandse werkgelegenheid dankzij export naar geslacht en opleidingsniveau. Er worden drie opleidingsniveaus onderscheiden: basisonderwijs/vmbonoot10-niveau, mbo-niveau, en hbo/universitair geschoolden. Uit de figuur blijkt dat de meeste exportgerelateerde voltijdbanen worden ingevuld door mensen met een mbo-diploma (801 duizend banen; een stijging van 20,9 procent t.o.v. 2015), gevolgd door banen van mensen op hbo/wo-niveau, die sneller groeiden (695 duizend banen; een toename van 27,8 procent sinds 2015). Het aantal voltijdbanen van mensen met basisonderwijs/vmbo-niveau is aanzienlijk kleiner en groeide veel langzamer (287 duizend banen; een bescheiden stijging van 0,5 procent t.o.v. 2015). Er is ook een aanzienlijk deel van de beroepsbevolking waarvan het opleidingsniveau onbekend is (768 duizend banen in 2022). Dit heeft vooral te maken met migranten en oudere werknemers, waarvan het opleidingsniveau soms niet geregistreerd is.

Als we naar de verschillen tussen mannen en vrouwen kijken, zien we dat bij de mannen de groei in hbo/wo-banen tussen 2015 en 2022 veel sterker was (+26,8 procent) dan bij banen ingevuld door mensen op mbo-niveau (+18,3 procent). Bij vrouwen waren de groeicijfers voor deze twee opleidingsniveaus vergelijkbaar, met een toename van 29,7 en 27,9 procent voor respectievelijk hbo/wo- en mbo-niveau. Hoe hoger het opleidingsniveau, hoe groter het aandeel vrouwen in exportgerelateerde banen. In 2022 bestond 36,4 procent van de voltijdbanen ingevuld door hbo- en wo-opgeleiden uit vrouwen. Voor mbo-opgeleiden was dit aandeel lager, namelijk 28,7 procent, en nog lager bij mensen met alleen basisonderwijs of een vmbo-diploma, waar het aandeel van vrouwen 26,2 procent bedroeg.

3.4.3 Werkgelegenheid verbonden aan export, naar opleidingsniveau en geslacht (1 000 vte)
opleiding jaar Vrouwen Mannen
Hbo, wo 2022, Hbo, wo 253 442
Hbo, wo 2019, Hbo, wo 228 409
Hbo, wo 2015, Hbo, wo 195 349
Havo, vwo,
mbo2-4
2022, Havo, vwo,
mbo2-4
230 571
Havo, vwo,
mbo2-4
2019, Havo, vwo,
mbo2-4
225 549
Havo, vwo,
mbo2-4
2015, Havo, vwo,
mbo2-4
180 483
Basisonderwijs,
vmbo,
mbo1
2022, Basisonderwijs,
vmbo,
mbo1
75 212
Basisonderwijs,
vmbo,
mbo1
2019, Basisonderwijs,
vmbo,
mbo1
82 215
Basisonderwijs,
vmbo,
mbo1
2015, Basisonderwijs,
vmbo,
mbo1
77 196
Onbekend 2022, Onbekend 217 551
Onbekend 2019, Onbekend 190 545
Onbekend 2015, Onbekend 166 536

Wanneer we kijken naar het aandeel van exportgerelateerde banen binnen verschillende opleidingsniveaus in de totale arbeidsvraag (figuur 3.4.4), blijkt dat voltijdbanen op hbo- en wo-niveau (28 procent) iets minder vaak met export zijn verbonden dan voltijdbanen op mbo-niveau (30 procent) en basisonderwijs/vmbo-niveau (31 procent). De verschillen in deze aandelen zijn tussen 2015 en 2022 klein gebleven. Opmerkelijk is echter dat, onder werkende vrouwen met basisonderwijs of vmbo-diploma, het aandeel dat in exportgerelateerde banen werkt (donkergroen) enkele procentpunten hoger ligt dan bij vrouwen met hogere opleidingsniveaus.

3.4.4 Werkgelegenheid verbonden aan export, naar geslacht en opleidingsniveau, 2022* (%)
Opleidingsniveau Totaal Hbo, wo Havo, vwo, mbo 2-4 Basisonderwijs, vmbo, mbo 1 Onbekend
Totaal 31,3 28,2 30,2 31,3 36,4
Vrouwen 22,6 20,9 21,0 23,3 26,8
Mannen 37,8 35,2 36,7 35,8 42,4

Er zijn wel duidelijke verschillen per bedrijfstak en opleidingsniveau. In de dienstensector zijn bijvoorbeeld meer banen van hbo/wo-geschoolden (360 duizend vte) dan banen van mbo-geschoolden (339 duizend vte). Dit hoge aandeel van banen van hbo/wo-geschoolden in de dienstensector wordt gedreven door de export van de zakelijke dienstverlening, waar 38 procent van de voltijdbanen ingevuld worden door mensen op hbo/wo-niveau, zoals consultants of accountants, en door de sectoren informatie en communicatie (44 procent ingevuld door mensen met een hbo/wo-diploma, denk aan softwareontwikkelaars en data-analisten) en financiële dienstverlening (42 procent; denk aan risicomanagers en actuarissen).

In de industriële export zien we een ander patroon: hier zijn er juist meer voltijdbanen voor mensen met mbo-niveau (260 duizend vte) dan hbo/wo-geschoolden (205 duizend vte). Ook zien we dat er 19 duizend voltijdbanen voor mensen met basisonderwijs of een vmbo-niveau minder zijn in de industriële export vergeleken met de export van de dienstensector. Zoals aangetoond in paragraaf 3.2, zorgt de industrie daarnaast voor veel voltijdbanen elders in de keten, bijvoorbeeld via uitzendbureaus, terwijl bij diensten de banen meer rechtstreeks verbonden zijn aan de export. Dat kan de positieve correlatie verklaren tussen opleidingsniveau en het aandeel banen dat direct met de export samenhangt; 46 procent van de hbo/wo-geschoolde werkenden hadden in 2022 een voltijdbaan die direct gerelateerd is aan de export, tegenover 43 en 39 procent van respectievelijk de mensen met mbo- en basisonderwijs/vmbo-niveau.

In de sector ‘overig’, die met name de landbouw omvat, zijn mensen met een mbo-niveau oververtegenwoordigd bij de export. Van de voltijdbanen van mensen op mbo-niveau is in deze sector 61 procent direct verbonden aan de export, en in de landbouwsector is het aandeel mbo zelfs 70 procent.

Werkgelegenheid verbonden aan export naar leeftijd

In figuur 3.4.5 wordt de Nederlandse werkgelegenheid door de export onderverdeeld naar geslacht en zes leeftijdscategorieën. Opvallend is dat voor zowel mannen als vrouwen de werkgelegenheid voor de jongste (15–35 jaar) en oudste (55+ jaar) groepen aanzienlijk gestegen is met ongeveer 40 procent tussen 2015 en 2022, terwijl het aantal banen voor de middelste leeftijdscategorieën (35–55 jaar) vrijwel stabiel is gebleven. Bij oudere werknemers komt dit door de hogere pensioenleeftijd en de ervaring en expertise die ze kunnen bieden in exportgerichte bedrijven. Bij jongere werknemers komt dit door de verschuiving gaande van traditionele industrieën naar dienstensectoren die meer gericht zijn op export, zoals IT, consultancy, en logistieke diensten. Deze sectoren zijn voor jongere werknemers aantrekkelijk omdat ze naar verhouding beter opgeleid zijn, beter uitgerust zijn met digitale vaardigheden en kennis hebben van nieuwe technologieën. Daarnaast hebben jongere werknemers vaak lagere loonkosten en worden ze vaker aangenomen op flexibele contracten, wat aantrekkelijk kan zijn voor bedrijven die actief zijn in exportsectoren die met wisselende internationale vraag te maken hebben. Interessant is dat het aandeel vrouwen in exportgerelateerde banen afneemt naarmate de leeftijdscategorie ouder wordt: bij de jongste groep (15–25 jaar) is 37 procent van de exportgerelateerde banen van vrouwen, maar dit aandeel daalt naar 30 procent voor de groep van 35–55 jaar en verder naar 19 procent voor de oudste leeftijdsgroep (65+).

3.4.5 Werkgelegenheid verbonden aan export, naar leeftijd en geslacht (dzd vte)
Leeftijd/ jaar Vrouwen Mannen
15-25 . .
2022 90 155
2015 66 124
25-35 . .
2022 201 392
2015 149 330
35-45 . .
2022 164 381
2015 151 366
45-55 . .
2022 180 412
2015 160 441
55-65 . .
2022 124 370
2015 86 274
65-plus . .
2022 15 66
2015 6 30

Als we kijken naar de exportafhankelijkheid per leeftijdsgroep, dan zijn de verschillen bescheiden. De jongste en oudste groepen zijn in het algemeen minder exportafhankelijk, omdat zij vaker in de dienstverlening werkzaam zijn – en in niet exportgerichte bedrijfstakken zoals de horeca en in de quartaire sector – wat met name zichtbaar is bij de vrouwen.

De gemiddelde oudere persoon die voor de export werkt, is naar verhouding vaker werkzaam bij de industriële sector en direct bij exporterende bedrijven. Jongeren tussen de 15 en 35 jaar hebben daarentegen een groter aandeel in exportgerelateerde banen binnen de dienstensector, waarbij 35 procent van alle exportgerelateerde banen in de dienstensector door jongeren wordt vervuld, tegenover 26 procent in de industrie. Banen van mensen in de leeftijdsgroep 15–35 jaar zijn bovengemiddeld vertegenwoordigd in de export van informatie en communicatie (39 procent) en in cultuur, recreatie en overige diensten (38 procent). Jongeren hebben vaker banen in de dienstensector en werken daardoor vaker bij toeleverende bedrijven, wat resulteert in een kleiner aandeel in banen die direct voortvloeien uit export (40 procent) vergeleken met mensen van 35 jaar en ouder, waarbij 45 à 46 procent direct aan de export is gekoppeld. Oudere werknemers en zelfstandigen zijn juist vaker actief in de industrie voor de export en hebben daardoor een groter aandeel in banen die direct verbonden zijn aan de export.

Werkenden van middelbare leeftijd (35–55 jaar) zijn relatief evenredig verdeeld over de verschillende exporterende sectoren, met het hoogste aandeel (49 procent) in de financiële dienstverlening. Personen ouder dan 55 jaar zijn iets meer betrokken bij de export in de landbouw, bosbouw en visserij (28 procent) en juist minder in informatie en communicatie (15 procent).

3.5Samenvatting en conclusie

In dit hoofdstuk hebben we eerst de vertegenwoordiging van de geslachten in exportgerelateerde banen en in verschillende exportstromen geanalyseerd. In 2022 werd 42,2 procent van de voltijdbanen in Nederland ingevuld door vrouwen, vergeleken met 30,4 procent van aan de export verbonden voltijdbanen. Dit impliceert een kloof tussen de geslachten van 11,8 procentpunten en komt doordat vrouwen vaker werken in bedrijfstakken die minder export gerelateerd zijn.

Vrouwen werken vooral indirect voor de export, vaak in dienstverlenende sectoren. Mannen domineren vooral bij technische beroepen en in de industrie. Een uitzondering hierop is de export van reisverkeer – denk bijvoorbeeld aan toerisme – waar een relatief hoger aandeel vrouwen betrokken is en dan vooral direct bij exporterende bedrijven. Daarnaast ontvingen vrouwen in 2022 38 procent van de totale loonsom verbonden aan exportgerelateerde banen van werknemers, terwijl het aandeel vrouwelijke voltijdbanen in de totale economie 42,9 procent bedroeg. Exportgerelateerde banen van vrouwen worden gemiddeld niet beter betaald dan andere banen van vrouwen in de gehele economie. Vrouwen ontvangen wel een loonpremie bij de directe export van exporterende bedrijven. Echter, vrouwen die werkzaam zijn bij toeleveranciers van exporteurs verdienen gemiddeld minder dan vrouwen die voor niet-exporteurs werken, zoals in de zorg of overheid.

We hebben vervolgens de werkgelegenheidsontwikkeling voor mannen en vrouwen nader onderzocht en gekeken naar de specifieke factoren die veranderingen in de werkgelegenheid door de export beïnvloeden. Hierbij is bijvoorbeeld onderzocht of de groei in werkgelegenheid bij mannen en vrouwen vooral te danken is aan een toenemende vraag naar Nederlandse producten in het buitenland, of dat veranderingen in productietechniek deze groei hebben bevorderd. Daarnaast hebben we de ontwikkeling van specifieke beroepen voor zowel mannen als vrouwen geanalyseerd en onderzocht welke factoren bijdragen aan de groei van deze beroepen door export. Uit het onderzoek blijkt dat de sterke toename van de export de belangrijkste drijfveer is achter de werkgelegenheidsgroei voor zowel mannen als vrouwen. Voor mannen is de export van zowel goederen als diensten een belangrijke motor achter de werkgelegenheidsgroei, terwijl voor vrouwen met name de export van diensten de grootste drijvende kracht is. Er lijken in de afgelopen jaren inspanningen te zijn geleverd om de participatie van vrouwen in exportgerelateerde beroepen te vergroten, wat blijkt uit het positieve effect van de verandering van arbeidsintensiteit van vrouwen op de werkgelegenheid in diverse beroepen, waaronder ICT-beroepen (meer dan een verdubbeling tussen 2015 en 2022), technische beroepen (meer dan 50 procent groei), managementfuncties, transport en logistieke beroepen en overige dienstverlenende beroepen. Daarentegen heeft de verandering van arbeidsintensiteit van mannen over de jaren heen in bijna alle beroepen een negatief effect gehad op hun werkgelegenheid, met uitzondering van de ICT-beroepen.

Deze bevindingen suggereren dat het vanuit beleidsmatig oogpunt belangrijk is om eerst te begrijpen naar welke beroepen of vaardigheden van de Nederlandse arbeidsmarkt in het buitenland veel vraag naar is, omdat deze beroepen kansen bieden om werkgelegenheid verder te stimuleren voor zowel mannen als vrouwen. Dit zou ook kunnen impliceren dat het momenteel zinvol zou zijn om te investeren in de juiste vaardigheden, zoals digitale en technische vaardigheden, en om de groei van beroepen waar veel vraag naar is, zoals ICT- en technische beroepen, te stimuleren. Dit stelt Nederland in staat om beter in te spelen op de behoeften van buitenlandse markten en te profiteren van economische groei elders. Daarnaast, in een tijd van verregaande digitalisering, is het nuttig om de mogelijkheid te bieden om de nodige vaardigheden te leren, bijvoorbeeld via omscholing of door beleidsinstrumenten in te zetten die de juiste opleiding stimuleren. Het UWV signaleert bijvoorbeeld dat er in Nederland al een aantal jaar een groot tekort is aan ICT- en technische beroepen (UWV, 2023b; 2023c). Zo worden technische beroepen binnen de industrie momenteel vaak ingevuld door een vergrijzende groep, terwijl de sector tegelijkertijd moeite heeft om deze posities met jongere werkenden in te vullen (UWV, 2023c).

3.6Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Arto, I., & Dietzenbacher, E. (2014). Drivers of the growth in global greenhouse gas emissionsEnvironmental science & technology48(10), 5388–5394.

Boutorat, A., van Gessel-Dabekaussen, G., Lemmers, O., Ramaekers, P., Voncken, R., de Vries, J., & Wong, K.F. (2018). Werkgelegenheid in het kort. In M. Jaarsma & R. Voncken (Reds.), Internationaliseringsmonitor 2018, tweede kwartaal: Werkgelegenheid. Centraal Bureau voor de Statistiek.

Bøler, E. A., Javorcik, B., & Ulltveit-Moe, K. H. (2018). Working across Time Zones: Exporters and the Gender Wage Gap. Journal of International Economics, 111, 122–133.

CBS (2023a). ICT, kennis en economie 2023. Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2023b, 16 november). Verdiensten en arbeidsvolume; uitvoerstromen. [Dataset]. Centraal Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd op 4 september 2024.

CBS (2024a, 21 februari). Verdiensten aan machine-export meer dan verdubbeld sinds 2015. Centraal Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd op 4 september 2024.

CBS (2024b, 15 mei). Minder flexibele en meer vaste werknemers. Centraal Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd op 4 september 2024.

Europese Commissie (2020). Een Unie van gelijkheid: strategie voor gendergelijkheid 2020–2025. Europese Comissie.

Hebbink, G., & Öztürk, B. (2023). De bijdrage van winsten en lonen aan de Nederlandse inflatie. De Nederlandsche Bank.

Kutlina-Dimitrova, Z., & Rueda-Cantuche, J. M. (2021). More important than ever: employment content of extra-EU exports. Chief Economist Note. Europeese Commissie: DG Trade.

Kutlina-Dimitrova, Z., Piñero, P., & Rueda-Cantuche, J. M. (2022). Gender patterns of EU exports: jobs and wage differentials. Chief Economist Note. Europeese Commissie: DG Trade.

Los, B., de Vries, G., & Ye, X. (2023). Quantifying the impact of international fragmentation of production on gender equality. Gini-Research working paper 4 Globalisation: Impact on skills and inequality.

Miller, R. E., & Blair, P. D. (2009). Input–Output Analysis: Foundations and Extensions (2e ed.). Cambridge University Press.

Pechansky, R.C., Yamano, N., & Horvát, P. (2023). Measuring labour force participation in Global Value Chains by gender: who depends on whom? Alghero: 29th International Input-Output Association Conference.

Pieters, J. (2018). Trade Liberalization and Gender Inequality: Can free-trade policies help to reduce gender inequalities in employment and wages? IZA World of Labor, 114.

Polder, M., Limpens, D., Vancauteren, M., & Visser, C. (2023). Digitalisering bij bedrijven en de relatie met export, productiviteit en werkgelegenheid. In S. Creemers & R. Voncken (Reds.), Internationaliseringsmonitor 2023, derde editie: Digitalisering. Centraal Bureau voor de Statistiek.

Prenen, L., & Rooyakkers, J. (2023). Nederlandse verdiensten aan de export. In S. Creemers, M. & D. Herbers (Reds.), Nederland Handelsland 2023: Export, import & investeringen. Centraal Bureau voor de Statistiek.

Prenen, L., Rooyakkers, J., & Notten, T. (2024). Nederlandse verdiensten aan de export. In S. Creemers, M. Houben- van Herten & R. Voncken (Reds.), Nederland Handelsland 2024: Export, import & investeringen. Centraal Bureau voor de Statistiek.

UNCTAD (2024). The data-informed path to bridging the gender gap in trade. United Nations Conference on Trade and Development. Geraadpleegd op 4 september 2024.

UWV (2021, 20 mei). Baankansen variëren voor economisch-administratieve beroepen. Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen. Geraadpleegd op 4 september 2024.

UWV (2023a). Industrie in beeld. Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.

UWV (2023b, 10 augustus). Personeelstekort in ICT blijft, ondanks toename aantal ICT’ers. Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen. Geraadpleegd op 4 september 2024.

UWV (2023c, 5 december). Aantal banen in industrie daalt, krapte arbeidsmarkt blijft. Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen. Geraadpleegd op 4 september 2024.

Noten

De resultaten van de berekeningen op basis van data uit de Enquête Beroepsbevolking die in dit hoofdstuk worden getoond, zijn deels afkomstig uit het door de EU gefinancierde project 101102088 — 2022-NL-MDE-TEC. The results presented in this chapter are partly based on project 101102088 — 2022-NL-MDE-TEC, which is financed by the European Union.

Er is geen data beschikbaar over beloningen van zelfstandigen. Daarom wordt in de analyse van lonen alleen de beloningen van werknemers geanalyseerd.

De loonpremie bestaat uit twee ratio’s die op elkaar gedeeld worden: (1) de ratio van de exportgerelateerde beloning van werknemers en het aantal exportgerelateerde banen van werknemers, en (2) de ratio van de beloning van werknemers in de totale economie en het aantal voltijdbanen van werknemers in de totale economie (Kutlina-Dimitrova et al., 2022).

De totale loonpremie is geen gewogen gemiddelde van de loonpremie van mannen en vrouwen, omdat het berekenen van de loonpremie berust op een deling van twee ratio’s. Wiskundig gezien komt het gewogen gemiddelde van twee verhoudingsverdelingen in dit geval niet overeen met de totale loonpremie (Kutlina-Dimitrova et al., 2022).

De cijfers in deze paragraaf zijn berekend met behulp van input-outputtabellen voor de jaren 2015 tot en met 2022, in prijzen van voorgaande jaren. Hierdoor kunnen de cijfers in deze paragraaf enigszins afwijken van de cijfers in andere paragrafen van dit hoofdstuk, die zijn gebaseerd op input-outputtabellen in lopende prijzen. De berekeningen worden steeds uitgevoerd voor twee opeenvolgende jaren. Door de decomposities van de jaar-op-jaar veranderingen na elkaar te analyseren, kan de invloed van een factor over de tijd worden gevolgd.

Personen die als eigenaar of mede-eigenaar werkzaam zijn in een onderneming zonder rechtspersoonlijkheid die niet als quasi-vennootschap wordt beschouwd. Dat zijn min of meer personen die hun eigen baas zijn.

Een werknemer met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd én een vast aantal uren per week.

Een werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en/óf een flexibel aantal uren per week.

Werknemers waarvan het dienstverband onbekend is, worden niet in de tabel getoond maar werken vooral in de dienstensector (handel, vervoer, horeca, zakelijke dienstverlening en onroerend goed).

Onder deze categorie vallen ook personen met een mbo1-diploma.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Timon Bohn

Dennis Dahlmans

Loe Franssen

Yvette Kessels

Robin Konietzny

Dio Limpens

Tom Notten

Tim Peeters

Leen Prenen

Janneke Rooyakkers

Mark Vancauteren

Christiaan Visser

Stef Weijers

Khee Fung Wong

Redactie

Marjolijn Jaarsma

Janneke Rooyakkers

Eindredactie

Marjolijn Jaarsma

Janneke Rooyakkers

Dankwoord

We danken de volgende personen voor hun constructieve bijdrage aan deze editie van de Internationaliseringsmonitor:

Marcel van den Berg

Marieke Houben-van Herten

Angie Mounir

Roger Voncken

CBS CCN Logistiek

CBS CCN Redactie en Visualisatie

CBS Vertaalbureau