Werkgelegenheid in het kort

De wereld is de afgelopen decennia ‘kleiner’ geworden. Zo zijn we dankzij het internet in een mum van tijd op de hoogte van gebeurtenissen aan de andere kant van de wereld, maken we steeds vaker verre reizen, en worden productieprocessen steeds vaker opgeknipt en verspreid over de wereld. Deze toenemende mondiale verwevenheid heeft ook gevolgen voor de Nederlandse werkgelegenheid. Dit hoofdstuk bespreekt een aantal aspecten hiervan. Wat zijn de kenmerken van mensen die bij internationaal georiënteerde bedrijven werkzaam zijn? Zijn vrouwen of mannen afhankelijker van de export? Wat zijn de karakteristieken van de kenniswerkers die naar ons land komen? En welke internationale alumni van Nederlandse universiteiten richten de meeste bedrijven in Nederland op?

1.1Werkgelegenheid bij internationaal georiënteerde bedrijven

Bedrijven met internationale handel in goederen zijn een belangrijke werkgever in Nederland. Van de bijna 4,9 miljoen banen in de Nederlandse business economy – ofwel het Nederlandse bedrijfsleven, zie begrippenlijst – die Nederland in 2015 telde, waren er bijna 3,1 miljoen bij bedrijven met internationale handel in goederen.noot1 De zeggenschapstructuur van een bedrijf kan ook iets zeggen over de mate van internationale oriëntatie. Als een bedrijf in Nederland onder zeggenschap staat van een buitenlands bedrijf, dan is dit bedrijf onderdeel van een buitenlandse multinational. Ook zulke bedrijven, die door hun zeggenschapstructuur en aansturing direct met het buitenland verbonden zijn, zijn goed voor een flink aantal banen in Nederland. In 2015 ging het om bijna 1 miljoen banen.

In deze paragraaf worden de belangrijkste kenmerken van de werkgelegenheid bij verschillende typen internationaal en nationaal actieve bedrijven in de business economy beschreven. Dit vormt een opstapje voor de rest van de publicatie en zet direct een aantal kengetallen over werkgelegenheid en internationalisering in perspectief. In deze paragraaf zal de ontwikkeling van het aantal banen, de verdeling van het aantal banen naar geslacht, type contract, opleidingsniveau, nationaliteit en salaris van werknemers bij verschillende typen bedrijven in de business economy de revue passeren.

Foto omschrijving: Jongeren lopen met lege bierkratjes over een brug.

30% regeling vaak gebruikt door jonge mannen
4,5% van Duitse wo-alumni richt bedrijf op in Nederland

Toename aantal banen bij bedrijven in buitenlandse handen

In 2015 waren er in Nederland 956 duizend banen bij bedrijven waarvan de zeggenschap in het buitenland lag. Dat is een toename ten opzichte van 2008, toen er 839 duizend banen bij bedrijven in buitenlandse handen waren. Het aantal banen bij bedrijven in Nederlandse handen bedroeg in 2015 3,9 miljoen. Dit is lager dan in 2008 toen er bijna 4,2 miljoen banen bij bedrijven in Nederlandse handen waren.noot2

Meerderheid banen bij bedrijven die internationaal handelen

In figuur 1.1.2 worden de kenmerken zeggenschap en internationale handel in goederen gecombineerd. In 2015 was bij bedrijven in Nederlandse handen bijna één op de drie banen bij bedrijven die zowel goederen importeren als exporteren (two-way traders). Bij bedrijven in buitenlandse handen gold dat voor bijna twee op de drie banen, zie figuur 1.1.2. De aandelen banen in enkel importerende en enkel exporterende bedrijven verschilden niet zoveel tussen bedrijven in Nederlandse en die in buitenlandse handen. Het aandeel banen in bedrijven die niet aan internationale goederenhandel deden was onder bedrijven in Nederlandse handen hoger dan onder bedrijven in buitenlandse handen (43,3 versus 11,5 procent). In totaal zijn ruim zes op de tien banen in de business economy  bij bedrijven die internationaal goederen verhandelen.

Mannen enigszins oververtegenwoordigd in internationaal georiënteerde bedrijven

Zowel bij bedrijven met internationale goederenhandel als bij bedrijven onder buitenlandse zeggenschap werken meer mannen dan bij bedrijven onder Nederlandse zeggenschap of bedrijven zonder internationale handel. Bij bedrijven onder buitenlandse zeggenschap werd in 2015 een iets groter deel van de banen door een man vervuld dan bij bedrijven onder Nederlandse zeggenschap (65,0 versus 62,6 procent). Van de werknemers bij bedrijven die niet internationaal handelden was 58,7 procent man, terwijl het aandeel mannen bij bedrijven die zowel goederen importeren als exporteren 68,8 procent was. Het percentage mannen bij bedrijven die enkel importeren lag met 59,8 procent dicht tegen het percentage mannen van niet internationaal handelende bedrijven, terwijl het percentage bij alleen exporterende bedrijven (68,3 procent) dicht bij dat van importerende en exporterende bedrijven lag.

Bij bedrijven in Nederlandse handen relatief veel Polen aan het werk

Bijna één op de tien werknemers bij bedrijven onder buitenlandse zeggenschap had in 2015 geen Nederlandse nationaliteit, zie figuur 1.1.4. Bij bedrijven in Nederlandse handen was dat ruim één op de dertien. Bij bedrijven in buitenlandse handen werken relatief veel Duitsers (1,2 procent), Belgen (0,7 procent), Britten (0,7 procent) en Indiërs (0,5 procent). Polen zijn meer vertegenwoordigd bij bedrijven onder Nederlandse zeggenschap (3,2 procent) dan bij bedrijven onder buitenlandse zeggenschap (1,7 procent). Ruim één op de tien werknemers van bedrijven zonder internationale handel in goederen heeft geen Nederlandse nationaliteit. Bij bedrijven die niet internationaal handelen en bij bedrijven die wel exporteren, maar niet importeren werken relatief veel Polen (respectievelijk 4,7 en 4,3 procent).

Relatief veel laagopgeleiden bij bedrijven in Nederlandse handen

Bij bedrijven onder buitenlandse zeggenschap werkten in 2014 minder laagopgeleiden dan bij bedrijven in Nederlandse handen (22,4 versus 30,3 procent) en meer hoogopgeleiden (28,5 versus 20,5 procent). Het aandeel middelbaar opgeleiden is zowel bij bedrijven in Nederlandse handen als bij bedrijven in buitenlandse handen 49,2 procentnoot3. Bij bedrijven met export werken iets minder laagopgeleiden en iets meer hoogopgeleiden dan bij bedrijven die niet exporteren.

Minder tijdelijke contracten bij buitenlandse bedrijven en two-way traders

Banen bij internationaal georiënteerde bedrijven zijn over het algemeen minder vaak tijdelijk dan banen bij bedrijven die meer op de Nederlandse markt zijn gericht. Bij bedrijven in buitenlandse handen was in 2015 28,5 procent van de banen op basis van een contract voor bepaalde tijd tegen 41,7 procent van de banen bij bedrijven in Nederlandse handen. Bedrijven die zowel importeren als exporteren geven hun werknemers minder vaak een tijdelijk contract dan bedrijven die niet internationaal handelen in goederen (25,8 versus 49,5 procent). Bij bedrijven die enkel importeren of enkel exporteren is het aandeel tijdelijke contracten iets lager dan bij bedrijven die niet aan internationale handel doen (respectievelijk 43,9 en 43,2 procent), maar hoger dan bij bedrijven die zowel importeren als exporteren.

28,5% van de banen bij bedrijven in buitenlandse handen was in 2015 tijdelijk, tegen 41,7% bij bedrijven in Nederlandse handen.

Buitenvorm Binnenvorm

Hogere lonen bij internationaal georiënteerde bedrijven

Bij buitenlandse bedrijven en two-way traders zijn hoogbetaalde banen oververtegenwoordigd. Bij bedrijven in buitenlandse handen was in 2015 bijna een derde van de banen hoogbetaald, tegen ruim één van de zeven bij bedrijven in Nederlandse handen. Met name het aandeel laagbetaalde banen is fors hoger bij Nederlandse bedrijven. Verder ontvangt ruim een kwart van de werknemers bij bedrijven die zowel importeren als exporteren een hoog loon, terwijl bij bedrijven die niet internationaal handelen ruim één op de negen werknemers een hoog loon krijgt uitbetaald.

1.2Vrouwen minder afhankelijk van export dan mannen

Voor het eerst sinds de industriële revolutie is de mondiale economische ongelijkheid tussen landen afgenomen. Tegelijkertijd neemt de ongelijkheid binnen landen vrijwel overal toe (Ministerie van Buitenlandse Zaken, 2018). Globalisering draagt daar mede aan bij. Met name 'de middenklasse' en vrouwen lijken hier de meeste nadelen van te ondervinden. In de afgelopen jaren is er meer en meer aandacht ontstaan voor de relatie tussen internationale handel en gendergelijkheid (Sever & Narayanaswamy, 2006; UNCTAD, 2018; von Hagen, 2014; WTO, 2018; Zarrilli, 2017). Deze literatuur focust echter met name op ontwikkelingslanden. In deze paragraaf onderzoeken we de afhankelijkheid van mannen en vrouwen van goederen- en dienstenexport in Nederland.

2,1 miljoen vte dankzij de export

De export van goederen en diensten zorgde in 2016 voor een werkgelegenheid van naar schatting 2,1 miljoen arbeidsjaren (vte) in Nederland. Dat komt overeen met circa 30 procent van de totale werkgelegenheid in ons land. Anders dan in paragraaf 1.1, betreffen dit zowel voltijdsbanen die direct betrokken zijn bij de export van goederen en diensten, maar ook banen die op indirecte wijze betrokken zijn bij de export doordat men toeleverancier is van exporteurs. De export van goederen van Nederlandse makelij was in 2016 goed voor 1.079 duizend vte aan werkgelegenheid, gevolgd door de uitvoer van diensten (691 duizend vte), de wederuitvoer van goederen (253 duizend vte) en het reisverkeer (119 duizend vte).

36% van de mannelijke werkgelegenheid door export, 21 procent bij de vrouwen

Buitenvorm Binnenvorm

Meer mannen dan vrouwen danken hun werk aan export

Uit figuur 1.2.1 blijkt dat de werkgelegenheid gecreëerd door de Nederlandse export van goederen en diensten niet evenredig is verdeeld over mannen en vrouwen. Bij de mannen is ruim 1 op de 3 vte te danken aan de export. Bij de vrouwen is ruim 1 op de 5 vte toe te schrijven aan de export. Op basis van deze cijfers lijken mannen – wat betreft hun werkgelegenheid – dus afhankelijker van het buitenland dan vrouwen.  Dat is positief voor de mannen in economisch gunstige tijden, of wanneer de economische groei in het buitenland groter is dan in Nederland. Maar bij economische tegenspoed – denk bijvoorbeeld aan de economische crisis van een aantal jaar geleden – heeft ook dit grotere gevolgen voor de mannelijke werkgelegenheid dan voor de vrouwelijke.  Deze man-vrouw verhouding is niet uniek voor Nederland. Ook in andere Europese landen hebben mannen relatief vaker hun werk te danken aan de export van goederen en diensten (Fortanier, 2018).

Vrouwen oververtegenwoordigd in quartaire sector

Mannen zijn – zowel in absolute termen als in relatieve termen – dus vaker afhankelijk van de export dan vrouwen. Figuur 1.2.2 geeft een belangrijke verklaring voor dit verschil. Vrouwen zijn – ten opzichte van mannen – relatief vaker werkzaam in de quartaire sector; de niet-commerciële dienstverlening. Tot deze sector behoren de overheidsdiensten en door de overheid gefinancierde diensten.  Denk hierbij bijvoorbeeld aan ziekenhuizen, verpleeghuizen, scholen, maatschappelijke dienstverleners en culturele en recreatieve organisaties. Deze bedrijfstakken hebben zelden een winstoogmerk en zijn niet of nauwelijks betrokken bij het exporteren van goederen en diensten. Dit in tegenstelling tot de industriële bedrijven en handelaren, of bedrijven actief in de vervoer-, informatie- en communicatiebranche en zakelijke dienstverlening. Dit zijn juist de bedrijfstakken die naar verhouding vaak exporteren en tevens de bedrijfstakken waarin de mannen oververtegenwoordigd zijn. De industrie is daarvan een goed voorbeeld: van de in totaal 699 duizend vte’s die binnen de industrie werkzaam zijn, zijn zo’n 373 duizend mannelijke vte’s toe te schrijven aan de export, tegenover 78 duizend vte’s voor vrouwen in de industriële sector.

Input-output analyse

De werkgelegenheid die gecreëerd wordt door export is berekend door middel van input-outputanalyse en is gebaseerd op input-outputtabellen en de arbeidsrekeningen van Nationale Rekeningen van het CBS. Volgens deze methode is het ook mogelijk om andere uitsplitsingen te maken dan de man-vrouw verdeling. Denk bijvoorbeeld aan jong versus oud, wel of geen migratieachtergrond, hoog of laag opgeleid, of de onderverdeling van flexibele of vaste banen.

1.3Kenniswerkers uit het buitenland vooral bij grote en internationaal actieve bedrijven

Voor een aantrekkelijk en competitief vestigingsklimaat is het belangrijk dat bedrijven de mogelijkheid hebben om geschikte en deskundige werknemers aan te trekken. Niet altijd zijn deze werknemers in Nederland in voldoende mate te vinden. Bijvoorbeeld bij beroepen als IT’ers en technici, of op het vlak van internationale ervaring is de vraag soms groter dan het aanbod.

Met de 30%-regeling – zie infokader – maakt de Nederlandse overheid het voor werkgevers makkelijker om werknemers uit het buitenland aan te trekken met een specifieke deskundigheid die in Nederland niet of schaars aanwezig is. In deze paragraaf wordt onderzocht wie gebruik maakt van deze regeling en bij welk type bedrijven ze werken. Het geeft een indicatie van de buitenlandse kenniswerkers, die in Nederland aan het werk zijn. Dit onderzoek richt zich enkel op de werknemers die gebruik maken van de 30%-regeling.noot4 Dit betreffen overwegend hoogopgeleide buitenlanders (Dialogic, 2017). In Nederland werken meer werknemers die uit het buitenland komen, zie paragraaf 1.1. De meesten komen echter niet in aanmerking voor de 30%-regeling, omdat ze voor een lager loon werken dan voor de 30%-regeling vereist is.

30%-regeling

De Nederlandse overheid heeft een regeling in het leven geroepen, die het voor werkgevers makkelijker maakt om werknemers uit het buitenland aan te trekken. Deze 30%-regeling – ook wel bekend als ‘expatregeling’ (VNO-NCW, 2018) – is een fiscale regeling voor werknemers uit het buitenland. De regeling geeft werkgevers in Nederland de mogelijkheid om een deel van het salaris – maximaal 30 procent – belastingvrij te vergoeden aan werknemers in het buitenland die tijdelijk in Nederland komen werken. Dit zijn over het algemeen buitenlandse werknemers, maar dit kunnen ook Nederlanders zijn die in het buitenland wonen en tijdelijk in Nederland komen werken. De vergoeding is bedoeld om tegemoet te komen aan de extra kosten die deze werknemers maken om in ons land te kunnen werken. Denk hierbij aan reiskosten, kosten voor huisvesting en schoolgelden voor een internationale school (Belastingdienst, 2018; Dialogic, 2017). Een voorwaarde voor het afgeven van een beschikking door de belastingdienst is dat de werknemer over een specifieke deskundigheid beschikt, die niet of nauwelijks te vinden is op de Nederlandse arbeidsmarkt. Dat wordt afgemeten aan de hoogte van het salaris. Wetenschappers aan aangewezen onderzoeksinstellingen hoeven niet aan een salariseis te voldoen. De regeling geldt niet voor werknemers die, voordat ze naar Nederland kwamen, binnen 150 km van de Nederlandse grens hebben gewoond.

In april 2018 kondigde het kabinet aan de duur van de 30%-regeling per 1 januari 2019 te verkorten van acht jaar naar vijf jaar (Rijksoverheid, 2018).

Jonge mannen maken vaak gebruik van de 30%-regeling

In 2016 hebben ruim 62,5 duizend werknemers uit het buitenland gebruik gemaakt van de 30%-regeling. In de afgelopen jaren is dat aantal gestaag toegenomen. In 2009 waren dat nog geen 40 duizend (Dialogic, 2017). Van de gebruikers van de 30%-regeling is meer dan de helft jonger dan 35 jaar en is driekwart een man. Ze zijn afkomstig uit de hele wereld, maar een grote groep van bijna tienduizend personen bestaat uit Indiërs. Andere landen waar veel werknemers vandaan komen zijn het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en Italië, zie figuur 1.3.1. Ook Duitsland staat in de top tien. Maar omdat de 30%-regeling alleen wordt toegekend aan de werknemers die minstens 150 km van de Nederlandse grens wonen, komen niet alle Duitse kenniswerkers in Nederland in aanmerking voor de regeling. Hetzelfde geldt overigens voor de Belgen.

Amsterdam trekt meeste kenniswerkers uit het buitenland

De werknemers met de 30%-regeling wonen het vaakst in of rond Amsterdam. Een derde van deze groep kenniswerkers was in 2016 woonachtig in de regio Groot-Amsterdam. Ook in de regio’s rond Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Eindhoven wonen er veel. In totaal woont 60 procent van hen in een van deze vijf regio’s. Gecorrigeerd voor het totaal aantal werknemers dat in deze regio’s woont, springt Groot-Amsterdam er nog steeds uit. Van alle werknemers die in Groot-Amsterdam wonen, maakt 3,9% gebruik van de 30%-regeling. Andere regio’s met een relatief groot aandeel 30%-werknemers zijn Agglomeratie ‘s-Gravenhage, Agglomeratie Haarlem, Delft en Westland en Zuidoost-Noord-Brabant.

Veel kenniswerkers actief in de IT-sector

De gebruikers van de 30%-regeling werken vooral in krapteberoepen. Naast vakspecifieke kennis en vaardigheden beschikken deze groep werknemers vaak over bedrijf-, cultuur- of taalspecifieke kennis en vaardigheden waar in Nederland een tekort aan is (Snel, 2018). Uit figuur 1.3.3 blijkt dat de helft van alle werknemers met een 30%-regeling werkzaam is in een van de volgende vier bedrijfstakken: IT-dienstverlening (softwareontwikkeling, adviesbureaus op het gebied van IT) , groothandel en handelsbemiddeling (voorbeelden zijn: groothandel in computers en software, in sportartikelen, in medische artikelen en in elektronica), onderwijs (met name het universitair hoger onderwijs), en holdings en managementadviesbureaus. Ze opereren vaak in relatief arbeidsintensieve sectoren of hebben relatief veel te maken met hoogwaardige schaarse arbeid. Denk hierbij aan hoofdkantoorfuncties, ICT-werkzaamheden, onderzoek en ontwikkeling, internationale marketing en internationale sales (Snel, 2018). In totaal werken de ruim 62,5 duizend gebruikers van de 30%-regeling bij 9,7 duizend bedrijven.

Grote bedrijven in buitenlandse handen

Wanneer ingezoomd wordt op de bedrijven waarvan één of meerdere werknemers gebruik maken van de 30%-regeling, dan blijken deze bedrijven internationaal actiever dan het doorsnee bedrijf in Nederland. Figuur 1.3.4 laat zien dat het met name gaat om (grote) internationaal georiënteerde werkgevers.noot5

Ruim een kwart van de bedrijven in ons land die in buitenlandse handen zijn, heeft  werknemers met 30%-regeling in dienst. Dit terwijl dat maar in een half procent van de Nederlandse bedrijven het geval is. Bedrijven die goederen verhandelen hebben ook relatief vaker een medewerker in dienst die gebruik maakt van de 30%-regeling dan bedrijven zonder goederenhandel. Bijna negen procent van de bedrijven die zowel goederen importeert als exporteert, heeft kenniswerkers uit het buitenland op de loonlijst. Bedrijven die geen goederen verhandelen hebben zelden een werknemer in dienst met de 30%-regeling.  Uit figuur 1.3.4 blijkt tevens dat de kans dat een bedrijf deze groep kenniswerkers in dienst heeft, groter is naarmate bij het bedrijf meer personen in dienst heeft. Bij een derde van alle bedrijven met 250 of meer werkzame personen zijn gebruikers van de 30%-regeling te vinden.

1.4Bedrijfsoprichting door internationale wo-alumni in Nederland

In dit hoofdstuk is het fenomeen globalisering en werkgelegenheid vanuit verschillende aspecten beschreven. In deze paragraaf kijken we naar globalisering vanuit een onderwijsperspectief. In het hier gepresenteerde CBS-onderzoek is onderzocht in hoeverre aan Nederlandse universiteiten afgestudeerde wetenschappelijk opgeleide (wo) studenten binnen zeven jaar na afstuderen een bedrijf hebben opgericht in Nederland. Bedrijfsoprichtingen zijn een indicatie van internationale bijdrage aan de Nederlandse economie.

We onderscheiden hier twee groepen: (1) internationale alumni - afgestudeerden met een niet-Nederlandse nationaliteit en een buitenlandse of onbekende vooropleiding - en (2) niet-internationale alumni – afgestudeerden met een Nederlandse nationaliteit en afgestudeerden met een niet-Nederlandse nationaliteit en een Nederlandse vooropleiding. Er is gekeken naar wo-alumni uit drie studiejaren: 2007/’08, 2008/’09 en 2009/’10.

In eerder onderzoek (CBS, 2016) heeft het CBS al laten zien hoe het staat met de werkgelegenheid van internationale alumni uit het studiejaar 2009/’10. Het aantal internationale alumni met een inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) daalt snel na afstuderen, zie figuur 1.4.1. Na vier jaar verblijft nog 35 procent van de oorspronkelijk ingeschrevenen in ons land. Het aantal in Nederland werkenden neemt eerst toe, maar daalt daarna weer, vermoedelijk omdat steeds meer internationale alumni Nederland verlaten.

Van 2007/’08 tot en met 2009/’10 studeerden 163 duizend niet-internationale wo-studenten af en circa 17 duizend internationale wo-studenten, waarvan er circa 13 duizend een BRP-inschrijving hadden op het moment van afstuderen. Onder de laatste groep bevinden zich veel Duitsers (circa 2400) en Chinezen (circa 1600).

Bedrijfsoprichtingen naar geslacht

We kijken nu verder naar het aantal bedrijfsoprichtingen door alumni binnen zeven jaar na afstuderen. Mannelijke niet-internationale alumni richten het vaakst een bedrijf op (ongeveer een op de vijf), gevolgd door vrouwelijke niet-internationale alumni (circa een op de zeven). Internationale alumni richten het minst vaak een bedrijf (zowel mannen als vrouwen circa een op de zestien). Het oprichtingspercentage door niet-internationale alumni is in de tijd toegenomen, terwijl het bij internationale alumni licht is afgenomen. Zie figuur 1.4.2.

Bedrijfsoprichtingen naar EU en niet-EU

Onder internationale alumni afkomstig uit de EU is een licht afnemende trend in het aandeel bedrijfsoprichtingen zichtbaar, terwijl niet-internationale alumni steeds vaker een bedrijf oprichten (figuur 1.4.3). Internationale alumni van buiten de EU laten ook een licht positieve trend zien. Niet-internationale alumni komen qua oprichtingsniveau een stuk hoger uit (circa een op de zes) dan internationale alumni (bij zowel EU als niet-EU circa een op de zestien).

Beide groepen internationale alumni (EU en niet-EU)  laten dus ongeveer hetzelfde oprichtingspercentage zien. Uit het eerdere CBS-onderzoek naar totale werkgelegenheid (CBS, 2016) komen iets andere verhoudingen naar voren.  Niet-EU-alumni zijn na vier jaar vaker werkzaam (27 procent) in Nederland dan internationale EU-alumni (22 procent). Het betrof in dit onderzoek de alumni vanuit studiejaar 2009/’10 en peildatum 1 oktober 2014.

Bedrijfsoprichtingen naar nationaliteit

Een verdere verbijzondering van de internationale alumni naar nationaliteit (figuur 1.4.4) toont dat Duitsers met afstand de meeste bedrijven in Nederland hebben opgericht. Vanuit de drie studiejaren samen ging het om 107 door Duitsers opgerichte bedrijven. Het hoogste aantal daarna betreft de oprichting door Chinezen (71 bedrijven). Dit is niet zo verwonderlijk,  want onder de internationale alumni is het aandeel Duitsers en Chinezen het grootst. Procentueel is het een heel ander verhaal. Dan blijken juist de Duitsers (4,5 procent) en Chinezen (4,4 procent) het laagst te scoren als het gaat om het percentage internationale alumni dat bedrijven opricht in Nederland.noot6 Surinamers (24 procent, 34 bedrijven), Britten (12 procent, 32 bedrijven), Italianen (11 procent, 36 bedrijven) en Amerikanen (10 procent, 42 bedrijven) komen dan juist relatief hoog uit.

Ook wat betreft totale werkgelegenheid is een benedengemiddeld percentage Duitsers na vier jaar nog in Nederland werkzaam. Bij de Chinezen is het percentage echter juist bovengemiddeld. Britten en Amerikanen zijn benedengemiddeld werkzaam in Nederland na vier jaar, Surinamers en Italianen bovengemiddeld.

Bedrijfsoprichtingen naar universiteit

Van alle internationale alumni richten die van de Radboud Universiteit Nijmegen relatief het vaakst een bedrijf op in Nederland, figuur 1.4.5. Het gaat om 10 procent, hetgeen niet heel erg afwijkt van het percentage bij niet-internationale alumni in Nijmegen (15 procent). Het internationale percentage is na Nijmegen het hoogst in steden in de Randstad (de twee universiteiten in Amsterdam en daarna Delft, Rotterdam, Utrecht en Leiden).noot7 Internationale alumni in steden buiten de Randstad richten relatief weinig bedrijven op in Nederland. Dat geldt voor Wageningen (2 procent), Enschede, Groningen en Maastricht (3 procent). Maastricht zit qua absolute aantallen oprichtingen wel bijna in de middenmoot, omdat hier veel internationale studenten studeren. In absolute aantallen scoren Amsterdam (met twee universiteiten), Delft, Utrecht, Rotterdam en Leiden het hoogst voor wat betreft bedrijfsoprichtingen door internationale alumni.

Bedrijfsoprichtingen naar studiekeuze

Een opdeling naar studiekeuze (figuur 1.4.6) toont dat internationale alumni met de studierichtingen gezondheidszorg (14 procent), taal en cultuur (13 procent) en onderwijs (11 procent) relatief het vaakst een bedrijf in Nederland oprichten. Bij de studies die te maken hebben met gezondheidszorg zit het percentage zelfs dichtbij het percentage van de niet-internationale alumni (18 procent). Internationale alumni van de studierichtingen met betrekking tot landbouw en natuurlijke omgeving richten relatief het minst vaak een bedrijf op (2 procent). Dat is een groot verschil met de niet-internationale alumni (14 procent).

Data en methoden

In dit onderzoek is gebruik gemaakt van de onderwijsstatistieken van het CBS. Deze zijn aangevuld met gegevens uit het Algemene bedrijfsregister (ABR) om de bedrijfsoprichtingen te achterhalen van wo-alumni van Nederlandse universiteiten.

Voor dit onderzoek zijn alumni van Nederlandse universiteiten door de tijd gevolgd: wonen ze nog in Nederland, werken ze (nog) in Nederland en hebben ze een bedrijf opgericht in Nederland? Daarbij wordt gebruik gemaakt van inschrijvingen in het BRP (Basisregistratie Personen). Internationale alumni die zich tijdens hun studie nooit in het BRP hebben ingeschreven konden in het onderzoek daarom niet worden meegenomen. Niet-internationale alumni stonden vrijwel altijd ingeschreven, internationale alumni voor ongeveer drie kwart. Duitse studenten schrijven zich relatief niet vaak in (circa de helft). Dat kan bijvoorbeeld zijn omdat ze in Duitsland kunnen blijven wonen indien de Nederlandse universiteit op korte afstand staat. Ervan uitgaande dat niet-inschrijvers minder vaak actief worden op de Nederlandse arbeidsmarkt dan wel-inschrijvers, betekent dit een overschatting van de werkgelegenheids- en oprichtingspercentages van deze groep. De niet-inschrijvers (niet in dit onderzoek) richten namelijk ook bedrijven op, maar dat zijn er vermoedelijk procentueel minder dan bij de wel-inschrijvers.

Om overlap te voorkomen (iemand kan afstuderen met een bachelor en het jaar erop met een master) is voor de grafieken met meerdere studiejaren ‘ontdubbeld’ zodat unieke gediplomeerden overblijven.

1.5Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Belastingdienst (2018), Extraterritoriale kosten en de 30%-regeling. Geraadpleegd op de website van de Belastingdienst: https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/belastingdienst/zakelijk/internationaal/personeel/u_bent_niet_in_nederland_gevestigd_loonheffingen_inhouden/als_u_loonheffingen_gaat_inhouden/extraterritoriale_kosten_en_de_30procentregeling/, op 7 mei 2018.

CBS (2016), Onderwijs- en arbeidsmarktpositie van internationale studenten die in het studiejaar 2009/'10 een diploma hebben behaald in het hoger onderwijs. [Dataset]. Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

Dialogic (2017), Evaluatie 30% regeling. Dialogic: Utrecht.

Fortanier, F. (2018), 7a stocktaking questionnaire – inclusive globalisation. Working Party on International Trade in Goods and Services Statistics. Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling: Parijs.

Groot, S., van Gessel, G. & Raspe, O. (2013), Foreign knowledge workers in the Netherlands. In CBS Internationalisation Monitor 2013. Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

Ministerie van Buitenlandse Zaken (2018), Investeren in perspectief. Goed voor de wereld, goed voor Nederland. Beleidsnota. Ministerie van Buitenlandse Zaken: Den Haag.

PBL (2014), Buitenlandse kenniswerkers in Nederland, waar werken en wonen ze en waarom?. Planbureau voor de Leefomgeving: Den Haag.

Rijksoverheid (2018), Fiscale regeling voor buitenlandse werknemers verkort van acht naar vijf jaar. Geraadpleegd op de website van de Rijksoverheid: https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2018/04/20/fiscale-regeling-voor-buitenlandse-werknemers-verkort-naar-vijf-jaar, op 7 mei 2018. 

Sever, C. & Narayanaswamy, L.  (Reds.) (2006), Gender and Trade: Supporting Resources Collection. BRIDGE. University of Sussex: Brighton.

Snel, M. (2018), Kabinetsreactie evaluatie 30%-regeling. [Kamerbrief]. Geraadpleegd op de website van de Rijksoverheid: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2018/04/20/kabinetsreactie-evaluatie-30-regeling, op 7 mei 2018.

UNCTAD (2018), Trade, Gender and Development. Geraadpleegd op de website van de Verenigde Naties: http://unctad.org/en/Pages/DITC/Gender-and-Trade/Trade,-Gender-and-Development.aspx, op 21 mei 2018.

Von Hagen (2014), Trade and Gender – exploring a reciprocal relationship. Approaches to mitigate and measure gender-related trade impacts. Geraadpleegd op de website van Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling: https://www.oecd.org/dac/gender-development/GIZ_Trade%20and%20Gender_Exploring%20a%20reciprocal%20relationship.pdf, op 21 mei 2018.

VNO-NCW (2018), ‘Expatregeling goed voor de schatkist, bedrijven en aantrekken talent’. Geraadpleegd op de website van VNO-NCW: https://www.vno-ncw.nl/nieuws/expatregeling-goed-voor-de-schatkist-bedrijven-en-aantrekken-talent, op 8 mei 2018.

WTO (2018), Women and Trade. Geraadpleegd op de website van de World Trade Organization: https://www.wto.org/english/tratop_e/womenandtrade_e/womenandtrade_e.htm, op 21 mei 2018.

Zarrilli, S. (2017), The Case for Mainstreaming Gender in Trade Policy. Bridges Africa. 6(4). Geraadpleegd op de website van International Centre for Trade and Sustainable Development: https://www.ictsd.org/bridges-news/bridges-africa/news/the-case-for-mainstreaming-gender-in-trade-policy, op 21 mei 2018.

Noten

Bedrijven met een in- of uitvoerwaarde van 5 duizend euro of meer op jaarbasis.

In de Landbouw, bosbouw en visserij, de Financiële dienstverlening en vrijwel de gehele niet-commerciële dienstverlening (Openbaar bestuur en overheidsdiensten, Onderwijs, Gezondheids- en welzijnszorg, Cultuur, sport en recreatie, Huishoudens, Extraterritoriale organisaties en het grootste deel van de Overige dienstverlening) is voor alle bedrijven de zeggenschap onbekend. Deze sectoren blijven hierdoor buiten de analyses. In 2015 waren er ruim 3,0 miljoen banen bij bedrijven waarvan de zeggenschap onbekend was. De zeggenschap is alleen bekend voor de business economy (zie begrippenlijst). Voor de vergelijkbaarheid van de resultaten met betrekking tot zeggenschap en die over internationale goederenhandel worden bedrijven waarvan de zeggenschap onbekend is in alle analyses van paragraaf 1.1 buiten beschouwing gelaten.

Door afronding kan het voorkomen dat de percentages niet precies optellen tot 100 procent.

Deze groep personen is kleiner dan de groep van 100 duizend buitenlandse kenniswerkers (in 2010), zoals eerder gedefinieerd in onderzoeken van PBL en CBS (Groot et al., 2013; PBL, 2014). Toen ging het om mensen die in het buitenland waren geboren en voor hun 18e nooit in Nederland hadden gewoond. Bovendien was voor elke leeftijdsgroep een inkomenscriterium vastgesteld, zodanig dat er een sterke relatie was met het opleidingsniveau (minimaal hbo).   

De populatie in deze figuur bestaat uit 8,3 duizend bedrijven, waarvan de bedrijfskenmerken bij het CBS bekend zijn.

Dat geldt in de meeste gevallen ook als rekening wordt gehouden met studiekeuze of universiteit. Duitsers scoren voor 10 van de 13 universiteiten en 7 van de 10 studierichtingen lager dan het internationale gemiddelde. Voor de Chinese alumni is dat respectievelijk 8 van de 13 en ook 7 van de 10.

De hier gepresenteerde verschillen tussen nationaliteiten, universiteiten en studierichtingen zijn deels het gevolg van verschillen tussen groepen internationale alumni voor wat betreft het verlaten van Nederland na afstuderen.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Copyright foto’s: Hollandse Hoogte

Disclaimer en copyright

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2017–2018 2017 tot en met 2018
2017/2018 Het gemiddelde over de jaren 2017 tot en met 2018
2017/’18 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2017 en eindigend in 2018
2015/’16–2017/’18 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2015/’16 tot en met 2017/’18

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Ahmed Boutorat
Dennis Cremers
Gusta van Gessel-Dabekaussen
Marjolijn Jaarsma
Oscar Lemmers
Bart Loog
Pascal Ramaekers
Wendy Smits
Mark Vancauteren
Roger Voncken
Sjoertje Vos
Jannes de Vries
Isabelle Weyns
Khee Fung Wong

Redactie

Marjolijn Jaarsma
Pascal Ramaekers
Roger Voncken
Sjoertje Vos

Eindredactie

Marjolijn Jaarsma
Roger Voncken