Uitbreiden van dienstenhandel: wat let bedrijven?
Ook nadat bedrijven toetredingsbarrières hebben geslecht waarna ze hun diensten naar het buitenland kunnen exporteren worden zij geconfronteerd met verschillende belemmeringen. Dit hoofdstuk onderzoekt in hoeverre dergelijke belemmeringen het exportpotentieel van bestaande dienstenhandelaren beïnvloeden. Zien we daarbij verschillen tussen de diverse handelsrestricties? Is er een onderscheid te maken tussen belemmeringen at the border en behind the border?
5.1Inleiding
Handelsbarrières kunnen worden gedefinieerd als natuurlijke of door de mens veroorzaakte belemmeringen die binnenlandse en internationale transacties tussen economische entiteiten bemoeilijken. Ze kunnen geografisch en cultureel van aard zijn of door beleid worden opgeworpen. Geografische en culturele handelsbelemmeringen omvatten een breed scala aan factoren, variërend van o.a. fysieke afstand tussen handelslanden tot taalbarrières, culturele verschillen, virtuele nabijheid en de mate van digitalisering. In hoofdstuk 3 van deze Internationaliseringsmonitor geven we een gedetailleerd overzicht van de handelsbelemmeringen voor dienstenhandel vanuit een theoretisch oogpunt.
Bij handel in diensten is het lastiger om wet- en regelgeving tussen de verschillende handelspartners te harmoniseren, en spelen taal- en cultuurbarrières een grotere rol dan bij goederenhandel (Walsh, 2006). In tegenstelling tot de goederenhandel worden diensten niet beperkt door tarifaire maatregelen en grenscontroles. Handel in diensten vereist doorgaans het verkeer van mensen en kapitaal tussen landen. In de meeste landen bestaan er wettelijke en regelgevende vereisten waaraan op dat vlak moet worden voldaan (Walsh, 2006). Belemmeringen voor de handel in diensten hebben vrijwel uitsluitend betrekking op regelgevende maatregelen of bureaucratie. Nationale regelgeving – denk aan vergunningen, quota’s, beroepskwalificaties en immigratieregels – bepaalt wanneer en hoe buitenlandse aanbieders een markt mogen betreden. Ze worden ook wel niet-tarifaire belemmeringen genoemd (Jozepa et al., 2019). De vele vormen van regulering bemoeilijken zowel de toegang tot markten als de uitbreiding van activiteiten op markten voor buitenlandse dienstenleveranciers. In tegenstelling tot tarieven of transportkosten worden bedrijven niet allemaal in dezelfde mate gehinderd door niet-tarifaire belemmeringen. Sommige bedrijven lijken namelijk beter in staat te zijn om de hindernissen op het gebied van regelgeving met betrekking tot dienstenhandel het hoofd te bieden dan andere (Benz et al., 2020).
Terwijl het vorige hoofdstuk onderzocht heeft in hoeverre dergelijke handelsbelemmeringen de initiële toetreding tot een buitenlandse markt beïnvloeden kiest dit hoofdstuk een andere invalshoek: in hoeverre bemoeilijken deze handelsbelemmeringen bestaande activiteiten van Nederlandse dienstenexporteurs op buitenlandse markten? Daarvoor zullen we eerst duidelijk een onderscheid moeten maken tussen barrières die de toegang van internationale dienstenleveranciers tot buitenlandse markten (oftewel extensieve handelsmarge) beïnvloeden en operationele belemmeringen die het uitbreiden van hun exportportefeuille in reeds bediende markten (oftewel intensieve handelsmarge) beïnvloeden. Vervolgens zal op basis van de bedrijven in een uitgebreide steekproef (zie leeskader in paragraaf 5.2) een beschrijvend beeld gegeven worden van hoe de exportwaarde van Nederlandse diensten samenhangt met verschillende natuurlijke en niet natuurlijke handelsbarrières. Tot slot proberen we een algemeen beeld te geven van de mate waarin deze handelsbelemmeringen ertoe doen middels econometrische analyses.
Case studie: Welke niet-tarifaire belemmeringen kan een Nederlandse architectenbureau tegenkomen bij het exporteren?
Beperkingen op buitenlandse toetreding (in Engels: restrictions on foreign entry)
Een Nederlandse architectenbureau kan er voor kiezen om een filiaal in een ander land op te richten om daar permanent aanwezig te zijn. Hierbij kan het bestemmingsland bepaalde eisen opleggen. Deze zijn afhankelijk van het wettelijk kader. Bepaalde landen passen bijvoorbeeld beperkingen toe op het maximaal toegestane eigendomspercentage van buitenlandse aandeelhouders in het bedrijf. Buitenlands eigendom in architectuurdiensten is bijvoorbeeld in Indonesië beperkt tot 67 procent van de aandelen (Jozepa et al., 2019; OESO, 2022a).
Beperkingen op het verkeer van personen (in Engels: barriers to movement of people)
Een Nederlandse architecte kan haar dienst verlenen aan een bouwproject in het buitenland terwijl ze tijdelijk in dat land verblijft. Maar er kunnen beperkingen zijn op de mobiliteit van personen bij het leveren van diensten op deze manier. Zo kan het zijn dat de architecte woonachtig moet zijn in het bestemmingsland, er een visum aangevraagd moet worden of dat haar Nederlandse diploma’s niet geldig zijn in het betreffende land. Een van de belangrijkste vereisten om in bijvoorbeeld Ontario een licentie te krijgen, is slagen voor het architectenexamen in Canada. In Denemarken krijgt de Nederlandse architecte bijvoorbeeld pas een werkvergunning als ze een Deense bankrekening heeft waarop haar salaris gestort kan worden (Jozepa et al., 2019; OESO, 2022a).
Andere discriminerende maatregelen (in Engels: other discriminatory measures)
Het Nederlandse architectenbureau kan in bepaalde landen minder gunstig behandeld worden wat betreft belastingen en het in aanmerking komen voor subsidies. In de VS komen bijvoorbeeld enkel Amerikaanse bedrijven in aanmerking voor bepaalde R&D subsidies. Ook voor aanbestedingen wordt er in sommige landen een onderscheid gemaakt tussen binnenlandse en buitenlandse leveranciers. In IJsland hebben bijvoorbeeld alleen leveranciers uit EEA-landen (Europese Economische Ruimte) en andere landen waarmee IJsland een overeenkomst heeft rechten volgens de aanbestedingswet (OESO, 2022a).
Belemmeringen voor concurrentie (in Engels: barriers to competition)
Daarnaast kunnen er bepaalde regels worden ingesteld die de concurrentie op de binnenlandse markt belemmeren. Een simpel voorbeeld betreft de regel dat architecten die in IJsland reclame willen maken voor hun diensten, dat daar in het IJslands moeten doen (OESO, 2022a). Een ander voorbeeld betreft de honoraria van zelfstandige architecten en ingenieurs die in Duitsland is vastgelegd in de Honorarordnung für Architekten und Ingenieure (HOAI). De HOAI bepaalt de hoogte van de honorering aan de hand van omvangrijke tabellen. Afhankelijk van de bouwsom en de moeilijkheidsgraad van de uit te voeren werkzaamheden worden minimum- en maximumtarieven gegeven waaraan een architect gebonden is. De HOAI-wet ligt onder vuur. De Europese Commissie vindt namelijk dat de HOAI tot oneerlijke concurrentie leidt, omdat de wet het werk van buitenlandse architecten in Duitsland zou belemmeren. Ze zouden hinder ondervinden bij het werven van Duitse opdrachtgevers, omdat ze hun diensten niet tegen een lagere of hogere prijs kunnen aanbieden dan het voorgeschreven minimum en maximum. In 2019 oordeelde het Europese Hof van Justitie dat de HOAI-wet niet langer is toegestaan. Welke impact het vonnis zal hebben is nog onduidelijk (Laagland, 2020; Strick, 2019).
Transparantie van regelgeving (in Engels: regulatory transparency)
Een architecte kan een kant-en-klaar ontwerp van een gebouw vanuit haar kantoor in Nederland verkopen aan een zakelijke klant in een ander land. Hiervoor heeft de Nederlandse architecte mogelijk bepaalde vergunningen nodig om de dienst op de exportmarkt te kunnen leveren. Ook moeten Nederlandse diploma’s en andere kwalificaties soms worden geaccepteerd door het land waarnaar de Nederlandse architecte wil exporteren. Als de architecte een Canadese werkvergunning wil aanvragen, duurt de verwerking gemiddeld 126 dagen. Voor een bezoekersvisum bedraagt de gemiddelde verwerkingstijd zelfs 192 dagen (Jozepa et al., 2019; OESO, 2022a).
Leeswijzer
Hoofdstuk 5 van deze Internationaliseringsmonitor onderzoekt analytisch in hoeverre geografische, culturele en niet-tarifaire belemmeringen de export van bestaande dienstenhandelaren beïnvloeden. In paragraaf 5.2 komt de discussie over hoe niet-tarifaire handelsbarrières kunnen worden ingedeeld aan bod. Hierbij maken we een onderscheid tussen toetredingsbarrières en operationele belemmeringen. De handelsportfolio van bedrijven wordt besproken in paragraaf 5.3. Het onderscheid tussen de extensieve en intensieve exportmarge staat hierbij centraal. Handelsbelemmeringen maken het voor bedrijven moeilijker om op buitenlandse markten goederen of diensten te leveren, soms zelfs in die mate dat het bedrijven er helemaal van weerhoudt te exporteren. De belangrijkste belemmeringen voor de internationale dienstenhandel zijn natuurlijke belemmeringen (geografisch of cultureel) en niet-tarifaire belemmeringen. Paragraaf 5.4 focust op de natuurlijke belemmeringen. Paragraaf 5.5 kijkt naar niet-tarifaire dienstenbelemmeringen die we zullen meten aan de hand van twee externe databronnen: de Services Trade Restrictiveness Index (STRI) van de OESO en de Restrictiveness Indicator van de Europese Commissie. De impact van belemmeringen voor de dienstenexport wordt econometrisch onderzocht in paragraaf 5.6. De gebruikte methodologie en data staat beschreven in paragraaf 5.8.
5.2Toetredingsbarrières versus operationele belemmeringen
Handelsbarrières komen in verschillende vormen en maten voor. Wat ze doorgaans met elkaar gemeen hebben is dat ze kosten met zich meebrengen voor een bedrijf. Deze kosten kunnen eenmalig zijn of voortdurend en kunnen de activiteiten van buitenlandse dienstverleners bemoeilijken of zelfs volledig beletten (Australian Government, 2015; Egger & Shingal, 2021). Sommige kosten kunnen echter ook terugverdiend worden, wanneer het bijvoorbeeld een (noodzakelijke) investering in kwaliteit betreft (Van den Berg & Franssen, 2021). Een belangrijk onderscheid is verder te maken tussen belemmeringen die zich met name voordoen aan de grens – bij markttoetreding – en belemmeringen die vooral een rol spelen achter de grens bij doorlopende activiteiten.
Wanneer handelsbarrières dienstverleners ervan weerhouden bepaalde internationale markten te betreden spreken we van toetredingsbarrières (in Engels: upfront costs of barriers to entry). Deze toetredingsbarrières kunnen investeringsbeslissingen verstoren, inclusief de beslissing om al dan niet een (nieuwe) exportmarkt aan te boren. Aanzienlijke toetredingsdrempels kunnen ervoor zorgen dat alleen de meest productieve bedrijven de vaste kosten die gepaard gaan met het betreden van buitenlandse markten kunnen dragen (Nordås et al., 2008). Bij toetredingsbarrières kan bijvoorbeeld gedacht worden aan opstartprocedures die gepaard gaan met hoge administratieve lasten en complexe regels of het verkrijgen van de nodige licenties en vergunningen (Australian Government, 2015). Professionele dienstverleners hebben bijvoorbeeld doorgaans een vergunning nodig om in het buitenland te werken en er moet aangetoond worden dat er aan de lokale kwalificatievereisten wordt voldaan (Nordås et al., 2008). Het feit dat wet- en regelgeving vaak per land verschilt, betekent dat de vaste kosten van het voldoen aan lokale regelgeving op een specifieke exportmarkt in feite verzonken kosten voor markttoegang zijn. De dienstverlener moet beslissen om al dan niet te “investeren” in markttoegang en deze vaste kosten te dragen (Kox & Lejour, 2005). In hoofdstuk 4 van deze Internationaliseringsmonitor onderzoeken we in hoeverre handelsbarrières die Nederlandse dienstenhandelaren in het buitenland kunnen tegenkomen van invloed zijn op hun potentiële exportstart.
Wanneer een bedrijf de toetredingsbarrières geslecht heeft, wordt het doorgaans nog altijd met andere belemmeringen geconfronteerd, de zogenoemde operationele belemmeringen (in Engels: ongoing costs ofwel barriers to operations) (Australian Government, 2015; Nordås & Rouzet, 2017). Zo kan administratieve rompslomp de activiteiten van internationale dienstenhandelaren negatief beïnvloeden. Een voorbeeld van dit soort papierwerk is dat logistieke dienstverleners in sommige landen voor elk schip dat in de kustwateren komt een bepaalde set documenten moeten indienen bij de lokale havenautoriteit (Dincer & Tekin-Koru, 2020). Voor buitenlandse dienstenleveranciers kan het ingewikkelder zijn om aan de lokale regelgeving te voldoen omdat het meer moeite kost om de juiste en volledige informatie omtrent de lokale wetgeving en praktijken te achterhalen dan lokale dienstverleners (informatie-asymmetrieën) (Crozet et al., 2016).
Over de data die in dit hoofdstuk gebruikt wordt
We maken in dit hoofdstuk gebruik van een andere onderzoekspopulatie dan in het vorige hoofdstuk. Waar hoofdstuk 4 zich richt op de Internationale Handel in Diensten (IHD) microdata, richten we ons hier op de zogenaamde IHD responsdata. Deze responsdata komt voort uit een steekproef die het CBS elk kwartaal doet onder 5 700 bedrijven. Het grote voordeel ten opzichte van de microdata is dat hier het type dienst dat het bedrijf verhandelt, wordt uitgevraagd. Voor de grootste 950 bedrijven wordt ook specifiek het land uitgevraagd waar ze mee handelen. Deze informatie is daarmee dus veel rijker dan de microdata die in het vorige hoofdstuk gebruikt werd, maar dat gaat ten koste van het aantal bedrijven waar deze informatie voor beschikbaar is. De resultaten uit dit hoofdstuk zijn gebaseerd op die 950 bedrijven waarvoor gedetailleerde informatie beschikbaar is over het type dienst dat zij verhandelen en met welk land wereldwijd.
| IHD Microdata | IHD Responsdata | |
|---|---|---|
| Aantal bedrijven | 192 000 | 950 |
| Koppeling1) | Integraal, dus (ook) veel kleine bedrijven | Met name grote bedrijven (zo behoort maar 7% tot het zelfstandig mkb) |
| Aantal bestemmingen | 26 EU-landen | 233 landen, wereldwijd |
| Aantal dienstentypes | 1: totaal | 36 |
| Met name geschikt voor | Analyseren starters | Gedetailleerde analyse van belemmeringen in specifieke sectoren op de waarde van de handel |
1)Zie tabel 5.9.1 en 5.9.2 in de bijlage voor een overzicht van de gebruikte koppeling.
5.3Extensieve versus intensieve exportmarge
Parallel aan de discussie over hoe handelsbarrières kunnen worden ingedeeld kan de handelsportfolio van bedrijven gekarakteriseerd worden. Zo spreekt men van de extensieve handelsmarge wanneer het gaat over het betreden van een nieuwe buitenlandse product- of bestemmingsmarkt. Zo kan een bedrijf zijn extensieve handelsmarge vergroten door naar meer landen, of meerdere producten/diensten te gaan exporteren. De intensieve marge daarentegen heeft betrekking op de handelswaarde die gemoeid is met bestaande handelsrelaties. Wanneer een bedrijf dus van het ene op het andere jaar de afzet van hetzelfde product/dienst naar dezelfde markt weet uit te breiden, spreekt men van een intensivering van deze handelsstroom en groei langs de intensieve marge.
Figuur 5.3.1 toont een overzicht van de extensieve handelsportfolio van de 950 bedrijven uit onze onderzoekspopulatie zoals die besproken wordt in het leeskader in paragraaf 5.2. Zo is te zien dat deze bedrijven diensten verhandelen met gemiddeld bijna 60 landen, zowel import als export. In gemiddeld 20 landen hebben zij een buitenlandse dochteronderneming terwijl ze ook nog eens naar bijna 40 landen goederen exporteren. Daar moet wel bij worden opgemerkt dat de EU als één land geteld wordt binnen deze goederenstatistiek, terwijl die wordt opgesplitst naar individuele EU-landen binnen de dienstenstatistiek. Het werkelijke aantal landen zal dus hoger liggen dan de genoemde 40.
| activiteit | bestemmingen |
|---|---|
| Dienstenimport | 60 |
| Dienstenexport | 59 |
| FDI | 21 |
| Goederenexport | 36 |
Verder exporteren deze exporteurs gemiddeld vijf verschillende typen diensten en zijn ze gemiddeld zes van de onderzochte acht jaren actief als dienstenexporteur. Dit laatste wil echter niet zeggen dat elke dienst (bijna) elk jaar naar hetzelfde land wordt geëxporteerd. De gemiddelde exportrelatie, dat is het aantal jaar dat één en hetzelfde product of dienst onafgebroken naar één land wordt geëxporteerd, bedraagt vier jaar. Eerder CBS onderzoek (Boutorat et al., 2019; Van den Berg et al., 2022) heeft al laten zien dat Nederland veel incidentele handelaren kent. Dat wordt voor de dienstenhandel in figuur 5.3.2 opnieuw bevestigd, aangezien maar liefst een kwart van alle exportrelaties slechts één jaar duurt. Slechts 16 procent van alle relaties hadden een continue of onafgebroken karakter.
| Jaren | Aandeel |
|---|---|
| 1 | 26 |
| 2 | 18 |
| 3 | 11 |
| 4 | 10 |
| 5 | 7 |
| 6 | 7 |
| 7 | 5 |
| 8 | 16 |
| 1) Merk op dat een deel van de getoonde exportrelaties vóór 2014 of na 2021 (respectievelijk het eerste en laatste verslagjaar dat onderdeel is van de analyse) zal doorlopen en dat het getoonde beeld daarom een onderschatting is van de werkelijke duur van exportrelaties. | |
Om een beeld te krijgen van de intensieve marge van de dienstenhandel zoomen we in op de handelsrelaties die zich over de acht onderzochte jaren (2014–2021) onafgebroken uitstrekken. Dan zien we in figuur 5.3.3 dat het gemiddelde bedrag dat gemoeid is met deze handelsrelaties groeit van 800 euro in 2014 naar ruim 1 600 euro in 2021 voor exporttransacties en van 700 naar bijna 1 500 euro voor importtransacties. Voor zowel import als export zien we dus groei langs de intensieve marge: de omvang van bestaande handelsrelaties verdubbelt in een tijdsbestek van acht jaar. Gesommeerd naar bedrijfsniveau zien we dit ook terug: de gemiddelde export (import) van diensten per bedrijf groeit van 72 (66) duizend euro in 2014 naar ruim 160 (145) duizend euro in 2021.
| Jaar | Export | Import |
|---|---|---|
| 2014 | 789 | 721 |
| 2015 | 867 | 828 |
| 2016 | 955 | 930 |
| 2017 | 1108 | 1112 |
| 2018 | 1299 | 1307 |
| 2019 | 1494 | 1379 |
| 2020 | 1544 | 1394 |
| 2021 | 1643 | 1485 |
5.4Natuurlijke handelsbarrières
Zoals hoofdstuk 3 al heeft uitgelegd zijn handelsbelemmeringen grofweg in te delen in natuurlijke en niet natuurlijke handelsbarrières. Natuurlijke handelsbarrières hebben te maken met geografische of culturele factoren. In deze paragraaf lichten we er vier uit.
Traditioneel ontwikkeld om de handel in goederen te beschrijven, kan het zwaartekrachtmodel net zo goed de handelsstromen tussen landen voor diensten verklaren (zie Kimura & Lee, 2006; Nordås & Rouzet, 2017). In het originele zwaartekrachtmodel van Tinbergen (1962) zijn de afstand tussen en de economische omvang van het bestemmings- en herkomstland, gemeten door het bnp, de voornaamste determinanten van internationale handel. Het bnp zorgt daarbij voor de aantrekkingskracht van een markt, terwijl afstand deze relatie juist negatief beïnvloedt. Figuur 5.4.1 laat zien dat ook voor dienstenhandel geldt dat de omvang van de handel positief correleert met de omvang van de bestemmingsmarkt.
Van geografische afstand is bekend dat het een duidelijk negatief effect heeft op de omvang van de goederenhandel. Bij dienstenhandel is deze relatie minder evident, omdat een dienst niet altijd fysiek getransporteerd hoeft te worden, maar vaak virtueel/digitaal geleverd kan worden. Desondanks blijkt fysieke afstand ook bij diensten negatief samen te hangen met de omvang van de handel: hoe groter de afstand tot de bestemmingsmarkt, hoe kleiner de omvang van de handel (zie figuur 5.4.2).
Virtuele nabijheid (ofwel virtual proximity) wordt recentelijk in de literatuur als alternatieve indicator voor de nabijheid van landen beschouwd. Het wordt gemeten op basis van bilaterale hyperlinks en bilaterale websitebezoeken tussen landen (Chung, 2011; Hellmanzik & Schmitz, 2016). Met name voor dienstenhandel zou dit een relevantere maat voor afstand kunnen zijn dan geografische afstand. Virtuele afstand (of nabijheid) blijkt inderdaad een belangrijke determinant: landen die virtueel dichterbij elkaar liggen, gebaseerd op de methode van Chung (2011), handelen relatief meer met elkaar (zie figuur 5.4.3). Dit impliceert dat consumenten vaker diensten afnemen van aanbieders uit landen waarover zij meer informatie hebben en waarmee zij zich meer verbonden voelen (Hellmanzik & Schmitz, 2016).
De opmars van het internet en nieuwe digitale technologieën maakt het online leveren van diensten in het buitenland gemakkelijker (Loungani et al., 2017; WTO, 2019). De mate waarin landen in staat zijn om nieuwe technologieën te adopteren verschilt echter sterk. De Digital Adoption Index (DAI) van de Wereldbank brengt deze verschillen in kaart en onderzoekt de wereldwijde toegang tot digitale technologieën. Digitalisering heeft daarbij een grote invloed op internationale handel, die is vergemakkelijkt door digitalisering, vooral in e-commerce (Jayasooriya, 2021). Dat zien we ook terug in figuur 5.4.4: er wordt relatief meer geëxporteerd naar landen die hoger scoren op deze digitale adoptie index.
5.5Niet-tarifaire belemmeringen
Naast de natuurlijke belemmeringen bestaan er als gezegd niet natuurlijke handelsbelemmeringen. Dit zijn beleidsmaatregelen die de handel in diensten op enige manier bewust of onbewust kunnen belemmeren. Deze paragraaf kijkt naar niet-tarifaire dienstenbelemmeringen die we zullen meten aan de hand van twee externe databronnen: de Services Trade Restrictiveness Index (STRI) van de OESO en de Restrictiveness Indicator van de Europese Commissie. De vele vormen van regulering bemoeilijken de toegang (extensieve marge) – zoals blijkt uit hoofdstuk 4 – én het uitbreiden van bestaande exportrelaties (intensieve marge) voor buitenlandse dienstenleveranciers. Tabellen 5.9.1 en 5.9.2 in de bijlage bevatten informatie over de koppeling tussen de externe databronnen van de OESO en de Europese Commissie en de CBS databronnen.
Services Trade Restrictiveness Index gemeten door de OESO
De OESO Services Trade Restrictiveness Index database (STRI) bundelt informatie van meer dan 16 duizend wetten en juridische voorschriften voor 22 dienstensectoren in vijftig landen op jaarbasis vanaf 2014 t/m 2021. Voor elke sector, elk land en elk jaar biedt deze database een indexwaarde. Het meet de striktheid van handelsbelemmeringen voor diensten op een schaal van 0 tot 1, waarbij 0 het minst restrictief is en 1 het meest beperkend.
De OESO groepeert belemmeringen voor de handel in diensten in vijf brede categorieën van beleidsmaatregelen (zie leeskader in paragraaf 5.1 voor een illustratie van deze belemmeringen):
- Beperkingen op buitenlandse toetreding (bijvoorbeeld limieten aan het aantal voor buitenlandse aandeelhouders, nationaliteitsvereisten voor leden in raad van bestuur, beperkingen op grensoverschrijdende fusies);
- Beperkingen op het verkeer van personen (bijvoorbeeld visumvereisten);
- Andere discriminerende maatregelen (bijvoorbeeld met betrekking tot belastingen, subsidies of openbare aanbestedingen);
- Belemmeringen voor concurrentie (bijvoorbeeld antitrustbeleid);
- Transparantie van regelgeving.
Beperkingen op de markttoegang voor buitenlandse dienstverleners beschermen lokale bedrijven tegen concurrentie. Daarnaast treffen operationele belemmeringen, zoals omslachtige regelgevingsprocedures en -processen, zowel lokale als buitenlandse bedrijven. Het valt te verwachten dat een hoge score op de STRI daarom een negatief effect heeft op de internationale prestaties van de dienstensector in kwestie (Nordås & Rouzet, 2017).
Aangezien de Europese Economische Ruimte (in Engels: EEA) een gemeenschappelijke markt vormt en dus een diepere integratie betreft dan een reguliere preferentiële handelsovereenkomst, die niet onder de STRI valt, heeft de OESO onlangs een aanvullende versie van de STRI uitgebracht: de Intra-EEA Services Trade Restrictiveness Index. Deze index bestrijkt dezelfde vijf gebieden als de oorspronkelijke STRI en is bedoeld om de handelsbeperkingen voor diensten tussen de 25 EEA-landen nauwkeurig weer te geven. Benz & Gonzales (2019) laten zien dat de dienstenhandel binnen de EEA aanzienlijk liberaler is dan het multilaterale beleid dat de EEA-lidstaten jegens niet-leden toepassen. Toch blijft binnen de interne markt een zekere mate van handelsbelemmering bestaan.
Daarom maken we in dit hoofdstuk gebruik van zowel de originele als de intra-EEA STRI. Meer concreet hebben we de intra-EEA STRI-waarde van het land van bestemming gebruikt wanneer het desbetreffende bestemmingsland net zoals Nederland lid is van de EEA. Als het land van bestemming geen EEA-lid is, is de oorspronkelijke STRI van het bestemmingsland gebruikt. Hierbij volgen we dezelfde methode als beschreven in Jungmittag & Marschinski (2020).
Hoge STRI, veel restricties, minder internationale dienstenhandel
Nordås & Rouzet (2017) analyseren de impact van de STRI op de internationale dienstenhandel. Hierbij gebruiken zij een (PPML) zwaartekrachtmodel. Een zwaartekrachtmodel maakt het mogelijk om onderscheid te maken tussen natuurlijke barrières – zoals geografische en culturele verschillen – en door beleid veroorzaakte barrières. De auteurs vinden voldoende statistisch bewijs ter ondersteuning van de hypothese dat grotere belemmeringen (lees: een hogere STRI) samenhangen met minder dienstenhandel. In de meeste dienstensectoren gaat een hogere STRI gepaard met minder import, wat aangeeft dat de kosten voor buitenlandse leveranciers om de gastmarkt te betreden en te bedienen, zoals verwacht, worden verhoogd door de handelsbeperkende regelgeving. De auteurs vinden met name een sterk verband tussen een hoge STRI en een lagere import van juridische diensten, telecommunicatie, commerciële bankdiensten, verzekeringen, zeevervoersdiensten en koerierdiensten. Dit benadrukt het belang van een open en concurrentie bevorderend regelgevend regime om het internationale concurrentievermogen van dienstenexporteurs te versterken (Nordås & Rouzet, 2017).
Ook Rouzet et al. (2017) vinden dat de intensieve exportmarge van dienstverleners omgekeerd evenredig is met wettelijke beperkingen in het importerende land, zoals gemeten door de OESO STRI. Complexe en restrictieve regelgeving in het bestemmingsland beperken het volume van de handel. Deze handelsbeperkingen voor diensten weerspiegelen niet alleen operationele handelskosten, maar ook eenmalige vaste en verzonken kosten.
Ook voor de Nederlandse exporteurs in onze onderzoekspopulatie zien we dat zij gemiddeld minder exporteren naar landen waar een hogere STRI geldt (zie figuur 5.5.1). Deze relatie is echter niet zo geprononceerd als de relaties die we zien bij de natuurlijke belemmeringen in de vorige paragraaf. Dat zou kunnen komen doordat het effect van de niet natuurlijke belemmeringen kan verschillen tussen sectoren, maar ook doordat de verschillende typen belemmeringen waar de totaalindicator uit is opgebouwd uiteenlopend kunnen samenhangen met de handel.
Type restrictie en buitenlandse investeringen
Jungmittag & Marschinski (2020) bestuderen de impact van handelsbelemmeringen voor diensten op bilaterale greenfield investeringsprojecten (FDI)noot1 in vier verschillende sectoren van de zakelijke dienstverlening: computer, accounting, juridisch, architecten en ingenieurs. In hun econometrische modellen maken ze een onderscheid tussen de verschillende STRI-beperkingen: beperkingen op buitenlandse toegang, beperkingen op het verkeer van personen en andere handelsbeperkingen voor diensten. Het is belangrijk om deze verschillende vormen van handelsrestricties afzonderlijk te beschouwen (Jungmittag & Marschinski, 2020; Van der Marel & Shepherd, 2013). Zo’n aparte schatting per type restrictie en sector geeft nauwkeuriger aan waar aangrijpingspunten voor beleid liggen om de beperkingen op de handel in diensten zo efficiënt mogelijk te verminderen en zo nieuwe investeringsprojecten te stimuleren.
Jungmittag & Marschinski (2020) stellen vast dat beperkingen op de handel in diensten een significante barrière vormen voor greenfield FDI. Voor de dienstensectoren accounting, computer en architecten en ingenieurs vinden ze statistisch significant bewijs van een negatieve impact. Bovendien verbetert de verklarende kracht van de modellen over het algemeen wanneer de subtypen van de STRI worden gebruikt in plaats van de geaggregeerde STRI-totaalscore.
A new kid in town: Restrictiveness Indicator gemeten door Europese Commissie
De Europese Commissie heeft op welbepaalde tijdstippen (voor de jaren 2006, 2012, 2017) gedetailleerde juridische gegevens verzameld over bestaande beperkingen in bepaalde dienstensectoren. Hierbij werd gekeken naar de vereisten die op nationaal, regionaal of lokaal niveau werden opgelegd, evenals alle regels die werden uitgevaardigd door beroepsorganisaties, verenigingen of organisaties in de uitoefening van hun wettelijke autonomie om op collectieve wijze de toegang tot een specifieke dienstenactiviteit te reguleren. Hiermee wil de Europese Commissie een overzicht krijgen van de resterende belemmeringen voor de interne markt en zicht houden op hoe deze beperkingen zich in de loop van de tijd hebben ontwikkeld.
Per barrière is gedocumenteerd of deze in het betreffende land en de betreffende dienstensector aanwezig was. In het geval van aanwezigheid van de barrière, wordt een numerieke score tussen 0 en 2 toegekend, waarbij 0 overeenkomt met het volledig ontbreken van barrières en 2 overeenkomt met het volledig aanwezig zijn van een barrière. Deze scores zijn vervolgens gebruikt om het gemiddelde per sector en per land te berekenen (Europese Commissie, 2021).
De EC Restrictiveness Indicator data is recent door de Europese Commissie beschikbaar gesteld. Tot dusver zijn er slechts enkele studies die de samenhang tussen de EC Restrictiveness Indicator en handel onderzocht hebben. Volgens het zwaartekracht model van Monteagudo et al. (2012) leidt een vermindering van de handelsbelemmeringen met 10 procent tot een stijging van de handel met 1,5 procent. Ook wij zien op basis van CBS- en EC-data een negatieve relatie tussen belemmeringen en handel, al is deze relatie op het eerste oog niet heel sterk (figuur 5.5.2).
De EC Restrictiveness Indicator wordt veelal gebruikt om de economische impact van de Dienstenrichtlijn (in Engels: Services Directive) te analyseren. De Dienstenrichtlijn werd in 2006 ingevoerd met als doel de handel en investeringen in diensten binnen de EU te bevorderen door ongerechtvaardigde regelgevende en administratieve belemmeringen weg te nemen. De Dienstenrichtlijn mikt meer bepaald op de opheffing van onnodige en zware belemmeringen voor de dienstenhandel in de eengemaakte markt. Er blijven echter een aanzienlijk aantal barrières bestaan en er zijn veel uitzonderingen (Europese Commissie, 2021; Barendregt & Wijffelaars, 2017). Barbero et al. (2022) gebruiken econometrische en modelleringstechnieken om de macro-economische impact te kwantificeren van hervormingen van de regelgeving die belemmeringen op de Europese interne markt voor diensten wegnemen tussen 2006 en 2017. De resultaten van de modelleringssimulaties geven aan dat de regelgevende hervormingen die tussen 2006 en 2017 werden doorgevoerd, zullen leiden tot een bbp-toename en een stijging van de werkgelegenheid.
Rol van bedrijfskenmerken
Handelsbelemmeringen treffen niet alle dienstverleners in gelijke mate. Bedrijfsgrootte, productiviteit en eerdere exportervaring lijken doorslaggevende factoren te zijn bij het aanpakken van handelsbelemmeringen at the border en behind the border (Benz et al., 2020; Rouzet et al., 2017).
De impact van regelgevende hindernissen op de exportvolumes is aanzienlijk minder negatief voor grotere bedrijven, wat aangeeft dat sommige van deze belemmeringen vaste exportkosten vertegenwoordigen die kleinere bedrijven ervan weerhouden om de export naar buitenlandse markten uit te breiden. Interne juridische expertise en bredere bestaande netwerken van zakenpartners in binnen- en buitenland zijn illustratief voor waarom grotere bedrijven beter kunnen omgaan met complexe en uitdagende regelgevingsomgevingen (Benz et al., 2020). Zeer productieve bedrijven zullen eerder uitbreiden naar meer restrictieve markten, terwijl minder productieve bedrijven de neiging hebben om te focussen op meer open markten (Rouzet et al., 2017).
5.6Econometrische resultaten
In deze Internationaliseringsmonitor zijn al verschillende factoren de revue gepasseerd die medebepalend zijn voor de omvang van dienstenexportstromen. In dit hoofdstuk hebben we bijvoorbeeld gezien dat virtuele nabijheid, een grotere economie alsook digitale adoptieve vaardigheden in het bestemmingsland positief correleren met de omvang van de dienstenexport naar dat land. Tegelijkertijd blijken belemmeringen zoals die geclassificeerd en gekwantificeerd zijn door de OESO en de Europese Commissie, maar ook bijvoorbeeld fysieke afstand, een negatief effect te hebben. Ook is al besproken dat bedrijfskenmerken een rol kunnen spelen. Om de relatieve rol van elk van die determinanten te wegen is het belangrijk om ze gelijktijdig mee te nemen in een econometrische regressie. Hoe de regressiemodellen zijn opgezet alsook de gedetailleerde econometrische resultaten van deze regressies staan beschreven in paragraaf 5.8.
Het blijft lastiger exporteren naar restrictievere sectoren
Ook nadat we rekening houden met diverse observeerbare en niet-observeerbare verschillen tussen bedrijven, dienstentypes, bestemmingslanden en jaren zien we dat de generieke index van belemmeringen voor de dienstenhandel zoals die wordt bepaald door de OESO significant negatief samenhangt met de omvang van de Nederlandse dienstenexport. Dit wil zeggen dat de gemiddelde Nederlandse dienstenexporteur meer (een hogere waarde) van een bepaalde dienst exporteert wanneer er in het bestemmingsland minder beperkende belemmeringen in die sector voorkomen, al het overige gelijkblijvend. Op die manier bevestigen deze resultaten dat de correlaties uit figuur 5.5.1 standhouden, ook nadat we andere factoren meewegen in de vergelijking. Deze regressieresultaten worden getoond in tabel 5.8.1, kolom 1.
De index van handelsbelemmeringen voor de dienstenhandel van de Europese Commissie laat daarentegen op het eerste oog geen significant effect van handelsbelemmeringen op de omvang van de dienstenhandel zien (tabel 5.8.1, kolom 2). Dit kan echter komen doordat verschillende groepen bedrijven op verschillende wijze last hebben van handelsbelemmeringen waarbij het “netto” effect van al deze groepen samen echter praktisch nul is. Dat blijkt hier inderdaad het geval. Voor bedrijven met een relatief lage arbeidsproductiviteit is het effect van handelsbelemmeringen (zoals gekwantificeerd door de EC Restrictiveness Indicator) op de omvang van de handel namelijk wel significant negatief (tabel 5.8.1, kolom 4). Deze resultaten laten dus zien dat laagproductieve bedrijven meer moeite hebben om handelsbarrières te slechten dan hoogproductieve bedrijven. Gebruikmakend van de OESO STRI zien we dergelijke verschillen tussen groepen bedrijven echter niet terug.
Verschillen tussen bedrijven en barrières spelen voorname rol
De hiervoor besproken resultaten hebben betrekking op de totaalindex die zowel de OESO als de EC hebben samengesteld. Zoals eerder besproken zijn dit gecombineerde indices, waarin verschillende gedetailleerde barrières zijn gebundeld. We kunnen echter ook onderzoeken wat de invloed is van deze gedetailleerde barrières op de omvang van de handel. De resultaten hiervan zijn getoond in tabel 5.8.2, kolom 1 en 2. Onze analyse toont aan dat het negatieve effect van belemmeringen zoals gemeten door de OESO met name veroorzaakt wordt door barrières die de competitie belemmeren (in Engels: barriers to competition).
Barriers to competition hebben bijvoorbeeld te maken met de mate waarin de regering de invloed van buitenlandse bedrijven aan banden kan leggen, door bijvoorbeeld grenzen te stellen aan het percentage buitenlands eigendom dat toegestaan wordt, maar bijvoorbeeld ook met de mate waarin een buitenlands bedrijf protest kan aantekenen tegen bepaalde regels waarvan het vindt dat die tot oneerlijke competitie leiden. In China is bijvoorbeeld de telecommunicatiesector strikt gereguleerd. Barriers to competition zijn de voornaamste vorm van handelsbeperkingen in deze sector (OESO, 2022a). Zo is het voor zowel buitenlandse als binnenlandse telecombedrijven moeilijk om op te boksen tegen Chinese overheidsbedrijven.
Gebruikmakend van de EC Restrictiveness Indicator zien we met name dat legal form requirements een grote rol spelen in de belemmering van de handel. Zo is het bijvoorbeeld in Oostenrijk voor architecten mogelijk om een kantoor op te richten, maar er zijn slechts bepaalde vennootschapsvormen toegestaan, waaronder de vorm van besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid.
Ook tariff requirements springen in het oog. Met tariff requirements worden bepaalde voorschriften bedoeld die tot gevolg hebben dat bedrijven niet de volledige vrijheid hebben in hun prijsstelling. In Duitsland is bijvoorbeeld de methode voor prijsbepaling van de diensten van architecten en ingenieurs vastgelegd (zie leeskader in paragraaf 5.1). In die zin zijn prijzen dus gereguleerd en hebben marktspelers te maken met een belemmering bij hun activiteiten op de Duitse markt.
In hoeverre zijn deze belemmeringen te linken aan markttoetreding of voortdurende operationele activiteiten zoals besproken in paragraaf 5.2? Nordas & Rouzet (2017) en Andrenelli et al. (2018) splitsen de verschillende typen belemmeringen op in categorieën, waarbij restricties op buitenlandse toegang, de internationale mobiliteit van mensen en “andere discriminatoire regels” betrekking hebben op markttoegang, terwijl barriers to competition en transparantie met name betrekking hebben op voortdurende operationele activiteiten. Deze lijn volgend is het te verklaren dat de barriers to competition ook in onze analyse naar voren komen als een significante belemmering voor de dienstenexport als het gaat om reeds bestaande handelsrelaties.
Ook de verschillende restricties die onderscheiden worden in de database van de Europese Commissie die een significant effect op de export van diensten blijken te hebben, zijn zaken die waarschijnlijk eerder achter de grens plaatsvinden. Dit onderscheid is echter niet direct te maken. Ook achter deze “specifieke” barrières gaat nog altijd veel heterogeniteit schuil, bijvoorbeeld tussen sectoren. Daarnaast zijn er ook gelijkenissen tussen de verschillende typen restricties, waardoor een simpele opdeling in toetredings- of operationele barrières niet altijd evident is.
De andere variabelen in de modellen tonen het verwachte beeld. Nederland exporteert significant meer naar landen met een hoog bnp en landen die dichterbij liggen. Dat het controleren voor bnp belangrijk is, blijkt wel wanneer deze variabele niet opgenomen wordt in de regressie. Dan wordt het significant negatieve effect van de STRI-index op de omvang van de dienstenexport namelijk insignificant. Dit impliceert dat landen die relatief strikte dienstensectoren hebben economisch groter van omvang zijn. Wanneer we daar geen rekening mee houden wordt het positieve effect van het hogere bnp deels geabsorbeerd door de STRI-variabele die een negatief effect heeft. Deze twee variabelen samen resulteren dan in een insignificant effect van STRI-index.
Kan dienstenhandel de zwaartekracht trotseren?
Het is al eerder in deze monitor aan bod gekomen: de aantrekkingskracht van een bestemmingsland wordt traditioneel bepaald door het bnp van, en de afstand tot dat land. Bij goederenhandel is het logisch dat afstand zo’n belangrijke determinant is. Goederen moeten namelijk fysiek getransporteerd worden, waar kosten en risico’s aan verbonden zijn. Bij dienstenhandel is die fysieke levering niet altijd nodig, waardoor het idee kan bestaan dat dienstenhandel deze zwaartekracht kan weerstaan.
Daar staat tegenover dat diensten, in tegenstelling tot goederen, niet opgeslagen kunnen worden. Er is daarom vaak live communicatie nodig om ze te leveren. Dat verklaart dat in de literatuur meerdere malen is aangetoond dat tijdzones een belangrijkere determinant zijn van dienstenhandel dan fysieke afstand. Bista & Tomasik (2017) laten bijvoorbeeld zien dat elk uur tijdsverschil leidt tot 7 procent minder dienstenhandel tussen de twee landen.
Een andere maatstaf voor afstand is virtuele afstand, die al eerder beschreven is in deze monitor. Een maatstaf die samenhangt met virtuele afstand is digitale adoptie. Hoe beter een land in staat is digitale technologieën tot zich te nemen, hoe beter uitgerust het is om diensten te produceren en te consumeren.
De vraag is dus niet alleen of dienstenhandel immuun is voor fysieke afstand, maar ook of er mogelijke andere vormen van het concept afstand zijn die meer geschikt zijn om de rol van afstand te kwantificeren in relatie tot de omvang van dienstenhandel. In de analyse zoals die beschreven staat in paragraaf 5.6 hebben we voor de afstandsvariabele vier verschillende maten gebruikt: geografische afstand, virtuele nabijheid, tijdzones en digitale adoptie. In hoeverre deze de export van diensten beïnvloeden, nadat we dus controleren voor de andere determinanten van dienstenexport, staat samengevat in tabel 5.8.3.
De resultaten laten duidelijk zien dat fysieke afstand toch het meest nadrukkelijk een negatief effect heeft op de omvang van de dienstenexport. Hoewel tijdzones en digitale adoptie eveneens significant samenhangen met dienstenhandel op de verwachte wijze is het effect van fysieke afstand statistisch sterker. Virtuele nabijheid blijkt daarentegen niet significant van invloed op de omvang van de dienstenhandel. Samenvattend zien we dus dat voor de Nederlandse dienstenexport fysieke afstand – net als bij goederenhandel – de meest beperkende dimensie van afstand is. Deze bevinding staat niet op zichzelf. Ondanks dat er in de literatuur wordt gewezen op het belang van andere dimensies van afstand dan de fysieke dimensie, is er ook voldoende empirisch onderzoek dat bevestigt dat fysieke afstand een voorname determinant van de omvang van dienstenhandel is (zie bijvoorbeeld Boulatoff et al., 2022).
5.7Samenvatting en conclusie
De aantrekkingskracht van buitenlandse afzetmarkten drijft bedrijven ertoe de stap over de grens te zetten. Daarbij worden bedrijven echter geconfronteerd met allerlei belemmeringen. Zo worden exporteurs van zowel goederen als diensten geconfronteerd met natuurlijke belemmeringen, zoals de geografische afstand tot het bestemmingsland, of verschillen in taal en cultuur. Voor goederenhandelaren zijn daarnaast tarifaire maatregelen die aan de grens gesteld worden een belangrijk punt. Daar heeft CBS al eerder onderzoek naar gedaan (zie bijvoorbeeld CBS, 2020).
In deze monitor richten we ons specifiek op dienstenhandelaren, voor wie belemmeringen met name voortkomen uit regelgeving die activiteiten op een bepaalde markt beperkt. Deze restricties kunnen niet alleen markttoetreding bemoeilijken, wat in het vorige hoofdstuk belicht werd, maar zeker ook bestaande activiteiten op de betreffende markt. In dit vijfde hoofdstuk ligt de nadruk op deze bestaande handelsrelaties en de mate waarin deze gevormd worden door handelsbelemmeringen. De OESO en de Europese Commissie hebben in afgelopen jaren geprobeerd om deze restricties te documenteren en te kwantificeren en daarmee per land en dienstensector een indicatie te geven van hoe restrictief de betreffende dienstensector is.
In dit hoofdstuk is deze informatie gekoppeld aan informatie over de exportactiviteiten van een select groepje grote Nederlandse dienstenhandelaren. Daarbij werd zichtbaar dat deze belemmeringen inderdaad een significant effect blijken te hebben op de omvang van de dienstenexport: bij hogere restricties horen lagere exportwaarden. Deze relatie blijft overeind wanneer we tegelijkertijd controleren voor andere voorname (bedrijf, land of sector) determinanten van dienstenexport.
Dit soort empirisch onderzoek naar de mate waarin handelsbelemmeringen de dienstenexport beïnvloeden is nog altijd schaars. Dat komt met name doordat data over de handel in diensten op bedrijfsniveau voor een beperkt aantal landen beschikbaar is, maar ook omdat dit soort handelsbelemmeringen veel lastiger te documenteren zijn dan bijvoorbeeld informatie over importtarieven. Deze complexe datasituatie voor dienstenhandel maakt dat het bijvoorbeeld ook niet evident is diep in te zoomen op heterogeniteit van bedrijven, sectoren of typen belemmeringen zoals dat bij analyses van de goederenhandel wel gangbaar is. Met het oog op toekomstig onderzoek omtrent deze thematiek is daarom van belang dat er meer gedetailleerde data beschikbaar komt over de dienstenhandel op zich en de belemmeringen daarbij. Dat biedt mogelijkheden om beter zicht te krijgen op de specifieke mechanismes die maken dat bedrijven beperkt of belemmerd worden in het internationaal zaken doen.
5.8Data en methoden
De voornaamste databronnen die ten grondslag liggen aan dit hoofdstuk zijn de zogenaamde responsdata. Dit is een steekproef die per kwartaal wordt uitgevoerd door CBS waarbij voor de grootste circa 950 bedrijven op gedetailleerd niveau informatie over dienstenhandel wordt uitgevraagd (zie tabel 5.2.1 en leeskader in paragraaf 5.2 voor meer informatie). Hier koppelen wij naast verschillende bedrijfskenmerken ook informatie over dienstenhandelsbelemmeringen aan. Deze zijn met name afkomstig van CEPII, de Europese Commissie en de OESO, die al eerder in dit hoofdstuk en deze monitor besproken zijn.
We gebruiken deze data om het effect van verschillende handelsbelemmeringen op de export van diensten te meten via de volgende op de literatuur geïnspireerde vergelijking te schatten:
Waarbij de export van bedrijf i en dienst j naar land d in jaar t verklaard wordt door de volgende factoren: een restrictie-index die ofwel van de OESO ofwel van de EC afkomstig kan zijn ( ), de arbeidsproductiviteit van het bedrijf, het aantal werknemers, een dummy variabele die aangeeft of een bedrijf de betreffende dienst ook importeert, of het bedrijf goederen exporteert, in buitenlandse handen is en of het bedrijf zelf een buitenlandse dochter in het bestemmingsland heeft. Verder controleren we nog voor het bnp van en de afstand tot het bestemmingsland en of het tot de Europese Unie behoort. Voor afstand gebruiken we verschillende maten, zoals fysieke afstand, virtuele nabijheid, de tijdzone waarin het land zich bevindt en de digitale adoptieve capaciteit van het land (zie ook leeskader in paragraaf 5.6). Naast deze observeerbare verschillen tussen bedrijven, dienstentypes, bestemmingslanden en jaren controleren we ook voor niet-observeerbare verschillen binnen deze groepen door middel van bedrijf, dienst, land en jaar fixed effects. De aanname is daarbij wel dat die verschillen niet significant veranderen door de tijd. Deze vergelijking wordt geschat middels een pseudo poisson maximum likelihood (PPML) schatter waarbij standaardfouten worden geclusterd op landniveau.
Verder kijken we in hoeverre de export van bijvoorbeeld bouwdiensten belemmerd wordt door restricties die van toepassing zijn in de bouwsector in het bestemmingsland. Dit is een gedetailleerdere identificatie dan in hoofdstuk 4 gebeurt. Daar gebruiken we de SBI van het bedrijf als indicatie voor het soort dienst dat het specifieke bedrijf exporteert. In dit hoofdstuk weten we daadwerkelijk welke dienst wordt geëxporteerd naar welk land waardoor de belemmeringen zuiverder gekoppeld kunnen worden aan de handelsrelaties.
Tabellen 5.8.1 t/m 5.8.3 tonen de resultaten. Tabel 5.8.1, kolom 1 en 2 tonen de resultaten van de samengestelde indices van de OESO en de Europese Commissie, terwijl kolom 3 en 4 deze index interacteren met productiviteit. Tabel 5.8.2 toont de typen barrières die schuil gaan onder de samengestelde indices. Tot slot toont tabel 5.8.3 de coëfficiënten van verschillende proxies voor afstand.
| (1) | (2) | (3) | (4) | |
|---|---|---|---|---|
| Algemene effect van de verschillende restrictie indices | ||||
| OESO STRI | –3,057*** | |||
| (t=–3,11) | ||||
| EC Restrictiveness Indicator | –1,501 | |||
| (t=–1,09) | ||||
| Effect per productiviteitsklasse | ||||
| OESO STRI | ||||
| Minst productieve bedrijven | –3,020** | |||
| (t=–2,12) | ||||
| Gemiddeld productieve bedrijven | –2,908*** | |||
| (t=–2,91) | ||||
| Meest productieve bedrijven | –3,134*** | |||
| (t=–3,16) | ||||
| EC Restrictiveness Indicator | ||||
| Minst productieve bedrijven | –3,098** | |||
| (t=–2,33) | ||||
| Gemiddeld productieve bedrijven | –1330 | |||
| (t=–1,05) | ||||
| Meest productieve bedrijven | –0,723 | |||
| (t=–0,41) | ||||
| Bedrijfsspecifieke factoren | ||||
| Arbeidsproductiviteit (log) | –0,0119 | –0,00351 | ||
| (t=–1,06) | (t=–0,19) | |||
| Werkzame personen (log) | 0,451*** | –0,0262 | 0,454*** | –0,0188 |
| (t=5,06) | (t=–0,16) | (t=5,05) | (t=–0,11) | |
| Import dummy-variabele | 1,248*** | 1,538*** | 1,247*** | 1,525*** |
| (t=10,48) | (t=5,24) | (t=10,45) | (t=5,24) | |
| Goederenexport dummy-variabele | 0,233** | 0,368** | 0,235** | 0,361** |
| (t=2,37) | (t=2,13) | (t=2,42) | (t=2,09) | |
| Buitenlandse eigendom dummy-variabele | 0,138 | 0,0184 | 0,097 | 0,0266 |
| (t=0,41) | (t=0,08) | (t=0,29) | (t=0,14) | |
| Dochters in land i | 0,511*** | 0,793*** | 0,511*** | 0,770*** |
| (t=8,00) | (t=4,21) | (t=7,93) | (t=4,11) | |
| Productiviteitsklasse 2 | –0,0544 | –0,0975 | ||
| (t=–0,24) | (t=–0,56) | |||
| Productiviteitsklasse 3 | –0,00137 | –0,0614 | ||
| (t=–0,01) | (t=–0,29) | |||
| Landpecifieke factoren | ||||
| bnp (log) | 0,463*** | 0,525*** | 0,463*** | 0,527*** |
| (t=9,69) | (t=3,32) | (t=9,69) | (t=3,35) | |
| Afstand (log) | –0,463*** | –0,488** | –0,463*** | –0,496** |
| (t=–5,21) | (t=–2,08) | (t=–5,20) | (t=–2,10) | |
| EU dummy-variabele | –0,703*** | 0,445** | –0,702*** | 0,430** |
| (t=–2,97) | (t=2,12) | (t=–2,97) | (t=2,09) | |
| Constante | 0,114 | –1,054 | 0,081 | –1,013 |
| (t=0,09) | (t=–0,32) | (t=0,07) | (t=–0,32) | |
| Aantal observaties | 137 397 | 8 302 | 137 397 | 8 302 |
t-statistieken tussen haakjes
*p<0,1; **p<0,05; ***p<0,01
Alle specificaties hebben bedrijf, type dienst en jaar fixed effects. Standaardfouten worden geclusterd op landniveau.
| (1) | (2) | |
|---|---|---|
| OESO STRI | ||
| Barriers to Competition | -8,358* | |
| (t=-1,67) | ||
| Other discriminatory measures | -2,711 | |
| (t=-0,65) | ||
| Regulatory transparency | 0,426 | |
| (t=0,14) | ||
| Restrictions on foreign entry | -0,288 | |
| (t=-0,28) | ||
| Restrictions on movement of people | 4,696** | |
| (t=2,35) | ||
| EC Restrictiveness Indicator | ||
| Advertising restrictions | -0,328 | |
| (t=-0,96) | ||
| Authorisation requirements | 0,0645 | |
| (t=0,44) | ||
| Authorisation schemes applicable in case of temporary service provision | -0,267 | |
| (t=-1,09) | ||
| Legal form requirements | -1,189*** | |
| (t=-2,96) | ||
| Multidisciplinary restrictions | -0,0716 | |
| (t=-0,10) | ||
| Shareholding requirements | 0,358 | |
| (t=1,04) | ||
| Tariff requirements | -0,929 | |
| (t=-1,47) | ||
| Unavailability of electronic procedure to complete formalities | -0,0868 | |
| (t=-0,29) | ||
| Constante | -1,736 | -1,930 |
| (t=-1,38) | (t=-0,77) | |
| Aantal observaties | 81 370 | 8 302 |
t-statistieken tussen haakjes
*p<0,1; **p<0,05; ***p<0,01
Bedrijfs- en landspecifieke controlevariabelen zoals in tabel 5.8.1 zijn meegenomen maar hun coëfficiënten worden hier niet getoond.
Alle specificaties hebben bedrijf, type dienst en jaar fixed effects. Standaardfouten worden geclusterd op landniveau.
| (1) | (2) | (3) | (4) | |
|---|---|---|---|---|
| Afstand (log) | –0,463*** | |||
| (t=–5,21) | ||||
| Virtuele nabijheid (log) | 0,208 | |||
| (t=1,32) | ||||
| Tijdzone | –0,0227** | |||
| (t=–2,09) | ||||
| Digitale adoptie index | 2,644* | |||
| (t=1,73) | ||||
| Constante | 0,114 | –2,516 | –3,332** | –6,172*** |
| (t=0,09) | (t=–1,04) | (t=–2,02) | (t=–6,03) | |
| Aantal observaties | 137 397 | 129 684 | 137 397 | 137 397 |
t-statistieken tussen haakjes
*p<0,1; **p<0,05; ***p<0,01
Bedrijfs- en landspecifieke controlevariabelen zoals in tabel 5.8.1 zijn meegenomen maar hun coëfficiënten worden hier niet getoond.
Alle specificaties hebben bedrijf, type dienst en jaar fixed effects. Standaardfouten worden geclusterd op landniveau.
5.9Bijlage
| Service sector OESO | ISIC Rev 4 | CBS SBI | CBS dienstensoort |
|---|---|---|---|
| Broadcasting | 591 + 602 | 60 | SK1X, SK11Y, SK11Z, SH4 |
| Motion pictures | 591 | 591 | SK1X, SK11Y, SK11Z, SH4 |
| Sound recording | 592 | 592 | SK1X, SK11Y, SK11Z, SH4 |
| Construction | 41 - 43 | 41 - 43 | SE1, SE2 |
| Courier | 53 | 53 | SC4 |
| Computer | 62 + 63 | 62 + 63 | SI2X, SI21Z, SH3, SI21Y, SI31, SI32 |
| Distribution | 46 + 47 | 46 + 47 | SJ34 |
| Commercial banking | 64 | 64 | SG1 |
| Insurance | 651 + 652 | 651 + 652 | SF11, SF12, SF13, SF2, SF3, SF41, SF42 |
| Logistics cargo-handling | 5224 | 5224 | SC3G, SC13, SC23, SC3B3, SC3C3, SC3D3 |
| Logistics customs brokerage | 5229 | 5229 | SC3G, SC13, SC23, SC3B3, SC3C3, SC3D3 |
| Logistics freight forwarding | 5229 | 5229 | SC3G, SC13, SC23, SC3B3, SC3C3, SC3D3 |
| Logistics storage and warehouse | 5210 | 5210 | SC3G, SC13, SC23, SC3B3, SC3C3, SC3D3 |
| Accounting | 692 | 692 | SJ212 |
| Architecture | 71 | 7111 | SJ311 |
| Engineering | 71 | 7112 | SJ312 |
| Legal | 691 | 691 | SJ211 |
| Telecom | 61 | 61 | SI1 |
| Road freight transport | 4923 | 494 | SC3C2 |
| Air transport | 51 | 51 | SC22 |
| Maritime transport | 5012 | 502 | SC12 |
| Rail freight transport | 4912 | 492 | SC3B2 |
| Service sector Europese Commissie | CBS SBI | CBS dienstensoort |
|---|---|---|
| Accounting and tax advisory services | 692 | SJ212 |
| Architectural services | 7111 | SJ311 |
| Engineering services | 7112 | SJ312 |
| Legal services | 691 | SJ211 |
| Real estate agents | 68 | SJ35 |
| Travel agencies | 791 | SJ35 |
| Tourist guides | 799 | SJ35 |
| Restaurants | 561 | / |
| Hotels | 551 | / |
| Construction (general contractors) | 41 + 42 | SE1 + SE2 |
| Construction (electricians and plumbers) | 4321 + 4322 | SE1 + SE2 |
| Retail | 47 | SJ34 |
| Wholesale retail | 46 | SJ34 |
5.10Literatuur
Literatuur
Andrenelli, A., Cadestin, C., Backer, De, K., Miroudot, S., Rigo, D. & Ye, M. (2018). Multinational production and trade in services. OECD Trade Policy Papers, No. 212. Parijs: OECD Publishing.
Australian Government (2015). Barriers to Growth in Service Exports. Productivity Commission Research Report.
Barbero, J., Bengyuzov, M., Christensen, M., Conte, A., Salotti, S. & Trofimov, A. (2022). A general equilibrium analysis of the economic impact of the post-2006 EU regulation in the services sector. JRC Working Papers on Territorial Modelling and Analysis No. 03/2022. Sevilla: Europese Commissie, JRC128322.
Barendregt, E. & Wijffelaars, M. (2017). De interne markt is een onvoltooid succes. ESB, 102(4754S), 73–76.
Benz, S. & Gonzales, F. (2019). Intra-EEA STRI Database: Methodology and Results. OECD Trade Policy Papers, No. 223. Paris: OECD Publishing.
Benz, S., Rouzet, D. & Spinelli, F. (2020). Firm heterogeneity in services trade: Micro-level evidence from eight OECD countries. The World Economy, 43(11), 2905–2931.
Berg, van den, M. & Franssen, L. (2021). NTM’s: een investering in kwaliteit? In S. Creemers, M. Jaarsma & J. Rooyakkers (Red.), Internationaliseringsmonitor 2021, derde kwartaal: Niet-tarifaire maatregelen: Een investering in kwaliteit. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.
Berg, van den, M., Boutorat, A., Franssen, L. & Mounir, A. (2022). Intermittent exporting: unusual business or business as usual? Review of World Economics, 1–26.
Bista, R. & Tomasik, R. (2017). Time zone effect and the margins of exports. The World Economy, 40(6), 1053–1067.
Boulatoff, C., İşcan, T. B. & Kotlyarova, Y. (2022). Does Distance Matter for Trade in Services? The Case of Interprovincial Trade in Canada. Open Economies Review, 33(1), 157–185.
Boutorat, A., Franssen, L., Mounir, A. & Berg, van den, M. (2019). Incidentele handelaren: wie zijn ze en wat onderscheidt ze. In M. Jaarsma & A. Lammertsma (Red.), Internationaliseringsmonitor 2019, tweede kwartaal: Patronen in Handelsgedrag. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.
CBS (2020). Internationaliseringsmonitor 2020, derde kwartaal: Internationale handel in diensten en R&D. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.
Chung, J. (2011). The Geography of Global Internet Hyperlink Networks and Cultural Content Analysis. Dissertation, University at Buffalo.
Crozet, M., Milet, E. & Mirza, D. (2016). The impact of domestic regulations on international trade in services: Evidence from firm-level data. Journal of Comparative Economics, 44(3), 585–607.
Dincer, N. N. & Tekin-Koru, A. (2020). The effect of border barriers to services trade on goods trade. The World Economy, 43(8), 2093–2118.
Egger, P. & Shingal, A. (2021). Determinants of services trade agreement membership. Review of World Economics, 157(1), 21–64.
Europese Commissie (2022). Access2Markets Guide for export of services.
Hellmanzik, C. & Schmitz, M. (2016). Gravity and international services trade: the impact of virtual proximity. ETSG 2016 Paper, Helsinki.
Jayasooriya, S. P. (2021). Bayesian Gravity Model for Digitalization on Bilateral Trade Integration in Asia. ADBI Working Paper 1232. Tokyo: Asian Development Bank Institute.
Jozepa, I., Ward, M. & Harari, D. (2019). Trade in services and Brexit. Briefing Paper, Number 8586. House of Commons Library.
Jungmittag, A. & Marschinski, R. (2020). Service Trade Restrictiveness and Foreign Direct Investment: Evidence from Greenfield FDI in Business Services. JRC report, EUR 30399 EN. Luxemburg: Publications Office of the European Union.
Kimura, F. & Lee, H. (2006). The Gravity Equation in International Trade in Services. Review of World Economics, 142, 92–121.
Kox, H. & Lejour, A. (2005). Regulatory heterogeneity as obstacle for international services trade. CPB Discussion Paper, No. 49. Den Haag: Centraal Planbureau.
Laagland, F. (2020). Bindende minimumtarieven voor echte zelfstandigen: een analyse van Nederlands en Europees recht. Arbeidsrechtelijke Annotaties, 14(3), 26–49.
Loungani, P., Mishra, S., Papageorgiou, C. & Wang, K. (2017). World Trade in Services: Evidence from A New Dataset. IMF working paper, WP/17/77.
Marel, van der, E. & Shepherd, B. (2013). Services Trade, Regulation and Regional Integration: Evidence from Sectoral Data. The World Economy, 36(11), 1393–1405.
Monteagudo, J., Rutkowski, A. & Lorenzani, D. (2012). The economic impact of the Services Directive: A first assessment following implementation. Economic Papers 456. Brussel: Europese Commissie.
Nordås, H. K., Miroudot, S. & Lanz, R. (2008). Entry barriers and the extensive margin: Estimating trade restrictiveness from trade flows and lack thereof. OECD Technical Workshop on Trade Barrier Assessment Methodology. Parijs: OESO.
Nordås, H. K. & Rouzet, D. (2017). The impact of services trade restrictiveness on trade flows. The World Economy, 40(6), 1155–1183.
OESO (2022). Services Trade Restrictiveness Index Regulatory Database. [Database]. Geraadpleegd op 19 mei 2022.
Rouzet, D., Benz, S. & Spinelli, F. (2017). Trading firms and trading costs in services: Firm-level analysis. OECD Trade Policy Papers, No. 210. Parijs: OECD Publishing.
Strick (2019). Dwingende wettelijke regelgeving m.b.t. honorarium architecten en ingenieurs in strijd met Europees recht. Kleve, Duitsland: STRICK Rechtsanwälte & Steuerberater.
Tinbergen, J. (1962). Shaping the World Economy. New York: The Twentieth Century Fund.
Walsh, K. (2006). Trade in Services: Does Gravity Hold? A Gravity Model Approach to Estimating Barriers to Services Trade. Discussion Paper, No. 183. Dublin: Institute for International Integration Studies.
WTO (2019). World Trade Report 2019: The future of services trade. Genève: World Trade Organisation.
Noten
Een buitenlandse investering in een nieuw op te richten buitenlands filiaal, die daarbij nog helemaal van de grond af moet worden opgebouwd.