Uitbesteden van werk aan het buitenland door bedrijven in Nederland

Het verplaatsen van bedrijfsactiviteiten naar het buitenland is een van de meest zichtbare kenmerken van de globalisering, en roept veel vragen en ook zorgen op over de gevolgen voor het bedrijfsleven en de werkgelegenheid in Nederland. Hoeveel bedrijven in Nederland verplaatsen activiteiten naar het buitenland? Om wat voor type activiteiten gaat dit? Hoeveel en welke banen verdwijnen daardoor uit Nederland? En krijgen we er ook (andere type) banen voor terug? Daarnaast speelt de vraag of dit proces door de tijd verandert. Bedrijven verplaatsen al tientallen jaren activiteiten naar het buitenland.  Zit er verandering in de omvang van verplaatsing, het type activiteit en het aantal banen dat naar het buitenland verdwijnt? En halen bedrijven ook weer eerder verplaatste bedrijfsonderdelen terug naar Nederland? Kortom, in dit hoofdstuk bespreken we de stand van zaken rondom internationaal verplaatsen anno 2014-2016.

3.1Inleiding

Afgelopen Tweede Kamerverkiezingen was het wederom een issue: banen die naar het buitenland verdwijnen, en wat de politiek doet om ook Nederlanders aan het werk te houden (RTL Nieuws, 2017). Niet alleen arbeiders in meer praktische functies zoals fabrieksarbeiders maken zich zorgen over het verdwijnen van hun banen naar lagere loonlanden. Ook steeds meer werknemers in backoffice functies voelen de hete adem van offshoring in hun nek, of hebben hun baan hier al aan verloren.

Foto omschrijving: Mensen met vermoedelijk traditioneel indiase kleding op de gang in een modern kantoorgebouw.

30 duizend banen gingen in 2014-2016 verloren als gevolg van het verplaatsen van werkzaamheden
20 duizend arbeidsplaatsen verdwenen in de industrie door verplaatsingen naar het buitenland

Westerse economieën onder druk

In 2010 berekende adviesbureau Hackett Group dat offshoring van backoffice functies in bijvoorbeeld IT, finance en HR sinds 2008 al 1,1 miljoen banen had gekost in de VS en Europa (Hackett Group, 2010). Tussen 2000 en 2010 had offshoring in deze functies bij bedrijven met meer dan 1 miljard dollar omzet voor een afname van 46 procent van het aantal backoffice banen gezorgd, en het ontslagcijfer door offshoring was elk jaar sneller gestegen. Het adviesbureau voorspelde dat nog vele banen uit Europa en de VS zouden verdwijnen als gevolg van uitbesteding.

In 2004 stelde het World Economic Forum (WEF) al dat de Nederlandse economie, productiviteit en beroepsbevolking onder druk stonden door uitbesteding van activiteiten in de dienstensector aan het buitenland (WEF, 2004). De ICT-sector was een van de meest in het oog springende dienstensectoren waar de uitstroom van banen naar lagelonenlanden onverminderd doorzette, zoals Ernst & Young in hun ICT Barometer (Infoworld Redactie, 2006) rapporteerden. India is vaak de belangrijkste bestemming voor deze banen. Zo kondigde telecombedrijf KPN in 2011 aan 5000 banen te schrappen, omdat bedrijven in India deze functies beter en goedkoper zouden kunnen uitvoeren (Keuning & Stoker, 2011).

Kamervragen

Kamerlid Heerma (CDA) stelde in april 2014 Kamervragen naar aanleiding van een bericht in het Financieel Dagblad over het onverminderd doorzetten van offshoring door bedrijven in Nederland en de uitbreiding ervan naar de dienstensector en het midden- en klein bedrijf (Asscher, 2014). Regelmatig halen bekende bedrijven in Nederland het nieuws vanwege banen die naar het buitenland verdwijnen. In 2016 kwam ING in het nieuws omdat tot 2021 ongeveer 2300 van de 15 duizend banen in Nederland zullen gaan verdwijnen. ING noemde voortschrijdende digitalisering als voornaamste reden, maar ook verplaatsing naar lageloonlanden leek aan de orde (Haegens, 2016). Vorig jaar haalde KLM het nieuws omdat het bedrijf aankondigde de boekhouding goeddeels naar Hongarije en India te willen verplaatsen (Stil, 2017).  Ook Philips Lighting halveerde haar vestiging in Winterswijk en verplaatste de productie naar het veel goedkopere Hongarije en de researchafdeling naar Polen (Tubantia.nl, 2017). Door sluiting van de Siemens vestiging in Hengelo zijn 600 Nederlandse banen verdwenen (Nu.nl, 2017).

Begin dit jaar stelden een drietal VVD Kamerleden Kamervragen naar aanleiding van een ander bericht in het Financieel Dagblad over het wegtrekken van maakbedrijven naar India wegens een groeiend gebrek aan Nederlandse ingenieurs (Keijzer & Engelshoven, 2018). De discussie over gebrek aan gekwalificeerd personeel werd eerder ook over de ICT gevoerd, en bevindingen van het UWV ondersteunden deze discussie in de zin dat ook zij een mismatch tussen vraag en aanbod in deze sector op de arbeidsmarkt registreerden (Elskamp, 2014; Nu.nl, 2015).

Verplaatsingen van bedrijfsactiviteiten en het verlies aan werkgelegenheid dat daarmee gemoeid is, zijn dus onderwerp van zowel economische als politieke discussie, en veroorzaken een duidelijk publiek sentiment. Er is daardoor een besliste maatschappelijke behoefte aan feitelijk inzicht in de mate van offshoring en de gevolgen daarvan voor de economie en werkgelegenheid, op nationaal niveau en ook voor verschillende doelgroepen.

Terughalen van bedrijfsactiviteiten

Ook aan cijfers over het terughalen van bedrijfsactiviteiten uit het buitenland (reshoring) is behoefte (Asscher, 2014b). Een aantal enquêtestudies en casuïstiek beschrijvingen in de media vestigden de aandacht op dit fenomeen dat in de Verenigde Staten al langer een trend was. In 2013 berekende TNS Nipo in opdracht van het Financieel Dagblad en Nieuwsuur dat ongeveer 10 procent van het midden- en kleinbedrijf (MKB) dat eerder activiteiten naar het buitenland verplaatste, deze ook weer terughaalde naar Nederland (NOS, 2013). Philips is een bekend voorbeeld van reshoring: zij haalden de productie van scheermachines uit China terug naar Drachten. Ook bedrijven als Interfocus, NeoFos en K&M Yachtbuilders haalden de productie van respectievelijk houtkachels, led-buizen en jachten terug naar Nederland (Janssen, 2014). Dit zijn aansprekende voorbeelden. Maar De Raat (2014) noemde het in de NRC ‘… eerder iets waar veel over gesproken en geschreven wordt dan dat het daadwerkelijk een trend is.’  En arbeidseconoom en onderzoeker Ronald Dekker van het ReflecT instituut van de Universiteit Tilburg benadrukte in verband met werkgelegenheid door reshoring: ‘Puur zakelijk is het vaak zinvol om een dure machine te kopen en met minder mensen te werken.’ (Janssen, 2014). De vraag is dus in hoeverre reshoring in Nederland daadwerkelijk een trend is en hoeveel werkgelegenheid het oplevert.

CBS-enquête

Het CBS voerde vorig jaar voor de derde keer de enquête ‘Internationale organisatie en het verplaatsen van bedrijfsactiviteiten’ uit. Deze enquête onderzoekt in welke mate bedrijven aan offshoring doen, wat dat voor de werkgelegenheid betekent en of bedrijven ook aan reshoring doen. Offshoring omvat zowel internationaal insourcen (het verplaatsen van bedrijfsactiviteiten naar het buitenland binnen het eigen concern) als internationaal outsourcen (het verplaatsen van bedrijfsactiviteiten naar het buitenland buiten het eigen concern). Reshoring betreft het terughalen van eerder naar het buitenland verplaatste bedrijfsonderdelen naar Nederland. De onderzochte periode betrof 2014 tot en met 2016. Het CBS deed tweemaal eerder onderzoek naar offshoring, in 2007 (over de periode 2001-2006) en in 2012 (over de periode 2009-2011).

Voordat we inzoomen op de periode 2014-2016, blikken we kort terug op de resultaten van de twee eerdere onderzoeken naar offshoring en de aanvullende analyses met deze data. Vervolgens presenteren we de resultaten van de 2014-2016 enquête, gevolgd door een discussie en conclusie. Het hoofdstuk eindigt met een korte beschrijving van de gebruikte data, methoden en literatuur.

3.2Internationale verplaatsingen in 2001-2006

In de periode 2001-2006 verplaatste 14 procent van de bedrijven met meer dan 100 werknemers in Nederland activiteiten naar het buitenland. Het waren vooral bedrijven uit de industrie die hun productie van goederen naar het buitenland verplaatsten. De besparing van (loon-) kosten was voor bedrijven het voornaamste motief om activiteiten te offshoren (Van Gessel et al., 2008).

Hoogproductieve bedrijven verplaatsen eerder

Analyses naar de effecten van offshoring op werkgelegenheid lieten zien dat de groei van werkgelegenheid afnam in bedrijven die internationaal verplaatsten, maar dat de lonen van de overgebleven werknemers in deze bedrijven stegen (Bongard, 2011). Dit leek te komen door een toename van het aandeel hoog betaalde banen in deze bedrijven, terwijl laag-betaalde en laag-geschoolde banen eerder verplaatst leken te worden (Bongard, 2011). Als mogelijke verklaring werd gegeven dat een betere concurrentiepositie en verhoogde productiviteit van deze bedrijven er voor zou kunnen zorgen dat zij meer productiviteit verhogende activiteiten gingen uitvoeren zoals export en R&D (CBS, 2010).

Een analyse van het Centraal Planbureau liet echter zien dat juist bedrijven die al productiever waren eerder internationaal gingen verplaatsen dan bedrijven die minder productief waren (Möhlmann & de Groot, 2013). Deze hoogproductieve bedrijven verplaatsten vooral ondersteunende activiteiten zoals IT of administratie. Bedrijven die hun hoofdactiviteit zoals productie internationaal uitbesteedden, kregen juist eerder een verlaagde productiviteit. De onderzoekers suggereerden dat offshoring van hoofdactiviteiten mogelijk minder succesvol was dan de betreffende bedrijven van tevoren dachten (Möhlmann & de Groot, 2013). Dit is waarschijnlijk een van de redenen waarom sommige bedrijven activiteiten – die zij eerder naar het buitenland verplaatst hebben – weer terug halen naar Nederland of Europa.

Effect op werkgelegenheid gemixt

Möhlman en de Groot (2012) onderzochten op basis van de 2007 enquête eveneens de effecten van offshoring op werkloosheid. Zij vonden dat werknemers bij bedrijven – die internationaal uitbesteedden – 32 procent minder kans hadden hun baan kwijt te raken dan werknemers bij bedrijven die niet internationaal uitbesteedden. Als mogelijke verklaring gaven zij dat bedrijven die offshoren in staat zijn om te groeien en meer capaciteit nodig hebben om de contracten rondom internationaal verplaatste activiteiten te managen. Ook Berghuis (2014) vond in een kleine enquête dat offshoring een positief effect had op de werkgelegenheid bij het bedrijf doordat het leidde tot een toename van het aantal regiefuncties zoals management en inkopers in het moederbedrijf. Möhlman en de Groot (2012) vonden echter ook dat werknemers die wel werkloos waren geraakt nadat hun bedrijf internationaal verplaatst had, minder kans hadden op het vinden van een nieuwe baan dan werknemers die werkloos waren geraakt bij een bedrijf dat niet internationaal activiteiten verplaatste. Waarschijnlijk komt dit doordat de functies van deze werknemers in z’n algemeenheid naar het buitenland waren verdwenen. 

Samengevat verplaatsten bedrijven in de periode 2001-2006 dus met name productieactiviteiten naar het buitenland met de motivatie om kosten te besparen. Het effect van dit offshoren op de arbeidsproductiviteit leek gemixt. Bedrijven die al productiever waren voordat ze activiteiten naar het buitenland verplaatsten, leken eerder geneigd activiteiten te verplaatsten dan bedrijven die minder productief waren. Ook verplaatsten zij dan vooral ondersteunende activiteiten zoals administratie. Bij bedrijven die productie uitbesteedden, leidde dit gemiddeld tot een lagere productiviteit dan voor het verplaatsen. Het verplaatsen van ondersteunende activiteiten had geen significant effect op de productiviteit. Ook het effect van offshoren op de werkgelegenheid was niet eenduidig, en leek te neigen naar negatievere effecten voor laag geschoolde/betaalde banen en positievere effecten voor hoger betaalde banen.

3.3Internationale verplaatsingen in 2009-2011

In de periode 2009-2011 was het aandeel bedrijven met meer dan 100 werknemers dat activiteiten naar het buitenland verplaatste lager dan in 2001-2006, namelijk 10 procent. De meetperiode was echter ook aanzienlijk korter, dus een directe 1-op-1 vergelijking is hier niet goed mogelijk. Bedrijven verplaatsten voornamelijk binnen Europa, en de reductie van loonkosten was nog steeds het belangrijkste motief. Ten opzichte van 2001-2006 was een verschuiving zichtbaar van het uitbesteden van de hoofdactiviteit (productie of diensten) naar het uitbesteden van ondersteunende activiteiten. Verplaatste in 2001-2006 nog bijna 55 procent van de bedrijven met offshoring hun hoofdactiviteit, in 2009-2012 was dat gezakt naar net boven de 40 procent. Het percentage van de bedrijven met offshoring dat ondersteunende activiteiten uitbesteedde, steeg van 67 in 2001-2006 naar 70 procent in 2009-2011. Zij verplaatsten voornamelijk activiteiten in de ICT en administratie. Net als in 2001-2006 verplaatsten vooral bedrijven in de industrie internationaal. Europees gezien zat Nederland in 2009-2011 bij de middenmoters qua offshoren: o.a. Denemarken, Finland, België en Portugal rapporteerden hogere maten van offshoring dan Nederland (Bongard, Rooijakkers & van Berkel, 2013).

Tegenvallend financieel resultaat

Temmink (2015) onderzocht de effecten van internationaal verplaatsen op het financiële resultaat van bedrijven en vond dat bedrijven die activiteiten internationaal verplaatsten gemiddeld geen beter -en soms zelfs lager- financieel resultaat behaalden dan bedrijven die dit niet deden. Een van de redenen hiervoor zou kunnen zijn dat de transactiekosten gerelateerd aan offshoring zo hoog zijn dat ze andere besparingen teniet doen. Dit is ook een van de mogelijke verklaringen voor het terughalen van activiteiten uit het buitenland. Over de periode 2009-2011 rapporteerde slechts een klein deel van de bedrijven (1,2 procent) eerder verplaatste activiteiten terug te hebben gehaald naar Nederland (Bongard & Rooijakkers, 2013). Hoeveel bedrijven in Nederland in deze periode activiteiten terughaalden van buiten Europa naar andere Europese landen is niet bekend.

Zorg over werkgelegenheid gedeeltelijk gegrond

Temmink & Lemmers (2015) onderzochten het effect van internationaal verplaatsen in deze periode op werkgelegenheid en concludeerden dat de zorg over met offshoring verdwijnende werkgelegenheid gedeeltelijk gegrond leek. Vooral bedrijven die hoofdactiviteiten naar het buitenland verplaatsten, leken te krimpen in het aantal arbeidsplaatsen in Nederland. Voor bedrijven die ondersteunende activiteiten verplaatsen was dat niet het geval. Ook in andere Europese landen viel de groei van de werkgelegenheid bij bedrijven die in deze periode activiteiten internationaal verplaatsten fors lager uit dan bij bedrijven die dat niet deden (Boegh Nielsen & Tilewska, 2011). In vergelijking met het eerder genoemde onderzoek van Bongard (2011) over de periode 2001-2006 was de afname van werkgelegenheid door offshoring in de periode 2009-2011 in Nederland wel kleiner. Mogelijk dat de economische crisis voor enigszins ander resultaat zorgde (Temmink & Lemmers, 2015).

Samengevat verplaatsten in 2009-2011 minder bedrijven activiteiten naar het buitenland dan in 2001-2006 (maar de meetperiode was ook korter) en er was een verschuiving zichtbaar in de richting van meer verplaatsingen van ondersteunende activiteiten. Bedrijven die activiteiten naar het buitenland verplaatsten, haalden geen betere financiële resultaten dan bedrijven die dit wel deden. Ook lieten zij over het algemeen een afname of kleinere groei van het aantal arbeidsplaatsen in Nederland zien, vooral als er productie naar het buitenland werd verplaatst. Een beperkt deel van de bedrijven haalde eerder verplaatste activiteiten terug naar Nederland.

3.4Internationale verplaatsingen in 2014-2016

In de periode 2001-2006 verplaatste 14 procent van de bedrijven met meer dan 100 werknemers in Nederland activiteiten naar het buitenland. Het waren vooral bedrijven uit de industrie die hun productie van goederen naar het buitenland verplaatsten. De besparing van (loon-) kosten was voor bedrijven het voornaamste motief om activiteiten te offshoren (Van Gessel et al., 2008).

Het huidige onderzoek over de periode 2014-2016 is de derde editie van de enquête naar offshoring, en een voortzetting van de twee eerdere onderzoeken uit 2007 en 2012. Als gevolg van doorontwikkeling verschilt de methodiek van deze editie iets ten opzichte van de vorige (zie de paragraaf data en methoden). In dit hoofdstuk presenteren we de eerste voorlopige resultaten van deze enquête en bekijken we de volgende onderzoeksvragen voor de periode 2014-2016:

  1. Hoeveel en welke bedrijven verplaatsten bedrijfsactiviteiten naar het buitenland, of  terug?
  2. Welke activiteiten werden verplaatst?
  3. Waar naartoe?
  4. Welke beweegredenen en belemmeringen speelden daarbij een rol?
  5. En hoeveel banen waren hiermee gemoeid?

Gezien de tendensen in 2001-2006 en 2009-2011 is de verwachting dat de verschuiving van verplaatsing van hoofdactiviteiten naar ondersteunende activiteiten verder doorzet, vooral in de industrie. Het is aannemelijk dat veel mogelijkheden tot verplaatsing van productie al benut zijn, en dat bedrijven besparingen op (loon-)kosten nu zoeken in het verplaatsen van ondersteunende activiteiten. Ook de dalende trend van het aandeel bedrijven dat aan offshoring doet, zal mogelijk dus doorzetten. Dit zijn resultaten die afgelopen periode (2014-2016) ook in Denemarken werden gevonden (Boegh Nielsen & Mansson, 2017).

Ruim 500 bedrijven

Van de 8 595 bedrijven met 50 of meer werknemers in de onderzochte populatie, verplaatste 6 procent (ruim 500 bedrijven) bedrijfsonderdelen naar het buitenland in de periode 2014-2016, zie grafiek 3.4.1. Dit is lager dan in 2009-2011 toen 10 procent van de bedrijven activiteiten naar het buitenland verplaatsten. In de industrie waren in verhouding meer bedrijven die internationaal verplaatsten dan in de overige sectoren (diensten, handel en bouw), namelijk 11,4 procent versus 4,4 procent. Het merendeel van de bedrijven deed aan insourcing: zij verplaatsten bedrijfsactiviteiten naar het buitenland binnen het eigen concern. Bij meer dan 75 procent van de verplaatsende bedrijven was dit het geval.

In de periode 2009-2011 bestond de onderzochte populatie bedrijven zoals eerder gezegd alleen uit bedrijven met meer dan 100 werknemers. Internationale verplaatsingen bij bedrijven met 50 tot 100 werknemers zijn toen niet gemeten. De verwachting is dat kleinere bedrijven echter minder offshoren dan grotere bedrijven. Een uitsplitsing van het aandeel bedrijven dat internationaal uitbesteedt naar grootteklasse bevestigt dit. Grotere bedrijven verplaatsten in 2014-2016 vaker bedrijfsonderdelen naar het buitenland dan kleinere bedrijven. Bij bedrijven met meer dan 100 werknemers was het percentage bedrijven met offshoring 8,7. Dit is hoger dan de 6 procent bij het totaal van 50 of meer werknemers, maar nog altijd lager dan de 10 procent in 2012. De daling van het aandeel bedrijven dat activiteiten verplaatste lijkt dus zoals verwacht door te zetten van 2009-2011 naar 2014-2016.

6% van de ondernemingen in Nederland verplaatste bedrijfsonderdelen gedurende 2014-2016.

Buitenvorm Binnenvorm

Buitenlandse bedrijven minder honkvast

Vooral bedrijven in Nederland met een buitenlands moederbedrijf verplaatsten activiteiten naar het buitenland. Bij bedrijven met een moederbedrijf in de EU verplaatste 18 procent van de bedrijven activiteiten naar het buitenland. Bij bedrijven met een moederbedrijf buiten de EU was dit zelfs 23 procent. Ongeveer een kwart van de bedrijven was in buitenlandse handen. Bedrijven in Nederland zonder (buitenlands) moederbedrijf verplaatsten veel minder vaak activiteiten naar het buitenland. In 2014-2016 was dit 3 procent. Bedrijven in Nederlandse handen lijken dus meer honkvast dan bedrijven in buitenlandse handen. Nederlandse bedrijven verplaatsten voornamelijk productie. Bedrijven met een buitenlands moederbedrijf verplaatsten vooral administratieve en managementactiviteiten.

3% van de ondernemingen in Nederlandse handen verplaatste bedrijfsonderdelen.

Buitenvorm Binnenvorm

Administratieve- en managementtaken vaakst verplaatst

In totaal verplaatsten meer dan 500 bedrijven in Nederland activiteiten naar het buitenland gedurende de periode 2014-2016. Ongeveer 43 procent van deze bedrijven besteedde (een deel van) hun hoofdactiviteit uit (productie of dienstverlening) en ongeveer 71 procent een ondersteunende activiteit. Deze percentages zijn vergelijkbaar met de percentages in 2009-2011. Bijna 40 procent van de bedrijven verplaatste beide type activiteiten. In de industrie lag de nadruk wat meer op het offshoren van de hoofdactiviteit, in de overige sectoren verplaatsten bedrijven voornamelijk ondersteunende activiteiten, zie grafiek 3.4.2. In de industrie lijkt de balans ten opzichte van 2009-2011 dus tegen de verwachtingen in wat meer teruggeschoven te zijn naar verplaatsingen van productie. In de overige sectoren is de balans wel verder doorgeschoven naar het verplaatsen van ondersteunende activiteiten.

In totaal besteedden bedrijven het vaakst administratieve en managementactiviteiten uit aan het buitenland, gevolgd door de hoofdactiviteit, zie grafiek 3.4.3. Meer dan 250 bedrijven verplaatsten administratieve en management functies naar het buitenland. Onder administratieve en managementdiensten vallen verschillende back-office functies zoals bijvoorbeeld accountants, controllers en HR-managers, maar ook coördinatie van andere activiteiten zoals ICT- en helpdeskfuncties. Het minst verplaatsten bedrijven R&D activiteiten naar het buitenland.

Europa belangrijkste bestemming

Bedrijven kozen het vaakst voor een andere Europees land om activiteiten naar toe te verplaatsen, zie grafiek 3.4.4. Dit gold zowel voor hoofdactiviteiten als voor ondersteunende activiteiten van een bedrijf. De oorspronkelijke Europese lidstaten (EU-15) waren de meest populaire bestemming binnen Europa, gevolgd door de nieuwe Europese lidstaten (EU-13). Meer dan de helft van de bedrijven met internationale verplaatsingen, verplaatste een of meerdere activiteiten naar een van de oorspronkelijke Europese lidstaten. India was de belangrijkste bestemming buiten Europa, met meer dan 20 procent van de bedrijven met verplaatsingen. Ook in 2009-2011 was Europa de belangrijkste bestemming, het aandeel bedrijven dat hiervoor koos lag toen nog wat hoger, namelijk 67 procent. India was toen eveneens de belangrijkste bestemming buiten Europa, maar met minder dan 15 procent.

India populair voor diensten

De verdere opkomst van India als bestemming voor offshoring heeft te maken met een toename in het verplaatsen van ondersteunende activiteiten naar dit land. Bedrijven verplaatsten vooral administratie- en management activiteiten en IT naar India. Maar ook voor verplaatsing van de hoofdactiviteit ‘levering van diensten voor de markt’ was India een relatief populaire bestemming. Een uitsplitsing naar industrie versus de overige sectoren laat zien dat voornamelijk bedrijven uit de overige sectoren naar dit gebied verplaatsten, zie grafiek 3.4.5.

Productie minder naar China

Voor het verplaatsen van hoofdactiviteiten waren de overige Aziatische landen en Oceanië na de EU-15 en EU-13 de vaakst gekozen bestemming. Dit is volledig toe te schrijven aan verplaatsingen door bedrijven uit de industrie die productie naar dit gebied verplaatsen. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat de lonen in China en India tegenwoordig hoger liggen dan in andere Aziatische landen, waardoor deze groep landen een aantrekkelijkere bestemming voor productie zijn geworden.

Besparing kosten belangrijkste motief

Besparing op loonkosten was net als in de voorgaande edities van de enquête het belangrijkste motief voor verplaatsen van bedrijfsactiviteiten naar het buitenland, gevolgd door strategische besluiten genomen door het moederbedrijf, zie grafiek 3.4.6. In dit laatste geval betrof het bedrijven in Nederland die in opdracht van hun moederbedrijf in het buitenland activiteiten vanuit Nederland naar het buitenland verplaatsten. Ook besparing van andere kosten dan loonkosten was een belangrijk motief voor verplaatsing. In 2012 noemden bedrijven deze motieven voor verplaatsingen eveneens het vaakst (Bongard & Rooijakkers, 2013). 

Als belangrijkste belemmering voor internationaal verplaatsen noemden bedrijven de noodzaak om nabijheid tot bestaande klanten te behouden, zie grafiek 3.4.7. Ook wettelijke of bestuurlijke belemmeringen en bezorgdheid over de uiteindelijke kosten van de operatie werden relatief vaak genoemd.

Ruim 30 duizend banen verplaatst

In totaal gingen in 2014-2016 meer dan 30 duizend banen verloren in Nederland als gevolg van offshoring. Dat zijn er 12 duizend meer dan in de periode 2009-2011, toen ruim 18 duizend banen uit Nederland verdwenen (Bongard & Rooijakkers, 2013). De meeste banen gingen verloren in de industrie, bijna 20 duizend. Dit betrof vooral banen in de productie van goederen. In de sectoren buiten de industrie verdwenen bijna 11 duizend banen als gevolg van offshoring, waarvan de meeste in ondersteunende activiteiten, zie grafiek 3.4.8. Deze aantallen verdwenen banen zijn een direct gevolg van verplaatsing naar het buitenland. Effecten van automatisering en dergelijke staan hier buiten.

Driekwart midden- en laagopgeleid

In administratie- en managementactiviteiten verdwenen meer dan 6700 banen naar het buitenland, zie grafiek 3.4.9. Ondanks dat bedrijven deze activiteiten het vaakst verplaatsten gingen er toch minder banen in verloren dan in de productie. Verplaatsingen van productie betroffen per bedrijf gemiddeld dus meer banen.

Van alle banen die naar het buitenland verdwenen, was 26,1 procent een baan van een hoogopgeleide. De resterende 73,9 procent waren banen van midden- tot laagopgeleiden.

Ook ruim 3150 nieuwe banen

Zoals Möhlman en de Groot (2012) en Berghuis (2014) al lieten zien, ontstaan er ook nieuwe banen in Nederland door het offshoren van bedrijfsactiviteiten. In totaal ging het in 2014-2016 om ruim 3 150 banen, waarvan ongeveer 850 in de industrie en 2 300 in de overige sectoren. Nieuwe banen door offshoring kunnen ontstaan door een verschuiving in focus op de activiteiten in het bedrijf in Nederland, bijvoorbeeld minder productie en meer R&D activiteiten. Het aantal banen dat ontstond was echter beduidend lager dan het aantal banen dat verdween als gevolg van offshoring. In de industrie ontstond 1 baan op 25 verdwenen banen, in de overige sectoren was dit 1 op 5.

Eén procent haalde activiteiten terug

In 2014-2016 verplaatste 1 procent van de bedrijven eerder naar het buitenland verplaatste activiteiten weer terug naar Nederland. Dit is een vergelijkbaar percentage als in voorgaande periodes. In de industrie haalde bijna 2 procent van de bedrijven activiteiten terug naar Nederland, in de overige sectoren 0,7 procent. Van de activiteiten die terug kwamen was 30 procent productie van goederen voor de markt, 22 procent logistiek, 17 procent marketing en 13 procent administratieve en managementactiviteiten. In aantallen banen kwam dit neer op ruim 130 banen in de industrie en 250 banen in de overige sectoren. Als belangrijkste motieven om activiteiten terug te halen noemden bedrijven onvoldoende kwaliteit van de geleverde producten/diensten op locatie en hogere kosten van het offshoren dan verwacht.

1% van de bedrijven in Nederland haalde activiteiten terug.

Buitenvorm Binnenvorm

3.5Samenvatting en conclusie

Zoals verwacht is het aantal bedrijven dat activiteiten naar het buitenland verplaatste in 2014-2016 afgenomen ten opzichte van 2009-2011. Het aantal banen dat naar het buitenland verdween is echter wel toegenomen. Zowel in de industrie als in de dienstverlening besteedden bedrijven meer werk uit aan het buitenland, zowel in levering van goederen en diensten voor de markt (hoofdactiviteit) als in ondersteunende backoffice functies. Mogelijk speelt hierin mee dat door op ondernemingengroep te meten er een completer beeld ontstaat van de gevolgen van offshoring voor de werkgelegenheid in Nederland. 

Er verdwenen in de periode 2014-2016 meer dan 30 duizend banen uit Nederland als gevolg van offshoring, waarvan 18 duizend in de industrie en 12 duizend in de dienstverlening, handel en bouw. Bedrijven verplaatsten het vaakst administratieve en managementactiviteiten, maar de meeste banen gingen verloren met verplaatsingen van productie. Als een bedrijf productie verplaatste, raakte dit in verhouding dus meer banen. Driekwart van de verdwenen banen betrof lager en middelbaar opgeleid werk en een kwart hoog opgeleid werk. Europa was nog steeds de populairste bestemming om werk uit te besteden, maar India is steeds meer in opkomst, vooral voor offshoring van administratieve en managementactiviteiten en IT. Overige Aziatische landen en Oceanië lijken in opkomst als bestemming voor productie.

Zorgen gedeeltelijk gegrond

Ook nu lijken dus de zorgen over uitbesteding van werk aan het buitenland gedeeltelijk gegrond, zoals Temmink & Lemmers (2015) eerder over de periode 2009-2011 concludeerden. Het aantal banen dat naar het buitenland verdween was een veelvoud van het aantal banen dat (in elk geval op de korte termijn) binnen de bedrijven in Nederland ontstond als gevolg van offshoring of terugkwam door reshoring. Aanvullende analyses over eerdere perioden (zoals beschreven in paragraaf 3.2 en 3.3) lieten zien dat ook het resultaat voor de werkgelegenheid op de langere termijn gemixt leek, met in het algemeen negatievere gevolgen voor lager geschoolde werknemers dan voor hoger geschoolde. Voor de huidige periode is het eveneens relevant om dit verder te onderzoeken, bij voorkeur verder gespecificeerd naar type banen dan alleen hoog versus laag en middelbaar opgeleid zodat we een specifieker beeld krijgen van de effecten voor de werkgelegenheid op langere termijn. Het comparatieve voordeel van veel landen die werk aantrokken was lange tijd vooral gelegen in de lage (loon-)kosten, maar steeds meer landen kunnen tegenwoordig ook concurreren in hoger opgeleid werk en innovatie (van Gorp, 2010). India is daar een van de meest in het oog springende voorbeelden van. Zoals Van Gorp (2010) suggereert kan het in overeenstemming met andere landen bepalen van ieders comparatieve voordeel een mogelijke strategie zijn om met de effecten van offshoring in een geglobaliseerde economie om te gaan. Offshoring van bepaalde type activiteiten kan heel logisch zijn. Zoals toenmalig directeur bij Ernst & Young Jacob Verschuur in Trouw zei: ‘Het uitbesteden van simpel ICT-werk aan lagelonenlanden is een begrijpelijke trend. Het werken in een callcenter behoort bijvoorbeeld nu tot de minder interessante banen in Nederland’ (Trouw, 2006).

De discussie rondom ICT laat zien dat de vraag naar werknemers met bepaalde vaardigheden soms heel specialistisch kan zijn, en dat het aanbod op de Nederlandse arbeidsmarkt daar niet altijd mee in overeenstemming is (Nu.nl, 2015). Dit vraagt om bijscholing en een aangepast onderwijsbeleid.

Complexere arbeid niet altijd haalbaar

Er klinkt echter ook de roep om versimpeling van werk om mensen voor wie complexere opleiding en arbeid niet haalbaar is ook werk te verschaffen. Fred Zijlstra, hoogleraar arbeids-en organisatiepsychologie en directeur van het Maastrichtse Expertisecentrum Inclusieve Arbeidsorganisatie: “Ons werk wordt complexer en intensiever, niet in de laatste plaats door het gebruik van computers en mobiele telefoons. De moderne technologie vraagt om alertheid, concentratie en snelheid. Hoeveel e-mails krijg je niet op een dag? Vergelijk dat eens met dertig jaar geleden. Tegelijkertijd rekt mede door de computer en telefoon de arbeidsduur verder op: niet acht maar vaak tien tot twaalf uur per dag. Ook wat betreft sociale vaardigheden ligt de lat steeds hoger. Tel daarbij op dat alles in onze maatschappij zo efficiënt mogelijk moet, lees: kostenbesparend. Iedereen moet door die nauwe pijplijn, daardoor vallen veel mensen buiten de boot” (Janssen, 2017). Het lijkt in de voortschrijdende globaliserende economie dus een belangrijke opgave in kaart te krijgen op welke manier het (toekomstige) comparatieve voordeel van Nederland aan kan blijven sluiten op het aanbod van vaardigheden op de arbeidsmarkt en de mogelijkheden en beperkingen van de ontwikkeling van de Nederlandse beroepsbevolking. De Participatiewet is een van de instrumenten die bedrijven ondersteuning biedt voor het scheiden van complexe en eenvoudigere taken, en het beperken van de loonkosten voor de eenvoudigere taken (zie bijvoorbeeld Kamer van Koophandel, 2018).

Beslissing offshoren vaak in buitenland genomen

Strategische beslissingen genomen door het moederbedrijf waren na besparing van (loon)kosten de voornaamste reden waarom bedrijven in Nederland in 2014-2016 arbeid uitbesteedden aan het buitenland. Bedrijven in buitenlandse handen verplaatsten veel vaker werk naar het buitenland dan bedrijven in Nederlandse handen. Dit betekent dat het merendeel van de strategische beslissingen om werk in Nederland uit te besteden aan het buitenland niet in Nederland, maar in het buitenland werden genomen. Dit roept de vraag op in welke mate beslissingen van buitenlandse moederbedrijven om bepaalde activiteiten in Nederland af te bouwen en ergens anders in de wereldwijde productieketen op te bouwen zichtbaar zijn in een nationale enquête. Dit soort beslissingen en processen hoeven niet altijd bekend te zijn binnen de Nederlandse top-holding, en het is aannemelijk dat deze dan ook niet altijd door de Nederlandse top-holding als een verplaatsing van activiteiten worden gerapporteerd.

Effecten buitenlandse zeggenschap mogelijk groter

Ook de voortschrijdende automatisering speelt een rol in deze geglobaliseerde arbeidsdynamiek. Bepaalde activiteiten kunnen vervangen worden door geautomatiseerde processen, waarvoor dan bijvoorbeeld in het buitenland de coördinatie (regiefuncties) opgezet worden. Ook dit zie je bij een buitenlands moederbedrijf niet noodzakelijkerwijs terug in een nationale enquête als uitbesteding van werk aan het buitenland. Mogelijkerwijs dat het effect van buitenlandse zeggenschap op offshoring van bedrijfsactiviteiten dus nog groter is dan we met een nationale enquête kunnen registreren.

De aanwezigheid (of komst) van buitenlandse bedrijven in Nederland is natuurlijk niet altijd nadelig voor de werkgelegenheid, ook niet als er offshoring plaatsvindt. Buitenlandse bedrijven die zich hier vestigen leveren juist vaak ook extra werkgelegenheid op. Denk bijvoorbeeld aan de komst van het Europese Medicijn Agentschap naar Nederland, wat volgens het ministerie van Volksgezondheid 900 directe en 1500 indirecte banen op zal leveren (RTL Nieuws, 2017). Of het voornemen van Zalando om een groot distributiecentrum in Nederland te openen, waar 1500 banen bij gemoeid zouden zijn (Van Dongen, 2018). De balans is in die gevallen positief voor de werkgelegenheid, ook al springt het verdwijnen van banen over het algemeen meer in het oog. In het geval van overnames van Nederlandse bedrijven door buitenlandse bedrijven kan de situatie mogelijkerwijs anders liggen.

Verder onderzoek naar het effect van dergelijke overnames op offshoring, de ontwikkeling van (type) werkgelegenheid in deze bedrijven, maar ook de effecten op toeleveranciers en afnemers, lijkt dan ook op z’n plek. De beslissing van een bedrijf om een fabriek te sluiten en het werk naar het buitenland te verplaatsen kan namelijk niet alleen gevolgen hebben voor de werknemers maar ook voor lokale toeleveranciers. Denk bijvoorbeeld aan de discussies in 2012 rondom het plan tot sluiting van autoproducent NedCar en de directe en indirecte gevolgen hiervan voor de regionale en nationale economie (Verhagen & Kamp, 2012; Hoekema & Lemmers, 2012).

Geen zicht op volledig vertrekken

Bedrijven die mogelijkerwijs in de periode 2014-2016 volledig uit Nederland zijn vertrokken, zijn in de huidige onderzoeksdata niet zichtbaar. Deze bedrijven bevonden zich op het moment van het onderzoek in dat geval al niet meer in Nederland, en zaten dus ook niet meer in de onderzoekspopulatie. In hoeverre bedrijven in 2014-2016 vanwege bijvoorbeeld besparingen op kosten of tekorten aan geschikt personeel volledig naar het buitenland zijn vertrokken, is op basis van deze enquête en gegevens uit het Algemeen Bedrijven Register dus niet bekend.

Reshoring is beperkt

Een klein deel van de bedrijven in Nederland haalde in 2014-2016 eerder naar het buitenland verplaatste activiteiten terug naar Nederland. Reshoring is dus aan de orde, maar vooralsnog beperkt en qua omvang vergelijkbaar met de periode 2009-2012. Eén procent van de bedrijven rapporteerde reshoring activiteiten en het betrof ongeveer 380 banen. Onvoldoende kwaliteit en hoger uitgevallen kosten van offshoring waren wel -zoals vaak gesuggereerd- de belangrijkste redenen voor bedrijven om activiteiten terug te halen. In hoeverre het argument van beperkt zicht op strategische beslissingen in het geval van buitenlandse moederbedrijven ook geldt voor het terughalen van activiteiten is niet duidelijk. Ook is niet bekend in hoeverre bedrijven activiteiten niet terug naar Nederland, maar wel terug naar Europa haalden, bijvoorbeeld van China naar Oost-Europa. En mogelijk dat reshoring meer voorkomt bij bedrijven die (eventueel dus na reshoring) kleiner zijn dan 50 werknemers. Bedrijven met minder dan 50 werkzame personen zijn niet opgenomen in het huidige onderzoek.  Toekomstig onderzoek zou hier verder naar kunnen kijken.

Conclusie

Concluderend kunnen we stellen dat offshoring vanuit Nederland door blijft zetten. Het aantal banen dat Nederland verlaat is vele malen groter dan het aantal banen dat offshoring en reshoring voor Nederland opleveren. In elk geval op de korte termijn, en zoals eerder onderzoek suggereerde mogelijk ook op de lange termijn. Dit laatste moet voor 2014-2016 nog verder onderzocht worden. Vooralsnog zien vooral lager opgeleiden hun baan naar het buitenland verdwijnen, maar bedrijven verplaatsen ook steeds meer functies van hoger opgeleiden zoals controllers en accountants naar het buitenland. Aspecten als buitenlandse zeggenschap compliceren het beeld van offshoring en werkgelegenheid. Vooral het effect van overnames door buitenlandse bedrijven op offshoring en werkgelegenheid moet verder onderzocht worden. 

3.6Data en methoden

Voor het huidige onderzoek naar offshoring is een steekproef getrokken van 3156 ondernemingen uit het Nederlandse bedrijfsleven (Standaard Bedrijfsindeling (SBI) B t/m N + S95, exclusief K) met 50 of meer werknemers. De steekproefeenheid betrof de onderneming, dat wil zeggen de top-holding in Nederland en alle daaronder vallende maatschappijen met een statutaire zetel in Nederland waar de top-holding controle over heeft. Het is de eenheid die feitelijk optreedt als financiële actor en wordt door het CBS gedefinieerd als de meest omvattende verzameling van in Nederland gevestigde juridische eenheden waarover zeggenschap wordt uitgeoefend en die homogeen is naar institutionele sector. De populatie en steekproef zijn daardoor iets anders dan in 2007 en 2012: toen betrof het bedrijven met 100 of meer werknemers en was de steekproefeenheid de individuele bedrijfseenheid in plaats van de ondernemingengroep.

De data voor de 2017 enquête werd verzameld met een speciaal hiervoor ontwikkelde vragenlijst. Bedrijven konden deze vragenlijst via internet of op papier invullen. De respons bedroeg 81,6 procent. Dit is hoog voor een vrijwillige bedrijfsenquête. Een weging op SBI en grootteklasse bracht de verzamelde gegevens van steekproefniveau naar populatieniveau. Deze data werd gekoppeld aan gegevens uit het Algemene Bedrijven Register (ABR).

3.7Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Asscher, L. F. (2014), Kamervragen van het lid Heerma (CDA) over het onverminderd doorzetten van offshoring. [Kamerbrief]. Geraadpleegd op de website van de Overheid: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20132014-2006.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dEenvoudig%26pst%3d%26vrt%3doffshoring%26zkd%3dInDeGeheleText%26dpr%3dAfgelopenDag%26spd%3d20180530%26epd%3d20180531%26sdt%3dDatumBrief%26ap%3d%26pnr%3d4%26rpp%3d10%26_page%3d3%26sorttype%3d1%26sortorder%3d4&resultIndex=23&sorttype=1&sortorder=4, op 20 mei 2018.

Asscher, L. F. (2014b), Nr. 533 Brief van de Minister Sociale Zaken en Werkgelegenheid. [Kamerbrief]. Geraadpleegd op de website van de Overheid: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29544-553.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dTractatenblad%257CStaatsblad%257CStaatscourant%257CGemeenteblad%257CProvinciaalblad%257CWaterschapsblad%257CBladGemeenschappelijkeRegeling%257CParlementaireDocumenten%26vrt%3darbeidsmarktbeleid%2b%26zkd%3dInDeGeheleText%26dpr%3dAnderePeriode%26spd%3d20140731%26epd%3d20140831%26sdt%3dDatumPublicatie%26ap%3d%26pnr%3d1%26rpp%3d10&resultIndex=7&sorttype=1&sortorder=4, op 20 mei 2018.

Berghuis, E. (2014), Labour market consequences of international fragmentation of production. Proefschrift. Vrije Universiteit Amsterdam: Amsterdam.

Boegh Nielsen, P. & Tilewska, Z. (2011), Micro Data Linking – Creating new evidence by utilising existing statistical registers. Case: International sourcing.  Proceedings of the 58th World Statistical Congress, International Statistical Institute.

Boegh Nielsen, P. & Mansson, H. (2017), Udflytning af job til udlandet falder. In NYT, 30 november 2017, Danmarks Statistik.

Bongard, R. (2011), International sourcing and employment effects – a micro data linking approach. In CBS Internationaliseringsmonitor 2011. Centraal Bureau voor de Statistiek: Heerlen/Den Haag/Bonaire.

Bongard, R., Rooijakkers, B. & van Berkel, F. (2013), Trends in international sourcing. In CBS Internationaliseringsmonitor 2013. Centraal Bureau voor de Statistiek: Heerlen/Den Haag/Bonaire.

CBS (2010). Internationalisation and employment. In: CBS Internationaliseringsmonitor 2010. Centraal Bureau voor de Statistiek: Den Haag/Heerlen/Bonaire.

De Raat, F. (2014), Terug naar Nederland. NRC. Geraadpleegd op de website van NRC Handelsblad: https://www.nrc.nl/nieuws/2014/09/24/terug-naar-nederland-1422146-a618266, op 29 mei 2018.

Elskamp, G. (2014), UWV wijst op mismatch op de arbeidsmarkt. Geraadpleegd op de website van Monsterboard: https://www.monsterboard.nl/ict/a/uwv-mismatch-op-arbeidsmarkt, op 2 mei 2018.

Hackett Group (2010), Offshore outsourcing kost miljoenen banen. Geraadpleegd op de website van Consultancy: https://www.consultancy.nl/nieuws/4865/the-hackett-group-offshore-outsourcing-kost-miljoenen-banen, op 2 mei 2018.

Haegens, K. (2016), Verlies banen ING ook door verplaatsing werk naar lagelonenlanden. Geraadpleegd op de website van de Volkskrant: https://www.volkskrant.nl/economie/verlies-banen-ing-ook-door-verplaatsing-werk-naar-lagelonenlanden~b2c13912/, op 2 mei 2018.

Infoworld Redactie (2006), Steeds meer ict-banen verdwijnen naar het buitenland. Geraadpleegd op de website van Computerworld http://computerworld.nl/algemeen/64445-steeds-meer-ict-banen-verdwijnen-naar-het-buitenland, op 2 mei 2018.

Janssen, R. (2017), ‘Laat blijken dat je ons waardeert en voor vol aanziet, dat helpt enorm’. Observant, 29, 19 april 2017, Universiteit Maastricht: Maastricht.

Kamer van Koophandel (2018), Reshoring: productie terug naar Nederland. Geraadpleegd op de website van de Kamer van Koophandel: https://www.kvk.nl/advies-en-informatie/innovatie/reshoring/ op 29 mei 2018.

Keuning, W. & Stoker, E. (2011), Uitbesteden van werk in buitenland werkt vaak niet. Geraadpleegd op de website van de Volkskrant: https://www.volkskrant.nl/economie/uitbesteden-van-werk-in-buitenland-werkt-vaak-niet~bfaea339/, op 2 mei 2018.

Keijzer, M.C.G. & Engelshoven, I. (2018), Beantwoording vragen over het bericht dat maakbedrijven naar India trekken wegens groeiend gebrek aan Nederlandse ingenieurs [Kamerbrief]. Geraadpleegd op de website van de Overheid: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20172018-1152.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dEenvoudig%26pst%3d%26vrt%3dmaakbedrijven%26zkd%3dInDeGeheleText%26dpr%3dAfgelopenDag%26sdt%3dDatumBrief%26ap%3d%26pnr%3d1%26rpp%3d10&resultIndex=0&sorttype=1&sortorder=4, op 2 mei 2018.

Möhlmann, J. & de Groot, H. L. F. (2012), The effects of outsourcing on unemployment – evidence from microdata in the Netherlands. Centraal Planbureau: Den Haag.

Möhlmann, J. & de Groot, H. L. F. (2013), The effects of outsourcing on firm productivity – evidence from microdata in the Netherlands. Centraal Planbureau: Den Haag.

NOS (2013), 10% van MKB bedrijven haalt productie terug naar Nederland. Geraadpleegd op de website van de Nederlandse Omroep Stichting: https://nos.nl/video/556546-10-van-mkb-bedrijven-haalt-productie-terug-naar-nederland.html, op 29 mei 2018.

Nu.nl (2015), ICT-sector heeft groeiende behoefte aan goed geschoold personeel. Geraadpleegd op de website van Nu.nl: https://www.nu.nl/carriere/3975386/ict-sector-heeft-groeiende-behoefte-goed-geschoold-personeel.html, op 2 mei 2018.

Nu.nl (2017), Zeshonderd banen weg door sluiting vestiging Siemens in Hengelo. Geraadpleegd op de website van Nu.nl: https://www.nu.nl/economie/5010509/zeshonderd-banen-weg-sluiting-vestiging-siemens-in-hengelo.html

Stil, H. (2017), KLM-banen weg naar Hongarije en India. Het Parool. Geraadpleegd op de website van het Parool: https://www.parool.nl/amsterdam/klm-banen-weg-naar-hongarije-en-india~a4472668/, op 2 mei 2018.

RTL Nieuws (2017), Banen verdwijnen naar Oost-Europa: dit willen partijen eraan doen. Geraadpleegd op de website van RTL Nieuws: https://www.rtlnieuws.nl/nederland/politiek/banen-verdwijnen-naar-oost-europa-dit-willen-partijen-eraan-doen, op 2 mei 2018.

Temmink, D. (2015), Firm-level research does not confirm prosperity of offshoring. Master’s Thesis. Rijksuniversiteit Groningen: Groningen.

Temmink, D. & Lemmers, O. (2015), Leidt offshoren wel tot lagere werkgelegenheid? In CBS Internationaliseringsmonitor 2015, derde kwartaal: Multinationals. Centraal Bureau voor de Statistiek: Heerlen/Den Haag/Bonaire.

Trouw (2016), Uitstroom ICT-banen naar lagelonenlanden verwacht. Trouw. Geraadpleegd op de website van Trouw: https://www.trouw.nl/home/uitstroom-ict-banen-naar-lagelonenlanden-verwacht~a3e4379c/, op 2 mei 2018.

Tubantia (2017), Massaontslag bij Philips in Winterswijk. Geraadpleegd op de website van Tubantia: https://www.tubantia.nl/achterhoek/massaontslag-bij-philips-in-winterswijk~afada41d/, op 2 mei 2018.

Van Dongen (2018), Kledingbranche kan de borst natmaken als Zalando naar Nederland komt. Geraadpleegd op de website van het Algemeen Dagblad: https://www.ad.nl/economie/kledingbranche-kan-borst-nat-maken-als-zalando-naar-nederland-komt~aa2fe553/, op 22 mei 2018.

Van Gessel, G., Roza, M. W., van den Bosch, H. W. & Volberda, H. W. (2008), Offshoring door Nederlandse bedrijven; een eerste grootschalig onderzoek in de industrie en dienstverlening. Centraal Bureau voor de Statistiek: Heerlen/Den Haag/Bonaire.

Van Gorp, D. M. (2010), Offshoring by manufacturing and service firms in the Netherlands. Offshoring behavior in times of a financial crises. Nyenrode Business Universiteit: Breukelen.

World Economic Forum (2004), The global competitiveness report, 2004, 2005. World Economic Forum: Genève.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Copyright foto’s: Hollandse Hoogte

Disclaimer en copyright

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2017–2018 2017 tot en met 2018
2017/2018 Het gemiddelde over de jaren 2017 tot en met 2018
2017/’18 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2017 en eindigend in 2018
2015/’16–2017/’18 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2015/’16 tot en met 2017/’18

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Ahmed Boutorat
Dennis Cremers
Gusta van Gessel-Dabekaussen
Marjolijn Jaarsma
Oscar Lemmers
Bart Loog
Pascal Ramaekers
Wendy Smits
Mark Vancauteren
Roger Voncken
Sjoertje Vos
Jannes de Vries
Isabelle Weyns
Khee Fung Wong

Redactie

Marjolijn Jaarsma
Pascal Ramaekers
Roger Voncken
Sjoertje Vos

Eindredactie

Marjolijn Jaarsma
Roger Voncken