ICT-gebruik van bedrijven

ICT is essentieel voor bedrijven. Een groot deel van de communicatie binnen en tussen bedrijven verloopt bijvoorbeeld elektronisch. Een goede ICT-infrastructuur en apparaten zoals computers en smartphones zijn hierbij onmisbaar, en ze worden ook steeds belangrijker. Telkens opnieuw komen nieuwe toepassingen beschikbaar die bedrijven helpen processen te verbeteren en efficiënter te maken.

Informatie- en communicatietechnologieën (ICT) zijn de laatste decennia in hoog tempo doorgedrongen in het Nederlandse bedrijfsleven. Door ICT effectief toe te passen, proberen bedrijven in veel sectoren hun concurrentiepositie te verbeteren. Bedrijven kunnen door ICT in te zetten bijvoorbeeld nieuwe producten en processen ontwikkelen, en bestaande producten en processen optimaliseren (Europese Commissie, 2009). ICT kan bedrijven ook op andere manieren voordelen opleveren, bijvoorbeeld doordat werknemers een voorkeur hebben voor werkgevers die ICT geavanceerd toepassen. Een bedrijf kan zich als aantrekkelijke werkgever presenteren door werknemers in plaats en tijd flexibel te laten werken. Een goede ICT-infrastructuur is hierbij essentieel. Nederland behoort tot de landen met de beste ICT-infrastructuur in de wereld (World Economic Forum, 2016; The Economist Intelligence Unit, 2014; Deloitte, 2013).

Bedrijfstakken verschillen in de manier waarop zij ICT gebruiken. Een transportbedrijf kan bijvoorbeeld veel baat hebben bij technologie die de locatie van objecten zichtbaar maakt, terwijl voor veel hotels een website met boekingsmogelijkheid van vitaal belang is. Dergelijke strategische en bedrijfseconomische afwegingen bepalen hoe een bedrijf ICT inzet. Ook tussen grote en kleine bedrijven bestaan verschillen in de manier waarop ICT van toegevoegde waarde is, zoals zal blijken in het vervolg van dit hoofdstuk.

Enquête ‘ICT-gebruik bedrijven’

Het CBS onderzoekt jaarlijks hoe bedrijven ICT gebruiken. De enquête ‘ICT-gebruik bedrijven’ hanteert een steekproef van ongeveer 10 duizend bedrijven. De onderzoekspopulatie bestaat uit bedrijven met 10 of meer werkzame personen. Niet alle bedrijfstakken behoren tot deze populatie. Landbouwbedrijven vallen hier bijvoorbeeld buiten. De onderstaande tabel geeft een overzicht van de bedrijfstakken die het onderzoek omvat. De tabel bevat per bedrijfstak ook een korte benaming die dit hoofdstuk gebruikt om de tekst leesbaarder te maken.

Naam in deze publicatie Bedrijfstakken volgens SBI2008
Industrie C Industrie
Energie en water D Productie en distributie van elektriciteit, aardgas, stoom en gekoelde lucht,E Winning en distributie van water; afval- en afvalwaterbeheer en sanering
Bouw F Bouwnijverheid
Handel G Groot- en detailhandel; reparatie van auto’s
Transport H Vervoer en opslag
Horeca I Logies-, maaltijd- en drankverstrekking
Informatie en communicatie J Informatie en communicatie
ICT-sector 261–264, 268, 465, 582, 61, 62, 631, 9511)
Financiële instellingen K Financiële instellingen2)
Onroerend goed L Verhuur en handel in onroerend goed
Advies en onderzoek M Advisering, onderzoek en overige specialistische zakelijke dienstverlening
waaronder Researchinstellingen 72 Research
Overige dienstverlening N Verhuur van roerende goederen en overige zakelijke dienstverlening
Gezondheidszorg Q Gezondheids- en welzijnszorg

1)In hoofdstuk 2 (Tabel 2.1.1) zijn de omschrijvingen van de SBI-groepen in de ICT-sector opgenomen.

2)Alleen SBI-codes 6419, 6492, 651, 652, 6612 en 6619.

De meeste vragen in het onderzoek gaan over de huidige situatie van een bedrijf. In dat geval heeft het cijfer betrekking op verslagjaar 2017. Sommige vragen gaan over het laatste volledige kalenderjaar. Het verslagjaar is dan 2016. Dit is bijvoorbeeld nodig als de vraag te maken heeft met een afgerond boekjaar, zoals bij vragen over e‑commerce.

Doordat ICT-toepassingen zich zeer snel ontwikkelen, wijzigt de inhoud van de ICT-enquête ook steeds. Waar in de jaren ‘80 centraal stond of bedrijven überhaupt computers en automatiseringspersoneel hadden, ligt in recente jaren de nadruk meer op onderwerpen zoals internet, e‑commerce, en toepassingen van software. Deze sterke inhoudelijke veranderingen zorgen ervoor dat lange tijdreeksen niet beschikbaar zijn. Het is wel mogelijk Nederland te vergelijken met andere landen in Europa, doordat EU-landen sinds 2001 onderling dezelfde vragen en definities gebruiken. StatLine, de online databank van het CBS, bevat alle uitkomsten van de enquête ‘ICT-gebruik bedrijven‘. Deze databank is beschikbaar op https://opendata.cbs.nl.

4.1Internettoegang en -gebruik

Toegang tot internet is voor bedrijven in Nederland al jaren vanzelfsprekend. Praktisch alle bedrijven met 10 of meer werkzame personen gebruiken een hoogwaardige vaste of mobiele verbinding zoals via glasvezel, kabel, DSL of 3G/4G. Internetverbindingen met een snelheid van ten minste 30 Mbit per seconde worden steeds gebruikelijker bij bedrijven. Waar 32 procent van de bedrijven in 2010 over een dergelijke snelle verbinding beschikte, was dit aandeel in 2017 gegroeid naar 66 procent (Figuur 4.1.1).

Europese onderzoekspopulatie verschilt van de Nederlandse

De EU-landen zijn met elkaar overeengekomen welke bedrijfstakken zij in het ICT-onderzoek betrekken. Daardoor zijn de uitkomsten van Europese landen goed met elkaar te vergelijken. Naast deze internationaal afgesproken populatie heeft het CBS voor een breder beeld nog enkele extra branches in het onderzoek betrokken: de financiële instellingen en de gezondheidszorg.

Door dit methodologische verschil kunnen de totaaluitkomsten over Nederland in de internationale vergelijking iets anders zijn. Volgens de brede afbakening werkte in 2017 bijvoorbeeld 72 procent van de Nederlandse werkzame personen met internet. In de vergelijking met andere landen waarbij de Europese afbakening geldt, komt dit cijfer iets lager uit: 69 procent.

In de internationale vergelijkingen in dit hoofdstuk is gekozen voor een vaste groep landen om de cijfers van Nederland tegen af te zetten. Deze landen zijn België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Ierland, Italië, Noorwegen, Polen, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Zweden. Waar mogelijk komt in dit hoofdstuk de vergelijking van de Nederlandse cijfers met die van deze groep landen aan bod. Daarnaast valt ook het cijfer van de EU-28 binnen deze vergelijkingen.

Nederlandse bedrijven hebben snel internet

Nederlandse bedrijven beschikken over snellere internetverbindingen dan gemiddeld in de EU. Van de Nederlandse bedrijven had 66 procent in 2017 een internetverbinding van ten minste 30 Mbit per seconde.noot1 Gemiddeld in de EU was dit 39 procent (Figuur 4.1.2). Koploper is Denemarken, waar 74 procent een dergelijke snelle verbinding had. Verbindingen langzamer dan 2 Mbit per seconde komen steeds minder voor in Europa, maar in 2017 had echter nog altijd 9 procent van de bedrijven in Frankrijk en Duitsland een internetverbinding met deze beperkte snelheid.

4 op de 5 bedrijven gebruikt mobiel internet

In 2017 had 79 procent van de bedrijven een mobiele verbinding.noot2 In 2009 gebruikte nog maar 28 procent mobiel internet. Het aandeel is sindsdien snel gegroeid. In 2014 bleef het cijfer stabiel, maar sinds 2015 zette de groei weer door.

De ICT-sector had in 2017 het grootste aandeel bedrijven met mobiel internet: 88 procent. Bij bedrijven in de horeca komt mobiel internet het minst voor. Bijna 6 op de 10 horecabedrijven gebruikten in 2017 een mobiele verbinding. Overigens hadden vrijwel alle horecabedrijven wel een vaste internetverbinding. Ook in deze bedrijfstak is snel internet dus vanzelfsprekend.

79% van bedrijven gebruikt mobiel internet

Buitenvorm Binnenvorm

Meer grote dan kleine bedrijven gebruiken mobiel breedband. Van de bedrijven met ten minste 500 werkzame personen had 97 procent in 2017 mobiel breedband, tegen 72 procent van de bedrijven met 10 tot 20 werkzame personen.

Mobiele apparaten bij ruim drie kwart bedrijven

In 2017 gaf 77 procent van de Nederlandse bedrijven het personeel laptops, tablets, of smartphones om mobiel te internetten (Figuur 4.1.3).noot3 Dat is meer dan het EU-gemiddelde van 70 procent. Vooral Noord-Europese landen lopen voorop. In Finland en Denemarken was het aandeel zelfs 92 procent, maar ook Spanje scoort met 80 procent van de bedrijven fors hoger dan het gemiddelde.noot4

Het aandeel bedrijven in Nederland dat het personeel voorziet van draagbare internetapparatuur, is de laatste jaren sterk gegroeid: van 53 procent in 2012 tot 77 procent in 2017.noot5 Bedrijven in de ICT-sector en de Onroerend-goedsector verstrekken het vaakst apparatuur voor mobiel internet aan werknemers. In beide branches betrof het in 2017 bijna 9 op de 10 bedrijven. De horeca is op dit punt de minst actieve branche: 52 procent.

Ruim een derde van de werkzame personen heeft een mobiel apparaat

Figuur 4.1.3 laat zien dat 77 procent van de Nederlandse bedrijven aan werknemers apparatuur voor mobiel internet verstrekt. Vaak ontvangen lang niet alle werknemers van deze bedrijven dergelijke apparaten. In 2017 had 35 procent van de Nederlandse werkzame personen een laptop, tablet of smartphone met mobiel internet van het bedrijf (Figuur 4.1.4).

Bij de ICT-sector kreeg het grootste aandeel van de werkzame personen de beschikking over mobiel internet: 60 procent. Ook in de informatie- en communicatiebranche, de Energie- en watersector en de bedrijfstak Onroerend goed had bijna 60 procent van de werkzame personen mobiele apparaten van het bedrijf. In de horeca is dit cijfer veel lager: 13 procent.

Bekeken naar bedrijfsgrootte is in 2017 het gebruik van mobiele apparaten door werknemers het meest toegenomen onder kleine bedrijven, met 10 tot 20 werkzame personen. In 2017 had 30 procent van de werkzame personen bij kleine bedrijven apparatuur voor mobiel internet. Bij bedrijven met ten minste 500 werkzame personen was dit 39 procent. In 2016 waren deze cijfers respectievelijk 21 en 37 procent.

Veel Nederlandse bedrijven hebben een website

In 2017 had 86 procent van de Nederlandse bedrijven een eigen website.noot6 Daarmee scoort Nederland aanzienlijk hoger dan het EU-gemiddelde van 77 procent. Finland had met 96 procent het grootste aandeel bedrijven met een website. Andere Noord-Europese landen scoorden ook hoog: in Denemarken en Zweden had respectievelijk 95 en 91 procent van de bedrijven een website. In Frankrijk en Polen was dit aandeel flink lager: voor beide landen 67 procent.

Bedrijven gebruiken de website vaak om hun producten en prijzen te presenteren. Ruim drie kwart van de Nederlandse bedrijven had in 2017 een overzicht van producten en prijzen online geplaatst (Figuur 4.1.5). Bij een derde van de bedrijven konden klanten deze producten online bestellen, en bij 10 procent konden zij via de website ook de voortgang van hun bestelling volgen. Bedrijven gebruiken hun website ook om te verwijzen naar hun pagina op sociale media.

Tussen bedrijfstakken bestaan grote verschillen in de manier waarop bedrijven de website gebruiken. De mate waarin bedrijven hun producten verkopen via hun website, verschilt bijvoorbeeld sterk per branche. Logiesaccommodaties (hotels en dergelijke) en reisbureaus verkopen het vaakst online: respectievelijk 81 en 74 procent bood in 2017 de mogelijkheid om online te boeken. Veel verzekeraars bieden op hun website klantspecifieke informatie voor vaste bezoekers. Verwijzen naar een profiel op sociale media is vooral in trek bij reisbureaus, logiesaccommodaties, telecom- en mediabedrijven. Dit zijn ook branches waarin relatief veel bedrijven actief zijn op sociale media. Paragraaf 4.3 gaat uitgebreid in op hoe bedrijven sociale media gebruiken.

4.2Personeel en ICT

2 op de 3 werkzame personen gebruiken internet

In 2017 gebruikte 72 procent van de werkzame personen geregeld een computer met internet voor het werk.noot7 Dit aandeel bedroeg een jaar eerder 68 procent. Er is dus sprake van een geringe groei. In 2008 werkte 57 procent van de werkzame personen met een internet-pc.

De verschillen tussen bedrijfstakken zijn groot (Figuur 4.2.1). Binnen de ICT-sector en de bedrijfstak Informatie en communicatie werkt vrijwel al het personeel met internet. In de horeca is dit aandeel veel kleiner: 43 procent.

Bij grote bedrijven werken relatief meer mensen met internet dan bij kleine bedrijven. In bedrijven met 10 tot 20 werkzame personen gebruikte 69 procent in 2017 geregeld een internet-pc. Bij bedrijven met 500 of meer werkzame personen was dit 74 procent.

Nederland: meer werkzame personen met internet dan gemiddeld in EU

In Nederland werkt een aanzienlijk groter deel van de werkzame personen met internet dan gemiddeld in de EU. Het gemiddelde van de 28 EU-landen bedroeg 51 procent in 2017 en in Nederland was dit 69 procent (volgens de Europese methode).noot8 In Scandinavische landen was dit percentage met 70 tot 75 procent het hoogst. Polen (40 procent) en Portugal (38 procent) scoorden aanzienlijk lager dan het EU-gemiddelde. Deze verschillen tussen landen hangen sterk samen met nationale economische structuren. In bepaalde bedrijfstakken zoals de Zakelijke dienstverlening en ICT-sector is het immers vanzelfsprekender dat het personeel internet gebruikt dan in andere. Daardoor scoren landen met veel industriële bedrijven bijvoorbeeld lager dan landen met een grote dienstverlenende sector.

Telewerken kan bij ruim drie kwart van de bedrijven

In 2017 ondersteunde 78 procent van de bedrijven telewerken (Figuur 4.2.2). Dit aandeel was in 2004 nog 31 procent, maar in 2009 bedroeg het al 56 procent. Telewerken betekent hier dat medewerkers van buiten de bedrijfsvestiging de ICT-systemen van het bedrijf kunnen gebruiken. Het gaat daarbij niet alleen om toegang tot e-mail, maar ook om toegang tot bestanden, intranet en softwaresystemen.

Als een bedrijf telewerken ondersteunt, hebben vaak niet alle medewerkers die mogelijkheid. Het type werk laat dat immers niet altijd toe. Voor kantoorpersoneel ligt het bijvoorbeeld meer voor de hand dat zij kunnen telewerken dan voor medewerkers van het bedrijfsrestaurant. Een derde van alle werkzame personen telewerkt geregeld.

Figuur 4.2.3 toont per bedrijfstak en bedrijfsgrootte welk percentage van de werkzame personen regelmatig telewerkt. Dit aandeel verschilt sterk per bedrijfstak. Vooral bij bedrijven in de ICT-sector en in de informatie en communicatie kunnen relatief veel medewerkers telewerken: 61 procent. In de horeca was dit slechts 12 procent. Bij grote bedrijven is het percentage telewerkers hoger dan bij kleine. Het aandeel bij bedrijven met 500 of meer werkzame personen was 37 procent en 28 procent bij bedrijven met 10 tot 20 werkzame personen.

61% van werkzame personen in ICT-sector werkt geregeld thuis

Buitenvorm Binnenvorm

Bedrijven bieden steeds meer ICT-cursussen aan

Door werknemers ICT-cursussen aan te bieden, kan een bedrijf aanvullende ICT-kennis in huis halen. Dergelijke ICT-cursussen kunnen worden aangeboden aan het specialistische ICT-personeel, maar ook aan het algemene personeel. ICT-specialisten zijn werkzame personen voor wie ICT het belangrijkste onderdeel van het werk uitmaakt. Zij kunnen bijvoorbeeld ICT-systemen ontwerpen, ontwikkelen, installeren en beheren.

In 2016 bood 16 procent van de bedrijven hun eigen ICT-specialisten de mogelijkheid om een vakcursus te volgen (Figuur 4.2.4). In 2011 was dat nog 13 procent. Een duidelijk sterkere stijging is te zien in het aandeel bedrijven dat het overige personeel een ICT-cursus aanbood: in 2016 ging het om 18 procent, tegen 9 procent van de bedrijven in 2011.

In Nederland biedt een groter deel van de bedrijven de eigen ICT-specialisten vakcursussen aan dan gemiddeld in Europa. Volgens de Europese methode bedroeg het cijfer in 2016 voor Nederland 16 procent, terwijl het gemiddelde van de 28 EU-landen 10 procent was. Wat betreft ICT-cursussen voor het overige personeel scoorden Nederlandse bedrijven juist iets lager dan gemiddeld: 17 procent, tegen 19 procent voor de gehele EU.

ICT-vacatures vaak moeilijk te vervullen

Bedrijven kunnen hun ICT-kennis niet alleen uitbreiden door het bestaande personeel bij te laten scholen, maar ook door nieuwe ICT-specialisten te werven. In 2016 had 12 procent van de bedrijven vacatures voor ICT-specialisten. Ongeveer de helft van die bedrijven had moeite deze vacatures te vervullen. Het aantal ICT-vacatures is in 2016 gestegen ten opzichte van 2011, toen de economische omstandigheden voor veel bedrijven ongunstiger waren (Figuur 4.2.5).

In de bedrijfstak ‘Informatie en communicatie’ en de ICT-sector had 57 procent van de bedrijven vacatures voor ICT’ers. Ook veel financiële instellingen hadden ICT-vacatures in 2016. Bedrijven in deze sectoren hadden wel meer moeite om de ICT-vacatures te vervullen. Meer dan 40 procent van de bedrijven in de sector ‘Informatie en communicatie’ en de ICT-sector had in 2016 moeilijk vervulbare vacatures voor ICT-specialisten, terwijl dit aandeel voor alle bedrijfstakken gemiddeld 7 procent bedroeg.

Grote bedrijven hebben veel vaker ICT-vacatures dan kleine bedrijven: in 2016 wierf 60 procent van de bedrijven met ten minste 500 werkzame personen ICT-specialisten, tegen 6 procent van de bedrijven met 10 tot 20 werkzame personen. Ook het aandeel moeilijk vervulbare vacatures ligt hoger bij grotere bedrijven: bijna 40 procent van de bedrijven met ten minste 500 werkzame personen had in 2016 moeite om ICT-vacatures te vervullen, terwijl dit aandeel bij de kleinste bedrijven op 4 procent lag.

In vergelijking met andere Europese landen kende Nederland in 2016 relatief veel bedrijven met ICT-vacatures (Figuur 4.2.6). Het aandeel was in Nederland met 13 procent aanzienlijk hoger dan het EU-gemiddelde van 8 procent. België en Nederland hadden, samen met Estland en Luxemburg, het hoogste percentage bedrijven met ICT-vacatures binnen de EU. Opvallend is dat in Spanje relatief weinig bedrijven moeite hadden de juiste mensen aan te nemen. In Nederland was dat anders: daar had 6 op de 10 bedrijven met ICT-vacatures moeite deze te vervullen.

4.3Bedrijven en sociale media

Sociale media zijn al enige jaren populaire communicatiemiddelen. Platforms zoals Facebook, Instagram en Twitter vormen voor veel bedrijven een belangrijk onderdeel van hun communicatiestrategie. Deze paragraaf bespreekt hoe bedrijven sociale media gebruiken.

Soorten sociale media

Het CBS onderscheidt in het onderzoek ‘ICT-gebruik bedrijven’ de volgende typen sociale media:

  • Sociale netwerken zoals Facebook, LinkedIn, en Yammer;
  • Blogs of microblogs zoals Twitter;
  • Websites/apps die multimedia (filmpjes, foto’s) delen, zoals YouTube, Flickr en Picasa;
  • Op wiki gebaseerde middelen om kennis te delen. Een wiki is een toepassing (bijvoorbeeld een website of app) waarop gebruikers zelf de inhoud kunnen aanpassen, en waarop ze zelf inhoud kunnen bijdragen.

Ruim twee derde gebruikt sociale media

In 2017 gebruikte 69 procent van de bedrijven met 10 of meer werkzame personen ten minste één van de gemeten vormen van sociale media (zie tekstkader). Dit aandeel is sterk toegenomen sinds 2012, toen het nog ging om 41 procent (Figuur 4.3.1). Na een periode waarin de groei wat is afgevlakt, is deze in 2017 weer toegenomen.

Grote bedrijven gebruiken sociale media vaker dan kleine bedrijven. Van de bedrijven met 500 of meer werkzame personen communiceerde 93 procent in 2017 via sociale media. Bij bedrijven met 10 tot 20 werkzame personen was dit 63 procent. Het verschil tussen grote en kleine bedrijven is sinds 2012 iets afgenomen.

69% van bedrijven gebruikte sociale media in 2017

Buitenvorm Binnenvorm

‘Informatie en communicatie’ en horeca scoren hoog

Vooral veel bedrijven in de ‘Informatie en communicatie’ gebruiken sociale media: 84 procent. Deze bedrijven gebruiken vooral sociale netwerken en (micro)blogs. Ook in de horeca is het percentage bedrijven op sociale media hoog (Figuur 4.3.2). Dit is opvallend, omdat horecabedrijven op veel ICT-terreinen lager scoren dan het gemiddelde. Slechts een klein deel van het horecapersoneel werkt bijvoorbeeld met computers of met mobiel internet. Bij sociale media loopt de horeca juist voorop, vooral op het gebied van sociale netwerken. Kennelijk liggen er voor horecabedrijven veel mogelijkheden op bijvoorbeeld Facebook. Wiki’s zijn vooral interessant voor enkele specifieke, kennisintensieve branches. In de IT-dienstverlening gebruikt bijvoorbeeld 3 op de 10 bedrijven wiki’s.

Nederland scoort ver boven het EU-gemiddelde

In Nederland zijn veel meer bedrijven actief op sociale media dan gemiddeld in Europa (Figuur 4.3.3). In de EU als geheel maakte 47 procent van de bedrijven in 2017 gebruik van sociale media, tegen 68 procent in Nederland.noot9 In Noorwegen was het aandeel met 72 procent nog iets hoger dan in Nederland.

Vooral voor marketing

De meeste bedrijven die in 2017 sociale media gebruiken, deden dit om het imago van het bedrijf te ontwikkelen en voor de marketing van producten (83 procent). Bijna drie kwart van de bedrijven wierf personeel via sociale media. 3 op de 10 bedrijven gebruikte sociale media om informatie uit te wisselen binnen het bedrijf, of om klanten te betrekken bij productontwikkeling (Figuur 4.3.4).

Sinds 2012 zijn sociale media steeds belangrijker geworden om het imago van bedrijven te ontwikkelen. Ook om personeel te werven zetten bedrijven steeds vaker sociale media in.

Sociale netwerken het populairst

Sociale netwerken zijn onder bedrijven de populairste vorm van sociale media.noot10 In 2017 gebruikte twee derde van de bedrijven een netwerk zoals Facebook of LinkedIn. Sinds 2012 is dit aandeel sterk gegroeid (Figuur 4.3.5). Het aandeel bedrijven dat (micro)blogs plaatste, was met 29 procent aanzienlijk kleiner. De toename was hier in de afgelopen jaren ook minder sterk dan bij de sociale netwerken. De laatste jaren is het aandeel bedrijven op platforms zoals Twitter zelfs iets afgenomen. De populariteit van toepassingen voor multimedia, waaronder YouTube, is in 2017 licht gegroeid. Het gebruik van wiki’s is al jaren stabiel op een laag niveau in vergelijking met andere soorten sociale media.

Voor alle typen sociale media geldt dat grote bedrijven deze meer gebruiken dan kleine bedrijven. In 2017 gebruikte 91 procent van de bedrijven met 500 of meer werkzame personen sociale netwerken. In 2012 was dit 67 procent. Bij bedrijven met 10 tot 20 werkzame personen was het aandeel 61 procent in 2017, tegen 31 procent in 2012.

Nederland kampioen multimedia

Veel Nederlandse bedrijven gebruikten in 2017 toepassingen voor multimedia zoals YouTube (Tabel 4.3.6). Het verschil met andere landen is aanzienlijk: in Nederland was het aandeel met 29 procent bijna 2 keer zo groot als het gemiddelde in de EU van 16 procent.noot11 Ook wat betreft (micro)blogs behoorden Nederlandse bedrijven tot de kopgroep van Europa. In Ierland en het Verenigd Koninkrijk was dit type sociale media ook erg in trek. Sociale netwerken waren het populairst bij bedrijven in Noorwegen.noot12

4.3.6Gebruik van typen sociale media door bedrijven, internationaal, 2017

  Sociale netwerken (bijv. Facebook) (Micro)blogs
(bijv. Twitter)
Multimedia
(bijv. YouTube, Flickr, Picasa)
Wiki's
% van bedrijven1)
Noorwegen 71 11 15 5
Ierland 67 32 23 6
Denemarken 67 12 25 5
Nederland 66 29 29 7
Zweden 63 14 20 8
Finland 61 17 24 6
Verenigd Koninkrijk 60 42 19 5
Spanje 49 21 23 5
EU-28 45 14 16 5
Italië 42 8 16 3
Duitsland 40 7 14 7
Polen 26 5 9 2

Bron:Eurostat.

1)Bedrijven met 10 of meer werkzame personen, exclusief financiële instellingen en gezondheidszorg.

4.4Elektronische en digitale facturen

Digitale facturen zijn in opkomst als alternatief voor traditionele papieren facturen die bedrijven per post versturen. Het kost bedrijven veel tijd om facturen te verzenden, ontvangen en verwerken in hun administratie. Bedrijven kunnen kosten besparen als zij facturen elektronisch verzenden en ontvangen in plaats van op papier. Door digitale facturen te gebruiken, verminderen bedrijven hun papierverbruik, en verlagen ze hun verzendkosten. Als bedrijven de facturen volledig geautomatiseerd kunnen verwerken, wordt de efficiencywinst nog groter, en is de kans op administratieve fouten kleiner. Dit is mogelijk met zogenaamde ‘e-facturen’ (zie tekstkader). Om deze redenen heeft de Europese Commissie zich tot doel gesteld dat e-facturen in 2020 de dominante vorm van facturen zijn in Europa (Europese Commissie, 2010c).

‘E-facturen’ en digitale facturen

In dit onderzoek worden twee soorten digitale facturen onderscheiden:

  1. facturen die bedrijven versturen via e-mail met bijvoorbeeld een pdf-bestand als bijlage. Dit is in feite een digitale versie van een papieren factuur. De informatie in een dergelijk pdf-bestand is niet direct geschikt om automatisch te verwerken in bijvoorbeeld het boekhoudingssysteem van de ontvanger. Handmatige handelingen blijven nodig.
  2. facturen die wél geschikt zijn voor automatische verwerking. Deze worden ‘e-facturen’ genoemd. E-facturen zijn opgemaakt in een standaardformaat (bijvoorbeeld EDI, XML of UBL), en kunnen direct en volledig geautomatiseerd worden uitgewisseld door elektronische systemen van bedrijven onderling, of via systemen van dienstverleners zoals ‘billing service providers’.

In dit onderzoek zijn alleen metingen gedaan van facturen die bedrijven naar andere bedrijven of overheidsorganisaties hebben gestuurd. Het gaat hier dus niet om facturen van bedrijven aan particuliere personen of huishoudens.

1 op de 5 bedrijven verstuurt e-facturen

In 2016 heeft 20 procent van de Nederlandse bedrijven e-facturen verzonden: facturen die volledig automatisch verwerkbaar zijn (Figuur 4.4.1).noot13 In de gezondheidszorg is e-facturen verzenden het meest gebruikelijk: in 2016 verstuurde 36 procent van de bedrijven in deze sector rekeningen die volledig automatisch verwerkbaar zijn. Ook veel energie- en waterbedrijven verzenden e-facturen: in 2016 ging het om 24 procent. De onroerend goed-branche en financiële instellingen scoren in dit opzicht aanzienlijk lager. In die bedrijfstakken verstuurde respectievelijk 12 en 15 procent van de bedrijven e-facturen.

Bij grote bedrijven is het verzenden van e-facturen veel gebruikelijker dan bij kleinere. Meer dan de helft van de bedrijven met 500 of meer werkzame personen verstuurt automatisch verwerkbare rekeningen, terwijl dat aandeel onder bedrijven met 10 tot 20 werkzame personen 17 procent bedroeg.

4.4.2Bedrijven die elektronische facturen verzenden en ontvangen, internationaal, 2015

  E-facturen verzonden1) Andere elektronische facturen verzonden1) E-facturen ontvangen1)
% van bedrijven2)
Denemarken 64 81 34
Noorwegen 47 57 62
Spanje 25 56 18
Nederland 19 72 40
EU-28 18 48 26
België 16 52 43
Duitsland 16 31 25
Verenigd Koninkrijk 5 63 18

Bron:Eurostat.

1)Dit betreft uitsluitend facturen die bedrijven naar andere bedrijven of overheidsorganisaties hebben gestuurd.

2)Bedrijven met 10 of meer werkzame personen, exclusief financiële instellingen en gezondheidszorg.

4 op de 10 bedrijven ontvangen e-facturen

E-facturen ontvangen is aanmerkelijk gebruikelijker bij bedrijven dan e-facturen verzenden. In 2016 ontving 42 procent van de bedrijven e-facturen (Figuur 4.4.3). Dat betekent dat het aandeel bedrijven dat e-facturen ontving, ruim 2 keer zo groot was als het aandeel bedrijven dat e-facturen verzond. De Gezondheidszorg en Horeca scoren met het ontvangen van e-facturen iets hoger dan het gemiddelde van alle bedrijfstakken, maar in andere bedrijfstakken wijkt het aandeel bedrijven dat e-facturen ontvangt, niet veel af van het gemiddelde. De verschillen tussen diverse branches zijn op dit punt dus niet erg groot.

Net als bij het verzenden van e-facturen zijn er ook voor het ontvangen van e-facturen verschillen tussen bedrijven van verschillende omvang. Van alle bedrijven met 10 tot 20 werkzame personen ontving ongeveer 42 procent e-facturen in 2016, terwijl dit 66 procent bedroeg bij bedrijven met 500 of meer werkzame personen.

In het voorgaande deel kwamen cijfers aan bod over het aandeel bedrijven dat digitale facturen verzendt of ontvangt. In het volgende deel gaat het niet langer over het aandeel bedrijven, maar over het aandeel van de facturen dat digitaal verzonden en ontvangen wordt. Deze cijfers gaan over de situatie bij een gemiddeld bedrijf. Ze geven weer welk aandeel van al zijn facturen een gemiddeld bedrijf digitaal verzendt of ontvangt. Bedrijven die veel facturen verzenden of ontvangen, tellen in deze cijfers even zwaar mee als bedrijven die weinig facturen verzenden en ontvangen. Op deze manier ontstaat een goed beeld van de situatie bij een gemiddeld bedrijf.

Verzonden facturen nog voor groot deel op papier

4.4.4Aandeel digitale facturen voor een gemiddeld bedrijf, 2016

  Verzonden Ontvangen
  e-factuur digitaal, maar
geen e-factuur
e-factuur
% van verzonden facturen1)2)3) % van ontvangen facturen1)2)
Totaal 9 47 16
 
Bedrijfstak
Gezondheidszorg 22 27 21
Handel 9 45 16
ICT-sector 9 66 13
Industrie 9 52 13
Informatie en communicatie 9 65 14
Overige dienstverlening 8 55 14
Energie & water 8 46 17
Transport 10 51 16
Advies en onderzoek 7 52 14
  w.o. Researchinstellingen 10 54 14
Bouw 6 43 18
Horeca 4 44 20
Financiële instellingen 5 41 16
Onroerend goed 5 40 15
 
Bedrijfsomvang
10 tot 20 werkzame personen 8 45 17
20 tot 50 werkzame personen 7 52 14
50 tot 100 werkzame personen 10 51 16
100 tot 250 werkzame personen 12 47 18
250 tot 500 werkzame personen 16 44 20
500 of meer werkzame personen 23 35 27

Bron:CBS, ICT-gebruik bedrijven.

1)Door bedrijven met 10 of meer werkzame personen.

2)Deze cijfers zijn bepaald door het rekenkundige gemiddelde te nemen van de percentages die bedrijven hebben gerapporteerd. Het aantal facturen van een bedrijf speelt hier dus geen rol.

3)Dit betreft uitsluitend facturen die bedrijven naar andere bedrijven of overheidsorganisaties hebben gestuurd.

Voor een gemiddeld bedrijf verliep de facturering in 2016 voor een groot deel nog via papier: 44 procent van de zakelijke facturen werd op papier verstuurd. De overige 56 procent ging digitaal de deur uit: 9 procent als e-factuur en 47 procent in een andere digitale vorm (Tabel 4.4.4). Wat opvalt, is dat vooral bedrijven in de gezondheidszorg een relatief groot deel van hun facturen als e-factuur verzonden. Verder verstuurden vooral grote bedrijven veel e-facturen.

Voor ontvangen facturen geldt hetzelfde beeld als voor verzonden facturen: een gemiddeld bedrijf ontving maar een klein deel van de facturen in een automatisch verwerkbaar formaat. In 2016 was 16 procent van de ontvangen facturen een e-factuur. Het aandeel ontvangen e-facturen is daarmee iets groter dan het aandeel verzonden e-facturen. De verschillen tussen bedrijfstakken zijn niet zo groot. Wel valt op dat het aandeel van ontvangen e-facturen bij de grootste bedrijven aanzienlijk hoger was dan gemiddeld voor alle soorten bedrijven.

4.5E‑commerce

Handel via internet is inmiddels gemeengoed geworden. Paragraaf 3.3 in deze publicatie geeft een beschrijving van de wijze waarop personen online winkelen. Naast de websites die consumenten gebruiken om goederen te bestellen, bestaan ook andere vormen van ‘e‑commerce’. Bedrijven handelen bijvoorbeeld ook elektronisch met elkaar. Dit gebeurt via websites, maar ook via andere elektronische kanalen zoals EDI.

Wat is e‑commerce?

E‑commerce staat voor handel via elektronische netwerken, zoals internet. De OESO definieert e‑commerce als volgt: ‘het verkopen of kopen van goederen of diensten via computernetwerken, met methoden die specifiek ontworpen zijn voor het ontvangen of plaatsen van orders’ (OESO, 2011b).

Statistiekbureaus sluiten zich bij deze definitie aan als ze e‑commerce meten.

Niet alleen goederen maar ook diensten komen voor e‑commerce in aanmerking. Wanneer een consument bijvoorbeeld online een verzekering afsluit, is dit ook een vorm van e‑commerce. Een bestelling via e-mail valt niet onder e‑commerce. E-mail is immers niet specifiek ontworpen om bestellingen te plaatsen.

Websites waarop bedrijven producten verkopen, zijn de bekendste vorm van e‑commerce. Het verkopende bedrijf hoeft daarbij niet de eigenaar van de website te zijn. Intermediairs die via hun website meerdere aanbieders in contact brengen met een grote groep klanten, vervullen ook een belangrijke rol in de e‑commerce-markt. Veel consumenten winkelen online, maar ook bedrijven kunnen klanten zijn van webwinkels. Ook als de koper niet elektronisch betaalt, valt verkoop via een website onder e‑commerce. Het maakt ook niet uit welk apparaat een koper gebruikt om zijn bestelling te plaatsen: een desktop, laptop, tablet of smartphone.

Consumenten handelen ook onderling via websites. Marktplaats en Speurders zijn hiervan bekende voorbeelden. Dit type online handel komt in deze paragraaf niet aan bod.

Een minder bekende vorm van e‑commerce loopt via EDI: Electronic Data Interchange. Deze vorm komt alleen voor bij handel tussen bedrijven onderling. Bedrijfssystemen communiceren via EDI-berichten met elkaar. Deze berichten zijn opgemaakt in een standaard formaat, dat geschikt is voor automatische verwerking. Voorbeelden van bekende formaten zijn XML en EDIFACT. Bedrijven kunnen deze berichten automatisch verzenden via internet of via andere elektronische netwerken.

De cijfers in deze paragraaf betreffen alleen e‑commerce van bedrijven die in Nederland gevestigd zijn. Bestellingen van Nederlandse consumenten bij bedrijven in het buitenland zijn niet meegenomen. Andersom zijn aankopen van buitenlandse consumenten bij Nederlandse bedrijven wel meegeteld in de cijfers.

Bijna een kwart van de bedrijven verkoopt via e‑commerce

In 2016 heeft 24 procent van de Nederlandse bedrijven elektronisch verkocht. Verkoop via een website is gebruikelijker dan verkoop via EDI: 21 procent van de bedrijven verkocht goederen of diensten via een website, tegen 7 procent via EDI. Het aandeel elektronisch verkopende bedrijven is sinds 2013 nauwelijks toegenomen.

Vooral reisbureaus en logiesaccommodaties verkopen elektronisch

De toeristische branche kent het grootste aandeel bedrijven die elektronisch verkopen. Van de reisorganisaties verkocht 56 procent in 2016 via e‑commerce en bij logiesaccommodaties zoals hotels was dat 67 procent. Deze bedrijven verkopen hoofdzakelijk via websites. Ook in de Voedings- en genotmiddelenindustrie verkopen veel bedrijven elektronisch: 57 procent. Hier wordt even vaak via websites als via EDI verkocht.

Elektronisch verkopen is gangbaarder onder grote dan onder kleine bedrijven. In 2016 deed 39 procent van de bedrijven met 500 of meer werkzame personen aan elektronische verkoop, tegen 22 procent van de bedrijven met 10 tot 20 werkzame personen. De verschillen tussen grote en kleine bedrijven zijn vooral zichtbaar bij verkopen via EDI: dit is vooral in trek bij grote bedrijven. Om EDI te kunnen gebruiken, moeten bedrijven aanzienlijke investeringen doen voor het ontwikkelen en onderhouden van deze systemen. Dit maakt EDI voor een beperkte groep bedrijven aantrekkelijk; vooral voor grote bedrijven zijn dergelijke investeringen rendabel.

Daarentegen zijn websites om elektronisch te verkopen, laagdrempeliger. Daarom maken ook veel kleine bedrijven gebruik van webwinkels, van henzelf of van intermediairs. Het aandeel bedrijven dat aan e‑commerce doet via websites, verschilt dan ook minder tussen kleine en grote bedrijven dan voor verkopen via EDI.

Nederland boven EU-gemiddelde

Volgens de Europese methode heeft 26 procent van de Nederlandse bedrijven in 2016 elektronisch verkocht. Het EU-gemiddelde bedraagt 20 procent (Figuur 4.5.2). In Nederland verkoopt een groter deel van de bedrijven via websites dan gemiddeld in de EU. Het aandeel bedrijven dat via EDI verkoopt, is in Nederland even groot als het Europese gemiddelde.

Meeste web-verkoop aan bedrijven

Een gemiddeld bedrijf behaalde in 2016 43 procent van de totale web-omzet door verkoop aan Nederlandse consumenten en 6 procent door de verkoop aan buitenlandse consumentennoot14. Verkoop aan andere bedrijven en aan overheden is goed voor respectievelijk 46 en 4 procent van de totale web-omzet van een gemiddeld Nederlands bedrijf (Figuur 4.5.3). Internethandel tussen bedrijven onderling vormde in 2016 dus een iets grotere markt dan de bekende webwinkels, waarmee bedrijven vooral aan consumenten verkopen.

Twee verschillende ‘gemiddelden’

In deze paragraaf worden onderwerpen die samenhangen met de omzet uit e‑commerce, soms op twee verschillende manieren weergegeven.

  1. Gewogen met het aantal bedrijven. Deze methode houdt geen rekening met de omzet van een bedrijf. Een klein bedrijf met weinig omzet telt hierbij even zwaar mee als een grote multinational. Deze cijfers zeggen iets over het percentage e‑commerce in de omzet van een ‘gemiddeld bedrijf’.
  1. Gewogen met de omzet. Deze methode houdt wél rekening met de omzet van een bedrijf. Een bedrijf met veel omzet weegt daardoor zwaarder mee in het gemiddelde dan een bedrijf met weinig omzet. Deze insteek levert informatie op over het aandeel van e‑commerce in de totale omzet van alle bedrijven in de onderzoekspopulatie.

De cijfers over e‑commerce worden sterk beïnvloed door de bedrijven met de grootste omzet. Cijfers volgens deze twee weegmethoden vertellen elk dus een ander verhaal.

Bij de inkoopwaarde die bedrijven via e‑commerce realiseren, speelt een vergelijkbaar onderscheid. Figuur 4.5.7 geeft cijfers weer over elektronische inkopen van bedrijven bij Nederlandse en buitenlandse handelspartners. In het ene geval zijn deze cijfers gewogen met het aantal bedrijven, in het andere geval met de totale inkoopwaarde van bedrijven via websites en EDI. Ook daar leveren beide invalshoeken een iets ander beeld op.

Als bedrijven met veel web-omzet zwaarder in de cijfers meewegen dan bedrijven met weinig web-omzet, ontstaat een iets ander beeld. Het aandeel van buitenlandse consumenten is vanuit dit perspectief aanzienlijk groter: van de totale web-omzet die bedrijven in 2016 hebben behaald, is 16 procent gerealiseerd door te verkopen aan buitenlandse consumenten. Dit aandeel is voor een gemiddeld bedrijf, zonder te wegen met de web-omzet, niet groter dan 6 procent. Het verschil tussen deze cijfers wordt veroorzaakt door een klein aantal bedrijven met een hoge web-omzet dat een groot deel van de omzet behaalt door via websites aan buitenlandse consumenten te verkopen.

Buitenlandse klanten goed voor kwart totale web-omzet

In 2016 behaalde een gemiddeld bedrijf 86 procent van zijn web-omzet door verkopen aan Nederlandse bedrijven of consumenten (Figuur 4.5.4). Het overige deel was het resultaat van verkopen aan buitenlandse klanten: 11 procent aan klanten binnen de EU en 3 procent aan klanten buiten de EU. EDI-verkopen zijn vaker internationaal dan verkopen via een website: in 2016 realiseerde een gemiddeld bedrijf 21 procent van zijn EDI-omzet door te verkopen aan klanten in het buitenland.

Wanneer het niet gaat om het gemiddelde bedrijf, maar als bedrijven met veel e‑commerce zwaarder in de cijfers meewegen dan bedrijven met weinig e‑commerce, ontstaat het beeld dat zichtbaar is in de onderste helft van Figuur 4.5.4. Ruim 30 procent van alle web-omzet behaalden bedrijven in 2016 door verkoop aan het buitenland waaronder 22 procent via verkoop aan klanten binnen de EU. Van de EDI-omzet was 42 procent het resultaat van handel met het buitenland; klanten binnen en buiten de EU nemen elk de helft van deze verkopen voor hun rekening EU. Hieruit blijkt dat bedrijven met web- of EDI-omzet een groter deel van deze omzet genereren uit internationale handel dan bedrijven die weinig omzet behalen via e‑commerce.

Veel Nederlandse bedrijven kopen in via e‑commerce

Bedrijven gebruiken elektronische kanalen niet alleen voor verkoopdoeleinden, maar ook om in te kopen. In 2017 deed meer dan de helft van de Nederlandse bedrijven inkopen via e‑commerce: 57 procent.noot15 Dat is meer dan het EU-gemiddelde van 45 procent (Figuur 4.5.5). Nederland behoort samen met Noorwegen tot de landen die het vaakst inkopen via elektronische kanalen.

Vooral grote bedrijven gebruiken EDI om in te kopen

EDI is bij bedrijven veel minder in trek als inkoopkanaal dan websites. In 2016 kocht 6 procent van de bedrijven in via EDI, terwijl 57 procent inkopen deed via websites. Alleen van de handels- en bouwbedrijven heeft 9 procent in 2016 via EDI ingekocht. In alle overige bedrijfstakken was dit aandeel lager.

Bij grote bedrijven komen inkopen via EDI-systemen vaker voor. Van de bedrijven met 250 tot 500 werkzame personen gebruikte 14 procent EDI om in te kopen in 2016; bij bedrijven met meer dan 500 werkzame personen was dit zelfs 19 procent. Evenals verkopen via EDI, is inkopen via EDI voor veel kleine bedrijven niet rendabel vanwege de ontwikkel- en onderhoudskosten van dergelijke systemen.

Elektronische inkoopwaarde vaak niet substantieel

Hoewel veel bedrijven via e‑commerce inkopen, gaat het hierbij meestal niet om een substantieel deel van de totale inkoop van het bedrijf. In 2016 kocht 58 procent van alle bedrijven elektronisch in (Figuur 4.5.6). Voor 31 procent van de bedrijven vertegenwoordigde de elektronische inkoop ten minste 1 procent van de totale inkoopwaarde. Dat betekent dat 69 procent van de bedrijven weliswaar incidenteel elektronisch inkoopt, maar dat het voor hen gaat om een aandeel van minder dan 1 procent van de totale inkoop. Voor 6 procent van de bedrijven bedroeg de elektronische inkoop minimaal de helft van de totale inkoopwaarde. E‑commerce vormt voor deze bedrijven dus wel een substantieel inkoopkanaal.

Elektronisch inkopen vooral binnen Nederland

In 2016 kocht een gemiddeld bedrijf voor 92 procent van zijn web-inkoopwaardenoot16 in bij leveranciers in Nederland (Figuur 4.5.7). De overige 8 procent van dit bedrag kocht een gemiddeld bedrijf in bij buitenlandse bedrijven: 6 procent bij leveranciers binnen de EU en 2 procent bij partners buiten de EU. EDI-inkopen zijn vaker internationaal dan inkopen via een website. Een gemiddeld bedrijf kocht voor 17 procent van zijn totale EDI-inkoopwaarde in via handel met het buitenland.

Wanneer het niet gaat om het gemiddelde bedrijf, maar als bedrijven die veel elektronisch inkopen zwaarder in de cijfers meewegen dan bedrijven die weinig elektronisch inkopen, ontstaat een ander beeld: de onderste helft van Figuur 4.5.7. Van het totale bedrag dat bedrijven via websites hebben ingekocht in 2016, betrof 30 procent een besteding bij buitenlandse leveranciers. Het aandeel van leveranciers in de EU (18 procent) was 2 keer zo groot als het aandeel van aanbieders buiten de EU (9 procent). Van het bedrag dat bedrijven via EDI uitgaven, betrof 45 procent handel met het buitenland, waaronder 27 procent handel met klanten binnen de EU. Hier geldt dus dat bedrijven met veel web- of EDI-inkopen een groter deel van deze bestedingen steken in internationale handel dan bedrijven die weinig via e‑commerce inkopen.

4.6ICT-beveiligingsmaatregelen van bedrijven

De voorgaande paragrafen in dit hoofdstuk schetsten het beeld dat ICT een vitaal onderdeel is van veel processen binnen en tussen bedrijven. De rol van ICT in het bedrijfsleven blijft bovendien groeien. De kansen die ICT biedt voor bedrijven, zijn uitvoerig aan bod geweest. De keerzijde van de medaille is dat ICT en de afhankelijkheid ervan ook een bedreiging kunnen vormen voor bedrijven. Voor aanvallers is het moedwillig verstoren van ICT bijvoorbeeld een belangrijk middel om concurrenten schade te berokkenen, of om bedrijven af te persen (NCSC, 2015). Daarnaast zijn tal van andere beveiligingsrisico’s gekoppeld aan intensief ICT-gebruik, zoals onthulling van vertrouwelijke bedrijfsgegevens en productiviteitsverlies doordat ICT-diensten niet beschikbaar zijn. Deze afsluitende paragraaf in dit hoofdstuk beschrijft cijfers over het soort ICT-beveiligingsmaatregelen dat bedrijven nemen, de mate waarin ICT-veiligheidsincidenten optreden en ten slotte welk soort incidenten zich voordoen.

Antivirussoftware meest genomen ICT-veiligheidsmaatregel.

Bedrijven namen in 2016 allerlei maatregelen om hun ICT te beschermen tegen beveiligingsrisico’s (Figuur 4.6.1). Antivirussoftware en het opslaan van gegevens op een andere fysieke locatie zijn maatregelen die door een groot deel van bedrijven worden genomen (respectievelijk 94 procent en 82 procent). Encryptie voor het versturen van data en voor het opslaan van data wordt door nog geen 30 procent van de bedrijven ingezet. Bij grote bedrijven komen het ‘encrypted’ versturen en opslaan van data vaker voor. Waar een kwart van de bedrijven van 10 tot 50 werkzame personen encryptie-maatregelen nam, gold dat bij 6 op de 10 bedrijven met meer dan 250 werkzame personen. Voor kleine bedrijven is encryptie waarschijnlijk niet rendabel vanwege hoge aanschaf,- ontwikkel- en onderhoudskosten van dergelijke systemen.

Helft bedrijven heeft bedrijfsincident gehad

Bij 50 procent van de bedrijven heeft in 2016 een ICT-bedrijfsincident plaatsgevonden (Tabel 4.6.2). In de gezondheidszorg vonden de meeste ICT-incidenten plaats (57 procent) en in de Horeca de minste (33 procent van de bedrijven).

Daarbij heeft 25 procent van de bedrijven schade geleden gehad door een ICT-incident. Bij financiële instellingen, Advies- en onderzoeksinstellingen en de industrie heeft ongeveer 30 procent van de bedrijven schade geleden van een ICT-incident.

Bij 21 procent van de bedrijven ging het om een incident van een aanval door buiten. Bedrijven op het terrein van de Financiële dienstverlening en Energie en water hebben het vaakst last van externe incidenten, ongeveer 30 procent. Bij de Horeca komen deze in beperkte mate voor (9 procent).

4.6.2Optreden van ICT-veiligheidsincidenten, 2016

  Incident opgetreden Kosten gehad aan ICT-incident Incident door aanval van buiten Kosten incident (aanval buitenaf)
% van bedrijven met 10 of meer werkzame personen
Totaal 50 25 21 11
 
Bedrijfstak
Onroerend goed 53 26 22 11
Financiële instellingen 53 29 28 17
Horeca 33 14 9 4
Overige dienstverlening 45 21 18 11
Advies en onderzoek 55 29 22 12
  w.o. Researchinstellingen 56 29 23 14
Bouw 50 26 21 9
Energie & water 53 27 29 15
Informatie en communicatie 48 20 20 10
Transport 48 26 22 10
Industrie 52 28 22 13
ICT-sector 47 19 19 9
Handel 54 26 25 14
Gezondheidszorg 57 22 19 8
 
Bedrijfsomvang
10 tot 20 werkzame personen 43 20 15 8
20 tot 50 werkzame personen 54 26 23 12
50 tot 100 werkzame personen 60 30 26 14
100 tot 250 werkzame personen 65 34 34 16
250 tot 500 werkzame personen 67 35 36 18
500 of meer werkzame personen 73 38 42 19

Bron:CBS, ICT-gebruik bedrijven.

Phishing en pharming

De term ‘phishing’ betekent letterlijk hengelen naar gevoelige gebruikersinformatie. Een authentiek ogende pop-up of e-mail leidt een internetgebruiker naar een valse website. Daar wordt bijvoorbeeld gevraagd naar inloggegevens voor internetbankieren. Als het slachtoffer deze gegevens prijsgeeft, gebruiken de fraudeurs de informatie bijvoorbeeld om geld over te boeken naar hun eigen rekening.

Bij pharming gebeurt iets soortgelijks. Internetgebruikers komen op een valse website terecht, en voeren daar hun inloggegevens in. Een dergelijke site kan een nagemaakte versie zijn van bijvoorbeeld een betaalwebsite. Geraffineerde ‘pharmers’ kunnen internetgebruikers naar deze valse websites leiden, zelfs als ze de juiste URL gebruiken.

Bij grote bedrijven meer incidenten

Bij 73 procent van de bedrijven van 500 werkzame personen of meer vond in 2016 een ICT-incident plaats, terwijl dat voor slechts 43 procent van de bedrijven met 10 tot 20 werkzame personen het geval was. Van de grootste bedrijven heeft 42 procent een incident door aanval van buiten gehad tegenover 15 procent bij de kleinste bedrijven.

1 op de 5 bedrijven heeft uitval van een ICT-dienst

Een ICT-incident kan vervelende gevolgen hebben voor het bedrijf. In 2016 rapporteerde 19 procent van de bedrijven last te hebben gehad van het uitvallen van een ICT-dienst. Dit kan komen door storingen in bijvoorbeeld hardware of software. Alle sectoren hadden hier, met uitzondering van de horeca, in min of meer gelijk mate last van (Tabel 4.6.3). Grotere bedrijven hebben verhoudingsgewijs vaker uitval dan kleinere bedrijven. Zo gaf 30 procent van de bedrijven van 500 werkzame personen of meer aan last te hebben gehad van het uitvallen van een ICT-dienst, terwijl dat bij kleinere bedrijven slechts 16 procent was.

Bedrijven hebben nagenoeg even vaak last van het uitvallen van een ICT-dienst door een aanval van buitenaf als van vernietiging van data door een aanval van buitenaf (7, respectievelijk 6 procent van de bedrijven). Onthulling van gegevens door een ICT-inbraak of door een intern incident komt relatief weinig voor (2, respectievelijk 1 procent).

4.6.3Kosten ICT veiligheidsincidenten, 2016

  Uitval ICT-dienst door veiligheids­incident Uitval ICT-dienst door aanval buitenaf Vernietiging data door veiligheids­incident Vernietiging data; aanval van buitenaf Onthulling gegevens door ICT-inbraak Onthulling gegevens door intern incident
% van bedrijven met 10 of meer werkzame personen
Totaal 19 7 4 6 2 1
 
Bedrijfstak
Onroerend goed 19 6 1 5 0 1
Financiële instellingen 22 11 4 7 4 4
Horeca 13 3 1 3 1 1
Overige dienstverlening 17 8 5 6 2 1
Advies en onderzoek 22 9 5 7 1 1
  w.o. Researchinstellingen 24 10 5 9 0 3
Bouw 21 6 5 6 0 0
Energie & water 21 7 7 10 1 2
Informatie en communicatie 16 7 5 4 2 1
Transport 22 5 5 8 1 2
Industrie 22 8 5 7 1 2
ICT-sector 16 7 4 4 1 1
Handel 20 9 3 7 3 3
Gezondheidszorg 18 5 3 4 1 1
 
Bedrijfsomvang
10 tot 20 werkzame personen 16 5 3 5 1 1
20 tot 50 werkzame personen 21 8 4 7 2 1
50 tot 100 werkzame personen 23 9 5 7 1 2
100 tot 250 werkzame personen 28 10 5 8 1 3
250 tot 500 werkzame personen 27 12 5 8 2 3
500 of meer werkzame personen 30 13 9 9 3 5

Bron:CBS, ICT-gebruik bedrijven.

4.7Big data

Een gevolg van toenemend gebruik van sociale media en mobiele apparaten zoals smartphones en tablets is dat steeds meer data worden geproduceerd en geregistreerd. De grote hoeveelheden beschikbare data bieden kansen voor bedrijven om deze data met elkaar te combineren, te integreren en te analyseren met nieuwe hardware en analytische toepassingen. Dit soort ‘big data’ leveren nieuwe inzichten op, met tal van mogelijkheden voor bedrijven om bijvoorbeeld processen in te richten en beslissingen te nemen.

Big data

Met ‘big data’ wordt hier bedoeld informatie die wordt gegenereerd uit elektronische activiteiten van gebruikers, en uit onderlinge communicatie tussen apparaten (machine-to-machine).

Het gaat bijvoorbeeld om gegevens die voortkomen uit het gebruik van sociale media, en uit productieprocessen in een bedrijf. Big data bevatten doorgaans grote hoeveelheden gegevens die een hoge diversiteit kennen.

Big-data-analyse

Big-data-analyse is het gebruik van technieken, technologieën en softwaretools voor analyse van big data uit het eigen bedrijf, of uit andere gegevensbronnen.

Bedrijven: 23 procent analyseert big data

In 2016 voerde 23 procent van de bedrijven analyses uit op big data. Het kan daarbij gaan om analyses die bedrijven zelf uitvoeren met het eigen personeel, of om analyses die zij uitbesteden aan andere bedrijven. Vooral in de ICT- en informatie- en communicatiesector is big-data-analyse erg in trek: zo’n 40 procent van de bedrijven in die branche was in 2016 actief op dit terrein (Figuur 4.7.1). Ook veel financiële instellingen voerden big-data-analyses uit. Bij verzekeringen was dit aandeel zelfs 52 procent.

Bij grote bedrijven is big-data-analyse gebruikelijker dan bij kleine bedrijven. Van de bedrijven met 10 tot 20 werkzame personen analyseerde 17 procent big data. Onder bedrijven met 500 of meer werkzame personen was het aandeel bijna 3 keer zo groot: 55 procent.noot17

23% van bedrijven analyseerde big data in 2016

Bijna 90 procent zet eigen medewerkers in

Bedrijven kunnen big data analyseren door hun eigen personeel hieraan te laten werken, en/of door dit werk uit te besteden aan andere bedrijven. In 2016 gebruikte 13 procent van de bedrijven die big data analyseerden, daarbij geen eigen personeel (Figuur 4.7.2). Zij besteedden dus al hun big-data-analyses uit aan andere bedrijven. De overige 87 procent zette wel eigen medewerkers in, voor ten minste een deel van de big-data-werkzaamheden.

Van de bedrijven die big data analyseerden, besteedde een ruime meerderheid deze analyses niet uit aan andere bedrijven: 70 procent voerde al hun big-data-analyses volledig zelf uit. De overige 30 procent besteedde ten minste een deel van dit werk uit aan derden. Het komt ook veelvuldig voor dat bedrijven zowel met het eigen personeel als met hulp van andere bedrijven big data analyseren.

Meer cijfers over bedrijven die big data analyseren met eigen personeel, en met hulp van andere bedrijven, zijn opgenomen in de statistische bijlage achterin deze publicatie (Tabel 4.7.1a). Deze tabel bevat ook uitkomsten naar bedrijfstak, en naar bedrijfsomvang.

Noten

Zowel volgens de Europese als volgens de Nederlandse methode is het cijfer 66 procent.

Mobiele verbinding: breedbandinternet via mobiele-telefoonnetwerken, bijvoorbeeld UMTS (3G) of 4G. De verbinding verloopt bijvoorbeeld via een laptop, tablet of smartphone. Niet-mobiele draadloze verbindingen, zoals wifi binnen het bedrijf, vallen hier niet onder.

Zowel volgens de Europese als volgens de Nederlandse methode is het cijfer 77 procent.

De cijfers van alle EU-landen en Noorwegen zijn opgenomen in de statistische bijlage achterin deze publicatie (tabel 4.1.3a).

Dit is het cijfer volgens de Nederlandse methode.

Zowel volgens de Europese als volgens de Nederlandse methode is het cijfer 86 procent.

Tot computers behoren desktops, laptops en andere draagbare apparaten zoals tablets en smartphones.

Zie kader ‘Europese onderzoekspopulatie verschilt van de Nederlandse’.

Volgens de Nederlandse definitie is het cijfer 69 procent.

Tabel 4.3.5a in de statistische bijlage bevat cijfers over het gebruik van de verschillende vormen van sociale media per bedrijfstak.

Tabel 4.3.6a in de statistische bijlage bevat aanvullende cijfers over het gebruik van de verschillende vormen van sociale media in de EU28-landen.

Een artikel van Eurostat beschrijft in meer detail hoe bedrijven in Europa sociale media gebruiken.

Tabel 4.4.1a in de statistische bijlage bevat internationale cijfers over bedrijven die elektronische facturen versturen.

De web-omzet is de totale omzet die een bedrijf heeft gerealiseerd door verkopen via websites.

Volgens de Europese methode was het aandeel in 2017 in Nederland 57 procent; volgens de Nederlandse methode bedroeg het 56 procent.

De web-inkoopwaarde is het totale bedrag dat een bedrijf heeft besteed aan inkopen via websites.

De cijfers naar bedrijfsomvang zijn opgenomen in de statistische bijlage achterin deze publicatie (tabel 4.7.1a).

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Copyright foto’s: Hollandse Hoogte

Disclaimer en copyright

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2017–2018 2017 tot en met 2018
2017/2018 Het gemiddelde over de jaren 2017 tot en met 2018
2017/’18 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2017 en eindigend in 2018
2015/’16–2017/’18 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2015/’16 tot en met 2017/’18

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

C. Atmé

J. Arends-Tóth

J.W.A. van Beuningen

A.J. Dieleman

N.M. Heerschap

H.N. de Heij

R. Kleingeld

V.S. Lalta

G.J.H. Linden

Q.A. Meertens

N.R.M. Pouw

Overige bijdragen

J.B.G. Boskamp

J.J.T. Bechholz

H. de Bondt

D.J. Gies

C.M. Kragt

A.D. Kuipers

A. van Loon

M.H.J. Souren

Eindredactie

V.S. Lalta

G.H. Wassink

Erratum

Ondanks de zorgvuldigheid waarmee deze publicatie is samengesteld, zijn er achteraf enkele onvolkomenheden geconstateerd. Onze excuses hiervoor.

Datum: 7 maart 2019

In de tekst behorende bij tabel 2.4.1 is geschreven dat Nederland in 2016 voor 51 miljard euro aan ICT-goederen en -diensten importeerde. Dit moet echter 61 miljard zijn zoals ook in de tabel is vermeld. Deze fout is ook in de samenvatting terecht gekomen. Hierin staat onder het kopje Internationale handel in ICT (2.4) ook dat Nederland in 2016 voor 51 miljard euro aan ICT-goederen en -diensten importeerde. Dit moet 61 miljard euro zijn.