Graasdieren
De grasoogst van 2021 bevatte beduidend minder stikstof maar meer fosfor vergeleken met voorgaande jaren.
3.1Ruwvoer en krachtvoer
Runderen, schapen, geiten, paarden en pony’s gebruiken in hoofdzaak ruwvoer aangevuld met krachtvoer. Het ruwvoer wordt in Nederland geteeld en bestaat voornamelijk uit graskuil, hooi, snijmaïskuil en weidegras. Het krachtvoer omvat mengvoeders, enkelvoudige krachtvoergrondstoffen, melk(poeder) en vochtrijk krachtvoer. Bij schapen, geiten, paarden en pony’s wordt krachtvoer verstrekt in de vorm van mengvoer. Bij rundvee wordt het krachtvoer voor circa 90 procent verstrekt als mengvoer en voor de rest als enkelvoudige krachtvoergrondstoffen zoals sojaschroot en vochtrijk krachtvoer. Vochtrijk krachtvoer bestaat vooral uit bijproducten van de levensmiddelenindustrie met een lager drogestofgehalte dan het mengvoer.
Het voerverbruik van graasdieren is gebaseerd op de voederbehoefte van het dier en de landelijke beschikbaarheid aan voedermiddelen. Bij het voerverbruik wordt rekening gehouden met 2 procent voerverliezen voor droge en vochtrijke krachtvoeders en 5 procent voor geconserveerd ruwvoer. De voerverliezen worden bij het voerverbruik opgeteld waarbij wordt aangenomen dat de voerverliezen in de mest terechtkomen (zie ook Van Bruggen en Gosseling, 2019).
Omdat er in de melkveehouderij grote verschillen bestaan tussen de voerrantsoenen op zandgronden en in veen- en kleigebieden maakt de Werkgroep Uniformering berekening Mest- en mineralencijfers (WUM) voor de berekening van de excretiefactoren van melk- en kalfkoeien en het bijbehorende jongvee onderscheid in twee regio’s: Zuid-Oost Nederland en Noord-West Nederland. In regio Noord-West is het aandeel snijmaïs in het rantsoen relatief klein en in Zuid-Oost relatief groot. Regio Noord-West bestaat uit de provincies Groningen, Friesland, Utrecht, Noord-Holland en Zuid-Holland en de regio Zuid-Oost bestaat uit de provincies Drenthe, Overijssel, Flevoland, Gelderland, Zeeland, Noord-Brabant en Limburg. Figuur 3.1.1 laat het verschil zien in de rantsoensamenstelling van melkkoeien tussen de beide regio’s.
| Graskuil en hooi | Snijmais | Vers gras | Eiwitarm krachtvoer | Eiwitrijk krachtvoer | Vochtrijk krachtvoer | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Noord-West | 46 | 11 | 10 | 23 | 5 | 5 |
| Zuid-Oost | 31 | 27 | 11 | 15 | 11 | 5 |
Ruwvoer
De totale beschikbaarheid en het verbruik van graskuil en hooi is gebaseerd op twee databronnen. Voor melkveebedrijven is dit de Kringloopwijzer en voor de overige bedrijven worden de resultaten van het CBS-onderzoek naar graslandgebruik toegepast. Het verbruik van snijmaïs wordt berekend op basis van de opbrengst per hectare in het Bedrijveninformatienet (BIN) van Wageningen Economic Research en het areaal snijmaïs (CBS), verminderd met 4 procent conserveringsverlies (Schröder et al., 2018). Voor de berekening van het snijmaïsverbruik zijn gegevens over voorraadmutaties in het BIN niet tijdig beschikbaar. Daarom is besloten het verbruik niet enkel te baseren op de oogst in het voorgaande jaar maar te berekenen uit de gemiddelde opbrengst per hectare over de afgelopen vier jaar en deze te vermenigvuldigen met het areaal van het jaar voorafgaand aan het verslagjaar. Op deze manier wordt rekening gehouden met demping door voorraadmutaties.
Het verbruik van weidegras wordt berekend uit de resterende voederbehoefte van graasdieren na vervoedering van alle andere verbruikte voeders. De weidegrasproductie wordt dus berekend als restpost waarin alle onnauwkeurigheden samenkomen. In de loop der jaren is het totale aandeel van geconserveerde ruwvoeders zoals graskuil en snijmaïskuil en van krachtvoer steeds verder toegenomen waardoor weidegras inmiddels een kleine voercomponent is. Hierdoor hebben kleine veranderingen in het verbruik van geconserveerd ruwvoer en krachtvoer al een sterk effect op de opname van weidegras. Dit is ook zichtbaar in de opname van weidegras in 2021 die lager uitviel dan verwacht gezien de goede groeiomstandigheden. Omdat de versgrasopname in omvang beperkt is, is de invloed daarvan op het eindresultaat gering.
Naast het hogere verbruik van graskuil en snijmaïskuil in 2021, viel ook de afzet van vochtrijke producten hoger uit, met name de afzet van aardappels door het wegvallen van de vraag vanuit de horeca. Het is mogelijk dat een deel van deze afzet niet in 2021 is verbruikt. Om de plausibiliteit van het totale verbruik aan grasproducten te controleren, wordt jaarlijks de bruto graslandproductie per hectare vastgesteld en vergeleken met jaarproducties in het Handboek Melkveehouderij. De berekende graslandproducties blijken redelijk overeen te komen met de waarden in het Handboek. De bruto graslandproductie is voor alle jaren berekend door het verbruik aan graslandproducten standaard te verhogen met 20 procent voederwinnings- en conserveringsverliezen en 20 procent beweidingsverliezen.
Hoewel er jaarlijks behoorlijke fluctuaties optreden in de productie van weidegras en geconserveerd gras, neemt de productie van weidegras per hectare sinds 1990 af ten gunste van geconserveerd gras (Figuur 3.1.2). Enkele oorzaken zijn een toename van de periode waarin de koeien op stal staan en mede daardoor een steeds groter verbruik van geconserveerd ruwvoer (snijmaïs, graskuil en hooi) in de weideperiode.
| Graskuil | Hooi | Weidegras | |
|---|---|---|---|
| 1990 | 4336 | 445 | 5430 |
| 2000 | 4253 | 300 | 3906 |
| 2010 | 5139 | 183 | 2929 |
| 2020 | 5537 | 198 | 2618 |
| 2021 | 7001 | 204 | 2082 |
Figuur 3.1.3 laat zien dat de opbrengst van snijmaïs per hectare sinds het begin van de jaren negentig is toegenomen van krap 12 ton droge stof per hectare tot ca. 16 ton per hectare. Het cijfer van 2021 is nog een voorlopig cijfer op basis van de CBS-oogstraming.
| Snijmaisoogst per hectare | |
|---|---|
| 1990 | 11709 |
| 2000 | 13833 |
| 2010 | 15595 |
| 2020 | 16772 |
| 2021* | 15925 |
| * Voorlopig cijfer | |
De samenstelling van ruwvoer is gebaseerd op gegevens van Eurofins Agro. Dit bedrijf bepaalt van een zeer groot aantal monsters van kuilvoer en vers gras de voederwaarde en de mineralengehalten. Variaties in mineralengehalten tussen verschillende jaren worden veroorzaakt door weers- en groeiomstandigheden (temperatuur en vocht) en verschillen in bemesting. Voor hooi worden vaste voederwaarden aangehouden omdat het aandeel in het rantsoen zeer gering is.
In Tabel 3.1.4 is de hoeveelheid van het verbruikte voer weergegeven en in Tabel 3.1.5 de samenstelling. Voor geconserveerd voer wordt er normaliter van uitgegaan dat tot en met de weideperiode voer wordt verstrekt dat in het voorgaande jaar is geoogst. In de stalperiode van circa half oktober tot en met 31 december wordt dan gerekend met de samenstelling van het voer dat in dat jaar is geoogst.
In studies naar de forfaitaire stikstofexcretie is de ruwvoersamenstelling gedifferentieerd naar gangbaar en extensief graslandbeheer (Tamminga et al., 2000; 2004; 2009; Heeres-van der Tol, 2002). De samenstelling van extensief beheerd grasland is toegepast in de excretieberekeningen van zoog-, mest- en weidekoeien, jongvee ouder dan 1 jaar en schapen. Vanaf 2015 is de samenstelling van graskuil bestemd voor schapen gebaseerd op de samenstelling van kuilmonsters die zijn geselecteerd op de maaidatum die geldt voor natuurgrasland (na 15 juni) en celwandgehalte (zie ook Van Bruggen, 2016).
| Verbruik | |
|---|---|
| Graskuil voor rundvee, schapen en geiten (droge stof) | 5 912 |
| Grashooi voor rundvee, schapen en geiten (droge stof) | 124 |
| Graskuil voor paarden en pony's (droge stof) | 86 |
| Grashooi voor paarden en pony's (droge stof) | 69 |
| Graszaadstro voor paarden en pony's (droge stof) | 11 |
| Snijmaïskuil voor rundvee, schapen en geiten (droge stof) | 3 029 |
| Weidegras voor rundvee en schapen (droge stof) | 1 992 |
| Weidegras voor paarden en pony's (droge stof) | 90 |
| Rundveekrachtvoer – eiwitarm2) | 2 669 |
| Rundveekrachtvoer – eiwitrijk2,3) | 1 129 |
| Krachtvoer voor rosévleeskalveren en vleesstieren | 417 |
| Startmelk voor rosévleeskalveren en vleesstieren | 16 |
| Kunstmelk voor witvleeskalveren | 295 |
| Melkvervangmix voor witvleeskalveren | 390 |
| Vochtrijk krachtvoer voor rundvee (droge stof) | 691 |
| Krachtvoer voor schapen | 23 |
| Kunstmelk voor geitenbokjes | 4 |
| Krachtvoer voor geiten | 231 |
| Krachtvoer voor paarden en pony's | 38 |
1)Inclusief voeders voor vleeskalveren.
2)Inclusief aanvullende voeders en enkelvoudig vervoederde krachtvoedergrondstoffen.
3)Eiwitkernvoeders en overig eiwitrijk voer met minimaal 120 g DVE (Darm Verteerbaar Eiwit) per kg droge stof.
| Stikstof (N) |
Fosfor (P) |
Kalium (K) |
VEM1) | |
|---|---|---|---|---|
| g/kg droge stof | aantal/kg | |||
| Graskuil oogst 2020 | 29,3 | 3,4 | 30,1 | 911 |
| Graskuil oogst 2021 | 25,8 | 3,7 | 30,6 | 891 |
| Grashooi | 21,1 | 2,7 | 34,1 | 790 |
| Graskuil en hooi in de stalperiode | 27,7 | 3,5 | 30,4 | 900 |
| Graskuil en hooi in de weideperiode | 29,1 | 3,4 | 30,2 | 909 |
| Graskuil en hooi extensief grasland in de stalperiode2) | 24,8 | 3,4 | 30,1 | 858 |
| Graskuil en hooi extensief grasland voor schapen2) | 19,0 | 2,7 | 20,9 | 696 |
| Graskuil voor paarden en pony's | 20,5 | 3,3 | 25,2 | |
| Grashooi voor paarden en pony's | 14,1 | 2,5 | 18,5 | |
| Graszaadstro voor paarden en pony's | 9,8 | 1,7 | 18,3 | |
| Snijmaïskuil oogst 2020 | 12,2 | 1,8 | 10,5 | 985 |
| Snijmaïskuil oogst 2021 | 11,2 | 1,8 | 9,6 | 989 |
| Snijmaïskuil in de stalperiode | 11,8 | 1,8 | 10,1 | 987 |
| Snijmaïskuil in de weideperiode | 12,2 | 1,8 | 10,5 | 985 |
| Weidegras van regulier beheerd grasland voor rundvee | 31,0 | 3,9 | 32,4 | 967 |
| Weidegras extensief grasland3) voor rundvee en schapen | 24,8 | 3,5 | 32,4 | 900 |
| Weidegras voor paarden en pony's | 29,1 | 3,9 | 29,0 | |
| Vochtrijk krachtvoer totaal | 23,6 | 3,2 | 10,4 | |
| Vochtrijk krachtvoer voor melkvee | 24,5 | 3,2 | 10,6 | 1 000 |
| Vochtrijk krachtvoer voor vleesvee | 16,2 | 3,0 | 8,8 | |
| g/kg | aantal/kg | |||
| Rundveekrachtvoer - eiwitarm4) | 26,4 | 4,2 | 12,0 | 960 |
| Rundveekrachtvoer - eiwitrijk4,5) | 35,7 | 5,0 | 14,1 | 960 |
| Startmelk voor rosévleeskalveren en vleesstieren | 33,0 | 5,9 | 20,4 | |
| Opfokvoer voor rosévleeskalveren | 32,5 | 5,5 | 12,6 | |
| Groei- en afmestvoer voor rosévleeskalveren | 24,6 | 4,4 | 12,3 | |
| Opfokvoer voor vleesstieren | 41,3 | 6,3 | 12,6 | |
| Groei- en afmestvoer voor vleesstieren | 24,6 | 4,4 | 12,3 | |
| Kunstmelk voor witvleeskalveren | 27,4 | 5,9 | 15,9 | |
| Melkvervangmix witvleeskalveren | 24,1 | 3,0 | 4,0 | |
| Krachtvoer voor schapenlammeren | 25,3 | 3,9 | 13,1 | |
| Krachtvoer voor schapen | 25,3 | 3,9 | 11,7 | |
| Kunstmelk voor geitenbokjes | 34,0 | 7,0 | 16,0 | |
| Krachtvoer voor geiten | 26,4 | 4,3 | 9,0 | |
| Krachtvoer voor paarden en pony's6) | 22,3 | 5,5 | 11,7 | |
1)Voederwaarde uitgedrukt in Voedereenheden Melk (VEM).
2)Mest-, weide- en zoogkoeien en schapen krijgen graskuil en hooi van laag bemest grasland.
3)Jongvee ouder dan 1 jaar, mest-, weide- en zoogkoeien en schapen krijgen weidegras van laag bemest grasland.
4)Inclusief aanvullende voeders en enkelvoudig vervoederde krachtvoedergrondstoffen.
5)Eiwitkernvoeders en overig eiwitrijk voer met minimaal 120 g DVE (Darm Verteerbaar Eiwit) per kg droge stof.
6)Gewogen gemiddelde samenstelling van diverse typen krachtvoeders.
Krachtvoer
Onder krachtvoer vallen mengvoer, enkelvoudig vervoederde krachtvoergrondstoffen, vochtrijk krachtvoer en kunstmelk(poeder).
Voerleveranciers zijn verplicht om leveringen van mengvoer en enkelvoudig voer te rapporteren aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). In de leveringen van mengvoer wordt aangegeven voor welke diergroep het voer bestemd is. In de overzichten van mengvoerleveringen komen soms ook leveringen voor van ruwvoer en vochtrijk krachtvoer. Om gedeeltelijke dubbeltellingen met gegevens uit andere bronnen te vermijden, wordt hiervoor gecorrigeerd. Voor de afzet van vochtrijk krachtvoer en de verdeling over rundvee en varkens wordt geen gebruik gemaakt van de geregistreerde voerleveringen. Deze gegevens worden jaarlijks beschikbaar gesteld door de Overleggroep Producenten Natte Veevoeders (OPNV).
Bij de berekening van excretiefactoren voor de stal- en weideperiode in de regio’s Noord-West en Zuid-Oost Nederland wordt voor melkvee onderscheid gemaakt in eiwitarm en eiwitrijk krachtvoer. Voor de bepaling van de afzetvolumes aan eiwitarm en eiwitrijk krachtvoer worden gegevens van Wageningen Economic Research gebruikt waarbij de afzet van mengvoer is ingedeeld naar het gehalte aan Darm Verteerbaar Eiwit (DVE). Voeders met een DVE-gehalte tot en met 115 gram DVE per kg zijn beschouwd als eiwitarm en voeders met 120 gram DVE of meer als eiwitrijk. De afzetgegevens zijn gecombineerd met gegevens over de stikstof-, fosfor- en kaliumgehalten van mengvoer per DVE-gehalte van Wageningen Livestock Research. Ten slotte is de berekende samenstelling van eiwitrijk en eiwitarm krachtvoer gekalibreerd met de samenstelling van melkveevoer in de gegevens van RVO.
Voor de verschillende categorieën vleesvee wordt gewerkt met vaste hoeveelheden opfok- en afmestvoer in het rantsoen. De samenstelling van opfok- en afmestvoer voor rosévleeskalveren en vleesstieren is gebaseerd op gegevens van RVO. De gemiddelde samenstelling van het aan witvleeskalveren verstrekte voer is gebaseerd op informatie van de kalversector. Het kaliumgehalte van het mengvoer wordt incidenteel bijgesteld.
3.2Dierlijke productie
De vastlegging van mineralen in dierlijke producten is afhankelijk van het productieniveau van melk en vlees en van de mineralengehalten van die producten. Het levend gewicht van graasdieren wordt incidenteel aangepast. De mineralengehalten van dierlijke producten worden jaarlijks afgestemd met de forfaitaire waarden in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Nieuwe gegevens over gehalten aan stikstof, fosfor en kalium in het levend gewicht van graasdieren komen incidenteel beschikbaar. De samenstelling van dierlijke producten is weergegeven Tabel 3.2.1.
| Gewicht (Gew) (kg) |
Stikstof (N) (g/kg) |
Fosfor (P) (g/kg) |
Kalium (K) (g/kg) |
Bron [Gew] [N] [P] [K] | |
|---|---|---|---|---|---|
| Kalf, geboortegewicht | 44 | 29,4 | 8,00 | 2,05 | [1] [2] [2] [3] |
| Vleeskalf, blank, begingewicht | 44 | 29,4 | 8,00 | 2,05 | [2] [2] [3] |
| Vleeskalf, rosé, begingewicht | 50 | 29,4 | 8,00 | 2,05 | [5] [2] [2] [3] |
| Vleeskalf, blank | 270 | 27,3 | 7,20 | 1,67 | [4] [6] [7] [6] |
| Vleeskalf, rose | 330 | 26,4 | 6,85 | 1,69 | [8] [6] [9] [6] |
| Vleesstier | |||||
| begingewicht | 50 | 29,4 | 8,00 | 2,05 | [5] [2] [2] [3] |
| 12 maanden | 450 | 28,5 | 7,50 | 1,91 | [10] [10] [10] [3] |
| eindgewicht-kruisling | 625 | 27,0 | 7,40 | 1,91 | [11] [10] [12] [3] |
| eindgewicht-zuiver vleesras | 700 | 27,0 | 7,40 | 1,91 | [11] [10] [12] [3] |
| Jongvee | |||||
| 1 jaar | 320 | 24,1 | 7,40 | 2,00 | [13] [13 [12] [3] |
| 2 jaar en ouder | 540 | 23,1 | 7,40 | 2,00 | [14] [13] [12] [3] |
| Melkkoe | 650 | 22,5 | 7,40 | 2,00 | [14] [13] [12] [3] |
| Zoog-, mest- en weidekoe | 650 | 22,5 | 7,40 | 2,00 | [15] [13] [12] [3] |
| Fokstier | |||||
| 1 jaar | 400 | 25,6 | 7,40 | 2,00 | [12] [2] [12] [3] |
| 3,5 jaar | 1 100 | 25,3 | 7,40 | 2,00 | [12] [2] [12] [3] |
| Schaap | |||||
| volwassen | 75 | 25,0 | 7,80 | 1,70 | [15] [15] [11] [15] |
| vleeslam | 42 | 26,2 | 5,20 | 1,70 | [11] [16] [16] [15] |
| Geiten | |||||
| melkgeit | 75 | 24,0 | 7,90 | 1,70 | [8] [13] [11] [15] |
| vleeslam | 9 | 24,0 | 6,30 | 1,70 | [8] [13] [16] [15] |
| Paard | 540 | 29,9 | 7,50 | 2,00 | [17] [17] [17] [3] |
| Pony | 285 | 29,9 | 7,50 | 2,00 | [17] [17] [17] [3] |
| Melkproductie | |||||
| per melkkoe per jaar1) | 8 843 | 5,6 | 0,99 | 1,60 | [18] [18] [19] [15] |
| per melkgeit per jaar | 1 000 | 5,0 | 1,12 | 2,00 | [8] [11] [11] [15] |
| Wolproductie per schaap per jaar | 3 | 122 | 0,11 | 1,45 | [11] [15] [15] [15] |
1)Wordt jaarlijks geactualiseerd.
N.B. Het gewicht van dieren is het levend gewicht.
[1] Tamminga et al. (2004).
[2] Jongbloed et al. (1985).
[3] Jongbloed et al. (1984).
[4] Sebek et al. (2021).
[5] KWIN (2020).
[6] Heeres – van der Tol en Gerrits (1999).
[7] Kemme et al. (2004).
[8] Bikker et al. (2019).
[9] Kemme et al. (2003).
[10] Heeres – van der Tol (2001).
[11] Kemme et al. (2005a).
[12] Van der Hoek (1987).
[13] Tamminga et al. (2000).
[14] Handreiking Bedrijfsspecifieke Excretie melkvee, 2018.
[15] IKC (1993).
[16] Jongbloed en Kemme (2002b).
[17] Kemme et al. (2005b).
[18] Rijksdiest voor Ondernemend Nederland (RVO).
[19] ZuivelNL.
3.3Mineralenexcretie
De excretiefactoren voor graasdieren zijn weergegeven in Tabel 3.3.1.
| Stalperiode | Weideperiode | Gehele jaar | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| stikstof (N) |
fosfaat (P2O5) |
kali (K2O) |
stikstof (N) |
fosfaat (P2O5) |
kali (K2O) |
stikstof (N) |
fosfaat (P2O5) |
kali (K2O) |
|
| Zuid- en Oost-Nederland (snijmaïsrantsoen) | |||||||||
| Vrouwelijk jongvee | |||||||||
| jonger dan 1 jaar | 28,2 | 6,6 | 35,9 | 2,7 | 0,6 | 3,7 | 30,9 | 7,2 | 39,6 |
| 1 jaar en ouder | 53,5 | 13,8 | 73,8 | 14,1 | 4,0 | 23,9 | 67,6 | 17,8 | 97,7 |
| Melk- en kalfkoeien | |||||||||
| totaal1) | 77,3 | 21,7 | 85,7 | 59,7 | 16,1 | 73,5 | 137,0 | 37,8 | 159,2 |
| excretie in de stal | 77,3 | 21,7 | 85,7 | 45,9 | 12,4 | 56,5 | 123,2 | 34,1 | 142,2 |
| excretie in de wei | 13,8 | 3,7 | 17,0 | 13,8 | 3,7 | 17,0 | |||
| Noord- en West-Nederland (graskuilrantsoen) | |||||||||
| Vrouwelijk jongvee | |||||||||
| jonger dan 1 jaar | 31,4 | 7,3 | 42,2 | 4,4 | 1,0 | 6,0 | 35,8 | 8,3 | 48,2 |
| 1 jaar en ouder | 53,1 | 13,7 | 73,7 | 17,9 | 5,1 | 30,4 | 71,0 | 18,8 | 104,1 |
| Melk- en kalfkoeien | |||||||||
| totaal1) | 79,5 | 22,6 | 93,9 | 69,8 | 18,5 | 87,5 | 149,3 | 41,1 | 181,4 |
| excretie in de stal | 79,5 | 22,6 | 93,9 | 49,1 | 13,0 | 61,6 | 128,6 | 35,6 | 155,5 |
| excretie in de wei | 20,7 | 5,5 | 25,9 | 20,7 | 5,5 | 25,9 | |||
| Nederland | |||||||||
| Rundvee voor de melkveehouderij | |||||||||
| vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar | 29,5 | 6,9 | 38,4 | 3,4 | 0,8 | 4,6 | 32,9 | 7,7 | 43,0 |
| mannelijk jongvee jonger dan 1 jaar | 31,9 | 6,9 | 43,9 | ||||||
| vrouwelijk jongvee, 1–2 jaar | 53,3 | 13,8 | 73,8 | 15,6 | 4,4 | 26,5 | 68,9 | 18,2 | 100,3 |
| mannelijk jongvee, 1–2 jaar | 82,8 | 22,9 | 109,4 | ||||||
| vrouwelijk jongvee, 2 jaar en ouder | 53,3 | 13,8 | 73,8 | 15,8 | 4,5 | 26,7 | 69,1 | 18,3 | 100,5 |
| Melk- en kalfkoeien | |||||||||
| totaal1) | 78,2 | 22,1 | 89,2 | 64,1 | 17,2 | 79,5 | 142,3 | 39,3 | 168,7 |
| excretie in de stal | 78,2 | 22,1 | 89,2 | 47,3 | 12,7 | 58,7 | 125,5 | 34,8 | 147,9 |
| excretie in de wei | 16,8 | 4,5 | 20,8 | 16,8 | 4,5 | 20,8 | |||
| stieren voor de fokkerij, 2 jaar en ouder | 82,8 | 22,9 | 109,4 | ||||||
| Rundvee voor de vleesproductie | |||||||||
| witvleeskalveren | 17,7 | 4,2 | 13,8 | ||||||
| rosévleeskalveren | 26,0 | 8,2 | 24,1 | ||||||
| vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar | 29,1 | 6,8 | 37,6 | 3,2 | 0,7 | 4,3 | 32,3 | 7,5 | 41,9 |
| mannelijk jongvee (incl. ossen) jonger dan 1 jaar | 30,5 | 7,9 | 23,7 | ||||||
| vrouwelijk jongvee, 1–2 jaar | 53,4 | 13,8 | 73,8 | 15,2 | 4,3 | 25,8 | 68,6 | 18,1 | 99,6 |
| mannelijk jongvee (incl. ossen), 1–2 jaar | 53,7 | 16,6 | 41,3 | ||||||
| vrouwelijk jongvee, 2 jaar en ouder | 53,4 | 13,8 | 73,8 | 15,2 | 4,3 | 25,8 | 68,6 | 18,1 | 99,6 |
| mannelijk jongvee (incl. ossen), 2 jaar en ouder | 53,7 | 16,6 | 41,3 | ||||||
| zoog-, mest- en weidekoeien, 2 jaar en ouder | 37,3 | 11,0 | 58,8 | 43,4 | 13,3 | 75,9 | 80,7 | 24,3 | 134,7 |
| Schapen (ooien)2) | 1,3 | 0,4 | 1,7 | 12,2 | 3,8 | 21,7 | 13,5 | 4,2 | 23,4 |
| Geiten (melkgeiten)2) | 19,2 | 5,6 | 16,7 | ||||||
| Paarden | 40,8 | 15,6 | 53,1 | 35,7 | 13,1 | 45,8 | 76,5 | 28,7 | 98,9 |
| Pony's | 16,1 | 6,1 | 21,7 | 19,5 | 6,9 | 25,4 | 35,6 | 13,0 | 47,1 |
1)In de weideperiode van melkkoeien (mei-oktober) kan sprake zijn van opstallen of beweiden.
2)Excretie per moederdier, inclusief de excretie van lammeren, mannelijke dieren en opfokdieren.
Melk- en kalfkoeien
De voederbehoefte, de samenstelling van het voerrantsoen en de vastlegging van stikstof worden jaarlijks geactualiseerd. Met ingang van 2017 wordt ook het fosforgehalte van de geproduceerde melk jaarlijks aangepast (Van Bruggen, 2018; Koning en Šebek, 2019). Voor de andere categorieën runderen, schapen en geiten worden alleen de voederwaarden en de mineralengehalten van het voer jaarlijks aangepast.
De totale melkproductie is de som van de melkleveringen aan fabrieken en de melk die achterblijft op de boerderij voor bijvoorbeeld de productie van boerderijzuivel en de opfok van kalveren. Voor de melk die achtergehouden wordt op de boerderij werd tot dusver gebruik gemaakt van een schatting door RVO. Op basis van deze cijfers is het aandeel van de melkproductie die achterblijft op de boerderij de laatste jaren steeds verder gedaald tot ongeveer 1,5 procent. Voor 2019 en 2020 zijn cijfers over de totale melkproductie uit de Gecombineerde Opgave beschikbaar en op basis daarvan is het aandeel achtergehouden melk aanmerkelijk hoger, namelijk 4 à 5 procent. Een derde bron is het Bedrijveninformatienet (BIN) van Wageningen Economic Research. In het BIN is een langere tijdreeks beschikbaar van de totale melkproductie en het deel dat geleverd wordt aan fabrieken. De werkgroep geeft de voorkeur aan de cijfers van het BIN omdat deze afkomstig zijn van bedrijfsadministraties die bij individuele bedrijfsbezoeken worden verzameld. Het BIN heeft echter nog geen cijfer voor 2021 en daarom heeft de werkgroep WUM besloten om voor de achterhouding van melk op de boerderij uit te gaan van het gemiddelde van de laatste vijf jaar: 2,1 procent.
De melkproductie per koe wordt normaliter berekend door de totale melkproductie te delen door het aantal melkkoeien in de Landbouwtelling. Er wordt daarbij van uitgegaan dat het aantal melkkoeien in de Landbouwtelling representatief is voor het gemiddeld aantal melkkoeien in het jaar. In jaren met een sterke toe- of afname van het aantal melkkoeien in de loop van het jaar wordt bij de berekening van de melkproductie per koe het gemiddeld aantal dieren gecorrigeerd (Van Bruggen en Gosseling, 2019).
De uitgangspunten voor de berekening van de voederbehoefte van melkkoeien en jongvee en voor de vastlegging van mineralen in dierlijke producten zijn afgestemd met de Handreiking Bedrijfsspecifieke Excretie (BEX). Van het aantal kalveren dat gedurende het leven van de koe wordt geboren, wordt het eerste kalf berekend als vastlegging bij de vaars (jongvee van 1 jaar en ouder).
Om het voerverbruik van melkkoeien te berekenen, wordt gebruik gemaakt van een voerbalans. Daarbij wordt uitgegaan van vaste kengetallen voor het voerverbruik van rundvee (exclusief melk- en kalfkoeien), schapen, geiten, paarden en pony’s (zie ook Van Bruggen et al., 2019). Na verdeling van het benodigde krachtvoer en ruwvoer over rundvee (exclusief melk- en kalfkoeien) en over schapen, geiten, paarden en pony’s wordt de rest van het beschikbare voer (circa 70 procent) aan melk- en kalfkoeien toebedeeld. In de voederbehoefte die bij melk- en kalfkoeien dan nog resteert, wordt voorzien door weidegras. Het verbruik van weidegras door melkkoeien wordt dus berekend als restpost waarin alle onzekerheden in de aannames terechtkomen. Door de trend naar vaker opstallen van melkkoeien is het verbruik van weidegras door melkkoeien inmiddels een kleine voercomponent. Doordat het verbruik van weidegras relatief gering is en het bovendien een restpost is in de berekening van het voerverbruik, kan het verbruik van jaar op jaar forse schommelingen vertonen (zie ook Van Bruggen, 2018). Omdat de versgrasopname in omvang beperkt is, is de invloed daarvan op het eindresultaat gering. De excretie van melkkoeien is weergegeven in Tabel 3.3.2.
| Noord- en West Nederland | Zuid- en Oost Nederland | Nederland | ||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2020 | 2021 | 2020 | 2021 | 2020 | 2021 | |
| kVEM | ||||||
| VEM-behoefte (kVEM) | 6 880 | 6 840 | 7 080 | 7 085 | 6 995 | 6 980 |
| Ruwvoeropname | kg drogestof/dier.jaar | |||||
| weidegras | 1 112 | 707 | 1 029 | 786 | 1 064 | 752 |
| graskuil- en hooi | 3 150 | 3 323 | 2 217 | 2 212 | 2 616 | 2 688 |
| snijmaïskuil | 714 | 828 | 1 868 | 2 031 | 1 375 | 1 515 |
| Krachtvoeropname1) | ||||||
| vochtrijk | 292 | 394 | 292 | 394 | 292 | 394 |
| kg/dier.jaar | ||||||
| eiwitarm | 1 884 | 1 882 | 1 224 | 1 312 | 1 506 | 1 556 |
| eiwitrijk | 409 | 393 | 1 069 | 963 | 787 | 719 |
| Vastlegging | ||||||
| melkkoe | 30 | 29 | 30 | 29 | 30 | 29 |
| kalf | 31 | 31 | 31 | 31 | 31 | 31 |
| melk | 8 665 | 8 561 | 9 069 | 9 054 | 8 896 | 8 843 |
| Mineralenbalans | ||||||
| Opname met voer | ||||||
| stikstof (N) | 205,1 | 199,0 | 196,3 | 189,4 | 200,1 | 193,5 |
| fosfor (P) | 26,7 | 26,9 | 26,1 | 26,0 | 26,4 | 26,4 |
| kalium (K) | 167,9 | 164,4 | 149,5 | 146,7 | 157,4 | 154,3 |
| Vastlegging | ||||||
| stikstof (N) | 50,1 | 49,6 | 52,4 | 52,4 | 51,4 | 51,2 |
| fosforvast (P) | 9,1 | 8,9 | 9,5 | 9,4 | 9,3 | 9,2 |
| kalium (K) | 14,0 | 13,8 | 14,6 | 14,6 | 14,4 | 14,3 |
| Excretie | ||||||
| stikstof (N) | 155,0 | 149,3 | 144,0 | 137,0 | 148,7 | 142,3 |
| fosfor (P) | 17,6 | 17,9 | 16,6 | 16,6 | 17,0 | 17,2 |
| kalium (K) | 153,9 | 150,5 | 134,9 | 132,1 | 143,0 | 140,0 |
| fosfaat (P2O5)2) | 40,4 | 41,1 | 37,9 | 37,8 | 39,0 | 39,3 |
| kali (K2O)3) | 185,5 | 181,4 | 162,6 | 159,2 | 172,4 | 168,7 |
1)Inclusief enkelvoudige krachtvoedergrondstoffen en mineralenmengsels.
2)De omrekenfactor voor P in P2O5 is 2,29.
3)De omrekenfactor voor K in K2O is 1,205.
Excretie in stal en weide
Om gasvormige stikstofverliezen uit opgeslagen mest en weidemest van melkkoeien te kunnen berekenen moet de excretie in de stal en in de wei afzonderlijk worden bepaald. Hiertoe worden voor de stal- en voor de weideperiode afzonderlijk excretiefactoren vastgesteld. In de weideperiode van melkkoeien zal een deel van de excretie in de stal plaatsvinden, afhankelijk van de toegepaste vorm van beweiding. De informatie over toegepaste beweiding is afkomstig uit de Landbouwtelling waarin jaarlijks wordt gevraagd naar de periode dat de melkkoeien een bepaalde vorm van beweiding hebben gekregen. De volgende beweidingssystemen worden hierbij onderscheiden: dag en nacht weiden, alleen overdag weiden en permanent opstallen. Bij dag en nacht weiden en bij overdag weiden wordt gevraagd naar het aantal uur weiden per etmaal. Er wordt van uitgegaan dat de hoeveelheid mest die in de stal terechtkomt evenredig is met het aantal uren per etmaal dat de dieren op stal staan.
Gegevens over de weidegang in 2021 zijn gebaseerd op voorlopige cijfers van de Landbouwtelling van 2022 (Tabel 3.3.3).
| Nederland gemiddeld | Noord en West Nederland | Zuid en Oost Nederland | |
|---|---|---|---|
| % van het aantal melkkoeien | |||
| Dag en nacht weiden van melkkoeien | 10 | 15 | 6 |
| Beperkt weiden van melkkoeien | 65 | 65 | 64 |
| Permanent opstallen van melkkoeien | 25 | 20 | 30 |
| uren per etmaal | |||
| Dag en nacht weiden van melkkoeien | 17 | 18 | 16 |
| Beperkt weiden van melkkoeien | 7 | 7 | 6 |
| Permanent opstallen van melkkoeien | 0 | 0 | 0 |
| % van de geproduceerde mest | |||
| Mest in opslag bij dag en nacht weiden | 28 | 25 | 33 |
| Mest in opslag bij beperkt weiden | 71 | 69 | 73 |
| Mest in opslag bij permanent opstallen | 100 | 100 | 100 |
| aantal dagen geweid | |||
| Melkkoeien | 155 | 165 | 150 |
| Jongvee jonger dan 1 jaar1) | 30 | 40 | 25 |
| Jongvee 1 jaar of ouder1) | 85 | 95 | 75 |
*Voorlopige cijfers.
1)Het aandeel van jongvee op bedrijven zonder beweiding is in de cijfers verrekend.
Vleeskalveren
De excretieberekening van witvleeskalveren is geactualiseerd op basis van nieuwe informatie van de vleeskalversector. Uit informatie van de sector is gebleken dat een deel van de bedrijven uit aangevoerde grondstoffen zelf kunstmelk bereidt. Het drogestofgehalte van deze grondstoffen is niet bekend. Dit betekent dat er met de gegevens over voerleveringen (RVO) geen gemiddelde samenstelling berekend kan worden van het rantsoen, bestaande uit kunstmelk, kunstmelkvervanger (brok) en stro. Deze voerleveringen zijn namelijk niet uitgesplitst naar soort product en het drogestofgehalte is niet bekend. De stikstof- en fosforgehalten van het rantsoen zijn daarom gebaseerd op gegevens van de vleeskalversector. In Tabel 3.3.4 is de vorige en de huidige excretieberekening weergegeven.
| 2020 | 2021 | |
|---|---|---|
| Produktieperiode (dagen) | 195 | 195 |
| kg | ||
| Begingewicht1) | 47 | 44 |
| Eindgewicht2) | 275 | 270 |
| Kunstmelkpoeder per ronde | ||
| totaal | 260 | 255 |
| startmelk | 40 | 40 |
| mestmelk | 220 | 215 |
| Stro per ronde | 33 | 62 |
| Melkvervangmix, granenmix (Fe-arme brok) |
327 | 337 |
| Rantsoen | g/kg | |
| stikstofgehalte (N) | 25,3 | 23,7 |
| fosforgehalte (P) | 4,3 | 3,9 |
| Begingewicht | ||
| stikstofgehalte (N)3) | 29,4 | 29,4 |
| fosforgehalte (P)3) | 8,0 | 8,0 |
| Eindgewicht | ||
| stikstofgehalte (N)4) | 27,3 | 27,3 |
| fosforgehalte (P)5) | 7,2 | 7,2 |
| Opname per jaar | kg | |
| stikstof (N)6) | 29,4 | 29,1 |
| fosfor (P)6) | 4,9 | 4,8 |
| Vastlegging per jaar | ||
| stikstof (N)6) | 11,5 | 11,4 |
| fosfor (P)6) | 3,0 | 3,0 |
| Excretie per jaar | ||
| stikstof (N)6) | 17,9 | 17,7 |
| fosfaat (P2O5)6)7) | 4,4 | 4,2 |
1)2020: Sebek et al. (2021); 2021: SBK.
2)2020: Sebek et al. (2021); 2021: geslacht gewicht (SBK), aanhoudingspercentage (Sebek et al., 2021).
3)Jongbloed et al. (1985).
4)Heeres van der Tol en Gerrits (1999).
5)Kemme et al. (2004).
6)Per bij de landbouwtelling geteld dier (jaarrond aanwezig dier).
7)De omrekenfactor voor P in P2O5 is 2,29.
De uitgangspunten voor overig rundvee, schapen, geiten, paarden en pony’s zijn beschreven in Van Bruggen en Gosseling (2019).
3.4Mestproductievolume
De hoeveelheid mest (mestvolume) per dier is gedefinieerd als de hoeveelheid mest in kilogram die na enkele maanden bewaring aanwezig is in de stalopslag, inclusief voerresten, schoonmaakwater en vermorst drinkwater, maar exclusief het gebruik van strooisel als stro, zaagsel en houtkrullen. Voor weidend vee komt daar nog de hoeveelheid mest bij die deze dieren produceren wanneer ze in de wei lopen. Alle weidemest wordt gerekend als dunne mest. De mestproductiefactoren voor rundvee zijn afgestemd op de resultaten van het BedrijfsBegrotingsProgramma Rundveehouderij (BBPR) van Wageningen UR Livestock Research (Van Bruggen, 2011, zie ook Van Bruggen en Gosseling, 2019).
De factoren voor de mestproductie per dier zijn weergegeven in Tabel 3.4.1.
| Stalperiode | Weideperiode1) | Totaal | |
|---|---|---|---|
| Rundvee voor de melkveehouderij | |||
| vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar | 5 000 | 5 000 | |
| mannelijk jongvee jonger dan 1 jaar | 5 000 | 5 000 | |
| vrouwelijk jongvee, 1 jaar en ouder | 10 500 | 2 000 | 12 500 |
| melk- en kalfkoeien regio ZuidOost | 18 000 | 12 000 | 30 000 |
| waarvan | |||
| in de stal | 18 000 | 9 000 | 27 000 |
| in de wei | 3 000 | 3 000 | |
| melk- en kalfkoeien regio NoordWest | 17 000 | 12 000 | 29 000 |
| waarvan | |||
| in de stal | 17 000 | 9 000 | 26 000 |
| in de wei | 3 000 | 3 000 | |
| stieren voor de fokkerij, 2 jaar en ouder | 12 500 | 12 500 | |
| Rundvee voor de vleesproductie | |||
| witvleeskalveren | 2 800 | 2 800 | |
| rosévleeskalveren | 4 500 | 4 500 | |
| vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar | 5 000 | 5 000 | |
| mannelijk jongvee (incl. ossen) jonger dan 1 jaar | 4 500 | 4 500 | |
| vrouwelijk jongvee, 1 jaar en ouder | 10 500 | 2 000 | 12 500 |
| mannelijk jongvee (incl. ossen), 1 jaar en ouder | 10 000 | 10 000 | |
| zoog-, mest- en weidekoeien, 2 jaar en ouder | 7 000 | 8 000 | 15 000 |
| Schapen (ooien)2) | 140 | 2 400 | 2 540 |
| Geiten (melkgeiten)2) | 1 300 | 1 300 | |
| Paarden | 5 200 | 3 300 | 8 500 |
| Pony's | 2 100 | 2 100 | 4 200 |
1)In de weideperiode van melkkoeien (mei-oktober) kan sprake zijn van opstallen of beweiden.
2)Excretie per moederdier, inclusief de excretie van lammeren, mannelijke dieren en opfokdieren.
N.B. De mest van rundvee is berekend als dunne mest uitgezonderd de stalmest van zoog-, mest- en weidekoeien. Stalmest van schapen, geiten, paarden en pony's is vaste mest, weidemest is berekend als dunne mest.
Door afronding van de geringe mestproductie in de weideperiode van vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar is alle mestproductie aan de stal toegerekend.