Graasdieren

De grasoogst van 2021 bevatte beduidend minder stikstof maar meer fosfor vergeleken met voorgaande jaren.

3.1Ruwvoer en krachtvoer

Runderen, schapen, geiten, paarden en pony’s gebruiken in hoofdzaak ruwvoer aangevuld met krachtvoer. Het ruwvoer wordt in Nederland geteeld en bestaat voornamelijk uit graskuil, hooi, snijmaïskuil en weidegras. Het krachtvoer omvat mengvoeders, enkelvoudige krachtvoergrondstoffen, melk(poeder) en vochtrijk krachtvoer. Bij schapen, geiten, paarden en pony’s wordt krachtvoer verstrekt in de vorm van mengvoer. Bij rundvee wordt het krachtvoer voor circa 90 procent verstrekt als mengvoer en voor de rest als enkelvoudige krachtvoergrondstoffen zoals sojaschroot en vochtrijk krachtvoer. Vochtrijk krachtvoer bestaat vooral uit bijproducten van de levensmiddelenindustrie met een lager drogestofgehalte dan het mengvoer.

Het voerverbruik van graasdieren is gebaseerd op de voederbehoefte van het dier en de landelijke beschikbaarheid aan voedermiddelen. Bij het voerverbruik wordt rekening gehouden met 2 procent voerverliezen voor droge en vochtrijke krachtvoeders en 5 procent voor geconserveerd ruwvoer. De voerverliezen worden bij het voerverbruik opgeteld waarbij wordt aangenomen dat de voerverliezen in de mest terechtkomen (zie ook Van Bruggen en Gosseling, 2019).

Omdat er in de melkveehouderij grote verschillen bestaan tussen de voerrantsoenen op zandgronden en in veen- en kleigebieden maakt de Werkgroep Uniformering berekening Mest- en mineralencijfers (WUM) voor de berekening van de excretiefactoren van melk- en kalfkoeien en het bijbehorende jongvee onderscheid in twee regio’s: Zuid-Oost Nederland en Noord-West Nederland. In regio Noord-West is het aandeel snijmaïs in het rantsoen relatief klein en in Zuid-Oost relatief groot. Regio Noord-West bestaat uit de provincies Groningen, Friesland, Utrecht, Noord-Holland en Zuid-Holland en de regio Zuid-Oost bestaat uit de provincies Drenthe, Overijssel, Flevoland, Gelderland, Zeeland, Noord-Brabant en Limburg. Figuur 3.1.1 laat het verschil zien in de rantsoensamenstelling van melkkoeien tussen de beide regio’s.

3.1.1 Rantsoensamenstelling van melkkoeien in Noord-West en Zuid-Oost Nederland, 2020 (% van droge stof)
Graskuil en hooi Snijmais Vers gras Eiwitarm krachtvoer Eiwitrijk krachtvoer Vochtrijk krachtvoer
Noord-West 46 11 10 23 5 5
Zuid-Oost 31 27 11 15 11 5

Ruwvoer

De totale beschikbaarheid en het verbruik van graskuil en hooi is gebaseerd op twee databronnen. Voor melkveebedrijven is dit de Kringloopwijzer en voor de overige bedrijven worden de resultaten van het CBS-onderzoek naar graslandgebruik toegepast. Het verbruik van snijmaïs wordt berekend op basis van de opbrengst per hectare in het Bedrijveninformatienet (BIN) van Wageningen Economic Research en het areaal snijmaïs (CBS), verminderd met 4 procent conserveringsverlies (Schröder et al., 2018). Voor de berekening van het snijmaïsverbruik zijn gegevens over voorraadmutaties in het BIN niet tijdig beschikbaar. Daarom is besloten het verbruik niet enkel te baseren op de oogst in het voorgaande jaar maar te berekenen uit de gemiddelde opbrengst per hectare over de afgelopen vier jaar en deze te vermenigvuldigen met het areaal van het jaar voorafgaand aan het verslagjaar. Op deze manier wordt rekening gehouden met demping door voorraadmutaties.

Het verbruik van weidegras wordt berekend uit de resterende voederbehoefte van graasdieren na vervoedering van alle andere verbruikte voeders. De weidegrasproductie wordt dus berekend als restpost waarin alle onnauwkeurigheden samenkomen. In de loop der jaren is het totale aandeel van geconserveerde ruwvoeders zoals graskuil en snijmaïskuil en van krachtvoer steeds verder toegenomen waardoor weidegras inmiddels een kleine voercomponent is. Hierdoor hebben kleine veranderingen in het verbruik van geconserveerd ruwvoer en krachtvoer al een sterk effect op de opname van weidegras. Dit is ook zichtbaar in de opname van weidegras in 2021 die lager uitviel dan verwacht gezien de goede groeiomstandigheden. Omdat de versgrasopname in omvang beperkt is, is de invloed daarvan op het eindresultaat gering.

Naast het hogere verbruik van graskuil en snijmaïskuil in 2021, viel ook de afzet van vochtrijke producten hoger uit, met name de afzet van aardappels door het wegvallen van de vraag vanuit de horeca. Het is mogelijk dat een deel van deze afzet niet in 2021 is verbruikt. Om de plausibiliteit van het totale verbruik aan grasproducten te controleren, wordt jaarlijks de bruto graslandproductie per hectare vastgesteld en vergeleken met jaarproducties in het Handboek Melkveehouderij. De berekende graslandproducties blijken redelijk overeen te komen met de waarden in het Handboek. De bruto graslandproductie is voor alle jaren berekend door het verbruik aan graslandproducten standaard te verhogen met 20 procent voederwinnings- en conserveringsverliezen en 20 procent beweidingsverliezen.

Hoewel er jaarlijks behoorlijke fluctuaties optreden in de productie van weidegras en geconserveerd gras, neemt de productie van weidegras per hectare sinds 1990 af ten gunste van geconserveerd gras (Figuur 3.1.2). Enkele oorzaken zijn een toename van de periode waarin de koeien op stal staan en mede daardoor een steeds groter verbruik van geconserveerd ruwvoer (snijmaïs, graskuil en hooi) in de weideperiode.

3.1.2 Graslandproductie netto (miljoen kg droge stof)
Graskuil Hooi Weidegras
1990 4336 445 5430
2000 4253 300 3906
2010 5139 183 2929
2020 5537 198 2618
2021 7001 204 2082

Figuur 3.1.3 laat zien dat de opbrengst van snijmaïs per hectare sinds het begin van de jaren negentig is toegenomen van krap 12 ton droge stof per hectare tot ca. 16 ton per hectare. Het cijfer van 2021 is nog een voorlopig cijfer op basis van de CBS-oogstraming.

3.1.3 Snijmaïsoogst per hectare (kilogram droge stof per hectare)
Snijmaisoogst per hectare
1990 11709
2000 13833
2010 15595
2020 16772
2021* 15925
* Voorlopig cijfer

De samenstelling van ruwvoer is gebaseerd op gegevens van Eurofins Agro. Dit bedrijf bepaalt van een zeer groot aantal monsters van kuilvoer en vers gras de voederwaarde en de mineralengehalten. Variaties in mineralengehalten tussen verschillende jaren worden veroorzaakt door weers- en groeiomstandigheden (temperatuur en vocht) en verschillen in bemesting. Voor hooi worden vaste voederwaarden aangehouden omdat het aandeel in het rantsoen zeer gering is.

In Tabel 3.1.4 is de hoeveelheid van het verbruikte voer weergegeven en in Tabel 3.1.5 de samenstelling. Voor geconserveerd voer wordt er normaliter van uitgegaan dat tot en met de weideperiode voer wordt verstrekt dat in het voorgaande jaar is geoogst. In de stalperiode van circa half oktober tot en met 31 december wordt dan gerekend met de samenstelling van het voer dat in dat jaar is geoogst.

In studies naar de forfaitaire stikstofexcretie is de ruwvoersamenstelling gedifferentieerd naar gangbaar en extensief graslandbeheer (Tamminga et al., 2000; 2004; 2009; Heeres-van der Tol, 2002). De samenstelling van extensief beheerd grasland is toegepast in de excretieberekeningen van zoog-, mest- en weidekoeien, jongvee ouder dan 1 jaar en schapen. Vanaf 2015 is de samenstelling van graskuil bestemd voor schapen gebaseerd op de samenstelling van kuilmonsters die zijn geselecteerd op de maaidatum die geldt voor natuurgrasland (na 15 juni) en celwandgehalte (zie ook Van Bruggen, 2016).

3.1.4Verbruik van graasdiervoeders1) in 2021 (mln kg)
Verbruik
Graskuil voor rundvee, schapen en geiten (droge stof) 5 912
Grashooi voor rundvee, schapen en geiten (droge stof) 124
Graskuil voor paarden en pony's (droge stof) 86
Grashooi voor paarden en pony's (droge stof) 69
Graszaadstro voor paarden en pony's (droge stof) 11
Snijmaïskuil voor rundvee, schapen en geiten (droge stof) 3 029
Weidegras voor rundvee en schapen (droge stof) 1 992
Weidegras voor paarden en pony's (droge stof) 90
Rundveekrachtvoer – eiwitarm2) 2 669
Rundveekrachtvoer – eiwitrijk2,3) 1 129
Krachtvoer voor rosévleeskalveren en vleesstieren 417
Startmelk voor rosévleeskalveren en vleesstieren 16
Kunstmelk voor witvleeskalveren 295
Melkvervangmix voor witvleeskalveren 390
Vochtrijk krachtvoer voor rundvee (droge stof) 691
Krachtvoer voor schapen 23
Kunstmelk voor geitenbokjes 4
Krachtvoer voor geiten 231
Krachtvoer voor paarden en pony's 38

1)Inclusief voeders voor vleeskalveren.

2)Inclusief aanvullende voeders en enkelvoudig vervoederde krachtvoedergrondstoffen.

3)Eiwitkernvoeders en overig eiwitrijk voer met minimaal 120 g DVE (Darm Verteerbaar Eiwit) per kg droge stof.

3.1.5Samenstelling van graasdiervoeders in 2021
Stikstof
(N)
Fosfor
(P)
Kalium
(K)
VEM1)
g/kg droge stof aantal/kg
Graskuil oogst 2020 29,3 3,4 30,1 911
Graskuil oogst 2021 25,8 3,7 30,6 891
Grashooi 21,1 2,7 34,1 790
Graskuil en hooi in de stalperiode 27,7 3,5 30,4 900
Graskuil en hooi in de weideperiode 29,1 3,4 30,2 909
Graskuil en hooi extensief grasland in de stalperiode2) 24,8 3,4 30,1 858
Graskuil en hooi extensief grasland voor schapen2) 19,0 2,7 20,9 696
Graskuil voor paarden en pony's 20,5 3,3 25,2
Grashooi voor paarden en pony's 14,1 2,5 18,5
Graszaadstro voor paarden en pony's 9,8 1,7 18,3
Snijmaïskuil oogst 2020 12,2 1,8 10,5 985
Snijmaïskuil oogst 2021 11,2 1,8 9,6 989
Snijmaïskuil in de stalperiode 11,8 1,8 10,1 987
Snijmaïskuil in de weideperiode 12,2 1,8 10,5 985
Weidegras van regulier beheerd grasland voor rundvee 31,0 3,9 32,4 967
Weidegras extensief grasland3) voor rundvee en schapen 24,8 3,5 32,4 900
Weidegras voor paarden en pony's 29,1 3,9 29,0
Vochtrijk krachtvoer totaal 23,6 3,2 10,4
Vochtrijk krachtvoer voor melkvee 24,5 3,2 10,6 1 000
Vochtrijk krachtvoer voor vleesvee 16,2 3,0 8,8
g/kg aantal/kg
Rundveekrachtvoer - eiwitarm4) 26,4 4,2 12,0 960
Rundveekrachtvoer - eiwitrijk4,5) 35,7 5,0 14,1 960
Startmelk voor rosévleeskalveren en vleesstieren 33,0 5,9 20,4
Opfokvoer voor rosévleeskalveren 32,5 5,5 12,6
Groei- en afmestvoer voor rosévleeskalveren 24,6 4,4 12,3
Opfokvoer voor vleesstieren 41,3 6,3 12,6
Groei- en afmestvoer voor vleesstieren 24,6 4,4 12,3
Kunstmelk voor witvleeskalveren 27,4 5,9 15,9
Melkvervangmix witvleeskalveren 24,1 3,0 4,0
Krachtvoer voor schapenlammeren 25,3 3,9 13,1
Krachtvoer voor schapen 25,3 3,9 11,7
Kunstmelk voor geitenbokjes 34,0 7,0 16,0
Krachtvoer voor geiten 26,4 4,3 9,0
Krachtvoer voor paarden en pony's6) 22,3 5,5 11,7

1)Voederwaarde uitgedrukt in Voedereenheden Melk (VEM).

2)Mest-, weide- en zoogkoeien en schapen krijgen graskuil en hooi van laag bemest grasland.

3)Jongvee ouder dan 1 jaar, mest-, weide- en zoogkoeien en schapen krijgen weidegras van laag bemest grasland.

4)Inclusief aanvullende voeders en enkelvoudig vervoederde krachtvoedergrondstoffen.

5)Eiwitkernvoeders en overig eiwitrijk voer met minimaal 120 g DVE (Darm Verteerbaar Eiwit) per kg droge stof.

6)Gewogen gemiddelde samenstelling van diverse typen krachtvoeders.

Krachtvoer

Onder krachtvoer vallen mengvoer, enkelvoudig vervoederde krachtvoergrondstoffen, vochtrijk krachtvoer en kunstmelk(poeder).

Voerleveranciers zijn verplicht om leveringen van mengvoer en enkelvoudig voer te rapporteren aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). In de leveringen van mengvoer wordt aangegeven voor welke diergroep het voer bestemd is. In de overzichten van mengvoerleveringen komen soms ook leveringen voor van ruwvoer en vochtrijk krachtvoer. Om gedeeltelijke dubbeltellingen met gegevens uit andere bronnen te vermijden, wordt hiervoor gecorrigeerd. Voor de afzet van vochtrijk krachtvoer en de verdeling over rundvee en varkens wordt geen gebruik gemaakt van de geregistreerde voerleveringen. Deze gegevens worden jaarlijks beschikbaar gesteld door de Overleggroep Producenten Natte Veevoeders (OPNV).

Bij de berekening van excretiefactoren voor de stal- en weideperiode in de regio’s Noord-West en Zuid-Oost Nederland wordt voor melkvee onderscheid gemaakt in eiwitarm en eiwitrijk krachtvoer. Voor de bepaling van de afzetvolumes aan eiwitarm en eiwitrijk krachtvoer worden gegevens van Wageningen Economic Research gebruikt waarbij de afzet van mengvoer is ingedeeld naar het gehalte aan Darm Verteerbaar Eiwit (DVE). Voeders met een DVE-gehalte tot en met 115 gram DVE per kg zijn beschouwd als eiwitarm en voeders met 120 gram DVE of meer als eiwitrijk. De afzetgegevens zijn gecombineerd met gegevens over de stikstof-, fosfor- en kaliumgehalten van mengvoer per DVE-gehalte van Wageningen Livestock Research. Ten slotte is de berekende samenstelling van eiwitrijk en eiwitarm krachtvoer gekalibreerd met de samenstelling van melkveevoer in de gegevens van RVO.

Voor de verschillende categorieën vleesvee wordt gewerkt met vaste hoeveelheden opfok- en afmestvoer in het rantsoen. De samenstelling van opfok- en afmestvoer voor rosévleeskalveren en vleesstieren is gebaseerd op gegevens van RVO. De gemiddelde samenstelling van het aan witvleeskalveren verstrekte voer is gebaseerd op informatie van de kalversector. Het kaliumgehalte van het mengvoer wordt incidenteel bijgesteld.

3.2Dierlijke productie

De vastlegging van mineralen in dierlijke producten is afhankelijk van het productieniveau van melk en vlees en van de mineralengehalten van die producten. Het levend gewicht van graasdieren wordt incidenteel aangepast. De mineralengehalten van dierlijke producten worden jaarlijks afgestemd met de forfaitaire waarden in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Nieuwe gegevens over gehalten aan stikstof, fosfor en kalium in het levend gewicht van graasdieren komen incidenteel beschikbaar. De samenstelling van dierlijke producten is weergegeven Tabel 3.2.1.

3.2.1Gewicht en samenstelling van graasdieren en van dierlijke producten in 2021
Gewicht
(Gew) (kg)
Stikstof
(N) (g/kg)
Fosfor
(P) (g/kg)
Kalium
(K) (g/kg)
Bron [Gew] [N] [P] [K]
Kalf, geboortegewicht 44 29,4 8,00 2,05 [1] [2] [2] [3]
Vleeskalf, blank, begingewicht 44 29,4 8,00 2,05 [2] [2] [3]
Vleeskalf, rosé, begingewicht 50 29,4 8,00 2,05 [5] [2] [2] [3]
Vleeskalf, blank 270 27,3 7,20 1,67 [4] [6] [7] [6]
Vleeskalf, rose 330 26,4 6,85 1,69 [8] [6] [9] [6]
Vleesstier
begingewicht 50 29,4 8,00 2,05 [5] [2] [2] [3]
12 maanden 450 28,5 7,50 1,91 [10] [10] [10] [3]
eindgewicht-kruisling 625 27,0 7,40 1,91 [11] [10] [12] [3]
eindgewicht-zuiver vleesras 700 27,0 7,40 1,91 [11] [10] [12] [3]
Jongvee
1 jaar 320 24,1 7,40 2,00 [13] [13 [12] [3]
2 jaar en ouder 540 23,1 7,40 2,00 [14] [13] [12] [3]
Melkkoe 650 22,5 7,40 2,00 [14] [13] [12] [3]
Zoog-, mest- en weidekoe 650 22,5 7,40 2,00 [15] [13] [12] [3]
Fokstier
1 jaar 400 25,6 7,40 2,00 [12] [2] [12] [3]
3,5 jaar 1 100 25,3 7,40 2,00 [12] [2] [12] [3]
Schaap
volwassen 75 25,0 7,80 1,70 [15] [15] [11] [15]
vleeslam 42 26,2 5,20 1,70 [11] [16] [16] [15]
Geiten
melkgeit 75 24,0 7,90 1,70 [8] [13] [11] [15]
vleeslam 9 24,0 6,30 1,70 [8] [13] [16] [15]
Paard 540 29,9 7,50 2,00 [17] [17] [17] [3]
Pony 285 29,9 7,50 2,00 [17] [17] [17] [3]
Melkproductie
per melkkoe per jaar1) 8 843 5,6 0,99 1,60 [18] [18] [19] [15]
per melkgeit per jaar 1 000 5,0 1,12 2,00 [8] [11] [11] [15]
Wolproductie per schaap per jaar 3 122 0,11 1,45 [11] [15] [15] [15]

1)Wordt jaarlijks geactualiseerd.

N.B. Het gewicht van dieren is het levend gewicht.

[1] Tamminga et al. (2004).

[2] Jongbloed et al. (1985).

[3] Jongbloed et al. (1984).

[4] Sebek et al. (2021).

[5] KWIN (2020).

[6] Heeres – van der Tol en Gerrits (1999).

[7] Kemme et al. (2004).

[8] Bikker et al. (2019).

[9] Kemme et al. (2003).

[10] Heeres – van der Tol (2001).

[11] Kemme et al. (2005a).

[12] Van der Hoek (1987).

[13] Tamminga et al. (2000).

[14] Handreiking Bedrijfsspecifieke Excretie melkvee, 2018.

[15] IKC (1993).

[16] Jongbloed en Kemme (2002b).

[17] Kemme et al. (2005b).

[18] Rijksdiest voor Ondernemend Nederland (RVO).

[19] ZuivelNL.

3.3Mineralenexcretie

De excretiefactoren voor graasdieren zijn weergegeven in Tabel 3.3.1.

3.3.1Excretiefactoren van graasdieren in 2021 (kg/dier/jaar)
Stalperiode Weideperiode Gehele jaar
stikstof
(N)
fosfaat
(P2O5)
kali
(K2O)
stikstof
(N)
fosfaat
(P2O5)
kali
(K2O)
stikstof
(N)
fosfaat
(P2O5)
kali
(K2O)
Zuid- en Oost-Nederland (snijmaïsrantsoen)
Vrouwelijk jongvee
jonger dan 1 jaar 28,2 6,6 35,9 2,7 0,6 3,7 30,9 7,2 39,6
1 jaar en ouder 53,5 13,8 73,8 14,1 4,0 23,9 67,6 17,8 97,7
Melk- en kalfkoeien
totaal1) 77,3 21,7 85,7 59,7 16,1 73,5 137,0 37,8 159,2
excretie in de stal 77,3 21,7 85,7 45,9 12,4 56,5 123,2 34,1 142,2
excretie in de wei 13,8 3,7 17,0 13,8 3,7 17,0
Noord- en West-Nederland (graskuilrantsoen)
Vrouwelijk jongvee
jonger dan 1 jaar 31,4 7,3 42,2 4,4 1,0 6,0 35,8 8,3 48,2
1 jaar en ouder 53,1 13,7 73,7 17,9 5,1 30,4 71,0 18,8 104,1
Melk- en kalfkoeien
totaal1) 79,5 22,6 93,9 69,8 18,5 87,5 149,3 41,1 181,4
excretie in de stal 79,5 22,6 93,9 49,1 13,0 61,6 128,6 35,6 155,5
excretie in de wei 20,7 5,5 25,9 20,7 5,5 25,9
Nederland
Rundvee voor de melkveehouderij
vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar 29,5 6,9 38,4 3,4 0,8 4,6 32,9 7,7 43,0
mannelijk jongvee jonger dan 1 jaar 31,9 6,9 43,9
vrouwelijk jongvee, 1–2 jaar 53,3 13,8 73,8 15,6 4,4 26,5 68,9 18,2 100,3
mannelijk jongvee, 1–2 jaar 82,8 22,9 109,4
vrouwelijk jongvee, 2 jaar en ouder 53,3 13,8 73,8 15,8 4,5 26,7 69,1 18,3 100,5
Melk- en kalfkoeien
totaal1) 78,2 22,1 89,2 64,1 17,2 79,5 142,3 39,3 168,7
excretie in de stal 78,2 22,1 89,2 47,3 12,7 58,7 125,5 34,8 147,9
excretie in de wei 16,8 4,5 20,8 16,8 4,5 20,8
stieren voor de fokkerij, 2 jaar en ouder 82,8 22,9 109,4
Rundvee voor de vleesproductie
witvleeskalveren 17,7 4,2 13,8
rosévleeskalveren 26,0 8,2 24,1
vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar 29,1 6,8 37,6 3,2 0,7 4,3 32,3 7,5 41,9
mannelijk jongvee (incl. ossen) jonger dan 1 jaar 30,5 7,9 23,7
vrouwelijk jongvee, 1–2 jaar 53,4 13,8 73,8 15,2 4,3 25,8 68,6 18,1 99,6
mannelijk jongvee (incl. ossen), 1–2 jaar 53,7 16,6 41,3
vrouwelijk jongvee, 2 jaar en ouder 53,4 13,8 73,8 15,2 4,3 25,8 68,6 18,1 99,6
mannelijk jongvee (incl. ossen), 2 jaar en ouder 53,7 16,6 41,3
zoog-, mest- en weidekoeien, 2 jaar en ouder 37,3 11,0 58,8 43,4 13,3 75,9 80,7 24,3 134,7
Schapen (ooien)2) 1,3 0,4 1,7 12,2 3,8 21,7 13,5 4,2 23,4
Geiten (melkgeiten)2) 19,2 5,6 16,7
Paarden 40,8 15,6 53,1 35,7 13,1 45,8 76,5 28,7 98,9
Pony's 16,1 6,1 21,7 19,5 6,9 25,4 35,6 13,0 47,1

1)In de weideperiode van melkkoeien (mei-oktober) kan sprake zijn van opstallen of beweiden.

2)Excretie per moederdier, inclusief de excretie van lammeren, mannelijke dieren en opfokdieren.

Melk- en kalfkoeien

De voederbehoefte, de samenstelling van het voerrantsoen en de vastlegging van stikstof worden jaarlijks geactualiseerd. Met ingang van 2017 wordt ook het fosforgehalte van de geproduceerde melk jaarlijks aangepast (Van Bruggen, 2018; Koning en Šebek, 2019). Voor de andere categorieën runderen, schapen en geiten worden alleen de voederwaarden en de mineralengehalten van het voer jaarlijks aangepast.

De totale melkproductie is de som van de melkleveringen aan fabrieken en de melk die achterblijft op de boerderij voor bijvoorbeeld de productie van boerderijzuivel en de opfok van kalveren. Voor de melk die achtergehouden wordt op de boerderij werd tot dusver gebruik gemaakt van een schatting door RVO. Op basis van deze cijfers is het aandeel van de melkproductie die achterblijft op de boerderij de laatste jaren steeds verder gedaald tot ongeveer 1,5 procent. Voor 2019 en 2020 zijn cijfers over de totale melkproductie uit de Gecombineerde Opgave beschikbaar en op basis daarvan is het aandeel achtergehouden melk aanmerkelijk hoger, namelijk 4 à 5 procent. Een derde bron is het Bedrijveninformatienet (BIN) van Wageningen Economic Research. In het BIN is een langere tijdreeks beschikbaar van de totale melkproductie en het deel dat geleverd wordt aan fabrieken. De werkgroep geeft de voorkeur aan de cijfers van het BIN omdat deze afkomstig zijn van bedrijfsadministraties die bij individuele bedrijfsbezoeken worden verzameld. Het BIN heeft echter nog geen cijfer voor 2021 en daarom heeft de werkgroep WUM besloten om voor de achterhouding van melk op de boerderij uit te gaan van het gemiddelde van de laatste vijf jaar: 2,1 procent.

De melkproductie per koe wordt normaliter berekend door de totale melkproductie te delen door het aantal melkkoeien in de Landbouwtelling. Er wordt daarbij van uitgegaan dat het aantal melkkoeien in de Landbouwtelling representatief is voor het gemiddeld aantal melkkoeien in het jaar. In jaren met een sterke toe- of afname van het aantal melkkoeien in de loop van het jaar wordt bij de berekening van de melkproductie per koe het gemiddeld aantal dieren gecorrigeerd (Van Bruggen en Gosseling, 2019).

De uitgangspunten voor de berekening van de voederbehoefte van melkkoeien en jongvee en voor de vastlegging van mineralen in dierlijke producten zijn afgestemd met de Handreiking Bedrijfsspecifieke Excretie (BEX). Van het aantal kalveren dat gedurende het leven van de koe wordt geboren, wordt het eerste kalf berekend als vastlegging bij de vaars (jongvee van 1 jaar en ouder).

Om het voerverbruik van melkkoeien te berekenen, wordt gebruik gemaakt van een voerbalans. Daarbij wordt uitgegaan van vaste kengetallen voor het voerverbruik van rundvee (exclusief melk- en kalfkoeien), schapen, geiten, paarden en pony’s (zie ook Van Bruggen et al., 2019). Na verdeling van het benodigde krachtvoer en ruwvoer over rundvee (exclusief melk- en kalfkoeien) en over schapen, geiten, paarden en pony’s wordt de rest van het beschikbare voer (circa 70 procent) aan melk- en kalfkoeien toebedeeld. In de voederbehoefte die bij melk- en kalfkoeien dan nog resteert, wordt voorzien door weidegras. Het verbruik van weidegras door melkkoeien wordt dus berekend als restpost waarin alle onzekerheden in de aannames terechtkomen. Door de trend naar vaker opstallen van melkkoeien is het verbruik van weidegras door melkkoeien inmiddels een kleine voercomponent. Doordat het verbruik van weidegras relatief gering is en het bovendien een restpost is in de berekening van het voerverbruik, kan het verbruik van jaar op jaar forse schommelingen vertonen (zie ook Van Bruggen, 2018). Omdat de versgrasopname in omvang beperkt is, is de invloed daarvan op het eindresultaat gering. De excretie van melkkoeien is weergegeven in Tabel 3.3.2.

3.3.2Mineralenexcretie van melk- en kalfkoeien
Noord- en West Nederland Zuid- en Oost Nederland Nederland
2020 2021 2020 2021 2020 2021
kVEM
VEM-behoefte (kVEM) 6 880 6 840 7 080 7 085 6 995 6 980
Ruwvoeropname kg drogestof/dier.jaar
weidegras 1 112 707 1 029 786 1 064 752
graskuil- en hooi 3 150 3 323 2 217 2 212 2 616 2 688
snijmaïskuil 714 828 1 868 2 031 1 375 1 515
Krachtvoeropname1)
vochtrijk 292 394 292 394 292 394
kg/dier.jaar
eiwitarm 1 884 1 882 1 224 1 312 1 506 1 556
eiwitrijk 409 393 1 069 963 787 719
Vastlegging
melkkoe 30 29 30 29 30 29
kalf 31 31 31 31 31 31
melk 8 665 8 561 9 069 9 054 8 896 8 843
Mineralenbalans
Opname met voer
stikstof (N) 205,1 199,0 196,3 189,4 200,1 193,5
fosfor (P) 26,7 26,9 26,1 26,0 26,4 26,4
kalium (K) 167,9 164,4 149,5 146,7 157,4 154,3
Vastlegging
stikstof (N) 50,1 49,6 52,4 52,4 51,4 51,2
fosforvast (P) 9,1 8,9 9,5 9,4 9,3 9,2
kalium (K) 14,0 13,8 14,6 14,6 14,4 14,3
Excretie
stikstof (N) 155,0 149,3 144,0 137,0 148,7 142,3
fosfor (P) 17,6 17,9 16,6 16,6 17,0 17,2
kalium (K) 153,9 150,5 134,9 132,1 143,0 140,0
fosfaat (P2O5)2) 40,4 41,1 37,9 37,8 39,0 39,3
kali (K2O)3) 185,5 181,4 162,6 159,2 172,4 168,7

1)Inclusief enkelvoudige krachtvoedergrondstoffen en mineralenmengsels.

2)De omrekenfactor voor P in P2O5 is 2,29.

3)De omrekenfactor voor K in K2O is 1,205.

Excretie in stal en weide

Om gasvormige stikstofverliezen uit opgeslagen mest en weidemest van melkkoeien te kunnen berekenen moet de excretie in de stal en in de wei afzonderlijk worden bepaald. Hiertoe worden voor de stal- en voor de weideperiode afzonderlijk excretiefactoren vastgesteld. In de weideperiode van melkkoeien zal een deel van de excretie in de stal plaatsvinden, afhankelijk van de toegepaste vorm van beweiding. De informatie over toegepaste beweiding is afkomstig uit de Landbouwtelling waarin jaarlijks wordt gevraagd naar de periode dat de melkkoeien een bepaalde vorm van beweiding hebben gekregen. De volgende beweidingssystemen worden hierbij onderscheiden: dag en nacht weiden, alleen overdag weiden en permanent opstallen. Bij dag en nacht weiden en bij overdag weiden wordt gevraagd naar het aantal uur weiden per etmaal. Er wordt van uitgegaan dat de hoeveelheid mest die in de stal terechtkomt evenredig is met het aantal uren per etmaal dat de dieren op stal staan.

Gegevens over de weidegang in 2021 zijn gebaseerd op voorlopige cijfers van de Landbouwtelling van 2022 (Tabel 3.3.3).

3.3.3Weidegang van melkkoeien en jongvee in 2021*
Nederland gemiddeld Noord en West Nederland Zuid en Oost Nederland
% van het aantal melkkoeien
Dag en nacht weiden van melkkoeien 10 15 6
Beperkt weiden van melkkoeien 65 65 64
Permanent opstallen van melkkoeien 25 20 30
uren per etmaal
Dag en nacht weiden van melkkoeien 17 18 16
Beperkt weiden van melkkoeien 7 7 6
Permanent opstallen van melkkoeien 0 0 0
% van de geproduceerde mest
Mest in opslag bij dag en nacht weiden 28 25 33
Mest in opslag bij beperkt weiden 71 69 73
Mest in opslag bij permanent opstallen 100 100 100
aantal dagen geweid
Melkkoeien 155 165 150
Jongvee jonger dan 1 jaar1) 30 40 25
Jongvee 1 jaar of ouder1) 85 95 75

*Voorlopige cijfers.

1)Het aandeel van jongvee op bedrijven zonder beweiding is in de cijfers verrekend.

Vleeskalveren

De excretieberekening van witvleeskalveren is geactualiseerd op basis van nieuwe informatie van de vleeskalversector. Uit informatie van de sector is gebleken dat een deel van de bedrijven uit aangevoerde grondstoffen zelf kunstmelk bereidt. Het drogestofgehalte van deze grondstoffen is niet bekend. Dit betekent dat er met de gegevens over voerleveringen (RVO) geen gemiddelde samenstelling berekend kan worden van het rantsoen, bestaande uit kunstmelk, kunstmelkvervanger (brok) en stro. Deze voerleveringen zijn namelijk niet uitgesplitst naar soort product en het drogestofgehalte is niet bekend. De stikstof- en fosforgehalten van het rantsoen zijn daarom gebaseerd op gegevens van de vleeskalversector. In Tabel 3.3.4 is de vorige en de huidige excretieberekening weergegeven.

3.3.4Mineralenexcretie van witvleeskalveren
2020 2021
Produktieperiode (dagen) 195 195
kg
Begingewicht1) 47 44
Eindgewicht2) 275 270
Kunstmelkpoeder per ronde
totaal 260 255
startmelk 40 40
mestmelk 220 215
Stro per ronde 33 62
Melkvervangmix, granenmix
(Fe-arme brok)
327 337
Rantsoen g/kg
stikstofgehalte (N) 25,3 23,7
fosforgehalte (P) 4,3 3,9
Begingewicht
stikstofgehalte (N)3) 29,4 29,4
fosforgehalte (P)3) 8,0 8,0
Eindgewicht
stikstofgehalte (N)4) 27,3 27,3
fosforgehalte (P)5) 7,2 7,2
Opname per jaar kg
stikstof (N)6) 29,4 29,1
fosfor (P)6) 4,9 4,8
Vastlegging per jaar
stikstof (N)6) 11,5 11,4
fosfor (P)6) 3,0 3,0
Excretie per jaar
stikstof (N)6) 17,9 17,7
fosfaat (P2O5)6)7) 4,4 4,2

1)2020: Sebek et al. (2021); 2021: SBK.

2)2020: Sebek et al. (2021); 2021: geslacht gewicht (SBK), aanhoudingspercentage (Sebek et al., 2021).

3)Jongbloed et al. (1985).

4)Heeres van der Tol en Gerrits (1999).

5)Kemme et al. (2004).

6)Per bij de landbouwtelling geteld dier (jaarrond aanwezig dier).

7)De omrekenfactor voor P in P2O5 is 2,29.

De uitgangspunten voor overig rundvee, schapen, geiten, paarden en pony’s zijn beschreven in Van Bruggen en Gosseling (2019).

3.4Mestproductievolume

De hoeveelheid mest (mestvolume) per dier is gedefinieerd als de hoeveelheid mest in kilogram die na enkele maanden bewaring aanwezig is in de stalopslag, inclusief voerresten, schoonmaakwater en vermorst drinkwater, maar exclusief het gebruik van strooisel als stro, zaagsel en houtkrullen. Voor weidend vee komt daar nog de hoeveelheid mest bij die deze dieren produceren wanneer ze in de wei lopen. Alle weidemest wordt gerekend als dunne mest. De mestproductiefactoren voor rundvee zijn afgestemd op de resultaten van het BedrijfsBegrotingsProgramma Rundveehouderij (BBPR) van Wageningen UR Livestock Research (Van Bruggen, 2011, zie ook Van Bruggen en Gosseling, 2019).

De factoren voor de mestproductie per dier zijn weergegeven in Tabel 3.4.1.

3.4.1Mestproductiefactoren van graasdieren in 2021 (kg/dier/jaar)
Stalperiode Weideperiode1) Totaal
Rundvee voor de melkveehouderij
vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar 5 000 5 000
mannelijk jongvee jonger dan 1 jaar 5 000 5 000
vrouwelijk jongvee, 1 jaar en ouder 10 500 2 000 12 500
melk- en kalfkoeien regio ZuidOost 18 000 12 000 30 000
waarvan
in de stal 18 000 9 000 27 000
in de wei 3 000 3 000
melk- en kalfkoeien regio NoordWest 17 000 12 000 29 000
waarvan
in de stal 17 000 9 000 26 000
in de wei 3 000 3 000
stieren voor de fokkerij, 2 jaar en ouder 12 500 12 500
Rundvee voor de vleesproductie
witvleeskalveren 2 800 2 800
rosévleeskalveren 4 500 4 500
vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar 5 000 5 000
mannelijk jongvee (incl. ossen) jonger dan 1 jaar 4 500 4 500
vrouwelijk jongvee, 1 jaar en ouder 10 500 2 000 12 500
mannelijk jongvee (incl. ossen), 1 jaar en ouder 10 000 10 000
zoog-, mest- en weidekoeien, 2 jaar en ouder 7 000 8 000 15 000
Schapen (ooien)2) 140 2 400 2 540
Geiten (melkgeiten)2) 1 300 1 300
Paarden 5 200 3 300 8 500
Pony's 2 100 2 100 4 200

1)In de weideperiode van melkkoeien (mei-oktober) kan sprake zijn van opstallen of beweiden.

2)Excretie per moederdier, inclusief de excretie van lammeren, mannelijke dieren en opfokdieren.

N.B. De mest van rundvee is berekend als dunne mest uitgezonderd de stalmest van zoog-, mest- en weidekoeien. Stalmest van schapen, geiten, paarden en pony's is vaste mest, weidemest is berekend als dunne mest.

Door afronding van de geringe mestproductie in de weideperiode van vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar is alle mestproductie aan de stal toegerekend.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Cor van Bruggen

Werkgroep Uniformering berekening Mest en mineralen (WUM)

Paul Bikker1)

Aart Evers1)

Jan van Harn1)

Harmen van Laar1)

Harry Luesink2)

Katrin Oltmer2)

Marian van Schijndel (agendalid)4)

Léon Sebek1)

Gerard Velthof (agendalid)3)

Tim van der Zee (agendalid)5)

1) Wageningen Livestock Research

2) Wageningen Economic Research

3) Wageningen Environmental Research

4) Planbureau voor de Leefomgeving

5) Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu